<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271854_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Amstel, Gooi en Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekmedia, 08-10-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 120</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-10-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>AB 08/035</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur – waterschappen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening: 2-10-2008</al><al>Bron bekendmaking: Weekmedia, 08-10-2008</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi en Vecht 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Inhoud</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr/><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_1_1_"> kosten: de kosten van de kostendrager
                                watersysteembeheer, zoals opgenomen in de begroting van het
                                Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht, voor zover die gedekt
                                worden door middel van de watersysteemheffing; </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_1_2_"> AGV-gebied: het gebied dat is aangegeven
                                op Kaart nr. 1, bedoeld in artikel 3, lid 1 van het Reglement van
                                Bestuur, waarin het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht bevoegd
                                is om het watersysteembeheer uit te voeren; </al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_1_3_"> ingezetenen: degenen die blijkens de
                                gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij het begin van
                                het kalenderjaar woonplaats hebben in het AGV-gebied en die aldaar
                                het gebruik hebben van woonruimte, met dien verstande dat gebruik
                                van woonruimte door de leden van een gezamenlijke huishouding wordt
                                aangemerkt als gebruik door een door de in artikel 123, derde lid,
                                onderdeel b van de Waterschapswet bedoelde ambtenaar van het
                                waterschap aan te wijzen lid van dat huishouden; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_1_4_"> overig ongebouwd: degenen die krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde
                                onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn in het AGV-gebied;
                            </al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_1_5_"> natuurterreinen: degenen die krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht in het AGV-gebied het genot hebben
                                van natuurterreinen; </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_1_6_"> gebouwd: degenen die krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende
                                zaken in het AGV-gebied; </al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_1_7_"> woonruimte: een ruimte die blijkens zijn
                                inrichting bestemd is om als een afzonderlijk geheel te voorzien in
                                woongelegenheid en waarvan de delen blijkens de inrichting van die
                                ruimte niet bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden
                                gegeven. </al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_1_8_"> gebouwde onroerende zaken: gebouwde
                                onroerende zaken zijn gebouwde eigendommen met hun gebouwde en
                                ongebouwde aanhorigheden, daaronder begrepen de ondergrond van dat
                                eigendom en van de gebouwde aanhorigheden. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_2_9_"> De kosten voor het watersysteembeheer
                                worden als volgt toegedeeld: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H36472_0_0_2_9_1_"> 60% aan de ingezetenen; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H36472_0_0_2_9_2_"> 3,641% aan overig ongebouwd;
                                    </al></li><li nr="c."><al id="anker-H36472_0_0_2_9_3_"> 0,008% aan natuurterreinen;
                                    </al></li><li nr="d."><al id="anker-H36472_0_0_2_9_4_"> 36,351% aan gebouwd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_2_10_"> De waarde van de onroerende zaken
                                bedoeld in het vorige artikellid, onderdelen b, c en d, wordt
                                bepaald naar de waarde die de onroerende zaken op de waardepeildatum
                                hebben naar de staat en hoedanigheid waarin zij op die datum
                                verkeren. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_2_11_"> De waardepeildatum is 1 januari 2007.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Kosten van heffing en invordering </titel></kop><al>De kosten van heffing en invordering van de waterschapsbelastingen,
                            zoals opgenomen in de begroting van enig belastingjaar, worden in
                            afwijking van artikel 2 rechtstreeks toegerekend aan de betrokken
                            categorieën naar rato van de voor elk van de genoemde categorieën te
                            maken kosten. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Kostentoedelingsverordening
