<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272107_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier=""> IJssel- en Lekstreek, 2010- 49 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, artikel 77</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-16</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artt. 4 en 5</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Afschrijvingstermijnen Materiële vaste activa</al><al>(ex nota ‘Afschrijvingsbeleid’, vastgesteld door de verenigde vergadering op 8 oktober 2008)</al><al>Gronden en terreinen:</al><al>Op grond wordt niet afgeschreven. Onder de categorie terreinen vallen verbeteringswerken aan terreinen zoals bestratingen, uitgaven voor groenvoorziening, hekwerken etc. Hiervoor geldt een afschrijvingstermijn van 15 jaar.</al><al>Vervoermiddelen:</al><al>Hieronder valt het wagenpark van HHSK. Vervoermiddelen worden in 7 jaar afgeschreven.</al><al>Machines, apparaten en werktuigen:</al><al>Voor machines en vaartuigen wordt een afschrijvingstermijn van 8 jaar gehanteerd, voor overig materieel 5 jaar.</al><al>Bedrijfsgebouwen:</al><al>De investeringen die onder deze categorie vallen zijn voornamelijk van bouwkundige aard en worden in 40 jaar afgeschreven.</al><al>Woonruimten:</al><al>Deze categorie is voorgeschreven in het waterschapsbesluit.</al><al>Hieronder worden dienstwoningen opgenomen die in 40 jaar worden afgeschreven. Investeringen zoals veiligheidsvoorzieningen en meubilair worden in 10 jaar afgeschreven.</al><al>Grond-, weg- en waterbouwkundige werken:</al><al>Onder deze categorie valt een breed scala aan investeringen, hieronder een opsomming:</al><al>Primaire waterkeringen 25-40 jaar (zie opm 1)</al><al>Overige waterkeringen 10-30 jaar (zie opm 1)</al><al>Elektrotechnische voorzieningen 15 jaar</al><al>Kunstwerken waterkeringen 25-30 jaar (zie opm 1)</al><al>Watergangen 40 jaar</al><al>Gemalen 40 jaar</al><al>Gemalen: mechanisch-elektrisch 15 jaar</al><al>Kunstwerken waterbeheersing 40 jaar</al><al>Saneringswerkzaamheden waterbodems 40 jaar</al><al>Transportsystemen 30 jaar</al><al>Afvalwaterzuiveringsinstallaties: bouwkundig 30 jaar / mechanisch-elektrisch 15 jaar / bouwk. mech-elektrisch 25 jaar</al><al>Rioolgemalen: bouwkundig 30 jaar / mechanisch-elektrisch 15 jaar / bouwkundig mechanisch-elektrisch 25 jaar</al><al>Slibverwerkingsinstallaties 15 jaar</al><al>Reconstructiewerkzaamheden wegen 15 jaar</al><al>Wegbruggen 30 jaar</al><al>(opm 1) ) Voor primaire en overige waterkeringen en kunstwerken op waterkeringen is geen eenduidige afschrijvingstermijn opgenomen. Afhankelijk van het soort waterkering of kunstwerk zal de afschrijvingstermijn moeten worden bepaald, dit is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van de investering.</al><al>Overige materiële vaste activa:</al><al>In deze categorie staan alle overige investeringen die als materiële vaste activa worden aangemerkt. Hieronder valt in ieder geval de investeringen in hard- en software.</al><al>Hardware bestaat uit personal computers, netwerkapparatuur en meldsystemen en worden afgeschreven in 5 jaar.</al><al>Software betreft de verschillende applicaties die HHSK gebruikt en worden in 6 jaar afgeschreven.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 24-11-2010</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: IJssel- en Lekstreek, 2010, 49</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Aanhef</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Aanhef</al><al>De verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Schieland en de
                        Krimpenerwaard besluit, </al><al>gelet op artikel 108 van de Waterschapswet en hoofdstuk 4 van het
                        Waterschapsbesluit, vast te stellen:</al><al>de Verordening op de uitgangspunten voor het beleid, voor het beheer en voor
                        de inrichting van de beleids- en verantwoordingsfunctie van het
                        Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 (definities)</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101957_0_0_1_1_"> het college: het college van
                                    Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van
                                    Schieland en de Krimpenerwaard;</al></li><li nr="b."><al> administratie: </al><al>het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van
                                    gegevens alsmede het verstrekken van informatie ten behoeve van
                                    het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen
                                    van) de organisatie van het hoogheemraadschap en ten behoeve van
                                    de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;</al></li><li nr="c."><al> financiële administratie: </al><al>het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch
                                    maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële
                                    gegevens van (onderdelen van) de organisatie van het
                                    hoogheemraadschap, teneinde te komen tot een goed inzicht in: </al><al>- de financiële positie; </al><al>- het financieel beheer; </al><al>- de uitvoering van de begroting; </al><al>- de uitvoering van investeringsprojecten; </al><al>- het afwikkelen van vorderingen en schulden; </al><al>alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                    daarover;</al></li><li nr="d."><al> rechtmatigheid: </al><al>de mate waarin in overeenstemming met geldende wet- en
                                    regelgeving, waaronder waterschapsverordeningen alsmede
                                    besluiten van de verenigde vergadering, wordt gehandeld;</al></li><li nr="e."><al> doelmatigheid: </al><al>de mate waarin bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke
                                    inzet van middelen worden gerealiseerd;</al></li><li nr="e."><al> doeltreffendheid: </al><al>de mate waarin de beoogde doelen en effecten van het beleid ook
                                    daadwerkelijk worden behaald;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H101957_0_0_1_7_"> netto-kosten: lasten die aan een
                                    bepaald programma, product c.q. kostendrager worden toegerekend
                                    en waarvan zijn afgetrokken de baten (met uitzondering van de
                                    belasting– en andere algemene opbrengsten) die aan hetzelfde
                                    programma, product c.q. kostendrager worden toegerekend;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H101957_0_0_1_8_"> beleidsproducten: de
                                    beleidsproducten die zijn opgenomen in de door de Unie van
                                    Waterschappen vastgestelde BBP-productenstructuur;</al></li><li nr="h."><al id="anker-H101957_0_0_1_9_"> beheerproducten: de beheerproducten
                                    die zijn opgenomen in de door de Unie van Waterschappen
                                    vastgestelde BBP-productenstructuur;</al></li><li nr="i."><al id="anker-H101957_0_0_1_10_"> Waterschapswet: de Waterschapswet
                                    zoals deze luidt na het in werking treden van de Wet
                                    modernisering waterschapsbestel van 21 mei 2007 (Staatsblad
                                    2007, 208);</al></li><li nr="j."><al id="anker-H101957_0_0_1_11_"> Waterschapsbesluit: ‘Besluit van
                                    29 november 2007, houdende regels met betrekking tot de
                                    waterschappen‘ (Staatsblad 2007, 497).</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Beleidsvoorbereiding en verantwoording</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Kaderstelling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 (beleids- en verantwoordingscyclus)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101958_0_1_1_1_"> De verenigde vergadering stelt de
                                    onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus voor het
                                    begrotingsjaar en de periode van de meerjarenraming vast en
                                    geeft aan op welk moment de onderdelen daarvan moeten worden
                                    aangeboden en wanneer deze zullen worden behandeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101958_0_1_1_2_"> Het waterbeheersplan maakt
                                    onderdeel uit van de beleids- en verantwoordingscyclus en wordt
                                    eenmaal in de zes jaar vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101958_0_1_1_3_"> Het college zorgt er voor dat de
                                    onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus voldoen aan
                                    de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het
                                    Waterschapsbesluit, aan relevante overige wetgeving en aan
                                    datgene wat in deze verordening wordt bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 (programma’s)</titel></kop><al>De verenigde vergadering stelt een programma-indeling vast.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beleidsbepaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4 (kaders meerjarenbeleid)</titel></kop><al>Het college biedt de verenigde vergadering jaarlijks ter
                                vaststelling de bevindingen aan over de beleidsuitvoering in het
                                voorgaande begrotingsjaar en de kaders voor het beleid in de komende
                                begrotingsjaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 (meerjarenraming)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101958_0_2_4_4_"> Het college biedt de verenigde
                                    vergadering jaarlijks ter vaststelling een meerjarenraming met
                                    toelichting aan met daarin het naar programma’s onderscheiden
                                    beleid en de financiële gevolgen daarvan voor het komende
                                    begrotingsjaar en ten minste de drie daaropvolgende jaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> In het onderdeel ‘financiering’ van de toelichting van de
                                    meerjarenraming worden opgenomen: </al><al>a. een vermogensbehoeftenplanning; </al><al>b. een beschouwing over de rente–ontwikkeling; </al><al>c. een rentegevoeligheidanalyse.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 (ontwerp-begroting en geplande
                                    investeringen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101958_0_2_5_6_"> Het college biedt de verenigde
                                    vergadering jaarlijks ter vaststelling een ontwerp-begroting aan
                                    waarin voorstellen worden gedaan voor het beleid in het volgende
                                    begrotingsjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101958_0_2_5_7_"> Het college zorgt er voor dat er
                                    bij de begrotingsbehandeling een overzicht is geagendeerd van de
                                    investeringen waarvan de start van de uitvoering c.q. het moment
                                    van aanschaffing in het begrotingsjaar is gepland. In dit
                                    overzicht zijn opgenomen de raming van de investeringsuitgaven
                                    en van de aan de investeringen gerelateerde inkomsten.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 (vaststelling begroting en
                                    investeringskredieten)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101958_0_2_6_8_"> De verenigde vergadering
                                    autoriseert met het vaststellen van de begroting de netto-kosten
                                    die per programma zijn opgenomen alsmede de dekkingsmiddelen die
                                    zijn opgenomen in de begroting naar kostendragers.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101958_0_2_6_9_"> Op basis van het in artikel 6,
                                    tweede lid bedoelde overzicht van investeringen stelt de
                                    verenigde vergadering vast van welke investeringen zij op een
                                    later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het
                                    investeringskrediet wil ontvangen. De uitgaven en inkomsten van
                                    de overige investeringen worden bij de begrotingsbehandeling
                                    geautoriseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101958_0_2_6_10_"> Voor investeringen die in de loop
                                    van het begrotingsjaar in uitvoering worden genomen en waarvoor
                                    geen autorisatie is verleend bij de begrotingsbehandeling legt
                                    het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een
                                    investeringsvoorstel en een voorstel voor het autoriseren van
                                    een investeringskrediet aan de verenigde vergadering voor.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H101958_0_2_6_11_"> Het college zorgt er ten aanzien
                                    van de raming van de netto-kosten naar programma´s voor dat deze
                                    netto-kosten, door middel van kostentoerekening, eenduidig
                                    kunnen worden toegewezen aan de beleidsproducten en de
                                    beheerproducten.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Uitvoering, sturing en beheersing</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 (uitvoering begroting)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101958_0_3_7_12_"> Het college zorgt voor het per
                                    programma verzamelen en vastleggen van gegevens over de
                                    maatregelen die getroffen zijn en prestaties die geleverd
                                    worden, de doelstellingen en effecten die bereikt worden en de
                                    netto-kosten die gemaakt worden, opdat de doelmatigheid en
                                    doeltreffendheid van het beleid, door de verenigde vergadering,
                                    kunnen worden getoetst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101958_0_3_7_13_"> Het college zorgt er voor dat de
                                    netto-kosten van de programma’s en de investeringsuitgaven,
                                    zoals geautoriseerd door de verenigde vergadering, niet worden
                                    overschreden; met in achtneming van hetgeen in art. 9 lid 2 en 3
                                    is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101958_0_3_7_14_"> Het college zorgt er voor dat de
                                    dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting en de
                                    inkomsten die in investeringskredieten zijn opgenomen, zoals
                                    geautoriseerd door de verenigde vergadering, niet worden
                                    onderschreden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 (ruimte bij begrotingsuitvoering)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101958_0_3_8_15_"> Het college is bevoegd
                                    overschrijding van geautoriseerde netto-kosten te dekken uit het
                                    bedrag voor onvoorzien uit de begroting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101958_0_3_8_16_"> Het college is bevoegd, zonder
                                    voorafgaande toestemming van de verenigde vergadering, de
                                    netto-kosten van een programma met 5 procent te overschrijden
                                    met een maximum van € 250.000 van de netto-kosten indien de
                                    middeleninzet past binnen het vastgestelde beleid en indien de
                                    hiervoor benodigde financiële ruimte elders binnen de begroting
                                    kan worden gevonden. Voor het programma ‘Dekkingsmiddelen’ is
                                    het college bevoegd, zonder voorafgaande toestemming van de
                                    verenigde vergadering, de inkomsten met 1 procent te
                                    onderschrijden indien de hiervoor benodigde financiële ruimte
                                    elders binnen de begroting kan worden gevonden.Dergelijke
                                    overschrijdingen cq onderschrijdingen worden achteraf aan de
                                    verenigde vergadering gerapporteerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101958_0_3_8_17_"> Het college is bevoegd, zonder
                                    voorafgaande toestemming van de verenigde vergadering, de voor
                                    een investering geraamde uitgaven met 10% te overschrijden en de
                                    geraamde inkomsten met 10% te onderschrijden indien deze
                                    mutaties passen binnen het vastgestelde beleid. Een dergelijke
                                    over- cq onderschrijding wordt achteraf aan de verenigde
                                    vergadering gerapporteerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Rapportage en interne verantwoording</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10 (actieve informatieplicht, tussentijdse rapportage
                                    en begrotingswijzigingen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101958_0_4_9_18_"> Het college informeert de
                                    verenigde vergadering zo spoedig mogelijk indien de realisatie
                                    van het beleid in betekenende mate afwijkt van hetgeen in de
                                    begroting is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101958_0_4_9_19_"> Het college informeert de
                                    verenigde vergadering door middel van tussentijdse rapportages
                                    over de realisatie van het beleid dat in de begroting is
                                    opgenomen en over de uitvoering van investeringen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101958_0_4_9_20_"> De inrichting van de tussentijdse
                                    rapportages sluit aan bij de programma-indeling van de
