<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271855_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de te verstrekken gegevens bij een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekmedia, 14-11-2001</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening aanvraag om een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 78</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2001-09-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2001-11-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2009-12-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>AB 01/043</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur – waterschappen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Lozingsverordening Amstel- en Gooiland (1987).</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 20-9-2001</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Weekmedia, 14-11-2001</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inzake de te verstrekken gegevens bij een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Definities</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_1_"> Hoogheemraadschap: hoogheemraadschap
                                Amstel, Gooi en Vecht;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_2_"> Het bestuur: het dagelijks bestuur van
                                het Hoogheemraadschap; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_3_"> Vergunning: een vergunning als bedoeld
                                in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ten
                                aanzien waarvan de bevoegdheid tot het verlenen, weigeren, wijzigen
                                of intrekken op grond van artikel 6, eerste lid, van genoemde wet is
                                opgedragen aan het bestuur van het Hoogheemraadschap;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_4_"> Afvalstoffen: afvalstoffen,
                                verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_5_"> Bedrijf: een inrichting als bedoeld in
                                artikel 1.1 Wet milieubeheer, gebouw, vaartuig, installatie, terrein
                                of ruimte waarin beroepsmatig (of op een wijze als ware het
                                beroepsmatig), activiteiten plaatsvinden en van waaruit
                                afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in
                                oppervlaktewateren dan wel op zuiveringstechnische werken worden
                                gebracht, met uitzondering van woonruimten en vaartuigen die uit
                                hoofde van hun bestemming plaatsgebonden zijn;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_6_"> Lozen of lozing: het brengen van
                                afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in
                                oppervlaktewateren als bedoeld in artikel 1 van de Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_7_"> Werk: plaatsgebonden, vaste voorziening
                                door middel waarvan afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke
                                stoffen in het oppervlaktewater worden gebracht op zodanige wijze
                                dat controle over de lozing mogelijk is;</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_8_"> Installatie: een vaste technische
                                eenheid waarin een of meer van de in de bijlage onder B vermelde
                                activiteiten en processen, alsmede andere daarmee rechtstreeks
                                samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in verband
                                staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die
                                gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_1_9_"> Vervuilingswaarde: de waarde als bedoeld
                                in artikel 8 van de Verordening Verontreinigingsheffing AGV 1997
                                (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 december 2000, nr. AB
                                00/60) </al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d22456e124"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Een aantal definities zal voor
                                        zich spreken. De meeste definities, die worden gehanteerd in
                                        deze verordening zijn afkomstig uit jurisprudentie met
                                        betrekking tot de Wvo, andere komen uit het
                                        Uitvoeringsbesluit Verontreiniging Rijkswateren (UVR) of de
                                        IPPC-Richtlijn. </noot.al><noot.al>De definitie van het begrip bedrijf is ruim. Het begrip
                                        sluit aan bij het begrip inrichting in de zin van de Wet
                                        milieubeheer: elke door de mens bedrijfsmatig of in een
                                        omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid
                                        die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.
                                        Daarnaast omvat het begrip meerdere plaatsen en terreinen
                                        van waaraf lozing kan plaatsvinden, overeenkomstig de
                                        definitie uit artikel 2 lid 1 van het UVR. Deze definitie is
                                        afkomstig uit genoemd model van de Unie van Waterschappen. </noot.al><noot.al>De definitie van het woord installatie is overgenomen
                                        uit artikel 2 van de IPPC–richtlijn. Het begrip
                                        ‘installatie’ is slechts van toepassing op de
                                        bedrijfscategorieën die in de bijlage onder B worden
                                        vermeld, het begrip ‘bedrijf’ is ruimomvattender en kan ook
                                        bedrijven betreffen die niet in de bijlage worden genoemd. </noot.al><noot.al>Het begrip lozing omvat zowel de directe als de
                                        indirecte lozingen: het brengen van afvalstoffen,
                                        verontreinigende of schadelijke stoffen in het
                                        oppervlaktewater als bedoeld in artikel 1, eerste, tweede en
                                        derde lid Wet verontreiniging oppervlaktewateren. </noot.al><noot.al>Het begrip ‘werk’ is nader uitgewerkt in de
                                        jurisprudentie. Wezenlijk voor een werk is dat het gebonden
                                        is aan een vaste plaats, bijvoorbeeld een pijp, leiding of
                                        riool. Het tweede deel van de beschrijving is afgeleid uit
                                        jurisprudentie op dit punt (onder meer ABRvS 19 juli 1983 AB
                                        1984 nr. 487 Booy Clean; HR 27 maart 1985 nr.
                                        22931).]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Reikwijdte</titel></kop><al>Deze verordening geldt voor aanvragen voor wijziging of verlening van
                            een vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                            waarvoor het hoogheemraadschap inzake de beslissing op de aanvraag het
                            bevoegd gezag is.</al><al><noot id="d22456e147"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[[<vet>Toelichting: </vet>Het bestuur van het
                                    Hoogheemraadschap is bevoegd vergunningen, als bedoeld in deze
                                    verordening te wijzigen, verlenen of in te trekken. Deze
                                    bevoegdheid berust op de artikelen 5 en 6 van de Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren en de Verordening
                                    waterkwaliteitsbeheer Amstel, Gooi en Vecht. </noot.al><noot.al>Deze verordening regelt de te verstrekken gegevens bij
                                    verlening of wijziging van een vergunning op basis van de Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren. </noot.al><noot.al>De gegevens die dienen te worden verstrekt bij intrekking
                                    van een vergunning staan vermeld in artikel 4:2 Algemene wet
                                    bestuursrecht.]]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_3_10_"> De aanvraag tot verlening of wijziging
                                van een vergunning wordt schriftelijk, in de Nederlandse taal
                                opgesteld, ingediend bij het bestuur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_3_11_"> De aanvraag wordt ingediend door het
                                insturen van een volledig ingevuld en ondertekend daartoe strekkend
                                formulier, dat ten behoeve hiervan door het hoogheemraadschap is
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d22456e176"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>In het eerste lid van dit
                                        artikel wordt aangegeven dat een aanvraag schriftelijk moet
                                        worden ingediend bij het bestuur van het Hoogheemraadschap. </noot.al><noot.al>Het tweede lid geeft aan dat de aanvraag moet worden
                                        ingediend door middel van een volledig ingevuld formulier.
                                        De bevoegdheid tot het vaststellen van een formulier bestaat
                                        op basis van artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht.
