<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272126_10</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard houdende regels omtrent watersysteemheffing Verordening watersysteemheffing 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2017-11511.html">Waterschapsblad 2017, 11511</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening watersysteemheffing 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=110">artikel 110 Waterschapswet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=113">artikel 113 Waterschapswet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=116">artikel 116 Waterschapswet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005108&amp;artikel=117">artikel 117 Waterschapswet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-11-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 4, 6, 8, 10</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening watersysteemheffing 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening watersysteemheffing 2009, 27.11.2013</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen </titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetene: degene die blijkens de basisregistratie personen
                                        bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het
                                        gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft van
                                        woonruimte, met dien verstande dat gebruik van woonruimte
                                        door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt
                                        aangemerkt als gebruik door een lid van dat huishouden, dat
                                        wordt aangewezen door de in artikel 124, vijfde lid,
                                        onderdeel a, van de Waterschapswet bedoelde ambtenaar; </al></li><li nr="b."><al>ambtenaar belast met de heffing: de krachtens de
                                        Gemeenschappelijk regeling Regionale Belasting Groep
                                        aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                        onderdeel a, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="c."><al>ambtenaar belast met de invordering: de krachtens de
                                        Gemeenschappelijke regeling Regionale Belasting Groep
                                        aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 124, vijfde lid,
                                        onderdeel b, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="d."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd
                                        is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                                        woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting
                                        van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik
                                        te worden gegeven; </al></li><li nr="e."><al>kostentoedelingsverordening: de verordening van het
                                        waterschap, bedoeld in artikel 120, eerste lid, eerste
                                        volzin, van de Waterschapswet; </al></li><li nr="f."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die
                                        geheel of gedeeltelijk buiten de primaire en/of voorliggende
                                        waterkering zijn gelegen; </al></li><li nr="g."><al>natuurterreinen: ongebouwde onroerende zaken waarvan de
                                        inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en
                                        duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                                        natuur. Onder natuurterreinen worden mede verstaan bossen en
                                        open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare;
                                    </al></li><li nr="h."><al>ongebouwde onroerende zaken: ongebouwde onroerende zaken die
                                        geen natuurterreinen zijn; </al></li><li nr="i."><al> gebieden van het waterschap: het gebied dat is aangegeven
                                        op de bij het provinciaal reglement behorende kaart waarin
                                        de zorg voor het watersysteem aan het waterschap is
                                        opgedragen en het taakgebied dat is aangegeven op de bij het
                                        provinciaal reglement behorende kaart waarin het
                                        hoogheemraadschap bevoegd is het wegenbeheer uit te
                                        oefenen;</al></li><li nr="j."><al>de heffing: de watersysteemheffing als genoemd in artikel
                                        117, aanhef, van de Waterschapswet. </al><al/><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_1_2_1_"> Ter bestrijding van kosten die zijn
                                    verbonden aan de zorg voor het watersysteem wordt onder de naam
                                    watersysteemheffing een directe belasting geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_1_2_2_"> De heffing wordt geheven van hen
                                    die:</al><lijst><li nr="a."><al>ingezetenen zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel a,
                                            met dien verstande dat gebruik van woonruimte door de
                                            leden van een gezamenlijke huishouding wordt aangemerkt
                                            als gebruik door een door de ambtenaar belast met de
                                            heffing aan te wijzen lid van dat huishouden; </al></li><li nr="b."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van ongebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap; </al></li><li nr="c."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van natuurterreinen in het gebied van het
                                            waterschap; </al></li><li nr="d."><al>krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van gebouwde onroerende zaken in het gebied van
                                            het waterschap. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119439_0_1_2_3_"> Heffingsplichtig in de zin van het
                                    tweede lid, onderdelen b, c en d, is degene die bij het begin
                                    van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie
                                    kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen
                                    rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119439_0_1_2_4_"> Voor de toepassing van het tweede
                                    lid, onderdelen b, c en d, is heffingsplichtig de:</al><lijst><li nr="a."><al>beperkt gerechtigde en niet de eigenaar, ingeval de
                                            onroerende zaak is onderworpen aan het recht van
                                            beklemming, van erfpacht, van opstal of van
                                            vruchtgebruik; </al></li><li nr="b."><al>eigenaar voor wat betreft het recht van opstal, indien
                                            dat recht uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de
                                            aanleg of het onderhoud, dan wel ten behoeve van de
                                            aanleg en het onderhoud, van ondergrondse dan wel
                                            bovengrondse leidingen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H119439_0_1_2_5_"> Indien de onroerende zaak is
                                    onderworpen aan beperkte rechten als bedoeld in het vorige lid,
                                    heeft voor de heffingplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de vruchtgebruiker voorrang boven zowel de opstaller als
                                            de erfpachter, onderscheidenlijk de beklemde meier;
                                        </al></li><li nr="b."><al>de opstaller voorrang boven de erfpachter,
                                            onderscheidenlijk de beklemde meier. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H119439_0_1_2_6_"> De watersysteemheffing wordt niet
                                    geheven ter zake van:</al><lijst><li nr="a."><al>onroerende zaken waarvan het waterschap genothebbende
                                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is; </al></li><li nr="b."><al>straatmeubilair, waaronder alle zodanige gebouwde
                                            eigendommen - niet zijnde gebouwen- worden begrepen die
                                            zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het
                                            publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing
                                            van een in het waterschapsgebied gelegen gemeente, zoals
                                            lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden,
                                            monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen.
