<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272055_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de waterschapsomslagen Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Flevopost, Almere Vandaag</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op de Waterschapsomslagen Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, Art. 110 en art. 113, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2008-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BO.517</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>‘Deze regeling vervangt de Verordening op de waterschapsomslagen Waterschap Zuiderzeeland uit 2005.'</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit:</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: -</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de waterschapsomslagen Waterschap Zuiderzeeland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Algemene Vergadering van Waterschap Zuiderzeeland;</al><al>gezien het voorstel van het college van Dijkgraaf en Heemraden van 11
                        september 2007</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is de “Verordening op de
                        Waterschapsomslagen Waterschap Zuiderzeeland ” te vervangen;</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113, eerste lid, van de Waterschapswet;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de:</al><al>Verordening op de waterschapsomslagen Waterschap Zuiderzeeland 2008</al><al><vet>Hoofdstuk I. Inleidende bepalingen</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><lid><lidnr/><al>Deze verordening verstaat onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_1_"> beheersgebied: het gebied van het
                                    waterschap zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het
                                    Reglement voor het Waterschap Zuiderzeeland; </al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e101"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel a
                                            (beheersgebied) </noot.al><noot.al>Het beheersgebied van het waterschap is volgens
                                            artikel 2 van het Reglement voor het Waterschap
                                            Zuiderzeeland aangegeven op de bij het reglement
                                            behorende kaart en detailkaarten. Gebruikers van
                                            woonruimten in het beheersgebied van het waterschap zijn
                                            belastingplichtig voor de ingezetenenomslag, ook als de
                                            woonruimte niet in een taakgebied ligt.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_2_"> taakgebied: een bij het Reglement
                                    voor het Waterschap Zuiderzeeland aangegeven, binnen het
                                    beheersgebied van het waterschap gelegen gebied, waar het
                                    waterschap een of meer van de aan het waterschap opgedragen
                                    taken behartigt; </al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e119"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel b (taakgebied) </noot.al><noot.al>Ingevolge artikel 5, tweede lid van de
                                            Waterschapswet dienen de provincies bij reglement de
                                            grenzen van het gebied van het waterschap vast te
                                            stellen, waarin een of meer van de bij dat reglement
                                            opgedragen taken worden uitgeoefend. </noot.al><noot.al>De reglementaire waterschapstaken kunnen bestaan
                                            uit de hoofdtaken waterkeringszorg,
                                            waterkwantiteitsbeheer en waterkwaliteitsbeheer en
                                            daarnaast kan het reglement nog neventaken opdragen,
                                            zoals het (vaar)wegenbeheer. De kosten van het
                                            waterkwaliteitsbeheer worden niet betaald uit de
                                            opbrengst van de waterschapsomslagen, maar uit de
                                            opbrengst van de verontreinigingsheffing. In die
                                            gevallen waarin meerdere taken worden behartigd, kan het
                                            voorkomen dat de taken niet op het gehele territoir van
                                            het waterschap worden uitgeoefend. Afhankelijk van de
                                            waterstaatkundige situatie kan het voorkomen dat een
                                            taak slechts in een deel van het gebied worden
                                            behartigd. In dat geval moet het waterschapsreglement
                                            het waterschapsgebied opsplitsen in even zo veel
                                            gebieden waarin de desbetreffende taken worden
                                            uitgeoefend. Zo'n gebied wordt aangeduid als taakgebied. </noot.al><noot.al>Is aan een waterschap slechts één taak opgedragen,
                                            dan valt het taakgebied per definitie samen met het
                                            waterschapsgebied. Zijn meerdere taken opgedragen, dan
                                            bestaat het waterschapsgebied uit verschillende
                                            taakgebieden. Het is mogelijk dat twee of meer
                                            taakgebieden elkaar geheel of gedeeltelijk overlappen. </noot.al><noot.al>Als niet in het gehele waterschapsgebied een
                                            waterschapstaak wordt uitgeoefend, kan dat bij voorbeeld
                                            de volgende oorzaken hebben: </noot.al><noot.al>- de begrenzing van het waterschapsgebied is
                                            gebaseerd op de waterkwaliteitstaak, terwijl de overige
                                            waterschapstaken in een beperkter deel van het gebied
                                            worden uitgeoefend; </noot.al><noot.al>- het waterschapsgebied bestaat uit meerdere
                                            waterstaatkundige eenheden, waartussen de
                                            taakuitoefening sterk verschilt. </noot.al><noot.al>Het waterschapsreglement moet nauwkeurig de grenzen
                                            aangeven van de in het waterschapsgebied gelegen
                                            taakgebieden. Het ligt voor de hand dat per
                                            waterschapstaak een taakgebied wordt vastgesteld, tenzij
                                            in exact hetzelfde gebied verschillende waterschapstaken
                                            worden uitgeoefend. Binnen de grenzen van een taakgebied
                                            bevinden zich de onroerende zaken en de ingezetenen
                                            waarvan de specifieke, respectievelijk algemene
                                            taakbelangen worden behartigd door de uitoefening van de
                                            desbetreffende waterschapstaak.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_3_"> woonruimte: een ruimte die blijkens
                                    haar inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te
                                    voorzien in woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de
                                    inrichting van die ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in
                                    gebruik te worden gegeven; </al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e149"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel c (woonruimte) </noot.al><noot.al>Deze definitie staat per 1 januari 2001 in artikel
                                            118, derde lid, onderdeel b, van de Waterschapswet en is
                                            gelijk aan de definitie in de Wet verontreiniging
                                            oppervlaktewateren.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_4_"> kadastrale registratie: de
                                    registratie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van
                                    de Kadasterwet; </al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e167"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel d (kadastrale
                                            registratie) </noot.al><noot.al>In artikel 117, vierde lid, van de Waterschapswet
                                            is slechts sprake van "kadastrale situatie." In deze
                                            begripsbepaling is dit gepreciseerd.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_5_"> de ambtenaar belast met de heffing:
                                    de door het college van dijkgraaf en heemraden aangewezen
                                    ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid, onderdeel b, van
                                    de Waterschapswet; </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_6_"> Kostentoedelingsverordening: de
                                    verordening van het waterschap, bedoeld in artikel 119, eerste
                                    lid, van de Waterschapswet; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_7_"> Omslagklassenverordening: de
                                    verordening van het waterschap, bedoeld in artikel 120, zevende
                                    lid, van de Waterschapswet; </al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e196"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdelen f en g
                                            (Kostentoedelingsverordening en
                                            Omslagklassenverordening) </noot.al><noot.al>De Kostentoedelingsverordening en de
                                            Omslagklassenverordening hangen samen met de Verordening
                                            op de waterschapsomslagen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_8_"> waterkeringszorg: de zorg als
                                    bedoeld in artikel 4, tweede lid onder a, van het Reglement voor
                                    het Waterschap Zuiderzeeland; </al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al id="anker-H70975_0_1_1_9_"> waterkwantiteitsbeheer: de zorg als
                                    bedoeld in artikel 4, tweede lid onder b, van het Reglement voor
                                    het Waterschap Zuiderzeeland. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Belastbaar feit en omslagplichtigen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70975_0_2_2_10_"> Ter bestrijding van de kosten die
                                    zijn verbonden aan de behartiging van de aan het waterschap
                                    opgedragen taken inzake de waterkeringszorg en het
                                    waterkwantiteitsbeheer worden onder de verzamelnaam
                                    "waterschapsomslagen" directe belastingen geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70975_0_2_2_11_"> De in het eerste lid bedoelde
                                    waterschapsomslagen worden geheven van de omslagplichtigen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H70975_0_2_2_12_"> bedoeld in de hoofdstukken II en
                                    III, terzake van de in die hoofdstukken genoemde onroerende
                                    zaken, voor zover deze zijn gelegen in een taakgebied en deze
                                    belang hebben bij de behartiging van de in die hoofdstukken
                                    omschreven taken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H70975_0_2_2_13_"> bedoeld in hoofdstuk IV, terzake
                                    van het ingezetene zijn in het beheersgebied.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e247"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 2 (belastbaar
                                                feit en omslagplichtigen) </vet></noot.al><noot.al>Artikel 2 is het kernartikel van de verordening,
                                            omdat dit artikel de bevoegdheid tot heffen en
                                            invorderen van waterschapsomslagen regelt. Het artikel
                                            beperkt zich tot vermelding van de hoofdzaken: de
                                            behartiging van de waterschapstaken en het belang
                                            daarbij van de categorieën omslagplichtigen. Een en
                                            ander wordt uitgewerkt in de hoofdstukken II, III en IV,
                                            die betrekking hebben op respectievelijk de
                                            omslagheffing ongebouwd, de omslagheffing gebouwd en de
                                            omslagheffing van de ingezetenen. In die hoofdstukken is
                                            zijn de omslagen voor de taken waterkeringszorg en
                                            waterkwantiteitsbeheer gespecificeerd. Aan Waterschap
                                            Zuiderzeeland zijn geen neventaken (bij voorbeeld het
                                            wegenbeheer of het vaarwegenbe-heer) opgedragen. </noot.al><noot.al>In de hoofdstukken II, III en IV is voorts geregeld
                                            wie als omslagplichtige wordt aangemerkt, welk
                                            belastingobject in aanmerking wordt genomen, naar welke
                                            maatstaf de omslag wordt geheven, alsmede welk tarief en
                                            welke vrijstellingen van toepassing zijn. In hoofdstuk
                                            IV ontbreken voor de omslagheffing van ingezetenen de
                                            bepalingen inzake het belastingobject, de
                                            heffingsmaatstaf en de vrijstellingen. Dit hangt samen
                                            met het feit dat het aan de ingezetenenomslag ten
                                            grondslag liggende algemene taakbelang voor alle
                                            ingezetenen gelijk is.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 - Omslagheffing ongebouwd</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Hoofdstuk II. Omslagheffing ongebouwd</vet></al></structuurtekst><paragraaf><kop><titel>Omslagplicht zakelijk genothebbenden ongebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e279"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 3
                                                (omslagplicht zakelijk genothebbenden ongebouwd)
                                            </vet></noot.al><noot.al>Inleiding </noot.al><noot.al>Artikel 3 heeft betrekking op de categorie
                                            omslagplichtigen die bestaat uit degenen die krachtens
                                            eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van
                                            ongebouwde onroerende zaken (zakelijk genothebbenden
                                            ongebouwd). Artikel 4 ziet op de categorie
                                            omslagplichtigen, bestaande uit degenen die krachtens
                                            eigendom, bezit of beperkt recht, dan wel krachtens een
                                            door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst het
                                            gebruik hebben van ongebouwde onroerende zaken
                                            (eigenaren-gebruikers en pachters ongebouwd). </noot.al><noot.al>Als de pachters in het bestuur van het waterschap
                                            zijn vertegenwoordigd, wordt er niet alleen omslag
                                            geheven ter zake van het genot van de ongebouwde
                                            onroerende zaken, maar daarnaast ook terzake van het
                                            gebruik daarvan. Er wordt evenwel bij de kostentoedeling
                                            een gezamenlijk kostendeel voor genothebbenden en
                                            gebruikers-pachters bepaald ingevolge artikel 119,
                                            tweede lid, van de Waterschapswet. </noot.al><noot.al>In deze verordening wordt onderscheid gemaakt
                                            tussen de omslagplicht krachtens het genot (artikel 3)
                                            en het gebruik (artikel 4). Vervolgens worden er
                                            omslagplichtigen aangewezen. Voor het genot is dat de
                                            eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde. Voor het
                                            gebruik komt eerst de eigenaar, bezitter of beperkt
                                            gerechtigde die zelf het gebruik heeft aan bod en daarna
                                            de pachter met een door de grondkamer goedgekeurde
                                            pachtovereenkomst. Indien de zakelijk gerechtigde niet
                                            zelf het gebruik heeft en ook geen pachter in de zin van
                                            de wet kan worden aangewezen, dan wordt ingevolge
                                            artikel 118, zesde lid, van de Waterschapswet het
                                            gebruik toegerekend aan de eigenaar, bezitter of beperkt
                                            gerechtigde. Hier is dus sprake van fictief gebruik door
                                            de zakelijk genothebbende. Dit is om te voorkomen dat in
                                            het geheel geen aanslag terzake van het gebruik zou
                                            kunnen worden opgelegd. </noot.al><noot.al>Als er geen pachtersvertegenwoordiging in het
                                            bestuur is, blijft de omslagheffing terzake van het
                                            gebruik achterwege. Het kostendeel wordt dan geheel aan
                                            de zakelijk genothebbenden van het ongebouwd in rekening
                                            gebracht. Indien er wel pachters in het bestuur zijn
                                            opgenomen, wordt het kostendeel terzake van het genot en
                                            terzake van het gebruik gesplitst. Dit dient ook in het
                                            tarief tot uitdrukking te worden gebracht (zie ook
                                            artikel 7). In zo'n situatie worden aan meerdere
                                            personen twee aanslagen voor het ongebouwd opgelegd, een
                                            voor het genot en de andere voor het gebruik. Het
                                            gebruik vloeit dan ofwel voort uit het feit dat zij zelf
                                            gebruiker van de ongebouwde onroerende zaak zijn ofwel
                                            uit de omstandigheid dat zij bij wetsduiding als fictief
                                            gebruiker worden aangemerkt.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70976_0_1_1_1_"> Met betrekking tot de taken van het
                                    waterschap inzake de waterkeringszorg en waterkwantiteitsbeheer
                                    wordt onder de naam "omslag ongebouwd" een waterschapsomslag
                                    geheven van degenen die in een taakgebied krachtens eigendom,
                                    bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde
                                    onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e306"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid (benoeming
                                                waterschapstaken en omslagplichtigen)
                                            </vet></noot.al><noot.al>Voor een goed begrip van dit artikellid wordt
                                            tevens verwezen naar de toelichting op de artikelen 1,
                                            onderdeel b, en 2. </noot.al><noot.al>In dit lid dient of dienen de bij het
                                            waterschapsreglement aan het waterschap opgedragen taak
                                            of taken te worden vermeld, waarbij de onroerende zaken
                                            van de zakelijk genothebbenden ongebouwd belang hebben.