                                        Er wordt in beginsel aangenomen, dat een aanvrager, die
                                        conform het formulier een aanvraag indient, voldoende
                                        gegevens heeft verstrekt. ]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Algemeen te verstrekken gegevens </titel></kop><lid><lidnr/><al>In of bij een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning
                                als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren, worden ten minste de navolgende gegevens
                                verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_12_">De naam en het adres van de aanvrager;
                                de naam en het adres van de vergunninghouder;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_13_">De periode waarvoor een vergunning wordt
                                aangevraagd;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_14_">Een aanduiding van de plaats waar de
                                lozing plaatsvindt, de ligginggegevens (kadaster), met een
                                toelichtende tekening;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_15_">Een omschrijving van de lozing, waarbij
                                in ieder geval wordt vermeld:</al><lijst><li nr="•"><al>of de lozing continu dan wel discontinu plaatsvindt; </al></li><li nr="•"><al>met welke regelmaat lozingen of deellozingen plaatsvinden;
                                    </al></li><li nr="•"><al>de wijze waarop en/of met behulp van welk middel de lozing
                                        plaatsvindt; </al></li><li nr="•"><al>of de lozing met behulp van een werk op een ander werk
                                        plaatsvindt; en </al></li><li nr="•"><al>de activiteit waaruit de lozing voortkomt; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_16_">Een zo volledig mogelijke
                                karakterisering naar de aard, samenstelling, eigenschappen,
                                hoeveelheid en herkomst van de afvalstoffen waarop de aanvraag
                                betrekking heeft, alsmede de vervuilingswaarde;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_17_">Een beschrijving van de maatregelen of
                                voorzieningen die zijn of worden getroffen om de lozing te voorkomen
                                of te beperken, met een toelichtende tekening, alsmede de
                                maatregelen die bij definitieve stopzetting van de activiteiten
                                worden getroffen om lozing te voorkomen of te beperken;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_18_">Een opgave van de redelijkerwijs
                                mogelijk te achten hoeveelheid en hoedanigheid van de afvalstoffen
                                die ten gevolge van storingen, ongewone voorvallen, proefdraaien, in
                                bedrijf stellen, uit bedrijf nemen, schoonmaak- en
                                herstelwerkzaamheden in het oppervlaktewater kunnen geraken, alsmede
                                een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die door of
                                vanwege de aanvrager getroffen zullen worden om dit te voorkomen of
                                te beperken;</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_19_">Gegevens van personen door wie nadere
                                inlichtingen kunnen worden gegeven over de gegevens in de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_20_">Vermelding of een Wm-vergunning is
                                aangevraagd of is verleend met vermelding van de datum; </al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_21_">Verslag(en) van vooroverleg ten behoeve
                                van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_4_22_">De resultaten van een
                                onderzoeksverplichting in het kader van een eerder verleende
                                vergunning.</al><al><noot id="d22456e267"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel geeft aan welke
                                        gegevens in het algemeen dienen te worden verstrekt bij een
                                        vergunningaanvraag. Het artikel is van toepassing op alle
                                        vergunningplichtige lozingen, zowel de directe als de
                                        indirecte lozingen. Ten aanzien van deze laatst genoemde,
                                        alleen voor zover vallend onder het Besluit houdende
                                        aanwijzing van soorten van inrichtingen als bedoeld in de
                                        artikelen 1 tweede lid en 31 vierde lid Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren (Stb. 1983, 577). </noot.al><noot.al>Het artikel is tevens van toepassing op de aanvraag van
                                        een Wvo-vergunning in het kader van het Bouwstoffenbesluit. </noot.al><noot.al>De woorden ‘ten minste’ in de aanhef van het artikel
                                        duiden erop dat het Hoogheemraadschap, indien gewenst,
                                        aanvullende gegevens kan opvragen.</noot.al><noot.al>Ad 1. Deze gegevens worden vereist op basis van artikel
                                        4:2 onder a Algemene wet bestuursrecht. Indien de gegevens
                                        van de aanvrager afwijken van de gegevens van de lozer aan
                                        wie de vergunning moet worden verstrekt, worden tevens de
                                        naam en het adres van de beoogde vergunninghouder in de
                                        aanvraag vermeld.</noot.al><noot.al>Ad 2. Uit artikel 7, vierde lid van de Wvo en artikel
                                        8.17 Wm volgt dat aan een Wvo–vergunning een beperkte
                                        geldigheidsduur kan worden verbonden. In artikel 8.17 Wm is
                                        een aantal situaties genoemd waarin tot het verlenen van een
                                        tijdelijke vergunning kan worden overgegaan. Dit kan
                                        bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een tijdelijke lozing
                                        of lozing vanuit een tijdelijke inrichting of wanneer er een
                                        tijdelijke vergunning is aangevraagd. Ook wanneer dit
                                        noodzakelijk is in het belang van het ontwikkelen van
                                        werkwijzen in de inrichting die minder nadelige gevolgen
                                        hebben voor het milieu, kan aan een lozer een tijdelijke
                                        vergunning worden verleend. Verder is dit aan de orde
                                        wanneer het noodzakelijk is een beter inzicht te ontwikkelen
                                        in de gevolgen van de lozing voor het milieu, alvorens een
                                        vergunning voor onbeperkte duur te verstrekken. Voor een
                                        beschrijving van overige situaties wordt verder verwezen
                                        naar het CIW-handboek Wvo-vergunningverlening van mei 1999.
                                        Hoofdstuk 4, paragraaf 4.9 van het handboek behandelt de
                                        tijdelijke vergunning.</noot.al><noot.al>Ad 3. De plaatsbepaling is een belangrijk gegeven voor
                                        de beoordeling van de lozing. Deze informatie behoort dan
                                        ook bij de aanvraag te worden overgelegd. In voorkomende
                                        gevallen kan de tekening waarop de plaats van de lozing is
                                        aangegeven een geïntegreerd deel uit gaan maken van de te
                                        verlenen vergunning. De toelichtende tekening moet op
                                        zodanige schaal zijn gemaakt dat het lozingspunt duidelijk
                                        afleesbaar is. Het bestuur geeft aanwijzingen over de
                                        gewenste maatvoering en detaillering van de tekening. Het
                                        Hoogheemraadschap kan in het vooroverleg nader bepalen op
                                        welke wijze de gegevens dienen te worden verstrekt. De
                                        coördinaten van de locatie van lozing kunnen daarbij tevens
                                        worden opgevraagd.</noot.al><noot.al>Ad 4. De gegevens dienen het bestuur snel inzicht te
                                        geven in de soort lozing en de activiteiten waaruit deze
                                        voortkomen. Hierdoor kan het bestuur tot een oordeel komen
                                        welke gegevens in het concrete geval eventueel nog meer
                                        relevant zijn om de lozing te kunnen beoordelen. Bij de
                                        omschrijving van de lozing wordt onder andere vermeld of
                                        deze continu dan wel discontinu plaatsvindt en met welke
                                        regelmaat de lozingen of deellozingen plaatsvinden. Tevens
                                        wordt gevraagd naar de wijze waarop de lozing plaatsvindt.
                                        Er kan sprake zijn van een directe lozing of een indirecte
                                        lozing (via de riolering). Verder kan sprake zijn van een
                                        lozing met of zonder gebruikmaking van een werk. De
                                        frequentie en de wijze van lozen zijn onder andere bepalend
                                        voor de mogelijkheden waarop een lozing kan worden
                                        gecontroleerd.</noot.al><noot.al>Ad 5. De gegevens over de aard, samenstelling,
                                        eigenschappen, hoeveelheid en herkomst van de schadelijke of
                                        verontreinigende stoffen kunnen inzicht verschaffen in de
                                        milieubezwaarlijkheid van de te lozen stoffen. De
                                        verantwoordelijkheid voor het verstrekken van dergelijke
                                        gegevens ligt bij de aanvrager. De aanvrager kan, door
                                        voorafgaand aan de indiening van de aanvraag in overleg te
                                        treden met het bestuur, achterhalen welke informatie hij in
                                        het concrete geval moet verstrekken. Met name de omvang en
                                        de aard van de lozing zijn bepalend voor de vraag in
                                        hoeverre en tot in welk detail de lozing moet worden
                                        toegelicht/ gekarakteriseerd. </noot.al><noot.al>Voor karakterisering van de aard van de lozing wordt
                                        voor de toe te passen analysevoorschriften verwezen naar de
                                        analysevoorschriften die zijn aangegeven in Bijlage I van de
                                        Verordening Verontreinigingsheffing Amstel, Gooi en Vecht
                                        1997 (laatstelijk gewijzigd bij besluit 21 december 2000,
                                        nr. AB 00/60). </noot.al><noot.al>Als algemeen uitgangspunt geldt dat het aan de
                                        aanvrager is de mate van milieubezwaarlijkheid van de
                                        geloosde stoffen aan te geven. Het hoogheemraadschap bepaalt
                                        als waterkwaliteitsbeheerder vervolgens of de lozing
                                        toelaatbaar is voor het ontvangende oppervlaktewater. </noot.al><noot.al>Met de aard van de stof wordt gedoeld op de soort stof
                                        of stoffen (bijvoorbeeld de verzamelnaam PAK). Met
                                        samenstelling wordt bedoeld de meer specifiek chemische
                                        samenstelling van de lozing. Onder eigenschappen wordt
                                        verstaan de zuurgraad, de warmtebelasting, de toxiciteit,
                                        accumulerend vermogen, afbreekbaarheid van de individuele
                                        stoffen danwel het mengsel. De term ‘hoeveelheid’ heeft
                                        betrekking op de omvang van de totale lozing, maar ook op
                                        het aandeel van de bedoelde stoffen daarin. De omvang van de
                                        lozing kan ook in aantallen v.e.’s worden weergegeven. Met
                                        de vraag naar de herkomst van de te lozen stoffen wordt
                                        beoogd ook inzicht te krijgen waar de verontreinigende
                                        stoffen hun oorsprong vonden, bijvoorbeeld afkomstig van een
                                        bepaalde activiteit ter plekke of van elders. De
                                        beschrijving van de exacte samenstelling van stoffen kan
                                        soms problemen opleveren voor de aanvrager. Hij beschikt
                                        vaak niet over gegevens over de samenstelling van stoffen.
