<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272057_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake bij vergunningaanvragen ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren te verstrekken gegevens</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Flevopost, Groene Weekblad, 20-03-2002</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening inzake bij vergunningaanvragen ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren te verstrekken gegevens</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, Art. 56 en 79</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2002-01-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2002-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>ZZL01.790</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>milieu – water</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit:</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: -</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-30674</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inzake bij vergunningaanvragen ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren te verstrekken gegevens</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>ZZL01.790</al><al>De algemene vergadering van het waterschap Zuiderzeeland;</al><al>gelezen het voorstel van het college van dijkgraaf en heemraden van 4
                        september 2001;</al><al>gehoord het advies van de commissie technische zaken en de commissie
                        middelen van 16 oktober 2001; </al><al>gelet op de artikelen 56 en 79 van de waterschapswet;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de volgende Verordening inzake bij vergunningaanvragen
                        ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren te verstrekken
                        gegevens.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Definities</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_1_1_"> dagelijks bestuur: het college van
                                dijkgraaf en heemraden van het waterschap Zuiderzeeland;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_1_2_"> de wet: de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren (wet van 13 november 1969, Stb. 1992, 628);</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_1_3_"> vergunning: een vergunning als bedoeld
                                in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ten
                                aanzien waarvan de bevoegdheid tot het verlenen, weigeren, wijzigen
                                of intrekken is opgedragen aan het dagelijks bestuur;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_1_4_"> afvalstoffen: afvalstoffen,
                                verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm ook, als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_1_5_"> bedrijf: een inrichting als bedoeld in
                                artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, gebouw, vaartuig, installatie,
                                terrein of ruimte waarin beroepsmatig (of op een wijze als ware het
                                beroepsmatig) activiteiten plaatsvinden en van waaruit afvalstoffen,
                                verontreinigende of schadelijke stoffen in oppervlaktewateren of op
                                zuiveringstechnische werken worden gebracht, met uitzondering van
                                woonruimten en woonschepen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_1_6_"> lozen of lozing: het brengen van
                                afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in
                                oppervlaktewateren als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_1_7_"> werk: een plaatsgebonden vaste
                                voorziening door middel waarvan afvalstoffen, verontreinigende of
                                schadelijke stoffen in het oppervlaktewater worden gebracht op
                                zodanige wijze dat controle over de lozing mogelijk is;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_1_8_"> installatie: een vaste technische
                                eenheid waarin een of meer van de in de bijlage onder B vermelde
                                activiteiten en processen, alsmede andere daarmee rechtstreeks
                                samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband
                                staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die
                                gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Bijlage</titel></kop><al id="anker-H71032_0_0_2_9_">Bij deze verordening behoort een bijlage die
                            bestaat uit de onderdelen A en B.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Bevoegd gezag</titel></kop><al id="anker-H71032_0_0_3_10_">De aanvraag tot verlening of wijziging van
                            een vergunning wordt schriftelijk ingediend bij het dagelijks
                            bestuur.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Algemeen te verstrekken gegevens</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H71032_0_0_4_11_">In een aanvraag tot verlening of
                                wijziging van een vergunning als bedoeld in artikel 1 van de wet,
                                worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_12_"> de naam en het adres van de
                                aanvrager;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_13_"> de periode waarvoor een vergunning
                                wordt aangevraagd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_14_"> een aanduiding van de plaats waar de
                                lozing plaatsvindt, voorzien van een toelichtende tekening;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_15_"> een omschrijving van de lozing, waarbij
                                in ieder geval wordt vermeld:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_16_"> of de lozing continu of discontinu
                                plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_17_"> met welke regelmaat lozingen
                                plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_18_"> de wijze waarop en met behulp van welk
                                middel de lozing plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_19_"> of de lozing met behulp van een werk op
                                een ander werk plaatsvindt;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_20_"> de activiteit waaruit de lozing
                                voorkomt;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_21_"> een karakterisering naar aard,
                                samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de
                                afvalstoffen waarop de aanvraag betrekking heeft;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_22_"> een beschrijving van de maatregelen of
                                voorzieningen die zijn of worden getroffen om de lozing te voorkomen
                                of te beperken, voorzien van een toelichtende tekening, alsmede de
                                maatregelen die bij de definitieve stopzetting van de activiteiten
                                worden getroffen om lozing te voorkomen of te beperken;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_23_"> een opgave van de redelijkerwijs
                                mogelijk te achten hoeveelheid en hoedanigheid van de afvalstoffen
                                die ten gevolge van storingen, ongewone voorvallen, proefdraaien, in
                                bedrijf stellen, uit bedrijf nemen, schoonmaak- en
                                herstelwerkzaamheden in het oppervlaktewater kunnen geraken, alsmede
                                een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die door of
                                vanwege de aanvrager getroffen zullen worden om dit te voorkomen of
                                te beperken;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_4_24_"> gegevens van personen met wie tijdens
                                en buiten kantooruren contact kan worden gelegd indien een ongewoon
                                voorval zich voordoet en gegevens van personen met wie contact kan
                                worden gelegd omtrent de naleving van de vergunning of het lozen
                                zonder vergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Lozing door een bedrijf</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H71032_0_0_5_25_">Indien de aanvraag betrekking heeft op
                                een lozing afkomstig van een bedrijf worden naast de gegevens als
                                bedoeld in artikel 4 de volgende gegevens verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_5_26_"> een uittreksel uit het register van de
                                Kamer van Koophandel, indien het bedrijf daar is ingeschreven;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_5_27_"> een omschrijving van de aard van het
                                bedrijf en van de aard en omvang van de activiteiten die daar
                                plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_5_28_"> een beschrijving van de technische
                                apparaten (inclusief hun capaciteit) en van de processen die daarin
                                plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot een lozing van
                                afvalstoffen, voorzien van een toelichtende tekening van de locatie
                                van die apparaten en processen waaruit blijkt waar en in welke mate
                                de verschillende afvalstoffen (kunnen) ontstaan en vrijkomen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_5_29_"> een rioleringstekening, indien een