                                            Of van belang sprake is, blijkt uit het feit of een
                                            ongebouwde onroerende zaak in het bij
                                            waterschapsreglement vastgestelde taakgebied is gelegen.
                                            Bij substantiële verschillen in belang kan een
                                            waterschap een Omslagklassenver­ordening vaststellen en
                                            Waterschap Zuiderzeeland heeft dat ook gedaan. </noot.al><noot.al>Er kan echter ook sprake zijn van het ontbreken van
                                            elk belang (als er noch bovenstrooms, noch via de
                                            ondergrond afstroming op watergangen in beheer bij het
                                            waterschap plaatsvindt). Indien in de omschrijving van
                                            het waterschapsgebied dan wel bij de opstelling van de
                                            Omslagklassenverordening hiermee geen rekening is
                                            gehouden, kan een onroerende zaak worden vrijgesteld van
                                            omslagheffing. De huidige Omslagklassenverordening van
                                            Waterschap Zuiderzeeland kent geen volledige
                                            vrijstelling van omslagheffing.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70976_0_1_1_2_"> Als genothebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht van een ongebouwde onroerende
                                    zaak wordt aangemerkt degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar als zodanig in de desbetreffende kadastrale
                                    registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip
                                    geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                    is.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e329"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Tweede lid (toestand
                                                op 1 januari is bepalend voor wie omslagplichtig
                                                is)</vet></noot.al><noot.al>In dit artikellid is voorgeschreven wie als
                                            zakelijk genothebbende ongebouwd moet worden aangemerkt.
                                            Dat is degene die bij het begin van het kalenderjaar als
                                            zodanig in de kadastrale registratie staat vermeld. Er
                                            kunnen zich problemen voordoen als een akte tot
                                            overdracht van een onroerende zaak kort voor 1 januari
                                            is verleden, doch die overdracht op 1 januari nog niet
                                            in de kadastrale registratie is ingeschreven. De
                                            levering van de onroerende zaak is eerst compleet op het
                                            tijdstip waarop de overdracht in de kadastrale
                                            registratie is ingeschreven. Zo lang dat niet is
                                            gebeurd, blijft de overdragende partij formeel de
                                            zakelijk genothebbende voor die onroerende zaak. In de
                                            praktijk wordt een bevredigende oplossing gevonden door
                                            gebruik van het wettelijk begrip "genot krachtens
                                            bezit". Indien uit de feitelijke omstandigheden
                                            duidelijk kan worden geconcludeerd dat de overdragende
                                            partij bij de ondertekening van de overdrachtsakte
                                            tevens de feitelijke beschikkingsmacht over de
                                            onroerende zaak aan de verkrijgende partij heeft
                                            overgedragen, dan kan daaruit worden afgeleid dat de
                                            verkrijgende partij op 1 januari het genot krachtens
                                            bezit had van de onroerende zaak.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H70976_0_1_1_3_"> In geval een ongebouwde onroerende
                                    zaak is onderworpen aan verschillende soorten van beperkt recht,
                                    wordt uitsluitend geheven van degene die het genot heeft van het
                                    beperkt recht, waaraan ingevolge artikel 24 van de
                                    Waterschapswet stemrecht is verbonden.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e348"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Derde lid
                                                (omslagplicht in geval van meerdere genothebbenden
                                                krachtens beperkt recht) </vet></noot.al><noot.al>Dit artikellid geeft een voorschrift voor de
                                            aanwijzing van de omslagplichtige genothebbende
                                            ongebouwd in de gevallen waarin geen sprake is van genot
                                            krachtens eigendom of bezit, maar wel van genot
                                            krachtens beperkt recht. In die gevallen kan zich de
                                            situatie voordoen waarin op dezelfde ongebouwde
                                            onroerende zaak verschillende soorten van beperkt recht
                                            zijn gevestigd. Deze rechten kunnen bestaan uit een
                                            combinatie van twee of meer rechten van erfpacht, opstal
                                            en vruchtgebruik. Bij zo'n combinatie van beperkte
                                            rechten schrijft artikel 118, vijfde lid, van de
                                            Waterschapswet voor dat als genothebbende ongebouwd
                                            wordt aangemerkt degene die ingevolge artikel 24 van de
                                            Waterschapswet als eerste van de in dat artikel genoemde
                                            genothebbenden krachtens beperkt recht wordt genoemd.
                                            (Dit is het genot waaraan stemrecht wordt toegekend.)
                                            Uit artikel 24 van de Waterschapswet blijkt dat
                                            achtereenvolgens de vruchtgebruiker, de opstaller of de
                                            erfpachter als genothebbende worden aangemerkt. Artikel
                                            24, eerste lid bepaalt dat indien een recht van opstal
                                            uitsluitend is gevestigd ten behoeve van de aanleg en/of
                                            het onderhoud van ondergrondse of bovengrondse
                                            leidingen, niet de opstaller maar de eigenaar van de
                                            grond stemgerechtigd is. In deze situatie wordt de
                                            eigenaar van de grond in de omslagheffing
                                            betrokken.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Omslagplicht eigenaren-gebruikers en pachters ongebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e370"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 4
                                                (omslagplicht eigenaren-gebruikers en pachters
                                                ongebouwd) </vet></noot.al><noot.al>Inleiding </noot.al><noot.al>Artikel 4 regelt de omslagplicht van
                                            eigenaren-gebruikers en van pachters van ongebouwde
                                            onroerende zaken. In dit verband wordt verwezen naar de
                                            inleiding van de toelichting op artikel 3.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70976_0_2_2_4_"> Met betrekking tot de taak van het
                                    waterschap inzake het waterkwantiteitsbeheer wordt een
                                    waterschapsomslag geheven van degenen die in het taakgebied
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, dan wel krachtens
                                    een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst het
                                    gebruik hebben van ongebouwde onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e391"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid (benoeming
                                                waterschapstaken en omslagplichtigen)
                                            </vet></noot.al><noot.al>Hetgeen is opgemerkt in de toelichting op artikel
                                            3, eerste lid geldt eveneens voor artikel 4, eerste lid,
                                            met dit verschil dat het in artikel 4 gaat over
                                            eigenaren-gebruikers en pachters ongebouwd.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70976_0_2_2_5_"> Als gebruiker van een ongebouwde
                                    onroerende zaak wordt aangemerkt:</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e410"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Tweede lid (toestand
                                                op 1 januari is bepalend voor wie omslagplichtig
                                                is)</vet></noot.al><noot.al>Het tweede lid van artikel 4 bevat bepalingen met
                                            betrekking tot de aanwijzing van de eigenaren-gebruikers
                                            en pachters die in de omslagheffing ongebouwd moeten
                                            worden betrokken. Bepalend voor de omslagheffing is de
                                            toestand op 1 januari van het kalenderjaar. Wie op dat
                                            tijdstip de hoedanigheid van eigenaar-gebruiker of
                                            pachter heeft, is omslagplichtig.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H70976_0_2_2_6_"> de genothebbende die krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht die zaak bij het begin van het
                                    kalenderjaar zelf in gebruik heeft;</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e429"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel a ziet op
                                            degenen die van een ongebouwde onroerende zaak het genot
                                            hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht en die
                                            voorts die zaak zelf in die hoedanigheid in gebruik
                                            hebben (eigenaren-gebruikers).]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H70976_0_2_2_7_"> degene die krachtens een door de
                                    grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst die zaak bij het begin
                                    van het kalenderjaar in gebruik heeft;</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e445"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel b heeft
                                            betrekking op degenen die een ongebouwde onroerende zaak
                                            in gebruik hebben krachtens een door de grondkamer
                                            goedgekeurde pachtovereenkomst.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H70976_0_2_2_8_"> indien bij het begin van het
                                    kalenderjaar niet blijkt dat het gebruik van die zaak een
                                    gebruik is in de zin van de onderdelen a en b: degene die van de
                                    ongebouwde onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom,
                                    bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e462"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel c bevat een
                                            fictiebepaling. Het ziet op de gevallen waarin een
                                            ongebouwde onroerende zaak wordt gebruikt door derden
                                            zonder dat daarbij sprake is van een door de grondkamer
                                            goedgekeurde pachtovereenkomst. Hierbij kan worden
                                            gedacht aan het geval waarin een pachtovereenkomst niet
                                            is geregistreerd, aan een overeenkomst tot verhuur van
                                            grond of aan een kortlopend contract, zoals een
                                            seizoencontract. Ook het geval waarin een voor 1 januari
                                            gesloten pachtovereenkomst voor registratie bij de
                                            grondkamer is aangemeld, maar op die datum nog niet is
                                            geregistreerd, valt onder deze bepaling. In al deze
                                            gevallen wordt de aanslag opgelegd aan degene die van de
                                            ongebouwde onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                            eigendom, bezit of beperkt recht, doorgaans dus de
                                            eigenaar van de grond.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Belastingobject ongebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e481"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 5
                                                (belastingobject ongebouwd) </vet></noot.al><noot.al>Inleiding </noot.al><noot.al>Conform artikel 117, derde en vierde lid, van de
                                            Waterschapswet wordt het belastingobject voor de
                                            omslagheffing ongebouwd aangeduid als "een ongebouwde
                                            onroerende zaak". De Waterschapswet biedt twee
                                            mogelijkheden om de omvang van een ongebouwde onroerende
                                            zaak te bepalen. De eerste mogelijkheid bestaat uit de
                                            in de wet verankerde hoofdregel inzake de afbakening van
                                            het ongebouwde belastingobject, ook wel aangeduid als
                                            "wettelijk object". De Waterschapswet biedt ook de
                                            mogelijkheid dat als een ongebouwd belastingobject wordt
                                            aangemerkt een kadastraal perceel, ook wel aangeduid als
                                            "kadastraal object". Het waterschap heeft gekozen voor
                                            de laatste mogelijkheid omdat deze aansluit bij de
                                            inrichting van de huidige bestanden. Deze methode is ook
                                            elders het meest gebruikelijk. Het is niet mogelijk
                                            beide mogelijkheden naast elkaar toe te passen. </noot.al><noot.al>Bij de tweede mogelijkheid is het niet
                                            onwaarschijnlijk dat hetgeen volgens de
                                            afbakenings­voorschriften van artikel 5 als één
                                            ongebouwde onroerende zaak moet worden aangemerkt, in
                                            een aantal zelfstandige ongebouwde belastingobjecten
                                            uiteen zal vallen. Voor elk van die objecten moeten
                                            afzonderlijke aanslagen worden vastgesteld, die echter
                                            ingevolge artikel 129 van de Waterschapswet op één
                                            aanslagbiljet kunnen worden verenigd.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70976_0_3_3_9_"> Voor de toepassing van de artikelen
                                    3 en 4 wordt als één ongebouwde onroerende zaak aangemerkt een
                                    kadastraal perceel of gedeelte daarvan, met dien verstande dat
                                    hetgeen wordt aangemerkt als een gebouwde onroerende zaak niet
                                    in aanmerking wordt genomen.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e504"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid
                                                (afscheiding gebouwde eigendommen van kadastraal
                                                perceel) </vet></noot.al><noot.al>Als een kadastraal perceel alleen bestaat uit
                                            ongebouwde eigendommen, zullen zich bij de afbakening
                                            van een ongebouwde onroerende zaak geen problemen
                                            voordoen. Problemen kunnen rijzen wanneer zich op een
                                            kadastraal perceel gebouwde eigendommen bevinden.
