<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR272001_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Brabants Dagblad, 17-12-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 110 en 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, hoofdstuk IV</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-11-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Vergadering Algemeen Bestuur 28 november 2008</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ingang van de heffing is 01-01-2008.</al><al>Deze regeling vervangt de Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2007, welke wordt ingetrokken per 01-01-2008.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 30-11-2007</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Brabants Dagblad, 13-12-2007 (Gebiedsdekkend)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het Algemeen Bestuur van het waterschap Aa en Maas te ’s-Hertogenbosch;</al><al>gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur van 24 oktober 2007;</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113, eerste lid, van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de volgende Verordening verontreinigingsheffing waterschap
                        Aa en Maas 2008</al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening verontreinigingsheffing 2008</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewater: de oppervlaktewateren ten aanzien waarvan de
                                    bevoegdheid bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren, geheel is opgedragen aan het
                                    dagelijks bestuur; </al></li><li nr="b."><al>stoffen: zuurstofbindende stoffen en de stoffen genoemd in
                                    artikel 6, van deze verordening; </al></li><li nr="c."><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport
                                    van afvalwater die bij een gemeente in beheer is; </al></li><li nr="d."><al>zuiveringstechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een
                                    riolering; </al></li><li nr="e."><al>afvoeren: direct of indirect brengen als bedoeld in artikel 3,
                                    eerste lid; </al></li><li nr="f."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven; </al></li><li nr="g."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringstechnisch werk of een riolering;
                                </al></li><li nr="h."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, onttrokken
                                    grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater; </al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks
                                    bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                    onderdeel b, van de Waterschapswet. </al></li></lijst><al><noot id="d17490e116"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Om duidelijkheid te scheppen over
                                    een aantal in de verordening voorkomende begrippen en om de
                                    leesbaarheid van de tekst te bevorderen is van deze begrippen
                                    een omschrijving gegeven in artikel 1 Daarbij is aangesloten bij
                                    de begripsbepalingen van artikel 17 van de Wet verontreiniging
                                    oppervlaktewateren.</noot.al><noot.al>Onderdeel a</noot.al><noot.al>Het begrip ‘oppervlaktewateren’ is niet omschreven in de
                                    Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De wetgever heeft dit
                                    bewust achterwege gelaten omdat het begrip een zo groot
                                    mogelijke reikwijdte moet hebben en niet het risico moet bestaan
                                    van een te beperkte begripsbepaling. Besloten is daarom ook in
                                    onderdeel a geen inhoudelijke omschrijving van het begrip te
                                    geven omdat dit onnodig beperkend zou kunnen werken. Om
                                    ‘oppervlaktewateren’ zo ruim mogelijk te omschrijven is in
                                    onderdeel a aangegeven dat het gaat om de oppervlaktewateren ten
                                    aanzien waarvan de bevoegdheid als bedoeld in artikel 6, eerste
                                    lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren geheel is
                                    opgedragen aan het dagelijks bestuur. </noot.al><noot.al> Uit de memorie van toelichting bij de Wet verontreiniging
                                    oppervlaktewateren blijkt dat het begrip ‘oppervlaktewateren’
                                    zich niet beperkt tot openbare wateren.</noot.al><noot.al>In de jurisprudentie is de nodige invulling gegeven aan het
                                    begrip ‘oppervlaktewateren’. De meest uitgebreide definitie gaf
                                    de Hoge Raad in zijn arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89): </noot.al><noot.al> ‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen
                                    een – anders dan louter incidenteel aanwezige – aan het
                                    oppervlak en aan de open lucht grenzende watermassa (met
                                    inbegrip van een bedding waarin zodanige watermassa al dan niet
                                    bij voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van
                                    rechtmatig gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen
                                    normaal samenhangend geheel van levende organismen en een
                                    niet–levende omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een
                                    ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in
                                    een overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen normaal
                                    ecosysteem heeft ontwikkeld.’ </noot.al><noot.al> Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad
                                    dat bij een zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet
                                    als oppervlaktewater aangemerkt kunnen worden.</noot.al><noot.al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s
                                    winters is gevuld en ‘s zomers in de regel althans gedeeltelijk
                                    enig water bevat, moet onder andere vanwege het feit dat de
                                    sloot kan dienen voor landbouwdoeleinden, worden aangemerkt als
                                    oppervlaktewater (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na
                                    verwijzing Hof Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55,
                                    Belastingblad 1987, blz. 249). </noot.al><noot.al> Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet
                                    minder dan eenmaal per jaar – gedurende enige tijd water
                                    wegvloeit naar een ander slotenstelsel kan als oppervlaktewater
                                    worden aangemerkt (Hoge Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89,
                                    Belastingblad 1983, blz. 182 en Hoge Raad 22 juni 1983, BNB
                                    1983/241, Belastingblad 1983, blz. 465). </noot.al><noot.al> Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn
                                    (Hoge Raad 25 mei 1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz.
                                    462). </noot.al><noot.al> Het van een (ondergrondse) verbinding tussen twee
                                    oppervlaktewateren deel uitmakende open beekvak kan als
                                    oppervlaktewater worden aangemerkt ook als de klep in de duiker
                                    onder de naast die verbinding gelegen weg gedurende het
                                    heffingsjaar gesloten was (Hoge Raad 27 maart 1985, BNB
                                    1985/167, Belastingblad 1985, blz. 464). </noot.al><noot.al> Een greppel van 50 meter lang en 1 meter breed die aan
                                    weerszijden van het lozingspunt slechts over een lengte van 10
                                    meter enig water bevat en welke greppel niet in verbinding staat
                                    met enig oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater worden
                                    aangemerkt (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123,
                                    Belastingblad 1988, blz. 223).</noot.al><noot.al>Onderdeel b</noot.al><noot.al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de
                                    stoffen genoemd in artikel 6. In dat artikellid zijn de stoffen
                                    opgenomen die door het waterschap in de heffing worden
                                    betrokken.</noot.al><noot.al>Onderdeel d</noot.al><noot.al>Een zuiveringtechnisch werk voor de Wet verontreiniging
                                    oppervlaktewateren is een werk dat voor het zuiveren of het
                                    transport van afvalwater. Het bevat naast
                                    afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                                    vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations
                                    ten behoeve van het afvalwater. De gemeentelijke riolering wordt
                                    hier niet onder begrepen (zie onderdeel c van de verordening,
                                    waarbij het begrip riolering is gedefinieerd). Een
                                    zuiveringtechnisch werk kan overigens ook in beheer zijn bij een
                                    bedrijf of particulier (zie de toelichting bij artikel
                                    3).</noot.al><noot.al>Het hebben van het juridische eigendom is geen
                                    noodzakelijke voorwaarde om als beheerder gekwalificeerd te
                                    worden (Hoge Raad 11 december 1991, BNB 1992/180). Onder het
                                    begrip ‘beheer’ kunnen tevens worden verstaan die situaties
                                    waarbij het waterschap de juridische eigendom van de
                                    zuiveringsinstallatie op enigerlei wijze heeft overgedragen aan
                                    een derde. Het waterschap blijft in dat geval beheerder van die
                                    installatie. In de toelichting op de Eerste Nota van wijziging
                                    van het wetsvoorstel, houdende vervanging van hoofdstuk IV Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren (Tweede Kamer 1998–1999, 26
                                    367, nr. 6) is expliciet vermeld dat het beheer van een
                                    riolering of zuiveringtechnisch werk kan worden omschreven als
                                    de zorg voor de goede conditie van die zaken ten behoeve van de
                                    met behulp daarvan uit te voeren functies (zie ook Hof Den Haag
                                    28 december 1998, Belastingblad 1999, blz. 448 t/m
                                    452).</noot.al><noot.al>Onderdeel e</noot.al><noot.al>Het ‘afvoeren’ van stoffen wordt gedefinieerd als het
                                    direct of indirect brengen in oppervlaktewater, waarvoor de
                                    kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch
                                    werk dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is.</noot.al><noot.al>Onderdeel f</noot.al><noot.al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden
                                    verstaan. Het gaat om een ruimte die bestemd is als een
                                    afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid. Of dit het
                                    geval is moet blijken uit de inrichting van de ruimte. In deze
                                    definitie wordt tot uitdrukking gebracht dat het moet gaan om
                                    een ruimte die zelfstandig bruikbaar is en derhalve niet
                                    afhankelijk is van niet tot die ruimte behorende
                                    (gemeenschappelijke) voorzieningen. Zie hiervoor ook de arresten
                                    van de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad
                                    1984, blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad
                                    1995, blz. 202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad
                                    1996, blz. 202). </noot.al><noot.al> Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt
                                    af te leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991
                                    waarin een kajuitzeilschip als woonruimte werd aangemerkt (BNB
                                    1991/213, Belastingblad 1991, blz. 479).</noot.al><noot.al>Onderdeel g</noot.al><noot.al>Bij de omschrijving van het begrip ‘bedrijfsruimte’ is
                                    gekozen voor een negatieve formulering om een zo groot mogelijke
                                    reikwijdte aan het begrip te geven. Alles wat geen woonruimte is
                                    moet als een bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is
                                    bijvoorbeeld ook een stuk landbouwgrond als een bedrijfsruimte
                                    aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage 17 maart 1993, Belastingblad 1993,
                                    blz. 457). Ditzelfde geldt voor een zandopspuiting van waaruit
                                    met slib verontreinigd perswater wordt afgevoerd (Hof Arnhem 22
                                    augustus 1997, Belastingblad 1997, blz. 745). Voor de vraag of
                                    sprake is van één of van twee bedrijfsruimten is onder andere
                                    van belang het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 1995 (BNB
                                    1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627) waarin een bij twee
                                    verschillende personen in gebruik zijnde stortplaats als één
                                    bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelden onder andere
                                    een rol het feit dat de stortplaats maar één ingang heeft, om de
                                    gehele stortplaats een hek staat en er geen deugdelijke
                                    afscheiding is tussen beide delen van de stortplaats.]</noot.al></noot></al><al><vet>Bijlagen</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen: </al><al> - Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                            berekening; </al><al> - Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in artikel
                            22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al><noot id="d17490e186"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Bij de verontreinigingsheffing is
                                    de heffingsmaatstaf het aantal vervuilingseenheden van de
                                    stoffen die in een jaar worden afgevoerd. Blijkens artikel 20,
                                    eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren wordt
                                    het aantal vervuilingseenheden in beginsel vastgesteld met
                                    behulp van door middel van meting, bemonstering en analyse
                                    verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld over
                                    de wijze van meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie in
                                    dit verband ook artikel 7 van de verordening. </noot.al><noot.al> Onder omstandigheden vindt de berekening van het aantal
                                    vervuilingseenheden ter zake van bedrijfsruimten plaats met
                                    behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door
                                    middel van meting, bemonstering en analyse. </noot.al><noot.al> Deze tabel afvalwatercoëfficiënten van artikel 22, derde
                                    lid, van Wet verontreiniging oppervlaktewateren is ter
                                    volledigheid tevens opgenomen in Bijlage II (zie voor een
                                    toelichting op bijlage II ook artikel 10). </noot.al><noot.al> De bijlagen I en II maken deel uit van de
                                    verordening.]</noot.al></noot></al><al><vet>Belastbaar feit en heffingsplicht</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_3_1_"> Onder de naam verontreinigingsheffing
                                oppervlaktewateren wordt, ter bestrijding van de kosten van
                                maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van
                                oppervlaktewateren, een directe belasting geheven terzake van het
                                direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor
                                het waterschap bevoegd is, of op een zuiveringstechnisch werk dat
                                bij het waterschap in beheer is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_3_2_"> Aan de heffing kunnen worden
                                onderworpen: </al><lijst><li nr="a."><al>terzake van het afvoeren van stoffen vanuit een
                                        bedrijfsruimte of een woonruimte: degene die het gebruik
                                        heeft van die ruimte; </al></li><li nr="b."><al>terzake van het afvoeren van stoffen met behulp van een
                                        riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie
                                        die riolering of dat zuiveringtechnisch werk in beheer is;
                                    </al></li><li nr="c."><al>terzake van het afvoeren van stoffen anders dan bedoeld
                                        onder a of b: degene die de stoffen afvoert. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_3_3_"> Voor de toepassing van het tweede lid
                                onder a, wordt: </al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                        aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met
                                        de heffing aangewezen lid van dat huishouden; </al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte
                                        in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene
                                        die het deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel
                                        in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig
                                        te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven; </al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of
                                        bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als
                                        gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft
                                        gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld
                                        is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan
                                        wie de ruimte ter beschikking is gesteld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_3_4_"> Indien stoffen door middel van een
                                zuiveringstechnisch werk waarop geen voorafgaande zuivering
                                plaatsvindt of door middel van een riolering worden afgevoerd, wordt
                                de beheerder van dat werk slechts aan een heffing onderworpen voor
                                de stoffen die de beheerder zelf op 0dat werk heeft gebracht. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_3_5_"> Voor de stoffen die door middel van een
                                zuiveringstechnisch werk worden afgevoerd, wordt slechts de
                                beheerder van dat werk aan een heffing onderworpen, indien: </al><lijst><li nr="a."><al>op dat werk voorafgaande zuivering plaatsvindt; of </al></li><li nr="b."><al>dat werk in beheer is bij een andere
                                        waterkwaliteitsbeheerder. </al></li></lijst><al><noot id="d17490e260"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al>De verontreinigingsheffing heeft tot doel de kosten te
                                        dekken van de maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen
                                        van de verontreiniging van oppervlaktewater (artikel 18,
                                        eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren).