                                riolering aanwezig is;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_5_30_"> een beschrijving van onderzoeken die
                                zijn of worden verricht, maatregelen of voorzieningen die zijn of
                                worden getroffen teneinde het ontstaan van afvalstoffen te voorkomen
                                of de te lozen hoeveelheid te beperken door hergebruik of het nuttig
                                toepassen dan wel het geschikt maken voor hergebruik of nuttig
                                toepassen;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_5_31_"> een beschrijving van de wijze waarop de
                                lozing wordt gemeten, vastgesteld en geregistreerd en de wijze
                                waarop over de lozing wordt gerapporteerd;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_5_32_"> een opgave van de voor de aanvrager
                                redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de
                                lozing die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Lozing door een bedrijf, genoemd in de bijlage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_6_33_"> Indien de aanvraag betrekking heeft op
                                een lozing van een in de bijlage genoemd bedrijf, worden naast de in
                                artikel 4 en 5 genoemde gegevens de volgende gegevens
                                verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de aard, samenstelling, eigenschappen
                                        en activiteiten, de hoeveelheid en de locatie binnen het
                                        bedrijf van de grondstoffen, hulpstoffen, tussenproducten en
                                        eindproducten die naar redelijke verwachting binnen het
                                        bedrijf aanwezig kunnen zijn, voorzover deze al dan niet
                                        rechtsreeks in het oppervlaktewater kunnen geraken; </al></li><li nr="b."><al>een tekening waaruit blijkt waar de bedoelde stoffen en
                                        producten zich bevinden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_6_34_"> Indien de aanvraag betrekking heeft op
                                een lozing afkomstig van een in onderdeel B van de bijlage genoemd
                                bedrijf worden naast de in artikel 4 en 5 en in het eerste lid van
                                artikel 6 genoemde gegevens de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de aard en omvang van de belasting van
                                        het oppervlaktewater als gevolg van de lozing, daaronder
                                        begrepen een overzicht van de belangrijkste nadelige
                                        effecten op het watermilieu; </al></li><li nr="b."><al>een niet-technische samenvatting van de in artikel 5 en 6
                                        bedoelde gegevens. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Vergunning op hoofdzaken</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H71032_0_0_7_35_">Indien een bedrijf een vergunning op
                                hoofdzaken aanvraagt, worden naast de in artikel 4, 5 en 6 genoemde
                                gegevens ten minste de volgende gegevens verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_7_36_"> een beschrijving van de algemene
                                vergunningsituatie op dit moment alsmede de aanleiding/ motivatie
                                voor het vragen van een vergunning op hoofdzaken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_7_37_"> een beschrijving van het
                                milieuzorgsysteem inclusief de belangrijkste procedures van het
                                milieuzorgsysteem en de verdeling van taken en
                                verantwoordelijkheden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_7_38_"> de opzet van het bedrijfsmilieuplan of
                                een daarmee te vergelijken plan, een beschrijving van de relatie
                                tussen het plan en de vergunning en het milieuprogramma ter
                                uitvoering van het plan;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_7_39_"> een bewijs van certificatie van het
                                milieuzorgsysteem, verleend door een certificatie-instelling die is
                                aangesloten bij de Stichting coördinatie certificatie
                                milieuzorgsystemen en die is erkend door de Raad van de
                                accreditatie;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_7_40_"> indien aanwezig, het milieujaarverslag
                                van het afgelopen jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Lozing met een werk waarop andere werken zijn
                                aangesloten</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H71032_0_0_8_41_">Indien een aanvraag betrekking heeft op
                                een lozing met een werk waarop een of meer andere werken zijn
                                aangesloten, worden naast gegevens als bedoeld in artikel 4, 5 en 6
                                in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_8_42_"> een beschrijving van het
                                verzorgingsgebied dat op het werk is aangesloten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_8_43_"> voorzover de aanvraag betrekking heeft
                                op een rioolstelsel de technische gegevens van dat rioolstelsel en
                                een rioleringstekening.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Aanvullende gegevens</titel></kop><al id="anker-H71032_0_0_9_44_">Voorzover nadere gegevens nodig zijn voor de
                            beslissing op de aanvraag, verstrekt de aanvrager op verzoek van het
                            dagelijks bestuur die gegevens binnen de daarbij gestelde termijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10. Grensoverschrijdende effecten</titel></kop><al id="anker-H71032_0_0_10_45_">Indien de lozing vanuit een installatie
                            waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, belangrijke nadelige effecten
                            in een andere lidstaat van de Europese Unie kan veroorzaken, dan wel
                            indien een andere lidstaat van de Europese Unie die belangrijke nadelige
                            gevolgen voor het milieu van de lozing vanuit de installatie kan
                            ondervinden daarom verzoekt, verstrekt het waterschap een afschrift van
                            de aanvraag met de daarbij behorende stukken aan de betrokken lidstaat
                            op het tijdstip waarop daarvan in Nederland kennis wordt gegeven dan wel
                            de aanvraag met de daarbij behorende stukken in Nederland ter inzage
                            wordt gelegd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_11_46_"> Indien afdeling 13.2 van de Wet
                                milieubeheer van toepassing is, worden de aanvraag en de in deze
                                verordening genoemde gegevens in achtvoud verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H71032_0_0_11_47_"> Indien afdeling 13.2 van de Wet
                                milieubeheer niet van toepassing is, worden de aanvraag en de in
                                deze verordening genoemde gegevens in enkelvoud verstrekt; bijlagen
                                groter dan A3-formaat worden echter in zesvoud verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12. Inwerkingtreding</titel></kop><al id="anker-H71032_0_0_12_48_">Deze verordening treedt in werking op 1
                            januari 2002. Met ingang van dezelfde datum wordt de op 4 januari 2000
                            vastgestelde Verordening inzake bij WVO-vergunningaanvragen te
                            verstrekken gegevens van het waterschap Zuiderzeeland ingetrokken.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Lelystad, 29 januari 2002</ondertekening><ondertekening>De algemene vergadering van het waterschap Zuiderzeeland,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, </ondertekening><ondertekening>mr. B. van den Elsaker. </ondertekening><ondertekening>de dijkgraaf,</ondertekening><ondertekening>mr.ir. H.L. Tiesinga.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Deze verordening komt in de plaats van de op 4 januari 2000 vastgestelde
                        Verordening inzake bij WVO-vergunningaanvragen te verstrekken gegevens. De
                        nieuwe verordening is aangepast aan een richtlijn van de Europese Unie,
                        namelijk de richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van
                        verontreiniging (IPPC-richtlijn).</al><al>Met het oog op de beslissing over de ontvankelijkheid van een
                        vergunningaanvraag en uit het oogpunt van rechtszekerheid, zijn de bij een
                        aanvraag te verstrekken gegevens in een publiekrechtelijke regeling
                        vastgelegd. Voor vergunningen die door of vanwege de minister van verkeer en
                        waterstaat worden verleend is een dergelijke regeling opgenomen in het
                        Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren (UVR).</al><al>De verordening bevat de gegevens die bij de aanvraag tot verlening of
                        wijziging van een vergunning op grond van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren (WVVO) moeten worden verstrekt. Het gaat daarbij om
                        lozingen met behulp van een werk en lozingen anders dan met behulp van een
                        werk, om directe en indirecte lozingen. Voor indirecte lozingen bepaalt
                        artikel 1, tweede lid WVO dat bij algemene maatregel van bestuur (a.m.v.b.)