                                            Artikel 117, vierde lid, onderdeel b, bepaalt dat in
                                            zo'n geval van het kadastraal perceel de op dat perceel
                                            gelegen gebouwde eigendommen moeten worden afgescheiden,
                                            met inbegrip van de bij die gebouwde eigendommen
                                            behorende dienstbare grond. Indien zich derhalve op het
                                            kadastrale perceel gebouwde eigendommen bevinden, dienen
                                            eerst met toepassing van de afbakeningsvoorschriften van
                                            artikel 10 die gebouwde eigendommen tot een of meer
                                            gebouwde onroerende zaken -voor de omslagheffing
                                            gebouwd- te worden geformeerd. Wat van dat perceel nog
                                            resteert als ongebouwd, kan als een zelfstandig
                                            ongebouwd belastingobject in de omslagheffing worden
                                            betrokken.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70976_0_3_3_10_"> Indien een deel van een kadastraal
                                    perceel buiten het taakgebied van het waterschap is gelegen,
                                    wordt uitsluitend het binnen het taakgebied gelegen deel in
                                    aanmerking genomen.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e523"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Tweede lid
                                                (belastingobject dat binnen meer dan een taakgebied
                                                of op de grens van twee of meer waterschappen is
                                                gelegen) </vet></noot.al><noot.al>De situatie kan zich voordoen, waarin met
                                            toepassing van de afbakeningsvoorschriften van artikel
                                            5, eerste lid, een ongebouwde onroerende zaak als
                                            zelfstandig belastingobject ontstaat, die op de grens
                                            tussen twee of meer waterschappen is gelegen. Indien
                                            deze situatie zich voordoet, schrijft het tweede lid
                                            voor dat alleen het gedeelte van de volgens de
                                            afbakeningsregels tot stand gekomen ongebouwde
                                            onroerende zaak dat binnen het gebied van het waterschap
                                            is gelegen, in de omslagheffing ongebouwd kan worden
                                            betrokken. Dit gedeelte vormt voor de omslagheffing
                                            ongebouwd een zelfstandig ongebouwd belastingob­ject.
                                            Daarnaast is het mogelijk dat een object op de grens van
                                            een of meer taakgebieden is gelegen. In dat geval vormt
                                            het gedeelte dat binnen het taakgebied is gelegen een
                                            zelfstandige ongebouwde zaak.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H70976_0_3_3_11_"> Voor de toepassing van het eerste
                                    en tweede lid worden openbare land- en waterwegen en banen voor
                                    openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van
                                    kunstwerken, alsmede waterverdedigingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning, als ongebouwde eigendommen
                                    aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e542"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Derde lid (wegen
                                                e.d.)</vet></noot.al><noot.al>In aansluiting op artikel 117, vijfde lid, van de
                                            Waterschapswet bevat het derde lid een fictiebepaling,
                                            waarin wordt voorgeschreven dat openbare landwegen,
                                            waterwegen en spoorwegen met inbegrip van de van die
                                            wegen deel uitmakende kunstwerken, worden aangemerkt als
                                            ongebouwde objecten. ]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Heffingsmaatstaf ongebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70976_0_4_4_12_"> Met inachtneming van het bepaalde
                                    in de Omslagklassenverordening geldt voor de
                                    waterschapsomslagen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, als
                                    heffingsmaatstaf de oppervlakte van de ongebouwde onroerende
                                    zaak. De oppervlakte wordt uitgedrukt in een aantal hectaren of
                                    een gedeelte daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70976_0_4_4_13_"> Indien de oppervlakte van een
                                    ongebouwde onroerende zaak niet in de kadastrale registratie
                                    staat vermeld, stelt de ambtenaar belast met de heffing deze
                                    door middel van meting of schatting vast.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e574"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 6
                                                (heffingsmaatstaf ongebouwd) </vet></noot.al><noot.al>Zoals uit artikel 5 blijkt, is het belastingobject
                                            voor de omslagheffing zakelijk genothebbenden ongebouwd
                                            en de omslagheffing eigenaren-gebruikers en pachters
                                            ongebouwd gelijk. Hetzelfde geldt voor de
                                            heffingsmaatstaf voor het tarief. De heffingsmaatstaf
                                            voor een ongebouwde onroerende zaak bestaat uit de
                                            oppervlakte daarvan. Hoewel de Waterschapswet daarover
                                            niets bepaalt, wordt die oppervlakte uitgedrukt in een
                                            aantal hectaren of een gedeelte daarvan. Evenmin
                                            schrijft de Waterschapswet voor dat voor het vaststellen
                                            van de oppervlakte aansluiting moet worden gezocht bij
                                            de kadastrale situatie. In de praktijk is dit evenwel
                                            algemeen gebruikelijk. Het tweede lid van dit artikel
                                            gaat er dan ook van uit dat bij het vaststellen van de
                                            heffingsmaatstaf de kadastrale oppervlakte als regel
                                            doorslaggevend is. Als blijkt dat de kadastrale
                                            oppervlakte niet juist of niet bekend is, dient de
                                            ambtenaar belast met de heffing door middel van meting
                                            of schatting de concrete oppervlakte vast te stellen. </noot.al><noot.al>Ingevolge artikel 120, zevende lid, van de
                                            Waterschapswet is het waterschap bevoegd een
                                            Omslagklassenverordening vast te stellen ten einde te
                                            voorkomen dat verschillen in hoedanigheid of ligging van
                                            ongebouwde of gebouwde onroerende zaken leiden tot
                                            onevenredig voordeel of nadeel voor de omslagplichtigen.
                                            De Omslagklassenverordening bevat regels ter correctie
                                            van de algemeen geldende heffingsmaatstaven voor
                                            ongebouwde en gebouwde belastingobjecten.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tarieven ongebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H70976_0_5_5_14_">Met inachtneming van het bepaalde in
                                    de Kostentoedelingsverordening bedragen de tarieven van de
                                    waterschapsomslag per hectare:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H70976_0_5_5_15_"> bedoeld in artikel 3:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70976_0_5_5_16_"> voor de waterkeringszorg: € 6,24
                                    ;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70976_0_5_5_17_"> voor het waterkwantiteitsbeheer: €
                                    28,20;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H70976_0_5_5_18_"> bedoeld in artikel 4:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70976_0_5_5_19_"> voor het waterkwantiteitsbeheer: €
                                    28,20.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e627"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 7 (tarieven
                                                ongebouwd) </vet></noot.al><noot.al>De tarieven van waterschapsomslagen worden in
                                            belangrijke mate bepaald door de kostentoedeling aan de
                                            verschillende categorieën omslagplichtigen, zoals die is
                                            vastgelegd in de Kostentoedelingsverordening. In die
                                            verordening wordt het aandeel in de door het waterschap
                                            gemaakte kosten, gespecificeerd naar de taken
                                            waterkeringszorg en waterkwantiteitsbeheer, toegerekend
                                            aan de categorieën belanghebbenden bij de behartiging
                                            van die taken. De mate van belang die een bepaalde
                                            categorie heeft, wordt uitgedrukt in een percentage van
                                            de kosten voor de behartiging van de desbetreffende
                                            waterschapstaak. Op grond van deze kostentoedeling en
                                            het onderscheid in taakgebieden moeten de tarieven voor
                                            de verschillende waterschapsomslagen gedifferentieerd
                                            worden, waarbij de relatie tot de waterschapstaak tot
                                            uitdrukking wordt gebracht. </noot.al><noot.al>Het hanteren van verschillende tarieven houdt niet
                                            in dat afzonderlijke aanslagen, al dan niet verenigd op
                                            één aanslagbiljet, moeten worden opgelegd. Een zakelijk
                                            genothebbende ongebouwd krijgt één aanslag, ook al
                                            gelden er voor de heffingsmaatstaf van zijn ongebouwde
                                            zaak verschillende tarieven. Het verdient wel
                                            aanbeveling op het aanslagbiljet tot uitdrukking te
                                            brengen dat het bedrag van de aanslag de resultante is
                                            van de toepassing van verschillende tarieven. </noot.al><noot.al>Indien echter een persoon bij voorbeeld zowel
                                            zakelijk genothebbende ongebouwd als zakelijk
                                            genothebbende gebouwd is, moeten aan hem twee aanslagen
                                            worden opgelegd (al dan niet verenigd op één
                                            aanslagbiljet). </noot.al><noot.al>Ingevolge artikel 120, achtste lid van de
                                            Waterschapswet dient het tarief per eenheid van de
                                            heffingsmaatstaf gelijk te zijn. In artikel 6 wordt de
                                            heffingsmaatstaf uitgedrukt in hectaren. Het tarief
                                            wordt daarom in een bedrag per hectare uitgedrukt. </noot.al><noot.al>Het tarief in onderdeel a heeft betrekking op de
                                            omslagheffing genothebbenden ongebouwd, het tarief in
                                            onderdeel b op de omslagheffing eigenaren-gebruikers en
                                            pachters ongebouwd.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vrijstelling ongebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H70976_0_6_6_20_">De waterschapsomslagen, bedoeld in
                                    de artikelen 3 en 4, worden niet geheven terzake van ongebouwde
                                    onroerende zaken waarvan het waterschap krachtens eigendom,
                                    bezit of beperkt recht, dan wel krachtens een door de grondkamer
                                    goedgekeurde pachtovereen­komst genothebbende of gebruiker
                                    is.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e661"><noot.nr>23</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 8
                                                (vrijstellingen) </vet></noot.al><noot.al>Hoewel artikel 8 betrekking heeft op vrijstellingen
                                            van de omslagheffing ongebouwd, staan in deze
                                            toelichting beschouwingen die ook gelden voor de
                                            omslagheffing gebouwd. </noot.al><noot.al>In het algemeen brengt de aard van de omslagheffing
                                            mee dat er geen plaats is voor vrijstellingen. Elk
                                            onroerend object dient in de omslagheffing te worden
                                            betrokken, tenzij dat object aanwijsbaar geen belang
                                            heeft bij de behartiging van de waterschapstaak of
                                            -taken. Uit de vaststelling van het taakgebied in
                                            artikel 1 blijkt grosso modo of een bepaald object
                                            belang heeft. Voorts volgt uit artikel 2 dat een
                                            onroerende zaak alleen in de omslagheffing kan worden
                                            betrokken, indien die zaak belang heeft. Artikel 2 kan
                                            van belang zijn in individuele gevallen, waarvoor de
                                            omschrijving of begrenzing van het taakgebied geen
                                            uitsluitsel biedt. </noot.al><noot.al>Gezien de nauwe relatie tussen belang en betaling,
                                            is in deze verordening geen expliciete vrijstelling voor
                                            objecten zonder belang opgenomen. Voor objecten met een
                                            verminderd belang is het aantal en de omvang van deze
                                            objecten bepalend voor het antwoord op de vraag of een
                                            vrijstellingsbepaling moet worden opgenomen. In principe
                                            moet voor de gevallen van verminderd belang een
                                            oplossing worden gevonden in de
                                            Omslagklassenveror­dening. </noot.al><noot.al>In het algemeen worden vrijstellingen in een
                                            belastingregeling opgenomen op grond van
                                            maatschappelijke of politieke overwegingen of op grond
                                            van doelmatigheid. Evenals bij de omslagheffing biedt
                                            bij de gemeentelijke onroerende-zaakbelasting het
                                            zakelijke en objectieve karakter van de belasting in
                                            beginsel geen ruimte voor vrijstellingen. Wel zijn er
                                            (politieke of maatschappelijke) vrijstellingen voor
                                            landbouw- en cultuurgronden en voor kerken,
                                            natuurterreinen e.d. </noot.al><noot.al>De onroerende-zaakbelastingen zijn algemene
                                            belastingen, waarvan de opbrengst voor allerlei
                                            gemeentelijke doeleinden kan worden aangewend. De
                                            gemeenteraad beslist over de wenselijke opbrengsten en
                                            dus over de hoogte van het tarief. De omslagheffing
                                            daarentegen is een bestemmingsbelasting, waarvan de
                                            opbrengst en dus ook het tarief worden bepaald door de
                                            kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de
                                            waterschapstaak of -taken. De
                                            Kostentoedelingsverordening speelt daarbij een
                                            doorslaggevende rol. </noot.al><noot.al>Voor een algemene belasting kunnen gemakkelijker
                                            vrijstellingen worden verleend dan voor een specifieke
                                            bestemmingsbelasting. Bij de laatstbedoelde belasting
                                            leidt een vrijstelling ertoe dat niet vrijgestelde
                                            belastingplichtigen moeten opdraaien voor het aandeel in
                                            de kosten van vrijgestelde belastingplichtigen, die
                                            verhoudingsgewijs een even groot profijt kunnen hebben
                                            bij de te financieren bestemmingsvoorzieningen. Voor de
                                            omslagheffing zijn er daarom geen vrijstellingen die
                                            gebaseerd zijn op maatschappelijke of politieke
                                            overwegingen. Het verdient wel aanbeveling
                                            vrijstellingen op te nemen die gebaseerd zijn op
                                            doelmatigheidsoverwegingen, met een kosten/batenanalyse
                                            als uitgangspunt. Als er geen redelijke verhouding is
                                            tussen de perceptiekosten en de hoogte van het
                                            omslagbedrag, kan een vrijstelling op haar plaats zijn.