                            Amstel, Gooi en Vecht 2009".</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Overgangsregeling en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_5_12_"> De Kostentoedelingsverordening Amstel,
                                Gooi en Vecht 2009 treedt in werking en geldt met ingang van 1
                                januari 2009. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H36472_0_0_5_13_"> De ‘Kostentoedelingsverordening Amstel,
                                Gooi en Vecht 2005’, laatstelijk gewijzigd bij besluit van het
                                Algemeen Bestuur van 25 november 2004, wordt ingetrokken per 1
                                januari 2009, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>Algemeen </vet></al><al><vet>Inleiding</vet></al><al> Dit is de vierde Kostentoedelingsverordening van het Hoogheemraadschap Amstel,
                    Gooi en Vecht (AGV). </al><al> De eerste verordening werd van kracht op 1 januari 1997, bij het ontstaan van
                    AGV. Van de regelgevende provincies (in het geval van AGV Noord-Holland, Utrecht
                    en Zuid-Holland) konden provinciale staten in het Reglement van Bestuur
                    uitgangspunten vaststellen, die voor het waterschap leidend waren bij de
                    kosten-toedeling. Gebaseerd op deze uitgangspunten werd in de eerste
                    Kostentoedelingsverordening – zoals destijds bij vrijwel alle waterschappen
                    gebruikelijk was – de zogeheten methode-Oldambt gehanteerd. Deze methode keek
                    heel specifiek naar de verschillende behoeftes per gebied op het terrein van het
                    waterbeheer. Er werd per waterschapstaak een kostentoedeling bepaald, wat
                    resulteerde in een groot aantal verschillende tarieven. </al><al>De regelgevende provincies hebben in december 2000 hun uitgangspunten voor de
                    kostentoedeling gewijzigd en de bij de taken behorende gebieden (door het maken
                    van zogeheten takencombinaties) anders gedefinieerd. De tweede
                    Kostentoedelingsverordening is daarmee in overeenstemming gebracht, hetgeen
                    leidde tot het fors terugbrengen van het aantal verschillende tarieven. </al><al>In december 2004 zijn de uitgangspunten voor de kostentoedeling opnieuw
                    gewijzigd door de regelgevende provincies. Daarbij zijn de uitgangspunten voor
                    takencombinatie 2 in overeenstemming gebracht met die van takencombinatie 1. Dat
                    wil zeggen: het aandeel van de categorie ingezetenen wordt bepaald naar
                    aanleiding van de bevolkingsdichtheid in het gebied en dat van de categorieën
                    gebouwd en ongebouwd wordt bepaald op basis van de onderlinge
                    waardeverhoudingen. Hiermee werd de methode-Delfland geïntroduceerd. </al><al> Over de waterschapsbelastingen is vele jaren gediscussieerd in allerlei
                    verschillende gremia. Hoewel er vele commissies en andere fora actief zijn
                    geweest, moet in het bijzonder het Interdepartementaal Beleids Onderzoek worden
                    genoemd. Het eindrapport verscheen in februari 2004 en gaf een aantal
                    keuzemogelijk-heden. De vervolgens gemaakte keuzes culmineerden in de Wet
                    Modernisering Waterschapsbestel die op 14 juni 2007 in het Staatsblad verscheen
                    en van kracht werd op 1 januari 2008. Deze wet heeft op meerdere vlakken invloed
                    op de waterschappen, met name op het gebied van de taakstelling van het algemeen
                    bestuur, de verkiezingen en samenstelling van dit bestuur, de financiële
                    voorschriften en de belastingheffing. Dit laatste is in het licht van deze
                    verordening natuurlijk vooral van belang en deze invloed moet zijn beslag
                    krijgen per 1 januari 2009. </al><al>Kort samengevat betekent deze wet dat er niet langer onderscheid wordt gemaakt
                    tussen waterkwaliteitsbeheer en waterkwantiteitsbeheer, maar tussen
                    zuiveringsbeheer en watersysteembeheer. Er wordt met een integrale blik naar het
                    beheer van het oppervlaktewater gekeken. Daarbij is de doelstelling om te komen
                    tot een eenvoudiger en transparanter heffingenstelsel. Er wordt nog steeds een
                    tarief per taak berekend, maar er is nog slechts één taak: het
                    watersysteembeheer. Voor de bekostiging van deze taak wordt watersysteemheffing
                    opgelegd terwijl alleen het daadwerkelijke transporteren en zuiveren van
                    afvalwater wordt bekostigd uit de zuiveringsheffing. Wel wordt er voor directe
                    lozingen op het oppervlaktewater een verontreinigingsheffing geheven, die
                    gebaseerd blijft op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren totdat deze
                    vervangen wordt door de nieuwe Waterwet. De opbrengsten hiervan komen ten gunste
                    van het watersysteem; het restant van de kosten van het watersysteembeheer wordt
                    bekostigd uit de watersysteemheffing. </al><al> Dit leidt tot een aanzienlijk eenduidiger systeem. De voorschriften voor de