                        aangewezen inrichtingen vergunningplichtig zijn. De verordening ziet niet op
                        aansluitvergunningen; deze zijn geregeld in de Aansluitverordening van het
                        waterschap. </al><al>De artikelen 4, 5 en 6 zijn de kernbepalingen van deze verordening. In grote
                        lijnen stemmen deze artikelen overeen met artikel 7 van het UVR. De
                        Commissie integraal waterbeheer (CIW) stelt voor bepaalde categorieën van
                        bedrijven model-aanvraagformulieren op. Wanneer de aanvrager conform deze
                        formulieren een aanvraag indient, mag in beginsel worden aangenomen dat
                        daarmee voldoende gegevens zijn verstrekt, zodat zij ontvankelijk kan worden
                        verklaard. Het dagelijks bestuur kan echter op grond van artikel 9
                        aanvullende gegevens verlangen. Anderzijds kan het dagelijks bestuur
                        genoegen nemen met minder informatie dan op grond van de verordening is
                        voorgeschreven. (Een soortgelijke regeling is opgenomen in artikel 5.7
                        Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.) Tijdens het vooroverleg
                        kunnen afspraken worden gemaakt over de exacte gegevens die moeten worden
                        verstrekt. </al><al>Hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) regelt de aanvraag van
                        een beschikking. Gegevens die al via de AWB vereist zijn, zijn niet in deze
                        verordening opgenomen. Artikel 7 WVO verklaart paragraaf 3.5.2 t/m 3.5.5 AWB
                        van toepassing op vergunningverlening. Verder zijn delen van hoofdstuk 8 en
                        afdeling 13.2 Wet milieubeheer (WM) van toepassing. Aanvragen tot verlening
                        van een WVO-vergunning en een WM-vergunning dienen in sommige gevallen
                        gecoördineerd behandeld te worden. Dit is geregeld in artikel 7b WVO en
                        artikel 8.28 WM. </al><al>De verordening houdt ook rekening met een vergunning op hoofdzaken. De
                        Wegwijzer Vergunning op hoofdzaken: vergunningverlening op maat van het
                        ministerie van VROM (augustus 1999) vormt hiervoor een bron van
                        informatie.</al><al>Verder is de procedure voor een vergunningaanvraag zo veel mogelijk in
                        overeenstemming gebracht met de procedure die in het CIW-handboek
                        WVO-vergunningverlening wordt beschreven.</al><al>In vergelijking met de vorige verordening is het onderscheid tussen lozing
                        met en zonder een werk vervallen. Voor beide typen lozingen worden vrijwel
                        dezelfde gegevens verlangd. De categorie lozing van een werk op een ander
                        werk is blijven bestaan. Evenals in de vorige verordening is er een
                        categorie lozingen van bedrijven, waarbij een onderscheid is gemaakt tussen
                        bedrijven algemeen en bedrijven uit de bijlage die meer gegevens moeten
                        verstrekken (onder andere op basis van de IPPC-richtlijn). Het UVR maakt dat
                        onderscheid niet. Hierdoor ontstaat een driedeling in de verordening:
                        algemene gegevens die bij elke aanvraag moeten worden verstrekt, specifieke
                        gegevens die door een bedrijf moeten worden verstrekt en specifieke gegevens
                        die door een aangewezen categorie van bedrijven moeten worden verstrekt. De
                        bepalingen werken cumulatief, dus een bedrijf dat behoort tot een aangewezen
                        categorie uit de bijlage levert gegevens aan conform de drie artikelen
                        (artikel 4, 5 en 6).</al><al>De vergunningaanvraag wordt beoordeeld in het licht van het recent
                        emissiebeleid (thans de vierde Nota waterhuishouding); CIW-publicaties geven
                        nadere aanwijzingen.</al><al>Artikel 6 van de IPPC-richtlijn schrijft voor dat bij een categorie van
                        aangewezen bedrijven de vergunningaanvraag een beschrijving bevat van de
                        aard en omvang van de te voorziene emissies van de installatie in elk
                        milieucompartiment, alsmede een overzicht van de significante
                        milieu-effecten van de emissies. Verder moet de vergunningaanvraag een
                        niet-technische samenvatting bevatten van de gegevens die bij de aanvraag
                        worden verstrekt. Dit laatste voorschrift dient om het publiek voldoende
                        inzicht te verschaffen in de werking van een installatie om zich een oordeel
                        te kunnen vormen over de vergunningaanvraag en de gevolgen die een
                        installatie en de bijbehorende lozing voor het milieu kunnen hebben.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>De meeste begrippen die in deze verordening worden gehanteerd zijn nader
                        gedefinieerd in jurisprudentie met betrekking tot de WVO, andere komen voor
                        in het UVR of de IPPC-richtlijn.</al><al>Het begrip "bedrijf" komt vooral naar voren in de artikelen 5 en 6 van de
                        verordening. De definitie van dit begrip is ruim. Het begrip bedrijf sluit
                        aan op het begrip inrichting in de WM, maar omvat, overeenkomstig de
                        definitie in artikel 2 van het UVR, meerdere plaatsen en terreinen van
                        waaraf een lozing kan plaatsvinden. De nadruk ligt echter op beroepsmatige
                        activiteiten; woonruimten en woonschepen worden uitgesloten. Het begrip
                        "bedrijf" valt niet geheel samen met het begrip "inrichting" in de WM. In
                        jurisprudentie over het begrip "inrichting" is bepaald dat bijvoorbeeld het
                        akkerland behorend bij een boerderij en de start- en landingsbanen van een
                        vliegveld niet onder het begrip "inrichting" vallen. In het kader van deze
                        verordening worden lozingen vanaf deze terreinen echter wel als lozingen
                        vanuit een bedrijf beschouwd. Ook lozingen van een RWZI en overstorten van
                        een gemeentelijk riool of bedrijfsriool vallen onder de categorie
                        bedrijfsmatige lozingen.</al><al>De definitie van het woord "installatie" is overgenomen uit artikel 2 van de
                        IPPC-richtlijn. Het begrip installatie is slechts van toepassing op de
                        bedrijfscategorieën die in de bijlage onder B worden vermeld. Het begrip
                        "bedrijf" is ruimer en kan ook bedrijven betreffen die niet in de bijlage
                        worden genoemd. </al><al>Het begrip "lozing" omvat zowel de directe als de indirecte lozingen. De
                        definitie is afgeleid uit artikel 1 WVO.</al><al>Het begrip "werk" is door de wetgever niet gedefinieerd, maar in de
                        jurisprudentie uitgekristalliseerd. Wezenlijk voor een werk is dat het
                        gebonden is aan een vaste plaats, bijvoorbeeld een pijp, leiding of een
                        riool. Een vuilnisauto valt dus niet onder het begrip "werk"; zie p. 49
                        CIW-handboek WVO-vergunningverlening, mei 1999). Het tweede deel van de
                        beschrijving is afgeleid uit de jurisprudentie (onder andere R.v.S. 19 juli
                        1983, AB 1984, nr. 487 (Booy Clean) en H.R. 27 maart 1985 nr. 22931,
                        Vakstudienieuws 1985 p. 1195).</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>De bijlage omvat bedrijven waarvan zowel de directe als indirecte lozingen
                        een significant milieu-effect kunnen hebben. De bijlage bestaat uit een deel
                        A, inrichtingen waarvan ook de lozingen op de gemeentelijke riolering (of
                        een andere bij een openbaar lichaam in gebruik zijnde inrichting voor het
                        zuiveren van afvalwater) zijn aangewezen als vergunningplichtig, en een deel
                        B bestaande uit de bedrijven die onder de IPPC-richtlijn vallen. Het kan
                        voorkomen dat een bedrijf dat in deel B voorkomt, tevens valt onder de in
                        deel A genoemde bedrijven en op grond daarvan een vergunning nodig heeft
                        voor lozingen op het gemeentelijk riool. Een bedrijf dat onder de bijlage
                        valt, heeft een omvangrijke informatieplicht.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>Uit dit artikel blijkt dat het dagelijks bestuur het bevoegd gezag is.</al><al>Verdere procedurele bepalingen zijn opgenomen in de AWB. Ingevolge de
                        artikelen 7 en 7a WVO zijn de afdelingen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de AWB
                        van toepassing op de aanvraag en verlening van een vergunning. Artikel 3:16
                        AWB geeft aan dat onder andere ook afdeling 4.1.1 AWB van toepassing
                        is.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al>Artikel 4 geeft aan welke gegevens in het algemeen moeten worden verstrekt
                        bij een vergunningaan-vraag. Het artikel is van toepassing op alle
                        vergunningplichtige lozingen, zowel directe als indirecte lozingen. Het
                        artikel is ook van toepassing op de aanvraag van een WVO-vergunning in het
                        kader van het Bouwstoffenbesluit. De verordening maakt geen onderscheid
                        tussen lozen met of zonder een werk. Voor beide situaties worden grotendeels
                        dezelfde gegevens geëist.</al><al>De woorden "ten minste" in de aanhef van artikel duiden erop dat het
                        waterschap, indien gewenst, aanvullende gegevens kan vragen.</al><al>Ad a. Deze gegevens zijn ook vereist op grond van artikel 4:2 onder a AWB.