                                        De aanvrager zal moeite moeten doen om de betreffende
                                        gegevens bij de leverancier van onder andere grondstoffen te
                                        achterhalen. In sommige gevallen wil de leverancier op grond
                                        van de vertrouwelijkheid van de gevraagde informatie, geen
                                        gegevens verstrekken. Het gevolg daarvan kan zijn dat een
                                        niet-ontvankelijke aanvraag wordt ingediend. Eén en ander
                                        kan er toe leiden dat de stoffenbeoordeling conform de in
                                        mei 2000 geintroduceerde 'Algemene Beoordelingsmethodiek
                                        voor stoffen en preparaten' plaatsvindt volgens de
                                        'worst-case'-benadering in het kader van het
                                        voorzorgprincipe.</noot.al><noot.al>Ad 6. Een van de leidende principes van het
                                        emissiebeleid, zoals vertaald in het Indicatief
                                        Meerjarenprogramma Water en de Vierde Nota Waterhuishouding
                                        is ‘vermindering van de verontreiniging.’ Dit houdt in dat
                                        verontreiniging, ongeacht de aard van de te lozen stof,
                                        zoveel mogelijk wordt voorkomen of beperkt. Dit wordt ook
                                        wel het ‘voorzorgprincipe’ genoemd. Bij het verminderen van
                                        verontreiniging staan preventie en de aanpak aan de bron, de
                                        emissieaanpak, centraal. Onderdeel 6 van het artikel heeft
                                        betrekking op het voorzorgsprincipe. De lozer dient actief
                                        maatregelen te nemen om lozingen te voorkomen en te
                                        beperken. Tevens moeten met het oog op preventie waar nodig
                                        bij definitieve stopzetting van de activiteiten maatregelen
                                        worden getroffen om het gevaar van verontreiniging te
                                        voorkomen. Dit artikel spoort met artikel 7.1 d UVR. Wanneer
                                        de te verlenen vergunning betrekking heeft op het gebruik
                                        van een bouwstof als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem
                                        en oppervlaktewaterenbescherming dient de aanvrager in ieder
                                        geval gegevens aan te leveren omtrent de wijze waarop de
                                        bouwstof wordt geïsoleerd op zodanige wijze dat nagenoeg
                                        geen contact ontstaat tussen de bouwstof, het
                                        oppervlaktewater, hemelwater of grondwater. De aanvrager
                                        dient tevens te waarborgen dat de afdichting zodanig wordt
                                        gecontroleerd en onderhouden dat deze een goede werking
                                        behoudt. De gegevens van de periodieke controle moeten aan
                                        het bestuur worden overgelegd. Het bestuur geeft tevens de
                                        maximum hoeveelheid bouwstof aan die in het oppervlaktewater
                                        mag worden gebracht (zie verder artikel 1, 26 en 27
                                        Bouwstoffenbesluit).</noot.al><noot.al>Ad 7. Dit onderdeel ziet op ongewone voorvallen zoals
                                        storingen, ongevallen en branden, alsmede onregelmatige
                                        reguliere activiteiten zoals het proefdraaien, in bedrijf
                                        stellen, tijdelijk uit bedrijf nemen, schoonmaak- en
                                        herstelwerkzaamheden als gevolg waarvan verontreinigingen in
                                        het oppervlaktewater kunnen geraken. Met onvoorziene
                                        lozingen worden die lozingen bedoeld die niet te voorzien
                                        zijn en daardoor ook onregelmatig, qua tijd en omvang
                                        plaatsvinden. In de vergunning wordt een calamiteitenartikel
                                        opgenomen. De aanpak van onvoorziene lozingen komt in hoge
                                        mate overeen met de aanpak van reguliere lozingen. In eerste
                                        instantie dienen onvoorziene lozingen zoveel mogelijk
                                        volgens het voorzorgprincipe te worden voorkomen via
                                        preventieve maatregelen en toepassing van de stand der
                                        (veiligheids)techniek. Een lozer zal bij de aanvraag inzicht
                                        moeten geven in de kans op en eventueel het effect van
                                        onvoorziene lozingen. Voor de bepaling van de kans en het
                                        effect van onvoorziene lozingen geeft het CIW-rapport
                                        ‘Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen’
                                        aanbevelingen, referentiekaders alsmede een standaard
                                        risicoanalysemodel (Proteus) voor het inschatten van
                                        restrisico’s. Onderdeel 7 correspondeert met artikel 5.4 van
                                        het Inrichtingen en vergunningenbesluit
                                        milieubeheer.</noot.al><noot.al>Ad 8. Voor het bestuur is het van belang te weten bij
                                        welke personen er nadere inlichtingen, met betrekking tot de
                                        gegevens in de aanvraag, kunnen worden verkregen.</noot.al><noot.al>Ad 9. De procedure die dient te worden gevolgd indien
                                        een Wv0-vergunning en vergunning op basis van de Wet
                                        Milieubeheer samenloopt, staat aangegeven in de Wet
                                        verontreiniging oppervlaktewateren en Wet
                                        Milieubeheer.</noot.al><noot.al>Ad 10. In het vooroverleg zijn reeds zaken aan de orde
                                        geweest die van belang kunnen zijn bij de beoordeling van de
                                        vergunningaanvraag.</noot.al><noot.al>Ad 11. De resultaten van een onderzoeksverplichting uit
                                        de vorige vergunning moeten altijd deel uitmaken van een
                                        aanvraag voor een nieuwe vergunning. Bovendien moet een
                                        onderzoek volledig uitgevoerd zijn, anders is de aanvraag
                                        onvolledig (zie de uitspraak G05.88.0692 van 13/8/1991,
                                        CINDU).]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Lozing door een bedrijf</titel></kop><lid><lidnr/><al>Indien de lozing afkomstig is van een bedrijf worden naast de
                                gegevens als bedoeld in artikel 4 de navolgende gegevens
                                verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_5_23_">Indien het bedrijf daar is ingeschreven,
                                een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel
                                waaruit tenminste blijkt op welke naam de vergunning dient te worden
                                gesteld alsmede de bevoegdheid van degene(n) die de aanvraag heeft
                                (hebben) ondertekend;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_5_24_">Een omschrijving van de aard en de
                                omvang van het bedrijf; alsmede een opgave van de aard en omvang van
                                de activiteiten die daar plaatsvinden;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_5_25_">Een beschrijving van de technische
                                apparaten (inclusief hun capaciteit) en de processen die daarin
                                plaatsvinden die leiden of kunnen leiden tot een lozing van
                                afvalstoffen, voorzien van een toelichtende tekening van de locatie
                                van dergelijke processen en apparaten waaruit blijkt waar en in
                                welke mate de verschillende afvalstoffen (kunnen) ontstaan en
                                vrijkomen;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_5_26_">Indien een rioleringstelsel aanwezig is,
                                een rioleringstekening; een aanduiding van eventueel andere op de
                                riolering aangesloten bedrijven of woningen;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_5_27_">Een beschrijving van onderzoeken die
                                zijn of worden verricht, maatregelen of voorzieningen die zijn of
                                worden getroffen teneinde het ontstaan van de onderhavige
                                afvalstoffen te voorkomen of de te lozen hoeveelheid te beperken
                                door hergebruik of het nuttig toepassen dan wel geschikt maken voor
                                hergebruik of nuttig toepassen (preventie en
                                good-housekeeping);</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_5_28_">Een beschrijving van de wijze waarop de
                                lozing wordt gemeten, vastgesteld en geregistreerd en de wijze
                                waarop over de lozing wordt gerapporteerd; </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_5_29_">Een opgave van de voor de aanvrager
                                redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen met betrekking tot de
                                lozing die voor de beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn. </al><al><noot id="d22456e352"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Indien de aanvraag voor een
                                        vergunning afkomstig is van een bedrijf zullen de gegevens
                                        die overlegd moeten worden een slag diepgaander en
                                        uitgebreider zijn dan die op basis van artikel 4 overlegd
                                        moeten worden. De informatie die geleverd moet worden op
                                        grond van artikel 5 kan enige overlap vertonen met de
                                        informatie van artikel 4. Het vooroverleg kan duidelijkheid
                                        scheppen in de exacte omvang van de informatieplicht.