                    kostentoedeling zijn in de wet en in de bij de wet behorende algemene maatregel
                    van bestuur (het zogeheten Waterschapsbesluit) opgenomen en als zodanig kunnen
                    de provincies ze dus niet meer vaststellen. </al><al>Vanzelfsprekend moeten alle waterschappen voor de watersysteemheffing ook een
                    nieuwe Kostentoedelings-verordening vaststellen, gebaseerd op deze herziene
                    wetgeving. Voor AGV leidt dat tot deze vierde Kosten-toedelingsverordening. </al><al> De Kostentoedelingsverordening is de basis voor de Verordening
                    Watersysteemheffing en deze twee verordeningen samen maken het heffen van
                    watersysteemheffing mogelijk.</al><al><vet>1. Wettelijke basis </vet></al><al>In artikel 120, lid 1, van de Waterschapswet (Stb. 2007, 208) is bepaald
                    dat het algemeen bestuur van elk waterschap ten behoeve van de
                    watersysteemheffing een Kostentoedelingsverordening moet vaststellen. Hierin
                    wordt voor elk van de categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het
                    kostendeel opgenomen. </al><al> Het waterschap kan in deze Kostentoedelingsverordening bepalen dat de kosten
                    van heffing en invordering en/of de kosten van de verkiezing van de leden van
                    het algemeen bestuur rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken
                    categorieën van heffingplichtigen. Het algemeen bestuur van AGV heeft op 3 april
                    2008 besloten om dit toe te passen voor de kosten van heffing en invordering met
                    het oog op een billijke belastingheffing (zoals bedoeld door de wetgever toen
                    deze mogelijkheid in 1999 in de Waterschapwet werd opgenomen). </al><al> Het waterschap kan volgens artikel 122 van de Waterschapswet ook gebruik maken
                    van de mogelijkheid om </al><al> tarieven te differentiëren. Een eventuele tariefdifferentiatie moet in de
                    Kostentoedelingsverordening worden geregeld. </al><al> De Kostentoedelingsverordening moet door gedeputeerde staten van de
                    provincie(s) worden goedgekeurd en wordt ten minste eenmaal in de vijf jaren
                    herzien. </al><al><vet>2. Kostentoedelingsmethode Delfland wettelijk voorgeschreven</vet></al><al> In artikel 117 van de Waterschapswet is bepaald dat er vier categorieën
                    heffingsplichtigen voor de watersysteemheffing zijn: de ingezetenen; degenen die
                    “krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde
                    onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen” (overig ongebouwd); degenen die
                    “krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van
                    natuurterreinen” (natuurterreinen) en degenen die “krachtens eigendom, bezit of
                    beperkt recht het genot hebben van gebouwde onroerende zaken” (gebouwd). </al><al> De wijze waarop de kosten van de taakuitoefening aan de categorieën worden
                    toegedeeld, is wettelijk vastgelegd. In artikel 120, lid 2, wordt de toedeling
                    van het kostendeel aan de categorie ingezetenen bepaald aan de hand van de
                    gemiddelde inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het
                    waterschap. De toedeling </al><al> van kosten aan de overige drie categorieën (natuurterreinen, overig ongebouwd
                    en gebouwd) gebeurt volgens lid 4 van dit artikel aan de hand van de waarde van
                    de onroerende zaken in het economische verkeer. Deze wijze van kostentoedeling
                    staat bekend als de methode Delfland, die al door veel waterschappen, waaronder
                    AGV, werd toegepast. </al><al><vet>3. Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen </vet></al><al>De eerste stap in het toedelingsproces is de toedeling van kosten aan de
                    categorie ingezetenen. Dit gebeurt aan de hand van de gemiddelde
                    inwonerdichtheid per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De
                    toedeling is als volgt: </al><lijst><li nr="•"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van 500 of minder, bedraagt het
                            toedelingspercentage minimaal 20% en maximaal 30%; </al></li><li nr="•"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 500 maar niet meer dan
                            1000, bedraagt het toedelingspercentage minimaal 31% en maximaal 40%;
                        </al></li><li nr="•"><al>bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 1000, bedraagt het
                            toedelingspercentage minimaal 41% en maximaal 50%. </al></li></lijst><al>Het binnen de bandbreedtes bepalen van het exacte ingezetenenaandeel behoort tot
                    de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. </al><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan de zojuist genoemde maximale
                    kostentoedelingspercentages met 10% verhogen. Dit is via een amendement (TK
                    30601, nr. 18) in lid 3 van artikel 120 van de Waterschapswet geregeld. Uit de
                    wetsgeschiedenis blijkt dat verhoging in bijzondere omstandigheden kan
                    plaatsvinden. Als voorbeeld zijn daarbij twee situaties genoemd, te weten de