                                        Deze doelstelling is tot uitdrukking gebracht in het eerste
                                        lid van artikel 3. De verontreinigingsheffing is dus primair
                                        een bestemmingsheffing die overigens wel een regulerende
                                        nevenwerking kan hebben. Blijkens het arrest van de Hoge
                                        Raad van 30 september 1992 (BNB 1992/383, Belastingblad
                                        1992, blz. 728) kent de Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren een gesloten financieringsstelsel. Dat
                                        wil zeggen dat het waterschap de kosten van het tegengaan en
                                        voorkomen van de verontreiniging van oppervlaktewater niet
                                        op een andere wijze mag verhalen dan op de in de Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren aangewezen
                                        wijze.</noot.al><noot.al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat
                                        wil zeggen het direct of indirect brengen van stoffen in een
                                        oppervlaktewater, waarvoor het waterschap bevoegd is, of op
                                        een zuiveringtechnisch werk dat in beheer is bij het
                                        waterschap. De vraag of het afgevoerde water van slechtere
                                        kwaliteit is dan het oppervlaktewater waarop wordt geloosd,
                                        is niet van belang. Dit bleek uit een arrest waarbij het
                                        ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd gebruikt
                                        als koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15,
                                        Belastingblad 1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als
                                        het gaat om ingenomen oppervlaktewater dat wordt gebruikt
                                        als koelwater en dat vervolgens weer wordt geloosd op
                                        oppervlaktewater. In dat geval wordt voor de berekening van
                                        de vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde vervuiling
                                        in aanmerking genomen (zie Bijlage I bij de verordening).
                                        Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1996 (BNB
                                        1996/205, Belastingblad 1996, blz. 335) blijkt overigens dat
                                        er geen wettelijke verplichting bestaat voor een dergelijke
                                        begunstigende regeling (zie ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr.
                                        33 186, Belastingblad 1998, blz. 386).</noot.al><noot.al>Voor de heffing van de verontreinigingsheffing is het
                                        niet noodzakelijk dat het afgevoerde afvalwater wordt
                                        gezuiverd. Heffing is immers reeds mogelijk voor het in
                                        oppervlaktewater brengen van stoffen (Hof ‘s–Gravenhage 27
                                        april 1987, BNB 1990/24, Belastingblad 1988, blz.
                                        749).</noot.al><noot.al>Onder omstandigheden is het mogelijk dat het ene
                                        waterschap aan het andere waterschap een heffing oplegt. Dit
                                        kan het geval zijn indien het ene waterschap via een
                                        zuiveringtechnisch werk (bijvoorbeeld een persleiding of
                                        gemaal) dat in zijn beheer is ongezuiverd afvalwater
                                        transporteert naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie van
                                        een ander waterschap. Beheer van een zuiveringtechnisch werk
                                        door meerdere waterschappen staat er niet aan in de weg dat
                                        aanslagen worden opgelegd door het waterschap in welks
                                        beheersgebied de woon– of bedrijfsruimte is gelegen (Hoge
                                        Raad 11 december 1991, BNB 1992/180, Belastingblad 1992,
                                        blz. 350).</noot.al><noot.al>In het eerste lid wordt gesproken van een ‘directe
                                        belasting’. Dat is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van
                                        de bepalingen inzake de richtige heffing in de Algemene wet
                                        inzake rijksbelastingen (Hoofdstuk VI).</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid en derde lid</cursief></noot.al><noot.al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen direct of
                                        indirect in een oppervlaktewater of op een
                                        zuiveringtechnisch werk brengen. Voor de omschrijving van de
                                        belastingplicht wordt een koppeling gemaakt met het object
                                        van waaruit wordt geloosd. Belastingplichtige is de
                                        gebruiker van de woonruimte of de bedrijfsruimte, danwel de
                                        beheerder van een riolering of zuiveringtechnisch werk van
                                        waaruit stoffen worden afgevoerd (artikel 3, tweede lid,
                                        onderdelen a en b). In geval van een lozing anders dan
                                        vanuit de genoemde objecten wordt degene die de stoffen
                                        feitelijk afvoert als belastingplichtige aangemerkt (artikel
                                        3, tweede lid, onderdeel c). Afhankelijk van de vraag of de
                                        stoffen afkomstig zijn van een woon– of een bedrijfsruimte
                                        is heffingsplichtig de gebruiker van een woon– of een
                                        bedrijfsruimte. De omschrijving van woonruimte is ook
                                        dusdanig dat er geen misverstand kan bestaan dat
                                        studentenhuizen met onzelfstandige wooneenheden dienen te
                                        worden aangemerkt als bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder
                                        op grond van artikel 3, derde lid, onderdeel c, in de
                                        heffing kan worden betrokken. </noot.al><noot.al> (Zie ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282,
                                        Belastingblad 1984, blz. 544 en Hoge Raad 8 februari 1995,
                                        BNB 1995/92). </noot.al><noot.al> In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad
                                        dat als gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de
                                        verordening slechts kan worden aangemerkt degene die zich
                                        metterdaad min of meer duurzaam te eigen behoeve van de
                                        bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom kon de aannemer die in
                                        opdracht van de landeigenaar op een stuk grond werkzaamheden
                                        uitvoert om deze geschikt te maken voor de bollenteelt, niet
                                        als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188, Belastingblad
                                        1991, blz. 478). </noot.al><noot.al> Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet
                                        worden beoordeeld wie gebruiker is. Ingeval er meerdere
                                        gebruikers zijn, is het noodzakelijk dat de ambtenaar belast
                                        met de heffing of het dagelijks bestuur beleidsregels
                                        opstelt op grond waarvan één van de gebruikers als
                                        belastingplichtige kan worden aangewezen (zie ook artikel
                                        18, vierde lid, onderdeel a, Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren). Deze beleidsregels moeten worden
                                        gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn voor de
                                        belastingplichtigen. Ingeval van het ontbreken van
                                        dergelijke beleidsregels kan de keuze van het waterschap
                                        voor één van de gebruikers als willekeurig en onredelijk
                                        worden aangemerkt, hetgeen tot vernietiging van de aanslag
                                        kan leiden. Zie voor nadere informatie over dit onderwerp en
                                        mogelijkheden voor de inhoud van de beleidsregels de brief
                                        van de Unie van Waterschappen aan de leden–waterschappen van
                                        23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad 1995, blz. 326). De
                                        onderdelen b en c van het derde lid regelen de
                                        belastingplicht en het verhaalsrecht van de verschuldigde
                                        verontreinigingsheffing in geval van in gebruik gegeven of
                                        voor volgtijdig gebruik ter beschikking gestelde woon– of
                                        bedrijfsruimten.</noot.al><noot.al>Mede met het oog op de belastbaarheid van incidentele
                                        lozingen vanuit tankauto’s is aan artikel 18, derde lid, Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren een onderdeel c
                                        opgenomen. Dit laatste was noodzakelijk, aangezien een
                                        tankauto niet als een bedrijfsruimte kon worden aangemerkt
                                        en daarnaast in de praktijk is gebleken dat juist het
                                        achterhalen van de identiteit van de achterliggende
                                        vervuiler in sommige gevallen niet goed mogelijk is. In die
                                        gevallen biedt deze bepaling soelaas. </noot.al><noot.al> In het tweede lid is bepaald dat terzake van het
                                        afvoeren van stoffen anders dan vanuit een woonruimte,
                                        bedrijfsruimte, riolering of zuiveringtechnisch werk degene
                                        wordt belast die de stoffen afvoert. Dit heeft als
                                        consequentie dat de identiteit van de achterliggende
                                        vervuiler niet hoeft te worden achterhaald, maar dat de
                                        feitelijke lozer (in het geval van een tankauto de
                                        vervoerder) rechtstreeks in de heffing kan worden
                                        betrokken.</noot.al><noot.al><cursief>Vierde en vijfde lid</cursief></noot.al><noot.al>Het vierde en het vijfde lid geven een rangorde voor de
                                        vraag wie belastingplichtig is. Er kan immers sprake zijn
                                        van meerdere belastbare feiten met betrekking tot dezelfde
                                        lozing. Door een rangorde aan te brengen wordt dubbele
                                        heffing voorkomen (deze artikelleden zijn gebaseerd op
                                        artikel 18, vijfde en zesde lid, Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren). Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                                        aan het afvoeren van afvalwater vanuit een woonruimte via de
                                        gemeentelijke riolering op de zuiveringsinstallatie van het
                                        waterschap. Op grond van het tweede lid zouden zowel de
                                        gebruiker van de woonruimte (wegens indirecte lozing van de
                                        woonruimte) als de gemeente (wegens directe lozing vanuit de
                                        riolering) aangeslagen kunnen worden. In dat geval bepaalt
                                        artikel 18, vijfde lid, Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren dat alleen de beheerder van een riolering
                                        of een zuiveringtechnisch werk waarop géén voorafgaande
                                        zuivering plaatsvindt slechts met behulp van daarvan
                                        afgevoerde stoffen aan een heffing kan worden onderworpen,
                                        voorzover hij die stoffen zelf op die riolering of dat
                                        zuiveringtechnische werk heeft gebracht. Dit betekent dat in
                                        het genoemde voorbeeld de gebruiker van de woonruimte en
                                        niet de gemeente belastingplichtig is voor de vanuit deze
                                        woonruimte afgevoerde stoffen. </noot.al><noot.al> Op basis van artikel 18, zesde lid, Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren wordt tevens voorkomen
                                        dat een heffingsplichtige voor eenzelfde lozing in fiscale
                                        zin met twee kwaliteitsbeheerders wordt geconfronteerd. </noot.al><noot.al>Daarbij kan worden gedacht aan de situatie waarbij een
                                        kwaliteitsbeheerder afvalwater afvoert naar een
                                        rioolwaterzuiveringsinstallatie van een naburige
                                        kwaliteitsbeheerder om daar te worden gezuiverd. In dat
                                        geval kan de kwaliteitsbeheerder die het afvalwater zuivert
                                        slechts een heffing opleggen aan de kwaliteitsbeheerder die
                                        het afvalwater heeft geleverd. Het brengen van stoffen op
                                        een zuiveringtechnisch werk van een kwaliteitsbeheerder door
                                        een andere kwaliteitsbeheerder is immers ook afvoeren van
                                        stoffen in de zin van artikel 17, onderdeel i, Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren. Uiteraard kan de
                                        kwaliteitsbeheerder die het afvalwater levert in zijn
                                        beheersgebied wél de achterliggende vervuilers van artikel
                                        18, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                                        belasten.]</noot.al></noot></al><al><vet>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                    tijdsgelang</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_4_6_"> De heffing terzake van woonruimten en
                                bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 15 is verschuldigd bij het
                                begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van
                                de heffingsplicht. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_4_7_"> Indien terzake van woonruimten de
                                heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel
                                twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als
                                er in dat jaar, na de aanvang van de heffingsplicht, nog volle
                                kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht aanvangt op de
                                eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt
                                als een volle kalendermaand. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_4_8_"> Indien terzake van woonruimten de
                                heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel
                                twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als er
                                in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog volle
                                kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht eindigt op de
                                eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt
                                als een volle kalendermaand. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_4_9_"> Het tweede en derde lid zijn niet van
                                toepassing indien de heffingsplichtige verhuist binnen het gebied
                                waarin aan het waterschap de zorg voor het kwaliteitsbeheer van
                                oppervlaktewater is opgedragen.</al><al><noot id="d17490e332"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing
                                        is, ontstaat bij woonruimten en kleine bedrijfsruimten de
                                        materiële belastingschuld door de regeling in het eerste lid
                                        toch bij het begin van het heffingsjaar. Dit heeft als
                                        voordeel dat reeds in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen
                                        worden opgelegd (formalisering van de belastingschuld) en
                                        dat niet gewacht hoeft te worden tot het heffingsjaar
                                        voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet
                                        zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende
                                        het heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de
                                        belastingschuld pas na afloop van het heffingsjaar bekend
                                        is. Dit blijkt uit een aantal uitspraken van de
                                        belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2 november 1994
                                        inzake precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994,
                                        blz. 819), Hof Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld
                                        woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331) en Hof Amsterdam
                                        29 maart 1996 inzake verontreinigingsheffing. Uit deze
                                        jurisprudentie valt af te leiden dat aan de
                                        heffingsverordening bepaalde eisen worden gesteld om een
                                        definitieve aanslag reeds in het heffingsjaar zelf op te
                                        leggen (in plaats van een voorlopige aanslag). Het gaat
                                        hierbij om: </noot.al><noot.al> – een regeling op grond waarvan de belastingschuld
                                        wordt geacht bij het begin van het heffingsjaar te ontstaan
                                        (artikel 4, eerste lid); </noot.al><noot.al> – een regeling op grond waarvan ontheffing wordt
                                        verleend indien de heffingsplicht in de loop van het jaar
                                        eindigt. Voor woonruimten is deze tijdsevenredige ontheffing
                                        geregeld in artikel 4, derde lid. Voor kleine
                                        bedrijfsruimten kent artikel 15 een regeling om in een
                                        dergelijk geval een aanvraag te doen om te worden
                                        aangeslagen voor 1 vervuilingseenheid; </noot.al><noot.al> – een regeling om bij wijzigingen van de
                                        heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar, ontheffing
                                        te verlenen. Voor woonruimten is dit geregeld in artikel 16
                                        en voor bedrijfsruimten in artikel 15. </noot.al><noot.al> Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen
                                        ontbreken, kan een waterschap in het heffingsjaar wel
                                        voorlopige aanslagen opleggen. Artikel 14 van de Algemene
                                        wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de
                                        bevoegdheid.</noot.al><noot.al><cursief>Tweede t/m vierde lid</cursief></noot.al><noot.al>Het tweede en derde lid hebben betrekking op het
                                        ontstaan en eindigen van de heffingsplicht in de loop van
                                        het heffingsjaar ten aanzien van woonruimten. Het tweede tot
                                        en met vijfde lid gelden niet voor bedrijfsruimten. Bij
                                        bedrijfsruimten wordt het aantal vervuilingseenheden immers
                                        bepaald door de absolute vervuilingswaarde in het
                                        heffingstijdvak. Ingeval van het eindigen van de
                                        heffingsplicht in de loop van het tijdvak, ontstaat dan ook
                                        geen recht op tijdsevenredige ontheffing, maar kan de
                                        heffingsplichtige een aanvraag doen om te worden aangeslagen
                                        voor 1 vervuilingseenheid (artikel 15). </noot.al><noot.al> Indien de heffingsplicht in de loop van het jaar
                                        ontstaat (bijvoorbeeld de verhuizing naar een woonruimte
                                        binnen het gebied van het waterschap) is de heffing
                                        verschuldigd over de resterende volle kalendermaanden van
                                        het heffingsjaar. Ook als de heffingsplicht ontstaat op de
                                        eerste dag van de maand (hetgeen vaak het geval zal zijn) is
                                        over die maand de heffing verschuldigd hoewel geen sprake is
                                        van een volle kalendermaand. Dit is geregeld in de laatste
                                        volzin van het tweede lid. </noot.al><noot.al> Voor het eindigen van de heffingsplicht in de loop van
                                        het jaar (bijvoorbeeld de verhuizing vanuit een woonruimte
                                        naar buiten het gebied van het waterschap) is een
                                        soortgelijke regeling opgenomen in het derde lid. Indien de
                                        heffingsplicht eindigt op de eerste dag van een
                                        kalendermaand wordt over die maand toch ontheffing verleend.