                                    begroting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H101958_0_4_9_21_"> De rapportages gaan in op
                                    afwijkingen van betekenende mate, zowel wat betreft de
                                    middeleninzet, de maatregelen die getroffen en prestaties die
                                    geleverd worden, als de doelstellingen en effecten die bereikt
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> In de rapportages wordt voorts in ieder geval aandacht besteed
                                    aan afwijkingen van betekenende mate van: </al><al>- de besteding van investeringsuitgaven en realisatie van
                                    investeringsinkomsten; </al><al>- de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting naar
                                    kostendragers; </al><al>- de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H101958_0_4_9_23_"> Indien noodzakelijk doet het
                                    college in de rapportages voorstellen voor wijziging van de
                                    geautoriseerde budgetten en investeringskredieten alsmede
                                    bijstellingen van het beleid. Zo nodig legt het college een
                                    voorstel tot begrotingswijziging aan de verenigde vergadering
                                    voor.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 (jaarverslaggeving) </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101958_0_4_10_24_"> Het college legt na afloop van
                                    ieder begrotingsjaar aan de verenigde vergadering verantwoording
                                    af over de uitvoering van de programma’s door middel van het ter
                                    vaststelling aanbieden van het jaarverslag en de door de
                                    accountant gecontroleerde jaarrekening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101958_0_4_10_25_"> De verenigde vergadering bepaalt
                                    aan de hand van de uitvoering van de programma’s of de
                                    beleidsdoelen van de programma’s voor het lopende jaar
                                    bijstelling behoeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101958_0_4_10_26_"> Het college zorgt er ten aanzien
                                    van de realisatie van de netto-kosten naar programma´s voor dat
                                    deze netto-kosten, door middel van kostentoerekening, eenduidig
                                    kunnen worden toegewezen aan de beleidsproducten en de
                                    beheerproducten.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Uitgangspunten financieel beleid</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 (financieel beleid algemeen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_1_1_"> Het college doet voorstellen aan de
                                verenigde vergadering die zijn gericht op een volledig en actueel
                                beleid van het hoogheemraadschap ten aanzien van de volgende
                                onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101959_0_0_1_1_1_"> waardering en afschrijving
                                        van activa;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101959_0_0_1_1_2_"> weerstandsvermogen,
                                        risicomanagement, reserves en voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101959_0_0_1_1_3_"> kostentoerekening en
                                        onderbouwing tarieven;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_1_2_"> Het college zorgt er voor dat de in het
                                eerste lid bedoelde voorstellen in overeenstemming zijn met de
                                relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, met
                                andere regelgeving die van toepassing is en met de in het vervolg
                                van deze verordening opgenomen eisen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 (waardering en afschrijving van activa)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_2_3_"> Het beleid ten aanzien van waardering
                                en afschrijving van activa omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101959_0_0_2_3_4_"> dat investeringen met
                                        verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs lager dan € 25.000
                                        niet worden geactiveerd; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H101959_0_0_2_3_5_"> de wijze waarop het
                                        hoogheemraadschap omgaat met de verplichtingen uit het
                                        Waterschapsbesluit dat de bijdragen van eigen personeel, de
                                        rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het
                                        actief kan worden toegerekend en de mogelijkheid dat een
                                        redelijk deel van de kosten van ondersteunende diensten van
                                        het hoogheemraadschap in de vervaardigingsprijs van vaste
                                        activa worden opgenomen;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101959_0_0_2_3_6_"> de afbakening tussen
                                        investering en onderhoud;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101959_0_0_2_3_7_"> de afschrijvingsmethode.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_2_4_"> Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling
                                worden lineair in 5 jaar afgeschreven voor zover de betreffende
                                uitgaven op grond van artikel 4.63 van het Waterschapsbesluit mogen
                                worden geactiveerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_2_5_"> De uitgaven groter dan € 25.000 voor
                                het afsluiten van geldleningen worden lineair afgeschreven in de
                                jaren van de looptijd van de betreffende geldlening. Uitgaven voor
                                het afsluiten van overige geldleningen worden direct ten laste van
                                de exploitatie gebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_2_6_"> Bijdragen in activa in eigendom van
                                derden worden afgeschreven gedurende het aantal jaren dat de
                                betreffende activa naar verwachting door de derde zullen worden
                                geëxploiteerd en voor zover de betreffende uitgaven op grond van
                                artikel 4.64 van het Waterschapsbesluit mogen worden
                                geactiveerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_2_7_"> De overige materiële vaste activa
                                worden lineair afgeschreven. De daarbij behorende
                                afschrijvingstermijnen zijn door de verenigde vergadering
                                vastgesteld in de ‘Nota afschrijvingsbeleid’.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 (weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en
                                voorzieningen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_3_8_"> Het beleid omtrent het
                                weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en voorzieningen
                                omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101959_0_0_3_8_8_"> een beschrijving van de
                                        risico´s die het hoogheemraadschap loopt;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101959_0_0_3_8_9_"> de weerstandscapaciteit van
                                        het hoogheemraadschap, zijnde de middelen en mogelijkheden
                                        van het hoogheemraadschap om niet begrote kosten en risico’s
                                        te dekken;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101959_0_0_3_8_10_"> het opvangen van risico’s
                                        door verzekeringen, voorzieningen, reserves, de
                                        weerstandscapaciteit of anderszins;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101959_0_0_3_8_11_"> de vorming en besteding van
                                        reserves;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H101959_0_0_3_8_12_"> de vorming en besteding van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H101959_0_0_3_8_13_"> de berekening en verwerking
                                        van rente over de reserves en de voorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_3_9_"> Als element van het in het eerste lid
                                onder d bedoelde onderdeel reserves wordt voor de reserves die
                                onderdeel uitmaken van de algemene reserves en voor de
                                bestemmingsreserves die niet zijn bedoeld voor tariefsegalisatie per
                                reserve ingegaan op de aard, reden en gewenste omvang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_3_10_"> Als element van het in het eerste lid
                                onder e bedoelde onderdeel voorzieningen wordt per voorziening
                                ingegaan op de aard, reden en gewenste (bij onderhoudsvoorzieningen)
                                of noodzakelijke (bij overige voorzieningen) omvang .</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 (kostentoerekening en onderbouwing tarieven)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_4_11_"> Het beleid omtrent kostentoerekening
                                en onderbouwing van tarieven omvat in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101959_0_0_4_11_14_"> een beschrijving van het
                                        kostentoerekeningssysteem;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101959_0_0_4_11_15_"> de wijze waarop het
                                        hoogheemraadschap invulling geeft aan de eis uit het
                                        Waterschapsbesluit dat de kostentoerekening plaatsvindt op
                                        basis van objectieve, bedrijfseconomische criteria;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101959_0_0_4_11_16_"> de kwantitatieve
                                        grondslagen die onderdeel vormen van de
                                        kostentoerekeningssystematiek;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101959_0_0_4_11_17_"> de methodiek voor de
                                        berekening van de rentelasten van vaste activa;</al></li><li nr="e."><al> de onderbouwing van de tarieven die gelden voor de door het
                                        bestuur in rekening te brengen rechten als bedoeld in
                                        artikel 115 van de Waterschapswet, zijnde rechten ter zake
                                        van: </al><al> - het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de
                                        openbare dienst bestemde bezittingen van het
                                        hoogheemraadschap of van voor de openbare dienst bestemde
                                        werken of inrichtingen die bij het hoogheemraadschap in
                                        beheer of in onderhoud zijn; </al><al> - het genot van door of vanwege het bestuur van het
                                        hoogheemraadschap verstrekte diensten; </al><al> - het behandelen van verzoeken tot het verlenen van
                                        vergunningen of ontheffingen;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H101959_0_0_4_11_19_"> de onderbouwing van de
                                        prijs van producten en diensten die het hoogheemraadschap
                                        aan derden kan leveren, waaronder ook begrepen verhuur,
                                        verkoop en erfpacht van onroerende zaken, alsmede de kosten
                                        van bestuursdwang, en waarbij onderscheid wordt gemaakt in
                                        directe kosten, indirecte kosten en toegerekende
                                        kosten;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H101959_0_0_4_11_20_"> de mate van
                                        kostendekkendheid van de onder e en f bedoelde
                                        tarieven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_4_12_"> Het college zorgt er voor dat er een
                                actueel overzicht is van de tarieven, prijzen en kosten van de in
                                dit artikel bedoelde rechten, diensten en zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 (financiering)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_5_13_"> Het college zorgt er voor dat bij de
                                uitoefening van de financieringsfunctie:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101959_0_0_5_13_21_"> goede ondersteuning
                                        plaatsvindt van uitsluitend de taken die in het reglement
                                        aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101959_0_0_5_13_22_"> een continue toegang tot de
                                        financiële markten is;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101959_0_0_5_13_23_"> voldoende financiële
                                        middelen worden aangetrokken en overtollige gelden worden
                                        uitgezet om de programma’s binnen de door de verenigde
                                        vergadering vastgestelde kaders van de meerjarenraming en de
                                        begroting te kunnen uitvoeren;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101959_0_0_5_13_24_"> de volgende risico’s
                                        verbonden aan de financieringsfunctie worden beheerst:
                                        renterisico’s, kredietrisico’s, interne
                                        liquiditeitsrisico’s, koersrisico’s en valutarisico’s;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H101959_0_0_5_13_25_"> de kosten van de leningen
                                        zo veel mogelijk worden beperkt en er een voldoende
                                        rendement op de uitzettingen wordt bereikt;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H101959_0_0_5_13_26_"> een bijdrage wordt geleverd
                                        aan het bereiken van een financiële balansstructuur die
                                        dienstbaar is aan de doelstellingen van het
                                        hoogheemraadschap;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H101959_0_0_5_13_27_"> de interne
                                        verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de
                                        geldstromen en financiële posities worden beperkt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_5_14_"> Het risicobeheer van het
                                hoogheemraadschap wordt gebaseerd op de volgende
                                uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101959_0_0_5_14_28_"> ten opzichte van de taken
                                        die in het reglement aan het hoogheemraadschap zijn
                                        opgedragen heeft de financieringsfunctie een ondersteunende
                                        rol. Financiering volgt en is dienstbaar aan deze
                                        taken;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101959_0_0_5_14_29_"> de uitvoering van de
                                        financieringsfunctie voegt geen financiële risico’s toe aan
                                        degene die zijn verbonden aan de uitvoering van de taken die
                                        in het reglement aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen,
                                        maar is er op gericht toekomstige risico’s te verminderen of
                                        te verschuiven;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101959_0_0_5_14_30_"> bij het uitzetten van
                                        middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van
                                        financiële participaties uit hoofde van de publieke taak
                                        bedingt het college indien mogelijk zekerheden;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101959_0_0_5_14_31_"> het wettelijk kader van de
                                        Wet Financiering Decentrale Overheden (Wet Fido) wordt als
                                        uitgangspunt voor het beheersen van renterisico’s
                                        gehanteerd;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H101959_0_0_5_14_32_"> wat betreft de toekomstige
                                        omvang en samenstelling van de portefeuille vlottende
                                        opgenomen en verstrekte leningen wordt de kasgeldlimiet van
                                        de Wet Fido in acht genomen.</al></li><li nr="f."><al id="anker-H101959_0_0_5_14_33_"> wat betreft de toekomstige
                                        omvang en samenstelling van de portefeuille vaste opgenomen
                                        en verstrekte leningen wordt de renterisiconorm van de Wet
                                        Fido in acht genomen;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H101959_0_0_5_14_34_"> de verenigde vergadering
                                        wordt geïnformeerd indien de kasgeldlimiet of de
                                        renterisiconorm dreigen te worden overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101959_0_0_5_15_"> Het college neemt bij de uitvoering
                                van de financieringsfunctie de richtlijnen en limieten in acht,
                                onder volledige naleving van wat daarover in de Wet Fido wordt
                                bepaald.In het door het college op te stellen Treasurystatuut (art
                                24, lid 1, sub i), wordt aangegeven voor welke bedragen en onder
                                welke voorwaarden het college middelen mag aantrekken en uitzetten.
