<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271891_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Aansluitverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2000</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-12-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier=""> AD UN/GH 21-12-2009</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Aansluitverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2000</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, artikel 78</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, artikel 85</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 1, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, artikel 34</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer, artikel 21.7</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2009-12-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-12-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-01-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. x, y-z</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09.BO/159</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>milieu – water</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Aansluitverordening rioleringen Groot-Waterschap van Woerden 1987.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 15-12-2009</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: AD UN/GH 21-12-2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Aansluitverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2000</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;</al><al>op het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden d.d. 21 februari 2000 met nr.
                        AIZ/00.011;</al><al>overwegende dat in artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren (Stb. 1992, 628; </al><al>herplaatsing van de Wet van 13 november 1969, Stb. 536) wordt bepaald dat
                        het zonder vergunning verboden is met behulp van een werk afvalstoffen,
                        verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, in
                        oppervlaktewateren te brengen;</al><al>dat in het tweede lid van voornoemd artikel wordt bepaald dat genoemd verbod
                        niet geldt voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk is
                        aangesloten, tenzij deze indirecte lozing plaatsvindt vanuit een inrichting
                        behorende tot één van de categorieën die zijn aangewezen in het Besluit
                        houdende aanwijzing van soorten van inrichtingen als bedoeld in de artikelen
                        1, tweede lid, en 31, vierde lid, van de Wet verontreiniging
                        oppervlaktewateren (Stb. 1983, 577);</al><al>dat regulering van lozingen op een openbaar riool, die niet vanuit bedoelde
                        inrichtingen plaatsvinden, geschiedt bij of krachtens de Wet milieubeheer
                        (Stb. 1994, 80);</al><al>dat ingevolge de Wet milieubeheer de verplichting bestaat om bij de
                        regulering van indirecte lozingen, die onder de werkingssfeer van de Wet
                        milieubeheer vallen, voorschriften te stellen onder meer ter bescherming van
                        de doelmatige werking van zuiveringstechnische werken en ter bescherming van
                        de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater;</al><al>dat de samenstelling, hoedanigheid en hoeveelheid van het in het openbaar
                        riool geloosde afvalwater wordt beïnvloed door de uitvoering en handhaving
                        van de bij of krachtens de Wet milieubeheer gestelde voorschriften door de
                        ingevolge die wet bevoegde gezagen;</al><al>dat het in het openbaar riool ingezamelde afvalwater wordt geloosd op
                        zuiveringstechnische werken in beheer bij het Hoogheemraadschap De Stichtse
                        Rijnlanden;</al><al>dat het ter bevordering van:</al><lijst><li nr="•"><al>het terugdringen van de verontreiniging bij de bron; </al></li><li nr="•"><al>de doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken; </al></li><li nr="•"><al>de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater; </al></li></lijst><al>alsook vanuit een oogpunt van rechtszekerheid gewenst is in een vergunning
                        voorschriften te stellen ten aanzien van het brengen van afvalstoffen,
                        verontreinigende of schadelijke stoffen op zuiveringstechnische werken;</al><al>dat deze voorschriften enerzijds concrete verplichtingen behelsen voor de
                        houder van de vergunning;</al><al>dat door middel van de voorschriften anderzijds wordt beoogd een concreet
                        beoordelingskader te scheppen voor de houder van de vergunning, indien deze
                        als bevoegd gezag ingevolge de wet milieubeheer op zijn beurt voorschriften
                        stelt ter regulering van indirecte lozingen;</al><al>gelet op de artikelen 78 en 85 van de Waterschapswet, de artikelen 1, tweede
                        lid, en 34 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en artikel 21.7 van
                        de Wet milieubeheer; </al><al><vet>Besluit</vet>:</al><al>vast te stellen de Aansluitverordening Hoogheemraadschap De Stichtse
                        Rijnlanden 2000. </al><al/><al><vet>Inhoud</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het bestuursorgaan: het dagelijks bestuur van het
                                        hoogheemraadschap dat tevens het beheer voert over een
                                        zuiveringstechnisch werk als bedoeld onder d; </al></li><li nr="b."><al>afvalwater: alle water en/of afvalstoffen waarvan de houder
                                        zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet,
                                        voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; </al></li><li nr="c."><al>afvalstoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke
                                        stoffen, in welke vorm ook, artikel 6.2 van de Waterwet;
                                    </al></li><li nr="d."><al>werken: werken in beheer bij het hoogheemraadschap die zijn
                                        ingericht en/of worden aangewend voor transport en/of
                                        behandeling van afvalwater; </al></li><li nr="e."><al>openbaar riool: voorziening voor de inzameling en het
                                        transport van afvalwater, als bedoeld in artikel 10.15,
                                        eerste lid, van de Wet milieubeheer die wordt of is
                                        aangesloten op een zuiveringstechnisch werk; </al></li><li nr="f."><al>vervuilingseenheid (v.e.): </al><lijst><li nr="•"><al>voor zuurstofbindende stoffen: </al><al>een inwoner-equivalent, vertegenwoordigend het
                                                verbruik van 136 gram zuurstof per etmaal; </al></li><li nr="•"><al>voor andere stoffen: </al><al>elke in het heffingsjaar geloosde kilogram van de
                                                stoffen chroom, koper, lood, zilver en zink; </al></li><li nr="•"><al>elke in het heffingsjaar geloosde 100 gram van de
                                                stoffen arseen, cadmium en kwik. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aansluitvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_2_2_1_"> Het is verboden zonder vergunning
                                    een openbaar riool aan te sluiten op een zuiveringstechnisch
                                    werk en/of afvalwater vanuit het openbaar riool in dit werk te
                                    brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_2_2_2_"> Het bestuursorgaan kan de in het
                                    eerste lid bedoelde vergunning – hierna te noemen
                                    aansluitvergunning - verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H89432_0_2_2_3_"> Aan de aansluitvergunning kunnen
                                    voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen
                                    uitsluitend strekken tot: </al><lijst><li nr="•"><al>bescherming van de zuiveringstechnische werken en tot
                                            verzekering van de doelmatige werking daarvan; </al></li><li nr="•"><al>het tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van
                                            het oppervlaktewater waarin met behulp van het in het
                                            eerste lid bedoelde zuiveringstechnische werk afvalwater
                                            wordt gebracht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H89432_0_2_2_4_"> In de aansluitvergunning kan worden
                                    bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen
                                    termijn. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Gegevensverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_3_3_5_"> Bij de aanvraag tot verlening of
                                    wijziging van een aansluitvergunning kan de aanvrager worden
                                    verplicht in ieder geval de volgende gegevens te verstrekken: </al><lijst><li nr="•"><al>de technische gegevens van het rioolstelsel, waaronder
                                            mede begrepen de verschillende aansluitpunten en een
                                            overzichtstekening van het rioleringsgebied; </al></li><li nr="•"><al>het aantal particuliere huishoudens per aansluitpunt dat
                                            is en zal worden aangesloten op de riolering; </al></li><li nr="•"><al>het aantal en de aard van de bedrijven per aansluitpunt
