<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272067_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Smallingerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Breeduit, 17-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8, 30">Wet Werk en Bijstand, art. 8, eerste lid en art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>08-01-2013, volgnr. 6</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand van 27 februari 2004</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>DE TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012 zoals laatstelijk gewijzigd
                        door de raad van de gemeente Smallingerland in zijn vergadering van 8
                        januari 2013 ;</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder :</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>de wet : de Wet werk en bijstand (Stb. 2003,
                                                375);</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm ; norm als bedoeld in artikel 21
                                                onderdeel c van de wet.</al></li><li nr="c."><al>woning : een woning zoals bedoeld in artikel 1
                                                onderdeel j Wet op de huurtoeslag , alsmede een
                                                woonwagen of woonschip , zoals bedoeld in artikel 3
                                                lid 6 van de wet.</al></li><li nr="d."><al>woonkosten : indien een huurwoning wordt bewoond ,
                                                de per maand geldende huurprijs zoals bedoeld in
                                                artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag </al><al>indien een eigen woning wordt bewoond de tot een
                                                bedrag per maand omgerekende som vna de ten behoeve
                                                van de financiering van de woningverschuldigde
                                                hypotheekrente en de in verband met in eigendom
                                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten een
                                                naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                                onderhoud.</al></li><li nr="e."><al>hulpbehoevende : degene die, indien hij niet tezamen
                                                met een andere persoon de woning zou bewonen, zou
                                                zijn aangewezen op beroepsmatige hulp zoals
                                                verzorging in een AWBZ-instelling ter verpleging of
                                                verzorging.</al></li><li nr="d."><al>studiefinanciering : een uitkering op grond van de
                                                Wet studiefinanciering of een tegemoetkoming op
                                                grond van de Wettegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                schoolkosten. </al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In
                                geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen
                                indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar
                                zijn</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel 18,
                                eerste lid, van de wet onverlet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt
                                20 procent van de Gehuwdennorm voor de alleenstaande en de
                                alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt
                                10 procent van degehuwdennorm voor de alleenstaande en de
                                alleenstaande ouder in wiens woning tenminste één ander zijn
                                hoofdverblijf heeft;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel
                                bedraagt de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm voor de
                                alleenstaande hulpbehoevende alsmede de alleenstaande of
                                alleenstaande ouder die tezamen met een hulpbehoevende in een woning
                                zijn hoofdverblijf heeft</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel
                                bedraagt de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bij medebewoning
                                van uitsluitend één of meer niet ten laste komende kinderen met een
                                netto inkomen exclusief vakantietoeslag van ten hoogste de norm als
                                bedoeld in artikel 21, onder a, van de wet vermeerderd met 10
                                procent van de gehuwdennorm en verminderd met de in de
                                bijstandsuitkering begrepen </al><al> vakantietoeslag als bedoeld in artikel 19, derde lid van de wet
                                en/of bij medebewoning van uitsluitend één of meer niet ten laste
                                komende kinderen met uitsluitend studiefinanciering;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel
                                bedraagt de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm voor de
                                alleenstaande en de alleenstaande ouder bij medebewoning van
                                uitsluitend een niet-rechthebbende echtgenoot als bedoeld in artikel
                                24 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor gehuwden die met tenminste één
                                ander het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel
                                wordt de verlaging niet toegepast voor gehuwden die met een
                                hulpbehoevende in dezelfde woning het hoofdverblijf hebben; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel
                                wordt de verlaging niet toegepast bij medebewoning van uitsluitend
                                één of meer niet ten laste komende kinderen met een netto inkomen
                                exclusief vakantietoeslag van ten hoogste de norm als bedoeld in
                                artikel 21, onder a, van de wet vermeerderd met 10 procent van de
                                gehuwdennorm en verminderd met de in de bijstandsuitkering begrepen
                                vakantietoeslag als bedoeld in artikel 19, derde lid van de wet
                                en/of bij medebewoning van uitsluitend één of meer niet ten laste
                                komende kinderen met uitsluitend studiefinanciering;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien de woning wordt
                                        bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten
                                        verbonden zijn </al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                        wordt </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 29 van de wet wordt voor een
                                alleenstaande van 21 jaar, in afwijking van artikel 3 , op nihil
                                gesteld;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 29 van de wet wordt voor een
                                alleenstaande van 22 jaar, in afwijking van artikel 3, vastgesteld
                                op 10 procent van de gehuwdennorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uit uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            werk en bijstand 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en
                                werkt terug tot 1 januari 2012 met inachtneming van artikel 78w van
                                de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslagenverordening Wet werk en bijstand van 27 februari 2004
                                wordt ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>in zijn vergadering van 8 januari 2013</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier, voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop><vet>Algemene toelichting </vet></tussenkop><al/><tussenkop><vet>1. Norm, toeslag en verlaging </vet></tussenkop><al/><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen. </al><al>Dit systeem is grotendeels overgenomen uit de Abw. In de WWB maakt het voor de
                    financiering door het Rijk echter geen verschil of bijstand is toegekend als
                    norm of als toeslag. </al><al/><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 2, in de artikelen 20 tot en met
                    24 WWB. </al><al>Daarnaast voorziet paragraaf 3 in toeslagen en verlagingen in de artikelen 25
                    tot en met 29 WWB. Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm
                    te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen
                    hoeft geen gebruik gemaakt te worden. </al><al/><tussenkop>Norm </tussenkop><al>Voor personen van 21 jaar tot en met 65 jaar bestaan er een drietal basisnormen
                    (artikel 21 WWB), te weten: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>gehuwden:</al></entry><entry colname="col3"><al>100% van het wettelijk netto minimumloon (= de
                                        gehuwdennorm);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al>alleenstaande ouders:</al></entry><entry colname="col3"><al>70% van de gehuwdennorm;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al>alleenstaanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>50% van de gehuwdennorm.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop>Toeslagen </tussenkop><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden. </al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van het netto minimumloon( = de
                    gehuwdennorm), zodat de uitkering maximaal bedraagt voor: </al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="68*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>alleenstaande ouders:</al></entry><entry colname="col3"><al>90% van het gehuwdennorm;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>alleenstaanden:</al></entry><entry colname="col3"><al>70% van het gehuwdennorm.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 3 van de Toeslagenverordening.
                    Budgettaire overwegingen mogen bij het vaststellen van de toeslag geen rol
                    spelen. </al><al/><tussenkop>Verlagingen </tussenkop><al>De WWB noemt de volgende verlagingen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="96*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>verlaging in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen
                                        delen met een ander van algemeen noodzakelijke kosten van
                                        het bestaan bij gehuwden (artikel 26 WWB);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>verlaging in verband met de woonsituatie (artikel 27
                                        WWB);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>verlaging in verband met het recentelijk beëindigen van een
                                        studie (artikel 28 WWB);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-</al></entry><entry colname="col2"><al>verlaging in verband met de leeftijd van 21 of 22 jaar bij
                                        alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><tussenkop><vet>2. De Toeslagenverordening </vet></tussenkop><al/><al>In artikel 8 lid 1 onder c jo. artikel 30 WWB is geregeld dat de gemeenteraad
                    bij verordening dient vast te stellen voor welke categorieën de bijstandsnorm
                    verhoogd of verlaagd wordt en op grond van welke criteria de hoogte van die
                    verhoging of verlaging wordt bepaald. </al><al>Het door het college voorgestane beleid ten aanzien van de toeslagen moet dus
                    worden vastgelegd in de Toeslagenverordening door de gemeenteraad, opdat het
                    college het beleid kan uitvoeren. </al><al/><tussenkop>categorieën </tussenkop><al>Artikel 30 WWB bepaalt dat de Toeslagenverordening een categoriaal karakter moet
                    hebben. Bij het afbakenen van categorieën is steeds getracht te komen tot in de
                    praktijk eenvoudig te hanteren criteria. Daarom is er gekozen voor een
                    forfaitaire benadering. </al><al/><al>In deze Toeslagenverordening wordt, naast de toeslagen, invulling gegeven aan
                    alle verlagingen die de WWB mogelijk maakt, behoudens de
                    schoolverlatersverlaging. In de praktijk blijkt bijstandsbehoevendheid van
                    schoolverlaters voornamelijk veroorzaakt te worden door de economische
                    omstandigheden. Bovendien kan niet zonder meer gesteld worden dat de
                    noodzakelijke algemene kosten van het bestaan voor de schoolverlater lager
                    liggen dan voor de niet-schoolverlater. Studenten hebben immers vaak een baantje
                    gehad tijdens de studie en hebben daar hun bestaanskosten dan op afgestemd. </al><al/><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het
                    college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel
                    18 lid 1 WWB bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. </al><al/><al>Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot
                    belanghebbende van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de
                    mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van