                                Over bedragen die afwijken van deze limieten en voorwaarden wordt de
                                verenigde vergadering vooraf geïnformeerd en kan de verenigde
                                vergadering haar zienswijze kenbaar maken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 Paragrafen in begroting en jaarverslag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17 (algemeen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_1_1_"> Het college zorgt er voor dat de
                                paragrafen in begroting en in het jaarverslag voldoen aan de
                                relevante bepalingen van het Waterschapsbesluit en aan de in deze
                                verordening opgenomen aanvullende eisen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_1_2_"> In de hieronder genoemde paragrafen van
                                de begroting wordt ingegaan op de wijze waarop in het begrotingsjaar
                                invulling zal worden gegeven aan het desbetreffende onderdeel van
                                het in artikel 12 bedoelde beleid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_1_3_"> Indien het in het tweede lid bedoelde
                                beleid afwijkt van de in artikel 12 bedoelde beleidkaders, wordt
                                daarop in de betreffende paragraaf ingegaan, waarbij de reden van
                                afwijking wordt vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_1_4_"> De paragrafen van het jaarverslag
                                bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige
                                paragrafen van de begroting is opgenomen. Indien tijdens de
                                realisatie is afgeweken van de kaders die zijn vastgelegd in het
                                desbetreffende onderdeel van het in artikel 12 bedoelde beleid wordt
                                daarop specifiek ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt
                                vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 (paragraaf weerstandsvermogen)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_2_5_"> Het college geeft in de paragraaf
                                weerstandsvermogen van de begroting en van het jaarverslag de
                                risico’s van materieel belang weer. Het college brengt hierbij in
                                elk geval de risico’s in beeld en actualiseert de risico’s die
                                worden genoemd in het beleid bedoeld in artikel 14.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_2_6_"> Het college geeft in de paragraaf
                                weerstandsvermogen van de begroting en van het jaarverslag aan wat
                                de weerstandscapaciteit is en in hoeverre schade en verliezen als
                                gevolg van de risico’s van materieel belang met de
                                weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 (paragraaf bedrijfsvoering)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_3_7_"> In de bedrijfsvoeringsparagraaf in de
                                begroting gaat het college in op de tijdelijke en actuele
                                onderwerpen die aandacht behoeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_3_8_"> In de bedrijfsvoeringsparagraaf in het
                                jaarverslag wordt gerapporteerd over nieuwe ontwikkelingen.
                                Daarnaast wordt speciale aandacht gegeven aan: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101960_0_0_3_8_1_"> de organisatie-ontwikkeling;
                                    </al></li><li nr="b."><al id="anker-H101960_0_0_3_8_2_"> het aantal personeelsleden in
                                        dienst, onderverdeeld naar leeftijd en beloningsschaal;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101960_0_0_3_8_3_"> de instroom, uitstroom en het
                                        percentage ziekteverzuim van het personeel;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101960_0_0_3_8_4_"> de kosten van ingehuurde
                                        externen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101960_0_0_3_9_"> Het college rapporteert in de
                                bedrijfsvoeringsparagraaf van de begroting en het jaarverslag over
                                de plannen en voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en
                                doeltreffendheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 (paragraaf verbonden partijen)</titel></kop><al>In de begroting en het jaarverslag wordt in de paragraaf verbonden
                            partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het
                            beëindigen van relaties met bestaande verbonden partijen, wijzigingen
                            bij of ten aanzien van bestaande verbonden partijen en eventuele
                            problemen bij bestaande verbonden partijen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 (paragraaf financiering) </titel></kop><al id="anker-H101960_0_0_5_10_">In de begroting en het jaarverslag doet het
                            college in de paragraaf financiering in ieder geval verslag van:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101960_0_0_5_10_5_"> de algemene interne en externe
                                    ontwikkelingen die van invloed zijn op de
                                    financieringsfunctie;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101960_0_0_5_10_6_"> de afwijkingen ten opzichte van
                                    het in de meerjarenraming verwoorde beleid;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101960_0_0_5_10_7_"> de ontwikkeling van de rente
                                    (rentevisie);</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101960_0_0_5_10_8_"> de liquiditeitsprognose en de
                                    financieringsbehoefte;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H101960_0_0_5_10_9_"> de kasgeldlimiet;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H101960_0_0_5_10_10_"> de renterisiconorm;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H101960_0_0_5_10_11_"> de rentekosten en
                                    rente-opbrengsten verbonden aan de financieringsfunctie;</al></li><li nr="h."><al id="anker-H101960_0_0_5_10_12_"> de plannen inzake het
                                    risicobeheer, inclusief de eventuele inzet van derivaten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 Administratie en organisatie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22 (administratie)</titel></kop><al>Het college zorgt er voor dat de administratie zodanig van opzet en
                            werking is, dat zij in ieder geval dienstbaar is aan:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101961_0_0_1_1_"> het sturen en het beheersen van
                                    activiteiten en processen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101961_0_0_1_2_"> het geven van een actueel en
                                    volledig inzicht in de bezittingen van het hoogheemraadschap,
                                    waaronder ook worden begrepen de niet-geactiveerde objecten met
                                    cultuurhistorische waarde (waaronder panden, bedrijfsgebouwen,
                                    bedrijfsmiddelen en kunstvoorwerpen) alsmede overige
                                    investeringen die niet zijn geactiveerd;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101961_0_0_1_3_"> het verstrekken van informatie over
                                    ontwikkelingen in de omvang van activa, voorraden, vorderingen,
                                    schulden, rechten, verplichtingen, ontvangsten, betalingen,
                                    kosten en opbrengsten;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101961_0_0_1_4_"> het verschaffen van informatie over
                                    baten, lasten, prestaties, maatregelen en effecten aan
                                    budgethouders voor zowel de planning, de uitvoering als de
                                    verantwoording van de realisatie;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H101961_0_0_1_5_"> het doelmatig beheer van
                                    geldstromen en financiële posities;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H101961_0_0_1_6_"> de interne en externe
                                    informatievoorziening over de uitvoering van de
                                    financieringsfunctie;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H101961_0_0_1_7_"> het verkrijgen van inzicht in en
                                    bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                    doeltreffendheid van het gevoerde beleid in relatie tot de
                                    gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="h."><al id="anker-H101961_0_0_1_8_"> het afleggen van verantwoording
                                    over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid
                                    van het gevoerde beleid in relatie tot de gestelde
                                    beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en
                                    regelgeving;</al></li><li nr="i."><al id="anker-H101961_0_0_1_9_"> de controle van de registratie van
                                    gegevens en de controle op rechtmatigheid, doelmatigheid en
                                    doeltreffendheid van het gevoerde beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 (financiële administratie)</titel></kop><al>Het college zorgt er voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101961_0_0_2_10_"> de inrichting en de werking van de
                                    financiële administratie voldoen aan het Waterschapsbesluit en
                                    andere relevante wet- en regelgeving;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101961_0_0_2_11_"> de financiële administratie tijdig
                                    alle door de verenigde vergadering en het college genomen
                                    besluiten waaraan financiële gevolgen verbonden zijn alsmede
                                    alle overige gegevens en stukken verstrekt krijgt die ten
                                    behoeve van een juiste verzorging van de financiële
                                    administratie, de verslaggeving en het beheer van de
                                    vermogenswaarden nodig is;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101961_0_0_2_12_"> de vereiste informatie tijdig
                                    verstrekt wordt aan het rijk, de provincie(s), de Europese Unie
                                    en het Centraal Bureau voor de Statistiek, alsmede aan andere
                                    instellingen die specifieke verantwoordingsverplichtingen
                                    opleggen aan het hoogheemraadschap.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 (organisatie en administratieve organisatie)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101961_0_0_3_13_"> Het college zorgt voor en legt (in een
                                besluit) vast:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_1_"> een eenduidige indeling van
                                        de organisatie van het hoogheemraadschap en een eenduidig
                                        toewijzing van de taken van het hoogheemraadschap aan
                                        organisatorische eenheden;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_2_"> een adequate scheiding van
                                        taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat
                                        aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de
                                        betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en
                                        beheersorganen is gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_3_"> de wijze waarop wordt
                                        gewaarborgd dat de uitvoering van de begroting rechtmatig,
                                        doelmatig en doeltreffend verloopt;</al></li><li nr="d."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_4_"> de verlening van mandaten en
                                        volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van
                                        de toegekende budgetten en investeringskredieten;</al></li><li nr="e."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_5_"> de te maken afspraken met de
                                        verantwoordelijken voor organisatorische eenheden over de te
                                        leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de
                                        wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de
                                        activiteiten en uitputting van middelen;</al></li><li nr="f."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_6_"> de regels voor de verlening
                                        van decharge over het gevoerde beheer van de
                                        organisatorische eenheden;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_7_"> de interne regels (protocol)
                                        voor de inkoop en aanbesteding van werken, diensten en
                                        leveringen die waarborgen dat wordt gehandeld in
                                        overeenstemming met de Europese en nationale regels ter
                                        zake;</al></li><li nr="h."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_8_"> regels die aangeven welke
                                        elementen in ieder geval moeten worden opgenomen in
                                        voorstellen voor investeringsbesluiten die aan het algemeen
                                        of dagelijks bestuur worden voorgelegd;</al></li><li nr="i."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_9_"> regels ter uitvoering van
                                        het gestelde in artikel 16, die samen met regels voor taken
                                        en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de
                                        bijbehorende informatievoorziening in een Treasurystatuut
                                        worden opgenomen;</al></li><li nr="j."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_10_"> de wijze waarop wordt
                                        voorkomen dat misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen
                                        en eigendommen van het hoogheemraadschap wordt gemaakt.</al></li><li nr="k."><al id="anker-H101961_0_0_3_13_11_"> de wijze waarop de
                                        gegevensbestanden worden veilig gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101961_0_0_3_14_"> Het college actualiseert de in het
                                eerste lid bedoelde organisatie en regeling zodra hiertoe aanleiding
                                is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25 (inwerkingtreding)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H101962_0_0_1_1_"> Deze verordening treedt in werking met
                                ingang van het begrotingsjaar 2009, met dien verstande dat de
                                begroting, de jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de
                                informatie voor derden en de daarbij behorende toelichtingen, zoals
                                bedoeld in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en deze
                                verordening, die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2009 en
                                latere begrotingsjaren voldoen aan de bepalingen van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H101962_0_0_1_2_"> De meerjarenramingen die worden
                                opgesteld in de begrotingsjaren met ingang van 2009 voldoen aan de
                                bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H101962_0_0_1_3_"> De ‘Verordening financieel beheer
                                Schieland en de Krimpenerwaard 2007’, die is vastgesteld door de
                                verenigde vergadering op 27 november 2007, vervalt, met dien
                                verstande dat zij van kracht blijft ten aanzien van de
                                begrotingsjaren tot en met 2008.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 (citeertitel)</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening beleids- en
                            verantwoordingsfunctie Hoogheemraadschap van Schieland en de
                            Krimpenerwaard’. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Rotterdam, 8 oktober 2008</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting algemeen en artikelsgewijs</titel></kop><al><vet>Toelichting op de Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie</vet></al><al><vet>Algemeen </vet></al><divisie><kop><titel>1 Inleiding</titel></kop></divisie><al>Artikel 108 van de nieuwe Waterschapswet stelt dat de verenigde vergadering een
                    verordening moet vaststellen die betrekking heeft op ‘het financieel beleid, het
                    financieel beheer en de financiële organisatie' van het hoogheemraadschap. Het
                    artikel luidt als volgt:</al><lijst><li nr="•"><al>1. Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het
                            financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de
                            inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening
                            waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en
                            controle wordt voldaan.</al></li><li nr="•"><al>2. De verordening bevat in ieder geval:</al></li><li nr="•"><al>a. regels voor waardering en afschrijving van activa;</al></li><li nr="•"><al>b. grondslagen voor de berekening van door het waterschapsbestuur in
                            rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in
                            artikel 115;</al></li><li nr="•"><al>c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren
                            richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede inzake de
                            administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder
                            begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de
                            bijbehorende informatievoorziening.</al></li></lijst><divisie><kop><titel>2 Doel en reikwijdte van de verordening</titel></kop></divisie><al>Het doel van artikel 108 is dat de verenigde vergadering de uitgangspunten
                    vastlegt voor de uitvoering van de ‘financiële functie'. Het beleidsmatige
                    karakter van deze functie is in de afgelopen jaren door diverse ontwikkelingen
                    steeds groter geworden. Waar vroeger de nadruk veelal lag op beheersmatige en
                    vooral financiële aspecten, is nu de term beleids- en verantwoordingsfunctie
                    meer op zijn plaats. </al><al>Dit betekent ook dat de begrippen uit artikel 108 breder dan ‘financieel' moeten
                    worden opgevat en dat artikel 108 betrekking heeft op de beleids- en
                    verantwoordingsfunctie. Deze functie is een verzamelbegrip voor alle onderwerpen
                    die te maken hebben met de voorbereiding van meerjarenraming en begroting, de
                    uitvoering en beheersing van het daarin opgenomen beleid en de verantwoording
                    daarover, zowel intern als extern. Het zijn onderwerpen waarbij vooral de
                    verenigde vergadering een centrale rol vervult. De verenigde vergadering neemt
                    aan de voorkant beslissingen en controleert lopende en na afloop van de
                    uitvoering voor een bepaald begrotingsjaar op basis van de begroting. Dit maakt
                    dat de beleids- en verantwoordingsfunctie essentieel is voor het functioneren
                    van het hoogheemraadschap.</al><divisie><kop><titel>3 Gehanteerde uitgangspunten</titel></kop></divisie><al>Deze verordening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><al>1. de verordening werkt de taakverdeling tussen algemeen en dagelijks bestuur
                    uit, hetgeen tot uitdrukking komt in elementen van de beleids- en
                    verantwoordingfunctie die van toepassing zijn op de verenigde vergadering en het
                    college, waaronder de beleids- en verantwoordingscyclus;</al><al>2. de verordening sluit aan bij de opzet van en geeft een nadere invulling aan
                    de Bepalingen Beleidsvoorbereiding en Verantwoording Waterschappen (BBVW), de
                    nieuwe verslaggevingregels (opvolgers van de comptabiliteitsvoorschriften);</al><al>3. met de verordening wordt een bijdrage geleverd aan de uniformiteit tussen en
                    daarmee de vergelijkbaarheid van waterschappen.</al><divisie><kop><titel>3.1 Taakafbakening verenigde vergadering - college </titel></kop><al>De taakverdeling tussen de verenigde vergadering en het college is op
                        hoofdlijnen als volgt te omschrijven:</al><lijst><li nr="•"><al>door middel van deze verordening en de verordening op basis van de
                                artikel 109 van de Waterschapswet geeft de verenigde vergadering het
                                college een aantal kaders mee waarbinnen beleidsvoorstellen moeten
                                worden gedaan en de wijze waarop het beleid moet worden uitgevoerd
                                ;</al></li><li nr="•"><al>de verenigde vergadering spreekt zich bij de behandeling van de
                                meerjarenraming uit over het meerjarig beleid van het
                                hoogheemraadschap en de financiële consequenties daarvan;</al></li><li nr="•"><al>op basis van een voorstel van het college stelt de verenigde
                                vergadering via de begroting het beleid van het hoogheemraadschap
                                voor het komend jaar vast (beleidsbepaling) en de (financiële)
                                middelen beschikbaar die maximaal bij de beleidsuitvoering mogen
                                worden ingezet;</al></li><li nr="•"><al>over het vastgestelde beleid en de benodigde middelen kan
                                transparant naar de samenleving worden gecommuniceerd;</al></li><li nr="•"><al>het is vervolgens aan het college om het beleid uit te voeren,
                                waarbij de beschikbaar gestelde middelen mogen worden ingezet. Het
                                college moet er voor zorgen dat deze middeleninzet rechtmatig,
                                doeltreffend en doelmatig is: door middel van een goede uitvoering
                                en interne organisatie moet er voor worden gezorgd dat de
                                beleidsdoelen daadwerkelijk worden bereikt (doeltreffendheidvraag),
                                dat dit met zo min mogelijk middeleninzet gebeurt
                                (doelmatigheidsvraag) en dat de middelen worden ingezet zoals is
                                toegestaan (rechtmatigheidvraag);</al></li><li nr="•"><al>lopende het begrotingsjaar informeert het college de verenigde
                                vergadering over de beleidsuitvoering en na afloop van het
                                begrotingsjaar legt het college hierover verantwoording af. Hierbij
                                wordt aangegeven of de gestelde doelen en prestaties worden c.q.