                                            Daarnaast kan door een aanslaggrens (artikel 18) worden
                                            voorkomen dat aanslagen van zeer lage bedragen worden
                                            opgelegd. </noot.al><noot.al>Ongebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                            genothebbende is krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                            recht of waarvan het waterschap pachter is, zijn om
                                            reden van doelmatigheid vrijgesteld.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 - Omslagheffing gebouwd</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Omslagplicht zakelijk genothebbenden gebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70977_0_1_1_1_"> Met betrekking tot de taken van het
                                    waterschap inzake de waterkeringszorg en het
                                    waterkwantiteitsbeheer wordt onder de naam "omslag gebouwd" een
                                    waterschapsomslag geheven van degenen die in een taakgebied
                                    krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van
                                    gebouwde onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70977_0_1_1_2_"> Als genothebbende krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht van een gebouwde onroerende
                                    zaak wordt aangemerkt degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar als zodanig in de desbetreffende kadastrale
                                    registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip
                                    geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H70977_0_1_1_3_"> In geval een gebouwde onroerende
                                    zaak is onderworpen aan verschillende soorten van beperkt recht,
                                    wordt uitsluitend geheven van degene die het genot heeft van het
                                    beperkte recht, waaraan ingevolge artikel 24 van de
                                    Waterschapswet stemrecht is verbonden.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e714"><noot.nr>24</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 9
                                                (omslagplicht genothebbenden gebouwd)
                                            </vet></noot.al><noot.al>Artikel 9 regelt de omslagplicht van degenen die
                                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot
                                            hebben van gebouwde onroerende zaken (genothebbenden
                                            gebouwd). Zij zijn genoemd in artikel 116, onderdeel c,
                                            van de Waterschapswet. Wie genothebbende is, wordt in
                                            het algemeen op grond van de kadastrale registers
                                            vastgesteld. </noot.al><noot.al>Indien een gebouwde onroerende zaak uitsluitend is
                                            belast met het recht van eigendom, spreekt het voor zich
                                            dat de eigenaar als zakelijk gerechtigde in de
                                            omslagheffing wordt betrokken. Als er op de gebouwde
                                            onroerende zaak een beperkt zakelijk recht is gevestigd,
                                            kan zich de vraag voordoen wie belastingplichtig is. In
                                            een arrest van 18 april 1990 (nr. 26607, BNB 1990/197,
                                            Belastingblad 1990, blz. 419) heeft de Hoge Raad beslist
                                            dat degene die het van het eigendomsrecht afgeleide
                                            beperkte recht heeft, in de belastingheffing moet worden
                                            betrokken. De beperkte zakelijke rechten die tot
                                            omslagplicht leiden zijn: </noot.al><noot.al>1. het appartementsrecht; </noot.al><noot.al>2. het recht van erfpacht; </noot.al><noot.al>3. het recht van vruchtgebruik; </noot.al><noot.al>4. het recht van gebruik en bewoning; </noot.al><noot.al>5. het recht van opstal. </noot.al><noot.al>Het appartementsrecht is geregeld in de artikelen
                                            5:106 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Op grond
                                            van deze artikelen is alleen een eigenaar, erfpachter of
                                            opstaller bevoegd een gebouw met toebehoren en de
                                            daarbij behorende grond te splitsen in
                                            appartementsrechten. De gerechtigde tot het
                                            appartementsrecht moet voor de toepassing van artikel 24
                                            Waterschapswet worden aangemerkt als eigenaar,
                                            erfpachter of opstaller.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Belastingobject gebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e750"><noot.nr>25</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 10
                                                (belastingobject) </vet></noot.al><noot.al>Inleiding </noot.al><noot.al>Conform artikel 117, eerste lid, van de
                                            Waterschapswet wordt het belastingobject voor de
                                            omslagheffing gebouwd aangeduid als "een gebouwde
                                            onroerende zaak". </noot.al><noot.al>Artikel 10 van de verordening bevat voorschriften
                                            voor de wijze waarop de omvang van een gebouwde
                                            onroerende zaak wordt bepaald. Artikel 10 sluit aan op
                                            artikel 117 van de Waterschapswet, dat op zijn beurt
                                            aansluit bij de objectafbakeningsvoorschriften voor
                                            gebouwde eigendommen in artikel 16 van de Wet WOZ.
                                            Artikel 10, tweede lid, betreft een objectafbakening die
                                            niet in de Wet WOZ voorkomt. Zie ook artikel 117, tweede
                                            lid, Waterschapswet. Op grond van deze bepaling maken
                                            ongebouwde eigendommen die dienstbaar zijn aan een
                                            gebouwd eigendom, deel uit van de gebouwde onroerende
                                            zaak. Dit betekent dat dergelijke ongebouwde onroerende
                                            zaken hun karakter van ongebouwde onroerende zaak
                                            verliezen (en opgaan in het gebouwde object). </noot.al><noot.al>Op grond van de Wet WOZ zijn de gemeenten verplicht
                                            om de waterschappen mededeling te doen van onder andere
                                            de aanduiding van de onroerende zaak, de waarde van de
                                            onroerende zaak en de naam, het adres en de woon- of
                                            vestigingsplaats van degene te wiens aanzien de
                                            WOZ-beschikking wordt genomen. De gemeenten zijn volgens
                                            de Wet WOZ ook verplicht aan de waterschappen de
                                            relevante gegevens te verstrekken van gebouwde objecten
                                            ten aanzien waarvan voor de gemeentelijke
                                            onroerende-zaakbelasting een facultatieve of verplichte
                                            vrijstelling geldt. Zie ook de toelichting op artikel
                                            13. </noot.al><noot.al>Volgens de Wet WOZ zijn de gemeenten ook verplicht
                                            tot het waarderen van objecten in aanbouw. Deze objecten
                                            vormen voor de waterschappen gebouwde onroerende zaken,
                                            die in de omslagheffing gebouwd moeten worden
                                            betrokken.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70977_0_2_2_4_"> Voor de toepassing van artikel 9
                                    wordt als een gebouwde onroerende zaak aangemerkt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H70977_0_2_2_5_"> een gebouwd eigendom;</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e782"><noot.nr>26</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid, onderdeel
                                                a (een gebouwd eigendom) </vet></noot.al><noot.al>In jurisprudentie over gemeentelijke
                                            onroerende-zaakbelastingen heeft de Hoge Raad bepaald
                                            dat het begrip gebouwd eigendom niet beperkt is tot
                                            constructies van min of meer duurzame aard, die dienen
                                            voor het bewaren van zaken of het beschutten van
                                            personen tegen atmosferische invloeden, maar dat daartoe
                                            ook andere bouwwerken, installaties, open inrichtingen
                                            of constructies in de open lucht behoren. Ook
                                            hoogspanningsmasten, open zwembaden, windmolens en
                                            dergelijke vallen onder dit begrip. Hoewel bij het
                                            begrip gebouwd eigendom vooral wordt gedacht aan een
                                            hoofdgebouw met eventueel bijgebouwen en omliggende
                                            grond en aan woonhuis met eventueel garage, schuur en
                                            tuin, behoren dus meer onroerende zaken tot dit
                                            begrip.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H70977_0_2_2_6_"> een gedeelte van een gebouwd
                                    eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een
                                    afzonderlijk deel te worden gebruikt;</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e801"><noot.nr>27</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid, onderdeel
                                                b (een gedeelte van een gebouwd eigendom)
                                            </vet></noot.al><noot.al>Onderdeel b van artikel 10, eerste lid, bepaalt dat
                                            een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn
                                            inrichting is bestemd om als een afzonderlijk deel te
                                            worden gebruikt, als een gebouwde onroerende zaak wordt
                                            aangemerkt. Bedoeld worden dan gedeelten die elk nog als
                                            een zelfstandige en onafhankelijke eenheid kunnen worden
                                            gebruikt. In dit verband kan worden gedacht aan
                                            appartementen in een flatgebouw, maar ook een etage in
                                            een woonhuis die is voorzien van eigen sanitaire
                                            voorzieningen en kookgelegenheid, welke afzonderlijk
                                            wordt verhuurd. Delen van gebouwen die niet zelfstandig
                                            en onafhankelijk kunnen worden gebruikt, zoals veelal
                                            het geval is bij kamerhuur, vormen geen afzonderlijk in
                                            de omslaghef­fing te betrekken belastingobjecten. De
                                            verhuurde kamers maken dan deel uit van het gebouw, voor
                                            het geheel waarvan de zakelijk gerechtigde in de
                                            omslagheffing gebouwd wordt betrokken.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H70977_0_2_2_7_"> een samenstel van twee of meer van
                                    de in onderdeel a bedoelde gebouwde eigendommen of van in
                                    onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde
                                    belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de
                                    omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e820"><noot.nr>28</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid, onderdeel
                                                c (een samenstel)</vet></noot.al><noot.al>Van een samenstel (of complex) is sprake indien
                                            twee of meer gebouwde eigendommen die met toepassing van
                                            de afbakeningsvoorschriften van de onderdelen a en b van
                                            artikel 10 elk als een afzonderlijk object zouden moeten
                                            worden aangemerkt, niettemin tezamen als een zelfstandig
                                            belastingobject worden beschouwd. Dat is het geval
                                            waarin die onroerende eigendommen bij een zelfde
                                            (rechts)persoon in gebruik zijn en naar de
                                            omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen. </noot.al><noot.al>Voor het begrip "naar de omstandigheden beoordeeld
                                            bij elkaar behorend" kan aansluiting worden gezocht bij
                                            de jurisprudentie over het begrip "naar maatschappelijke
                                            opvatting bij elkaar behorend" onder de gemeentelijke
                                            onroerende-zaakbelastingen. Daaruit blijkt dat tal van
                                            omstandigheden voor dit begrip van belang zijn. Ook de
                                            afstand tussen de eigendom­men kan hierbij een rol
                                            spelen. Vooral op industrieterreinen of bij agrarisch
                                            bedrijven kan sprake zijn van een samenstel of complex.
                                            Ook in situaties waarin gedeelten van een gebouwd
                                            eigendom die naar indeling zijn bestemd om als
                                            afzonderlijk deel te worden gebruikt, tezamen als één
                                            geheel worden gebruikt -bij voorbeeld de samenvoeging
                                            van twee appartementen in een appartementsgebouw- is
                                            sprake van een samenstel dat als één gebouwde onroerende
                                            zaak wordt aangemerkt. </noot.al><noot.al>In het arrest van 15 juli 1987 (nr. 24238, BNB
                                            1987/275, Belastingblad 1987, blz. 537 (gemeente
                                            Woerden) oordeelde de Hoge Raad dat een NS-terrein,
                                            waartoe onder meer een stationsgebouw, seinhuis,
                                            perrons, dienstgebouwen, een voetgangersbrug en
                                            spoorbanen behoren, een complex vormt. Ook een
                                            ziekenhuis met een zusterhuis heeft de Hoge Raad als een
                                            complex aangemerkt (arrest van 9 september 1992, nr.
                                            28352, BNB 1991/341, Belastingblad 1992, blz.