                                        </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Heffingsmaatstaf </titel></kop><al>Voor de heffing geldt als heffingsmaatstaf:</al><lijst><li nr="a."><al>ter zake van ingezetenen: de woonruimte; </al></li><li nr="b."><al>ter zake van ongebouwde onroerende zaken en ter zake van
                                        natuurterreinen: de oppervlakte van de onroerende zaak,
                                        uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan;
                                    </al></li><li nr="c."><al>ter zake van gebouwde onroerende zaken: de waarde die voor
                                        het kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de
                                        voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende
                                        zaken. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 Tarief ingezetenen</titel></kop><al>Met inachtneming van het bepaalde dienaangaande in de
                                kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de
                                watersysteemheffing voor de categorie ingezetenen € 99,71 per
                                woonruimte.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken
                            </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5 Belastingobject </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_3_5_7_"> Voor de toepassing van dit
                                    hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid, onderdeel b en artikel
                                    9, derde lid, van deze verordening, wordt als één ongebouwde
                                    onroerende zaak aangemerkt een kadastraal perceel of een
                                    gedeelte daarvan, met dien verstande dat buiten aanmerking wordt
                                    gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H119439_0_3_5_7_1_"> hetgeen ingevolge artikel
                                            9, eerste en tweede lid,van deze verordening, wordt
                                            aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H119439_0_3_5_7_2_"> een natuurterrein.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_3_5_8_"> Voor de heffing worden openbare
                                    land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een
                                    en ander met inbegrip van kunstwerken, alsmede
                                    waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen,
                                    instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                                    met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                                    woning, aangemerkt als ongebouwde onroerende zaken. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_3_6_9_">Met inachtneming van het bepaalde
                                    dienaangaande in de Kostentoedelingsverordening
                                    watersysteembeheer en wegenbeheer Schieland en de Krimpenerwaard
                                    2015, bedraagt het tarief van de heffing voor ongebouwde
                                    onroerende zaken € 109,93 per hectare.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_3_6_10_">In afwijking van het bepaalde in
                                    het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde
                                    dienaangaande in artikel 4 van de Kostentoedelingsverordening
                                    watersysteembeheer en wegenbeheer Schieland en de Krimpenerwaard
                                    2015, bedraagt het tarief voor buitendijks gelegen ongebouwde
                                    onroerende zaken € 27,48 per hectare. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met
                                    inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 4, tweede
                                    lid van de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer en
                                    wegenbeheer Schieland en de Krimpenerwaard 2015, bedraagt het
                                    tarief voor verharde openbare wegen, € 219,86 per hectare.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid en met
                                    inachtneming van het bepaalde dienaangaande in artikel 4, tweede
                                    lid en artikel 5 van de Kostentoedelingsverordening
                                    watersysteembeheer en wegenbeheer Schieland en de Krimpenerwaard
                                    2015, bedraagt het tarief voor verharde openbare wegen die
                                    buitendijks zijn gelegen, € 137,41 per hectare.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7 Belastingobject</titel></kop><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid,
                                onderdeel c, van deze verordening, wordt als één natuurterrein
                                aangemerkt een kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien
                                verstande dat buiten aanmerking wordt gelaten:</al><lijst><li nr="a."><al>hetgeen ingevolge artikel 9, eerste en tweede lid, wordt
                                        aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak; </al></li><li nr="b."><al>hetgeen ingevolge artikel 5 wordt aangemerkt als een
                                        ongebouwde onroerende zaak. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</titel></kop><al>Met inachtneming dienaangaande van het bepaalde in de
                                kostentoedelingsverordening, bedraagt het tarief van de heffing voor
                                natuurterreinen € 1,75 per hectare.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9 Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_5_9_11_"> Voor de toepassing van dit
                                    hoofdstuk en van artikel 2, tweede lid, onderdeel d, van deze
                                    verordening, wordt als één gebouwde onroerende zaak
                                    aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebouwd eigendom; </al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                            indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te
                                            worden gebruikt; </al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer van de in onderdeel a
                                            bedoelde gebouwde eigendommen of van in onderdeel b
                                            bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde
                                            belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de
                                            omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; </al></li><li nr="d."><al>het binnen het gebied van een gemeente gelegen deel van
                                            een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in
                                            onderdeel b bedoeld gedeelte of van een in onderdeel c
                                            bedoeld samenstel; </al></li><li nr="e."><al>het binnen het gebied van het waterschap gelegen deel
                                            van een in onderdeel a bedoelde eigendom, van een in
                                            onderdeel b bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c
                                            bedoeld samenstel of van een in onderdeel d bedoeld
                                            deel. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_5_9_12_"> Voor de toepassing van het eerste
                                    lid maken de ongebouwde eigendommen voor zover die een samenstel
                                    vormen met een gebouwd eigendom als bedoeld in het eerste lid,
                                    onderdeel a tot en met e, deel uit van de gebouwde onroerende
                                    zaak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119439_0_5_9_13_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    het vorige artikellid maken de ongebouwde eigendommen, voor
                                    zover de waarde daarvan bij de waardebepaling op de voet van
                                    hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken op basis van
                                    het bepaalde krachtens artikel 18, vierde lid, van die wet
                                    buiten aanmerking wordt gelaten, geen deel uit van de gebouwde
                                    onroerende zaak.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Tarief</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_5_10_14_">Met inachtneming dienaangaande van
                                    het bepaalde in de kostentoedelingsverordening, bedraagt het
                                    tarief van de heffing voor gebouwde onroerende zaken 0,0261 %
                                    van de heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 3, onderdeel c,
                                    van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_5_10_15_">In afwijking van het bepaalde in
                                    het eerste lid en met inachtneming van het bepaalde
                                    dienaangaande in artikel 4 van de kostentoedelingsverordening,
                                    bedraagt het tarief voor buitendijks gelegen gebouwde onroerende
                                    zaken 0,006525 % van de heffingsmaatstaf. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoofdstuk VI Heffing en invordering</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11 Wijze van heffing en termijnen van
                                    betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_11_16_"> De belasting wordt geheven bij
                                    wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_11_17_"> de aanslag bedoeld in artikel 2,
                                    tweede lid, onderdelen a, b, c en d is invorderbaar twee maanden
                                    na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_11_18_"> in afwijking van het bepaalde in
                                    het tweede lid kan de aanslag, indien deze het bedrag van €
                                    5.000,00 niet te boven gaat, op verzoek van de
                                    belastingschuldige door middel van automatische incasso worden
                                    ingevorderd in maximaal 10 gelijke maandelijkse termijnen. De
                                    eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                                    later.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_11_19_"> Het minimum termijnbedrag bij
                                    automatische incasso bedraagt € 15,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij
                                    meer belastingplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_12_20_"> Indien ter zake van hetzelfde