                                zijn gehaald en welke middeleninzet gerealiseerd zal worden c.q.
                                gerealiseerd is en hoe het met de doelmatig- en rechtmatigheid is
                                gesteld;</al></li><li nr="•"><al>op basis van deze rapportages kan de verenigde vergadering een
                                oordeel geven en indien noodzakelijk het beleid en/of de uitvoering
                                daarvan bijstellen;</al></li><li nr="•"><al>uiteindelijk kan de verenigde vergadering verantwoording afleggen
                                aan de samenleving.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>3.2 Aansluiting verordening op opzet nieuwe verslaggevingregels
                        </titel></kop><al>De Bepalingen Beleidsvoorbereiding en Verantwoording Waterschappen (BBVW)
                        geven de algemene regels die de wetgever voor de beleids- en
                        verantwoordingsfunctie stelt. In deze verordening worden de regels van het
                        besluit vertaald naar de situatie en inzichten van ons
                        Hoogheemraadschap.</al></divisie><divisie><kop><titel>3.3 Bijdrage aan de uniformiteit en vergelijkbaarheid van
                            waterschappen </titel></kop><al>In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek financiering waterbeheer (IBO)
                        dat ten grondslag lag aan de Wet modernisering waterschapsbestel IBO, is
                        geconcludeerd dat de in begrotingen en jaarrekeningen van de waterschappen
                        gepresenteerde financiële posities slecht vergelijkbaar waren, omdat de
                        waterschappen de verslaggevingregels niet uniform toepasten en de ruimte die
                        de regels boden verschillend interpreteerden. Hierdoor konden externe
                        partijen van de waterschappen, zoals de provincies, ministeries,
                        vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en ingezetenen alsmede hun
                        koepelorganisaties, op het verkeerde been worden gezet. De kwaliteit van
                        bedrijfsvergelijkingen wordt bepaald door de mate waarin de waterschappen op
                        de punten waarop wordt vergeleken echt vergelijkbaar zijn. In vrijwel iedere
                        bedrijfsvergelijking van de waterschappen wordt geconstateerd dat de
                        vergelijkbaarheid van waterschappen nog niet optimaal is, waardoor nog niet
                        alle mogelijkheden van de bedrijfsvergelijkingen worden benut. Waterschappen
                        hechten een toenemend belang aan bedrijfsvergelijkingen om zichzelf te
                        verbeteren, nog transparanter te zijn en verantwoording af te leggen. Omdat
                        deze verordening de mogelijkheid biedt om meer uniformiteit en
                        vergelijkbaarheid van de waterschappen te realiseren, is in Unieverband
                        besloten deze mogelijkheid te benutten. </al></divisie><divisie><kop><titel>4 Opbouw van de verordening </titel></kop></divisie><al>De verordening kent vijf hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk worden enkele
                    kernbegrippen gedefinieerd. Vervolgens volgt een hoofdstuk over de beleids- en
                    verantwoordingscyclus. De verenigde vergadering stelt de kaders voor de
                    uitvoering van het beleid. Zij doet dat vooral door het behandelen van de
                    meerjarenraming en het daarin opgenomen beleid ten aanzien van de programma's
                    die het hoogheemraadschap hanteert. De kern van de beleidsbepaling is de
                    beantwoording per programma van de vragen:</al><lijst><li nr="•"><al>wat willen we bereiken?</al></li><li nr="•"><al>wat gaan we daarvoor doen?</al></li><li nr="•"><al>wat gaat het kosten?</al></li></lijst><al>De meerjarenraming vormt een belangrijke basis voor het opstellen van de
                    begroting, die uiteindelijk door de verenigde vergadering wordt vastgesteld. Het
                    college voert vervolgens de begroting uit en zorgt voor de beheersing van deze
                    uitvoering. Vervolgens rapporteert het college aan de verenigde vergadering,
                    waarbij een belangrijke plaats is ingeruimd voor de vragen:</al><lijst><li nr="•"><al>hebben we bereikt wat we wilden?</al></li><li nr="•"><al>hebben we gerealiseerd wat we ons voorgenomen hadden?</al></li><li nr="•"><al>heeft het gekost wat we hadden geraamd?</al></li></lijst><al>De verenigde vergadering legt in deze verordening de hoofdlijnen van de
                    rolverdeling vast tussen zichzelf en het college en formuleert een aantal eisen
                    waaraan het college moet voldoen.</al><al>Het derde hoofdstuk behandelt de uitgangspunten die de verenigde vergadering aan
                    enkele belangrijke onderdelen van het financieel beleid stelt. Hierin komen
                    onder andere investeringen (activering en afschrijving), reserves en
                    voorzieningen, financiering en de onderbouwing van tarieven aan de orde. Dit
                    zijn onderwerpen die (in)direct van invloed zijn op de financiële positie van
                    het hoogheemraadschap. De artikelen in dit hoofdstuk voldoen aan het voorschrift
                    uit artikel 108 dat de verordening in ieder geval regels stelt voor de
                    kostprijsberekeningen, de waardering van activa en de financieringsfunctie. </al><al>In het vierde hoofdstuk komen de paragrafen van de begroting en de
                    jaarverslaggeving aan de orde. Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag welke
                    eisen de verenigde vergadering aan de inhoud van de paragrafen stelt in
                    aanvulling op de eisen uit de BBVW. </al><al>Het vijfde hoofdstuk bevat de uitgangspunten voor de administratieve organisatie
                    rond de beleids- en verantwoordingsfunctie en voor de administratie. De
                    verenigde vergadering moet er immers van op aan kunnen dat de aansturing van de
                    ambtelijke organisatie en de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van en
                    binnen de ambtelijke organisatie goed zijn vastgelegd. Bovendien moeten er
                    administratieve systemen zijn die de uitvoering van het beleid, de begroting,
                    het inzicht in de financiële positie en de toepassing van de paragrafen
                    ondersteunen. Deze systemen dienen tevens de rapportages en verantwoording van
                    de ambtelijke organisatie aan het college en de rapportage van het college aan
                    de verenigde vergadering te ondersteunen. De verenigde vergadering stelt ook
                    hiervoor de kaders. Overeenkomstig het principe ‘sturen op hoofdlijnen', dat de
                    laatste jaren praktijk is geworden, gaat het dan vooral om eisen waaraan het
                    college moet voldoen en niet om de meer gedetailleerde uitvoeringsregels
                    zelf.</al><al><vet>Toelichting op de artikelen </vet></al><divisie><kop><titel>Artikel 1 </titel></kop><al>Verschillende begrippen die in deze verordening zijn opgenomen, worden ook
                        gebruikt in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en de Wet financiering
                        decentrale overheden. Uiteraard zijn de definities die in die regelgeving
                        zijn opgenomen ook van toepassing op de begrippen uit dit besluit.