                                        Dit is om te voorkomen dat het waterschap over die maand
                                        zowel verontreinigingsheffing heft van de nieuwe bewoner als
                                        van de oude. </noot.al><noot.al> Het vierde lid kent een regeling voor verhuizingen
                                        binnen het gebied van het waterschap. </noot.al><noot.al> Gesteld zou kunnen worden dat ook in dat geval sprake
                                        is van het eindigen van de heffingsplicht en het opnieuw
                                        ontstaan van de heffingsplicht. </noot.al><noot.al>Met betrekking tot de oude woonruimte zou het
                                        waterschap voor de resterende kalendermaanden van het
                                        heffingsjaar ontheffing moeten verlenen (ingevolge het
                                        tweede lid) en met betrekking tot de nieuwe woonruimte zou
                                        het waterschap voor de resterende kalendermaanden van het
                                        heffingsjaar een nieuwe aanslag moeten opleggen (ingevolge
                                        het derde lid). Om dat te voorkomen is in het vierde lid
                                        expliciet geregeld dat bij verhuizingen binnen het gebied
                                        van het waterschap het tweede en derde lid niet van
                                        toepassing zijn. Hierbij is het gebied van het waterschap
                                        beperkt tot het deel waar de zorg voor het kwaliteitsbeheer
                                        van oppervlaktewater aan het waterschap is opgedragen. </noot.al><noot.al> Verhuist een heffingsplichtige binnen het gebied van
                                        het waterschap van een deel waar het waterschap de
                                        kwaliteitszorg heeft naar een deel waar het waterschap die
                                        zorg niet heeft, dan dient toch ontheffing te worden
                                        verleend. Het vierde lid voorziet hier in.]</noot.al></noot></al><al><vet>Heffingsjaar</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al><al><noot id="d17490e379"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 5 is bepaald dat het
                                    heffingsjaar gelijk is aan het kalenderjaar. Dit is wettelijk
                                    voorgeschreven zodat een afwijkende regeling in de verordening
                                    niet meer mogelijk is.]</noot.al></noot></al><al><vet>Aangifte</vet></al><al><noot id="d17490e391"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De artikelen 5a en 5b regelen het
                                    uitreiken van aangiftebiljetten en het uitnodigen tot het doen
                                    van aangifte en het feitelijk indienen van aangiften. Aangiften
                                    kunnen schriftelijk of digitaal worden ingediend. De laatste
                                    optie is nieuw vanaf 2006.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_6_10_">Met betrekking tot de
                                verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van bedrijfsruimten
                                wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet; </al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                        wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld
                                        in artikel 5b, eerste lid, onderdeel b. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_6_11_">Op verzoek van degene die op de wijze
                                bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen
                                van aangifte wordt door de ambtenaar belast met de heffing een
                                aangiftebiljet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
                                toegezonden of uitgereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5b</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_7_12_">Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                                        aangiftebiljet met de eventueel daarbij gevraagde
                                        bescheiden; </al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                        programmatuur gevraagde gegevens. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_7_13_">Indien het eerste lid, onderdeel b, toepassing
                                vindt, worden de eventueel gevraagde bescheiden afzonderlijk
                                ingeleverd of al dan niet overeenkomstig het eerste lid
                                toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_7_14_">Degenen die betrokken zijn bij de aangifte,
                                bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dragen zorg voor de nodige
                                voorzieningen van technische en organisatorische aard tegen verlies
                                of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming,
                                wijziging of verstrekking daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_7_15_">De via de programmatuur, bedoeld in het
                                eerste lid, onderdeel b, toe te zenden dan wel in te leveren
                                gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan die welke toegezonden dan wel
                                ingeleverd hadden moeten worden indien voor de aangifte als bedoeld
                                in het eerste lid, onderdeel a.</al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Grondslag en heffingsmaatstaf</vet></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Algemeen</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_8_16_"> Voor de heffing bedoeld in artikel 3
                                geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de stoffen
                                die in een kalenderjaar worden afgevoerd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_8_17_"> Voor de heffing geldt als
                                heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                                kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt uitgedrukt
                                in vervuilingseenheden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_8_18_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis van
                                de som van het chemisch zuurstofverbruik en het zuurstofverbruik
                                door omzetting van stikstofverbindingen, zoals voorgeschreven in
                                Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                                vertegenwoordigt met betrekking tot zuurstofbindende stoffen een
                                verbruik in het heffingsjaar van 49,6 kilogram zuurstof. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_8_19_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver, zink,
                                arseen, kwik, cadmium, chloride, sulfaat en fosfor wordt bepaald op
                                basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals voorgeschreven
                                in Bijlage I van deze verordening. Eén vervuilingseenheid
                                vertegenwoordigt een in het heffingsjaar afgevoerde
                                gewichtshoeveelheid van: </al><lijst><li nr="a."><al>1 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                                        zilver en zink; </al></li><li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik; </al></li><li nr="c."><al>650 kilogram van de stoffen chloride en sulfaat; </al></li><li nr="d."><al>20 kilogram van de stof fosfor. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_8_20_"> De stoffen zilver, chloride, sulfaat en
                                fosfor worden niet aan de heffing onderworpen.</al><al><noot id="d17490e504"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De grondslag van de heffing is
                                        de hoeveelheid en hoedanigheid van de stoffen die in een
                                        kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid is gekozen
                                        voor één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de
                                        vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar
                                        worden afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor
                                        de zuurstofbindende als de overige stoffen. Deze
                                        heffingsmaatstaf is gedefinieerd in relatie tot de stoffen
                                        ten aanzien waarvan de afvoer is belast. Een verbruik van
                                        49,6 kilogram zuurstof per heffingsjaar vertegenwoordigt één
                                        vervuilingseenheid. Voor de andere stoffen gelden
                                        verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In het
                                        vierde lid zijn alle stoffen opgenomen die in de heffing
                                        worden betrokken. In het vijfde lid zijn expliciet nog eens
                                        de stoffen opgenomen die niet in de heffing worden betrokken
                                        (wettelijk voorgeschreven).</noot.al><noot.al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt
                                        tussen zuurstofbindende stoffen en andere stoffen. In beide
                                        gevallen is de heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde
                                        uitgedrukt in vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende
                                        stoffen gaat het om de belasting met die stoffen van een
                                        oppervlaktewater of een zuiveringtechnisch werk. Die
                                        belasting wordt bepaald op de som van het chemisch
                                        zuurstofgebruik en het zuurstofverbruik door omzetting van
                                        stikstofverbindingen. </noot.al><noot.al> Daarbij is één inwonerequivalent de zuurstofbehoefte
                                        die ontstaat door de gemiddelde lozing van huishoudelijk
                                        afvalwater van één persoon per jaar. Uit het door de STORA
                                        uitgebrachte rapport ‘Het inwonerequivalent getoetst’ blijkt
                                        dat de gemiddelde zuurstofbehoefte 136 gram per etmaal
                                        bedraagt. </noot.al><noot.al> Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van
                                        de vervuilingswaarde om de hoeveelheid van die stoffen die
                                        in een oppervlaktewater of op een zuiveringtechnisch werk
                                        worden gebracht. Daarbij is één vervuilingseenheid een
                                        omschreven hoeveelheid van in het heffingsjaar afgevoerde
                                        stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel en zink is een
                                        afgevoerde kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege de
                                        schadelijkheid is bij arseen, cadmium en kwik een afgevoerde
                                        hoeveelheid van 100 gram al één vervuilingseenheid.