                                            die zijn en zullen worden aangesloten op het openbaar
                                            riool, met uitzondering van de categorieën van bedrijven
                                            die zijn aangewezen bij besluit van 4 november 1983,
                                            Stb. 577; </al></li><li nr="•"><al>een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheid
                                            afvalwater uitgedrukt in m³/h, gedifferentieerd naar
                                            hoeveelheden droogweerafvoer en regenweerafvoer alsmede
                                            gegevens over de pompovercapaciteit uitgedrukt in m³/h;
                                        </al></li><li nr="•"><al>een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheden
                                            afvalstoffen per aansluitpunt, uitgedrukt in v.e. en
                                            gedifferentieerd naar inwoners en bedrijven; </al></li><li nr="•"><al>per aansluitpunt het aantal hectare verhard oppervlak
                                            waarvan het afvloeiend hemelwater wordt afgevoerd via
                                            het openbaar riool; </al></li><li nr="•"><al>gegevens over de in het kader van beheer en onderhoud
                                            van het rioolstelsel te ondernemen activiteiten. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_3_3_6_"> De aanvraag om de aansluitvergunning
                                    maakt deel uit van de vergunning, voorzover dat in de vergunning
                                    is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H89432_0_3_3_7_"> De aanvraag alsmede de in het eerste
                                    lid bedoelde gegevens worden in viervoud verstrekt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_3_4_8_"> Op verzoek van het bestuursorgaan
                                    verstrekt de houder van de aansluitvergunning aan het
                                    bestuursorgaan alle hem ter beschikking staande informatie
                                    voorzover deze van belang kan worden geacht voor de bescherming
                                    van de in artikel 2, derde lid, genoemde belangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_3_4_9_"> Indien door de samenstelling en/of
                                    hoeveelheid van het afvalwater, dat vanuit het openbaar riool in
                                    het zuiveringstechnische werk wordt gebracht, een verstoring van
                                    de doelmatige werking van het betreffende zuiveringstechnische
                                    werk optreedt of dreigt op te treden en/of nadelige gevolgen
                                    voor de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater ontstaan
                                    of dreigen te ontstaan, is de houder van de aansluitvergunning
                                    verplicht op verzoek van het bestuursorgaan onverwijld de
                                    gegevens te verstrekken die nodig zijn om de oorzaken hiervan te
                                    achterhalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H89432_0_3_4_10_"> In gevallen, als bedoeld in het
                                    tweede lid, kan het bestuursorgaan de houder van de
                                    aansluitvergunning in ieder geval opdracht geven opgave te doen
                                    van hetzij direct hetzij indirect op het openbaar riool
                                    aangesloten bedrijven en instellingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H89432_0_3_4_11_"> De in het derde lid bedoelde opgave
                                    kan de volgende gegevens betreffen:naam en adres van de
                                    bedrijven of instellingen;</al><lijst><li nr="•"><al>naam en adres van de bedrijven of instellingen; </al></li><li nr="•"><al>aard en omvang van elk bedrijf of instelling
                                            afzonderlijk; </al></li><li nr="•"><al>vermelding van de aard en samenstelling van het
                                            afvalwater en een raming van de jaarlijks te lozen
                                            hoeveelheden afvalstoffen; </al></li><li nr="•"><al>afschrift van reeds verleende vergunningen of
                                            ontheffingen krachtens de Wet milieubeheer voorzover
                                            deze (mede) betrekking hebben op het lozen van
                                            afvalwater op het openbaar riool; </al></li><li nr="•"><al>afschrift van gehouden controlebezoeken voor zover deze
                                            (mede) betrekking hebben op het lozen van afvalwater op
                                            het openbaar riool; </al></li><li nr="•"><al>aanduiding van de aansluiting(en) per bedrijf of
                                            instelling op een rioleringskaart. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Doorvertaling van voorschriften</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_4_5_12_"> Onverminderd het bepaalde in
                                    artikel 2, derde lid, kunnen:</al><lijst><li nr="•"><al>ter verzekering van de nakoming van voorschriften, die
                                            in een vergunning op grond van artikel 1, eerste lid,
                                            van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren zijn
                                            gesteld voor het brengen van afvalwater vanuit het
                                            zuiveringstechnische werk op oppervlaktewater; </al></li><li nr="•"><al>ter bescherming van de doelmatige werking van de
                                            zuiveringstechnische werken; en </al></li><li nr="•"><al>met het oog op de realisering van de op het ontvangende
                                            oppervlaktewater van toepassing zijnde
                                            kwaliteitsdoelstellingen; </al></li><li nr="•"><al>in de aansluitvergunning voorschriften worden gesteld
                                            ten aanzien van het brengen van afvalstoffen vanuit het
                                            openbaar riool op het zuiveringstechnische werk. Deze
                                            voorschriften kunnen in ieder geval betrekking hebben
                                            op: </al></li><li nr="•"><al>het stellen van emissiegrenswaarden voor daarbij aan te
                                            wijzen stoffen; </al></li><li nr="•"><al>het stellen van signaleringswaarden voor daarbij aan te
                                            wijzen stoffen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_4_5_13_"> Bij het stellen van voorschriften
                                    en nadere eisen krachtens de Wet milieubeheer houdt de houder
                                    van de aansluitvergunning in ieder geval rekening met de
                                    emissiegrenswaarden en signalerings-waarden, als bedoeld in het
                                    eerste lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_4_6_14_"> Indien bij het brengen van
                                    afvalwater vanuit het openbaar riool op het zuiveringstechnische
                                    werk een in de aansluitvergunning opgenomen emissiegrenswaarde
                                    en/of signaleringswaarde als bedoeld in artikel 5, eerste lid,
                                    stelselmatig wordt overschreden, doet het bestuursorgaan hiervan
                                    schriftelijk melding aan de houder van de
                                    aansluitvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_4_6_15_"> Indien door het bestuursorgaan een
                                    melding, als bedoeld in het eerste lid, is gedaan, kan aan de
                                    houder van de aansluitvergunning in ieder geval de verplichting
                                    worden opgelegd om door middel van het stellen van voorschriften
                                    en/of nadere eisen ten aanzien van nieuw aan te sluiten lozingen
                                    op het openbaar riool of ten aanzien van wijzigingen van
                                    bestaande lozingen, een toename van de geconstateerde
                                    overschrijding van de betreffende emissiegrenswaarde en/of
                                    signaleringswaarde te voorkomen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Onderzoeksverplichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_5_7_16_"> In gevallen als bedoeld in artikel
                                    6, eerste lid, kan aan de houder van de aansluitvergunning de
                                    verplichting worden opgelegd om onderzoek te verrichten naar de
                                    oorzaken van de overschrijdingen en naar de mogelijkheden om de
                                    overschrijdingen te voorkomen, te beperken of ongedaan te
                                    maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_5_7_17_"> In de aansluitvergunning kunnen met
                                    betrekking tot daarbij aan te geven emissiegrenswaarden,
                                    signaleringswaarden en afvalstoffen voorschriften worden gesteld
                                    ten aanzien van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid.