                    18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van
                    21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een
                    belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden,
                    ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van artikel 18 lid 1 WWB
                    de bijstand aanpast. (Zie ook de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2 van
                    de Toeslagenverordening.) </al><al/><tussenkop><vet>3. Berekening toepasselijke bijstandsnorm </vet></tussenkop><al/><al>In de WWB is -in tegenstelling tot in de Abw- niet voorgeschreven, dat in
                    gevallen waarin zowel de toeslag als de norm verlaagd kunnen worden, de
                    verlaging met voorrang op de toeslag dient plaats te vinden. De reden van het
                    vervallen van het voorschrift is gelegen in de financieringsstructuur van de
                    WWB, waarbij het niet uitmaakt of de norm of de toeslag verlaagd wordt. Voor de
                    toepassing van de leeftijdsverlaging maakt dit echter wel uit.</al><al/><al>Omdat noch uit de wettekst noch uit de Memorie van toelichting kan worden
                    opgemaakt dat de wetgever heeft beoogd de leeftijdsverlaging een zwaarder
                    gewicht te geven, blijft het bij voorrang toepassen van de verlaging op de
                    toeslag de aangewezen volgorde. In de praktijk leidt dit overigens alleen bij de
                    combinatie verlaging wegens woonsituatie en leeftijdsverlaging (een andere
                    verlaging is niet mogelijk in combinatie met de leeftijdsverlaging) tot
                    verschillende uitkomsten. </al><al/><al>Bovenstaande in acht nemend kan hoogte van de uitkering algemene bijstand voor
                    personen van 21 tot 65 jaar als volgt worden berekend: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="95*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>basisnorm;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2a.</al></entry><entry colname="col2"><al>optellen toeslag (alleen bij alleenstaanden en alleenstaande
                                        ouders)</al><al>OF</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2b.</al></entry><entry colname="col2"><al>korten met verlaging wegens het delen van een woning met
                                        anderen (alleen bij gehuwden);</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>korten met verlaging wegens woonsituatie;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>korten met verlaging schoolverlater.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De uitkomst van deze berekening laat een eventueel aan de orde zijnde afstemming
                    van de bijstand bij wijze van individualisering onverlet. </al><al/><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></tussenkop><al/><tussenkop><vet>Artikel 1 </vet></tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb niet
                    afzonderlijk te definiëren in de Verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in de WWB of Awb ook de Verordening moet
                    worden gewijzigd. </al><al/><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Om een persoon als verzorgingsbehoevende in de zin van de Toeslagenverordening
                    aan te kunnen merken, moet belanghebbende aannemelijk maken, dat deze door hem
                    verzorgde persoon bij ontsteltenis van de verzorging zou zijn aangewezen op een
                    verpleeg- of verzorgingstehuis. Er moet een duidelijke indicatie zijn op grond
                    waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, bij voorkeur een
                    verklaring van deze strekking die is afgegeven door een arts van de GGD. Het
                    feit dat een belanghebbende als verzorger van een verzorgingsbehoevende is aan
                    te merken is overigens geen reden om hem te ontheffen van de verplichting om
                    algemeen geaccepteerde arbeid te zoeken en te aanvaarden. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 2 </vet></tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>Hoewel de tekst van de artikelen 26, 27 en 28 WWB ook categoriale verlagingen
                    mogelijk maakt voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar, moet dit niet
                    opportuun geacht worden. De normen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld,
                    vanwege de onderhoudsplicht van de ouders van belanghebbenden. Betreffende
                    ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij
                    hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou
                    als het ware "dubbel gekort" worden als hierdoor ook nog krachtens de
                    Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de
                    toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20
                    jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken. </al><al/><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de
                    praktijk zal dit zich gezien de geringe hoogte van de jongerennorm nagenoeg niet
                    voordoen. In dergelijke uitzonderlijke situaties moet het college gebruik maken
                    van zijn bevoegdheid tot individualiseren. </al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>De in het tweede lid opgenomen verplichting voor het college om - zo nodig in
                    afwijking van de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de
                    bijstand - de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun is, volgt uit artikel 30
                    lid 4 WWB. De individualiseringsplicht geldt evenzeer in situaties waarin de
                    Toeslagenverordening niet voorziet. Om hierover bij de uitvoering van de
                    Toeslagenverordening geen misverstand te laten bestaan is er voor gekozen om
                    deze plicht expliciet in de Toeslagenverordening op te nemen. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 3 </vet></tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>De hoogte van 20 procent van het minimumloon als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30 lid 2 onder a WWB. </al><al/><tussenkop>Lid 2 </tussenkop><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. </al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 10 procent van het minimumloon in het geval één of meer anderen in dezelfde
                    woning het hoofdverblijf hebben. </al><al/><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Voor alleenstaanden die een verzorgingstaak op zich nemen voor een
                    hulpbehoevende wordt een uitzondering gemaakt op hetgeen in lid 2 is bepaald.