                        Belangrijke andere begrippen uit deze verordening worden in dit artikel van
                        een definitie voorzien.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De interactie tussen verenigde vergadering en college rond
                        beleidsvoorbereiding, kaderstelling, controle en verantwoording speelt zich
                        in belangrijke mate af rond de onderdelen van de beleids- en
                        verantwoordingscyclus die jaarlijks wordt doorlopen. De informatie die de
                        verenigde vergadering tijdens de verschillende onderdelen van de cyclus
                        krijgt, stelt dit orgaan in staat haar rol goed in te vullen. </al><al>Bij de vaststelling van de begroting 2009 bepaalt de verenigde vergadering
                        de onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus en de tijdstippen
                        waarop deze zullen worden behandeld. Een daartoe strekkend voorstel zal
                        tegelijkertijd met de begroting 2009 worden voorgelegd.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het waterbeheersplan is een belangrijk beleidsbepalend instrument van het
                        hoogheemraadschap. Onder de nieuwe Waterwet geeft het hoogheemraadschap
                        daarmee voor een periode van zes jaar aan welk beleid wordt nagestreefd, wat
                        er aan maatregelen getroffen zal worden om dat beleid te realiseren en welke
                        financiële middelen daarmee gemoeid zijn. Het waterbeheersplan heeft ook een
                        belangrijke externe werking en kent een verplichte inspraakprocedure. De
                        zojuist genoemde aspecten beleidsdoelen, maatregelen en financiën zijn ook
                        verplichte elementen van de meerjarenraming (en de begroting). Het
                        waterbeheersplan maakt dan ook een integraal onderdeel uit van de
                        beleidscyclus, hetgeen in het tweede lid wordt vastgelegd. In het jaar dat
                        het waterbeheersplan wordt vastgesteld zal het beheersplan en de
                        meerjarenraming (grotendeels) een identieke inhoud kennen. In latere jaren
                        is de meerjarenraming het meest aangewezen instrument om het
                        waterbeheersplan jaarlijks te evalueren en voortschrijdend bij te
                        stellen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Ook de nieuwe verslaggevingvoorschriften zijn gericht op het leveren van een
                        bijdrage aan de mogelijkheden om de beleidsbepalende, kaderstellende,
                        controlerende en verantwoordende rol van de verenigde vergadering te
                        versterken. Door het toepassen van de voorschriften kunnen het beleidsmatige
                        karakter van met name de meerjarenraming, de begroting en het jaarverslag
                        worden vergroot en kunnen deze instrumenten van uitvoeringsinformatie worden
                        ontdaan. Om er voor te zorgen dat deze mogelijkheden ten volle worden benut,
                        geeft het derde lid aan dat het college verantwoordelijk wordt voor de
                        juiste toepassing van de regels uit het Waterschapsbesluit.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>Een eis uit het Waterschapsbesluit is dat de begroting een ‘programmaplan'
                        bevat, waarin alle baten en lasten van het hoogheemraadschap moeten worden
                        opgenomen. Datzelfde geldt voor de programmaverantwoording die een onderdeel
                        van het jaarverslag is. Eén van de gevolgen van deze eis is dat de
                        belastingopbrengsten en andere algemene dekkingsmiddelen, zoals dividend, in
                        een programma moeten worden verantwoord. De verenigde vergadering zal dus
                        een programma-indeling bepalen op basis waarvan het beleid wordt
                        gepresenteerd. De in de regelgeving gehanteerde definitie van programma is:
                        een samenhangend geheel van activiteiten op basis waarvan de verenigde
                        vergadering het beleid van het hoogheemraadschap vaststelt. De verenigde
                        vergadering zal bij de vaststelling van deze verordening tevens een besluit
                        nemen over de indeling naar programma's; zie daartoe het apart geformuleerde
                        voorstel in bijgaande nota. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>Een logische eerste stap in de beleids- en verantwoordingscyclus is de
                        evaluatie van de beleidsuitvoering in de voorafgaande periode. Dit artikel
                        geeft aan dat dit gestalte zal worden gegeven door de behandeling door de
                        verenigde vergadering van een document waarin de bevindingen over deze
                        beleidsuitvoering zijn opgenomen en waarin op basis daarvan voorstellen
                        worden gedaan voor de beleidskaders die voor de komende meerjarenperiode
                        zouden kunnen gelden. Dit document kent het hoogheemraadschap van Schieland
                        en de Krimpenerwaard reeds in de vorm van de Voorjaarsnota.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al><cursief>Lid 1 </cursief></al><al>In de meerjarenraming wordt het beleid van het hoogheemraadschap voor de
                        komende jaren integraal weergegeven en wordt aangegeven wat de financiële
                        consequenties van dit beleid zijn, inclusief de gevolgen voor de
                        waterschapsbelastingen die worden opgelegd. Het document is vooral van
                        belang voor de kaderstellende en beleidsbepalende functie van de verenigde
                        vergadering. In de besprekingen over of ter voorbereiding van de
                        meerjarenraming geeft de verenigde vergadering het college de beleidsmatige
                        en financiële kaders mee die gelden voor de uitwerking van het
                        meerjarenbeleid. Conform de nieuwe verslaggevingregels bestaat het document
                        uit twee hoofdonderdelen. Een verandering ten opzichte van de situatie onder
                        de oude Waterschapswet is dat er nu meer eisen aan de inhoud van dit
                        instrument worden gesteld. Dit benadrukt de belangrijke positie van de
                        meerjarenraming in de beleidscyclus en voorts wordt hiermee nog eens
                        duidelijk aangegeven dat de meerjarenraming geen financieel, maar een
                        beleidsinstrument is.</al><al>In het eerste hoofdonderdeel worden het beleid en de financiële
                        consequenties daarvan weergegeven op basis van de indeling in programma's
                        die het hoogheemraadschap hanteert. Per programma dient expliciet te worden
                        weergegeven welke doelstellingen het hoogheemraadschap nastreeft, wat wordt
                        gedaan om die doelstellingen te halen en wat dat aan middeleninzet met zich
                        meebrengt. Voor een goede, integrale beoordeling door de verenigde
                        vergadering is het van groot belang dat de meerjarenraming naar programma's
                        het volledige beleid en alle netto-kosten van het hoogheemraadschap
                        omvat.</al><al>In het tweede hoofdonderdeel van de meerjarenraming worden zowel de context
                        van het meerjarenbeleid als een nadere toelichting op enkele belangrijke
                        gevolgen van het meerjarenbeleid weergegeven. Tot deze gevolgen behoren
                        onder andere de investeringen die als gevolg van het meerjarenbeleid zullen
                        moeten worden gedaan, de financiering, de exploitatiekosten alsmede de
                        ontwikkeling van de waterschapsbelastingen.</al><al>Voor het begrotingsproces is het van groot belang dat er voldoende
                        helderheid is over de beleidsambities en het financiële kader waarbinnen
                        deze ambities moeten worden gerealiseerd. Met de behandeling van de
                        meerjarenraming markeert de verenigde vergadering wat zij van dagelijks
                        bestuur en ambtelijke organisatie verwacht. </al><al>De meerjarenraming speelt ook een belangrijke rol in de relatie met artikel
                        99 van de Waterschapswet dat bepaalt dat de begroting alleen niet in
                        evenwicht mag zijn als aannemelijk kan worden gemaakt dat dit evenwicht in
                        de eerstkomende jaren tot stand zal zijn gebracht. De meerjarenraming is het
                        instrument waarmee het evenwicht in meerjarenperspectief kan worden
                        aangetoond. Met evenwicht wordt hier bedoeld dat de kosten en opbrengsten
                        van een jaar gelijk zijn.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid geeft weer uit welke onderdelen de financieringsparagraaf van
                        de meerjarenraming moet bestaan. Deze onderdelen kennen de volgende
                        achtergrond.</al><al>Ten behoeve van het opstellen van de meerjarenraming worden alle lange
                        termijnontwikkelingen geanalyseerd. Op basis hiervan wordt het
                        langetermijnbeleid van het hoogheemraadschap uitgestippeld, in de tijd
                        uitgezet en financieel doorgerekend. Dit zal voor de hieruit voortvloeiende
                        vermogensbehoefte ook moeten gebeuren. Om de rentekosten als onderdeel van
                        de exploitatielasten te kunnen ramen, moet het hoogheemraadschap inschatten
                        op welke wijze de rente zich in de toekomst zal ontwikkelen. </al><al>Omdat rente een belangrijke kostenpost van het hoogheemraadschap kan vormen,
                        wordt in de meerjarenraming eveneens uiteengezet welke invloed veranderingen
                        van rentepercentages en rentekosten heeft op de exploitatielasten en de
                        tarieven.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid is een kapstokbepaling die in het algemeen aangeeft
                        wat de inhoud van de begroting is. Zoals al is aangegeven, bevat de
                        begroting de uitwerking voor het komende jaar van het meerjarenbeleid. Het
                        college biedt deze uitwerking in de vorm van de ontwerpbegroting aan de
                        verenigde vergadering aan en net zoals dit geldt voor de meerjarenraming
                        geldt ook voor dit ontwerp dat het voor het oordeel van de verenigde
                        vergadering van groot belang is dat al het beleid waartoe het eerder heeft
                        besloten in de ontwerpbegroting is opgenomen.</al><al>Net zoals de meerjarenraming moet ook de begroting inzicht bieden in de
                        doelstellingen van programma's, in de beleidsuitgangspunten en hoofdlijnen
                        van het beleid ten aanzien van enkele beheersmatige aspecten, in de
                        financiële positie en in de te heffen belastingen. De begroting is daartoe
                        in een aantal hoofdonderdelen verdeeld, waarvan een aantal op hun beurt weer
                        nader zijn onderverdeeld.</al><al>In de nieuwe verslagleggingregels wordt gesproken over ‘programma' als hét
                        indelingscriterium voor begroting, meerjarenraming en rekening. ‘Programma'
                        is voor het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard een nieuwe
                        term, maar laat zich makkelijk inpassen in de bestaande inrichting van
                        begroting, meerjarenraming en rekening. Waar nu de term ‘beleidsveld'
                        gebezigd wordt zal deze worden vervangen door ‘programma'.</al><al>De verslaggevingregels geven aan dat de volgende structuur te herkennen moet
                        zijn: </al><lijst><li nr="a."><al>het programmaplan, waarin het beleid en de financiële consequenties
                                daarvan worden weergegeven op basis van de indeling in programma's
                                die het hoogheemraadschap hanteert. Het ligt voor de hand dat de
                                indeling naar programma's gelijk is aan de indeling die in de
                                meerjarenraming is opgenomen;</al></li><li nr="b."><al>de paragrafen die als een toelichting op het programmaplan kunnen
                                worden beschouwd en die gezamenlijk nader inzicht geven in de
                                financiële positie van het hoogheemraadschap;</al></li><li nr="c."><al>de begroting naar programma's, wat in feite niet meer is dan een
                                beknopt overzicht van de programma's die het hoogheemraadschap
                                hanteert en wat de geraamde netto-kosten van de programma's zijn. De
                                aanwezigheid van dit onderdeel van de begroting vloeit met name
                                voort uit de noodzaak een dergelijk overzicht in de jaarrekening op
                                te nemen. </al></li><li nr="d."><al>de begroting naar kostendragers, die vooral van belang is omdat deze
                                het vertrekpunt is voor de belastingheffing. In dit deel van de
                                begroting worden netto-kosten namelijk gespecificeerd naar de taken
                                die in het provinciaal reglement aan het hoogheemraadschap zijn
                                toegewezen en waarvoor het hoogheemraadschap belasting heft. Onder
                                de nieuwe Waterschapswet gaat het om maximaal drie kostendragers:
                                watersysteembeheer, zuiveringsbeheer en wegenbeheer. De begroting
                                naar kostendragers geeft allereerst aan welke netto-kosten aan een
                                bepaalde taak worden toegerekend. Vervolgens laat de begroting zien
                                in welke mate rekening wordt gehouden met eventuele bedragen voor
                                onvoorziene kosten, kwijt te schelden of oninbaar te verklaren
                                belastingopbrengsten, algemene opbrengsten (zoals dividenden) en
                                toevoegingen en onttrekkingen aan reserves. Tot slot maakt de
                                begroting duidelijk welke belastingopbrengsten moeten worden
                                verkregen om de kosten van de taakuitoefening te dekken. Dit laatste
                                bedrag is het startpunt voor de belastingheffing en
                                -invordering;</al></li><li nr="e."><al>de begroting naar kosten- en opbrengstsoorten, waarin de lasten en
                                baten zijn onderscheiden naar de verschillende productiemiddelen die
                                door een waterschap bij de realisatie van het beleid worden ingezet.
                                Met deze indeling naar kosten- en opbrengstsoorten wordt ook een
                                belangrijk deel van de Europese rapportageverplichtingen die
                                voortvloeien uit de Economische en Monetaire Unie ingevuld.</al></li></lijst><al>De begrotingen naar programma's, naar kostendragers, en naar kosten- en
                        opbrengstsoorten vormen de basis voor de controle van de rechtmatigheid en
                        het getrouwe beeld van de jaarrekening door de accountant.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Ondanks dat in het programmaplan aandacht wordt besteed aan de investeringen
                        die het hoogheemraadschap van plan is te gaan doen om het beleid uit te
                        voeren, is de begroting vooral gericht op het autoriseren van de
                        netto-kosten en belastingopbrengsten. De opname van investeringsprojecten en
                        -bedragen in een vastgestelde begroting geeft nog geen autorisatie tot het
                        uitvoeren van de investeringen. Het autoriseren van investeringsprojecten
                        vraagt een aparte besluitvorming van de verenigde vergadering. Het tweede
                        lid bepaalt dat het college ter voorbereiding van deze besluitvorming
                        tegelijk met de ontwerp-begroting een overzicht zal moeten agenderen waarop
                        die investeringen zijn vermeld waarvan de planning is dat zij in het
                        begrotingsjaar zullen starten.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De verenigde vergadering autoriseert het college met het vaststellen van de
                        begroting om het opgenomen beleid te gaan uitvoeren. Hiermee worden alle
                        afzonderlijke verplichtingen die in de programma's en de begroting naar
                        kostendragers besloten liggen in materiële zin, oftewel financieel,
                        geaccordeerd.</al><al>Conform de lijn uit de verslaggevingregels hebben de baten en lasten die
                        zijn vermeld in de begroting naar kosten en opbrengstsoorten alleen
                        informatieve waarde voor de verenigde vergadering en worden deze niet apart
                        geautoriseerd. Autorisatie van de netto-kosten van de programma's betekent
                        een impliciete autorisatie van de onderliggende baten en lasten uit de
                        begroting naar kosten- en opbrengstsoorten.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In de toelichting op artikel 6 is aangegeven dat in de verenigde vergadering
                        aparte besluitvorming over investeringsvoorstellen plaatsvindt. Dit hoeft
                        echter niet te betekenen dat de verenigde vergadering ieder
                        investeringsvoorstel apart behandelt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de
                        verenigde vergadering voor investeringen met een geringere financiële omvang
                        en/of minder bestuurlijk-beleidsmatig belang (waaronder bijvoorbeeld
                        vervangingsinvesteringen en voorbereidingskredieten voor projecten)
                        zogenaamde verzamelbesluiten neemt, mits een dergelijk besluit deugdelijk is
                        onderbouwd. In deze verordening wordt aangegeven dat er bij de behandeling
                        van de begroting een gespecificeerd overzicht van de geplande investeringen
                        voorligt en dat de verenigde vergadering op basis daarvan bepaalt welke van
                        de investeringen die voor een bepaald jaar gepland staan door het college
                        verder kunnen worden afgedaan. Met de vaststelling van de verzamelkredieten
                        wordt het college gemachtigd de verdere besluitvorming en voorbereiding ter
                        hand te nemen en derhalve het krediet te besteden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Over de investeringen waarvan de verenigde vergadering bij de
                        begrotingsbehandeling geen autorisatie heeft verleend, zal in de loop van
                        het jaar besluitvorming moeten plaatsvinden. Om een verantwoorde beslissing
                        te kunnen nemen, zullen in het voorstel hiertoe, dat aan de verenigde
                        vergadering wordt voorgelegd, niet alleen de technische aspecten worden
                        gespecificeerd, maar zal ook worden ingegaan op het doel van de investering,
                        het beoogd effect en de consequenties die de investering met zich meebrengt.