                                    voorwerp van de belasting of hetzelfde belastbare feit twee of
                                    meer personen belastingplichtig zijn, stelt de ambtenaar belast
                                    met de heffing de aanslag ten name van een van hen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_12_21_"> Indien de belastingplicht,
                                    bedoeld in het eerste lid, voortvloeit uit het genot van een
                                    onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en de
                                    aanslag ten name van een van de belastingplichtigen is gesteld,
                                    kan de ambtenaar belast met de invordering de belastingaanslag
                                    op de gehele onroerende zaak verhalen op degene op wiens naam de
                                    aanslag ingevolge het eerste lid is gesteld, zonder rekening te
                                    houden met de rechten van de overige belastingplichtigen. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_13_22_"> Een aanslag die een bedrag van €
                                    5,00 niet te boven gaat, wordt niet opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_13_23_"> Voor de toepassing van het eerste
                                    lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde
                                    aanslagen als één aanslag aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Kwijtschelding</titel></kop><al>Van de watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken, van de
                                watersysteemheffing natuurterreinen en van de watersysteemheffing
                                gebouwd wordt geen kwijtschelding verleend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Nadere regels</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                                betrekking tot de heffing en de invordering van de heffing. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang
                                    van de heffing en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_16_24_"> De Omslagenverordening Schieland
                                    en de Krimpenerwaard 2005, vastgesteld bij besluit van 3 januari
                                    2005 en laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 november 2007,
                                    wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde
                                    datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van
                                    toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum
                                    hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_16_25_"> Deze verordening treedt in
                                    werking met ingang van de eerste dag na die van de
                                    bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_16_26_"> De datum van ingang van de
                                    heffing is 1 januari 2009.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119439_0_6_16_27_"> Deze verordening kan worden
                                    aangehaald als Verordening watersysteemheffing 2009.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage</label><titel>Toelichting op de Verordening watersysteemheffing 2009</titel></kop><al><vet>Algemeen </vet></al><lijst><li nr="1."><al><vet>Wettelijke basis</vet></al></li></lijst><al>De verordening is gebaseerd op de tekst van de Waterschapswet, zoals die is
                    komen te luiden na de inwerkingtreding van de Wet modernisering
                    waterschapsbestel (Staatsblad 2007, 208) en, wat betreft artikel 10, eerste lid,
                    van de verordening, de inwerkingtreding van artikel XIII van de Wet van 3 juli
                    2008 (Staatsblad 2008, 262). Zoals blijkt uit het bepaalde in artikel XII van de
                    Wet modernisering waterschapbestel blijven de belastingbepalingen van hoofdstuk
                    XVII van de Waterschapswet gelden voor de belastingtijdvakken die vóór 1 januari
                    2009 zijn aangevangen. Ook op belastbare feiten die zich voor dat tijdstip
                    hebben voorgedaan, blijven laatstbedoelde belastingbepalingen van toepassing. </al><al>In deze toelichting op de verordening worden de bepalingen uit het zojuist
                    genoemde hoofdstuk XVII van de Waterschapswet (Bijzondere bepalingen omtrent de
                    omslagen) ook wel aangeduid als de bepalingen uit de ‘oude’ Waterschapswet. De
                    term ‘nieuwe Waterschapswet’ staat in deze toelichting dan voor de bepalingen
                    van het nieuwe hoofdstuk XVII van de wet, getiteld: De watersysteemheffing.</al><al/><lijst><li nr="2."><al><vet>De watersysteemtaak</vet></al></li></lijst><al/><al>In artikel 1, tweede lid, van de Waterschapswet is “de zorg voor het
                    watersysteem” als eerste hoofdtaak van het waterschap vermeld. De zorg voor het
                    watersysteem omvat de zorg voor de waterkering en de zorg voor de
                    waterhuishouding, waaronder ook de zorg voor de waterkwaliteit. Tot voor kort
                    werden deze taken afzonderlijk benoemd. Met het gebruik van de term “zorg voor
                    het watersysteem” wordt benadrukt dat zij een nauwe onderlinge samenhang kennen
                    en als één integrale taak moeten worden uitgevoerd. </al><al>In artikel 1, tweede lid, is de zorg voor de zuivering van afvalwater op de voet
                    van artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren als andere
                    hoofdtaak van het waterschap genoemd. Ook is bepaald dat de zorg voor een of
                    meer andere waterstaatsaangelegenheden aan de waterschappen kan zijn of worden
                    opgedragen. De uitvoering van de wegen- en de vaarwegentaak door een aantal
                    waterschappen is een uiting van dit laatste. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap,
                    uitzonderingen daargelaten, in zijn gehele beheersgebied uitoefent. Alhoewel de
                    wetgever dit niet met zoveel woorden aangeeft, moet worden aangenomen dat de
                    uitzonderingen gevallen betreffen waarin andere overheden dan de waterschappen
                    taken ter zake uitoefenen. In de Waterschapswet wordt de zorg voor het
                    watersysteem in algemene zin aan de waterschappen toegekend. De nadere invulling
                    ervan vindt plaats in het provinciale waterschapsreglement en in de praktijk ook
                    in belangrijke mate in bijzondere wetgeving, zoals de Wet op de
                    waterhuishouding, de Wet op de waterkering en de Wet verontreiniging
                    oppervlaktewateren. Op grond van artikel 2 van de Waterschapswet worden het
                    gebied en de taken van het waterschap door Provinciale Staten bepaald. </al><al/><lijst><li nr="3."><al><vet>De watersysteemheffing</vet></al></li></lijst><al>De watersysteemheffing is een geheel nieuwe belasting die de tot nu toe
                    bestaande waterschapsomslagen en de huidige verontreinigingsheffing (deels)
                    vervangt. Belastingplichtig voor de watersysteemheffing zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de ingezetenen;</al></li><li nr="-."><al> de eigenaren<extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1">[1]</extref> van ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde
                            natuurterreinen; </al></li><li nr="-."><al>de eigenaren van natuurterreinen en </al></li><li nr="-."><al>de eigenaren van gebouwde onroerende zaken.</al></li></lijst><al>Dit zijn de belastingplichtige categorieën. De watersysteemheffing kent ten
                    opzichte van de waterschapsomslagen dus een nieuwe belastingplichtige categorie:
                    de eigenaren van natuurterreinen. Natuurterreinen zijn in wezen ongebouwde
                    onroerende zaken. Onder de oude Waterschapswet behoorden zij dan ook tot de
                    categorie ongebouwd. Natuurterreinen hebben in de nieuwe Waterschapswet echter
                    een aparte status gekregen, omdat hun wensen en behoeften op het gebied van de
                    waterhuishouding nogal kunnen verschillen van die van het overige ongebouwd.
                    Onder overig ongebouwd moeten de ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, worden verstaan. In de verordening zal steeds een
                    duidelijk onderscheid worden gemaakt in natuurterreinen enerzijds en ongebouwd,
                    niet zijnde natuur, anderzijds. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij
                    de Wet modernisering waterschapsbestel hebben degenen die tot de
                    belastingplichtige categorieën behoren per definitie belang bij de uitoefening
                    van de taken van het waterschap. Hun betaling is hierop gebaseerd. </al><al/><lijst><li nr="4."><al><vet>De heffingsmaatstaven en de tarieven van de
                            heffing</vet></al></li></lijst><al>Anders dan onder de oude Waterschapswet het geval was, geeft de nieuwe
                    Waterschapswet in artikel 121 niet alleen voor de heffing ter zake van
                    ongebouwde en gebouwde onroerende zaken, maar ook voor de heffing ter zake van
                    de ingezetenen een duidelijke heffingsmaatstaf. De heffingsmaatstaf voor de
                    ingezetenen is de woonruimte. Voor ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn en voor natuurterreinen is de heffingsmaatstaf de
                    oppervlakte van de onroerende zaak en voor gebouwde onroerende zaken is de
                    heffingsmaatstaf de op de voet van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)
                    vastgestelde waarde. Het tarief van de belasting moet op grond van de
                    Waterschapswet worden gesteld op een gelijk bedrag per woonruimte (ingezetenen),
                    op een gelijk bedrag per hectare (ongebouwd niet zijnde natuur en natuur) of op
                    een vast percentage van de WOZ-waarde (gebouwd). De watersysteemheffing kent
                    daarmee dus ook vier afzonderlijke tarieven.</al><al/><al>5. Tariefdifferentiatie </al><al>Tariefdifferentiatie is een voor de waterschappen nieuwe mogelijkheid om
                    rekening te houden met het feit dat het belang bij het watersysteembeheer voor
                    bepaalde onroerende zaken duidelijk afwijkend kan zijn dan dat van andere
                    onroerende zaken. In die gevallen heeft het algemeen bestuur van een waterschap
                    de mogelijkheid, maar niet de verplichting, de tarieven te differentiëren. Uit
                    een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging zijn de gevallen waarin
                    tariefdifferentiatie mogelijk is, limitatief in de wet opgesomd. Om dezelfde
                    redenen is de bandbreedte van de differentiatie wettelijk begrensd.