                    Deze alleenstaande alsmede de hulpbehoevende alleenstaande ontvangen de maximale
                    toeslag van 20% indien zij uitsluitend tezamen het hoofdverblijf in de woning
                    hebben. </al><al/><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Er wordt geacht sprake te zijn van een schaalvoordeel indien de alleenstaande
                    (ouder) de woning bewoont met één of meer kinderen die beschikken over eigen
                    inkomsten die gelijk of meer bedragen dan de norm van een alleenstaande van 23
                    jaar en ouder die de kosten met een ander kan delen.</al><al>Het recht van de alleenstaande (ouder) op de maximale toeslag blijft bestaan
                    indien het netto inkomen exclusief vakantietoeslag van een inwonend kind
                        <vet>lager is</vet> dan de 60% van het netto minimumloon <vet>exclusief
                        vakantietoeslag</vet>. Dit geldt ook indien de alleenstaande (ouder) de
                    woning bewoont met één of meer kinderen met studiefinanciering. Als een kind
                    studiefinan-ciering heeft aangevuld met inkomen uit arbeid, geldt de hiervoor
                    genoemde grens van 60% van het minimumloon exclusief vakantietoeslag.</al><al>Indien er meer kinderen zijn met eigen inkomsten dan zal voor ieder kind moeten
                    worden vastgesteld hoe hoog dit inkomen is. Indien tenminste één inwonend kind
                    een inkomen heeft dat hoger is dan 60% van het netto minimumloon exclusief
                    vakantietoeslag dan wordt de toeslag als bedoeld in het tweede lid van artikel 3
                    toegepast. </al><al/><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Dit betreft de situatie dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding maar
                    een van de gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft. In dat geval is
                    artikel 24 WWB van toepassing waarin wordt bepaald dat indien een van de
                    gehuwden geen recht op algemene bijstand heeft voor de wel rechthebbende
                    echtgenoot de bijstandsnorm gelijk is aan de bijstandsnorm die voor hem als
                    alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Hierbij moet worden gedacht aan
                    een partner die studeert of een partner die anderzins geen recht heeft op een
                    WWB uitkering (geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11 WWB). Op grond van
                    de WWB wordt in dat geval de wel rechthebbende partner de norm alleenstaande
                    (ouder) toegekend.</al><al>Ongeacht de hoogte van het inkomen van de niet-rechthebbende partner wordt de
                    toeslag bepaald op 20%. Onder toepassing van artikel 32 lid 3 WWB zal het
                    inkomen van de gehuwden tezamen niet meer bedragen dan de bijstandsnorm voor
                    gehuwden.</al><al/><tussenkop><vet>Artikel 4 </vet></tussenkop><al/><tussenkop>Lid 1 </tussenkop><al>In de gehuwdennorm is reeds rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten
                    de kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de
                    woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke
                    kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de
                    kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid vanbelanghebbenden zelf. </al><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het
                    aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al/><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Voor gehuwden die een verzorgingstaak op zich nemen voor een hulpbehoevende
                    wordt een uitzondering gemaakt op hetgeen in lid 1 is bepaald. De gehuwdennorm
                    wordt niet verlaagd indien zij uitsluitend tezamen met een hulpbehoevende het
                    hoofdverblijf in de woning hebben. </al><al/><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Er wordt geacht sprake te zijn van een schaalvoordeel indien gehuwden de woning
                    bewonen met uitsluitend één of meer kinderen die beschikken over eigen inkomsten
                    die gelijk of meer bedragen dan de norm van een alleenstaande van 23 jaar en
                    ouder die de kosten met een ander kan delen.</al><al>Indien het netto inkomen exclusief vakantietoeslag van een inwonend kind
                        <vet>lager is</vet> dan de 60% van het netto minimumloon <vet>exclusief
                        vakantietoeslag</vet> dan wordt geen verlaging op de norm toegepast. Dit
                    geldt ook indien de gehuwden de woning bewonen met één of meer kinderen met
                    studiefinanciering. Als een kind studiefinanciering heeft aangevuld met inkomen
                    uit arbeid, geldt de hiervoor genoemde grens van 60% van het minimumloon
                    exclusief vakantietoeslag. Per 1 juli 2012 bedraagt deze grens € 762,- .</al><al>Indien er meer kinderen zijn met eigen inkomsten dan zal voor ieder kind moeten