                    situatie waarin in het gebied van het waterschap een relatief groot aantal
                    natuurterreinen voorkomt en de situatie waarin in het gebied van het waterschap
                    sprake is van een zeer grote inwonerdichtheid. De wet zegt in geen van beide
                    gevallen wat hieronder moet worden verstaan. Er kan echter worden aangesloten
                    bij het objectief fiscaal criterium ‘in betekenende mate’. Dit staat voor 25% of
                    meer. Toepassing van dit criterium leidt er in bovenstaande voorbeelden dus toe
                    dat voor een eventuele ophoging van het ingezetenenaandeel kan worden gekozen
                    als 25% of meer van het gebied van het waterschap uit natuurterreinen bestaat of
                    als het gemiddelde inwoneraantal 1250 (125% x 1000 inwoners) of meer bedraagt. </al><al>Het verhogen van het maximale ingezetenenaandeel is geen verplichting, maar
                    behoort tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. Het criterium van 25%
                    of meer geeft echter een zekere denkrichting aan. De inwonerdichtheid in het
                    AGV-gebied ligt op 1700 per vierkante kilometer, ruim boven de eerder genoemde
                    1250. Dit is voor het algemeen bestuur van AGV aanleiding om de maximale
                    bestuurlijke vrijheid in deze te benutten en het percentage dat door de
                    ingezetenen moet worden opgebracht vast te stellen op 60%. </al><al>Aan deze keuze liggen ook andere overwegingen ten grondslag. Van oudsher lag er
                    bij de waterschappen een sterke nadruk op de specifieke belangen van degenen die
                    in de toenmalige omslagen betrokken werden. Dit is goed verklaarbaar uit de
                    ontstaansgeschiedenis van de waterschappen en de omslagen en was bovendien goed
                    verdedigbaar in een tijd waarin er vele kleine waterschapjes bestonden die zich
                    uitsluitend met het waterkwanti-teitsbeheer binnen hun beheersgebied bezig
                    hielden. Wat een waterschap deed was duidelijk en wie daar belang bij had was
                    dat ook. </al><al>In de loop van de 20e eeuw werd het steeds duidelijker dat een efficiënt
                    waterbeheer dat tegemoet kwam aan de moderne eisen en opvattingen op dit gebied
                    een behoorlijke schaalvergroting en modernisering vereiste. Vooral vanaf de
                    jaren zeventig is het aantal waterschappen dan ook in snel tempo afgenomen en de
                    omvang van de waterschappen even snel toegenomen. Deze ontwikkeling is nog
                    steeds gaande. Een andere ontwikkeling is die naar een taakverbreding van de
                    waterschappen. Niet alleen werd er steeds meer gekeken naar de samenhang tussen
                    waterkwantiteit en waterkwaliteit, resulterend in het onstaan van grote all-in
                    waterschappen, maar ook was er toenemende aandacht voor zaken als milieu,
                    stedelijk waterbeheer, samenwerking met andere overheden enz. Bij deze
                    ontwikkeling hoorde een toenemend besef dat er ook een groot algemeen belang is
                    bij een goede uitvoering van de taken door de waterschappen. Voor de inwoners
                    van het beheersgebied van een waterschap wordt dit belang gekenmerkt door de
                    mogelijkheid om te kunnen wonen, werken en recreëren in het gebied. Daarom werd
                    halverwege de jaren negentig de categorie ingezetenen als belastingcategorie
                    ingevoerd. </al><al>Binnen AGV heerst al geruime tijd de opvatting dat er nog prominentere aandacht
                    zou moeten zijn voor het algemeen belang bij het werk van het waterschap. Dit is
                    ook opgenomen in de Visie van AGV. De Wet Modernisering Waterschapsbestel komt
                    ten dele tegemoet aan deze opvatting. Binnen de watersysteemheffing wordt dit
                    uitgedrukt in een nadruk op de dragers van de algemene belangen, de
                    ingezetenen.</al><al>De toegenomen nadruk op het algemeen belang wordt ook weerspiegeld in het
                    toegenomen belang van het stedelijk waterbeheer. De activiteiten op het gebied
                    van stedelijk waterbeheer zijn nauwelijks terug te leiden tot specifieke
                    taakbelangen en moeten vooral in het algemeen belang geplaatst worden. Ook dit
                    hangt samen met de keuze voor een hoog percentage voor de ingezetenen. In het
                    AGV-gebied bevindt zich veel stedelijk gebied en dus is het belang van stedelijk
                    waterbeheer groot. </al><al><vet>4. Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke
                    categorieën</vet></al><al> Nu het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald op 60%,
                    worden de resterende 40% van de kosten van de uitoefening van de taak
                    watersysteembeheer aan de categorieën natuurterreinen, overig ongebouwd en
                    gebouwd toegedeeld. Deze toedeling vindt op basis van het bepaalde in artikel
                    120, lid 4 van de Waterschapswet, plaats op basis van de waarde van de
                    onroerende zaken in het economische verkeer. In het Waterschapsbesluit (Stb.