                                    Daarbij kan worden bepaald dat het bestuursorgaan nadere eisen
                                    kan stellen met betrekking tot:</al><lijst><li nr="•"><al>de termijn waarbinnen en de wijze waarop het onderzoek
                                            dient te worden uitgevoerd; </al></li><li nr="•"><al>de termijn waarbinnen en de wijze waarop de resultaten
                                            van het onderzoek aan het bestuursorgaan dienen te
                                            worden overgelegd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H89432_0_5_7_18_"> De houder van de aansluitvergunning
                                    is verplicht op basis van de resultaten van het onderzoek
                                    maatregelen te treffen teneinde de overschrijdingen, als bedoeld
                                    in het eerste lid, ongedaan te maken, te beperken of te
                                    voorkomen. In de aansluitvergunning kunnen voorschriften worden
                                    gesteld met betrekking tot de wijze waarop en de termijn
                                    waarbinnen bedoelde maatregelen dienen te worden
                                    uitgevoerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Voorbereidingsprocedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_6_8_19_"> Het bestuursorgaan stelt in ieder
                                    geval de navolgende overheidsorganen in de gelegenheid hem van
                                    advies te dienen met betrekking tot het ontwerp van de
                                    beschikking op een aanvraag tot verlening of wijziging van een
                                    aansluitvergunning alsmede met betrekking tot het voornemen tot
                                    het ambtshalve verlenen, wijzigen of intrekken van een
                                    aansluitvergunning:</al><lijst><li nr="•"><al>de ter plaatse bevoegde Inspecteur van het
                                            staatstoezicht op de Volksgezondheid belast met het
                                            toezicht op de hygiëne van het milieu; </al></li><li nr="•"><al>indien vanuit het zuiveringstechnsiche werk waarop is of
                                            wordt aangesloten afvalwater wordt gebracht op een
                                            oppervlaktewater ten aanzien waarvan het
                                            hoogheemraadschap niet is belast met de zorg voor het
                                            waterkwaliteitsbeheer, het openbaar lichaam dat met dit
                                            beheer is belast; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_6_8_20_"> De beschikking tot verlening,
                                    wijziging of intrekking van een aansluitvergunning of tot
                                    weigering daarvan wordt schriftelijk meegedeeld aan de
                                    Inspecteur van het staatstoezicht op de Volksgezondheid belast
                                    met het toezicht op de hygiëne van het milieu en het openbaar
                                    lichaam. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel/></kop><al>Indien en voorzover blijkt dat een houder van een aansluitvergunning
                                door een wijziging of intrekking daarvan schade lijdt, die
                                redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen,
                                zal hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding worden
                                toegekend. Het besluit inzake de toekenning van een schadevergoeding
                                wordt genomen bij afzonderlijke beschikking. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Toezicht en strafbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_8_10_21_"> De door het bestuursorgaan
                                    aangewezen ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving
                                    van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, zijn
                                    bevoegd, voorzover dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun
                                    taak noodzakelijk is:</al><lijst><li nr="•"><al>het afvalwater dat in een openbaar riool wordt
                                            getransporteerd direct voorafgaande aan het brengen van
                                            dit afvalwater op een zuiveringstechnisch werk te meten
                                            alsmede monsters daarvan te nemen; </al></li><li nr="•"><al>zich te doen vergezellen door personen, die daartoe door
                                            hen zijn aangewezen, alsmede de benodigde apparatuur
                                            mede te brengen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_8_10_22_"> De houder van de
                                    aansluitvergunning is verplicht aan voornoemde ambtenaren alle
                                    medewerking te verlenen die deze met het oog op de vervulling
                                    van hun taak behoeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel/></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H89432_0_8_11_23_"> Overtreding van de bij of
                                    krachtens deze verordening gestelde voorschriften wordt gestraft
                                    met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot
                                    ten hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in
                                    artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht, al dan niet met
                                    openbaar making van de rechterlijke uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H89432_0_8_11_24_"> Indien ten tijde van het plegen
                                    van de in het eerste lid genoemde overtreding nog geen jaar is
                                    verlopen, sedert een vroegere veroordeling van de schuldige
                                    wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan
                                    hechtenis tot het dubbele van het gestelde maximum worden
                                    opgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel/></kop><al>Een aansluitvergunning, verleend vóór het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening, wordt voor de toepassing van
                                deze verordening beschouwd als een aansluitvergunning in de zin van
                                deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel/></kop><al>Deze aansluitverordening treedt in werking 8 dagen na bekendmaking
                                daarvan.</al><al>De aansluitverordening provincie Utrecht voor zover van toepassing
                                op het gebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
                                alsmede de Aansluitverordening rioleringen van het Grootwaterschap
                                van Woerden komt hierbij te vervallen.</al><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Aansluitverordening
                                Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2000.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering op 7 juni 2000.</ondertekening><ondertekening>ir. D. Vergunst, voorzitter </ondertekening><ondertekening>drs. E.T. Meuleman, plv. secretaris.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Nota van toelichting</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren (verder: Wvo) is het verboden zonder vergunning
                                met behulp van een werk afvalstoffen, verontreinigende of
                                schadelijke stoffen, in welke vorm ook, in oppervlaktewater te
                                brengen. De eerste volzin van het tweede lid van genoemd artikel
                                bepaalt vervolgens dat dit verbod niet geldt voor een lozing met
                                behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten. Hierbij
                                moet met name worden gedacht aan de situatie dat een gemeentelijke
                                riolering, met de daarop aangesloten huishoudens en bedrijven, is
                                aangesloten op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (verder: rwzi),
                                waarvan het effluent wordt geloosd op een oppervlaktewater. De
                                beheerder van het 'andere' werk is in dit geval de beheerder van de
                                zuiveringsinstallatie, doorgaans een waterschap c.q. een
                                zuiveringsschap. Tot 1 maart 1996 was de 'vrijstelling' van de
                                vergunningplicht voor deze zogenaamde indirecte lozingen
                                geclausuleerd: dergelijke lozingen waren uitgezonderd van de
                                Wvo-vergunningplicht onder de voorwaarde dat 'de door de beheerder
                                van het andere werk gegeven voorschriften bij de lozingen worden
                                nageleefd'. Met name op basis van deze zinsnede uit artikel 1,
                                tweede lid, van de Wvo werd een systematiek gehanteerd waarin de
                                beheerder van een rwzi eisen stelde aan de beheerder van de
                                riolering, die laatstgenoemde vervolgens verplicht moest
                                doorvertalen naar de op de riolering aangesloten lozers. Concreet
                                werden voorschriften via een aansluitvergunning en een gemeentelijke
                                lozingsverordening (algemene regels of vergunningen) als het ware
                                doorgegeven aan de op de riolering aangesloten lozers. [Zie noot 1
                                aan het eind van deze toelichting.]</al><al>Bij wet van 2 november 1994, houdende wijziging van de Wet
                                milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                                (afvalwater, Stb. 1994, 798), is door een wijziging van artikel 1,
                                tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (verder:
                                Wvo) en door aanvulling/wijziging van ondermeer Hoofdstuk 10 van de
                                Wet milieubeheer (verder: Wm) een ingrijpende herziening van het
                                systeem van regulering van indirecte lozingen tot stand gebracht.