                    Tariefdifferentiatie kan alleen worden toegepast voor buitendijks gelegen
                    onroerende zaken, voor onroerende zaken die blijkens de legger van het
                    waterschap als waterberging worden gebruikt, voor onroerende zaken gelegen in
                    bemalen gebieden, voor onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden
                    bestaan en voor verharde openbare wegen. De regeling van de tariefdifferentiatie
                    staat in artikel 122 van de Waterschapswet. In de Kostentoedelingsverordening
                    watersysteembeheer en wegenbeheer Schieland en de Krimpenerwaard 2009 is voor de
                    watersysteemheffing alleen een tariefdifferentiatie opgenomen voor buitendijks
                    gelegen onroerende zaken.</al><al/><al>6. Hoofdstukindeling</al><al>De verordening bestaat uit 6 hoofdstukken, genummerd I tot en met VI en 16
                    artikelen. Hoofdstuk I bevat inleidende bepalingen. De hoofdstukken II tot en
                    met V gaan respectievelijk in op de heffing ter zake van ingezetenen, ongebouwde
                    onroerende zaken (niet zijnde natuurterreinen), natuurterreinen en gebouwde
                    onroerende zaken. Het slothoofdstuk bevat algemene bepalingen over de heffing en
                    de invordering van de watersysteemheffing. </al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1">[1]</extref> In de toelichting gebruiken wij gemakshalve de term
                    ‘eigenaren’ (van ongebouwde onroerende zaken, natuurterreinen en gebouwde
                    onroerende zaken). De juridisch juiste term is ‘degene die krachtens eigendom,
                    bezit of beperkt recht het genot heeft’ (van ongebouwde onroerende zaken,
                    natuurterreinen en gebouwde onroerende zaken). </al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al><vet>Aanhef</vet></al><al>De watersysteemheffing is een nieuwe heffing. Het besluit om deze heffing in te
                    voeren, is een bevoegdheid van het algemeen bestuur van het waterschap, welke
                    wordt geconcretiseerd door de vaststelling van de belastingverordening. Dit
                    wordt in de aanhef van de verordening tot uitdrukking gebracht, waarbij ook de
                    relevante wettelijke bepalingen worden genoemd. Artikel 110 van de
                    Waterschapswet is de wettelijke bepaling die over het besluit tot invoering van
                    de belasting en de daarvoor benodigde vaststelling van de belastingverordening
                    gaat. Artikel 113 is de wettelijke bepaling die aangeeft welke belastingen en
                    rechten door de waterschappen geheven mogen worden en artikel 117 is de bepaling
                    op grond waarvan waterschappen ter bestrijding van kosten verbonden aan de zorg
                    voor het watersysteem, onder de naam watersysteemheffing een belasting mogen
                    heffen. In de aanhef wordt daarnaast tot uitdrukking gebracht dat aan de
                    vaststelling van de verordening door het algemeen bestuur een voordracht van het
                    dagelijks bestuur vooraf gaat. </al><al/><al>Hoofdstuk I Inleidende bepalingen </al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel zijn omwille van de duidelijkheid omschrijvingen opgenomen van in
                    de verordening vaker voorkomende begrippen.</al><al/><al><vet>a. Ingezetene</vet></al><al>De omschrijving van het begrip ingezetene is ontleend aan artikel 116, onder a,
                    van de Waterschapswet. Om als ingezetene aangemerkt te kunnen worden, moet
                    sprake zijn van het hebben van woonplaats en het gebruik van woonruimte in het
                    gebied van het waterschap. Of sprake is van het hebben van woonplaats, wordt aan
                    de hand van gegevens uit de basisregistratie personen bepaald. De situatie bij
                    het begin van het kalenderjaar is bepalend. </al><al>Woonruimte is iedere ruimte die blijkens zijn inrichting bestemd is om als een
                    afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Dit betekent dat de
                    gebruiker van de woonruimte niet anders dan bijkomstig afhankelijk mag zijn van
                    voorzieningen elders in het gebouw. In het geval van woonruimten moet worden
                    gedacht aan voorzieningen als keuken, douche en toilet. Deze moeten de gebruiker
                    van de woonruimte, met uitsluiting van anderen die niet tot zijn of haar
                    huishouden behoren, exclusief ter beschikking staan. Bewoners van verpleeg- en
                    verzorgingshuizen kunnen om deze reden veelal niet als ingezetenen in de zin van
                    artikel 116, onder a, van de Waterschapswet worden aangemerkt. Hetzelfde geldt
                    voor bewoners van studentenhuizen. </al><al/><al><vet>b. Ambtenaar belast met de heffing</vet></al><al>De ambtenaar van het waterschap die de heffingsbevoegdheden
                    (inspecteurbevoegdheden) uit de Algemene wet inzake rijksbelastingen uitoefent,
                    wordt in de verordening geduid als de ambtenaar belast met de heffing. Tot de
                    inspecteurbevoegdheden behoort de bevoegdheid tot het vaststellen van
                    belastingaanslagen en de bevoegdheid tot het doen van uitspraken op
                    bezwaarschriften. Het dagelijks bestuur van het waterschap moet een besluit
                    nemen waarin de ambtenaar belast met de heffing wordt aangewezen. De wettelijke
                    basis is artikel 123, derde lid, onder a, van de Waterschapswet.</al><al>Indien twee of meer waterschappen samenwerken in een gemeenschappelijke regeling
                    en indien bij die regeling een openbaar lichaam is ingesteld, kan een ambtenaar
                    van dit openbaar lichaam als ambtenaar belast met de heffing worden aangewezen.
                    Dit is in artikel 124, vijfde lid, onder a, van de Waterschapswet geregeld.
                    Aanwijzing tot ambtenaar belast met de heffing gebeurt bij besluit van het
                    openbaar lichaam. </al><al/><al><vet>c. Ambtenaar belast met de invordering</vet></al><al>De ambtenaar van het waterschap die de ontvangersbevoegdheden uit de
                    Invorderingswet 1990 uitoefent, wordt in de verordening met de term ‘ambtenaar
                    belast met de invordering’ aangeduid. Tot de ontvangersbevoegdheden behoort de
                    bevoegdheid tot de invordering van de belasting. Ook het verlenen van
                    kwijtschelding van belasting is een ontvangersbevoegdheid. De Waterschapswet
                    noemt de ontvanger in artikel 123, derde lid, onder c. Evenals dat ten aanzien
                    van de ambtenaar belast met de heffing het geval is, kan in geval samenwerking
                    door waterschappen in een gemeenschappelijke regeling en indien hierbij een
                    openbaar lichaam is ingesteld, een ambtenaar van dit openbaar lichaam als
                    ambtenaar belast met de invordering worden aangewezen. Dit volgt uit artikel
                    124, vijfde lid, onder b, van de Waterschapswet. Aanwijzing tot ambtenaar belast
                    met de invordering gebeurt bij besluit van het openbaar lichaam. </al><al/><al><vet>d. Woonruimte</vet></al><al>Voor een beschouwing op het begrip woonruimte wordt verwezen naar onderdeel a,
                    hiervoor. </al><al/><al><vet>e. Kostentoedelingsverordening</vet></al><al>Elk waterschap moet ingevolge artikel 120, eerste lid, eerste volzin, van de
                    Waterschapswet ten behoeve van de watersysteemheffing een verordening
                    vaststellen waarin de toedeling van het kostenaandeel voor elk van de
                    belastingplichtige categorieën is vastgelegd. Deze verordening wordt de
                    kostentoedelingsverordening genoemd. Met ingang van 1 januari 2009 is de
                    kostentoedelingsverordening ook in het kader van de tariefdifferentiatie van
                    belang. </al><al/><al><vet>f. Buitendijks gelegen onroerende zaken</vet></al><al>Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn omschreven als onroerende zaken die
                    geheel of gedeeltelijk buiten de primaire en/of voorliggende waterkering zijn
                    gelegen. Hiermee wordt afgeweken van de definitie uit de
                    model-kostentoedelingsverordening van de Unie van Waterschappen. Waterschappen
                    kunnen deze begripsomschrijving echter aanpassen, indien dit op grond van