                                        Artikel 5 is van toepassing op bedrijven zoals weergegeven
                                        in artikel 1 onder 5, daartoe behoren onder meer de
                                        bedrijven die zijn weergegeven in deel A en B van de
                                        bijlage.</noot.al><noot.al>Ad 1. Dit artikellid is met name bedoeld om het dossier
                                        met betrekking tot een bedrijf compleet en recent te houden.
                                        Dit is mede van belang voor controle op de vergunning. Het
                                        bedrijf draagt er zorg voor dat telkens wanneer een
                                        wijziging van de inschrijving plaatsvindt, het bestuur
                                        daarvan op de hoogte wordt gebracht, door middel van
                                        toezending van een afschrift van het vernieuwd uittreksel.
                                        Het kan uiteraard ook voorkomen dat een bedrijf niet is
                                        ingeschreven bij de Kamer van Koophandel in welk geval geen
                                        gegevens kunnen worden verstrekt.</noot.al><noot.al>Ad 2 en 3. Het is van belang inzicht te hebben in de
                                        werking van het bedrijf en de emissies om te kunnen
                                        beoordelen of een lozing aanvaardbaar is in relatie tot het
                                        ontvangend oppervlaktewater en/of de doelmatige werking van
                                        zuiveringstechnische werken. Het bestuur beoordeelt onder
                                        andere of de aanvrager voldoende zorg in acht heeft genomen
                                        en of wordt voldaan aan de stand der techniek. Zie ook de
                                        toelichting bij artikel 4 van de verordening. </noot.al><noot.al>De aanvrager moet daarvoor informatie overleggen over
                                        het (productie)proces en de procesvoering, de
                                        afvalwaterstromen en de zuiveringstechnieken. Dit betekent
                                        dat bekend moet zijn waar en hoe het afvalwater ontstaat en
                                        welke maatregelen zijn genomen om het ontstaan te voorkomen
                                        of te beperken. Het gaat hierbij onder andere om het
                                        terughouden van afvalstoffen, het toepassen van schone
                                        grondstoffen, hulpstoffen en reinigingsmiddelen, het
                                        toepassen van schone processen, good–housekeeping,
                                        bedrijfsinterne milieuzorg etc. Ook moet de samenstelling,
                                        het debiet en de wijze van afvoer van de afvalwaterstromen
                                        bekend zijn. Aan de hand daarvan kan worden nagegaan of
                                        lozing aanvaardbaar en eventuele behandeling doelmatig is.
                                        In dit artikel worden gegevens gevraagd met betrekking tot
                                        installaties waardoor of waarin processen plaatsvinden die
                                        leiden of kunnen leiden tot het in het oppervlaktewater
                                        brengen van stoffen. Ook onafgedekte opslag van
                                        artikelen/goederen en het neerslaan van verontreinigd stoom
                                        kan leiden tot een lozing op het oppervlaktewater.</noot.al><noot.al>Ad 4. Dit lid is overgenomen uit artikel 7.2c van het
                                        UVR. Op de rioleringstekening worden ook de plaatsen van de
                                        eventuele overstorten aangegeven. Dit artikel heeft
                                        uitsluitend betrekking op een bedrijfsriolering.</noot.al><noot.al>Ad 5. Dit artikel past binnen het streven naar
                                        duurzaamheid en algemene preventie zoals dat in de Vierde
                                        Nota Waterhuishouding en de Wet milieubeheer is vastgelegd.
                                        Het vergunningenbeleid is er in het algemeen op gericht om
                                        verontreiniging op het oppervlaktewater zoveel mogelijk te
                                        voorkomen. Bestrijding aan de bron is hiertoe het meest
                                        geëigende middel. Waar mogelijk dienen lozingen en
                                        stortingen vermeden te worden. Daartoe kan onder meer
                                        bijdragen een verplichting voor de aanvrager om zo exact
                                        mogelijk aan te geven welke andere bergings- c.q.
                                        verwerkingsmogelijkheden, waaronder die van hergebruik, er
                                        zijn. Het artikel komt ook terug in het UVR (artikel 7.2.f).