                        Indien de gegevens van de aanvrager afwijken van de gegevens van de lozer
                        aan wie de vergunning moet worden verstrekt, worden tevens de naam en het
                        adres van de beoogde vergunninghouder in de aanvraag vermeld.</al><al>Ad b. Uit artikel 7 vierde lid WVO en artikel 8.17 WM volgt dat aan een
                        vergunning een bepaalde geldigheidsduur kan worden verbonden. In artikel
                        8.17 WM is een aantal situaties genoemd waarin een tijdelijke vergunning kan
                        worden verleend. Ook wanneer dit noodzakelijk is voor het ontwikkelen van
                        werkwijzen die minder nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan aan een
                        lozer een tijdelijke vergunning worden verleend. Verder is dit aan de orde
                        wanneer het noodzakelijk is een beter inzicht te ontwikkelen in de gevolgen
                        van de lozing voor het milieu, alvorens een vergunning van onbeperkte duur
                        te verstrekken. Voor een beschrijving van overige situaties wordt verwezen
                        naar het CIW handboek WVO-vergunningverlening van mei 1999. Hoofdstuk 4,
                        paragraaf 4.9 van het handboek behandelt de tijdelijke vergunning.</al><al>Ad c. De plaatsbepaling is belangrijk voor de beoordeling van de
                        aanvaardbaarheid van de lozing. In voorkomende gevallen kan de tekening
                        waarop de plaats van de lozing is aangegeven deel gaan uitmaken van de
                        vergunning. De toelichtende tekening moet op een zodanige schaal zijn
                        gemaakt dat het lozingspunt duidelijk afleesbaar is. Het dagelijks bestuur
                        geeft aanwijzingen over de gewenste maatvoering en detaillering van de
                        tekening. Bij voorkeur wordt de tekening (tevens) op A4-formaat verstrekt,
                        zodat de tekening gemakkelijk aan de vergunning kan worden gehecht. Het
                        waterschap kan in het vooroverleg nader bepalen op welke wijze de gegevens
                        dienen te worden verstrekt. De coördinaten van de locatie van de lozing
                        kunnen daarbij tevens worden opgevraagd.</al><al>Ad d. De gegevens dienen het waterschap snel inzicht te geven in de soort
                        lozing en de activiteiten waaruit deze voortkomen. Hierdoor kan het
                        waterschap tot een oordeel komen welke gegevens nog meer relevant zijn om de
                        lozing te kunnen beoordelen. Bij de omschrijving van de lozing wordt onder
                        andere vermeld of deze continu of discontinu plaatsvindt en met welke
                        regelmaat de lozingen of deellozingen plaatsvinden. Tevens wordt gevraagd op
                        welke wijze de lozing plaatsvindt. Er kan sprake zijn van een directe of
                        indirecte lozing. Verder kan sprake zijn van een lozing met of zonder
                        gebruik van een werk. De frequentie en de wijze van lozing zijn onder andere
                        bepalend voor de mogelijkheden tot controle van een lozing.</al><al>Ad e. Met gegevens over de aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid
                        en herkomst van de schadelijke of verontreinigende stoffen kan inzicht
                        worden verkregen in de milieubezwaarlijkheid van de te lozen stoffen. De
                        aanvrager is verantwoordelijk voor het verstrekken van de gegevens. Door
                        overleg met het waterschap vóór de indiening van de aanvraag kan de
                        aanvrager achterhalen welke gegevens hij moet verstrekken. Vooral de omvang
                        en de aard van de lozing zijn bepalend voor de vraag in hoeverre en tot in
                        welk detail de lozing moet worden toegelicht. Algemeen geldt dat de
                        aanvrager de milieubezwaarlijkheid van de te lozen stoffen moet aangeven en
                        dat het waterschap vervolgens bepaalt of de lozing toelaatbaar is.</al><al>Tot nu toe wordt in het emissiebeleid onderscheid gemaakt in stoffen van de
                        zwarte lijst, in relatief schadelijke verontreinigingen (stoffen van de
                        grijze lijst) en in relatief onschadelijke verontreinigingen die van nature
                        in oppervlaktewater voorkomen (bijvoorbeeld chloride, sulfaat). Omdat vaak
                        onduidelijk is in welke categorie nieuwe stoffen vallen en omdat de
                        begrippen zwarte en grijze lijst in de toekomst in internationale kaders
                        komen te vervallen, heeft de CIW een nieuwe stofbeoordelingssystematiek
                        vastgesteld. De nieuwe beoordelingssystematiek gaat uit van de volgende
                        indeling:</al><al>- stoffen die carcinogeen en/of mutageen zijn en/of op lange termijn
                        schadelijke effecten in het aquatisch milieu kunnen veroorzaken; hiervoor
                        geldt het toepassen van de beste beschikbare technieken (b.b.t.);</al><al>- stoffen die gemakkelijk afbreekbaar zijn; hiervoor geldt het toepassen van
                        de best uitvoerbare technieken (b.u.t.);</al><al>- relatief onschadelijke stoffen die van nature in oppervlaktewater
                        voorkomen; hiervoor geldt de waterkwaliteitsaanpak.</al><al>Het is primair aan de aanvrager om de nadelige effecten van de lozing en de
                        benodigde saneringsinspanning aan te geven. Het detailniveau van de gegevens
                        over stoffen en preparaten wordt in het vooroverleg besproken. De aanvrager
                        kan deze gegevens achterhalen bij producenten en handelaren van de
                        (grond)stoffen en preparaten. Producenten en handelaren hebben baat bij het
                        verschaffen van deze informatie, omdat bij het ontbreken ervan de stof of
                        het preparaat wordt ingedeeld in de zwaarste categorie (saneren met b.b.t.).