                        Bij deze consequenties moeten we niet alleen denken aan de financiële
                        gevolgen, maar ook aan de gevolgen die de investering heeft op zaken zoals
                        de personeelsformatie, de organisatie en de werkwijze van het
                        hoogheemraadschap. Tot het voorstel behoort ook een gespecificeerde raming
                        van uitgaven en eventuele inkomsten zoals subsidies. Wanneer met de
                        uitvoering van een bepaald investeringsproject meerdere jaren zijn gemoeid,
                        zal een planning naar de jaren van uitvoering worden opgenomen, om een goede
                        voortgangsbewaking en efficiënte financieringsactiviteiten mogelijk te
                        maken. Nadat de verenigde vergadering een investeringsbesluit heeft genomen,
                        kan met de uitvoering van het betreffende project worden begonnen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Eén van de uitgangspunten die ten grondslag lag aan deze verordening is,
                        zoals aangegeven, het leveren van een bijdrage aan een betere
                        vergelijkbaarheid van de waterschappen in bedrijfsvergelijkingen. De
                        bedrijfsvergelijkingen van de waterschappen baseren zich op de
                        productenstructuur zoals deze in beheer is bij de Unie van Waterschappen en
                        waarin onder andere beleidsproducten en beheerproducten zijn opgenomen
                        (BBP-structuur). Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
                        heeft zich indertijd bij deze structuur aangesloten en de begroting is dan
                        ook conform deze structuur ingericht. Om een bedrijfsvergelijking op die
                        producten mogelijk te maken, moet een waterschap in staat zijn de kosten
                        eenduidig naar die producten toe te rekenen. Dit vierde lid legt de
                        verantwoordelijkheid voor dit aspect neer bij het college.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Lopende de uitvoering van het in de begroting opgenomen beleid zal het
                        bestuur per programma willen nagaan of met deze uitvoering de beoogde
                        doelstellingen en effecten alsmede maatregelen en prestaties gerealiseerd
                        worden en wat de middeleninzet daarbij is. Wanneer deze beleidsaspecten
                        worden geregistreerd, kan dit worden nagegaan en kan ook de doeltreffendheid
                        en doelmatigheid van de beleidsuitvoering in beeld worden gebracht. Deze
                        bepaling maakt het college verantwoordelijk voor een adequate
                        registratie.</al><al><cursief>Lid 2 en 3</cursief></al><al>Er mag uiteraard geen overschrijding c.q. onderschrijding plaatsvinden van
                        bedragen die de verenigde vergadering via het vaststellen van de begroting
                        beschikbaar heeft gesteld, anders dan in artikel 9 lid 2 en 3 wordt bepaald.
                        Het tweede en derde lid geven het college de opdracht hiervoor te zorgen.
                        Het college zal zorgen dat er een systeem van budgetbeheer en -bewaking is
                        dat waarborgt dat de netto-kosten binnen de begroting blijven en dat
                        belangrijke wijzigingen of dreigende overschrijdingen tijdig worden gemeld
                        aan de verenigde vergadering, zodat dit orgaan tijdig (binnen het
                        begrotingsjaar) een besluit kan nemen. Om aan de wettelijke bepalingen rond
                        de financiële rechtmatigheid (meer in het bijzonder het begrotingscriterium)
                        te voldoen, is een dergelijk systeem een vereiste.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tijdens de beleidsuitvoering is de hoofdregel dat budgetonder- en
                        -overschrijdingen (beleidsmatig en/of financieel) autorisatie door de
                        verenigde vergadering behoeven en dat begrotingswijzigingen vooraf door het
                        college ter autorisatie aan de verenigde vergadering worden voorgelegd.
                        Hiermee wordt toestemming gevraagd voor het te realiseren beleid en voor de
                        besteding van het benodigde bedrag. Slechts indien de omstandigheden een
                        autorisatie vooraf niet mogelijk maken, zal achteraf een voorstel voor een
                        begrotingswijziging moeten worden voorgelegd. Indien de verenigde
                        vergadering daarmee instemt, wordt de besteding alsnog geautoriseerd. Alle
                        overschrijdingen dienen voor 31 december aan de verenigde vergadering te
                        zijn voorgelegd. Mocht dit niet zijn gelukt, dan kunnen deze bedragen bij de
                        jaarrekening alsnog worden geautoriseerd. De verenigde vergadering dient
                        hier dan wel expliciet op gewezen te worden. De (begrotings)overschrijdingen
                        zullen helder in de jaarrekening tot uitdrukking moeten komen en als de
                        verenigde vergadering de betreffende jaarrekening vaststelt, autoriseert zij
                        de desbetreffende bedragen alsnog.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Over- en onderschrijdingen van budgetten zijn echter nooit geheel uit te
                        sluiten en het is verstandig door middel van afspraken tussen verenigde
                        vergadering en college enige flexibiliteit in te bouwen zodat de uitvoering
                        niet bij iedere afwijking behoeft te worden stopgezet totdat de verenigde
                        vergadering een besluit kan nemen. De bedoelde afspraken tussen verenigde
                        vergadering en college zijn in dit artikel opgenomen. De hierin opgenomen
                        grenzen ten aanzien van over- en onderschrijdingen, houden rekening met de
                        omvang van de programmabudgetten (door de verenigde vergadering
                        geautoriseerde budgetten)en de maxima zoals deze waren opgenomen in het
                        Algemeen Delegatie Besluit. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><al>Dit artikel formaliseert een belangrijk onderdeel van de rol van de
                        verenigde vergadering tijdens de beleidsuitvoering. In dit artikel wordt
                        aangegeven welke informatie het college standaard zal verstrekken. Op basis
                        van deze informatie kan de verenigde vergadering de uitvoering van de
                        begroting volgen en besluiten of bijsturing nodig is. De stand van zaken van
                        en prognose voor het lopende begrotingsjaar kunnen daarnaast, samen met de
                        jaarverslaggeving van het afgelopen jaar, mede een belangrijke basis zijn
                        voor het inzicht in en het opstellen van de komende begroting.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid gaat over de verplichting voor het college om belangrijke
                        afwijkingen van de beleidsuitvoering ten opzichte van het vastgestelde
                        beleid direct, dat wil zeggen zodra ze zich voordoen en buiten de
                        afgesproken periodieke tussentijdse rapportages, aan de verenigde
                        vergadering te melden.</al><al>Lid 2 t/m 6</al><al>Bij het vaststellen van de jaarlijkse beleids- en verantwoordingscyclus, op
                        basis van artikel 2 van deze verordening, geeft de verenigde vergadering aan
                        welke tussenrapportages er verschijnen en de momenten waarop deze worden
                        aangeboden. Met het tweede tot en met het zesde lid van dit artikel geeft de
                        verenigde vergadering de kaders voor de inhoud van de tussenrapportages.
                        Gedurende de uitvoering van investeringsprojecten zal regelmatig over het
                        verloop daarvan aan de verenigde vergadering worden gerapporteerd. Het
                        vierde en vijfde lid zorgen er voor dat deze informatie in de tussentijdse
                        rapportages wordt opgenomen. De bepalingen regelen dat in dit onderdeel van
                        de rapportages in ieder geval aandacht wordt besteed aan de verhouding
                        tussen de werkelijk bestede investeringsbedragen en het krediet dat voor de
                        investering beschikbaar was gesteld. Indien het investeringskrediet dreigt
                        te worden overschreden, zal een voorstel voor het beschikbaar stellen van
                        een aanvullend krediet aan de verenigde vergadering moeten worden
                        gedaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><al>In dit artikel komt het sluitstuk van de beleids- en verantwoordingscyclus
                        aan de orde, namelijk de verantwoording over de begrotingsuitvoering door
                        het college en de controle van de verenigde vergadering daarop. Dit gebeurt
                        in belangrijke mate via het jaarverslag en de jaarrekening.</al><al>Het jaarverslag bestaat op grond van de nieuwe regelgeving uit:</al><lijst><li nr="•"><al>de programmaverantwoording;</al></li><li nr="•"><al>de paragrafen.</al></li></lijst><al>De jaarrekening kent als onderdelen:</al><lijst><li nr="•"><al>de exploitatierekening naar programma's;</al></li><li nr="•"><al>de exploitatierekening naar kostendragers met toelichting;</al></li><li nr="•"><al>de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstsoorten;</al></li><li nr="•"><al>de balans met toelichting.</al></li></lijst><al>Het is belangrijk dat de indeling van de jaarverslaggeving zoveel mogelijk
                        aansluit op die van de begroting zodat inzicht, controle en verantwoording
                        van de verenigde vergadering worden gefaciliteerd.</al><al>De programmaverantwoording is het belangrijkste onderdeel van de
                        jaarverantwoording, omdat daarin wordt aangegeven in welke mate het via de
                        begroting vastgestelde beleid is gerealiseerd. De regelgeving geeft aan dat
                        in dit onderdeel aandacht moet worden besteed aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de doelen en effecten die zijn bereikt;</al></li><li nr="b."><al>de maatregelen die zijn getroffen en prestaties die zijn
                                geleverd;</al></li><li nr="c."><al>de netto-kosten die zijn gerealiseerd;</al></li><li nr="d."><al>hoe de onder a, b en c genoemde resultaten zich verhouden tot
                                hetgeen in de begroting werd gesteld.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><al>Artikel 108 van de Waterschapswet bepaalt dat de verenigde vergadering in
                        deze verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid moet
                        vastleggen. In deze verordening is die verplichting langs twee lijnen
                        uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van dit artikel 12 krijgt het college de opdracht te zorgen
                                voor beleidsvoorstellen ten aanzien van de in het eerste lid
                                genoemde onderwerpen en waarbij het college rekening moet houden met
                                datgene wat ter zake in het Waterschapsbesluit en deze verordening
                                (met name de artikelen 13 tot en met 16) wordt bepaald;</al></li><li nr="b."><al>via de paragrafen van de begroting doet het college voorstellen aan
                                de verenigde vergadering omtrent het meer operationele beleid; </al></li></lijst><al>De onder a bedoelde beleidsvoorstellen leiden uiteindelijk tot het door de
                        verenigde vergadering vastgestelde financieel beleid van het
                        hoogheemraadschap. Deze beleidsvoorstellen zijn te vinden in de door de
                        verenigde vergadering vastgestelde:</al><lijst><li nr="•"><al>Nota reserves en voorzieningen</al></li><li nr="•"><al>Nota afschrijvingsbeleid</al></li></lijst><al>Met betrekking tot het onderdeel ‘Kostentoerekening' stelt u het beleid vast
                        gelijktijdig met de vaststelling van de begroting. In de daarin opgenomen
                        kostenverdeelstaat wordt een toelichting opgenomen op de verdeling van de
                        kosten over de verschillende kostenplaatsen. Tenslotte zullen wij u bij de
                        begrotingsvergadering in november 2008, de onderbouwing voor de hoogte van
                        de legestarieven c.a. voorleggen. Wanneer het beleid op bovengenoemde
                        onderdelen bijstelling behoeft, zullen uiteraard nieuwe voorstellen aan de
                        verenigde vergadering worden voorgelegd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><al>De verordening moet volgens artikel 108 Waterschapswet in elk geval
                        bevatten: ‘regels voor waardering en afschrijving van activa'. In de nieuwe
                        verslaggevingvoorschriften worden nadere eisen gesteld aan de wijze waarop
                        het bestuur dient om te gaan met waardering en afschrijving van activa. Deze
                        zijn echter nog te algemeen om in het verkeer tussen verenigde vergadering
                        en college voldoende helderheid te hebben over het beleid met betrekking tot
                        waardering en afschrijving van activa. Daarom worden er in de 'Nota
                        afschrijvingsbeleid' daarover nadere afspraken gemaakt. Artikel 13 van deze
                        verordening bevat de hoofdlijnen van dit beleid en daarmee geeft de
                        verenigde vergadering de kaders aan voor het beleid ten aanzien van het
                        waarderen en afschrijven van activa. Voor de inhoudelijke toelichting op dit
                        artikel wordt verwezen naar de 'Nota afschrijvingsbeleid'.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid geeft aan uit welke vier elementen het beleid ten aanzien van
                        het waarderen en afschrijven van activa in ieder geval bestaat. Daarnaast
                        wordt bepaald wat de ondergrens is voor het activeren van
                        investeringen.</al><al><cursief>Lid 2 t/m 5</cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Vanaf het tweede lid komen in dit artikel enkele afschrijvingstermijnen aan
                        de orde. De verslaggevingvoorschriften geven aan dat deze termijnen moeten
                        worden gebaseerd op de verwachte gebruiksduur van de betreffende activa.