                                        Wanneer het bestuur dit aangeeft, dient de aanvrager
                                        onderzoek te verrichten naar mogelijkheden voor het
                                        voorkomen of nuttig toepassen van afvalstoffen. Daarbij kan
                                        worden aangetekend dat de resultaten van een
                                        onderzoeksverplichting uit een vorige vergunning altijd deel
                                        uit moeten maken van een aanvraag voor een nieuwe
                                        vergunning. Bovendien moet een onderzoek volledig zijn
                                        uitgevoerd, anders is de aanvraag onvolledig (uitspraak G
                                        05.88.0692, 13–8–1991 Cindu). De maatregelen die worden
                                        genomen om lozingen te voorkomen of te beperken moeten
                                        tevens voldoen aan de stand der techniek.</noot.al><noot.al>Ad 6. Dit onderdeel is overgenomen uit artikel 7.2h van
                                        het UVR. Om controle op de naleving van
                                        vergunningvoorschriften mogelijk te maken, zal het
                                        afvalwater bij voorkeur door een daartoe geschikte
                                        meetgelegenheid moeten worden gevoerd. In de vergunning kan
                                        een meetvoorziening voor continue debietmetingen of
                                        proportionele bemonstering worden voorgeschreven. Met name
                                        bij grote lozingen wordt de verplichting tot meting en
                                        bemonstering vaak aan de vergunninghouder zelf opgelegd. Bij
                                        een dergelijke rapportageverplichting wordt voorgeschreven
                                        over welke parameters het bedrijf met welke frequentie aan
                                        het bestuur moet rapporteren. Soms is het installeren van
                                        een meetgelegenheid niet mogelijk of doelmatig. Dit kan met
                                        name het geval zijn bij bedrijven met een geringe lozing van
                                        afvalwater. Om toch door middel van steekmonsters de
                                        naleving van vergunningsvoorschriften te kunnen controleren,
                                        is het nodig dat een of meerdere adequate controlepunten op
                                        het terrein van het bedrijf aanwezig zijn. </noot.al><noot.al>Ingevolge de richtlijn 76/464/EEG en 95/337/EEG zijn
                                        lidstaten verplicht om driejaarlijks inlichtingen te
                                        verstrekken over de naleving van deze richtlijnen. Vanaf
                                        1983 zijn richtlijnen voor 17 zwarte lijststoffen van kracht
                                        geworden. Voor lozingen van grijze lijst stoffen geldt vanaf
                                        1993 een rapportageplicht. De eisen met betrekking tot de
                                        controle zijn voor de verschillende zwarte lijststoffen
                                        vastgelegd in bijlage II van de ministeriële besluiten ex
                                        artikel 1a Wvo. Bij het voorschrijven van voorzieningen of
                                        maatregelen voor de controle van het afvalwater wordt met de
                                        verplichtingen uit genoemde richtlijnen rekening
                                        gehouden.</noot.al><noot.al>Ad 7 . Dit onderdeel is overgenomen uit artikel 7.2i
                                        van het UVR. Om te kunnen beoordelen of lozing van
                                        afvalstoffen op de plaats van aanvraag en op de wijze die in
                                        de aanvraag wordt vermeld, acceptabel is, en of voldoende
                                        maatregelen kunnen worden getroffen om milieunadeel als
                                        gevolg van de lozing te voorkomen, is het van belang te
                                        kijken naar de toekomstplannen van het bedrijf. Met name
                                        toekomstige uitbreidingsplannen kunnen hierbij van belang
                                        zijn.</noot.al><noot.al>In geval van een verzoek om geheimhouding wordt ten
                                        aanzien van de ontvankelijkheid van de aanvraag verwezen
                                        naar hoofdstuk 19 van de Wet Milieubeheer. Op landelijk
                                        niveau wordt in CIW-verband nagegaan hoe met problematiek,
                                        ten aanzien van vertrouwelijkheid van gegevens versus de eis
                                        om een ontvankelijke aanvraag, dient te worden omgegaan.
                                        Gedacht wordt onder meer aan het hanteren van een
                                        toetsingskader, waarmee de producent/ leverancier zelf de
                                        milieubezwaarlijkheid van de hulpstoffen kan bepalen. Het
                                        overleggen van vertrouwelijke informatie over de aard en
                                        samenstelling van de stoffen zou dan niet meer aan de orde
                                        zijn.</noot.al><noot.al>Deze verordening is niet van toepassing op meldingen.
                                        Hiervoor wordt verwezen naar de van toepassing zijnde
                                        wetgeving.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Lozingen door een bedrijf, genoemd in de
                                bijlage</titel></kop><lid><lidnr/><al>Indien een aanvraag betrekking heeft op een lozing afkomstig van een
                                bedrijf, dat tot de in bijlage A en/of B genoemde categorieën
                                behoort, worden naast de in artikel 4 en 5 gevraagde gegevens de
                                navolgende gegevens verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_6_30_">Een beschrijving van de aard,
                                samenstelling, eigenschappen, de hoeveelheid en de locatie binnen
                                het bedrijf van de grondstoffen, hulpstoffen, tussenproducten en
                                eindproducten die naar redelijke verwachting binnen het bedrijf
                                aanwezig kunnen zijn, voor zover deze al dan niet rechtstreeks in
                                het oppervlaktewater kunnen geraken. Een toelichtende tekening
                                waaruit de plaats blijkt waar de bedoelde stoffen zich
                                bevinden;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_6_31_">Indien de aanvraag betrekking heeft op
                                een bedrijf genoemd onder deel B van de bijlage, worden tevens de
                                navolgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="•"><al>Een beschrijving van de aard en omvang van de belasting van
                                        het oppervlaktewater ten gevolge van de lozing, daaronder
                                        begrepen een overzicht van de belangrijkste nadelige
                                        effecten op het watermilieu; </al></li><li nr="•"><al>Een niet-technische samenvatting van de in artikel 5 en 6
                                        bedoelde gegevens. </al></li></lijst><al><noot id="d22456e407"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Algemeen </noot.al><noot.al>Dit artikel is alleen van toepassing op bedrijven die
                                        in de bijlage voorkomen. Het betreft bedrijven waarvan de
                                        lozingen, zowel de directe als indirecte lozingen, een
                                        aanzienlijk milieueffect kunnen hebben. Behalve de bedrijven
                                        die in de IPPC-richtlijn zijn genoemd (bijlage onder kolom
                                        B) betreft het de bedrijven die bij Besluit ex artikel 1,
                                        tweede lid en 31, vierde lid Wet verontreiniging
                                        oppervlaktewateren zijn aangewezen als eveneens
                                        vergunningplichtig voor hun indirecte lozingen.</noot.al><noot.al>Ad 1. Dit onderdeel is overgenomen uit artikel 7.2d
                                        UVR. Dit vereiste komt overeen met het vereiste uit artikel
                                        6 IPPC, ‘een beschrijving van de grondstoffen en
                                        hulpmaterialen en de andere stoffen die in de installatie
                                        worden gebruikt of door de installatie worden gegenereerd’.
                                        De gegevens worden niet alleen van bedrijven die onder de
                                        IPPC-richtlijn gevraagd, maar ook van de AMvB inrichtingen
                                        (niet alle AMvB inrichtingen vallen ook onder de
                                        IPPC-richtlijn). Het betreft alle aanwezige stoffen, voor
                                        zover deze in het water kunnen geraken en vormt een
                                        verdieping op de gegevens die op grond van artikel 5 onder 3
                                        worden geleverd. Het onderdeel heeft betrekking op de
                                        specifieke bedrijfsomstandigheden die van invloed kunnen
                                        zijn op de samenstelling van de lozing, ook indien de lozing
                                        als gevolg van een calamiteit zou ontstaan, alsmede op de te
                                        nemen maatregelen ter beperking van de schadelijkheid ervan.
                                        Om te voorkomen dat de gevraagde gegevens ook moeten worden
                                        verstrekt in geval van lozingen waarvan de schadelijkheid
                                        slechts van geringe betekenis is, kan de verplichting tot
                                        het verstrekken van de in dit lid bedoelde informatie worden
                                        beperkt tot die bedrijven die een aanmerkelijke hoeveelheid
                                        zuurstofbindende stoffen dan wel toxische, persistente,
                                        bio-accumulatieve of anderszins bezwaarlijke stoffen kunnen
                                        lozen.</noot.al><noot.al>Ad 2. Lid 2 is wel beperkt tot bedrijven die onder de
                                        IPPC-richtlijn vallen (bijlage onder kolom B). Artikel 6 van
                                        de IPPC-richtlijn schrijft voor dat de vergunningaanvraag
                                        een beschrijving dient te bevatten van de te voorziene
                                        emissies van de installatie in elk milieucompartiment met
                                        een overzicht van de belangrijke ‘significante’ nadelige
                                        milieueffecten van de emissies. De effecten van de lozing
                                        worden enerzijds bepaald door de aard en omvang van de
                                        lozing, anderzijds door de capaciteit en
                                        zuiveringsmogelijkheden van de zuiveringsinstallaties
                                        alsmede door de functie van het ontvangend water met
                                        bijbehorende waterkwaliteitseisen en eventuele cumulatieve
                                        effecten als gevolg van andere soortgelijke lozingen. Het is
                                        niet eenvoudig voor de aanvrager om te bepalen welke
                                        significante gevolgen zijn lozing zal hebben op de kwaliteit
                                        van het ontvangend oppervlaktewater. In de praktijk zal een
                                        vergunningaanvrager naar verwachting niet in alle gevallen
                                        over deze informatie beschikken. De aanvrager zal zoveel
                                        mogelijk gegevens over de te lozen stoffen dienen aan te
                                        bieden. Dit betekent dat hij enerzijds in gegevens van
                                        ‘eigen’ stoffen zal dienen te voorzien en daarnaast bij
                                        leveranciers van gebruikte en te lozen stoffen er op aan zal
                                        moeten dringen deze informatie te leveren. Van belang is
                                        hierbij de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.