                                        ]</noot.al></noot></al><al><vet>Meting, bemonstering en analyse</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_9_21_"> Het aantal vervuilingseenheden van
                                zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp van
                                door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De meting,
                                bemonstering, analyse en berekening geschieden met in achtneming van
                                de in Bijlage I opgenomen voorschriften. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_9_22_"> De in het eerste lid bedoelde meting,
                                bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het
                                heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_9_23_"> De meting, bemonstering en analyse
                                geschieden zodanig dat: </al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt
                                        van de werkelijke hoeveelheid afvalwater; </al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                        hoeveelheid stoffen die gedurende de bemonsteringsperiode
                                        vanuit het bedrijf of het bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_9_24_"> De heffingsplichtige brengt de wijze
                                van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te
                                gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis
                                van de ambtenaar belast met de heffing. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_9_25_"> De ambtenaar belast met de heffing: </al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering geschieden
                                        in afwijking van één of meer van de in Bijlage I, onderdeel
                                        A, opgenomen voorschriften, indien deze aannemelijk maakt
                                        dat dit noodzakelijk is ter voldoening aan het bepaalde in
                                        het derde lid, onderdelen a en b; </al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting en
                                        bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een of meer
                                        van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften,
                                        indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarbij
                                        wordt voldaan aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen
                                        a en b; </al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan worden
                                        afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B, opgenomen
                                        analysevoorschriften, indien de heffingsplichtige
                                        aannemelijk maakt dat de nauwkeurigheid van de uitkomsten
                                        van de analyse hierdoor niet wordt beïnvloed; </al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen a, b
                                        en c nadere voorschriften geven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_9_26_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in
                                elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B, waarvan
                                        wordt afgeweken; </al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a, b en
                                        c; </al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
                                        d; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_9_27_"> De ambtenaar belast met de heffing is
                                bevoegd twee of meer ingevolge het vijfde lid genomen beschikkingen,
                                die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde
                                bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_9_28_"> De ambtenaar belast met de heffing kan
                                bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid
                                of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren
                                stoffen, de desbetreffende beschikkingen , bedoeld in het vijfde lid
                                , ambtshalve wijzigen of intrekken in verband met het bepaalde in
                                het eerste lid en het derde lid, onderdelen a. en b.</al><al><noot id="d17490e599"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In de artikel 7 is de
                                        hoofdregel opgenomen op grond waarvan voor de
                                        verontreinigingsheffing de vervuilingswaarde dient te worden
                                        vastgesteld. Deze hoofdregel geldt terzake van het afvoeren
                                        van stoffen vanuit bedrijfsruimten, maar bijvoorbeeld ook
                                        terzake van het afvoeren van stoffen vanuit
                                        zuiveringtechnische werken.</noot.al><noot.al><cursief>Eerste lid</cursief></noot.al><noot.al>Ingevolge het eerste lid wordt het aantal
                                        vervuilingseenheden als hoofdregel bepaald door middel van
                                        meting, bemonstering en analyse. Dit geldt zowel voor de
                                        zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen. Ten
                                        aanzien van de wijze van meting, bemonstering, analyse en
                                        berekening zijn in bijlage I regels opgenomen. Deze
                                        voorschriften gelden zowel voor meting, bemonstering en
                                        analyse gedurende alle etmalen van het heffingsjaar (zie
                                        artikel 7, tweede lid) als voor meting, bemonstering en
                                        analyse gedurende een beperkt aantal etmalen (zie artikel
                                        8).</noot.al><noot.al>In bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking
                                        tot de wijze van meting, bemonstering en analyse. In Bijlage
                                        I zijn opgenomen: </noot.al><noot.al> A Wijze van meting, bemonstering en
                                        monsterbehandeling; </noot.al><noot.al> B Analysevoorschriften; </noot.al><noot.al> C Berekeningsvoorschriften; </noot.al><noot.al> D Controle-bemonsteringen door het waterschap Aa en
                                        Maas; </noot.al><noot.al> E Veiligheid toezichthouders waterschap Aa en
                                        Maas;</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al>Blijkens het tweede lid dient meting, bemonstering en
                                        analyse plaats te vinden gedurende alle dagen van het
                                        heffingsjaar. Hiervan kan echter onder omstandigheden worden
                                        afgeweken. Zie hierna onder artikel 8.</noot.al><noot.al><cursief>Derde en vierde lid</cursief></noot.al><noot.al>In het derde lid zijn voorwaarden opgenomen waaraan
                                        meting, bemonstering en analyse moeten voldoen. De
                                        voorschriften van meting en bemonstering van Bijlage I zijn
                                        een waarborg voor de in het derde lid gestelde criteria. Als
                                        aan de voorschriften van Bijlage I niet kan worden voldaan,
                                        kan hiervan onder omstandigheden worden afgeweken.</noot.al><noot.al>De bevoegdheid van de ambtenaar belast met de heffing
                                        om ambtshalve of op aanvraag af te wijken van de in bijlage
                                        I opgenomen voorschriften betreffende meting en bemonstering
                                        is aan voorwaarden gebonden. In artikel 7, derde lid,
                                        onderdelen a en b, is opgenomen dat slechts van de bedoelde
                                        voorschriften kan worden afgeweken aan de hand van de
                                        voorwaarde dat een meting niet meer dan 5% mag afwijken van
                                        de werkelijke hoeveelheid afvalwater en dat een
                                        representatief monster moet worden verkregen. De verdeling
                                        van de bewijslast is afhankelijk van de omstandigheid of de
                                        afwijking van de voorschriften ambtshalve of op aanvraag
                                        geschiedt. </noot.al><noot.al> In het eerste geval dient de ambtenaar belast met de
                                        heffing aannemelijk te maken dat afwijking van de
                                        voorschriften noodzakelijk is om aan de gestelde voorwaarden
                                        te voldoen, in het tweede geval dient de heffingsplichtige
                                        aannemelijk te maken dat ook bij afwijking van de
                                        voorschriften aan deze voorwaarden wordt voldaan. </noot.al><noot.al> Een afwijking van de in Bijlage I opgenomen
                                        analysevoorschriften is slechts mogelijk, indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat daarmee de
                                        nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse niet wordt
                                        beïnvloed (artikel 7, vijfde lid, onderdeel c).</noot.al><noot.al><cursief>Vijfde lid</cursief></noot.al><noot.al>De ambtenaar belast met de heffing kan zowel ambtshalve
                                        als op aanvraag bepalen dat van de voorschriften van Bijlage
                                        I kan worden afgeweken. Deze beslissing wordt bij een voor
                                        bezwaar vatbare beschikking genomen. Tegen de uitspraak op
                                        het bezwaarschrift kan door de heffingsplichtige beroep
                                        worden ingesteld bij de belastingkamer van het Gerechtshof.
                                        In het zesde lid is opgenomen welke elementen de bedoelde
                                        beschikking in ieder geval dient te bevatten.</noot.al><noot.al><cursief>Achtste lid</cursief></noot.al><noot.al>Hierin is de mogelijkheid vermeld van een ambtshalve
                                        wijziging of intrekking van een beschikking betreffende een
                                        afwijking van voorschriften van meting, bemonstering en
                                        analyse van Bijlage I. ]</noot.al></noot></al><al><vet>Beperkte meting, bemonstering en analyse</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_10_29_"> Op aanvraag van de heffingsplichtige,
                                die aannemelijk maakt dat voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden kan worden volstaan met gegevens welke met
                                behulp van meting, bemonstering en analyse in een beperkt aantal
                                etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar belast met de heffing
                                dat meting en bemonstering geschieden in afwijking van het bepaalde
                                in artikel 7, tweede lid. Het besluit op aanvraag wordt genomen bij
                                een voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                                geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalstromen en de stoffen welke in het
                                        onderzoek dienen te worden betrokken; </al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                        hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of meer
                                        daartoe aangewezen etmalen daarvan; </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                        uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden
                                        over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het
                                        heffingsjaar; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_10_30_"> De ambtenaar belast met de heffing kan
                                bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid
                                of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk af te voeren
                                stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in het eerste lid,
                                ambtshalve wijzigen of intrekken, indien toepassing van
                                berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van bijlage I leidt tot
                                een ander aantal etmalen dan in die beschikking is opgenomen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_10_31_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor bezwaar
                                vatbare beschikking.</al><al><noot id="d17490e687"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al>Indien door de heffingsplichtige aannemelijk wordt
                                        gemaakt dat ook bij een lagere frequentie van meting,
                                        bemonstering en analyse een voldoende representatief
                                        resultaat kan worden verkregen, zal de ambtenaar belast met
                                        de heffing op aanvraag van een heffingsplichtige een
                                        dergelijke afwijking toestaan. Deze aanvraag is aan te
                                        merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde
                                        lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De ambtenaar belast
                                        met de heffing neemt vervolgens een besluit in de vorm van
                                        een voor bezwaar vatbare beschikking. In zijn beschikking
                                        worden in ieder geval voorschriften gegeven met betrekking
                                        tot de onderdelen a t/m d, genoemde onderwerpen.</noot.al><noot.al>In dit kader zijn tevens van belang de
                                        model–meetbeschikking (brief van de Unie van Waterschappen
                                        aan de leden–waterschappen van 28 oktober 1994, kenmerk
                                        942196 AJBZ/EK, Belastingblad 1994, blz. 802) en de
                                        richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter
                                        vaststelling van de vervuilingswaarde van afvalwater’ van de
                                        Commissie Integraal Waterbeheer van augustus 1998. </noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al>Hierin is de mogelijkheid vermeld van een ambtshalve
                                        wijziging of intrekking van een meetbeschikking (op grond
                                        waarvan een belastingplichtige kan volstaan met meting,
                                        bemonstering en analyse gedurende een beperkt aantal
                                        etmalen). </noot.al><noot.al> De inhoud van deze bepaling is overgenomen van het UVR
                                        (artikel 13).]</noot.al></noot></al><al><vet>Hoedanigheidscorrectie</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_11_32_"> Indien de uitkomst van de methode tot
                                bepaling van het chemisch zuurstofverbruik bedoeld in artikel 6 in
                                belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet of nagenoeg niet
                                afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de heffingsplichtige op
                                die uitkomst een correctie toegepast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_11_33_"> De berekening van de correctie
                                geschiedt met inachtneming van de voorschriften welke zijn opgenomen
                                in Bijlage I, onderdeel C. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_11_34_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                neemt zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid, bij voor
                                bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie; </al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater waarop de
                                        correctie van toepassing is; </al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking tot
                                        meting, bemonstering en analyse; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                        waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst><al><noot id="d17490e744"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 9 voorziet erin dat de
                                        voorschriften die het waterschap inzake de T–correctie
                                        stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen (zie ook
                                        Bijlage I, onderdeel E). </noot.al><noot.al> Daarnaast is in het artikel bepaald dat de
                                        heffingsplichtige voor toepassing van de T–correctie een
                                        aanvraag moet indienen. De ambtenaar belast met de heffing
                                        neemt hierop een voor bezwaar vatbare beschikking. </noot.al><noot.al> Tegen de uitspraak op het bezwaarschrift kan door de
                                        heffingsplichtige beroep worden ingesteld bij Rechtbank.
                                        Tevens is voorgeschreven welke elementen de bedoelde
                                        beschikking dient te bevatten.]</noot.al></noot></al><al><vet>Tabel afvalwatercoëfficiënten</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_12_35_"> In afwijking van het bepaalde in
                                artikel 7, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met
                                behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                                afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of
                                minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                ingenomen water kan worden bepaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid wordt
                                berekend volgens de formule A x B, waarbij </al><al> A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                bedrijfsruimte of </al><al> het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water; </al><al> B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                Bijlage II opgenomen tabel met de klassegrenzen waarbinnen de
                                vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m³ ten
                                behoeve van de bedrijfsruimte of van het onderdeel van de
                                bedrijfsruimte ingenomen water is gelegen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_12_37_"> De vervuilingswaarde met betrekking
                                tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het tweede lid wordt
                                bepaald met toepassing van de algemene maatregel van bestuur als
                                bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_12_38_"> Indien het aantal vervuilingseenheden
                                met betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan meer dan 1.000 bedraagt en
                                de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de berekening van het
                                aantal vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid,
                                aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die welke
                                wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 7, eerste lid,
                                beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor bezwaar vatbare
                                beschikking op aanvraag van heffingsplichtige dat het aantal
                                vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing van de tabel.</al><al><noot id="d17490e790"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel geeft aan dat in
                                        afwijking van het bepaalde in artikel 7 waar meting,
                                        bemonstering en analyse als hoofdregel wordt voorgeschreven,
                                        het aantal vervuilingseenheden voor een bedrijfsruimte of
                                        een onderdeel daarvan kan worden bepaald met behulp van de
                                        tabel afvalwatercoëfficiënten (Bijlage II). De
                                        vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar afgevoerde
                                        stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend door het
                                        aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                                        vermenigvuldigen met de toepasselijke afvalwatercoëfficiënt. </noot.al><noot.al> Toepassing van de tabel is toegestaan indien: </noot.al><noot.al> 1 de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                                        toepassing van de tabel niet leidt tot een aantal
                                        vervuilingseenheden van meer dan 1.000 vervuilingseenheden; </noot.al><noot.al> 2 toepassing van de tabel leidt tot een aantal
                                        vervuilingseenheden van meer dan 1.000. In dit geval is
                                        toepassing van de tabel toelaatbaar indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van
                                        meting, bemonstering en analyse (artikel 7) niet leidt tot
                                        een aantal vervuilingseenheden dat hoger is dan bij
                                        toepassing van de tabel.</noot.al><noot.al>Voor beide situaties geldt de voorwaarde dat de
                                        heffingsplichtige aannemelijk dient te maken dat het aantal
                                        vervuilingseenheden aan de hand van de hoeveelheid ingenomen
                                        water kan worden bepaald. Dat wil zeggen dat er rekenkundig