                    worden vastgesteld hoe hoog dit inkomen is. Indien tenminste één inwonend kind
                    een inkomen heeft dat hoger is dan 60% van het netto minimumloon exclusief
                    vakantietoeslag dan wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid van artikel
                    4 toegepast. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 5 </vet></tussenkop><al/><al>Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te
                    verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend
                    bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB. </al><al/><al>Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1
                    Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende
                    bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de toelichting op 27
                    WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt
                    bewoond, een verlaging te kunnen toepassen. </al><al/><al>In dit artikel is onder a een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de
                    woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het wordt nodeloos
                    ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin
                    woonkosten ontbreken. Indien een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten
                    heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18
                    lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de verordening wordt overigens
                    niet het begrip "woonkosten" gehanteerd, maar "kosten van huur of
                    hypotheeklasten". </al><al/><al>Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en
                    dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging krachtens dit
                    artikel te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale
                    Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de
                    zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en
                    CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.) </al><al/><al>In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbenden in het geheel
                    geen woning wordt bewoond vastgesteld op 10 procent van het netto minimumloon.
                    Dit is in overeenstemming met de toelichting op artikel 27 WWB. Een
                    belanghebbende die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
                    woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als voor
                    een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. </al><al/><al>Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres
                    als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie
                    persoonsgegevens op grond van artikel 40 lid 1 en 2 WWB door bij Amvb
                    (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten. Maar niet elke
                    belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin van aangehaalde wet. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 6</vet></tussenkop><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om de toeslag afwijkend vast te
                    stellen indien het van oordeel is dat, gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon, er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het
                    minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een 22-jarige is de
                    toeslag voor de 21 jarige op nihil gesteld en voor de 22 jarige op 10%. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 7 </vet></tussenkop><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    bij het college. </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 8 </vet></tussenkop><al>Voor de te gebruiken citeertitel is aansluiting gezocht bij de terminologie van
                    de wetgever, als gebruikt in de toelichting bij artikel 3 Invoeringswet WWB (zie
                    TK 2002-2003, 28 960, </al><al>nr. 3, p. 8). </al><al/><tussenkop><vet>Artikel 9 </vet></tussenkop><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij wordt
                    aangesloten op de datum van de inwerkingtreding van de wet "wijziging van de Wet
                    werk en bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet Investeren in jongeren
                    gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkten vergroting van de
                    eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden". </al><al>In verband met de afschaffing van de huishoudinkomenstoets (zie Wet afschaffing
                    huishoudinkomenstoets ) blijft voor een beperkte groep bijstandsgerechtigden de
                    bepalingen van de hiervoor genoemde wet nog van kracht. Het gaat hier om mensen
                    voor wie toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een hogere uitkering leidt.
                    Op grond van artikel 78w van de wet blijven de gezinsbegrippen van deze wet nog
                    op hen van toepassing tot uiterlijk 1 januari 2013. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>