                        Soms verstrekken ook branche-organisaties deze gegevens. Sommige stoffen en
                        preparaten zijn al beoordeeld op basis van de Europese
                        stoffenrichtlijn.</al><al>Waterkwaliteitsdoelstellingen voor het watersysteem worden vastgelegd in
                        waterhuishoudingsplannen en waterbeheersplannen. Voor stoffen wordt een
                        maximaal toelaatbaar risico (MTR) en een streefwaarde gedefinieerd. Naast
                        bestrijding van vervuilingsbronnen op watersysteemniveau, wordt een
                        individuele lozing beoordeeld op basis van een immissietoets voor het
                        ontvangend oppervlaktewater.</al><al>Dit leidt tot de volgende aanpak:</al><al>- de lozing mag niet significant bijdragen aan het overschrijden van de
                        waterkwaliteitsdoelstel-ling voor het watersysteem. Significant wil zeggen
                        dat de lozing minimaal 10% van het MTR bijdraagt aan de concentratie van de
                        stof in het ontvangende watersysteem;</al><al>- de lozing mag binnen de mengzone niet leiden tot acuut toxische effecten
                        voor waterorganis-men en voor sediment bewonende organismen.</al><al>Met de aard van de stof wordt gedoeld op de soort stof of stoffen
                        (bijvoorbeeld de verzamelnaam PAK). Met samenstelling wordt bedoeld de meer
                        specifiek chemische samenstelling van de lozing. Onder eigenschappen wordt
                        verstaan de zuurgraad, warmtebelasting, toxiciteit, accumulerend vermogen,
                        afbreekbaarheid van de individuele stoffen of van het mengsel. De term
                        "hoeveelheid" heeft betrekking op de totale lozing, maar ook op het aandeel
                        van de bedoelde stoffen daarin. De omvang van de lozing kan ook in aantallen
                        v.e. worden weergegeven. Met de vraag naar de herkomst van de te lozen
                        stoffen wordt beoogd inzicht te krijgen in de oorsprong van de
                        verontreinigende stoffen, bijvoorbeeld afkomstig van een bepaalde activiteit
                        ter plekke of van elders. De beschrijving van de exacte samenstelling van
                        stoffen kan soms problemen opleveren voor de aanvrager. Hij beschikt vaak
                        niet over gegevens over de samenstelling van stoffen. De aanvrager zal
                        moeite moeten doen om de gegevens bij de leverancier van onder andere
                        grondstoffen te achterhalen. In sommige gevallen wil de leverancier geen
                        gegevens verstrekken, op grond van de vertrouwelijkheid van de gevraagde
                        informatie. Het gevolg kan zijn dat een niet-ontvankelijke aanvraag wordt
                        ingediend.</al><al>Ad f. Een van de principes van het emissiebeleid, zoals vertaald in het
                        Indicatief Meerjarenpro-gramma Water en de vierde Nota waterhuishouding is
                        "vermindering van de verontreiniging". Dit houdt in dat verontreiniging,
                        ongeacht de aard van de te lozen stof, zoveel mogelijk wordt voorkomen of
                        beperkt. Dit wordt ook wel het "voorzorgprincipe" genoemd. Bij het
                        verminderen van verontreiniging staan preventie en aanpak aan de bron, de
                        emissieaanpak, centraal. Onderdeel f van het artikel heeft betrekking op het
                        voorzorgprincipe. De lozer dient maatregelen te nemen om lozingen te
                        voorkomen of te beperken. Tevens moeten waar nodig bij definitieve
                        stopzetting van de activiteiten maatregelen worden getroffen om het gevaar
                        van verontreiniging te voorkomen. Dit artikel spoort met artikel 7,1 d UVR.
                        Wanneer de vergunning betrekking heeft op het gebruik van een bouwstof als
                        bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming
                        dient de aanvrager in ieder geval gegevens aan te leveren over de wijze
                        waarop de bouwstof wordt geïsoleerd op zodanige wijze dat nagenoeg geen
                        contact ontstaat tussen de bouwstof, het oppervlaktewater, hemelwater of
                        grondwater. De aanvrager dient tevens te waarborgen dat de afdichting
                        zodanig wordt gecontroleerd en onderhouden dat deze een goede werking
                        behoudt. De gegevens van de periodieke controle moeten aan het waterschap
                        worden overgelegd. </al><al>Ad g. Dit onderdeel ziet op ongewone voorvallen zoals storingen, ongevallen
                        en branden, alsmede onregelmatige reguliere activiteiten zoals het
                        proefdraaien, in bedrijf stellen, tijdelijk uit bedrijf nemen, schoonmaak-
                        en herstelwerkzaamheden als gevolg waarvan verontreinigingen in het
                        oppervlaktewater kunnen geraken. De aanpak van onvoorziene lozingen komt in
                        hoge mate overeen met de aanpak van reguliere lozingen. Onvoorziene lozingen
                        dienen zoveel mogelijk volgens het voorzorgprincipe te worden voorkomen via
                        preventieve maatregelen en toepassing van de stand der
                        (veiligheids)techniek. Lozers zullen bij de aanvraag inzicht moeten geven in
                        de kans op en eventueel het effect van onvoorziene lozingen. Voor de
                        bepaling van de kans en het effect van onvoorziene lozingen geeft het
                        CIW-rapport "Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen"
                        aanbevelingen, referentiekaders en een standaard risicoanalysemodel voor het
                        schatten van restrisico's. Onderdeel g correspondeert met artikel 5.4 van
                        het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Indien de aanvraag afkomstig is van een bedrijf moeten uitgebreider gegevens
                        worden overgelegd. Het vooroverleg kan duidelijkheid scheppen in de exacte
                        omvang van de informatieplicht. Artikel 5 is van toepassing op bedrijven als
                        bedoeld in artikel 1 onder e; daartoe behoren onder meer de bedrijven die
                        zijn weergegeven in deel A en B van de bijlage.</al><al>Ad a. Dit artikellid is vooral bedoeld om het dossier met betrekking tot een
                        bedrijf compleet en recent te houden. Dit is mede van belang voor controle
                        op de vergunning. Het bedrijf zorgt ervoor dat het waterschap telkens van
                        een wijziging van de inschrijving op de hoogte wordt gebracht, door
                        toezending van een afschrift van het vernieuwde uittreksel. Als een bedrijf
                        niet behoeft te worden ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, behoeven
                        uiteraard ook geen gegevens te worden verstrekt.</al><al>Ad b en c. Het is van belang inzicht te hebben in de werking van het bedrijf
                        en de emissies om te kunnen beoordelen of een lozing aanvaardbaar is in
                        relatie tot het ontvangend oppervlaktewater of de doelmatige werking van
                        zuiveringstechnische werken. Het waterschap beoordeelt onder andere of de
                        aanvrager voldoende zorg in acht heeft genomen en of wordt voldaan aan de
                        stand der techniek. Zie ook de toelichting bij artikel 4.</al><al>De aanvrager moet daarvoor informatie overleggen over het (productie)proces
                        en de procesvoering, de afvalwaterstromen en de zuiveringstechnieken. Dit
                        betekent dat bekend moet zijn waar en hoe het afvalwater ontstaat en welke
                        maatregelen zijn genomen om het ontstaan te voorkomen of te beperken. Het
                        gaat hierbij onder andere om het terughouden van afvalstoffen, het toepassen
                        van schone grondstoffen, hulpstoffen en reinigingsmiddelen, het toepassen
                        van schone processen, good housekeeping, bedrijfsinterne milieuzorg etc. Ook
                        moeten de samenstelling, het debiet en de wijze van afvoer van de
                        afvalwaterstromen bekend zijn. Aan de hand daarvan kan worden nagegaan of
                        lozing aanvaardbaar en eventuele behandeling doelmatig is. In dit artikel
                        worden gegevens gevraagd over installaties waar processen plaatsvinden die
                        leiden of kunnen leiden tot het in oppervlaktewater brengen van stoffen. Ook
                        onafgedekte opslag van goederen en het neerslaan van verontreinigd stoom
                        kunnen leiden tot een lozing in het oppervlaktewater.</al><al>Ad d. Dit artikel is overgenomen uit artikel 7, 2c van het UVR. Op de
                        rioleringstekening worden ook de plaatsen van de eventuele overstorten
                        aangegeven. Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op een
                        bedrijfsriolering.</al><al>Ad e. Dit artikel past in het streven naar duurzaamheid en preventie. Het
                        vergunningenbeleid is erop gericht verontreiniging van het oppervlaktewater
                        zoveel mogelijk te voorkomen. Bestrijding aan de bron is het meest geëigend.