                                        een relatie moet bestaan tussen de hoeveelheid ingenomen
                                        water en het aantal vervuilingseenheden.</noot.al><noot.al>De regeling van de tabel afvalwatercoëfficiënten is
                                        opgenomen in artikel 22 Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren. De tabel gaat in beginsel uit van een
                                        individuele bedrijfsbenadering. Dat wil zeggen dat voor elk
                                        bedrijf afzonderlijk de toepasselijke afvalwatercoëfficiënt
                                        (behorend bij een van de 15 tabelklassen) wordt bepaald op
                                        basis van de vervuilingswaarde per m³ ingenomen water. De
                                        vaststelling van de vervuilingswaarde per m³ ingenomen water
                                        geschiedt aan de hand van het Besluit als bedoeld in artikel
                                        22, tweede lid, Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren.]</noot.al></noot></al><al><vet>Belasting van tuinbouwkassen</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_13_39_"> In afwijking van artikel 7, eerste
                                lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden afgevoerd
                                vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een bedrijfsruimte
                                bestemd om in het kader van de uitoefening van een beroep of een
                                bedrijf onder een permanente opstand van glas of kunststof gewassen
                                te telen, bepaald op basis van het tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_13_40_"> De vervuilingswaarde bedraagt 3
                                vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas of
                                kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare vloeroppervlak
                                een evenredig deel van 3 vervuilingseenheden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_13_41_"> Indien in de loop van het kalenderjaar
                                het gebruik van een in het eerste lid bedoelde bedrijfsruimte of
                                onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van een deel daarvan, door
                                de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt hij in dat kalenderjaar voor
                                die bedrijfsruimte, dat onderdeel of dat deel voor een evenredig
                                gedeelte van het op basis van het tweede lid bepaald aantal
                                vervuilingseenheden aan een heffing onderworpen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_13_42_"> Een vervuilingswaarde voor de
                                bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend op
                                basis van het tweede of derde lid, van minder dan 5
                                vervuilingsheeneden wordt op 3 vervuilingseenheden, en van 1 of
                                minder dan 1 vervuilingseenheid op 1 vervuilingseenheid
                                gesteld.</al><al><noot id="d17490e836"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Op basis van artikel 11 worden
                                        tuinbouwkassen waarbinnen onder een permanente opstand van
                                        glas of kunststof het telen van gewassen plaatsvindt in de
                                        heffing betrokken op basis van een forfait van drie
                                        vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Bij de
                                        totstandkoming van de nieuwe tabel afvalwatercoëfficiënten
                                        is gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen
                                        relatie heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling
                                        van de vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering
                                        en analyse bleek gezien de relatief hoge perceptiekosten
                                        evenmin een reële mogelijkheid. In verband daarmee is voor
                                        tuinbouwkassen thans een heffingsmaatstaf op basis van
                                        oppervlakte in de wet opgenomen (artikel 21, vijfde lid, Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren).</noot.al><noot.al>Het derde lid van artikel 11 schrijft voor dat bij de
                                        bepaling van de vervuilingswaarde rekening wordt gehouden
                                        met een tussentijdse aanvang of beëindiging van de
                                        bedrijfsactiviteiten, dan wel een tussentijdse wijziging van
                                        de vloeroppervlakte waarop wordt geteeld (uitbreiding of
                                        inkrimping van de kassen). Berekening van de
                                        vervuilingswaarde geschiedt alsdan naar tijdsevenredigheid
                                        van het op basis van artikel 11, tweede lid, van deze
                                        verordening bepaalde aantal vervuilingseenheden.</noot.al><noot.al>Het vierde lid van artikel 11 voorziet voor
                                        tuinbouwkassen met een vervuilingswaarde van minder dan 5
                                        vervuilingseenheden in een forfaitaire regeling. Indien de
                                        vervuilingswaarde als berekend op basis van het tweede of
                                        derde lid van de verordening minder dan 5
                                        vervuilingseenheden bedraagt, wordt deze op 3
                                        vervuilingseenheden gesteld. </noot.al><noot.al> Indien de vervuilingswaarde als berekend op basis van
                                        het tweede of derde lid van de verordening 1 of minder dan 1
                                        vervuilingseenheid bedraagt, wordt deze op 1
                                        vervuilingseenheid gesteld. ]</noot.al></noot></al><al><vet>Franchise</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_14_43_"> Voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen
                                chroom, koper, lood, nikkel en zink wordt een aftrek toegepast, met
                                dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op
                                nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal
                                aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als
                                berekend op grond van de artikelen 7 tot en met 11, te
                                vermenigvuldigen met 0,0162. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_14_44_"> Voor de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van stoffen
                                arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met dien
                                verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan op nihil
                                kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het totaal aantal
                                vervuilingseenheden van de zuurstofbindende stoffen, als berekend op
                                grond van de artikelen 7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met
                                0,0027.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17490e870"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 12 bepaalt dat bij de
                                        berekening van de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten ten
                                        aanzien van de niet–zuurstofbindende stoffen een
                                        heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De
                                        hoogte van deze aftrek is bepaald op de gemiddelde
                                        vervuilingswaarde van huishoudelijk afvalwater met
                                        betrekking tot genoemde stoffen. De gegevens hiervoor zijn
                                        ontleend aan het rapport ‘Het inwonerequivalent getoetst’
                                        (STORA, 1985). De achterliggende gedachte bij de aftrek is
                                        dat woonruimten uitsluitend worden aangeslagen voor de
                                        lozing van zuurstofbindende stoffen en niet voor de lozing
                                        van andere stoffen. Uit het hiervoor genoemde onderzoek
                                        blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij
                                        het zeer geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit.
                                        Deze blijven bij woonruimten echter onbelast. Om te
                                        voorkomen dat een ongelijkheid ontstaat tussen woonruimten
                                        en bedrijfsruimten is in artikel 12 een aftrek opgenomen
                                        gelijk aan de gemiddelde vervuilingswaarde van huishoudelijk
                                        afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Drempel en meetverplichting</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_15_45_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte
                                minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden wordt, in afwijking
                                van het bepaalde in artikel 7: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld, tenzij
                                        de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen
                                        de in artikel 12, eerste lid bedoelde aftrek te boven gaat;
                                    </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de
                                        ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen
                                        de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te boven gaat.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_15_46_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een bedrijfsruimte
                                1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt, wordt, in afwijking van
                                het bepaalde in artikel 7: </al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        chroom, koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld, indien
                                        de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat;
                                    </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                        arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                                        heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                        vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de in
                                        artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven gaat.
                                    </al></li></lijst><al><noot id="d17490e912"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 13 heeft als doel
                                        duidelijk te maken welke bedrijven onderzoek dienen te
                                        verrichten naar de samenstelling van de lozing van
                                        niet–zuurstofbindende stoffen (= andere stoffen). In de
                                        artikelen 7 en 8 staat dat de vervuilingswaarde voor
                                        bedrijfsruimten wordt vastgesteld door middel van (al dan
                                        niet dagelijkse) meting, bemonstering en analyse. Dit
                                        voorschrift geldt zowel voor de zuurstofbindende stoffen als
                                        voor de andere stoffen. </noot.al><noot.al> Blijkens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en
                                        analyse ten aanzien van de andere stoffen in beginsel
                                        achterwege blijven bij bedrijfsruimten waarvoor de
                                        vervuilingswaarde met betrekking tot de zuurstofbindende
                                        stoffen minder dan 1.000 vervuilingseenheden bedraagt.
                                        Indien de ambtenaar belast met de heffing echter aannemelijk
                                        maakt dat de vervuilingswaarde van de andere stoffen hoger
                                        is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12,
                                        dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden. Dit
                                        is geregeld in het eerste lid van artikel 13. </noot.al><noot.al> Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met
                                        betrekking tot de zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000
                                        vervuilingseenheden bedraagt, geldt het omgekeerde. </noot.al><noot.al> Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval
                                        meting, bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het
                                        bedrijf aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van die
                                        stoffen lager is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in
                                        artikel 12. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel
                                        13.</noot.al><noot.al>Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt
                                        hierna een voorbeeld. </noot.al><noot.al> Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan
                                        zuurstofbindende stoffen van 900 vervuilingseenheden.
                                        Ingevolge artikel 13 wordt het aantal vervuilingseenheden
                                        van de overige stoffen in dit geval (minder dan 1.000
                                        vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld en behoeft
                                        het bedrijf voor die overige stoffen dus niet te bemeten en
                                        te bemonsteren. Stel echter dat het waterschap aannemelijk
                                        heeft gemaakt dat het bedrijf een hoeveelheid lood loost dat
                                        groter is dan de in artikel 12 bedoelde aftrek. Die aftrek
                                        bedraagt in dit geval 900 x 0,0162 = 14,58
                                        vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten gaan meten
                                        en bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood
                                        maar in beginsel ook de andere stoffen van dezelfde
                                        gewichtsgroep). Stel dat daaruit blijkt dat een hoeveelheid
                                        van 25 kilogram lood wordt geloosd met een vervuilingswaarde
                                        van 25 vervuilingseenheden. Daarop moet ingevolge artikel 12
                                        de aftrek (14,58) in mindering worden gebracht. De totale
                                        vervuilingswaarde is dus 900 + (25 – 14,58) = 910,52
                                        vervuilingseenheden. </noot.al><noot.al> In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog
                                        4 kilogram zink (4 vervuilingseenheden) en 300 gram arseen
                                        (3 vervuilingseenheden) wordt afgevoerd, geldt het volgende.
                                        In dat geval geldt een aftrek van 14,58 voor de stoffen lood
                                        en zink tezamen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor
                                        arseen (900 x 0,0027).</noot.al><noot.al>De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (29 – 14,58) +
                                        (3 – 2,43) = 915,09 vervuilingseenheden.]</noot.al></noot></al><al><vet>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som van
                            de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                            artikelen 7 tot en met 13, voor zover deze van toepassing zijn.</al><al><noot id="d17490e944"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel voorziet in de
                                    totalisering van het bij de artikelen 7 t/m 13 berekende aantal
                                    vervuilingseenheden aan zuurstofbindende stoffen voor een
                                    bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is onder meer van
                                    belang indien binnen één bedrijfsruimte: </noot.al><noot.al> – voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                    afzonderlijke meting, bemonstering en analyse plaatsvindt; </noot.al><noot.al> – voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                    afzonderlijke afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn; </noot.al><noot.al> – voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten,
                                    bemonsterd en geanalyseerd en voor een ander onderdeel van die
                                    bedrijfsruimte een afvalwatercoëfficiënt van toepassing is; </noot.al><noot.al> – naast zuurstofbindende stoffen eveneens
                                    niet–zuurstofbindende stoffen worden geloosd die in de heffing
                                    worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije grens van
                                    niet–zuurstofbindende stoffen).]</noot.al></noot></al><al><vet>Forfaits voor kleine bedrijfsruimten</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde van
                            de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                            zuiveringstechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                            afgevoerd gesteld op 3 vervuilingseenheden indien door de
                            heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                            minder dan 5 vervuilingseenheden bedraagt en op 1 vervuilingseenheid
                            indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die
                            vervuilingswaarde 1 vervuilingseenheid of minder bedraagt. </al><al><noot id="d17490e970"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 15 bevat een regeling voor
                                    kleine bedrijfsruimten die haar basis vindt in artikel 21, derde
                                    lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                    vervuilingseenheden minder dan 5 bedraagt, wordt de
                                    vervuilingswaarde op 3 vervuilingseenheden gesteld. Indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                    vervuilingseenheden 1 of minder bedraagt, wordt op aanvraag van
                                    de belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1
                                    vervuilingseenheid gesteld. </noot.al><noot.al> Het betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132,
                                    eerste lid, van de Waterschapswet. De regeling kan door de
                                    ambtenaar belast met de heffing ook ambtshalve worden
                                    toegepast.]</noot.al></noot></al><al><vet>Forfaits voor woonruimten</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_18_47_"> De vervuilingswaarde van een
                                woonruimte is 3 vervuilingseenheden, met dien verstande dat voor een
                                woonruimte die door één persoon wordt gebruikt, op aanvraag van de
                                gebruiker, de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid wordt
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_18_48_"> Het eerste lid is niet van toepassing
                                op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten die zich
                                bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein dat als
                                zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin bedoelde
                                woonruimten worden tezamen aangemerkt als een bedrijfsruimte dan wel
                                als onderdeel van een bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_18_49_"> Indien de in het eerste lid bedoelde
                                situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat
                                in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op 1
                                vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag van de
                                kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin die situatie is
                                ontstaan. Indien de hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste
                                dag van een kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van
                                die dag op 1 vervuilingseenheid vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d17490e1005"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Artikel 16 bepaalt dat het
                                        aantal vervuilingseenheden waarvoor woonruimten worden
                                        aangeslagen op forfaitaire wijze wordt bepaald. Het aantal
                                        vervuilingseenheden kan maximaal 3 bedragen (artikel 21,
                                        eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren). </noot.al><noot.al> Voor een woonruimte die wordt bewoond door één
                                        persoon, wordt de vervuilingswaarde gesteld op één
                                        vervuilingseenheid (artikel 21, eerste lid, van de Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren). In artikel 16 is
                                        bepaald dat dit op aanvraag van de gebruiker van de
                                        woonruimte dient te gebeuren. Het gaat daarbij om een
                                        aanvraag in de zin van artikel 132 van de Waterschapswet.