                                Deze wijziging, die in de wandelgangen ook wel "Wet afvalwater"
                                wordt genoemd, is op 1 maart 1996 in werking getreden (zie Stb.
                                1996, 47). De bovengenoemde wijziging inzake afvalwater kent de
                                volgende essentiële uitgangspunten:</al><lijst><li nr="•"><al>het tot stand brengen van een strikte afbakening tussen de
                                        Wvo en de Wm op het terrein van de indirecte lozingen; </al></li><li nr="•"><al>waterkwaliteitsbeheerders blijven verantwoordelijk voor de
                                        meest milieubezwaarlijke indirecte lozingen ( te weten: de
                                        lozingen vanuit bij algemene maatregel van bestuur (AmvB)
                                        aangewezen inrichtingen; </al></li><li nr="•"><al>overige indirecte lozingen, die voorheen werden gereguleerd
                                        op grond van gemeentelijke (lozings)verordeningen, onder de
                                        werkingssfeer van de Wm brengen. </al></li></lijst><al>Waar in de oude systematiek sprake was van een nauwe verwevenheid
                                tussen door gemeenten te stellen regels voor indirecte lozingen en
                                het Wvo-regime, wordt de nieuw ingevoerde systematiek gekenmerkt
                                door een strikte afbakening tussen de Wvo en de Wm. Deze afbakening
                                heeft ingrijpende consequenties voor de bevoegdheid van
                                waterschappen en/of provincies om op basis van een
                                aansluitverordening in een aansluitvergunning voorschriften te
                                stellen. De inwerkingtreding van het hoofdstuk afvalwater in de Wm
                                maakt derhalve een herziening van de model-aansluitverordening (en
                                model-aansluitvergunning) noodzakelijk. De strikte afbakening tussen
                                de Wm en de Wvo impliceert dat gemeenten (of provincies) bij het
                                reguleren van indirecte lozingen als Wm-gezag primair het
                                toetsingskader van de Wm zullen moeten toepassen. Door middel van
                                een tamelijk complexe interpretatie van de relevante wetgeving heeft
                                de wetgever het toetsingskader van de Wvo onder de reikwijdte van de
                                Wm gebracht: onder het Wm-criterium 'belang van de bescherming van
                                het milieu' wordt thans namelijk mede begrepen: 'belang van de
                                bescherming van de kwaliteit van oppervlaktewater" en 'belang van de
                                doelmatige werking van zuiveringstechnische werken' (artikel 1.1,
                                tweede lid Wm; artikel 1, vijfde lid, Wvo. Zie tevens de
                                wetsgeschiedenis bij de Wet afvalwater; TK 1993-1994, 23 603, nrs.
                                10 en 11). </al><al>Bezien vanuit de nieuwe systematiek zijn de relaties tussen het Wm-
                                en het Wvo-regime als volgt. De beheerder van de rwzi heeft voor de
                                lozing van het effluent op oppervlaktewater een Wvo-vergunning
                                nodig. Gelet op het bepaalde in artikel 8 van het Lozingenbesluit
                                Wvo stedelijk afvalwater (Stb. 1996, 140) dient een
                                waterkwaliteitsbeheerder zodanige voorschriften aan deze vergunning
                                te verbinden, dat de op het (effluent-) ontvangende oppervlaktewater
                                van toepassing zijnde kwaliteitsdoelstellingen kunnen worden
                                gerealiseerd. De beheerder van de rwzi is verantwoordelijk voor de
                                kwaliteit van het effluent. De kwaliteit van het effluent wordt
                                primair bepaald door de samenstelling van het influent en de werking
                                van de rwzi (het zuiveringsproces). De samenstelling van het
                                influent wordt uiteraard bepaald door de lozingen, die op het
                                openbaar riool plaatsvinden.</al><al>Voor het realiseren van de eerdergenoemde
                                waterkwaliteitsdoelstellingen is een adequate regulering en
                                handhaving van deze indirecte lozingen noodzakelijk. Regulering
                                vindt voor een deel plaats op grond van de Wvo. [Zie noot 2 aan het
                                eind van deze toelichting.] Voor een deel zijn echter zoals gesteld
                                gemeenten en provincies, als Wm-gezag, verantwoordelijk voor de
                                regulering van deze lozingen. Het Wm-gezag zal uiteraard het
                                toetsingskader van de Wm moeten toepassen. Daarbij dient het
                                Wm-gezag bij het toepassen van het zogenaamde ALARA-beginsel [Zie
                                noot 3 aan het eind van deze toelichting.] brongerichte eisen, zoals
                                deze (mede) uit het waterkwaliteitsbeleid voortvloeien, in onder
                                meer de Wm-vergunningen op te nemen. Dit impliceert bijvoorbeeld dat
                                de emissiegrenswaarden voor zwarte lijststoffen in acht zullen
                                moeten worden genomen. Teneinde een doelmatige verwijdering van
                                afvalwater te bewerkstelligen, zal het Wm-gezag tegelijkertijd
                                rekening moeten houden met de specifieke omstandigheden: de
                                capaciteit en de technische gegevens van de rwzi waarop de riolering
                                is aangesloten en de functie van het oppervlaktewater waarop het
                                effluent van de rwzi wordt geloosd. Het belangenkader van de Wm
                                ('het belang van de bescherming van het milieu') omvat mede het
                                belang van de doelmatige verwijdering van afvalwater. Bij de
                                totstandkoming van de wijziging van de Wm en de Wvo met een
                                hoofdstuk afvalwater is nadrukkelijk gesteld dat slechts sprake kan
                                zijn van een doelmatige verwijdering van afvalwater, indien het
                                afvalwater, dat vanuit een gemeentelijke riolering op een
                                zuiveringstechnisch werk wordt gebracht, qua samenstelling en
                                hoeveelheid voldoet aan de eisen, die in een aansluitvergunning zijn
                                gesteld. [Zie noot 4 aan het eind van deze toelichting.] Hieruit
                                volgt reeds dat de wetgever er van uitgaat dat het Wm-gezag bij het
                                reguleren van indirecte lozingen krachtens de Wm mede de eisen, die
                                in een aansluitvergunning zijn gesteld, als referentiekader in acht
                                neemt. Duidelijk is dat het stelsel van de aansluitverordening en
                                aansluitvergunning ook binnen de nieuwe reguleringssystematiek niet
                                gemist kan worden.</al><al>De reikwijdte en werkingssfeer van de aansluitverordening en
                                -vergunning zijn binnen de nieuwe systematiek wel beperkt. </al><al>In de nieuwe systematiek kan de beheerder van de rwzi geen eisen
                                meer stellen die 'één op één' door de gemeente moeten worden
                                doorvertaald naar individuele aansluitingen op het riool. Slechts de
                                gemeente is, als houder van de aansluitvergunning, aanspreekbaar.