                                            649).]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H70977_0_2_2_8_"> het binnen het gebied van een
                                    gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoeld eigendom,
                                    van een in onderdeel b bedoeld gedeelte of van een in onderdeel
                                    c bedoeld samenstel;</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e843"><noot.nr>29</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid, onderdeel
                                                d (object dat binnen het gebied van meer dan een
                                                gemeente is gelegen) </vet></noot.al><noot.al>Dit onderdeel ziet op de situatie waarin het
                                            gebouwde eigendom, het gedeelte daarvan of het
                                            samenstel, niet in zijn geheel binnen het gebied van één
                                            gemeente is gelegen, maar deels ook in het gebied van
                                            een andere gemeente ligt. In die situatie vormt het deel
                                            dat binnen het gebied van een gemeente valt, een
                                            afzonderlijke gebouwde onroerende zaak die ook
                                            afzonderlijk in de heffing moet worden betrokken. Als
                                            een gebouwd eigendom dus op de grens van twee of meer
                                            gemeenten ligt, maar wel volledig binnen het gebied van
                                            het waterschap valt, zal het waterschap van elke
                                            betrokken gemeente de WOZ-gegevens ontvangen die
                                            betrekking hebben op dat deel van de onroerende zaak dat
                                            in die gemeente ligt. Omdat elk deel ingevolge de wet
                                            een afzonderlijke onroerende zaak vormt, moet het
                                            waterschap elk deel afzonderlijk in de omslagheffing
                                            betrekken.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H70977_0_2_2_9_"> het binnen een taakgebied gelegen
                                    deel van een in onderdeel a bedoeld eigendom, van een in
                                    onderdeel b bedoeld gedeelte, van een in onderdeel c bedoeld
                                    samenstel of van een in onderdeel d bedoeld deel.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e863"><noot.nr>30</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid, onderdeel
                                                e (belastingobject dat binnen meer dan een
                                                taakgebied of op de grens van twee of meer
                                                waterschappen is gelegen) </vet></noot.al><noot.al>Indien met toepassing van de
                                            afbakeningsvoorschriften van artikel 10 een gebouwde
                                            onroerende zaak tot stand komt, die gelegen is op de
                                            grens van twee of meer waterschappen, kan alleen het
                                            binnen het gebied van het waterschap gelegen gedeelte
                                            van die zaak in de omslagheffing gebouwd worden
                                            betrokken. Ingevolge onderdeel e van dit artikel moet
                                            een dergelijk binnen het gebied van het waterschap
                                            gelegen gedeelte van een gebouwd eigendom worden
                                            aangemerkt als een zelfstandige gebouwde onroerende
                                            zaak. </noot.al><noot.al>Daarnaast is het mogelijk dat een belastingobject
                                            is gelegen op de grens van twee of meer taakgebieden. In
                                            dat geval wordt het binnen het taakgebied gelegen
                                            gedeelte als een zelfstandige gebouwde onroerende zaak
                                            aangemerkt.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70977_0_2_2_10_"> Voor de toepassing van het eerste
                                    lid maken de ongebouwde eigendommen voor zover die dienstbaar
                                    zijn aan een gebouwd eigendom, aan een gedeelte van een gebouwd
                                    eigendom of aan een samenstel van gebouwde eigendommen, als
                                    bedoeld in onderdeel a, b of c van dat lid, deel uit van de
                                    gebouwde onroerende zaak, met uitzondering van de ongebouwde
                                    eigendommen, voor zover de waarde daarvan bij de waardebepaling
                                    op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken
                                    op basis van artikel 18, derde lid, van die wet buiten
                                    aanmerking wordt gelaten.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e884"><noot.nr>31</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Tweede lid
                                                (ongebouwde eigendommen behorende bij de gebouwde
                                                onroerende zaak)</vet></noot.al><noot.al>Dit artikellid, dat is gebaseerd op artikel 117,
                                            tweede lid, Waterschapswet, beschrijft de fictie dat de
                                            ongebouwde eigendommen die dienstbaar zij aan een
                                            gebouwd eigendom, een gedeelte daarvan of een samenstel,
                                            deel uitmaken van de gebouwde onroerende zaak. Dit
                                            betekent dat een ongebouwd eigendom dat dienstbaar is
                                            aan een gebouwd eigendom niet als een ongebouwde
                                            onroerende zaak maar als (deel van) een gebouwde
                                            onroerende zaak moet worden aangemerkt. Een dergelijk
                                            ongebouwd eigendom vormt met het gebouwde eigendom één
                                            gebouwde onroerende zaak. </noot.al><noot.al>In het algemeen is een ongebouwd eigendom
                                            dienstbaar aan een gebouwd eigendom in die gevallen
                                            waarin de gebruiksmogelijkheden van het gebouwde object
                                            positief worden beïnvloed door het ongebouwde object.
                                            Het ongebouwde object zal samen met het gebouwde object
                                            in gebruik zijn en daartoe behoren. Voorbeelden zijn de
                                            tuin, het erf, de moestuin of de paardenwei bij de
                                            woning. Ook grote(re) oppervlakken ongebouwd kunnen tot
                                            een gebouwd object behoren, indien ze daaraan dienstbaar
                                            zijn. </noot.al><noot.al>De wetgever heeft echter in hetzelfde artikel een
                                            aantal ongebouwde onroerende zaken genoemd die nimmer
                                            deel uit kunnen maken van een gebouwde onroerende zaak.
                                            Deze zaken zijn en blijven dus ongebouwd. Het betreft
                                            hier de ongebouwde onroerende zaken die zijn genoemd in
                                            de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ
                                            (Regeling van 23 december 1994, Stcrt. 252, zoals nadien
                                            gewijzigd). ]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Heffingsmaatstaf gebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e910"><noot.nr>32</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 11
                                                (heffingsmaatstaf gebouwd) </vet></noot.al><noot.al>Ingevolge artikel 120, tweede lid, van de
                                            Waterschapswet geldt in het geval waarin de gebouwde
                                            onroerende zaak tevens een onroerende zaak is als
                                            bedoeld in hoofdstuk III van de Wet WOZ, als
                                            heffingsmaatstaf de op de voet van hoofdstuk IV van de
                                            Wet WOZ voor die onroerende zaak vastgestelde waarde.
                                            Beide wetten gaan immers uit van hetzelfde object,
                                            dezelfde onroerende zaak. </noot.al><noot.al>Het uitgangspunt in de WOZ is dat de waarde wordt
                                            bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te
                                            worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde
                                            eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de
                                            verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt,
                                            onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen
                                            nemen (artikel 17, tweede lid, Wet WOZ). Deze waarde is
                                            bekend als de waarde in het economisch verkeer. </noot.al><noot.al>Deze waarde is altijd van toepassing op objecten
                                            die tot woning dienen en op niet-woningen met een
                                            rijksmonumentale status. Voor niet-woningen die niet op
                                            de rijksmonumentenlijst voorkomen, wordt uitgegaan van
                                            de gecorrigeerde vervangingswaarde indien deze waarde
                                            hoger is dan de waarde in het economisch verkeer. </noot.al><noot.al>Een belastingplichtige die het niet eens is met de
                                            waarde die voor zijn onroerende zaak is vastgesteld, kan
                                            binnen zes weken na de dagtekening van de
                                            WOZ-beschikking bij de gemeente bezwaar indienen. Doet
                                            hij dit niet, dan staat de waarde onherroepelijk vast.
                                            Slechts in bijzondere situaties kan de waarde dan nog
                                            door de gemeente worden herzien.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70977_0_3_3_11_"> Voor de waterschapsomslag, bedoeld
                                    in artikel 9, geldt, indien de gebouwde onroerende zaak tevens
                                    een onroerende zaak is als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet
                                    waardering onroerende zaken, als heffingsmaatstaf de op voet van
                                    hoofdstuk IV van die wet voor de onroerende zaak vastgestelde
                                    waarde voor het tijdvak waarbinnen het desbetreffende
                                    kalenderjaar valt.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e935"><noot.nr>33</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid
                                                (waardevaststelling door de gemeente)
                                            </vet></noot.al><noot.al>Dit artikellid bepaalt dat voor een gebouwde
                                            onroerende zaak die tevens een onroerende zaak is in de
                                            zin van de Wet WOZ, als heffingsmaatstaf geldt de waarde
                                            in het economisch verkeer die de gemeente in het kader
                                            van die wet voor die zaak heeft vastgesteld. De door de
                                            gemeente vastgestelde waarde geldt ingevolge artikel 22
                                            van de Wet WOZ voor een tijdvak van een kalenderjaar. De
                                            waarde wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking
                                            vastgesteld. </noot.al><noot.al>Op grond van artikel 26 van de Wet WOZ kunnen
                                            overigens ook tussentijdse waardebeschikkingen worden
                                            vastgesteld. Deze tussentijdse beschikkingen gelden
                                            eveneens voor één kalenderjaar </noot.al><noot.al>Op grond van artikel 27 van de Wet WOZ zijn
                                            gemeenten onder bepaalde omstandigheden en voorwaarden
                                            bevoegd een eenmaal vastgestelde WOZ-waarde te herzien.
                                            Een feit dat de heffingsambtenaar bekend was of
                                            redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan echter geen
                                            grond voor herziening opleveren. Herzien gebeurt bij een
                                            voor bezwaar vatbare beschikking.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70977_0_3_3_12_"> In afwijking van het eerste lid
                                    wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de omslagen
                                    terzake van gebouwde onroerende zaken buiten aanmerking gelaten,
                                    voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in
                                    het eerste lid bedoelde waarde, de waarde van werktuigen als
                                    bedoeld in artikel 220d, eerste lid, onderdeel j, van de
                                    Gemeentewet, juncto artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van de
                                    Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering
                                    onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H70977_0_3_3_13_"> Bij de toepassing van het tweede
                                    lid is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 19,
                                    eerste lid, onderdelen b en c, tweede lid, onderdelen b en c,
                                    20, tweede lid, en 22, derde lid, van de Wet waardering
                                    onroerende zaken van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e963"><noot.nr>34</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Tweede en derde lid
                                                (waarde van werktuigen)</vet></noot.al><noot.al>De vrijstelling voor werktuigen is geregeld in
                                            artikel 220d, eerste lid, onderdeel j, van de
                                            Gemeentewet en artikel 2, eerste lid, onderdeel e, van
                                            de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ.
                                            Op grond van artikel 120, zesde lid, van de
                                            Waterschapswet moeten waterschappen rekening houden met
                                            deze vrijstelling indien zij bij een aanslag gebouwd de
                                            waarde van een onroerende zaak zelf bepalen (zie ook
                                            artikel 11, vijfde lid, van de verordening en de
                                            toelichting daarop). De waarderingsregels van de Wet WOZ
                                            zijn hierbij van toepassing.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H70977_0_3_3_14_"> Voor de omslagen terzake van
                                    gebouwde onroerende zaken die deel uitmaken van een onroerende
                                    zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering
                                    onroerende zaken, wordt de heffingsmaatstaf gesteld op het
                                    gedeelte van de op voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering
                                    onroerende zaken vastgestelde waarde dat kan worden toegekend
                                    aan de gebouwde onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e982"><noot.nr>35</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Vierde lid (gebouwde
                                                onroerende zaak is deel van het WOZ-object)
                                            </vet></noot.al><noot.al>Indien het gebouwde object voor de
                                            waterschapsomslag deel uitmaakt van het WOZ-object (dat
                                            wil zeggen dat het WOZ-object meer omvat dan het
                                            gebouwde object voor het waterschap), zou het niet juist
                                            zijn om de totale WOZ-waarde, zoals door de gemeente aan
                                            het WOZ-object is toegekend, als heffingsmaatstaf te
                                            nemen. De Waterschapswet schrijft voor (in artikel 120,
                                            vijfde lid) dat de heffingsmaatstaf voor de omslag
                                            gebouwd in een dergelijk geval wordt gesteld op het
                                            gedeelte van de WOZ-waarde dat kan worden toegekend aan
                                            de gebouwde onroerende zaak. </noot.al><noot.al>Artikel 120, vijfde lid, van de Waterschapswet zal
                                            naast de gevallen waarin het object voor de
                                            waterschapsomslag gebouwd deel uitmaakt van het
                                            WOZ-object, in de praktijk ook toepassing vinden in
                                            gevallen waarin het WOZ-object wordt doorsneden door de
                                            waterschapsgrens. </noot.al><noot.al>Het aantal gevallen waarin het object voor de
                                            omslag gebouwd niet gelijk is aan het WOZ-object, is in
                                            de praktijk betrekkelijk gering. Voorbeelden zijn
                                            sportterreinen met kleedkamers en kantine, de kazerne
                                            bij een militair oefenterrein en een CBR-oefenterrein
                                            waarop zich een gebouwtje bevindt.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H70977_0_3_3_15_"> Indien het eerste of vierde lid
                                    geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op de voet
                                    van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken
                                    vastgestelde waarde, wordt de heffingsmaatstaf van die gebouwde
                                    onroerende zaak bepaald met toepassing van het tweede en derde
                                    lid en met overeenkomstige toepassing van het vierde lid alsmede
                                    van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16 tot en met 19,
                                    20, tweede lid, en 22, derde lid, van de Wet waardering
                                    onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1005"><noot.nr>36</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Vijfde lid (ontbreken
                                                WOZ-waarde)</vet></noot.al><noot.al>Het vijfde lid van de verordening geeft de
                                            vangnetbepaling van artikel 120, zesde lid, van de
                                            Waterschapswet weer. Deze bepaling maakt het voor het
                                            waterschap mogelijk om in gevallen waarin de gemeente
                                            voor een onroerende zaak (nog) geen WOZ-waarde heeft
                                            vastgesteld, toch belasting te heffen. Voorwaarde
                                            daarbij is dat het waterschap voor het betrokken object
                                            een waarde vaststelt en daarbij de regels van de Wet WOZ
                                            inzake de waardebepaling volgt. De waarde dient te
                                            worden vastgesteld door de ambtenaar belast met de
                                            heffing. Een aldus vastgestelde waarde wordt niet bij
                                            een zogenaamde vervangende WOZ-beschikking aan de
                                            belastingplichtige bekend gemaakt, maar de waarde wordt
                                            vastgesteld en bekend gemaakt in het kader van het
                                            vaststellen van de aanslag in de waterschapsomslag
                                            gebouwd. . Overigens zal het waterschap de aanslag die
                                            op grond van de vangnetbepaling is opgelegd, ambtshalve
                                            dienen te verminderen indien de naderhand door de
                                            gemeente vastgestelde WOZ-waarde lager is dan de waarde
                                            waarvan het waterschap bij de aanslag is uitgegaan.