                        Waar mogelijk dienen lozingen en stortingen vermeden te worden. Daartoe kan
                        bijdragen een verplichting voor de aanvrager om zo exact mogelijk aan te
                        geven welke andere bergings- of verwerkingsmogelijkheden, waaronder die van
                        hergebruik, er zijn. Het artikel komt ook voor in het UVR (artikel 7,2f).
                        Wanneer het waterschap dit aangeeft, dient de aanvrager onderzoek te doen
                        naar mogelijkheden voor het voorkomen of nuttig toepassen van afvalstoffen.
                        De resultaten van een onderzoeksverplichting uit een vorige vergunning
                        moeten altijd deel uitmaken van een aanvraag voor een nieuwe vergunning.
                        Bovendien moet een onderzoek volledig zijn uitgevoerd, anders is de aanvraag
                        onvolledig (Raad van State 13-8-1991, Cindu). De maatregelen die worden
                        genomen om lozingen te voorkomen of te beperken moeten voldoen aan de stand
                        der techniek.</al><al>Ad f. Dit onderdeel is overgenomen uit artikel 7, 2h van het UVR. Om
                        controle op de naleving van vergunningvoorschriften mogelijk te maken, zal
                        het afvalwater bij voorkeur door een geschikte meetgelegenheid moeten worden
                        gevoerd. In de vergunning kan een meetvoorziening voor continue debietmeting
                        of proportionele bemonstering worden voorgeschreven. Met name bij grote
                        lozingen wordt de plicht tot meting en bemonstering vaak aan de
                        vergunninghouder zelf opgelegd. Bij een dergelijke rapportageverplichting
                        wordt voorgeschreven over welke parameters het bedrijf met welke frequentie
                        moet rapporteren. Soms is het installeren van een meetgelegenheid niet
                        mogelijk of doelmatig. Dit kan vooral het geval zijn bij bedrijven met een
                        geringe lozing van afvalwater. Om toch door middel van steekmonsters de
                        naleving van vergunningsvoorschriften te kunnen controleren, is het nodig
                        dat een of meer adequate controlepunten op het terrein van het bedrijf
                        aanwezig zijn.</al><al>Ingevolge de richtlijnen 76/464/EEG en 95/337/EEG zijn lidstaten verplicht
                        om driejaarlijks inlichtingen te verstrekken over de naleving van deze
                        richtlijnen. Vanaf 1983 zijn richtlijnen voor 17 stoffen van de zwarte lijst
                        van kracht geworden. Voor lozing van stoffen van de grijze lijst geldt vanaf
                        1993 een rapportageplicht. De eisen met betrekking tot de controle zijn voor
                        de verschillende zwarte lijst-stoffen vastgelegd in bijlage II van de
                        ministeriële besluiten ex artikel 1a WVO. Bij het voorschrijven van
                        voorzieningen of maatregelen voor de controle van het afvalwater wordt met
                        de verplichtingen uit de genoemde richtlijnen rekening gehouden.</al><al>Ad g. Dit onderdeel is overgenomen uit artikel 7, 2i van het UVR. Om te
                        kunnen beoordelen of lozing van afvalstoffen op de plaats en de wijze die in
                        de aanvraag zijn vermeld, acceptabel is, en of voldoende maatregelen kunnen
                        worden getroffen om milieunadeel als gevolg van de lozing te voorkomen, is
                        het van belang te kijken naar de toekomstplannen van een bedrijf. Met name
                        uitbreidingsplannen kunnen hierbij van belang zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>Artikel 6 is alleen van toepassing op bedrijven die in de bijlage voorkomen.
                        Het betreft bedrijven waarvan zowel de directe als indirecte lozingen een
                        aanzienlijk milieueffect kunnen hebben. Behalve de bedrijven die in de
                        IPPC-richtlijn zijn genoemd en die in de bijlage onderdeel B zijn opgenomen,
                        betreft het de bedrijven die bij a.m.v.b. (het Besluit ex artikel 1, tweede
                        lid en 31, vierde lid WVO) zijn aangewezen (hierna te noemen:
                        a.m.v.b.-inrichtingen) en die in de bijlage onderdeel A zijn opgenomen.</al><al>Lid 1. Dit onderdeel is overgenomen uit artikel 7, 2d van het UVR. Dit
                        vereiste komt overeen met artikel 6 van de IPPC-richtlijn, "een beschrijving
                        van de grondstoffen en hulpmaterialen en de andere stoffen die in de
                        installatie worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd". De
                        gegevens worden niet alleen gevraagd van bedrijven die onder de
                        IPPC-richtlijn vallen maar ook van de a.m.v.b.-inrichtingen. (Niet alle
                        a.m.v.b.-inrichtingen vallen ook onder de IPPC-richtlijn.) Het betreft alle
                        aanwezige stoffen, voorzover deze in het water kunnen geraken en vormt een
                        verdieping op de gegevens die op grond van artikel 5 onder c worden
                        geleverd. Het onderdeel heeft betrekking op de specifieke
                        bedrijfsomstandigheden die van invloed kunnen zijn op de samenstelling van
                        de lozing, ook indien de lozing als gevolg van een calamiteit ontstaat,
                        alsmede op de maatregelen ter beperking van de schadelijkheid ervan. Om te
                        voorkomen dat de gegevens ook moeten worden verstrekt als de schadelijkheid
                        van lozingen slechts gering is, kan de verplichting tot het verstrekken van
                        de in dit lid bedoelde informatie worden beperkt tot die bedrijven die een
                        aanmerkelijke hoeveelheid zuurstofbindende stoffen dan wel toxische,
                        bio-accumulatieve stoffen of anderszins bezwaarlijke stoffen kunnen
                        lozen.</al><al>Lid 2. Lid 2 is beperkt tot bedrijven die onder de IPPC-richtlijn vallen
                        (bijlage onder B). Artikel 6 van de IPPC-richtlijn schrijft voor dat de
                        vergunningaanvraag een beschrijving bevat van de te voorziene emissies van
                        de installatie in elk milieucompartiment met een overzicht van de
                        significante nadelige milieueffecten van de emissies. De effecten van de
                        lozing worden bepaald door de aard en omvang van de lozing, maar ook door de
                        capaciteit en zuiveringsmogelijkheden van de zuiveringsinstallatie alsmede
                        door de aard en functie van het ontvangend oppervlaktewater met bijbehorende
                        waterkwaliteitseisen en eventuele cumulatieve effecten als gevolg van andere
                        lozingen. Het is niet eenvoudig voor de aanvrager om te bepalen welke
                        significante gevolgen de lozing zal hebben op de kwaliteit van het
                        ontvangend oppervlaktewater. Naar verwachting zal een vergunningaanvrager
                        niet altijd over deze informatie beschikken. De aanvrager zal zoveel
                        mogelijk gegevens over de te lozen stoffen moeten verstrekken. Dit betekent
                        dat hij enerzijds in gegevens van "eigen" stoffen zal dienen te voorzien en
                        daarnaast bij leveranciers van stoffen erop zal moeten aandringen deze
                        informatie te leveren. Van belang hierbij is de eigen verantwoordelijkheid
                        van de aanvrager. Omvangrijke (industriële) inrichtingen kunnen zo nodig
                        expertise inhuren om de vereiste gegevens te verzamelen. Bij lozingen die
                        milieuhygiënisch minder bezwaarlijk zijn, of bij relatief eenvoudige
                        lozingen, kan het leveren van gegevens tot disproportionele kosten leiden.