                                Voorts moge duidelijk zijn dat het aansluitvergunningenstelsel geen
                                inbreuk kan maken op de in de formele wetten vastgelegde
                                systematiek. In de aansluitvergunning kunnen geen voorschriften
                                worden gesteld, die het Wm-gezag verplichten om buiten de reikwijdte
                                en werkingssfeer van de Wm te treden. Het belangenkader en
                                toestingskader (reikwijdte) van de Wm vormen de basis voor de
                                regulering op grond van de Wm. Het doorvertalen van eisen (die in de
                                aansluitvergunning aan het Wm-gezag zijn gesteld) door het Wm-gezag
                                naar individuele lozers, kan slechts binnen de door de Wm gestelde
                                kaders plaatsvinden. </al><al>Het bovenstaande leidt er toe dat in de aansluitvergunning primair
                                eisen worden gesteld aan de hoeveelheid en samenstelling van het
                                afvalwater, dat vanuit een gemeentelijke riolering op een
                                zuiveringstechnisch werk wordt gebracht. De gemeente wordt als het
                                ware op het aansluitpunt 'afgerekend' op de hoedanigheid en
                                hoeveelheid van dit afvalwater. Hierbij moet echter worden bedacht
                                dat de gemeente niet bij uitsluiting van andere overheden
                                verantwoordelijk is voor deze hoedanigheid en samenstelling. Immers,
                                ook de provincies en de waterkwaliteitsbeheerders zijn betrokken bij
                                de regulering van indirecte lozingen! [Zie noot 1 aan het eind van
                                deze toelichting.] Vandaar dat in de systematiek van de
                                model-verordening primair wordt uitgegaan van een gezamenlijke
                                verantwoordelijkheid van de betrokken overheden voor het realiseren
                                van de in de Wvo-vergunning voor het effluent gestelde eisen. Zo
                                ligt het bijvoorbeeld niet voor de hand om in geval van
                                overschrijding van emissiegrenswaarden, gesteld op grond van artikel
                                5 van de verordening, onmiddellijk bestuursrechtelijke of
                                strafrechtelijke handhavingsacties te starten. De verordening
                                voorziet in de mogelijkheid om in de aansluitvergunning - naast
                                eventuele emissiegrenswaarden - signaleringswaarden vast te stellen.
                                In geval van overschrijding van signaleringswaarden kan de houder
                                van de aansluitvergunning worden verplicht om onderzoek te
                                verrichten naar de oorzaken van de overschrijdingen en naar de
                                mogelijkheden om de overschrijdingen te voorkomen, te beperken of
                                ongedaan te maken (zie artikel 7 van de verordening). Een dergelijk
                                verplicht door gemeenten uit te voeren onderzoek zal uiteraard in
                                overleg met en -zo mogelijk- in samenwerking met zowel de
                                waterkwaliteitsbeheerder (als bevoegd gezag ingevolge de Wvo) als de
                                provincie (als bevoegd gezag ingevolge de Wm) moeten worden
                                uitgevoerd. Het uiteindelijke doel is immers om zoveel mogelijk
                                verontreinigingen bij de bron aan te pakken. </al><al>Naast de inwerkingtreding van de Wet milieubeheer (1993) en de
                                wijzigingen in zowel de Wvo als de Wm inzake het opnemen van een
                                nieuw hoofdstuk afvalwater (1996) vormt ook de inwerkingtreding van
                                de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) in 1994 een directe
                                aanleiding tot aanpassing van de model-verordening. Afgezien van
                                taalkundige aanpassingen (definities en terminologie) heeft de Awb
                                met name consequenties voor de procedures inzake
                                vergunningverlening, bezwaar en beroep. Procedurebepalingen zijn
                                thans opgenomen in de Awb. De mogelijkheid bestaat een specifieke
                                procedure van toepassing te verklaren op de aansluitvergunning. Voor
                                het opnemen van dergelijke bepalingen inzake vergunningverlening
                                wordt geen aanleiding gezien. In de model-aansluitverordening is
                                derhalve niet aangegeven wèlke procedure uit de Awb van toepassing
                                is. Gelet op het feit dat normaliter niet of nauwelijks sprake zal
                                zijn van derde-belanghebbenden, wordt de 'korte procedure' van
                                afdeling 4.1.2. van de Awb toepasbaar geacht. De Awb bevat regels
                                inzake de aanvraag tot het verlenen van de aansluitvergunning, de
                                voorbereiding van de beslissing op de aanvraag, de beslistermijn en
                                de motivering van de beslissing. Aangezien in deze sprake is van
                                dwingend recht, behoeven de betreffende bepalingen uit de Awb niet
                                in de verordening te worden vermeld. </al><al>Aangezien het concept-Aansluitverordening consequenties kan hebben
                                voor gemeenten in ons beheersgebied, is dit concept aan al die
                                gemeentebesturen om commentaar toegezonden. Eventuele reacties
                                kunnen gedurende één maand na verzending van de betreffende brief
                                (derhalve de gehele maand april) kenbaar gemaakt worden. Geen enkel
                                gemeentebestuur heeft echter gebruik gemaakt van deze
                                mogelijkheid.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Considerans</vet></al><al>Het voorliggende model introduceert in feite een derde generatie
                                aansluitverordeningen. Oorspronkelijk is in CUWVO-verband een model
                                ontwikkeld, waarbij werd uitgegaan van door provincies vast te
                                stellen aansluitverordeningen. Eind jaren '80 is dit model vervangen
                                door de model-aansluitverordening van de Unie van Waterschappen.