                                        Ingevolge dat artikel moet de gebruiker van de woonruimte de
                                        aanvraag doen binnen zes weken na de dagtekening van het
                                        aanslagbiljet of, indien nog geen aanslagbiljet is
                                        uitgereikt, binnen zes weken na het ontstaan van de
                                        omstandigheid. Deze vermindering kan overigens ook
                                        ambtshalve door het waterschap worden toegepast. </noot.al><noot.al> Er wordt rekening gehouden met het aantal gebruikers
                                        van de woonruimte in de loop van het heffingsjaar. Dit kan
                                        leiden tot een teruggaaf ingeval een meerpersoonshuishouden
                                        in de loop van het heffingsjaar een eenpersoonshuishouden
                                        wordt. In het derde lid is geregeld dat deze teruggaaf geldt
                                        voor de resterende volle kalendermaanden van het
                                        heffingsjaar. Dit sluit aan bij de systematiek van artikel
                                        4.]</noot.al></noot></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Schatting</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal vervuilingseenheden in
                            een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door middel van schatting
                            vaststellen, indien door de heffingsplichtige: </al><lijst><li nr="a."><al>zonder de in artikel 8 genoemde toestemming niet is voldaan aan
                                    de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting; </al></li><li nr="b."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden aan
                                    de in artikel 8 genoemde toestemming; </al></li><li nr="c."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                    geschied in overeenstemming met de in bijlage I opgenomen
                                    voorschriften; </al></li><li nr="d."><al>niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste volzin,
                                    opgenomen verplichting en bepaling van de vervuilingswaarde
                                    overeenkomstig artikel 10, eerste en vierde lid, of de artikelen
                                    11, 15 en 16 niet mogelijk is dan wel bepaling van de
                                    vervuilingswaarde op basis van artikel 10, vierde lid, wel
                                    mogelijk is en door de heffingsplichtige gedurende het
                                    heffingsjaar geen aanvraag als bedoeld in artikel 10, vierde
                                    lid, is ingediend. </al></li></lijst><al><noot id="d17490e1042"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 20, achtste lid, Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren is expliciet bepaald dat
                                    onder bepaalde, in de onderdelen a tot en met d nader
                                    omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan worden
                                    vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien een
                                    bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting,
                                    bemonstering en analyse of indien het bedrijf zulks doet op een
                                    wijze die niet in overstemming is met de in de verordening of
                                    meetbeschikking opgenomen voorschriften. </noot.al><noot.al> De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het
                                    afvoeren terzake van stoffen vanuit objecten waarvoor in de
                                    verordening geen bijzondere regelingen zijn opgenomen en
                                    waarvoor de hoofdregel van artikel 7 (meting, bemonstering en
                                    analyse) niet kan worden toegepast. </noot.al><noot.al> Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere
                                    omstandigheden kunnen zijn op grond waarvan schatting kan
                                    plaatsvinden. ]</noot.al></noot></al><al><vet>Tarief</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>Het tarief bedraagt per vervuilingseenheid € 43,08</al><al><noot id="d17490e1064"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In artikel 18 is het tarief per
                                    vervuilingseenheid opgenomen. </noot.al><noot.al> Er vindt geen afronding van het aantal vervuilingseenheden
                                    plaatsvindt. Bij bijvoorbeeld 5,5 vervuilingseenheden bedraagt
                                    het aanslagbedrag 5,5 x het tarief.]</noot.al></noot></al><al><vet>Wijze van heffing en termijnen van betaling</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_21_50_"> De heffing wordt geheven bij wege van
                                aanslag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_21_51_"> Tenzij op het aanslagbiljet anders is
                                vermeld, dienen de aanslagen voor een woonruimte of een
                                bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15, te worden betaald tegelijk
                                met en op dezelfde wijze als die waarop de nota’s van het
                                nutsbedrijf, in wiens verzorgingsgebied de ruimte is gelegen, moeten
                                worden betaald. In dat geval moet de aanslag worden betaald in een
                                aantal termijnen dat overeenkomt met het aantal nota’s dat in het
                                heffingsjaar in het verzorgingsgebied van het betreffende
                                nutsbedrijf verschijnt. Ingeval aan de heffingsplichtige door het
                                nutsbedrijf geen nota’s worden verzonden, moet de aanslag worden
                                betaald in één termijn welke vervalt twee maanden na de dagtekening
                                van het aanslagbiljet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_21_52_"> Een met een belastingaanslag
                                gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete als genoemd
                                in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990,
                                die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van de
                                belastingaanslag is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de
                                termijnen die gelden voor de belastingaanslag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_21_53_"> Indien de heffingsplicht in de loop
                                van het heffingsjaar ontstaat dan wel indien een aanslag wordt
                                opgelegd nadat reeds een of meer van de in het tweede lid genoemde
                                nota’s zijn verschenen, is de aanslag invorderbaar in zoveel gelijke
                                termijnen als na het ontstaan van de heffingsplicht of na het
                                opleggen van de aanslag in het heffingsjaar nog nota’s van het
                                nutsbedrijf verschijnen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_21_54_"> De aanslagen, daaronder begrepen
                                voorlopige aanslagen, voor een bedrijfsruimte, anders dan bedoeld in
                                artikel 15, dienen te worden betaald in één termijn welke vervalt
                                twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_21_55_"> Een navorderingsaanslag is
                                invorderbaar een maand na dagtekening van het aanslagbiljet.</al><al><noot id="d17490e1112"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Ingevolge artikel 125 van de
                                        Waterschapswet kunnen waterschapsbelastingen worden geheven
                                        bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                                        op andere wijze. Het gaat hier om drie verschillende
                                        heffingstechnieken.</noot.al><noot.al><cursief>Eerste lid </cursief></noot.al><noot.al>Ingevolge het eerste lid vindt de heffing
                                        plaats bij wege van aanslag. </noot.al><noot.al> De wettelijke betalingstermijnen van artikel 9 van de
                                        Invorderingswet gelden ((een belastingaanslag en een
                                        eventuele boete zijn invorderbaar twee maanden na
                                        dagtekening van het aanslagbiljet).</noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> In het tweede lid is geregeld dat de met betrekking
                                        tot woonruimten en kleine bedrijfsruimten opgelegde
                                        aanslagen worden geïnd tegelijk met en op dezelfde wijze als
                                        die waarop de nota’s van het openbare nutsbedrijf worden
                                        betaald (deze mogelijkheid is vastgelegd in artikel 139,
                                        tweede lid, van de Waterschapswet). </noot.al><noot.al> Daarnaast is geregeld dat de aanslag moet worden
                                        betaald in het aantal termijnen dat overeenkomt met het
                                        aantal nota’s dat in het heffingsjaar door het betreffende
                                        nutsbedrijf wordt verstuurd. </noot.al><noot.al> Tot slot kent het tweede lid een regeling voor het
                                        aantal betalingstermijnen met betrekking tot een woonruimte
                                        of kleine bedrijfsruimte indien geen nota’s door het
                                        nutsbedrijf worden verzonden.</noot.al><noot.al><cursief>Derde lid</cursief></noot.al><noot.al> Voor een beschikking inzake een bestuurlijke boete die
                                        gelijktijdig en in verband met een aanslag is opgelegd
                                        gelden gelijke betalingstermijnen als voor de aanslag
                                        (artikel 9, derde lid, Invorderingswet). Artikel 9
                                        Invorderingswet, die ter zake als hoofdregel geldt, is ook
                                        van toepassing op de waterschappen. In de verordening is in
                                        artikel 19 van deze wettelijke termijnen
                                        uitgegaan.</noot.al><noot.al><cursief>Vierde lid</cursief></noot.al><noot.al> Het vierde lid kent een regeling voor het aantal
                                        betalingstermijnen indien de heffingsplicht in de loop van
                                        het heffingsjaar aanvangt danwel indien een aanslag wordt
                                        opgelegd nadat reeds één of meer nota’s zijn
                                        verschenen.</noot.al><noot.al><cursief>Vijfde lid</cursief></noot.al><noot.al> Bedrijfsruimten, anders dan bedoeld in artikel 15,
                                        moeten de (voorlopige) aanslag betalen in één termijn welke
                                        vervalt twee maanden na de dagtekening van het
                                        aanslagbiljet. </noot.al><noot.al><cursief>Zesde lid</cursief></noot.al><noot.al> Voor navorderingsaanslagen geldt een betalingstermijn
                                        van één maand na de dagtekening (artikel 9, tweede lid,
                                        Invorderingswet).]</noot.al></noot></al><al><vet>Nadere regels</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de
                            verontreinigingsheffing.</al><al><noot id="d17490e1168"><noot.nr>21</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In verband met de inwerkingtreding
                                    van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Stb.
                                    1996, 333) en de daarop gebaseerde aanpassingswetgeving (Stb.
                                    1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden die in de Algemene wet
                                    inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet zijn toebedeeld
                                    aan de Minister van Financiën vanaf 1 januari 1998 toe aan het
                                    dagelijks bestuur van het waterschap (zie artikel 123, derde
                                    lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum kwamen
                                    deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen bestuur
                                    van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere regels
                                    ten aanzien van de volgende bevoegdheden: </noot.al><noot.al> – de verplichting te verzoeken om uitreiking van een
                                    aangiftebiljet; </noot.al><noot.al> – de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen; </noot.al><noot.al> – het berekenen van invorderingsrente.</noot.al><noot.al>De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998
                                    expliciet in de belastingverordening geregeld. Artikel 20 is
                                    thans in de verordening opgenomen om expliciet aan de
                                    belastingplichtige kenbaar te maken dat ook het dagelijks
                                    bestuur regels kan stellen met betrekking tot de heffing en de
                                    invordering van de verontreinigingsheffing.]</noot.al></noot></al><al><vet>Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_23_56_"> De Verordening verontreinigingsheffing
                                Waterschap Aa en Maas 2007 zoals vastgesteld door het algemeen
                                bestuur bij besluit van 24 november 2006 wordt ingetrokken met
                                ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                                belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_23_57_"> Deze verordening treedt in werking op
                                de eerste dag na die van de bekendmaking</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_23_58_"> De datum van ingang van de heffing is
                                1 januari 2008.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H68540_0_0_23_59_"> Deze verordening wordt aangehaald als
                                “Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas
                                2008”.</al><al><noot id="d17490e1212"><noot.nr>22</noot.nr><noot.al><cursief>[<vet>Toelichting: </vet>Eerste
                                        lid</cursief></noot.al><noot.al> Het eerste lid van artikel 21 regelt dat de oude
                                        verordeningen worden ingetrokken met ingang van de datum van
                                        ingang van de heffing. Deze bepaling voorkomt dat op enig
                                        moment verschillende verordeningen van kracht zijn. </noot.al><noot.al> De oude verordeningen blijven evenwel van toepassing
                                        op belastbare feiten die zich voor de datum van ingang van
                                        de heffing hebben voorgedaan. Voor ‘oude’ belastbare feiten
                                        blijft heffing op basis van de oude verordeningen in de
                                        praktijk dus van toepassing. </noot.al><noot.al><cursief>Tweede lid</cursief></noot.al><noot.al> Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft
                                        voor dat besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen
                                        verbindende regels inhouden, niet verbinden dan wanneer zij
                                        zijn bekendgemaakt. Dit geldt derhalve ook voor
                                        belastingverordeningen. Blijkens het tweede lid van artikel
                                        73 geschiedt bekendmaking door plaatsing in een vanwege het
                                        waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen
                                        verkrijgbaar gestelde publicatie en door het doen van
                                        mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of
                                        nieuwsblad. De bekendgemaakte besluiten treden conform
                                        artikel 74 van de Waterschapswet in werking met ingang van
                                        de achtste dag na die van de bekendmaking, tenzij in deze
                                        besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. In deze
                                        verordening is ervoor gekozen de verordening op de eerste
                                        dag na die van de bekendmaking in werking te laten treden. </noot.al><noot.al> In deze verordening is ervoor gekozen de verordening
                                        op de eerste dag na die van de bekendmaking in werking te
                                        laten treden. </noot.al><noot.al><cursief>Derde lid</cursief></noot.al><noot.al> Ingevolge artikel 111 van de Waterschapswet is een van
                                        de onderwerpen die in de belastingverordening moet worden
                                        geregeld, het tijdstip van ingang van de heffing. </noot.al><noot.al> In het derde lid van artikel 21 van de verordening is
                                        de datum van ingang van de heffing vastgesteld op 1 januari
                                        2008. Deze bepaling maakt duidelijk op welk moment de nieuwe
                                        financiële verplichtingen die aan de burgers worden
                                        opgelegd, een aanvang nemen.</noot.al><noot.al><cursief>Vierde lid</cursief></noot.al><noot.al> Ingevolge het vierde lid van artikel 21 wordt de
                                        verordening voorzien van een citeertitel en een jaartal.