                                        Omvangrijke (industriële) inrichtingen kunnen zo nodig
                                        expertise inhuren om de vereiste gegevens te laten
                                        verzamelen. In het geval sprake is van een lozing met behulp
                                        van een werk dat op een ander werk is aangesloten zal de
                                        aanvrager eveneens moeten aantonen welk (zuiverings)effect
                                        dit heeft, inclusief de eventuele effecten van de lozing op
                                        de doelmatige werking van een zuiveringstechnisch werk. In
                                        dat geval is het echter in eerste instantie aan de beheerder
                                        van dat werk om zorg te dragen voor de doelmatige werking en
                                        daarvoor ook die gegevens te vragen dan wel eisen te stellen
                                        aan de lozing op dat werk, die daarvoor specifiek nodig
                                        zijn. Gegevens omtrent de capaciteit en de
                                        zuiveringsmogelijkheden van de zuiveringsinstallatie in
                                        beheer bij het hoogheemraadschap zullen door het
                                        hoogheemraadschap zelf worden verstrekt. </noot.al><noot.al>De niet-technische samenvatting is overgenomen uit
                                        artiel 7 j UVR en correspondeert met artikel 6 IPPC en dient
                                        om het publiek voldoende inzicht te verschaffen in de
                                        werking van een installatie teneinde zich een oordeel te
                                        kunnen vormen over de vergunningaanvraag en de gevolgen die
                                        een installatie voor het milieu zou kunnen
                                        hebben.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Vergunning op hoofdzaken</titel></kop><lid><lidnr/><al>Indien bedrijven als bedoeld in artikel 5 en 6 een vergunning op
                                hoofdzaken aanvragen worden naast de gegevens uit deze artikelen ten
                                minste de volgende gegevens verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_7_32_">Een beschrijving van de algemene
                                vergunningsituatie op dit moment alsmede de aanleiding/ motivatie
                                voor het vragen van een vergunning op hoofdzaken;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_7_33_">Een door de directie ondertekende
                                milieubeleidsverklaring;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_7_34_">Een beschrijving van het
                                milieuzorgsysteem alsmede de belangrijkste procedures van het
                                milieuzorgsysteem, de verdeling van taken en verantwoordelijkheden
                                en de relatie tussen het milieuzorgsysteem en de te verlenen
                                vergunning;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_7_35_">De opzet van het Bedrijfs Milieu Plan
                                (BMP) danwel een daarmee te vergelijken plan, de beschrijving van de
                                relatie tussen het plan en de vergunning en het milieuprogramma ter
                                uitvoering van het plan;</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_7_36_">Een bewijs van certificatie van het
                                bedrijfsmilieuzorgsysteem, verleend door een bij de Stichting
                                Coördinatie Certificering Milieuzorgsystemen aangesloten, door de
                                Raad van de Accreditatie erkende certificatie-instelling;</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_7_37_">Een afschrift van een milieujaarverslag
                                van het afgelopen jaar;</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_7_38_">Toekomstige ontwikkelingen die van
                                invloed zijn op milieuzorg, milieubelasting en milieuprestaties van
                                de inrichting.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d22456e469"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Een vergunning op hoofdzaken
                                        is een stijl van vergunningverlening, waarbij door het
                                        hoogheemraadschap aan de vergunninghouder een zo groot
                                        mogelijke flexibiliteit wordt gegeven binnen wettelijke en
                                        jurisprudentiële randvoorwaarden. In de vergunning op
                                        hoofdzaken worden alleen zekere doelen
                                        (resultaatsverplichtingen) vastgelegd. </noot.al><noot.al>Voor het verlenen van een vergunning op hoofdzaken is
                                        het op zich niet voldoende, indien is voldaan aan de
                                        voorwaarden gesteld in de artikelen 4, 5, 6 en 7 van deze
                                        verordening. Een risicovol bedrijf of een bedrijf dat een
                                        slecht nalevinggedrag vertoont zal niet in aanmerking komen
                                        voor een vergunning op hoofdzaken. Daarnaast dient een
                                        vergunning op hoofdzaken te voldoen aan eisen van
                                        handhaafbaarheid en openbaarheid. Aangezien de vergunning op
                                        hoofdzaken in vergelijking tot de meer traditionele
                                        vergunningen minder voorschriften bevat en deze
                                        voorschriften globaler van aard zijn, dient de aanvraag
                                        voldoende informatie te bevatten om de vergunningverlener en
                                        derden inzicht te kunnen verschaffen in het niveau van de
                                        milieuzorg binnen het bedrijf. Ten aanzien van het niveau
                                        van milieuzorgsysteem is de algemeen geaccepteerde norm ISO
                                        14001. </noot.al><noot.al>Om de beoogde flexibiliteit te waarborgen is het niet
                                        de bedoeling, dat de vergunningaanvraag in haar geheel deel
                                        uit gaat maken van de vergunning.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Lozing met werk waarop andere werken zijn aangesloten
                            </titel></kop><lid><lidnr/><al>Indien een aanvraag betrekking heeft op een lozing met een werk
                                waarop een of meerdere andere werken zijn aangesloten, worden naast
                                gegevens als bedoeld in artikel 4, 5 en 6 in ieder geval de volgende
                                gegevens verstrekt:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_8_39_">Een beschrijving van het
                                verzorgingsgebied, dat op het werk is aangesloten;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_8_40_">Voor zover de aanvraag betrekking heeft
                                op een rioolstelsel, de technische gegevens van dat rioolstelsel en
                                een rioleringstekening;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_8_41_">Voor zover de aanvraag betrekking heeft
                                op riooloverstorten, gegevens als bedoeld in het Model voor
                                vergunningverlening riooloverstorten van de Commissie Integraal
                                Waterbeheer. (onder voorbehoud van de definitieve versie van het
                                model) </al><al><noot id="d22456e505"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Dit artikel is overgenomen uit
                                        het UVR (artikel 7 derde lid) en heeft betrekking op een
                                        vergunningaanvraag voor het lozen met behulp van een werk
                                        waarop een of meer andere werken zijn aangesloten. Te denken
                                        valt hierbij aan lozingen vanuit bedrijfszuiveringswerken en
                                        bedrijfsrioleringsstelsels vanaf het bedrijventerrein, maar
                                        ook aan lozingen vanuit rioolwaterzuiveringsinstallaties,
                                        voorzieningen voor Individuele behandeling afvalwater
                                        (IBA’s) en (gemeentelijke) rioolwateroverstorten. Van een
                                        AMvB inrichting zijn reeds gegevens bekend. Het is daarom
                                        niet noodzakelijk deze gegevens nogmaals te vragen bij de
                                        eindlozer. </noot.al><noot.al>Een bedrijf dat loost en ook een aansluiting van het
                                        afvalwater van zijn buurman verzorgt, dient reeds op grond
                                        van de artikelen 4 en 5 inzicht te verschaffen in de
                                        gegevens die van belang zijn voor het verlenen van de
                                        vergunning. De eindlozer dient als het ware een aanvraag in
                                        voor de totale lozing (inclusief het afvalwater van zijn
                                        buurman) en verschaft dus gegevens over de totale
                                        afvalwaterstroom en de rioleringssituatie.</noot.al><noot.al>(Rioolwater)zuiveringinstallaties en overstorten </noot.al><noot.al>Op grond van het Lozingenbesluit Wvo stedelijk