                                Laatstgenoemd model betrof een verordening van de beheerder van de
                                rwzi (doorgaans een waterschap). Dit hield onder meer verband met de
                                ver doorgevoerde delegatie van het kwaliteitsbeheer door provincies
                                aan waterschappen. Aangezien naar verwachting in de negentiger jaren
                                enerzijds de delegatie van het passief en actief kwaliteitsbeheer
                                door provincies aan waterschappen zal zijn voltooid en anderzijds
                                ook de overdracht van zuiveringsinstallaties (van met name
                                gemeenten) aan waterschappen is gerealiseerd, bestaat er des te meer
                                reden om voort te bouwen op een model-waterschapsverordening. </al><al>Zoals reeds in het algemeen deel van deze toelichting is
                                uiteengezet, bestaat binnen de huidige wetgevingssystematiek niet
                                meer de mogelijkheid om de houder van de aansluitvergunning te
                                verplichten om bepaalde voorschriften of eisen 'één op één ' door te
                                vertalen naar individuele bedrijven of huishoudens, die op de
                                riolering zijn aangesloten. Het Wm-gezag zal de regulering van
                                indirecte lozingen, die onder de werkingssfeer van de Wm vallen,
                                autonoom, op basis van het beoordelingskader van de Wm, gestalte
                                moeten geven. In dit kader zal het Wm-gezag, in gevallen waarin de
                                Wvo niet van toepassing is, ook het belang van de bescherming van de
                                kwaliteit van oppervlaktewater, alsmede het belang van de doelmatige
                                werking van zuiveringstechnische werken kunnen èn moeten behartigen.
                                Bij het stellen van voorschriften (in de Wm-vergunning of in het
                                kader van nadere eisen bij algemene regels ingevolge de Wm) zal het
                                Wm-gezag het waterkwaliteitsbeleid in het algemeen en de concrete
                                omstandigheden van de betrokken zuiveringstechnische werken en de
                                kwaliteitseisen van het ontvangende oppervlaktewater in het
                                bijzonder mede als uitgangspunt moeten nemen. De aansluitvergunning
                                bevat in feite de eisen en voorschriften, die voortvloeien uit de
                                concrete, bijzondere omstandigheden. In de overwegingen is
                                aangegeven dat de houder van de aansluitvergunning gehouden is om in
                                aanvulling op de wettelijke bepalingen en eisen terzake (ingevolge
                                de Wm) bij het stellen van voorschriften rekening te houden met de
                                inhoud van de aansluitvergunning. In andere woorden: de gemeente
                                wordt verplicht om met behoud van eigen verantwoordelijkheden en met
                                behulp van het instrumentarium van de Wm zoveel mogelijk de aan haar
                                zelf in de aansluitvergunning opgelegde eisen te betrekken bij de
                                regulering van indirecte lozingen. Aldus is sprake van een
                                'indirecte doorvertaling'. [Zie noot 6 aan het eind van deze
                                toelichting.] </al><al>De waterschappen ontlenen de wettelijke basis voor het opstellen van
                                een aansluitverordening aan artikel 78 van de Waterschapswet en
                                artikel 34 van de Wvo. Gelet op het feit dat de aansluitverordening
                                tevens onderwerpen regelt, waaromtrent bepalingen zijn opgenomen in
                                (onder meer) hoofdstuk 10 van de Wm, is ook artikel 21.7 van de Wm
                                in dit kader relevant.</al><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>In dit artikel is een aantal begripsomschrijvingen opgenomen. Door
                                de verstrekkende invloed van de Wm op de Wvo is het niet meer
                                mogelijk om louter en alleen de definitiebepaligen en systematiek
                                van de Wvo te hanteren. De diverse begripsomschrijvingen zijn dan
                                ook zowel aan de Wvo als aan de Wm ontleend.
                                ["definitiebepaligen"moet zijn "definitiebepalingen"]</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Artikel 2, eerste lid, van de model-verordening bepaalt dat voor het
                                aansluiten van een openbaar riool op een zuiveringstechnisch werk
                                van een waterschap alsmede voor het brengen van afvalwater in een
                                zuiveringstechnisch werk een vergunning is vereist. Deze bepaling
                                vormt in wezen de kern van de verordening. Het tweede lid van
                                artikel 2 verleent het waterschap expliciet de bevoegdheid een
                                aansluitvergunning te weigeren, te wijzigen of in te trekken. De
                                bevoegdheid tot wijziging maakt in beginsel een actief
                                vergunningenbeleid mogelijk. Vanzelfsprekend kunnen wijzigingen in
                                bestaande lozingen en aanvragen voor nieuwe lozingen door
                                stadsuitbreiding en nieuwe bedrijfsactiviteit ertoe leiden dat
                                wijziging van de aansluitvergunning noodzakelijk zal zijn. Tevens
                                speelt een rol, dat met name waar het lozingen van een stedelijk
                                gebied betreft, het totaal van de gegevens nodig om op verantwoorde
                                wijze de aan een aansluitvergunning te verbinden voorschriften te
                                kunnen formuleren, niet direct voorhanden zal zijn. De voorschriften
                                van een aansluitvergunning zullen dan door middel van een proces van
                                wijzigingen en aanvulling tot stand moeten komen. Een reden om de
                                voorschriften aan te vullen of te wijzigen, kan voorts liggen in een
                                verandering van de inzichten of omstandigheden opgetreden na de
                                verlening van de aansluitvergunning. Gedacht kan worden aan
                                aangescherpte eisen in de Wvo-vergunning, ontwikkelingen op
                                Europees-rechtelijk niveau of in andere oorzaken die bij een
                                behoorlijk en zorgvuldig kwalitatief oppervlaktewater-beheer niet
                                kunnen worden veronachtzaamd. Mede met het oog hierop bestaat ook de
                                mogelijkheid de aansluitvergunning in eerste instantie tijdelijk te
                                verlenen (artikel 2, vierde lid). Het derde lid van artikel 2
                                bepaalt dat de aansluitvergunning onder beperkingen kan worden
                                verleend. Hierbij moet uiteraard in de eerste plaats worden gedacht
                                aan voorschriften op het terrein van de kwantiteit en kwaliteit van
                                het afvalwater. Verwezen wordt naar het gestelde onder artikel 6.
                                Daarnaast worden in artikel 2, derde lid de belangen genoemd ter
                                bescherming waarvan de aan een aansluitvergunning te verbinden
                                voorschriften moeten dienen. Dit zijn achtereenvolgens de doelmatige
                                werking van de zuiveringstechnische werken (alsmede de bescherming
                                van deze werken zelf) en de kwaliteit van het oppervlaktewater,
                                waarop het effluent van het zuiveringstechnisch werk wordt geloosd.
                                Gezien de onvermijdelijke restvervuiling van het op het
                                zuiveringstechnische werk behandelde rioolwater is het van belang om
                                de vervuilingswaarde van het aangeboden rioolwater tot een uit een
                                oogpunt van waterkwaliteitsbeleid aanvaardbaar niveau terug te
                                dringen. Hiertoe kunnen in het kader van de sanering van een
                                afvalwatersituatie bepaalde voorschriften aan een aansluitvergunning
                                verbonden worden. Overbelasting van een zuiveringsinstallatie en de
                                als gevolg daarvan optredende verminderde zuiveringsgraad kan
                                daardoor worden vermeden; tevens kan de aldus vrijkomende
                                zuiveringscapaciteit voor aansluiting van andere lozingen worden
                                benut.</al><al>De bescherming van de zuiveringstechnische werken omvat met name de
                                bescherming tegen feitelijke aantasting van transportleidingen,
                                gemalen en onderdelen van de zuiveringsinstallatie zelf. Een bekend
                                voorbeeld vormt in dit verband de aantasting van leidingen door te
                                hoge concentraties sulfaat in het afvalwater. Het begrip 'doelmatige
                                werking' moet ruim worden opgevat. 'Doelmatige werking' omvat niet
                                slechts een optimaal, efficiënt zuiveringsproces in technische zin.