                                        ]</noot.al></noot></al><al>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 30 november
                                2007.</al><al>de secretaris,</al><al>Drs. P. Sennema </al><al>de dijkgraaf,</al><al>Drs. L.H.J. Verheijen </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage I Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                            berekening</titel></kop><artikel><kop><titel>Definitiebepalingen</titel></kop><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                                    etmaalverzamelmonster wordt samengesteld; </al></li><li nr="b."><al>debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende het etmaal;
                                </al></li><li nr="c."><al>debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van
                                    magnetische inductie) het debiet gemeten wordt; </al></li><li nr="d."><al>momentaan debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende
                                    een moment van meting; </al></li><li nr="e."><al>kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten
                                    opzichte van een van toepassing zijnde standaard; </al></li><li nr="f."><al>droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een
                                    doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt
                                    gesimuleerd; </al></li><li nr="g."><al>nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij
                                    daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door
                                    de debietmeter wordt geleid; </al></li><li nr="h."><al>gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een
                                    gesloten leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het
                                    afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht; </al></li><li nr="i."><al>open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het
                                    stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht; </al></li><li nr="j."><al>moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden
                                    herleid naar de nationale volumestandaard van het Nederlands
                                    Meetinstituut; </al></li><li nr="k."><al>bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en het
                                    begin van de voorbehandeling ten behoeve van de uitvoering van
                                    de analyse; </al></li><li nr="l."><al>aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in
                                    het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde
                                    betrouwbaarheid kan worden vastgesteld, zijnde 3x de spreiding
                                    van binnenlabreproduceerbaarheid. </al></li></lijst><al>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemeen</titel></kop><al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat,
                            worden regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig
                            toegankelijk. De meet– en bemonsteringsvoorzieningen worden
                            overeenkomstig onderstaande bepalingen respectievelijk NEN 6600–1
                            geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een open
                            als in een gesloten meetsysteem worden gemeten en bemonsterd. </al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3 op de
                            bemonstering. </al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het
                            samengestelde etmaalverzamelmonster.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Meting</titel></kop><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de afvalwaterstroom
                            gemeten. </al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet worden
                            bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het
                            watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In het
                            laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde hoeveelheid afvalwater
                            niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid
                            water.</al><al><vet>2.1 Open meetsystemen </vet></al><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast. </al><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen: </al><al>1 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,05 meter, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten
                            debiet; </al><al>2 de momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van
                            minder dan 0,125 meter, bedragen gesommeerd minder dan 10% van het
                            gemeten debiet.</al><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het
                            etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet,
                            gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.</al><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per jaar bij
                            overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd.
                            In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een
                            vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende
                            de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende
                            overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening
                            berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren.
                            Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij worden
                            aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en
                            de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij
                            afwijking.</al><al><vet>2.2 Gesloten meetsystemen</vet></al><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal
                            mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het
                            gemeten debiet. </al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare mechanische
                            pulsteller. </al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van een
                            printer of datalogger.</al><al><vet>Inbouw</vet></al><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem
                            wordt een ‘affabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de
                            meterspecifieke kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of
                            meterconstante staat aangegeven. Natte kalibratie in ingebouwde toestand
                            vindt direct plaats na inwerkingstelling van de debietmeter.</al><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de
                                    mogelijkheid tot het uitvoeren van een natte kalibratie in–situ.
                                </al></li><li nr="b."><al>De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt
                                    minimaal vijf maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit
                                    het hart van de meter. </al></li><li nr="c."><al>De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt minimaal
                                    twee maal de diameter van de meetbuis, gerekend vanuit het hart
                                    van de meter. </al></li><li nr="d."><al>De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is
                                    exact gelijk aan de diameter van de meetbuis. </al></li><li nr="e."><al>Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit. </al></li><li nr="f."><al>De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig
                                    gevuld is met water. </al></li><li nr="g."><al>De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met een
                                    aardelectrode die is ingebouwd in de meter. </al></li></lijst><al><cursief>Natte kalibratie</cursief></al><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in ingebouwde
                            toestand nat gekalibreerd. In het jaar van natte kalibratie hoeft niet
                            tevens een droge kalibratie te worden uitgevoerd. </al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte kalibratie
                            jaarlijks plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de volgende vijf
                            meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik op
                            een ijkinstallatie of NKO–geaccrediteerde instelling, waarvan de
                            installatie kan worden herleid naar de nationale volumestandaard van het
                            Nederlands Meetinstituut (NMi).</al><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen in
                                    ingebouwde toestand nat gekalibreerd. Onder natte kalibratie
                                    wordt verstaan dat een vooraf nauwkeurig bepaalde hoeveelheid
                                    water door de te kalibreren meter wordt geleid (waarbij deze
                                    hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b genoemde instelling),
                                    dan wel dat tijdelijk een tweede, bij voorkeur op hetzelfde
                                    meetprincipe gebaseerd meetsysteem in serie wordt geplaatst en
                                    fungeert als moedermeter, dan wel op een andere, door de
                                    ambtenaar belast met de heffing goedgekeurde methode. </al></li><li nr="b."><al>Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een
                                    moedermeter, wordt deze in ingebouwde toestand nat gekalibreerd
                                    bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en
                                    100% van het maximaal meetbereik. De natte kalibratie vindt
                                    plaats op een ijkinstallatie van een ijkbevoegde of
                                    NKO–geaccrediteerde instelling, waarvan de installatie kan
                                    worden herleid naar de nationale volumestandaard van het
                                    Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook wanneer de moedermeter nieuw
                                    is, wordt deze gekalibreerd op één van de genoemde installaties,
                                    waarbij de meter is ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin
                                    deze in de praktijk zal worden ingezet. </al></li><li nr="c."><al>Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder b
                                    bepaalde moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar. Dit
                                    kalibratierapport wordt bij die van het gekalibreerde
                                    meetsysteem gevoegd. </al></li><li nr="d."><al>Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te
                                    kalibreren meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000 waarnemingen
                                    worden bereikt. Bij gebruik van een moedermeter vindt de natte
                                    kalibratie plaats in het meetbereik waarin de te kalibreren
                                    meter onder normale bedrijfsomstandigheden functioneert. </al></li><li nr="e."><al>Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden water
                                    van de te kalibreren flowmeter (én van de moedermeter, wanneer
                                    daarvan sprake is) door middel van printers of dataloggers met
                                    een frequentie van minimaal éénmaal per uur geregistreerd. In
                                    geval van het toepassen van dataloggers worden ook de ruwe,
                                    onbewerkte data bij het kalibratierapport gevoegd. </al></li><li nr="f."><al>Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor zover
                                    die betrokken is bij de registratie van de meetgegevens, op een
                                    goede werking gecontroleerd. </al></li></lijst><al><cursief>Droge kalibratie</cursief></al><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar
                            droog gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie
                            plaatsvindt.</al><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen gesteld: </al><lijst><li nr="a."><al>Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de geleidbaarheid
                                    tussen de elektroden gemeten. Wanneer aan de hand van deze
                                    controle blijkt dat de meetbuis (mogelijk) vervuild is, dient
                                    deze te worden gereinigd. </al></li><li nr="b."><al>Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de
                                    weerstand of de geleidbaarheid tussen de elektroden weergegeven.
                                    Wanneer de meetbuis is gereinigd, wordt deze waarde zowel vóór,
                                    als ná het reinigen in het kalibratierapport vermeld. </al></li><li nr="c."><al>Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van randapparatuur,
                                    voor zover die betrokken is bij de registratie van de
                                    meetgegevens, op een goede werking gecontroleerd. </al></li><li nr="d."><al>Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout groter
                                    is dan 5%, wordt het gesloten meetsysteem onmiddellijk in
                                    ingebouwde toestand nat gekalibreerd, volgens de bepalingen
                                    welke van toepassing zijn bij een natte kalibratie. </al></li></lijst><al><cursief>Kalibratierapport </cursief></al><al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de
                            aangifte overgelegd worden. </al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter
                            plekke op het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een ijkbank
                            van een daartoe bevoegde instantie), worden de volgende aspecten
                            vastgesteld én gerapporteerd op het kalibratierapport: </al><al>– de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking); </al><al>– eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.); </al><al>– de justering (softwarematige aanpassing van de
                            correctiefactor/meterconstante); </al><al>– de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                            aanpassing/justering; </al><al>– de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 3 Bemonstering</titel></kop><al><vet>3.1 Algemeen, Instelling en Uitvoering van Apparatuur</vet></al><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                            monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming met
                            NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2002), met dien
                            verstande dat bemonstering door steekbemonstering niet is toegestaan,
                            tenzij anders bepaald.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</titel></kop><al><vet>4.1 Algemeen</vet></al><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1
                            (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2002. </al><al>De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en voor
                            contra–analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing worden om en
                            om gevuld. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de
                            analyse op een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de
                            desbetreffende contra–analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing
                            zoveel mogelijk identiek zijn.</al><al><vet>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</vet></al><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het einde
                            van de bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is aangegeven in
                            tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster wordt ingevroren
                            of chemisch geconserveerd, geschiedt dit binnen 4 uur na afloop van het
                            etmaal. De eventuele voorschriften met betrekking tot chemische
                            conservering gelden in aanvulling op de voorschriften met betrekking tot
                            de conserveringstemperatuur gedurende de bewaartermijn. </al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die gelden
                            voor de onderscheidenlijk uit te voeren analyses</al><al>De voorbehandeling ten behoeve van een analyse vangt na het einde van
                            het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn die bij de
                            desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van het
                            monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt begrepen
                            het ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op een wijze en
                            binnen een zodanige termijn dat daardoor de representativiteit van het
                            monster niet wordt verstoord. Een monster dat op één van de in tabel A
                            aangegeven wijzen chemisch is geconserveerd wordt niet gebruikt voor één
                            van de in tabel A opgenomen wijzen van analyse, waarvoor op basis van
                            tabel A geen of andere voorschriften op het vlak van de chemische
                            conservering gelden.</al><al><cursief>Tabel A</cursief></al><table><title>Tabel A</title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>Analyse op:</al></entry><entry><al>Methode van conserveren</al></entry><entry><al>Temperatuur [T] van het monster tot het einde van de
                                                bewaartermijn, in °C</al></entry><entry><al>Maximale bewaartermijn</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) &lt; 50 mg/l</al></entry><entry><al>koelen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>24 uur</al></entry></row><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) &gt;=50 mg/l</al></entry><entry><al>koelen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>24 uur</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>invriezen</al></entry><entry><al>T&lt;= – 18</al></entry><entry><al>72 uur</al></entry></row><row><entry><al>Chemisch zuurstofverbruik (CZV)</al></entry><entry><al>koelen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>48 uur</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18 M) tot pH
                                                &lt;2</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>invriezen</al></entry><entry><al>T&lt;= – 18</al></entry><entry><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al>Kjeldahlstikstof (N–Kj)</al></entry><entry><al>koelen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>48 uur</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18 M) tot pH
                                                &lt;2</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>invriezen</al></entry><entry><al>T&lt;= – 18</al></entry><entry><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al>Cadmium, arseen, chroom, koper, lood, nikkel, zilver
                                                en zink</al></entry><entry><al>aanzuren met HNO3 (15 M) tot pH &lt;2</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row><row><entry><al>Kwik (Hg)</al></entry><entry><al>aanzuren met HNO3 (15 M) tot pH &lt;2 en minimaal
                                                0,5 g K2Cr2O7 per liter toevoegen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter
                            voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren, maar wordt aangewend
                            bij toepassing van berekeningsvoorschrift II van Onderdeel C van deze
                            bijlage. Op grond van dit berekeningsvoorschrift wordt de methode van
                            het biochemisch zuurstofverbruik toegepast voor de bepaling van het
                            percentage chemisch zuurstofverbruik van de biologisch niet of nagenoeg
                            niet afbreekbare stoffen.</al><al>B Analysevoorschriften</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 1 Algemeen</titel></kop><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is
                            verkregen op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het
                            onderzoek wordt in het water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat
                            daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd. Er is in
                            dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het Nederlands