                                            ]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al>Invloed Omslagklassenverordening op de heffingsmaatstaf</al></lid><lid><lidnr/><al>Indien het waterschap ook ten behoeve van gebouwde onroerende
                                    zaken een Omslagklas­senverordening heeft ingesteld, dient dit
                                    in artikel 11 tot uitdrukking te worden gebracht. Waterschap
                                    Zuiderzeeland kent echter tot op heden geen omslagklassen voor
                                    gebouwde onroerende zaken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tarieven gebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H70977_0_4_4_16_">Met inachtneming van het bepaalde in
                                    de Kostentoedelingsverordening bedragen de tarieven van de
                                    waterschapsomslag, bedoeld in artikel 9, voor elke volle €
                                    2.500,-- van de heffingsmaatstaf:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H70977_0_4_4_17_"> voor de waterkeringszorg €
                                    0,12;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H70977_0_4_4_18_"> voor het waterkwantiteitsbeheer €
                                    0,80.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1050"><noot.nr>37</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 12 (tarieven
                                                gebouwd) </vet></noot.al><noot.al>Hetgeen is opgemerkt in de toelichting op artikel 7
                                            over de tarieven voor het ongebouwd is ook van
                                            toepassing op de tarieven voor het gebouwd. Het verschil
                                            tussen artikel 7 en artikel 12 bestaat uit de
                                            verschillende eenheden van de heffingsmaatstaf. In
                                            artikel 12 zijn de eenheden van de heffingsmaatstaf
                                            uitgedrukt in een bedrag van € 2.500,--. Dit bedrag komt
                                            overeen met de eenheid die in de Gemeentewet voor de
                                            onroerende-zaakbelasting wordt gehanteerd. </noot.al><noot.al>De Waterschapswet bepaalt in artikel 120, achtste
                                            lid, dat het tarief van de belasting per eenheid van de
                                            heffingsmaatstaf gelijk is.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Vrijstellingen gebouwd</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1074"><noot.nr>38</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 13
                                                (vrijstellingen gebouwd) </vet></noot.al><noot.al>Hetgeen is opgemerkt in de toelichting op artikel 8
                                            (vrijstellingen ongebouwd) is mutatis mutandis ook van
                                            toepassing op artikel 13. </noot.al><noot.al>De Wet WOZ verplicht de gemeenten voor alle
                                            onroerende zaken een waarde vast te stellen. (De waarde
                                            van onroerende zaken die zijn opgenomen in de reeds
                                            eerder genoemde Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                                            objecten Wet WOZ blijft echter buiten aanmerking.) Deze
                                            verplichting leidt ertoe dat de gemeenten ook voor
                                            onroerende zaken die zij zelf niet in de heffing van de
                                            onroerende-zaakbelastingen betrekken (omdat deze op
                                            grond van de Gemeentewet verplicht zijn vrijgesteld of
                                            omdat in de belastingverordening facultatieve
                                            vrijstellingen zijn opgenomen), de waarde moeten
                                            vaststellen indien het waterschap die onroerende zaken
                                            wel in de omslagheffing gebouwd betrekt. Met
                                            uitzondering van de situatie bedoeld in artikel 120,
                                            zesde lid, van de Waterschapswet (artikel 11, vijfde
                                            lid, van de verordening) bepalen de waterschappen de
                                            waarde van deze onroerende zaken niet zelf, maar moet de
                                            waarde door de gemeente worden aangeleverd. </noot.al><noot.al>De objecten die ingevolge de Gemeentewet verplicht
                                            van de onroerende-zaakbelasting zijn vrijgesteld, zijn
                                            genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de Gemeentewet
                                            en betreffen zowel gebouwde als ongebouwde onroerende
                                            zaken. </noot.al><noot.al>In de onderdelen g en h van artikel 220d, eerste
                                            lid, van de Gemeentewet zijn waterverdedi­gings- en
                                            waterbeheersingswerken en werken die zijn bestemd voor
                                            de zuivering van riool- en ander afvalwater verplicht
                                            vrijgesteld, indien deze werken worden beheerd door
                                            publiekrechtelijke rechtspersonen. Met uitzondering van
                                            de objecten die als waterverdedi­gingswerk dienen, zijn
                                            de gemeenten echter wel verplicht voor deze werken een
                                            WOZ-waarde vast te stellen. Dit is een gevolg van het
                                            feit dat de waterschappen bij de bij de invoering van de
                                            Wet WOZ hebben aangegeven deze objecten doorgaans wel in
                                            de heffing van de omslag gebouwd te zullen
                                            betrekken.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al id="anker-H70977_0_5_5_19_">De waterschapsomslag, bedoeld in
                                    artikel 9, wordt niet geheven terzake van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al> straatmeubilair, waaronder worden begrepen alle zodanige
                                    gebouwde eigendommen </al><al>-niet zijnde gebouwen- welke zijn geplaatst ten gerieve of in
                                    het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                                    verfraaiing van een in het taakgebied gelegen gemeente, zoals
                                    lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                                    fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1105"><noot.nr>39</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel a
                                                (straatmeubilair) </vet></noot.al><noot.al>Voor zover bekend kennen alle waterschappen en ook
                                            alle gemeenten een vrijstelling voor straatmeubilair. De
                                            vrijstelling wordt doelmatig geacht, vooral gelet op de
                                            verwachte problemen bij de objectafbakening en de
                                            waardering van straatmeubilair.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H70977_0_5_5_21_"> gebouwde onroerende zaken waarvan
                                    het waterschap genothebbende is krachtens eigendom, bezit of
                                    beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1124"><noot.nr>40</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Onderdeel b
                                                (eigendommen van het waterschap)</vet></noot.al><noot.al>Gebouwde onroerende zaken waarvan het waterschap
                                            het waterschap zelf genothebbende krachtens eigendom,
                                            bezit of beperkt recht is, zijn vrijgesteld. Onroerende
                                            zaken waarvan het waterschap het bloot eigendom heeft
                                            (dat wil zeggen dat het waterschap op deze zaken ten
                                            behoeve van een ander een beperkt zakelijk recht heeft
                                            gevestigd), vallen niet onder de
                                            vrijstelling.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4 - Omslagheffing ingezetenen</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Omslagplicht ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1150"><noot.nr>41</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 14
                                                (omslagplicht ingezetenen) </vet></noot.al><noot.al>De rechtsgrond voor de omslagheffing terzake van
                                            ingezetenen is de omstandigheid dat dezen binnen het
                                            waterschapsgebied kunnen wonen, werken en recreëren en
                                            dat zij zich daarin vrijelijk kunnen verplaatsen, een
                                            ander voor zover de behartiging van de waterschapstaak
                                            of -taken hen daartoe in staat stelt; dit is een
                                            algemeen belang. Aangezien de behartiging van de
                                            waterschapstaak of -taken ten aanzien van ingezetenen
                                            immateriële waarden dient, moet het ingezetenenbelang
                                            worden gezien als een immaterieel belang, dat los staat
                                            van het belang dat de specifieke onroerende zaak (de
                                            woonruimte) bij de taakuitoefening door het waterschap
                                            heeft. Het ingezetenenbelang is subject- of
                                            persoonsgericht. Bij de andere categorieën
                                            omslagplichtigen gaat het om materiële belangen: de
                                            instandhouding en het in het kader van hun functie
                                            optimaal kunnen aanwenden van gebouwde en ongebouwde
                                            onroerende zaken, waarvoor doeltreffende
                                            waterschapsvoorzieningen noodzakelijk zijn. De belangen
                                            die ten grondslag liggen aan de omslagheffingen
                                            ongebouwd en gebouwd zijn dan ook object- of
                                            zaakgebonden. </noot.al><noot.al>Het algemeen taakbelang is opgebouwd uit de
                                            immateriële componenten van de uit te oefenen specifieke
                                            taken. In de Kostentoedelingsverordening moet worden
                                            aangegeven hoe groot die componenten zijn, uitgedrukt in
                                            een percentage van de kosten per taak. Die percentages
                                            kunnen van taak tot taak verschillen. Het is zelfs
                                            denkbaar dat bij een bepaalde taak in het geheel geen
                                            kosten worden toegerekend aan de ingezetenen, omdat een
                                            aanwijsbaar ingezetenenbelang niet of nauwelijks
                                            aanwezig is. Dit hangt samen met de omvang van het
                                            beheersgebied van het waterschap en die van de
                                            inliggende taakgebieden, alsmede van de geografische
                                            situatie in die gebieden. Hoe groter het
                                            waterschapsgebied en hoe groter de geografische
                                            differentiatie, des te meer verschillen kunnen zich
                                            voordoen bij de behartiging van het algemene taakbelang
                                            ten behoeve van de ingezetenen. Hieruit volgt dat per
                                            waterschapstaak al dan niet een tarief moet worden
                                            vastgesteld. De hoogte van de ingezetenenomslag is
                                            daarom afhankelijk van het taakgebied waar de woonruimte
                                            van de ingezetene is gelegen. De Hoge Raad heeft dit in
                                            een arrest van 10 augustus 2001 (nr. 36014) bevestigd.
                                            De Hoge Raad heeft ook beslist dat waterschappen waarvan
                                            het gebied uit verschillende taakgebieden bestaat, de
                                            vrijheid hebben hetzij in het gehele gebied de
                                            ingezetenenomslag op een gelijk bedrag per woonruimte te
                                            stellen, hetzij per taakgebied de ingezetenenomslag op
                                            een gelijk bedrag per woonruimte te stellen. </noot.al><noot.al>De Waterschapswet schrijft voor de
                                            ingezetenenomslag geen heffingsmaatstaf voor. Weliswaar
                                            bepaalt artikel 121 van die wet dat het tarief voor de
                                            ingezetenenomslag op een gelijk bedrag per woonruimte
                                            wordt vastgesteld, maar daardoor is de woonruimte nog
                                            geen maatstaf van heffing geworden. De in artikel 121
                                            gebezigde term "woonruimte" moet worden gezien als
                                            onderdeel van het belastbare feit, genoemd in artikel
                                            118, derde lid, van de Waterschapswet. Dit belastbare
                                            feit wordt omschreven als "het blijkens de gemeentelijke
                                            basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van
                                            het belastingjaar hebben van woonplaats in het gebied
                                            van het waterschap en het aldaar in gebruik hebben van
                                            woonruimte". Indien aan deze twee voorwaarden is
                                            voldaan, kan een inwoner van het waterschap als
                                            ingezetenen worden aangemerkt.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70978_0_1_1_1_"> Met betrekking tot de taken van het
                                    waterschap inzake de waterkeringszorg en het
                                    waterkwantiteitsbeheer wordt onder de naam "ingezetenenomslag"
                                    een waterschapsom­slag geheven van degenen die in het
                                    beheersgebied van het waterschap ingezetenen zijn.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1173"><noot.nr>42</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste lid (benoeming
                                                waterschapstaak/taken en omslagplichtigen)
                                            </vet></noot.al><noot.al>In het eerste lid zijn de waterschapstaken vermeld
                                            die het waterschap op grond van het provinciale
                                            reglement ten behoeve van de ingezetenen moet
                                            behartigen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70978_0_1_1_2_"> Als ingezetene wordt aangemerkt
                                    degene die blijkens de gemeentelijke basisadministra­tie
                                    persoonsgegevens bij het begin van het kalenderjaar woonplaats
                                    heeft in het gebied van het waterschap en aldaar het gebruik
                                    heeft van een woonruimte. Voor de toepassing van de vorige
                                    volzin wordt het gebruik van woonruimte door de leden van een
                                    gezamenlijke huishouding aangemerkt als gebruik door een door de
                                    ambtenaar belast met de heffing aan te wijzen lid van dat
                                    huishouden.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1192"><noot.nr>43</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Tweede lid (toestand
                                                op 1 januari is bepalend voor wie omslagplichtig
                                                is)</vet></noot.al><noot.al>In dit lid is bepaald dat als ingezetene wordt
                                            aangemerkt degene die op 1 januari van het kalenderjaar
                                            blijkens de gemeentelijke basisadministratie
                                            persoonsgegevens woonplaats heeft in het gebied van het
                                            waterschap en aldaar gebruik heeft van woonruimte. </noot.al><noot.al>Indien een woonruimte wordt gebruikt door personen
                                            die een gezamenlijke huishouding vormen, wordt slechts
                                            een van hen in de ingezetenenomslag betrokken. De
                                            ambtenaar die belast is met de heffing wijst hiertoe een
                                            lid van dat huishouden aan. Hij houdt daarbij rekening
                                            met het "Aanwijzingsbesluit belastingplichtigen" van het
                                            waterschap. Indien conform dit beleid is gehandeld,
                                            dienen bezwaren op grond van het feit dat een ander lid
                                            van het huishouden de aanslag had moeten ontvangen,
                                            ongegrond te worden verklaard. </noot.al><noot.al>Bij gebruik van een onzelfstandig deel van een
                                            woonruimte -bij voorbeeld in geval van kamerverhuur- kan
                                            voor dit gebruik geen ingezetenenomslag worden geheven
                                            (Hoge Raad 26 juni 1996, nr. 31176, Belastingblad 1996,
                                            blz. 436). </noot.al><noot.al>Met ingang van 1 januari 2001 staat in de
                                            waterschapswet een definitie van het begrip woonruimte
                                            die gelijk is aan de definitie in de Wet verontreiniging
                                            oppervlaktewateren. De heffing van ingezetenenomslag is
                                            niet beperkt tot het gebruik van onroerende zaken.