                        In het vooroverleg kunnen afspraken worden gemaakt over de vereiste
                        gegevens. Bij lozing van een werk dat is aangesloten op een ander werk, zal
                        de aanvrager moeten aantonen welk (zuiverings)effect dit heeft, inclusief de
                        eventuele effecten op de doelmatige werking van een zuiveringstechnisch
                        werk. In dat geval is het in eerste instantie aan de beheerder van dat werk
                        om zorg te dragen voor de doelmatige werking en daarvoor ook de gegevens te
                        vragen dan wel eisen te stellen aan de lozing op dat werk. Gegevens over de
                        capaciteit en de zuiveringsmogelijkheden van de zuiveringsinstallatie in
                        beheer bij het waterschap zullen door het waterschap zelf worden
                        verstrekt.</al><al>De niet-technische samenvatting is overgenomen uit artikel 7, 2j UVR en
                        correspondeert met artikel 6 IPPC-richtlijn. De aanvraag moet voor een
                        algemeen publiek voldoende inzicht geven om zich een oordeel over de lozing
                        te kunnen vormen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Bij een "vergunning op hoofdzaken" geeft het bevoegd gezag binnen de grenzen
                        van de wet en jurisprudentie maximale flexibiliteit aan de vergunninghouder.
                        Hierbij wordt er vanuit gegaan dat het bedrijf de noodzaak van een
                        verantwoord milieubeheer erkent en daarnaar handelt.</al><al>Het voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in de artikelen 4, 5, 6 en 7
                        van de verordening is op zich niet voldoende voor het verlenen van een
                        vergunning op hoofdzaken. Ook het nalevings-gedrag van de aanvrager in de
                        periode voorafgaand aan de verlening van de vergunning is van belang bij het
                        oordeel of een flexibele vergunning kan worden verleend. Omdat de vergunning
                        op hoofdzaken in vergelijking met de meer traditionele vergunningen minder
                        voorschriften bevat, die bovendien globaler zijn, moet de aanvraag voldoende
                        informatie bevatten om aan de vergunning-verlener en derden inzicht te
                        verschaffen in het niveau van milieuzorg binnen een bedrijf. De aanvraag van
                        de vergunning zal voldoende gedetailleerde informatie moeten bevatten. Het
                        gaat daarbij om informatie over ambities, beleid en ontwikkelingen met
                        betrekking tot milieuzorg bij het bedrijf en in het bijzonder de opzet en
                        inhoud van het milieuzorgsysteem. Het is echter niet nodig dat de gehele
                        vergunningaanvraag deel gaat uitmaken van de vergunning.</al><al>Voor verdere richtlijnen over vergunningen op hoofdzaken wordt verwezen naar
                        de "Wegwijzer vergunning op hoofdzaken" van het ministerie van VROM en het
                        ministerie van verkeer en waterstaat. Voor de aanvraag zijn vooral de
                        bladzijden 45 tot 52 van belang.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Dit artikel is overgenomen uit artikel 7, derde lid van het UVR en heeft
                        betrekking op een aanvraag voor het lozen met behulp van een werk waarop een
                        of meer andere werken zijn aangesloten. Te denken valt hierbij aan lozingen
                        van bedrijfszuiveringswerken en bedrijfsrioleringswerken, maar ook aan
                        lozingen vanuit rioolwaterzuiveringsinstallaties en IBA's en (gemeentelijke)
                        rioolwateroverstorten. Van een a.m.v.b.-inrichting zijn bij het waterschap
                        reeds gegevens bekend. Het is daarom niet noodzakelijk deze gegevens
                        nogmaals te vragen.</al><al>Een bedrijf dat loost en ook een aansluiting van het afvalwater van zijn
                        buurman verzorgt, dient op grond van de artikelen 4 en 5 inzicht te
                        verschaffen in de gegevens die van belang zijn voor het verlenen van de
                        vergunning. Dit bedrijf dient een aanvraag in voor de totale lozing
                        (inclusief het afvalwater van zijn buurman) en verschaft dus gegevens over
                        de totale afvalwaterstroom en rioleringssituatie.</al><al>Rioolwaterzuiveringsinstallaties en overstorten</al><al>Op grond van het Lozingenbesluit WVO stedelijk afvalwater worden eisen
                        gesteld aan het effluent van rioolwaterzuiveringsinrichtingen met een
                        bepaalde verwerkingscapaciteit. Bij een aanvraag voor een lozing uit een
                        rioolwaterzuiveringsinstallatie die onder dat Lozingenbesluit valt, moeten
                        gegevens worden verstrekt over de maatregelen die worden getroffen om aan
                        het Lozingenbesluit te voldoen. Er is onder andere behoefte aan gegevens
                        over het verzorgingsgebied van een riool-waterzuiveringsinstallatie (het
                        aantal en het soort aangesloten bedrijven en het aantal aangesloten
                        huishoudens). Verder is inzicht nodig in de technische gegevens van het
                        achterliggende rioolstelsel (de mogelijke fluctuatie in de afvoer, de
                        verwachte afvoer tijdens regenperioden en droge perioden, informatie over
                        overstorten). Voor lozingen vanuit rioolstelsels op
                        rioolwaterzuive-ringsinrichtingen geldt de Aansluitverordening van het
                        waterschap Zuiderzeeland. Hierin staan aanwijzingen over de gegevens die
                        moeten worden verstrekt bij de aanvraag van een aansluitvergunning.</al><al>Hoewel voor iedere overstort een vergunning verplicht is en voor iedere
                        overstort gegevens als bedoeld in artikel 4 en verder moeten worden
                        geleverd, verschaft artikel 8 inzicht in de lozingen in het totale
                        verzorgingsgebied die met elkaar verband houden. Voor een lozing via een
                        riooloverstort van een rioolstelsel dat door de gemeente word beheerd, is in
                        het CIW-rapport WVO-vergunningverlening voor riooloverstorten (maart 2000)
                        vastgelegd welke gegevens bij de aanvraag verstrekt moeten worden. Het
                        betreft onder meer:</al><al>- een aanduiding van het type rioolstelsel en van de plaatsen waar
                        rioolgemalen aanwezig zijn of zullen worden gebouwd, met vermelding van de
                        bij droog weer en regenval maximaal te verpompen hoeveelheid per uur;</al><al>- een indicatie van de huidige en de te verwachten omvang van de