                                        afvalwater wordt een aantal eisen gesteld aan het effluent
                                        van rioolwaterzuiveringsinrichtingen met een bepaalde
                                        verwerkingscapaciteit. Betreft het een aanvraag voor een
                                        lozing uit een rioolwaterzuiveringsinstallatie die onder
                                        bovengenoemd Lozingenbesluit valt dan moeten gegevens
                                        verstrekt worden ten aanzien van de maatregelen die worden
                                        getroffen om aan dat Lozingenbesluit te voldoen. Het bestuur
                                        heeft onder andere behoefte aan gegevens over het
                                        verzorgingsgebied van een rioolwaterzuiveringsinstallatie
                                        oftewel een indicatie van het achterland: om hoeveel en wat
                                        voor industrie en bedrijven gaat het en om hoeveel
                                        aangesloten huishoudens? Voorts is er behoefte om inzicht te
                                        hebben in de technische gegevens van het achterliggende
                                        rioolstelsel: hoeveel fluctuatie in afvoer is mogelijk,
                                        hoeveel afvoer wordt verwacht tijdens regenperioden en droge
                                        perioden, is er sprake van overstortingen? Voor regulering
                                        van lozingen vanuit rioolstelsels op deze
                                        rioolwaterzuiveringsinrichtingen is door de Unie een
                                        model-aansluitverordening en -vergunning opgesteld. Hierin
                                        worden aanwijzingen gegeven met betrekking tot de gegevens
                                        die moeten worden verstrekt bij de aanvraag van een
                                        aansluitvergunning. </noot.al><noot.al>Hoewel iedere overstort als zodanig vergunningplichtig
                                        is en voor iedere overstort gegevens als bedoeld in artikel
                                        4 en verder moeten worden geleverd, verschaft artikel 8 het
                                        bestuur inzicht in de lozingen die binnen het totale
                                        verzorgingsgebied met elkaar verband houden. Voor de
                                        aanvraag betrekking hebbende op een lozing met behulp van
                                        een rioolwateroverstort, regenwateroverstort of
                                        regenwateruitlaat van een rioolstelsel dat door de gemeente
                                        wordt beheerd, is in het ontwerp-CIW–rapport
                                        Wvo-vergunningverlening voor riooloverstorten (maart 2000)
                                        vastgelegd welke gegevens bij de aanvraag verstrekt moeten
                                        worden. Het betreft onder meer:</noot.al><noot.al>- een aanduiding van het type rioolstelsel, alsmede van
                                        de plaatsen waar rioolgemalen aanwezig zijn of zullen worden
                                        gebouwd, met vermelding van de bij droog weer en bij
                                        regenval per uur maximaal te verpompen hoeveelheid; </noot.al><noot.al>- een indicatie van de huidige en de te verwachten
                                        omvang van de afvalwaterproductie binnen het
                                        rioleringsgebied en de afzonderlijke onderdelen daarvan; </noot.al><noot.al>- een aanduiding van de plaats van de lozing op het
                                        oppervlaktewater met toelichtende tekening en een situatie-
                                        en constructietekening van de overstortputten
                                        overstorttelwerken en afvoerleidingen; </noot.al><noot.al>- een opgave van de op het rioleringsstelsel
                                        afwaterende verharde oppervlakte en berekeningen van het
                                        bergingsvermogen, alsmede een toelichting op de gehanteerde
                                        berekeningsmethoden; </noot.al><noot.al>- gegevens omtrent de wijze waarop overstortfrequentie,
                                        het overstortingsvolume en of de samenstelling van het water
                                        wordt gemeten en of gemonitoord, inclusief eventuele
                                        technische gegevens van instrumenten die daartoe worden
                                        gebruikt (inclusief randvoorzieningen); </noot.al><noot.al>- een overzicht van de documenten waarop de aanvraag is
                                        gebaseerd.</noot.al><noot.al>Andere waterzuiveringsinstallaties en overstorten </noot.al><noot.al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een lozing via
                                        een waterzuiveringsinstallaties in beheer bij een bedrijf of
                                        op riooloverstorten via een bedrijfsriolering (in
                                        particulier beheer), kan het bestuur een selectie maken uit
                                        bovengenoemde gegevens. </noot.al><noot.al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                        IBA-installatie worden naast de gegevens als bedoeld in
                                        artikel 4, gegevens verstrekt met betrekking tot de
                                        zuiveringscapaciteit en de maximale verwerkingscapaciteit
                                        van de voorziening. De aanvrager verstrekt tevens technische
                                        gegevens met betrekking tot de voorziening, voorzien van
                                        tekeningen, alsmede gegevens omtrent de wijze waarop het
                                        onderhoud en beheer van de voorziening is
                                        geregeld.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Aanvullende gegevens </titel></kop><al>Voor zover nadere gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag,
                            verstrekt de aanvrager op verzoek van het bestuur de nader gevraagde
                            gegevens naast de in deze verordening genoemde gegevens binnen de
                            daarbij gestelde termijn.</al><al><noot id="d22456e547"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De regeling is tevens te vinden in
                                    artikel 4:2 tweede lid en artikel 4:5 eerste lid van de Awb. Het
                                    vragen van extra informatie is met name relevant wanneer er een
                                    kans bestaat dat verontreinigende stoffen in een kwetsbaar water
                                    kunnen geraken. Naast de bevoegdheid om te bepalen dat
                                    aanvullende informatie nodig is voor de beoordeling van de
                                    aanvraag, kan het bestuur tevens bepalen dat minder informatie
                                    nodig is dan in de voorgaande artikelen is bepaald. Met name
                                    waar het gaat om kleine lozingen of lozingen met een geringe
                                    milieuschadelijkheid, kan de informatieplicht worden beperkt.
                                    Ook het feit dat gegevens al uit anderen hoofde bij het bestuur
                                    bekend zijn kan reden zijn de informatieplicht te beperken.
                                    Andere criteria voor het aanpassen van de informatieplicht zijn
                                    onder andere de mate van deskundigheid, professionaliteit van de
                                    lozer, de gegevens zijn veel gemakkelijker door een andere
                                    partij dan de lozer te achterhalen, de zeer hoge kosten van het
                                    uit te voeren onderzoek. Het vooroverleg is bij uitstek het
                                    kader waarin wordt bepaald welke, en in welke mate van detail
                                    gegevens moeten worden verstrekt. Tevens kan worden bepaald dat
                                    minder exemplaren van de aanvraag en aanvullende gegevens als
                                    bedoeld in artikel 10 van deze verordening, aan het bestuur
                                    worden verstrekt. Uitgangspunt is dat de aanvrager
                                    verantwoordelijk is voor de aanlevering van de gevraagde
                                    gegevens en dat het bestuur bepaalt in welke mate informatie
                                    moet worden verstrekt.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Aantal exemplaren</titel></kop><al>De vergunningsaanvraag, inclusief de bijlagen, dient in tienvoud te
                            worden ingediend. Indien sprake is van een gecoördineerde behandeling
                            van de aanvraag met een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wet
                            milieubeheer kunnen meerdere exemplaren (tot 15) nodig worden
                            geacht.</al><al><noot id="d22456e562"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>De aanvraag en de daarbij
                                    behorende stukken dienen in beginsel in tienvoud te worden
                                    ingediend. Naast een exemplaar voor de aanvrager en het archief
                                    van het Hoogheemraadschap zijn exemplaren benodigd voor de
                                    overige betrokken overheidsorganen en voor de terinzagelegging.