                    regionale omstandigheden wenselijk is. </al><al/><al><vet>g. Natuurterreinen</vet></al><al>De omschrijving van het begrip natuurterreinen is ontleend aan artikel 116,
                    onderdeel c, van de Waterschapswet. De wet geeft een kwalitatieve omschrijving
                    van het begrip, waarbij de nadruk op de duurzame inrichting en beheer als
                    natuurgebied ligt. Bij de beoordeling of sprake is van een ongebouwde onroerende
                    zaak waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam
                    zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur (toetsing aan de
                    zojuist genoemde kwalitatieve omschrijving), zijn ook de feitelijke of
                    uiteindelijke bestemming van de onroerende zaak van belang. Zo zal een perceel
                    nog bouwrijp te maken grond dat al jaren niet is bewerkt en waar inmiddels
                    eventueel veel groen en leven aanwezig is, maar waar uiteindelijk wel gebouwd
                    zal worden, niet als een natuurterrein kwalificeren. Ook stadsparken,
                    plantsoenen en dergelijke zullen vanwege hun overwegende recreatieve functie
                    niet als natuurterrein in aanmerking genomen kunnen worden. Onder
                    natuurterreinen worden mede bossen en open wateren met een oppervlakte van
                    tenminste één hectare verstaan. Er is sprake van wetsduiding: zodra een bos of
                    open water een oppervlakte van één hectare of meer heeft, is sprake van een
                    natuurterrein. In deze gevallen is niet relevant of de inrichting en het beheer
                    van de onroerende zaak zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van
                    natuur. Dit leidt ertoe dat ook bedrijfsmatig geëxploiteerde bossen van
                    tenminste één hectare tot de categorie natuurterreinen worden gerekend. Geheel
                    of nagenoeg geheel staat overigens voor 90% of meer. </al><al/><al><vet>h. Ongebouwde onroerende zaken</vet> Waar in deze verordening wordt
                    gesproken over ongebouwde onroerende zaken, worden steeds ongebouwde onroerende
                    zaken die geen natuurterrein zijn, bedoeld. Het gaat om de ongebouwde onroerende
                    zaken bedoeld in artikel 117, onder b, van de Waterschapswet. </al><al/><al><vet>i. Gebied van het waterschap</vet></al><al> In artikel 1 van de Waterschapswet is het functionele karakter van de
                    waterschappen vastgelegd: hun taak is de waterstaatkundige verzorging van een
                    bepaald gebied. In verband hiermee is onder andere de zorg voor het watersysteem
                    aan hen opgedragen. De regeling van het gebied gebeurt door de provincie, bij
                    provinciaal reglement. In de praktijk wordt het gebied van het waterschap veelal
                    aangeduid op een (al dan niet elektronische) kaart die bij het provinciale
                    reglement behoort. Omdat de toekenning van ‘de zorg voor het watersysteem’ aan
                    de waterschappen niet impliceert dat <cursief>alle</cursief> zorg voor het
                    watersysteem in een bepaald gebied aan het waterschap is toegekend (ook andere
                    overheden kunnen immers ter zake taken uitoefenen), is in de verordening
                    opgenomen dat het moet gaan om het gebied waarin het waterschap de bevoegdheid
                    tot uitoefening van het watersysteembeheer heeft. </al><al/><al><vet>j. De heffing</vet></al><al>Waar in de verordening over ‘de heffing’ wordt gesproken, wordt steeds de
                    watersysteemheffing, genoemd in artikel 117, aanhef, van de Waterschapswet,
                    bedoeld. De watersysteemheffing vervangt de tot nu toe bestaande heffingen voor
                    waterkwantiteit, waterkering en het onderdeel van de Wvo-heffing waaruit het
                    passieve waterkwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren bekostigd wordt. </al><al/><al><vet>Artikel 2 Belastbaar feit en heffingsplicht</vet></al><al>In artikel 2 is aangegeven van wie de belasting wordt geheven. Tezelfdertijd is
                    in het artikel het belastbaar feit (beter gezegd: zijn in het artikel de
                    belastbare feiten) opgenomen. Deze vallen samen met de omschrijving van de
                    belastingplichtigen. Belastingplichtig zijn degenen te wiens aanzien het
                    belastbaar feit zich voordoet. In overeenstemming met artikel 117 van de
                    Waterschapswet zijn als belastingplichtigen respectievelijk aangewezen degenen
                    die woonachtig zijn in het gebied van het waterschap en die aldaar het gebruik
                    hebben van woonruimte (de ingezetenen) en degenen die in het gebied van het
                    waterschap eigenaar zijn van ongebouwde onroerende zaken die geen
                    natuurterreinen zijn, van natuurterrein of van gebouwde onroerende zaken. Deze
                    vier belastingplichtige categorieën zijn in artikel 2, tweede lid, onderdelen a
                    tot en met d, van de verordening opgenomen. </al><al>In het derde lid van het artikel is vastgelegd dat het begin van het
                    kalenderjaar bepalend is voor de belastingplicht van de eigenaren van ongebouwde
                    onroerende zaken niet zijnde natuurterreinen, de eigenaren van natuurterreinen
                    en de eigenaren van gebouwde onroerende zaken. Dit volgt uit artikel 119, eerste
                    lid, van de Waterschapswet. Indien het genot krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht van een onroerende zaak in de loop van het jaar aanvangt of
                    eindigt, heeft dat dus geen invloed op de belastingplicht vanwege het
                    tijdstipkarakter van de heffing. Het begin van het kalenderjaar is blijkens
                    artikel 1, onderdeel a, van de verordening overigens ook bepalend voor de
                    ingezetenen. Deze bepaling stoelt op artikel 116, onder a, van de
                    Waterschapswet. </al><al>In artikel 119, tweede en derde lid, van de wet is voor een aantal specifieke
                    situaties de rangorde bij het bepalen van de heffingsplichtige aangegeven. Deze
                    regelingen zijn in het vierde en vijfde lid van artikel 2 van de verordening
                    overgenomen. </al><al>Uit efficiencyoverwegingen is in het zesde lid, onderdeel a,bepaald dat de
                    watersysteemheffing niet wordt geheven ter zake van onroerende zaken
                    (ongebouwde, zowel als gebouwde en natuurterreinen) die bij het waterschap in
                    eigendom zijn. Door een vrijstellingsbepaling in de verordening op te nemen
                    wordt voorkomen dat het waterschap aan zichzelf aanslagen moet opleggen. Dit is
                    niet doelmatig (vestzak-broekzak). </al><al>Daarnaast is in onderdeel b van het zesde lid een vrijstelling voor
                    straatmeubilair opgenomen. Straatmeubilair behoort tot de categorie gebouwde
                    onroerende zaken. Het verschil met de eerdergenoemde gebouwde onroerende zaken
                    is dat het straatmeubilair niet in eigendom van het waterschap hoeft te zijn om
                    voor vrijstelling in aanmerking te komen. Artikel 14 is een facultatieve
                    bepaling. Individuele waterschappen zijn vrij om de bepaling al dan niet in de
                    eigen heffingsverordening op te nemen. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Heffingsmaatstaf</vet></al><al>Artikel 3 geeft per belastingplichtige categorie de heffingsmaatstaf aan. De
                    bepaling is gebaseerd op artikel 121, eerste lid, van de Waterschapswet. De
                    heffingsmaatstaf voor ingezetenen is de woonruimte en voor natuurterreinen en
                    ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, is de
                    heffingsmaatstaf de oppervlakte van de onroerende zaak. Voor gebouwde onroerende
                    zaken is de heffingsmaatstaf de voor het kalenderjaar vastgestelde WOZ-waarde. </al><al/><al>Hoofdstuk II Watersysteemheffing ingezetenen </al><al/><al><vet>Artikel 4 Tarief ingezetenen</vet></al><al>In artikel 4 is de relatie tussen het tarief en de kostentoedelingsverordening
                    tot uitdrukking gebracht en is, conform het bepaalde in artikel 121, eerste lid,
                    onder a, van de Waterschapswet, vastgelegd dat het tarief op een gelijk bedrag
                    per woonruimte wordt gesteld. Tariefdifferentiatie is voor de categorie