                        Alleen voor de verschillende soorten immateriële vaste activa zijn nadere
                        regels omtrent termijnen opgenomen. Ten aanzien van de termijnen is ook nog
                        de bepaling uit de voorschriften relevant dat een waterschap zich bij zijn
                        jaarlijkse afschrijvingen niet mag laten leiden door een positief of
                        negatief rekeningresultaat. Zogenaamde resultaatafhankelijke, extra
                        afschrijvingen (versneld of vertraagd afschrijven louter op basis van
                        financiële argumenten) zijn derhalve niet toegestaan. Verandering van
                        afschrijvingstermijnen is slechts toegestaan als gemotiveerd kan worden dat
                        de betreffende activa langer of korter zullen worden gebruikt dan de
                        oorspronkelijk verwachte periode.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Waterschappen voeren regelmatig onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten uit
                        die niet leiden tot concrete objecten, maar die wel een meerjarig nut
                        hebben. Indien de betreffende projecten aan bepaalde eisen voldoen, mogen de
                        gerelateerde uitgaven geactiveerd worden. Het tweede lid bepaalt dat de
                        uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling lineair worden afgeschreven in 5
                        jaar. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Voor de kosten voor het afsluiten van geldleningen geeft de regelgeving aan
                        dat de maximale afschrijvingstermijn gelijk is aan de looptijd van de
                        lening. In het derde lid zijn nadere regels opgenomen over het activeren en
                        afschrijven van deze uitgaven, namelijk dat uitgaven voor leningen met
                        beperkte omvang ineens ten laste van het resultaat worden gebracht en dat
                        voor de overige leningen een afschrijvingstermijn geldt die gelijk is aan de
                        looptijd van de betreffende lening. Bij het grensbedrag waar beneden
                        uitgaven voor het afsluiten van geldleningen niet worden geactiveerd is
                        aangesloten bij het grensbedrag dat voor materiële vaste activa wordt
                        gehanteerd (zie lid 1).</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het vierde lid gaat over de financiële bijdragen die het hoogheemraadschap
                        aan investeringen van derden levert, zoals bijvoorbeeld de bijdrage aan de
                        Maeslandtkering en subsidies voor het afkoppelen van
                        verhardoppervlaktewater. Omdat het nut van de investering voor het
                        hoogheemraadschap meerdere jaren bestrijkt, kan de bijdrage worden beschouwd
                        als een vast actief en mogen de uitgaven geactiveerd worden als aan bepaalde
                        voorwaarden wordt voldaan. Het Besluit (ministeriële beschikking)
                        Beleidsvoorbereiding en Verantwoording Waterschappen (BBVW) geeft aan dat de
                        afschrijvingsduur ten hoogste vijf jaar bedraagt, tenzij het
                        hoogheemraadschap motiveert dat een andere periode passender is. Van deze
                        laatste mogelijkheid wordt in deze verordening gebruik gemaakt door als
                        regel te nemen dat de afschrijvingsperiode gelijk is aan het aantal jaren
                        dat de betreffende investering in gebruik zal zijn.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Het vijfde lid geeft de afschrijvingsmethode en -termijnen van diverse
                        soorten materiële vaste activa weer. De afschrijvingsmethode van deze activa
                        is lineair. Voor de afschrijvingstermijnen van de verschillende soorten
                        materiële vaste activa, wordt u verwezen naar de ‘Nota
                        afschrijvingsbeleid'.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><al>Bij de taakuitoefening en in de bedrijfsvoering loopt het hoogheemraadschap
                        risico's van uiteenlopende aard. Tegen een deel van deze risico's kan het
                        hoogheemraadschap zich verzekeren, of moeten er voorzieningen worden
                        gevormd, of kunnen de risico's anderszins worden opgevangen. Voor een deel
                        van de risico's is dit echter niet het geval. De niet verzekerde risico's
                        kunnen, als ze zich voordoen, (grote) financiële consequenties hebben. Het
                        is dus zaak om inzicht te hebben in de risico's die we lopen, en deze te
                        beheersen. Het uitsluiten van risico's is echter niet mogelijk. Niet
                        verzekerde risico's die zich voordoen, moet het hoogheemraadschap opvangen
                        met het eigen vermogen (reserves), door belastingverhoging of door
                        ombuigingen binnen de begroting.</al><al>Via het begrip ‘weerstandsvermogen' brengt de nieuwe regelgeving de hiervoor
                        genoemde aspecten risico's, reserves en voorzieningen bij elkaar. Het
                        weerstandsvermogen bestaat namelijk uit de relatie tussen:</al><lijst><li nr="•"><al>de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden
                                waarover het hoogheemraadschap beschikt of kan beschikken om niet
                                begrote kosten te dekken;</al></li><li nr="•"><al>alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van
                                materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële
                                positie.</al></li></lijst><al id="anker-_Toc33522342">Deze relatie tussen enerzijds de risico's en
                        anderzijds de reserve en voorzieningen is de reden dat zowel het beleid ten
                        aanzien van risico's als ten aanzien van reserves en voorzieningen in dit
                        artikel aan de orde komen en er integraal beleid van het hoogheemraadschap
                        voor deze onderwerpen is ontwikkeld. Met deze beleidslijn kan de verenigde
                        vergadering het kader vaststellen voor de omvang van met name de reserves.
                        Kaders stellen voor voorzieningen is veelal niet aan de orde, omdat
                        voorzieningen een verplichtend karakter kennen. Wel geeft het duidelijkheid
                        om in te gaan op de wijze waarop in meer algemene zin wordt omgegaan met
                        voorzieningen. Het beleid met betrekking tot risico's, reserve en
                        voorzieningen is door de verenigde vergadering vastgelegd in de ‘Nota
                        reserves en voorzieningen'. Voor de inhoudelijke toelichting op artikel 14
                        van deze verordening verwijzen wij dan ook naar deze nota.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><al>Nagenoeg alle kosten worden door belastingplichtigen opgebracht. Dit schept
                        niet alleen bijzondere verplichtingen in de sfeer van transparantie en
                        verantwoording afleggen, maar vereist ook een consistente en zo volledig
                        mogelijke toepassing van bedrijfseconomische principes in het systeem
                        waarmee de gemaakte kosten uiteindelijk aan de kostendragers worden
                        toegerekend. Omdat de wijze van kostentoerekening grote invloed kan hebben
                        op de kosten per kostendrager en daarmee op de hoogte van de
                        waterschapslasten, is kostentoerekening een onderwerp dat ook de nodige
                        betrokkenheid van de verenigde vergadering vereist. Dit uit zich in deze
                        verordening als volgt:</al><lijst><li nr="•"><al>de verenigde vergadering wordt, vanuit zijn kaderstellende en
                                beleidsbepalende bevoegdheid, betrokken bij de ontwikkeling van het
                                kostentoerekeningssysteem en stelt de hoofdlijnen van dit systeem
                                ook vast in een onderdeel van het financieel beleid;</al></li><li nr="•"><al>in de begroting wordt een paragraaf ‘kostentoerekening' opgenomen
                                waarin de principes van de kostentoerekeningssystematiek van het
                                hoogheemraadschap worden beschreven.</al></li></lijst><al>In artikel 15 worden hiervoor de kaders geschetst. Een belangrijk onderdeel
                        daarvan is de wijze waarop het hoogheemraadschap invulling geeft aan de eis
                        uit het Waterschapsbesluit dat de kostentoerekeningssystematiek zich moet
                        baseren op bedrijfseconomische criteria.</al><al>In de onderdelen e en f van het eerste lid komen enkele bijzondere aspecten
                        van de kostentoerekening en kostprijsberekening aan de orde. Onderdeel e is
                        de invulling van de eis uit artikel 108, tweede lid, onderdeel b van de
                        Waterschapswet dat in deze verordening de basis moet liggen voor de
                        grondslagen die worden gehanteerd voor de bepaling van de tarieven voor
                        rechten, zoals leges. De grondslag voor de hoogte van deze tarieven wordt
                        daarmee de bestuurlijke besluitvorming door de verenigde vergadering op
                        basis van onder meer geraamde hoeveelheden. Datzelfde geldt voor de
                        kostprijzen van de producten en diensten die in onderdeel f worden genoemd.
                        Het beleid met betrekking tot de kostentoerekening stelt u vast gelijktijdig
                        met de vaststelling van de begroting. In de daarin opgenomen
                        kostenverdeelstaat wordt een toelichting opgenomen op de verdeling van de
                        kosten over de verschillende kostenplaatsen. Tenslotte zullen wij u bij de
                        begrotingsvergadering in november 2008, de onderbouwing voor de hoogte van
                        de legestarieven c.a. voorleggen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><al>De financieringsfunctie van het hoogheemraadschap staat bloot aan snelle
                        interne en externe ontwikkelingen en daarom kunnen er aanzienlijke risico's
                        verbonden zijn aan de uitvoering van deze functie. Om deze risico's te
                        beheersen en verantwoord en adequaat op ontwikkelingen te kunnen inspelen
                        moet er een duidelijk beleidskader zijn waarbinnen de
                        financieringsactiviteiten plaatsvinden. Eén van de gevolgen van de op 1
                        januari 2001 in werking getreden ‘Wet Financiering decentrale overheden'
                        (Wet Fido) was dat het hoogheemraadschap het beleidskader met betrekking tot
                        de financieringfunctie in een financieringstatuut moest opnemen en dat dit
                        statuut door de verenigde vergadering moest worden vastgesteld. Het in
                        werking treden van de Wet modernisering waterschapsbestel heeft tot gevolg
                        dat de belangrijkste bepalingen uit ons ‘Treasurystatuut' (vastgesteld door
                        het college op 23 augustus 2005) onderdeel gaan uitmaken van deze
                        verordening. De verenigde vergadering zal zich via de verordening beperken
                        tot de hoofdlijnen van het financieringsbeleid en het college opdracht geven
                        deze hoofdlijnen verder uit te werken als het gaat om de verdere organisatie
                        en het functioneren van de financieringsfunctie. Deze uitwerking vindt
                        plaats in het Treasurystatuut. </al><al>De Wet Fido legt de nadruk op de bestuurlijke aansturing van de
                        financieringsfunctie. Daarom is bij de uitwerking van de functie in deze
                        verordening de centrale positie van de verenigde vergadering als
                        uitgangspunt gehanteerd. Dit orgaan stelt het financieringsbeleid(skader)
                        vast, sanctioneert de uitvoering en ziet toe op een goed verloop daarvan.
                        Dit beleid(skader) is in dit artikel opgenomen. Deze bepalingen zijn niet de
                        enige formele dragers van het financieringbeleid van het hoogheemraadschap.
                        Andere instrumenten voor de bestuurlijke aansturing van de
                        financieringfunctie zijn de financieringparagrafen in de meerjarenraming, de
                        begroting en het jaarverslag.</al><al>Artikel 108 van de Waterschapswet stelt dat omtrent financiering in elk
                        geval in deze verordening moeten worden opgenomen: de algemene
                        doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de
                        financieringfunctie.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid gaat over de doelstellingen van de financieringsfunctie. De
                        hoofddoelstelling is het leveren van een zo goed mogelijke bijdrage aan de
                        uitvoering van de taken die aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen. Dit
                        geeft aan dat de financieringsfunctie een ondersteunende rol heeft ten
                        opzichte van de taken waarvoor het hoogheemraadschap is opgericht en die in
                        het provinciaal reglement aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid is de risico-attitude van het hoogheemraadschap opgenomen.
                        De financiering van de reglementaire taken brengt financiële risico's voor
                        het hoogheemraadschap met zich mee. De wetgever beoogt met de Wet Fido een
                        kader aan te reiken waarmee deze risico's kunnen worden beheerst. Dit kader
                        is voor het hoogheemraadschap een gegeven, maar binnen het wettelijk kader
                        kan het hoogheemraadschap er voor kiezen om hogere dan wel lagere risico's
                        te lopen. Door middel van een zogenaamde risico-attitude geeft het
                        hoogheemraadschap aan wat zij op dit punt aanvaardbaar vindt. De
                        risico-attitude geeft in feite de opvattingen van het hoogheemraadschap weer
                        ten aanzien van de aard van de risico's die men wil lopen bij de uitvoering
                        van de financieringsfunctie. De in het tweede lid opgenomen risicoattitude
                        is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de financieringsfunctie heeft ten opzichte van de reglementaire
                                taken een ondergeschikte rol. Financiering volgt en is dus
                                dienstbaar aan de publieke taken. </al></li><li nr="b."><al>de activiteiten die in het kader van de financieringsfunctie worden
                                ondernomen worden risicomijdend (maar daardoor nog niet passief)
                                uitgevoerd;</al></li><li nr="c."><al>de uitvoering van de financieringsfunctie voegt geen risico's toe
                                aan de financiële risico's die nu eenmaal verbonden zijn aan het
                                uitvoeren van de reglementaire taken;</al></li><li nr="d."><al>de financieringsfunctie is er op gericht toekomstige risico's te
                                verminderen of te verschuiven;</al></li><li nr="e."><al>het wettelijk kader van de Wet Fido wordt als basis voor de
                                beheersing van renterisico's gehanteerd.</al></li></lijst><al>In bepaalde situaties kan het noodzakelijk zijn dat gedurende een bepaalde
                        periode wordt afgeweken van het in het tweede lid opgenomen risicoprofiel.
                        Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet zal de verenigde vergadering
                        hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld.</al><al>De kasgeldlimiet en de renterisiconorm zijn in de Wet Fido geregeld.