                            Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen wordt
                            aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in een
                            normblad wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar volgende op
                            dat waarin de bekendmaking van de wijziging in de Nederlandse
                            Staatscourant heeft plaatsgevonden. </al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties van
                            de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste aangetoond
                            moeten kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Paragraaf 2 Analyse</titel></kop><lid><lidnr/><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze, zoals is
                                aangegeven in tabel B.</al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Tabel B</vet></al></lid><lid><lidnr/><al>Tabel B</al></lid><lid><lidnr/><al>Analyse</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens normblad</al></lid><lid><lidnr/><al>Aantoonbaar-</al></lid><lid><lidnr/><al>heidsgrens</al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Parameter/stof</vet></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>ontsluiting</vet></al></lid><lid><lidnr/><al><vet>meting</vet></al></lid><lid><lidnr/><al>Chemisch zuurstofverbruik</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6633</al></lid><lid><lidnr/><al>1 mg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–ISO 5663 (EN 25 663) of NEN 6646</al></lid><lid><lidnr/><al>0,5 mg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Biochemisch zuurstofverbruik</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–EN 1899–1</al></lid><lid><lidnr/><al>0,6 mg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Arseen</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6465</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6426</al></lid><lid><lidnr/><al> 2,00 µg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Cadmium</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6465</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6426</al></lid><lid><lidnr/><al> 0,30 µg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Chloride [Cl¯]</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6470</al></lid><lid><lidnr/><al>of NEN 6476</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>Chroom</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6465</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6426</al></lid><lid><lidnr/><al> 2,00 µg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Fosfor</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN –EN 1189</al></lid><lid><lidnr/><al>of NEN 6663</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>Koper</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6465</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6426</al></lid><lid><lidnr/><al>10,00 µg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Kwik</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6449</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–EN 1483</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN–EN 1483</al></lid><lid><lidnr/><al> 0,25 µg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Lood</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6465</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6426</al></lid><lid><lidnr/><al>10,00 µg/l </al></lid><lid><lidnr/><al>Nikkel</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6465</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6426</al></lid><lid><lidnr/><al> 7,00 µg/l </al></lid><lid><lidnr/><al>Sulfaat [SO4=]</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>–</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6487</al></lid><lid><lidnr/><al>of NEN–EN–ISO 10304–2</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>volgens norm</al></lid><lid><lidnr/><al>Zilver</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6465</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6426</al></lid><lid><lidnr/><al>10,00 µg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>Zink</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6465</al></lid><lid><lidnr/><al>NEN 6426</al></lid><lid><lidnr/><al>35,00 µg/l</al></lid><lid><lidnr/><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties
                                van de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste
                                aangetoond moeten kunnen worden.</al></lid><lid><lidnr/><al>Indien voor de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood,
                                nikkel, zilver en zink de met behulp van analyse gevonden
                                concentratie geringer is dan de in tabel B bij de desbetreffende
                                analyse vermelde aantoonbaarheidsgrens, wordt het aantal
                                gewichtseenheden van die stof onderscheidenlijk van die stoffen voor
                                de berekening van de vervuilingswaarde op nihil gesteld.</al></lid><lid><lidnr/><al>Indien de heffingplichtige kan aantonen dat de in tabel B vermelde
                                aantoonbaarheidsgrenzen voor de stoffen arseen, cadmium, chroom,
                                koper, kwik, lood, nikkel en zink vanwege storende componenten in
                                het afvalwater niet haalbaar zijn, kan de ambtenaar belast met de
                                heffing een afwijkende aantoonbaarheidsgrens vaststellen.</al></lid><lid><lidnr/><al>C Berekeningsvoorschriften</al></lid><lid><lidnr/><al>I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al></lid><lid><lidnr/><al> a Zuurstofbindende stoffen: </al></lid><lid><lidnr/><al> (artikel 6, derde lid) </al></lid><lid><lidnr/><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik wordt berekend door het totale aantal kilogrammen
                                zuurstofverbruik van de in het kalenderjaar afgevoerde
                                zuurstofbindende stoffen te delen door 49,6 kilogram.</al></lid><lid><lidnr/><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal
                                afgevoerde zuurstofbindende stoffen wordt berekend volgens de
                                formule:</al></lid><lid><lidnr/><al> Q x (CZV + 4,57 x N–Kj) / 1000</al></lid><lid><lidnr/><al> In deze formule wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr/><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal; </al></lid><lid><lidnr/><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel
                                B van deze bijlage vermelde analysevoorschriften, in mg/l; </al></lid><lid><lidnr/><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof
                                volgens de in onderdeel B van de deze bijlage vermelde
                                analysevoorschriften, in mg/l.</al></lid><lid><lidnr/><al> b Andere dan zuurstofbindende stoffen: </al></lid><lid><lidnr/><al> (artikel 6, vierde lid) </al></lid><lid><lidnr/><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de andere dan
                                zuurstofbindende stoffen wordt berekend door het totale aantal
                                kilogrammen van deze in het kalenderjaar afgevoerde stoffen te delen
                                door respectievelijk:</al></lid><lid><lidnr/><al> 1 Eén kilogram voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver
                                en zink; </al></lid><lid><lidnr/><al> 2 0,1 kilogram voor de stoffen arseen, kwik en cadmium; </al></lid><lid><lidnr/><al> 3 650 kilogram voor de stoffen chloride en sulfaat; </al></lid><lid><lidnr/><al> 4 20 kilogram voor de stof fosfor.</al></lid><lid><lidnr/><al> De afgevoerde hoeveelheden per etmaal voor de hierboven onder b
                                genoemde stoffen worden bepaald met behulp van de formule:</al></lid><lid><lidnr/><al> Q x C / 1000</al></lid><lid><lidnr/><al> In deze formules wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr/><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal; </al></lid><lid><lidnr/><al> C: de concentratie van de desbetreffende stoffen in mg/l, bepaald
                                op de onder B omschreven wijze.</al></lid><lid><lidnr/><al> II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van
                                biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het
                                afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te
                                vermenigvuldigen met de breuk ( 100 – T ) / 75</al></lid><lid><lidnr/><al> waarbij </al></lid><lid><lidnr/><al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg
                                niet afbreekbare stoffen. </al></lid><lid><lidnr/><al> III Indien door een bedrijf water wordt onttrokken aan
                                oppervlaktewater en dit vervolgens weer wordt geloosd in
                                oppervlaktewater, worden voor de berekening van de vervuilingswaarde
                                de hoeveelheden verontreinigende stoffen, aanwezig in het ingenomen
                                en vervolgens weer geloosde oppervlaktewater, in mindering gebracht
                                op de hoeveelheden van die stoffen in het geloosde water, met dien
                                verstande dat deze vermindering niet mag leiden tot een negatieve
                                waarde.</al></lid><lid><lidnr/><al> IV Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 8, wordt
                                gebruik gemaakt van de volgende formule:</al></lid><lid><lidnr/><al>(zie bijlage formule.doc)</al></lid><lid><lidnr/><al>D Controle-bemonsteringen door het waterschap Aa en Maas</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H68541_0_0_7_1_"> Het waterschap Aa en Maas is bevoegd om
                                tijdens of buiten de meetperioden afvalwateronderzoek uit te
                                voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H68541_0_0_7_2_"> Indien de door het waterschap Aa en Maas
                                berekende vervuilingswaarde (of de afzonderlijke hoeveelheidsmeting,
                                monstername of analyse), verkregen door uitgevoerde meting,
                                bemonstering en analyse door het waterschap Aa en Maas, statistisch
                                significant afwijkt van de door het bedrijf berekende
                                vervuilingswaarde, dan kan de vastgestelde vervuilingswaarde van het
                                bedrijf worden gecorrigeerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H68541_0_0_7_3_"> Indien de door het waterschap Aa en Maas
                                berekende vervuilingswaarde (of de afzonderlijke hoeveelheidsmeting,
                                monstername of analyse), verkregen door, door het waterschap,
                                uitgevoerde meting, bemonstering en analyse tijdens de meetperiode,
                                meer dan 10% afwijkt van de door het bedrijf berekende
                                vervuilingswaarde, dan kan de door het waterschap berekende
                                vervuilingswaarde worden meegenomen bij de vaststelling van de
                                vervuilingswaarde van het bedrijf.</al><al>E. Veiligheid toezichthouders waterschap Aa en Maas</al><al>Toezichthouders van het waterschap Aa en Maas hebben te allen tijde
                                toegang tot de bemonsteringslocatie. </al><al>Voor hun veiligheid dient de bemonsteringslocatie aan de volgende
                                eisen te voldoen:</al><lijst><li nr="•"><al>Een put dient afgedekt te zijn met een voorziening die niet
                                        zwaarder is dan 25 kg; </al></li><li nr="•"><al>De diameter van de put dient minimaal 50 cm. te bedragen;
                                    </al></li><li nr="•"><al>De monsternameput dient minimaal 15 meter verwijderd te zijn
                                        van de opslag van gevaarlijke stoffen; </al></li><li nr="•"><al>Bemonstering mag niet plaatsvinden in een afgesloten put
                                        tenzij nadere richtlijnen voor het betreden bij het
                                        waterschap Aa en Maas bekend zijn; </al></li><li nr="•"><al>Indien voor de monstername een put betreden moet worden die
                                        dieper is dan 1,5 meter dan moet de monsternameput voorzien
                                        zijn van een vaste ladder; </al></li><li nr="•"><al>In de nabijheid van de bemonsteringslocatie dienen
                                        voorzieningen aanwezig te zijn om de handen te wassen. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 22, derde lid, Wet
                            verontreiniging oppervlaktewateren)</titel></kop><structuurtekst><table><title>Bijlage II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 22, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren)</title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>Klasse</al></entry><entry><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal
                                                vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                                zuurstofverbruik</al><al>Per ³ ingenomen water</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                                vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het
                                                heffingsjaar</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Ondergrens</al></entry><entry><al>bovengrens</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>&gt; 0</al></entry><entry><al>0,0013</al></entry><entry><al>0,0010</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry><al>0,0020</al></entry><entry><al>0,0016</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry><al>0,0031</al></entry><entry><al>0,0025</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry><al>0,0048</al></entry><entry><al>0,0039</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry><al>0,0075</al></entry><entry><al>0,0060</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry><al>0,012</al></entry><entry><al>0,0094</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>&gt; 0,012</al></entry><entry><al>0,018</al></entry><entry><al>0,015</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>&gt; 0,018</al></entry><entry><al>0,029</al></entry><entry><al>0,023</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>&gt; 0,029</al></entry><entry><al>0,045</al></entry><entry><al>0,036</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>&gt; 0,045</al></entry><entry><al>0,070</al></entry><entry><al>0,056</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>&gt; 0,070</al></entry><entry><al>0,11</al></entry><entry><al>0,088</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>&gt; 0,11</al></entry><entry><al>0,17</al></entry><entry><al>0,14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>&gt; 0,17</al></entry><entry><al>0,27</al></entry><entry><al>0,21</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>&gt; 0,27</al></entry><entry><al>0,42</al></entry><entry><al>0,33</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>&gt; 0,42</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING VERONTREINIGINGSHEFFING 2008</titel></kop><paragraaf><kop><titel>A ALGEMEEN</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Doelstelling en karakter
                                verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing heeft als doelstelling de financiering
                                van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van de
                                verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel 18, eerste lid, van
                                de Wet verontreiniging oppervlaktewateren). De
                                verontreinigingsheffing is dus een bestemmingsheffing
                                (dekkingsmiddel van kosten). Blijkens artikel 27 van de Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren moet de opbrengst van de
                                verontreinigingsheffing door het waterschap worden besteed: </al><al> – voor de bestrijding van verontreiniging van oppervlaktewateren
                                ten aanzien waarvan het bevoegd is; </al><al> – ter betaling van door andere waterschappen opgelegde heffingen en
                                van de verschuldigde verontreinigingsheffing rijkswateren; </al><al> – voor het eventueel verstrekken van subsidies ter tegemoetkoming
                                in de kosten van maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van
                                verontreiniging van oppervlaktewateren aan diegenen die tot het
                                treffen van die maatregelen zijn gehouden; </al><al> – voor het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen tot het
                                behoud van het gebruik van de bij het waterschap in beheer zijnde
                                zuiveringtechnische werken teneinde een stijging van het tarief van
                                de heffing zoveel mogelijk te voorkomen. </al><al> Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 30 september 1992 (BNB
                                1992/383, Belastingblad 1992, blz. 728) kent de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren een gesloten financieringsstelsel. Dat wil zeggen
                                dat het waterschap de kosten van het tegengaan en voorkomen van de
                                verontreiniging van oppervlaktewateren niet op een andere wijze mag
                                verhalen dan op de in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                                aangegeven wijze. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
                                State heeft de exclusieve werking van de verontreinigingsheffing
                                bevestigd in twee uitspraken van 14 en 18 april 2000 waarbij het
                                opnemen van financiële voorwaarden in vergunningen op basis van
                                respectievelijk de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en het
                                Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering werd beoordeeld
                                als zijnde in strijd met dit uitgangspunt (AB 2000, 462 en
                                460).</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Considerans</vet></al><al><cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief></al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van
                                de belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de
                                Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is wel belast met de
                                voorbereiding van de belastingverordening (artikel 84 van de
                                Waterschapswet).</al><al><cursief>Wettelijke grondslag</cursief></al><al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de
                                verontreinigingsheffing ligt in de artikelen 110 en 113 van de
                                Waterschapswet en hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren.</al><al>Artikel 110 regelt dat het algemeen bestuur kan besluiten tot het
                                invoeren, wijzigen of afschaffen van een waterschapsbelasting.
                                Belastingverordeningen vallen niet onder de (verplichte) werking van
                                de inspraakverordening (artikel 79, tweede lid, onderdeel a, van de
                                Waterschapswet). Sinds 1 juli 1996 zijn belastingverordeningen ook
                                niet langer meer onderworpen aan de goedkeuring door gedeputeerde
                                staten van de provincie.</al><al>Artikel 113 bepaalt welke belastingen een waterschap mag heffen. Het
                                gaat daarbij om een limitatieve opsomming. In artikel 113, eerste
                                lid, is een aantal belastingen met name genoemd. Daarnaast regelt
                                artikel 113, eerste lid, dat een waterschap ook belastingen en
                                rechten kan heffen krachtens bijzondere wetten. Zo’n bijzondere wet
                                is de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel 18 van
                                hoofdstuk IV van die wet geeft aan een waterschap de bevoegdheid tot
                                het instellen van een heffing ter bestrijding van de kosten van
                                maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van de
                                verontreiniging van oppervlaktewateren.</al><al> De essentialia van de verontreinigingsheffing hebben met de
                                inwerkingtreding van de Wet van 16 maart 2000, houdende vervanging
                                van hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren een
                                wettelijke basis gekregen (Stb. 2000, nr. 135). In deze verordening
                                zijn deze essentialia overgenomen. Ingevolge de genoemde
                                wetswijziging is in de verordening tevens een nieuwe tabel
                                afvalwatercoëfficiënten opgenomen. </al></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>