                    ingezetenen niet mogelijk. </al><al/><al>Hoofdstuk III Watersysteemheffing ongebouwde onroerende zaken </al><al/><al><vet>Artikel 5 Belastingobject ongebouwde onroerende zaken </vet></al><al>De voorschriften voor de afbakening van de objecten waarop de heffing betrekking
                    heeft, staan in artikel 118 van de Waterschapswet. Het derde lid regelt de
                    afbakening van een ongebouwde onroerende zaak die geen natuurterreinen is. Het
                    ongebouwd wordt afgebakend op basis van de kadastrale registratie: als één
                    ongebouwde onroerende zaak wordt aangemerkt een kadastraal perceel of een
                    gedeelte daarvan. Hierbij geldt wel de nuancering dat hetgeen ingevolge de wet
                    wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen ingevolge de wet
                    een natuurterrein is, bij de afbakening van het ongebouwde object buiten
                    aanmerking moet worden gelaten. In artikel 5, eerste lid, van de verordening
                    komt deze wettelijke regeling terug. </al><al>In het tweede lid van artikel 5 is hetgeen in artikel 118, vijfde lid, van de
                    Waterschapswet, is bepaald, weergegeven. Er is niet zozeer sprake van een
                    afbakeningsvoorschrift, maar van een fictiebepaling op grond waarvan de in dit
                    artikellid genoemde objecten als ongebouwde eigendommen, niet zijnde
                    natuurterreinen, worden aangemerkt. Het gaat om openbare land- en waterwegen en
                    banen voor openbaar vervoer per rail en hun kunstwerken. Ook
                    waterverdedigingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of
                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen worden in genoemde wettelijke
                    bepaling als ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen,
                    aangemerkt. Ook voor deze objecten geldt trouwens dat de afbakening plaatsvindt
                    op basis van kadastrale grenzen. Delen van waterverdedigingswerken die worden
                    aangemerkt als woning, kwalificeren uitdrukkelijk niet als ongebouwde objecten. </al><al/><al><vet>Artikel 6 Tarief ongebouwde onroerende zaken </vet></al><al/><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 121, eerste lid, onder b, van de
                    Waterschapswet, wordt het tarief van de heffing ter zake van ongebouwde
                    onroerende zaken gesteld op een gelijk bedrag per hectare. Deze bepaling en de
                    relatie met de kostentoedelingsverordening, zijn in het eerste lid van artikel 6
                    opgenomen. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet> De Waterschapswet noemt in artikel 122 vijf situaties
                    waarin het mogelijk is om de tarieven van de belasting lager of hoger vast te
                    stellen. Dit artikel in de Waterschapswet maakt dus een inbreuk op het
                    uitgangspunt dat het tarief van de belasting op een gelijk bedrag per hectare
                    wordt gesteld. </al><al>In artikel 4 van de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer en
                    wegenbeheer Schieland en de Krimpenerwaard 2005 is bepaald dat voor buitendijks
                    gelegen ongebouwde onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen, het tarief van
                    de belasting 75% lager wordt vastgesteld dan het tarief voor de binnendijks
                    gelegen ongebouwde onroerende zaken. </al><al/><al>Hoofdstuk IV Watersysteemheffing natuurterreinen </al><al/><al><vet>Artikel 7 Belastingobject </vet></al><al>Het voorwerp van de belasting is het natuurterrein. De wet merkt een kadastraal
                    perceel of gedeelte daarvan als één natuurterrein aan. Ook natuurterreinen
                    worden dus op basis van de kadastrale registratie afgebakend. Hierbij wordt
                    hetgeen als een gebouwde onroerende zaak en hetgeen als een ongebouwde
                    onroerende zaak, niet zijnde een natuurterrein, wordt aangemerkt, buiten
                    aanmerking gelaten (artikel 118, lid 4,van de Waterschapswet). </al><al>Een natuurterrein is een ongebouwde onroerende zaak waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Of een onroerende zaak een natuurterrein is, wordt met
                    andere woorden door de feitelijke en niet door de toekomstige bestemming of de
                    bestemming volgens het bestemmingsplan bepaald. Geheel of nagenoeg geheel staat
                    voor 90% of meer, terwijl gebruik van het woord ‘duurzaam’ erop duidt dat geen
                    sprake mag zijn van een situatie die als tijdelijk is bedoeld. </al><al> Bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste één hectare worden op
                    grond van artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet als natuurterreinen
                    aangemerkt. Zij hoeven niet aan het vereiste te voldoen dat zij geheel of
                    nagenoeg geheel en duurzaam moeten zijn afgestemd op het behoud of de
                    ontwikkeling van natuur. Dit leidt ertoe dat ook bossen die bedrijfsmatig worden
                    geëxploiteerd onder het begrip natuurterreinen vallen. De wetgever heeft
                    hiervoor gekozen omdat het onderscheid in niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde
                    bossen enerzijds en bossen die wel als zodanig worden geëxploiteerd, in de
                    praktijk moeilijk is te maken <extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftn1">[1]</extref>. </al><al>Natte veenweidegebieden worden, op grond van de overweging dat deze gebieden ook
                    een agrarische functie hebben, door de wetgever niet als natuurterrein maar als
                    agrarische grond aangemerkt. </al><al>De voorschriften met betrekking tot de objectafbakening in artikel 118, lid 4,
                    van de Waterschapswet gelden ook voor bossen en open wateren. Bij open wateren
                    moet overigens worden gedacht aan wateren met een weids karakter. Openbare
                    waterwegen behoren niet tot deze categorie, maar tot de categorie ongebouwd niet
                    zijnde natuur. </al><al/><al><vet>Artikel 8 Tarief natuurterreinen</vet></al><al>Het tarief van de heffing wordt op een gelijk bedrag per hectare gesteld. Dit is
                    in artikel 121, eerste lid, onderdeel c, van de Waterschapswet bepaald. In
                    artikel 8 van de verordening wordt dit ook zo aangegeven. Daarnaast wordt in
                    deze bepaling de relatie met de kostentoedelingsverordening tot uitdrukking
                    gebracht.</al><al>In de Handreiking tariefdifferentiatie wordt het instellen van
                    tariefdifferentiatie voor natuurterreinen afgeraden. In de verordening zijn ter
                    zake dan ook geen bepalingen opgenomen. </al><al><extref doc="https://cvdr.overheid.nl/cvdr/Algemeen/Xopus/xopus/xopus.html#_ftnref1">[1]</extref> Zie de toelichting op het Waterschapsbesluit, Staatsblad 2007,
                    497, bladzijde 131. </al><al/><al>Hoofdstuk V Watersysteemheffing gebouwde onroerende zaken </al><al/><al><vet>Artikel 9 Belastingobject</vet></al><al>Het belastingobject is in dit geval de gebouwde onroerende zaak. Wat onder één
                    gebouwde onroerende zaak moet worden verstaan, blijkt uit artikel 118, eerste en
                    tweede lid, van de Waterschapswet. De regeling van de Waterschapswet is in
                    artikel 9 van de verordening overgenomen. </al><al/><al>De Waterschapswet sluit wat betreft de afbakening ter zake van gebouwde
                    onroerende zaken zoveel als mogelijk aan bij de objectafbakening van de Wet
                    waardering onroerende zaken (hierna ook Wet WOZ genoemd). De wetgever heeft deze
                    aansluiting vorm gegeven door bij een samenstel van ongebouwde en gebouwde
                    eigendommen te bepalen dat sprake is van één gebouwde onroerende zaak. De
                    ongebouwde onroerende zaak gaat in deze gevallen deel uitmaken van de gebouwde
                    onroerende zaak. Onder de ‘oude’ Waterschapswet gold voor de vorming van
                    samenstellen tussen gebouwde en ongebouwde eigendommen nog het
                    dienstbaarheidscriterium. Indien het ongebouwde deel niet dienstbaar was aan het
                    gebouwde deel, konden geen samenstellen worden gevormd en moest een dergelijk
                    object deels als een gebouwd en deels als een ongebouwd object worden
                    aangemerkt. Deze objecten moesten dus ook deels naar de waarde in het
                    economische verkeer en deels naar de oppervlakte in de heffing worden betrokken.