                                Onder dit criterium vallen ook aspecten als het voorkomen van stank
                                en hinder op de rwzi en het tegengaan en voorkomen van
                                verontreiniging van zuiveringsslib. Voorts blijkt uit de
                                wetsgeschiedenis (bij de wijziging in 1988 van artikel 1, vijfde
                                lid, van de Wvo) [Zie noot 7 aan het eind van deze toelichting.] dat
                                het criterium tevens een zekere bedrijfseconomische betekenis heeft:
                                ook de doelmatige exploitatie van de rwzi, dat wil zeggen de
                                optimale werking en benutting van de aanwezige capaciteit, wordt er
                                onder begrepen.</al><al><vet>Artikelen 3 en 4</vet></al><al>Ten opzichte van de oude model-aansluitverordening zijn de eisen
                                inzake de bij de aanvraag te overleggen gegevens aanzienlijk
                                beperkt. In het oude model diende een gemeente standaard bepaalde
                                gegevens te verstrekken over àlle bedrijven of instellingen, die
                                behoorden tot een aantal nader omschreven categorieën. De ervaring
                                leert echter dat lang niet alle overgelegde gegevens daadwerkelijk
                                relevant zijn voor het beoordelen van de vergunningaanvraag en/of
                                voor het bepalen van de kwantiteit en hoedanigheid van het op het
                                zuiveringstechnisch werk te lozen afvalwater. Vandaar dat in de
                                voorliggende model-verordening in de eerste plaats onderscheid wordt
                                gemaakt tussen de eisen inzake de bij de aanvraag te overleggen
                                gegevens (artikel 3) en eventueel nadien -los van de
                                vergunningaanvraag- op te leggen informatieplichten (artikel 4). In
                                de tweede plaats is in artikel 3, eerste lid, weliswaar niet
                                limitatief een groot aantal onderwerpen opgenomen, waarover gegevens
                                kunnen worden geëist, maar is tevens aan de vergunningverlener de
                                bevoegdheid verleend om hiervan af te wijken (dit blijkt uit de
                                formulering: de aanvrager kan worden verplicht). De gedachte
                                hierachter is dat een waterschap in voorkomende gevallen reeds
                                beschikt over een deel van de gegevens die bij de beoordeling van de
                                aanvraag moeten worden betrokken. In dat geval kan de
                                vergunningaanvrager desgewenst worden toegestaan om slechts de
                                resterende gegevens aan te leveren. Voor alle duidelijkheid wordt
                                opgemerkt dat een dergelijke benadering mogelijk is, omdat in de
                                verordening niet de openbare procedures van de Awb van toepassing
                                zijn verklaard. Terinzagelegging van een (volledige) aanvraag is
                                daarom niet vereist. Indien echter een waterschap in afwijking van
                                de model-verordening de afdelingen 3.4 of 3.5 van de Awb van
                                toepassing wenst te verklaren op de voorbereiding van een
                                aansluitvergunning, zal ten behoeve van derden een volledige,
                                eventueel door het waterschap te completeren, aanvraag ter inzage
                                moeten worden gelegd. In artikel 3, eerste lid, zijn -zoals reeds
                                vermeld- niet-limitatief aspecten en onderwerpen opgesomd waarover
                                in beginsel gegevens dienen te worden verstrekt. Waar relevant is
                                tot uitdrukking gebracht dat naast de actuele lozingssituatie ook
                                gegevens over voorzienbare, toekomstige wijzigingen kunnen worden
                                geëist. In dat verband kan onder meer worden gedacht aan gegevens
                                inzake (gefaseerd uit te voeren) saneringsmaatregelen en inzake het
                                afkoppelen van niet verontreinigd hemelwater, koelwater, grondwater
                                etc. De aangegeven aspecten en onderwerpen spreken grotendeels voor
                                zich en kunnen in een (model-) aanvraagformulier nader worden
                                uitgewerkt. Overigens zullen uiteraard de gegevens, die in het kader
                                van het ingevolge artikel 4.22 van de Wm verplicht op te stellen
                                gemeentelijk rioleringsplan zijn verzameld, normaliter mede als
                                basis kunnen dienen voor de gegevens die bij de aanvraag om een
                                aansluitvergunning moeten worden overgelegd. </al><al>Artikel 4, eerste lid, voorziet vervolgens in een algemene
                                informatieverplichting. De gemeente is ingevolge deze bepaling
                                gehouden om op verzoek informatie te verstrekken. De te verstrekken
                                informatie dient uiteraard verband te houden met het belangenkader
                                van de aansluitverordening. Overigens zal ook het waterschap
                                zichzelf verplicht achten om een gemeente informatie te verstrekken
                                die verband houdt met de aanleg en het beheer van
                                rioleringssystemen. Op grond van artikel 4, tweede lid, kan het
                                waterschap de gemeente verplichten om onverwijld de gegevens te
                                verstrekken die nodig zijn om oorzaken te achterhalen van een
                                ongewone samenstelling of hoeveelheid van het aangeboden afvalwater.
                                Voorwaarde hierbij is dat deze afwijkingen in de samenstelling van
                                en/of hoeveelheid afvalwater leiden tot of dreigen te leiden tot een
                                verstoring van de doelmatige werking van de zuiveringsinstallatie
                                en/of tot (onnodige) aantasting van de kwaliteit van het ontvangende
                                oppervlaktewater. De leden 3 en 4 van artikel 4 bevatten een
                                concrete uitwerking van de informatieplicht die het waterschap in
                                dit verband in ieder geval kan opleggen. Uitgangspunt hierbij is
                                dat, afhankelijk van de geconstateerde afwijkingen, zo gericht
                                mogelijk wordt gezocht naar potentiële oorzaken. De verplicht te
                                verstrekken informatie zal moeten worden gerelateerd aan de
                                mogelijke oorzaken. De categorieën van bedrijven en instellingen,
                                waarover informatie moet (kunnen) worden verstrekt, zijn uiteraard
                                die categorieën die onder de werkingssfeer van de Wm vallen.</al><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>Artikel 5, eerste lid, vormt in feite een nadere uitwerking van
                                artikel 2, derde lid. Voor alle duidelijkheid wordt aangegeven dat
                                in een aansluitvergunning -naast de gebruikelijke eisen ten aanzien
                                van kwantiteit en kwaliteit- in ieder geval ook specifieke
                                emisiegrenswaarden en signaleringswaarden voor nader aan te wijzen
                                stoffen kunnen worden gesteld. De reikwijdte van de voorschriften
                                wordt begrensd door het belangenkader van de aansluitverordening.