                                            Indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan,
                                            leidt ook het gebruik van (roerende) woonwagens en
                                            woonboten als woonruimte tot heffing.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tarief ingezetenen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H70978_0_2_2_3_">Met inachtneming van het bepaalde in
                                    de Kostentoedelingsverordening bedragen de tarieven van de
                                    waterschapsomslag, bedoeld in artikel 14, per woonruimte in het
                                    beheersgebied van het waterschap:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H70978_0_2_2_4_"> voor de waterkeringszorg € 6,74
                                </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H70978_0_2_2_5_"> voor het waterkwantiteitsbeheer €
                                    48,41.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1234"><noot.nr>44</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 15 (tarieven
                                                ingezetenen) </vet></noot.al><noot.al>Uit de Kostentoedelingsverordening blijkt de
                                            afweging van belangen (het algemeen taakbelang van de
                                            ingezetenen en een of meer specifieke taakbelangen van
                                            de onroerende zaken). Hieruit volgt dat het tarief per
                                            waterschapstaak kan verschillen of zelfs ontbreken. </noot.al><noot.al>Verder wordt verwezen naar de toelichting op
                                            artikel 7 (tarieven ongebouwd), die mutatis mutandis ook
                                            geldt voor de ingezetenentarieven.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 5 - Heffing en invordering</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Wijze van heffing</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H70979_0_1_1_1_">De waterschapsomslagen worden geheven
                                    bij wege van aanslag.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1266"><noot.nr>45</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 16 (wijze van
                                                heffing) </vet></noot.al><noot.al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen
                                            waterschapsbelastingen worden geheven bij wege van
                                            aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of op
                                            andere wijze, maar niet bij wege van afdracht op
                                            aangifte. Het hangt van de aard van de belasting af,
                                            welke heffingstechniek het meest het doelmatig is. </noot.al><noot.al>Waterschapsomslagen worden in de regel geheven bij
                                            wege van aanslag. Deze heffingswij­ze is dan ook in
                                            artikel 16 voorgeschreven.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Aanslagen bij meerdere omslagplichtigen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H70979_0_2_2_2_">Indien voor de toepassing van de
                                    artikelen 3, 4 en 9 met betrekking tot eenzelfde onroerende zaak
                                    meer dan één genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                    recht dan wel meer dan één gebruiker kan worden aangewezen, kan
                                    de aanslag worden gesteld ten name van één van hen.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1294"><noot.nr>46</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 17 (aanslagen
                                                bij meerdere omslagplichtigen) </vet></noot.al><noot.al>Ingevolge artikel 142 1e tm 3e lid van de
                                            Waterschapswet zijn waterschappen bevoegd om in gevallen
                                            waarin voor hetzelfde voorwerp van de belasting of
                                            hetzelfde belastbare feit twee of meer personen
                                            belastingplichtig zijn, de belastingaanslag ten name van
                                            een van hen te stellen. Degene op wiens naam de aanslag
                                            is gesteld, is bevoegd hetgeen hij meer heeft voldaan
                                            dan overeenkomt met zijn belastingplicht, naar
                                            evenredigheid van ieders belastingplicht te verhalen op
                                            de overige belastingplichtigen. De waterschappen zijn
                                            bevoegd de aanslag voor het geheel in te vorderen bij
                                            degene op wiens naam de aanslag is gesteld. De
                                            toevoeging "cum suis" die in het verleden wel werd
                                            gebruikt om aan te geven dat er buiten degene die op het
                                            aanslagbiljet was genoemd ook andere personen
                                            omslagplichtig waren, is gezien het bovenstaande niet
                                            noodzakelijk (maar wel toegestaan). </noot.al><noot.al>Degenen op wiens naam de belastingaanslag niet is
                                            gesteld maar die wel belastingplichtig zijn, zijn
                                            bevoegd tegen de aanslag bezwaar en beroep in te stellen
                                            (artikel 142, vierde lid, van de Waterschapswet). Indien
                                            deze belastingplichtigen daarom vragen, dienen zij op de
                                            hoogte te worden gebracht van de gegevens met betrekking
                                            tot de aanslag, voor zover die gegevens voor het maken
                                            van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden
                                            geacht. </noot.al><noot.al>Belastingplichtigen op wiens naam de aanslag niet
                                            is gesteld, zullen er wellicht niet altijd in slagen hun
                                            bezwaarschrift binnen de wettelijke termijn van zes
                                            weken in te dienen. Het kan immers gebeuren dat zij door
                                            de andere belastingplichtige pas op een zodanig moment
                                            van de aanslag in kennis worden gesteld, dat zij
                                            onmogelijk aan de wettelijke termijn kunnen voldoen. In
                                            deze situaties moet op grond van artikel 6:11 van de
                                            Algemene wet bestuurs­recht worden beoordeeld of de
                                            indiener van het bezwaarschrift al dan niet in verzuim
                                            is. Van belang hierbij is dat de belastingplichtige,
                                            zodra hij van de aanslag kennis draagt, zijn
                                            bezwaarschrift zo spoedig mogelijk als van hem
                                            redelijkerwijs kan worden verlangd, behoort in te
                                            dienen. </noot.al><noot.al>Artikel 17 heeft geen betrekking op de
                                            ingezetenenomslag. Voor die omslag geldt artikel 118,
                                            derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet. Daarin is
                                            bepaald dat bij gebruik van een woonruimte door meerdere
                                            personen die gezamenlijk een huishouden vormen, slechts
                                            één persoon belastingplichtig is.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Afronding en niet opleggen van aanslagen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70979_0_3_3_3_"> Aanslagen van minder dan € 5,--
                                    worden niet opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70979_0_3_3_4_"> Voor de toepassing van het vorige
                                    lid wordt het totaal van de op een aanslagbiljet verenigde
                                    aanslagen aangemerkt als één aanslag.</al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Artikel 18 (niet opleggen van aanslagen, lid1) </vet></al></lid><lid><lidnr/><al>Artikel 18 is een weergave van hetgeen in artikel 122 van de
                                    Waterschapswet staat vermeld. Het voorschrift over het niet
                                    opleggen van aanslagen moet gezien worden als een
                                    doelmatigheidsbepaling die voorkomt dat aanslagen worden
                                    opgelegd voor betrekkelijk geringe bedragen. Deze situatie kan
                                    zich met name bij onroerende zaken met een relatief geringe
                                    waarde voordoen. Er dient een bestuurlijke afweging plaats te
                                    vinden over de hoogte van het bedrag waaronder geen aanslagen
                                    worden opgelegd. Een en ander is afhankelijk van de
                                    perceptiekosten, waaronder in dit verband moet worden verstaan
                                    de kosten die met de aanslagoplegging zelf gemoied zijn. Artikel
                                    122, tweede lid Waterschapswet houdt niet een verplichting in
                                    (maar een bevoegdheid van ) de waterschappen. In lid 1 van
                                    artikel 18 is bepaald dat er geen aanslagen worden opgelegd
                                    wanneer het bedrag lager is dan €5,-- </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Betalingstermijn </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70979_0_4_4_5_"> Een aanslag in de waterschapsomslag
                                    als bedoeld in de artikelen 3, 4 en 9 moet worden betaald binnen
                                    twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70979_0_4_4_6_"> In het binnen de gemeenten Almere,
                                    Zeewolde, Lelystad, Dronten en Lemsterland gelegen deel van het
                                    beheersgebied van Waterschap Zuiderzeeland moet een aanslag als
                                    bedoeld in artikel 14 worden betaald binnen twee maanden na
                                    dagtekening van het aanslagbiljet dan wel in zoveel gelijke
                                    maandelijkse termijnen als er nog maanden in het jaar resteren
                                    door middel van automatische incasso.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H70979_0_4_4_7_"> In het binnen de gemeenten
                                    Noordoostpolder, Urk en Steenwijkerland gelegen deel van het
                                    beheersgebied van Waterschap Zuiderzeeland moet een aanslag in
                                    de waterschapsomslag als bedoeld in artikel 14, naar keuze van
                                    de belastingplichtige worden betaald binnen twee maanden na
                                    dagtekening van het aanslagbiljet dan wel tegelijk met en op
                                    dezelfde wijze als die waarop de nota’s van de
                                    drinkwatermaatschappij in het verzorgingsgebied waarvan de
                                    woonruimte is gelegen, moeten worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H70979_0_4_4_8_"> Een navorderingsaanslag moet worden
                                    betaald binnen een maand na dagtekening van het
                                    aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H70979_0_4_4_9_"> Een bedrag vermeld op een
                                    beschikking inzake een bestuurlijke boete moet worden betaald
                                    binnen twee maanden na dagtekening van die beschikking.</al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Artikel 19 (betalingstermijnen) </vet></al></lid><lid><lidnr/><al>Dit artikel sluit aan op de termijnen die geregeld zijn in
                                    artikel 9 van de Invorderingswet 1990. In artikel 9, eerste lid,
                                    van die wet is geregeld dat een belastingaanslag twee maanden na
                                    dagtekening van het aanslagbiljet invorderbaar is. Voor
                                    navorderingsaanslagen geldt een betalingstermijn van één maand
                                    na dagtekening (artikel 9, tweede lid, Invorderingswet). Voor
                                    een beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig
                                    en in verband met een aanslag is opgelegd, gelden gelijke
                                    betalingstermijnen als voor de aanslag (artikel 9, derde lid,
                                    Invorderingswet). </al></lid><lid><lidnr/><al>Artikel 9 Invorderingswet geldt ook voor de waterschappen.
                                    Ingevolge artikel 139, eerste lid, van de Waterschapswet zijn de
                                    waterschappen echter bevoegd andere betalingstermijnen in hun
                                    belastingverordening op te nemen. </al></lid><lid><lidnr/><al>Als voor de betaling wordt meegelift met een nutsbedrijf, is
                                    meestal sprake van andere betalingstermijnen. Hierin voorziet
                                    het derde lid van artikel 19. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Kwijtschelding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H70979_0_5_5_10_">Van de waterschapsomslag ongebouwd,
                                    bedoeld in hoofdstuk II van deze verordening en van de
                                    waterschapsomslag gebouwd, bedoeld in hoofdstuk III van deze
                                    verordening, wordt geen kwijtschelding verleend.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1403"><noot.nr>47</noot.nr><noot.al/><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 20
                                                (kwijtschelding) </vet></noot.al><noot.al>Op basis van artikel 144, derde lid, van de
                                            Waterschapswet kan het algemeen bestuur van het
                                            waterschap besluiten dat van een bepaalde belasting geen
                                            of slechts gedeeltelijke kwijtschelding wordt
                                            verleend.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nadere regels</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><lid><lidnr/><al id="anker-H70979_0_6_6_11_">Het college van dijkgraaf en
                                    heemraden kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing
                                    en invordering van waterschapsomslagen.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1430"><noot.nr>48</noot.nr><noot.al><vet>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 21 (nadere
                                                regels) </vet></noot.al><noot.al>Naast de in de verordening geregelde onderwerpen
                                            kunnen voor de heffing en de invordering van belasting
                                            nog andere onderwerpen van belang zijn. Het gaat hierbij
                                            met name om regels voor het doen van aangifte, het
                                            opleggen van voorlopige aanslagen en de
                                            invorderingsrente. Gelet op artikel 123, vierde lid, van
                                            de Waterschapswet is het college van dijkgraaf en
                                            heemraden bevoegd dergelijke regels vast te
                                            stellen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 6 - Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 22</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H70980_0_0_1_1_"> De "Verordening op de wateromslagen
                                Waterschap Zuiderzeeland ", vastgesteld op 4 november 2004, wordt
                                ingetrokken met ingang van 1 januari 2008, met dien verstande dat
                                zij, met uitzondering van artikel 20, eerste lid van die
                                verordening, van toepassing blijft op belastbare feiten die zich
                                voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1457"><noot.nr>49</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het eerste lid regelt dat de
                                        oude verordening wordt ingetrokken met ingang van de datum
                                        waarop de heffing op grond van de nieuwe verordening ingaat
                                        (1 januari 2008. Hierdoor wordt voorkomen dat tegelijk twee
                                        verschillende verordeningen van kracht zijn. De oude
                                        verordening blijft echter van toepassing op belastbare
                                        feiten die zich voor 1 januari 2008 hebben
                                        voorgedaan.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H70980_0_0_1_2_"> Deze verordening treedt in werking op 1
                                januari 2008</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1473"><noot.nr>50</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het tweede lid regelt de
                                        inwerkingtreding van de verordening. Voor inwerkingtreding
                                        is vereist dat de verordening bekend wordt gemaakt conform
                                        artikel 73 van de Waterschaps­wet. </noot.al><noot.al>De Hoge Raad heeft in een reeks van arresten beslist of
                                        een belastingverordening (van een gemeente of van een
                                        waterschap) op correcte wijze bekend is gemaakt. Zie onder
                                        andere Hoge Raad 24 december 1997, nrs. 31643 en 32325,
                                        Belastingblad 1998, blz. 146 en 148, Hoge Raad 10 augustus
                                        1998, nr. 33632, BNB 2000/15 en Hoge Raad 27 juli 1999, nr.