                    Voorbeelden van dergelijke objecten zijn sportterreinen met kantine en
                    kleedkamers, golfbanen met clubgebouw, maneges, campings en kazerneterreinen met
                    oefenterreinen. Door de nieuwe regeling van de Waterschapswet zijn deze objecten
                    voortaan in hun geheel als gebouwde objecten aan te merken. De bepaling leidt
                    ertoe dat het aantal gebouwde objecten toe- en het aantal ongebouwde objecten
                    afneemt. De gemeentelijke objectafbakening is leidend. </al><al>Het is van belang op te merken dat niet alle ongebouwde eigendommen een
                    samenstel met een gebouwd eigendom kunnen vormen. Dit is in het derde lid van
                    artikel 9 tot uitdrukking gebracht. Op grond van deze bepaling kunnen ongebouwde
                    eigendommen die bij de waardebepaling op grond van de Wet waardering onroerende
                    zaken buiten aanmerking worden gelaten, geen deel uitmaken van de gebouwde
                    onroerende zaak. Het gaat concreet om de ongebouwde eigendommen die zijn
                    opgenomen in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ, dus
                    bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, Natuurschoonwetlandgoederen,
                    natuurterreinen, openbare land- en waterwegen en spoorwegen inclusief hun
                    kunstwerken. Deze onroerende zaken blijven, ook al vormen ze een samenstel met
                    een gebouwd eigendom, dus ongebouwd. </al><al/><al><vet>Artikel 10 Tarief</vet></al><al/><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Het tarief van de belasting wordt voor gebouwde onroerende zaken op een vast
                    percentage van de WOZ-waarde gesteld. Deze regeling, die in artikel 121, eerste
                    lid, onderdeel d, van de Waterschapswet is opgenomen, is in de verordening
                    overgenomen. Daarnaast geeft artikel 10, eerste lid, van de verordening de
                    relatie met de kostentoedelingsverordening aan. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>De Waterschapswet noemt in artikel 122 vijf situaties waarin het mogelijk is om
                    de tarieven van de belasting lager of hoger vast te stellen. Dit artikel in de
                    Waterschapswet maakt dus een inbreuk op het uitgangspunt dat het tarief van de
                    belasting op een vast percentage van de WOZ-waarde wordt gesteld.</al><al>In artikel 4 van de Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer en
                    wegenbeheer Schieland en de Krimpenerwaard 2009 is bepaald dat voor buitendijks
                    gelegen gebouwde onroerende zaken het tarief van de belasting 75% lager wordt
                    vastgesteld dan het tarief voor de binnendijks gelegen gebouwde onroerende
                    zaken. </al><al/><al>Hoofdstuk VI Heffing en invordering </al><al/><al><vet>Artikel 11 Wijze van heffing en termijnen van betaling</vet></al><al>Aanslagen moeten binnen twee maanden na de dagtekening zijn voldaan. Indien de
                    belastingschuldige een machtiging tot automatische incasso heeft afgegeven en de
                    aanslag, al dan niet gecombineerd met andere aanslagen op één aanslagbiljet, het
                    bedrag van € 5.000,00 niet te boven gaat, kan hier van worden afgeweken. In dat
                    geval wordt het bedrag in maximaal 10 gelijke maandelijkse termijnen geïnd. De
                    eerste termijn vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk
                    van de volgende termijnen telkens een maand later.</al><al>Het vierde lid voorkomt dat met automatische incasso relatief geringe
                    termijnbedragen ontstaan. Als voorbeeld geldt het volgende: de aanslag bedraagt
                    € 130,00; het aantal termijnen is tien en het minimum termijnbedrag voor
                    automatische incasso is € 15,00. Er kan in dit voorbeeld in acht termijnen
                    worden betaald. Acht termijnen van € 15,00 geeft in totaal € 120,00. De
                    resterende € 10,00 wordt in acht gelijke gedeelten van € 1,25 toegevoegd aan de
                    acht termijnen van € 15,00. Gedurende acht maanden wordt iedere maand € 16,25
                    ingevorderd. </al><al/><al><vet>Artikel 12 Tenaamstelling en invordering belastingaanslag bij meer
                        belastingplichtigen</vet></al><al>Waterschappen zijn bevoegd om in gevallen waarin ter zake van hetzelfde voorwerp
                    van de belasting of ter zake van hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                    belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van een van hen te stellen.