                        afvalwaterproductie met toelichtende tekening en een situatie- en
                        constructietekening van de overstortputten, overstorttelwerken en
                        afvoerleidingen;</al><al>- een opgave van de op het rioleringsstelsel afwaterende verharde
                        oppervlakte en berekeningen van het bergingsvermogen met een toelichting op
                        de berekeningsmethoden;</al><al>- gegevens over de wijze waarop overstortfrequentie, overstortvolume en/of
                        samenstelling van het afvalwater worden gemeten, inclusief eventuele
                        technische gegevens van de instrumenten die daarvoor worden gebruikt
                        (inclusief randvoorzieningen);</al><al>- een overzicht van de documenten waarop de aanvraag is gebaseerd.</al><al>Andere waterzuiveringsinstallaties en overstorten</al><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op lozing via een
                        waterzuiveringsinstallatie in beheer bij een bedrijf of via riooloverstorten
                        van een bedrijfsriolering (in particulier beheer), kan het waterschap een
                        selectie maken uit de bovengenoemde gegevens.</al><al>Als de aanvraag betrekking heeft op een IBA-installatie worden naast de
                        gegevens als bedoeld in artikel 4, gegevens verstrekt over de
                        zuiveringscapaciteit en de maximale verwerkingscapaciteit. De aanvrager
                        verstrekt tevens technische gegevens over de voorziening, voorzien van
                        tekenin-gen, alsmede gegevens over de wijze van beheer en onderhoud.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><al>Een dergelijke regeling is ook te vinden in artikel 4:2, tweede lid en
                        artikel 4:5, eerste lid van de AWB en is voor de volledigheid in deze
                        verordening opgenomen. Het vragen van extra informatie kan bijvoorbeeld
                        relevant zijn als de kans bestaat dat verontreinigende stoffen in een
                        kwetsbaar water geraken. Naast de bevoegdheid om aanvullende informatie te
                        vragen, kan het waterschap tevens bepalen dat minder informatie nodig is dan
                        in de vorige artikelen is bepaald. Vooral bij kleine lozingen of lozingen
                        met een geringe milieuschadelijkheid kan de informatieplicht worden beperkt.
                        Ook het feit dat de gegevens al bij het waterschap bekend zijn kan een reden
                        zijn de informatieplicht te beperken. Andere criteria voor het aanpassen van
                        de informatieplicht zijn de mate van deskundigheid en professionaliteit van
                        de lozer, de kosten van het uit te voeren onderzoek en de vraag of de
                        gegevens gemakkelijker door een andere partij dan de lozer zijn te
                        achterhalen. In het vooroverleg kan worden bepaald welke gegevens moeten
                        worden verstrekt en in welke mate van detail. Ook kan worden bepaald dat
                        minder exemplaren van de aanvraag en aanvullende gegevens als bedoeld in
                        artikel 12 worden verstrekt. Uitgangspunt is dat de aanvrager
                        verantwoordelijk is voor de aanlevering van de gevraagde gegevens en dat het
                        waterschap bepaalt in welke mate informatie moet worden verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><al>Dit artikel is opgenomen naar aanleiding van artikel 17, eerste lid van de
                        IPPC-richtlijn. Daarin is bepaald dat, indien de exploitatie van een
                        installatie significante negatieve effecten op het milieu van een andere
                        lidstaat kan hebben, of wanneer een lidstaat in verband met die
                        milieueffecten daartoe een verzoek indient, de gegevens die bij de aanvraag
                        aan het bevoegd gezag worden verstrekt ook aan de betrokken andere lidstaat
                        moeten worden overgelegd. Deze gegevens moeten aan die andere lidstaat
                        worden verstrekt op hetzelfde moment dat de gegevens aan de eigen onderdanen
                        bekend worden gemaakt. Vooral bij bedrijven die vallen onder categorie B van
                        de bijlage moet het bevoegd gezag bedacht zijn op de mogelijkheid dat het
                        bedrijf significante negatieve effecten op het milieu van die lidstaat kan
                        hebben.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt hoeveel exemplaren van een aanvraag moeten worden
                        verstrekt. In het vooroverleg kan een daarvan afwijkend aantal worden
                        afgesproken. Het waterschap kan toestaan dat de aanvraag per elektronische
                        post wordt ingediend. De gegevens moeten dan op een beveiligde wijze worden
                        aangeleverd zodat zij niet door onbevoegden kunnen worden gewijzigd.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de bijlage</titel></kop><al>De IPPC-richtlijn eist dat bedrijven die in de bijlage van de richtlijn worden
                    genoemd, bepaalde informatie verstrekken bij de aanvraag van de vergunning. Dit
                    is in de verordening verwerkt in artikel 6, tweede lid. Artikel 1, tweede lid
                    van de WVO bepaalt dat categorieën van bedrijven die bij a.m.v.b. zijn
                    aangewezen een vergunning aanvragen voor indirecte lozingen (lozingen op "een
                    werk dat op een ander werk is aangesloten").</al><al>In de bijlage zijn de bij a.m.v.b. aangewezen bedrijven en de in de
                    IPPC-richtlijn genoemde bedrijven opgenomen in respectievelijk onderdeel A en
                    onderdeel B. Er zijn dus twee afzonderlijke lijsten, maar bedrijven met
                    gelijksoortige processen zijn in de bijlage wel in de buurt van elkaar
                    gezet.</al><al>Voor de in de IPPC-richtlijn genoemde bedrijven geldt geheel artikel 6 van de
                    verordening; voor bedrijven die bij a.m.v.b. zijn aangewezen maar die niet onder
                    de IPPC-richtlijn vallen, geldt alleen artikel 6, eerste lid van de
                    verordening.</al><al>De twee lijsten kennen diverse overeenkomsten: alle lijsten zien op bedrijven
                    met een significant milieueffect.</al><al>In bijlage B staan onder andere intensieve veehouderijen. Echter alleen
                    veehouderijen die ondanks het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij
                    vergunningplichtig blijven, moeten de in de verordening genoemde gegevens
                    verstrekken.</al><al><extref doc="/cvdr/images/Waterschap Zuiderzeeland/i187919.pdf">Bijlage bij ZZL01.790</extref></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>