                                        34499, Belastingblad 1999, blz. 637. </noot.al><noot.al>Ingevolge artikel 74 van de Waterschapswet treedt een
                                        verordening in werking met ingang van de achtste dag na de
                                        bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip is
                                        aangewezen. De datum van inwerkingtreding mag echter niet
                                        eerder zijn dan de datum van vaststelling en bekendmaking
                                        van de verordening. In dit geval treedt de verordening in
                                        werking op 1 januari 2008.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H70980_0_0_1_3_"> De datum van ingang van heffing is 1
                                januari 2008</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1493"><noot.nr>51</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het derde lid van artikel 21
                                        bepaalt het tijdstip van ingang van de heffing. Dit tijdstip
                                        valt samen met het tijdstip van inwerkingtreding van de
                                        verordening.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H70980_0_0_1_4_"> Deze verordening wordt aangehaald als
                                "Verordening op de waterschapsomslagen Waterschap Zuiderzeeland
                                2008":</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d11896e1509"><noot.nr>52</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Het vierde lid van dit artikel
                                        voorziet de verordening van een citeertitel.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Lelystad, 27 november 2007</ondertekening><ondertekening>De Algemene Vergadering van </ondertekening><ondertekening>Waterschap Zuiderzeeland,</ondertekening><ondertekening>de secretaris-directeur, </ondertekening><ondertekening>ir. J.B. van der Veen.</ondertekening><ondertekening>de dijkgraaf,</ondertekening><ondertekening>mr. ir. H.L. Tiesinga.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>Algemeen deel</vet></al><al><vet>Ongebouwde en gebouwde belastingobjecten</vet></al><al/><al>De wettelijke regeling met betrekking tot de omslagheffing brengt mee dat
                    voorschriften worden gegeven inzake de belastingobjecten die in de omslagheffing
                    worden betrokken. De bepalingen over de afbakening van het individuele
                    belastingobject, waarvoor omslag verschuldigd is, vormen een substantieel, maar
                    gecompliceerd onderdeel van deze regeling. Voor de bepaling van de omvang van
                    een onroerende zaak dient in beginsel te worden aangesloten bij hoofdstuk II van
                    de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Omdat de objectafbakening voor de
                    omslagheffing op bepaalde punten (met name het onderscheid tussen gebouwde en
                    ongebouwde onroerende zaken) afwijkt van die voor de Wet WOZ zijn de
                    afbakeningsvoorschriften voor de omslagheffing zelfstandig opgenomen in artikel
                    117 van de Waterschapswet.</al><al>Bij de afbakening van het WOZ-belastingobject maakt het geen verschil of een
                    onroerende zaak ongebouwd of gebouwd is. In beide gevallen geldt ten aanzien van
                    het belastingobject de WOZ-waarde, waarbij een deel van de waarde onder
                    omstandigheden buiten aanmerking wordt gelaten (zie de Uitvoeringsregeling
                    uitgezonderde objecten Wet WOZ).</al><al>De Waterschapswet daarentegen maakt wel een onderscheid tussen ongebouwde en
                    gebouwde onroerende zaken. De heffingsmaatstaf voor ongebouwde belastingobjecten
                    is de oppervlakte. Voor gebouwde belastingobjecten geldt als heffingsmaatstaf de
                    waarde in het economisch verkeer, die is toegekend op basis van de Wet WOZ. </al><al>In beginsel wordt alles wat voor de Wet WOZ -met uitzondering van die
                    eigendommen waarvan de waarde op grond van artikel 18, derde lid, Wet WOZ buiten
                    aanmerking wordt gelaten- als een onroerende zaak aangemerkt, voor de
                    omslagheffing gebouwd als een gebouwd belastingobject beschouwd. Op deze
                    hoofdregel zijn echter uitzonderingen mogelijk die zijn terug te voeren op het
                    onderscheid tussen de samenstelbepaling in de Wet WOZ (en de Gemeentewet) en het
                    dienstbaarheidscriterium in de Waterschapswet. Zo komt het wel voor dat een
                    WOZ-object bestaat uit een samenstel van ongebouwde en gebouwde eigendommen,
                    waarvan de ongebouwde eigendommen evenwel niet dienstbaar zijn aan de zich
                    hierop bevindende gebouwde eigendommen. Een voorbeeld hiervan zijn opstallen
                    (denk aan kleedruimten) die zich bevinden op sportterreinen en die worden
                    gebruikt ten behoeve van de sportbeoefening op die terreinen. Zie in dit verband
                    artikel 117 van de Waterschaps­wet.</al><al><vet>Geen heffingsmaatstaf ingezetenenomslag</vet></al><al>De Waterschapswet geeft geen voorschriften voor de heffingsmaatstaf voor de
                    ingezetenenomslag. Dit hangt samen met het feit dat de ingezetene als persoon
                    een rechtstreeks belang heeft bij de uitoefening van een of meer
                    waterschapstaken. Bij de ingezetenen gaat het om een algemeen taakbelang; dit is
                    een subject- of persoonsgericht belang. Dit belang bestaat hierin dat een
                    ingezetene ongestoord kan wonen, werken en recreëren, dus ook zich vrijelijk kan
                    verplaatsen in het gebied van het waterschap. Aangezien het om een immaterieel
                    belang gaat, kan niet worden gesteld dat de ene ingezetene een groter belang
                    heeft bij een bepaalde taak dan de andere ingezetene.</al><al>Daarentegen is het belang dat ten grondslag ligt aan de omslagheffingen
                    ongebouwd en gebouwd, een specifiek taakbelang; dit is een object- of
                    zaakgericht belang. Dit houdt in dat het belang van de ongebouwde en gebouwde
                    objecten bij de uitoefening van een of meer waterschapstaken op de voorgrond
                    staat. De instandhouding en het optimaal functioneren van die objecten zijn mede
                    afhankelijk van goede waterschapsvoorzieningen. Gelet op het verschil in
                    oppervlakten van de ongebouwde objecten en het verschil in waarden in het
                    economisch verkeer, behoeft het geen betoog dat het belang van het ene object
                    groter kan zijn dan van het andere bij de behartiging van een of meer
                    waterschapstaken. Dit verschil in belang is tot uitdrukking gebracht in de
                    heffingsmaatstaven die op ongebouwde en gebouwde onroerende zaken van toepassing
                    zijn. Via de </al><al><vet>TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>Algemeen deel</vet></al><al><vet>Ongebouwde en gebouwde belastingobjecten</vet></al><al/><al>De wettelijke regeling met betrekking tot de omslagheffing brengt mee dat
                    voorschriften worden gegeven inzake de belastingobjecten die in de omslagheffing
                    worden betrokken. De bepalingen over de afbakening van het individuele
                    belastingobject, waarvoor omslag verschuldigd is, vormen een substantieel, maar
                    gecompliceerd onderdeel van deze regeling. Voor de bepaling van de omvang van
                    een onroerende zaak dient in beginsel te worden aangesloten bij hoofdstuk II van
                    de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Omdat de objectafbakening voor de
                    omslagheffing op bepaalde punten (met name het onderscheid tussen gebouwde en
                    ongebouwde onroerende zaken) afwijkt van die voor de Wet WOZ zijn de
                    afbakeningsvoorschriften voor de omslagheffing zelfstandig opgenomen in artikel
                    117 van de Waterschapswet.</al><al>Bij de afbakening van het WOZ-belastingobject maakt het geen verschil of een
                    onroerende zaak ongebouwd of gebouwd is. In beide gevallen geldt ten aanzien van
                    het belastingobject de WOZ-waarde, waarbij een deel van de waarde onder
                    omstandigheden buiten aanmerking wordt gelaten (zie de Uitvoeringsregeling
                    uitgezonderde objecten Wet WOZ).</al><al>De Waterschapswet daarentegen maakt wel een onderscheid tussen ongebouwde en
                    gebouwde onroerende zaken. De heffingsmaatstaf voor ongebouwde belastingobjecten
                    is de oppervlakte. Voor gebouwde belastingobjecten geldt als heffingsmaatstaf de
                    waarde in het economisch verkeer, die is toegekend op basis van de Wet WOZ. </al><al>In beginsel wordt alles wat voor de Wet WOZ -met uitzondering van die
                    eigendommen waarvan de waarde op grond van artikel 18, derde lid, Wet WOZ buiten
                    aanmerking wordt gelaten- als een onroerende zaak aangemerkt, voor de
                    omslagheffing gebouwd als een gebouwd belastingobject beschouwd. Op deze
                    hoofdregel zijn echter uitzonderingen mogelijk die zijn terug te voeren op het
                    onderscheid tussen de samenstelbepaling in de Wet WOZ (en de Gemeentewet) en het
                    dienstbaarheidscriterium in de Waterschapswet. Zo komt het wel voor dat een
                    WOZ-object bestaat uit een samenstel van ongebouwde en gebouwde eigendommen,
                    waarvan de ongebouwde eigendommen evenwel niet dienstbaar zijn aan de zich
                    hierop bevindende gebouwde eigendommen. Een voorbeeld hiervan zijn opstallen
                    (denk aan kleedruimten) die zich bevinden op sportterreinen en die worden
                    gebruikt ten behoeve van de sportbeoefening op die terreinen. Zie in dit verband
                    artikel 117 van de Waterschaps­wet.</al><al><vet>Geen heffingsmaatstaf ingezetenenomslag</vet></al><al>De Waterschapswet geeft geen voorschriften voor de heffingsmaatstaf voor de
                    ingezetenenomslag. Dit hangt samen met het feit dat de ingezetene als persoon
                    een rechtstreeks belang heeft bij de uitoefening van een of meer
                    waterschapstaken. Bij de ingezetenen gaat het om een algemeen taakbelang; dit is
                    een subject- of persoonsgericht belang. Dit belang bestaat hierin dat een
                    ingezetene ongestoord kan wonen, werken en recreëren, dus ook zich vrijelijk kan
                    verplaatsen in het gebied van het waterschap. Aangezien het om een immaterieel
                    belang gaat, kan niet worden gesteld dat de ene ingezetene een groter belang
                    heeft bij een bepaalde taak dan de andere ingezetene.</al><al>Daarentegen is het belang dat ten grondslag ligt aan de omslagheffingen
                    ongebouwd en gebouwd, een specifiek taakbelang; dit is een object- of
                    zaakgericht belang. Dit houdt in dat het belang van de ongebouwde en gebouwde
                    objecten bij de uitoefening van een of meer waterschapstaken op de voorgrond
                    staat. De instandhouding en het optimaal functioneren van die objecten zijn mede
                    afhankelijk van goede waterschapsvoorzieningen. Gelet op het verschil in
                    oppervlakten van de objecten worden de zakelijk genothebbenden of de gebruikers
                    en pachters van ongebouwde objecten in de omslagheffing gebouwd of ongebouwd
                    betrokken.</al><al>Nu voor de ingezetenenomslag geen heffingsmaatstaf nodig is, kan worden volstaan
                    met de constatering van het belastbare feit, te weten het bij het begin van het
                    belastingjaar blijkens de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
                    woonplaats hebben in het taakgebied van het waterschap en het aldaar gebruik
                    hebben van woonruimte. Zie in dit verband de artikelen 118, derde lid, 120,
                    achtste lid en 121 van de Waterschapswet.</al><al/><al><vet>Geen omslag gebruikers bedrijfsgebouwd</vet></al><al/><al>Van de vijf in artikel 116 van de Waterschapswet genoemde categorieën
                    omslagplichtigen is één categorie buiten beschouwing gelaten, namelijk de
                    gebruikers van bedrijfsmatig geëxploiteerde gebouwde onroerende zaken. Omdat
                    elke categorie van omslagplichtigen een substantieel belang bij de uitoefening
                    van de waterschapstaak moet hebben en het belang van de genoemde categorie in
                    relatie tot de overige categorieën beperkt wordt geacht, is er geen
                    omslagheffing voor gebruikers van bedrijfsgebouwen in de verordening opgenomen.
                    Zie in dit verband ook de Kostentoedelingsverordening, waarin geen kosten worden
                    toegedeeld aan de gebruikers van bedrijfsgebouwen. Ter zake van zakelijk
                    genothebbenden van bedrijfsgebouwen wordt wel omslag geheven.</al><al><vet>Formele criteria inzake heffing en invordering</vet></al><al/><al>De heffing en invordering van waterschapsbelastingen moeten voldoen aan een
                    aantal formele criteria. De belastingverordening dient alle wezenlijke elementen
                    te bevatten, waaruit duidelijk blijkt wie belastingplichtig is, voor welk
                    belastbaar feit, op grond van welke maatstaf, tegen welk tarief, op welke wijze
                    de belasting wordt geheven en ingevorderd en met ingang van welk tijdstip. Zie
                    in dit verband de artikelen 110 en 111 van de Waterschapswet.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>