                    Vloeit de belastingplicht voort uit de eigendom van een onroerende zaak en is de
                    aanslag ten name van een van de belastingplichtigen gesteld, dan kan de
                    ambtenaar belast met de invordering van het waterschap de gehele belastingschuld
                    op laatstbedoelde persoon verhalen. Deze persoon moet het gehele bedrag van de
                    aanslag voldoen. Hij is wel bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan dan
                    overeenkomt met zijn belastingplicht, naar evenredigheid van ieders
                    belastingplicht op de overige belastingplichtigen te verhalen. Dit blijkt uit
                    artikel 142, eerste tot en met derde lid, van de Waterschapswet. De regeling van
                    artikel 142 van de Waterschapswet maakt de toevoeging ‘cum suis’, die in het
                    verleden in voorkomende gevallen wel eens op het aanslagbiljet placht te worden
                    opgenomen, overbodig. </al><al/><al><vet>Artikel 13 Niet opleggen van aanslagen</vet></al><al>Artikel 13 van de verordening is een weergave van hetgeen in artikel 115a van de
                    Waterschapswet is bepaald. Het eerste lid van artikel 115a bepaalt dat een
                    aanslag die een bij de belastingverordening te bepalen bedrag niet te boven
                    gaat, niet wordt opgelegd. Doelmatigheid van de heffing staat hierbij voorop; de
                    bepaling voorkomt dat aanslagen voor betrekkelijk geringe bedragen moeten worden
                    opgelegd. De kosten van de aanslagoplegging zouden het bedrag van de belasting
                    in deze gevallen immers als snel kunnen overstijgen. </al><al>Indien meerdere aanslagen op één aanslagbiljet worden verenigd, geldt het
                    voorgaande voor het totaal van de aanslag. Het belang van deze bepaling blijkt
                    in situaties waarin een belastingplichtige eigenaar van meerdere objecten met
                    een relatief geringe waarde en/of een relatief geringe oppervlakte in het gebied
                    van het waterschap is. Indien het waterschap de voor deze belastingplichtige
                    bestemde aanslagen op één biljet verenigt, wordt wellicht boven de eerder
                    bedoelde doelmatigheidsdrempel uitgekomen en kan dus wel een aanslag worden
                    opgelegd. </al><al>In de Gemeentewet is in het kader van de heffing van de gemeentelijke
                    onroerende-zaakbelastingen bepaald dat gemeenten geen belastingaanslagen hoeven
                    op te leggen indien de heffingsmaatstaf beneden de € 12.000,00 of in een de
                    belastingverordening te bepalen lager bedrag blijft. Een vergelijkbare bepaling
                    komt in de Waterschapswet niet voor. Elk waterschap is dan ook vrij de hoogte
                    van de doelmatigheidsdrempel voor zichzelf te bepalen en die in de
                    heffingsverordening vast te leggen. </al><al/><al><vet>Artikel 14 Kwijtschelding</vet></al><al>Op grond van het derde lid van artikel 144 Waterschapswet kan het algemeen
                    bestuur van een waterschap bepalen dat in het geheel geen dan wel slechts
                    gedeeltelijk kwijtschelding van belasting wordt verleend. In de verordening
                    wordt ervan uitgegaan dat het algemeen bestuur van de bevoegdheid om in het
                    geheel geen kwijtschelding te verlenen, gebruik maakt ten aanzien van de
                    watersysteemheffing natuurterreinen, de watersysteemheffing ongebouwd en de
                    watersysteemheffing gebouwd. Van de watersysteemheffing ingezetenen wordt op
                    grond van deze bepaling dus wel kwijtschelding verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Nadere regels</vet></al><al>Het dagelijks bestuur kan nadere regels geven op het gebied van de heffing en de
                    invordering van de watersysteemheffing. Deze bepaling is in de verordening
                    opgenomen om er geen misverstanden over te laten bestaan dat er op het gebied
                    van de heffing en de invordering van de belasting ook op andere plaatsen dan in
                    de verordening zelf relevante regels kunnen zijn opgenomen. Het gaat hierbij met
                    name om regels die gelden voor het doen van aangifte (voor de
                    watersysteemheffing minder relevant), het opleggen van voorlopige aanslagen,
                    regels in het kader van de invorderingsrente en nadere regels in het kader van
                    de heffing op andere wijze. Voor dit laatste wordt ook verwezen naar artikel
                    125a, eerste lid, tweede volzin, Waterschapwet. </al><al>De bevoegdheid van het dagelijks bestuur om nadere regels te stellen strekt zich
                    uit tot de bevoegdheden die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan de
                    Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingen en de directeur zijn
                    toegekend. </al><al/><al><vet><vet>Artikel 16 Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de
                            heffing en citeertitel</vet></vet></al><al>In het eerste lid van artikel 16 wordt de Omslagenverordening Schieland en de
                    Krimpenerwaard 2005 ingetrokken met ingang van de datum waar op de nieuwe
                    verordening ingaat. Die datum van ingang is 1 januari 2009. De oude verordening
                    blijft van toepassing op belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2009 hebben
                    voorgedaan. Het blijft dus mogelijk om deze belastbare feiten op basis van de
                    oude verordening te belasten, ook al is de verordening ingetrokken. </al><al>Ingevolge het tweede lid van artikel 16 treedt de verordening acht dagen na haar
                    bekendmaking in werking. Deze regeling is gebaseerd op artikel 74 van de
                    Waterschapswet. Het opnemen van een andere termijn dan acht dagen is mogelijk. </al><al>Omtrent de bekendmaking van de verordening is verder hetgeen in artikel 73 van
                    de Waterschapswet is bepaald, van belang. Bekendmaking van de verordening is
                    essentieel, want zonder bekendmaking heeft de verordening immers geen
                    verbindende kracht. Bekendmaking geschiedt ingevolge artikel 73, tweede lid,
                    door:</al><lijst><li nr="-"><al>plaatsing van het besluit in een vanwege het waterschapsbestuur tegen
                            betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie;</al></li><li nr="-"><al>het doen van mededeling van dit feit in een plaatselijk verschijnend
                            dag- of nieuwsblad. </al></li></lijst><al>Het is de bedoeling dat de integrale tekst van het besluit tot vaststelling van
                    de belastingverordening in de vanwege het waterschapsbestuur verkrijgbaar
                    gestelde publicatie wordt geplaatst. De publicatie waarop de wetgever doelt, is
                    het Waterschapsblad of, bij gebreke daarvan, een daaraan vergelijkbare uitgave.
                    Van belang is dat de uitgave omwille van de overzichtelijkheid een register en
                    een nummering bevat. Het kan worden vergeleken met het Staatsblad voor
                    rijkswetten. Waterschapsbesturen zijn voor het overige volledig vrij in de wijze
                    waarop zij het Waterschapsblad of de andere uitgave vormgeven. </al><al>Het waterschapsbestuur moet het Waterschapsblad of de andere uitgave algemeen
                    verkrijgbaar stellen. Dit betekent dat geen sprake mag zijn van een louter
                    intern bedoeld medium. </al><al>Wij wijzen er met nadruk op, dat het doen van mededeling in een plaatselijk
                    verschijnend dag- of nieuwsblad niet inhoudt dat de integrale tekst van de
                    verordening in het dag- of nieuwsblad moet worden geplaatst. Uiteraard kunnen
                    waterschappen ervoor kiezen dit wel te doen, maar het is geen verplichting.
                    Voldoende is dat van het feit dat de verordening in het Waterschapsblad of de
                    andere uitgave is geplaatst, in het dag- of nieuwsblad mededeling wordt gedaan. </al><al>De verordening moet op grond van artikel 73, vierde lid, Waterschapswet,
                    tegelijk met de bekendmaking gedurende twaalf weken voor een ieder ter inzage
                    liggen op de secretarie van het waterschap of op een andere door het
                    waterschapsbestuur te bepalen plaats. Deze ter inzage legging is kosteloos. Het
                    gaat er om dat een ieder die dat wenst kennis kan nemen van de verordening.
                    Alhoewel de wet vrij strikt is geformuleerd waar het de termijn van ter inzage
                    legging betreft, is het naar de mening van de Unie van Waterschappen mogelijk om
                    de periode van ter inzage legging in de praktijk ruimer te stellen. Ook een
                    permanente ter inzage legging wordt mogelijk geacht. </al><al>In het vierde lid is de citeertitel van de verordening en het jaartal 2009
                    genoemd. Het jaar 2009 verwijst naar het eerste jaar waarin de
                    watersysteemheffing op basis van deze verordening wordt geheven.</al><al/></bijlage><bijlage><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>