                                Uiteindelijk zullen voorschriften moeten kunnen worden gerelateerd
                                aan:</al><lijst><li nr="•"><al>de inhoud van de Wvo-vergunning die voor de lozing van het
                                        effluent van de zuiveringsinstallatie is verleend; </al></li><li nr="•"><al>de bescherming van de doelmatige werking van de
                                        zuiveringstechnische werken; </al></li><li nr="•"><al>de geldende waterkwaliteitseisen voor het ontvangende
                                        oppervlaktewater. </al></li></lijst><al>Artikel 5, tweede lid, voorziet in een concretisering van de
                                'indirecte doorvertaling' zoals hierboven beschreven. Aangegeven
                                wordt dat de houder van de aansluitvergunning zich in ieder geval
                                rekenschap behoort te geven van gestelde emissiegrens- en
                                signaleringswaarden.</al><al><vet>Artikelen 6 en 7</vet></al><al>Artikel 6 ziet op de situatie dat het afvalwater op het zogenoemde
                                aansluitpunt niet voldoet aan de in de aansluitvergunning gestelde
                                eisen. Mogelijk is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 4,
                                tweede lid, en treden informatieverplichtingen in werking. Artikel 6
                                ziet specifiek op de situatie dat een gestelde emissiegrenswaarde of
                                signaleringswaarde wordt overschreden. Uiteraard betreft dit niet
                                een enkel steekmonster, maar dient sprake te zijn van een reeks van
                                geconstateerde overschrijdingen die gedurende langere tijd optreden.
                                In dat geval is het waterschap gehouden de houder van de
                                aansluitvergunning hiervan schriftelijk melding te doen. Deze
                                melding kan vervolgens leiden tot twee verplichtingen voor de
                                betreffende gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeente kan ingevolge artikel 6, tweede lid, worden
                                        verplicht om een toename van de geconstateerde
                                        overschrijding als gevolg van nieuwe lozingen op het
                                        openbaar riool te voorkomen; en </al></li><li nr="b."><al>de gemeente kan ingevolge artikel 7 worden verplicht om
                                        onderzoek te verrichten naar de oorzaken van de
                                        overschrijdingen en naar de mogelijkheden om de
                                        overschrijdingen ongedaan te maken. </al></li></lijst><al>In of krachtens de aansluitvergunning kan het waterschap terzake
                                tevens nadere voorschriften uitvaardigen.</al><al>Uitgangspunt is dat het onderzoek als bedoeld in artikel 7 van de
                                verordening zoveel mogelijk in overleg en samenwerking met de
                                waterkwaliteitsbeheerder en de overige bij de regulering van
                                indirecte lozingen betrokken overheden wordt uitgevoerd. Verwezen
                                wordt naar het gestelde in het algemeen deel van deze
                                toelichting.</al><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Op de voorbereiding van een beschikking op een aanvraag tot
                                verlening of wijziging van een aansluitvergunning alsmede van een
                                beschikking tot ambtshalve verlening, wijziging of intrekking zijn
                                (automatisch) de bepalingen van dwingend recht van de hoofdstukken 3
                                en 4 van de Awb van toepassing. In aanvulling op de
                                procedurebepalingen in de Awb bevat artikel 8, eerste en tweede lid,
                                bepalingen inzake advisering met betrekking tot de
                                ontwerp-beschikking en toezending van de (definitieve) beschikking.
                                Verwezen wordt voorts naar het gestelde in het algemeen deel van
                                deze toelichting.</al><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>Analoog aan het bepaalde in artikel 9 van de Wvo voorziet artikel 9
                                in de mogelijkheid schadevergoeding toe te kennen aan de houder van
                                de aansluitvergunning indien deze als gevolg van een ambtshalve
                                wijziging of intrekking van de aansluitvergunning schade lijdt die
                                redelijkerwijs niet of niet geheel te zijner laste behoort te
                                komen.</al><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Artikel 10 bevat een opsomming van bevoegdheden die aan een
                                toezichthoudend ambtenaar van de waterkwaliteitsbeheerder worden
                                toegekend bij het uitvoeren van toezicht op de naleving van bij of
                                krachtens de aansluitverordening gestelde voorschriften. De
                                bevoegdheden zijn enerzijds beperkt van omvang. Anderzijds is een
                                beperking aangebracht ten aanzien van de plaatsen waarop de
                                bevoegdheden mogen worden uitgeoefend. Zo is meting en bemonstering
                                slechts voorzien op die gedeelten van het openbaar riool die gelegen
                                zijn vóór het aansluitpunt via welke het afvalwater op een
                                zuiveringstechnisch werk wordt gebracht.</al><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>In artikel 81 van de Waterschapswet is bepaald welke maximum straf
                                op overtreding van een verordening (keur) kan worden gesteld.
                                Aangenomen wordt dat de strafrechtelijke handhaving van bij of
                                krachtens de aansluitverordening gestelde voorschriften minder voor
                                de hand zal liggen. Voor het geval dit in voorkomende gevallen tòch
                                opportuun is, is een strafbepaling in artikel 11 opgenomen.
                                Uiteraard is het bestuur van het waterschap bevoegd om bestuurlijke
                                en/of bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten in te zetten in
                                geval van overtreding van voorschriften. Bestuursdwang (artikel 61
                                van de Waterschapswet) en dwangsomoplegging (artikel 71 van de
                                Waterschapswet) vormen in dit kader de belangrijkste
                                instrumenten.</al><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>De inhoud van artikel 12, eerste lid, spreekt voor zich. Bedacht
                                dient echter te worden dat de ingrijpende wijzigingen in de formele
                                wetgeving waarschijnlijk op afzienbare termijn toch tot een
                                inhoudelijke aanpassing van verleende aansluitvergunningen zal
                                leiden.</al><al><cursief>Noten </cursief></al><lijst><li nr="a."><al>Zie nota van toelichting bij oude Model-aansluitverordening
                                        van de unie van Waterschappen. </al></li><li nr="b."><al>Zie de tweede volzin van artikel 1, tweede lid, van de Wvo.
                                        Dit betreft lozingen vanuit categorieën van inrichtingen,
                                        aangewezen in het Besluit van 4 november 1983 (Stb. 577),
                                        laatstelijk gewijzigd bij besluit van 26 november 1990 (Stb.
                                        598). </al></li><li nr="c."><al>Zie artikel 8.11, derde lid, van de Wm. </al></li><li nr="d."><al>Zie o.m. TK 1993-1994, 23 063, nrs. 10 en 11. </al></li><li nr="e."><al>Formeel bestaat zelfs de mogelijkheid dat de Minister van
                                        VROM of van EZ als bevoegd Wm-gezag optreedt. </al></li><li nr="f."><al>Zie o.m. TK 1993-1994, 23 603, nrs. 10 en 11. </al></li><li nr="g."><al>Zie o.m. TK 1988-1989, 20 435, nr. 11. </al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>