                        Overschrijding is niet toegestaan. Gedeputeerde staten van de provincie
                        moeten in hun hoedanigheid van toezichthouder ingrijpen, maar kunnen onder
                        bijzondere omstandigheden een tijdelijke overschrijding tolereren. Bij
                        overschrijding kan een waterschap worden geconfronteerd met preventief
                        toezicht op het sluiten van kortlopende (kasgeldlimiet) of langlopende
                        (rente-risico-norm) leningen. De verenigde vergadering moet daarom wanneer
                        overschrijding dreigt zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De wettelijke verplichtingen bepalen dat de verenigde vergadering in deze
                        verordening ook moet aangeven binnen welke richtlijnen en limieten de
                        doelstellingen van de treasuryfunctie moeten worden gerealiseerd. Dit
                        gebeurt in het derde lid. Een richtlijn is een bindend voorschrift c.q. een
                        aanwijzing voor een handelwijze. Een limiet is een type richtlijn die een
                        uiterste grens aangeeft voor een bepaalde handeling, verantwoordelijkheid
                        en/of bevoegdheid.Omdat het hoogheemraadschap zich wat dit soort zaken
                        betreft vrijwel volledig aan de Wet Fido conformeert, wordt de uitvoering
                        van de treasuryfunctie in belangrijke mate door de Wet Fido gestuurd. Daarom
                        wordt in dit lid bepaald dat het college bij het opstellen van de
                        richtlijnen en limieten in het Treasurystatuut, zich volledig baseert op de
                        Wet Fido.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><al>De lijn die in deze verordening is gehanteerd is dat de verenigde
                        vergadering het financiële beleid op hoofdlijnen vaststelt in daartoe
                        strekkende nota's ( ‘Nota beleid reserves en voorzieningen' , ‘Nota
                        kostentoerekening' en de ‘Nota afschrijvingsbeleid') en dat in de paragrafen
                        van de begroting en het jaarverslag op de toepassing en uitvoering van dit
                        beleid wordt ingegaan. In meer algemene zin bevatten de paragrafen van de
                        begroting, naast de context van het beleid, de beleidsuitgangspunten en
                        hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van beheersmatige aspecten en de
                        waterschapsbelastingen. In de gelijknamige paragrafen van het jaarverslag
                        wordt aangegeven in welke mate het beleid is gerealiseerd en wat de redenen
                        van eventuele afwijkingen ten opzichte van het voorgenomen beleid zijn
                        geweest.</al><al>De regelgeving (Waterschapsbesluit en Besluit Beleidsvoorbereiding en
                        -Verantwoording Waterschappen) geeft aan dat de begroting in ieder geval de
                        volgende paragrafen bevat:</al><lijst><li nr="•"><al>ontwikkelingen sinds het vorig begrotingsjaar;</al></li><li nr="•"><al>uitgangspunten en normen;</al></li><li nr="•"><al>incidentele baten en lasten;</al></li><li nr="•"><al>kostentoerekening;</al></li><li nr="•"><al>onttrekkingen aan ‘overige bestemmingsreserves' en
                                voorzieningen;</al></li><li nr="•"><al>waterschapsbelastingen;</al></li><li nr="•"><al>weerstandsvermogen;</al></li><li nr="•"><al>financiering;</al></li><li nr="•"><al>verbonden partijen;</al></li><li nr="•"><al>bedrijfsvoering;</al></li><li nr="•"><al>EMU-saldo.</al></li></lijst><al>In het jaarverslag moeten in ieder geval de volgende paragrafen zijn
                        opgenomen:</al><lijst><li nr="•"><al>ontwikkelingen in het begrotingsjaar;</al></li><li nr="•"><al>incidentele baten en lasten;</al></li><li nr="•"><al>onttrekkingen aan ‘overige bestemmingsreserves' en
                                voorzieningen;</al></li><li nr="•"><al>waterschapsbelastingen;</al></li><li nr="•"><al>weerstandsvermogen;</al></li><li nr="•"><al>financiering;</al></li><li nr="•"><al>verbonden partijen;</al></li><li nr="•"><al>bedrijfsvoering;</al></li><li nr="•"><al>investeringen;</al></li><li nr="•"><al>EMU-saldo;</al></li><li nr="•"><al>topinkomens.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>In dit artikel wordt geregeld over welke risico's en hun financiële
                        consequenties de verenigde vergadering in de verplichte paragraaf
                        weerstandsvermogen van de begroting en de jaarverslaggeving wil worden
                        geïnformeerd. Het Waterschapsbesluit verplicht een aantal zaken op te nemen
                        in de paragraaf, namelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; waarbij een
                                beschouwing moet worden gegeven over de stand aan het begin, de
                                mutaties en de stand aan het eind van het begrotingsjaar van de
                                algemene reserves en de voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>een inventarisatie van de risico's;</al></li><li nr="c."><al>het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico's.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><al>Onder bedrijfsvoering wordt in de regelgeving verstaan het geheel van
                        interne organisatie-onderdelen en processen die ondersteunend zijn aan de
                        primaire processen van de waterschappen. De bedrijfsvoering zoals bedoeld in
                        dit besluit, is ook essentieel voor de waarborging van de rechtmatigheid,
                        doelmatigheid en doeltreffendheid van de beleidsuitvoering.</al><al>Het domein van de bedrijfsvoering is de verantwoordelijkheid van het college
                        en beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door dit
                        orgaan. Het Waterschapsbesluit geeft aan dat het college in de paragrafen
                        van de begroting en het jaarverslag moet ingaan op de stand van zaken,
                        beleidsvoornemens en beleidsrealisatie ten aanzien van de bedrijfsvoering,
                        waarbij wordt ingespeeld op de informatiebehoefte van de verenigde
                        vergadering. Op deze wijze worden aspecten van de bedrijfsvoering niet
                        alleen transparant voor de verenigde vergadering, maar ook voor
                        geïnteresseerden buiten de organisatie. </al><al>Met dit artikel van de verordening wordt geregeld over welke zaken met
                        betrekking tot de bedrijfsvoering de verenigde vergadering in de verplichte
                        paragraaf van begroting en jaarverslag zal worden geïnformeerd..</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>Onder verbonden partijen wordt verstaan: organisaties waarmee het waterschap
                        een bestuurlijke relatie heeft én waarin zij een financieel belang heeft.
                        Het kan dan bijvoorbeeld gaan om NV' s, BV's, gemeenschappelijke regelingen,
                        VOF' s, stichtingen, verenigingen en commanditaire vennootschappen. In geval
                        van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard zijn dat
                        bijvoorbeeld: Gemeenschappelijk laboratorium Rijnland; Het Waterschapshuis,
                        de stichting Bodembeheer Krimpenerwaard ed. Mede omdat er altijd een zeker
                        (financieel) risico aan deze relaties verbonden is, is het van belang dat er
                        voldoende inzicht wordt geboden in deze zogenaamde verbonden partijen.
                        Daarom moet op grond van het Waterschapsbesluit in de paragraaf verbonden
                        partijen van begroting en jaarverslag ingegaan worden op:</al><lijst><li nr="a."><al>de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de
                                doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting (begroting);</al></li><li nr="b."><al>de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen (begroting);</al></li><li nr="c."><al>de verantwoording van datgene wat op grond van a en b is
                                gerealiseerd (jaarverslag).</al></li></lijst><al>Dit artikel van de verordening regelt over welke feiten aangaande verbonden
                        partijen de verenigde vergadering in elk geval in de verplichte paragraaf
                        van de begroting en het jaarverslag geïnformeerd zal worden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><al>Als gevolg van de invoering van de Wet financiering decentrale overheden per
                        1 januari 2001 zijn de waterschappen al enkele jaren verplicht een
                        financieringsparagraaf in de begroting (en de jaarverslaggeving) op te
                        nemen. De paragraaf in de begroting is, in samenhang met hetgeen in artikel
                        16 van deze verordening is voorgeschreven, een belangrijk instrument voor
                        het transparant maken, en daarmee voor het sturen, beheersen en controleren
                        van de financieringsfunctie door de verenigde vergadering. Artikel 16 geeft
                        de hoofdlijnen van het beleid weer. Deze hoofdlijnen vinden hun weerslag in
                        de financieringsparagraaf in de begroting en in het jaarverslag. Een
                        verplicht onderdeel daarvan is voorgeschreven in het Waterschapsbesluit en
                        luidt: ‘de beleidsvoornemens (en beleidsrealisatie) ten aanzien van het
                        risicobeheer van de financieringsfunctie'. Artikel 21 regelt over welke
                        feiten inzake de financieringsfunctie de verenigde vergadering in elk geval
                        in de verplichte paragraaf financiering bij de begroting en jaarstukken wil
                        worden geïnformeerd. Uit de financieringsparagraaf moet blijken dat de
                        uitvoering van de financieringsfunctie uitsluitend de publieke taak dient,
                        dat het beheer prudent is en dat aan kasgeldlimiet en renterisiconorm wordt
                        voldaan. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 22</titel></kop><al>De definitie van het begrip ´administratie´ (niet te verwarren met het
                        begrip ‘financiële administratie' zoals in artikel 23 is uitgewerkt) die in
                        deze verordening wordt gehanteerd is: het systematisch verzamelen,
                        vastleggen en verwerken van gegevens alsmede het verstrekken van informatie
                        ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van
                        (onderdelen van) de organisatie van het hoogheemraadschap en ten behoeve van
                        de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. </al><al>In artikel 22 worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties
                        van het hoogheemraadschap. In hoofdlijnen wordt daarmee vastgesteld welk
                        soort informatie moet kunnen worden gegenereerd en aan welke eisen de
                        vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze verordening regelt niet - inherent
                        aan de taakafbakening tussen verenigde vergadering en college - de regels en
                        activiteiten die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van
                        het college. Het ligt voor de hand dat het college deze zaken wel in een
                        besluit vastlegt voor de aansturing van de ambtelijke organisatie. Eén en
                        ander geldt ook voor de onderwerpen die in de artikelen 23 en 24 aan de orde
                        komen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 23</titel></kop><al>In de nieuwe verslaggevingregels zijn diverse bepalingen opgenomen die
                        invloed hebben op de wijze waarop deze administratie moet worden ingericht
                        en bijgehouden, waaronder waarderingsgrondslagen, balansindeling en
                        verplicht op te leveren financiële gegevens. Vanuit de financiële
                        administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële
                        verantwoordingsinformatie aan de verenigde vergadering, maar ook aan de
                        provincies, in hun rol als toezichthouders, het CBS, het Rijk, de Europese
                        Unie etc. Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan deze
                        verantwoordingsinformatie van waterschappen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 24</titel></kop><al>De term ‘administratieve organisatie' staat voor het stelsel van
                        organisatorische maatregelen dat is gericht op het tot stand brengen en het
                        in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke
                        informatieverzorging. In dit artikel legt de verenigde vergadering de
                        uitgangspunten vast voor de inrichting van de administratieve organisatie,
                        waaraan het college door het stellen van regels voor de ambtelijke
                        organisatie invulling moet geven. De verenigde vergadering geeft geen nadere
                        uitvoeringsregels om aan de uitgangspunten te voldoen. Deze
                        uitvoeringsregels zijn aan het college. </al><al>Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard werkt al geruime
                        tijd met deze uitvoeringsregels zoals bovenbedoeld en hieronder zijn
                        opgesomd. De uitvoeringsregels zullen in de komende maanden waar nodig
                        worden bijgesteld op basis van de nieuwe regelgeving. </al><al>In de onderdelen a en b worden eisen gesteld aan de toedeling van taken aan
                        organisatieonderdelen en de toewijzing van functies aan functionarissen.
                        Onderdeel c is een belangrijke bepaling, omdat hierin het college de
                        opdracht krijgt door middel van organisatorische maatregelen de
                        rechtmatigheid, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de
                        beleidsuitvoering te waarborgen. In de onderdelen d, e en f worden eisen
                        gesteld aan de budgettoedeling en de verantwoording daarover. Onderdeel g
                        gaat over de inkoop van goederen en diensten en de aanbesteding van werken.
                        Dit zijn belangrijke en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair
                        effect kunnen hebben. Het hanteren van een protocol is naast de
                        desbetreffende administratieve aspecten tevens te zien als een vorm van
                        risicobeheersing. De aansprakelijkheid kan worden beperkt en er wordt jegens
                        derden rechtszekerheid gecreëerd. Onderdeel g legt aan het college de zorg
                        op om regels ter zake op te stellen. De regelgeving van de Europese Unie en
                        de nationale wetgever dienen daarbij nageleefd te worden. Doordat de regels
                        worden vastgelegd kan de accountant bij zijn controle van de jaarstukken
                        nagaan of de regels zijn nageleefd, het is een onderdeel van de
                        rechtmatigheidtoets. Onderdeel i draagt het college op een
                        financieringsstatuut (Treasurystatuut) op te stellen dat met name
                        protocollen bevat voor de dagelijkse uitvoering. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 25</titel></kop><al>Deze verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van het oude
                        artikel 108 Waterschapswet opgestelde ‘Verordening financieel beheer
                        Schieland en de Krimpenerwaard 2007'. De wetgever heeft bepaald, dat de
                        nieuwe verordening in het begrotingsjaar 2009 van toepassing moet zijn. De
                        oude verordening blijft nog van kracht op de begroting en jaarrekening van
                        2008.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 26</titel></kop><al>In dit artikel wordt de naam aangegeven waarmee men naar deze verordening
                        kan verwijzen.</al><al>Als gevolg van de aanstaande wijziging van de Wet financiering decentrale
                        overheden, waarvan de parlementaire behandeling in 2008 zal starten, zal de
                        passage ‘, alsmede inzake ..... informatievoorziening' vrijwel zeker worden
                        geschrapt. Deze verordening anticipeert reeds op deze aanstaande
                        wijziging.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>