                                    Bij een gecoördineerde aanvraag van WVO-vergunning en een
                                    vergunning op basis van de Wet Milieubeheer kunnen er meerdere
                                    exemplaren nodig worden geacht.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Bijbehorende bijlagen</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen: </al><al>A Een opsomming van categorieën van bedrijven zoals bedoeld in het
                            Besluit houdende aanwijzing van soorten van inrichtingen als bedoeld in
                            de artikelen 1 tweede lid en 31 vierde lid Wvo (Stb. 1983, 577). </al><al>B Een opsomming van categorieën van bedrijven zoals bedoeld in de
                            Europese richtlijn 'Geïntegreerde Preventie en bestrijding van
                            Verontreiniging' (IPPC) (96/61/EG).</al><al><noot id="d22456e582"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Bijlage A bevat een opsomming van
                                    categorieën van bedrijven zoals bedoeld in de zogenaamde
                                    Inrichtingen-AmvB (Besluit van 4 november 1983, Stb. 577). Dit
                                    betreft bedrijven, die voor hun lozingen weliswaar zijn
                                    aangewezen op de gemeentelijke riolering, maar tevens
                                    vergunningplichtig zijn op basis van de Wet verontreiniging
                                    oppervlaktewateren. </noot.al><noot.al>In bijlage B staan aangegeven de bedrijven, die onder de
                                    IPPC-richtlijn vallen. Het kan voorkomen dat een bedrijf dat in
                                    deel B voorkomt, tevens valt onder de categorie A bedrijven, en
                                    op grond daarvan een vergunning nodig heeft voor lozingen op het
                                    gemeentelijk riool. ]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_12_42_">Deze verordening treedt in werking op
                                de achtste dag na de dag van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36498_0_0_12_43_">De Lozingsverordening Amstel- en
                                Gooiland (1987), welke is vastgesteld bij besluit d.d. 23 juni 1987
                                van het Algemeen bestuur van het Zuiveringsschap vervalt op 22
                                november 2001, met dien verstande dat deze van kracht blijft ten
                                aanzien van de jaren waarvoor zij heeft gegolden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: </al><al>'Verordening aanvraag om een vergunning op grond van de Wet
                            verontreiniging oppervlaktewateren'.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Memorie van toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>Deze verordening strekt ertoe vast te leggen welke gegevens dienen te worden
                    overgelegd aan het bestuur van het hoogheemraadschap bij een aanvraag tot
                    verlening, wijziging of intrekking van een vergunning op grond van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). Op grond van artikel 6 van de Wvo
                    kunnen Provinciale staten de bevoegdheid tot het verlenen, weigeren, wijzigen of
                    intrekken van een Wvo-vergunning geheel of gedeeltelijk overdragen, alsmede de
                    uitvoering en handhaving van die verordeningen opdragen aan de besturen van de
                    waterschappen. </al><al> In artikel 5 van de 'Verordening waterkwaliteitsbeheer Amstel, Gooi en Vecht'
                    is geregeld dat het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en
                    Vecht de bevoegde instantie is om een verordening vast te stellen met betrekking
                    tot het verlenen, weigeren, wijzigen of intrekken van Wvo-vergunningen. </al><al>Het vastleggen in een verordening, welke gegevens dienen te worden verstrekt bij
                    een aanvraag, is van belang voor het bepalen van de ontvankelijkheid van de
                    aanvraag en tevens uit oogpunt van rechtszekerheid. </al><al> Aanvragen dienen te worden ingediend conform een aanvraagformulier. Indien het
                    aanvraagformulier volledig is ingevuld en de aanvrager daarmee de op grond van
                    de onderhavige verordening verplichte gegevens heeft verstrekt, dient de
                    aanvrager in beginsel ontvankelijk te worden verklaard. Op grond van artikel 10
                    van onderstaande Lozingsverordening kan het bestuur echter aanvullende gegevens
                    verlangen.</al><al>Op basis van artikel 7 eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                    is de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure, zoals is neergelegd in
                    afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van toepassing met
                    betrekking tot de totstandkoming van een beschikking op een aanvraag om
                    verlening of wijziging van een lozingsvergunning als bedoeld in artikel 1,
                    eerste lid en vierde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Deze procedure
                    vangt aan met het indienen van een aanvraag. Titel 4.1 van de Algemene wet
                    bestuursrecht geeft een algemene regeling met betrekking tot de aanvraag.
                    Artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat onder aanvraag dient
                    te worden verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen. </al><al> Tevens zijn gedeelten uit hoofdstuk 8 en afdeling 13.2 van de Wet Milieubeheer
                    (Wm) van toepassing. </al><al> Op grond van de artikelen 8.28-8.35 van de Wet Milieubeheer en 7b-7e van de Wet
                    verontreiniging oppervlaktewateren bestaat er in sommige gevallen ten aanzien
                    van een Wm- en een Wvo-vergunning een coördinatieverplichting.</al><al>In de verordening is een driedeling aangebracht: algemene gegevens die bij elke
                    aanvraag worden verstrekt, specifieke gegevens die door een bedrijf moeten
                    worden verstrekt en specifieke gegevens die door een aangewezen categorie
                    bedrijven moet worden verstrekt. </al><al> De bepalingen uit de verordening werken cumulatief. Dit betekent dat
                    bijvoorbeeld een bedrijf, dat behoort tot een aangewezen categorie uit de
                    bijlage gegevens dient te leveren, conform de artikelen 4, 5 en 6 van de
                    verordening. </al><al>De vergunningaanvraag wordt beoordeeld in het licht van het recent emissiebeleid
                    zoals vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding. Publicaties van de
                    Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) geven nadere aanwijzingen hoe hiermee om
                    te gaan. De toelichting bij de artikelen 4,5 en 6 gaat hier verder op in. </al><al> Op grond van artikel 6 van de IPPC-richtlijn (richtlijn nr. 96/61/EG inzake
                    Geïntegreerde Preventie en bestrijding van Verontreiniging) dient de
                    vergunningaanvraag, bij een categorie aangewezen bedrijven, een beschrijving te
                    bevatten van de aard en omvang van de te voorziene emissies van de installatie
                    in elk milieucompartiment alsmede een overzicht van de significante
                    milieueffecten van de emissies. Tevens dient de vergunningaanvraag, op basis van
                    deze richtlijn, een niet-technische samenvatting te bevatten van de gegevens die
                    bij de aanvraag worden verstrekt. Dit laatste voorschrift dient om het publiek
                    voldoende inzicht te verschaffen in de werking van een installatie om zich een
                    oordeel te kunnen vormen over de vergunningaanvraag en de gevolgen die een
                    installatie en de bijbehorende lozing voor het milieu zou kunnen hebben.</al><al>Deze verordening is opgesteld aan de hand van de Modelverordening inzake de
                    gegevens die bij een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning op
                    grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren moeten worden verstrekt,
                    opgesteld door de Unie van Waterschappen. </al><al> Bij het opstellen van deze verordening is zoveel mogelijk rekening gehouden met
                    de ‘Wegwijzer Vergunning op hoofdzaken: vergunningverlening op maat’ van het
                    Ministerie van VROM (augustus 1999), het CIW-rapport ‘Emissie-immissie’ van juni
                    2000, het CIW-rapport ‘Algemene Beoordelingsmethodiek voor stoffen en
                    preparaten’ van mei 2000 en het CIW-model voor vergunningverlening
                    riooloverstorten van juni 2001. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>