                    2007, 497) zijn met betrekking tot de waardebepaling nadere regels gesteld. De
                    onderlinge waardeverhouding tussen de categorieën is bepalend voor de
                    kostentoedeling.</al><al>De waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald naar de hoedanigheid en de
                    staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum. In artikel 6.10, lid 1, van
                    het Waterschapsbesluit is dit voor natuurterreinen en overig ongebouwd
                    uitdrukkelijk bepaald. Voor gebouwde onroerende zaken bevat het
                    Waterschapsbesluit een dergelijke expliciete regeling niet. Dit is ook niet
                    nodig, omdat voor de waardebepaling van deze categorie wordt aangesloten bij de
                    WOZ-gegevens en in de Wet WOZ al geldt dat de waarde naar de hoedanigheid en de
                    staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum moet worden bepaald. </al><al>In artikel 6.11, lid 1, van het Waterschapsbesluit is bepaald dat de
                    waardepeildatum maximaal twee jaar voor het begin van het eerste kalenderjaar
                    ligt waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft. Er moet nu dus een
                    keuze worden gemaakt tussen de waardepeildatum 1 januari 2007 en de
                    waardepeildatum 1 januari 2008. Uit praktische overwegingen is voor de
                    waardepeildatum 1 januari 2007 gekozen. Daarbij is rekening gehouden met het
                    feit dat de waardegegevens van gebouwde onroerende zaken via de
                    WOZ-gegevensleveringen van de gemeenten beschikbaar komen. Deze gegevens ijlen
                    één jaar na. De WOZ-waarden die naar de waardepeildatum 1 januari 2008 zijn
                    vastgesteld, komen met andere woorden in de eerste acht weken van 2009
                    beschikbaar. Dit is </al><al> met het oog op de vaststelling en goedkeuring van deze
                    Kostentoedelingsverordening te laat. Dit geldt ook voor de waardegegevens van
                    landbouwgronden die via de Dienst Landelijk Gebied van het ministerie van
                    Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit beschikbaar komen. De waardepeildatum ten
                    behoeve van de kostentoedeling is daarom vastgesteld op 1 januari 2007. </al><al>In het proces van kostentoedeling wordt geen rekening gehouden met wijzigingen
                    die zich in de staat of de hoedanigheid van de onroerende zaken hebben
                    voorgedaan of nog zullen voordoen tussen de waardepeildatum (in dit geval
                    1-1-2007) en het begin van het eerste belastingjaar waarop de
                    Kostentoedelingsverordening betrekking heeft (1-1-2009). Zo zullen bouwpercelen
                    die na de waardepeildatum zijn bebouwd, voor de kostentoedeling als ongebouwde
                    onroerende zaken worden aangemerkt en zal landbouwgrond die na de
                    waardepeildatum is omgevormd tot natuur of tot bouwgrond, nog wel als
                    landbouwgrond in de waardebepaling worden meegenomen.</al><al><vet>5. Natuurterreinen</vet></al><al> Natuurterreinen vormen voor de kostentoedeling en de belastingheffing een
                    nieuwe categorie. Volgens artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet is een
                    natuurterrein een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de inrichting en het
                    beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud en de
                    ontwikkeling van natuur. De feitelijke situatie (en niet de toekomstige situatie
                    of een situatie volgens het bestemmingsplan) bepaalt dus of sprake is van een
                    natuurterrein. Bossen, al dan niet bedrijfsmatig geëxploiteerd, en open wateren
                    worden bij wetsfictie mede als natuurterreinen aangemerkt. Voorwaarde is wel dat
                    deze objecten een oppervlakte van ten minste één hectare hebben. </al><al>Bij open wateren gaat het nadrukkelijk niet om vaarwegen, maar om open water met
                    een weids karakter. Het betreft in het beheersgebied van AGV vooral het
                    Plassengebied (b.v. Loosdrechtse-, Vinkeveensche en Ankeveensche Plassen en het
                    Naardermeer). Voor deze plassen gold tot en met 2008 een zogeheten omslagklasse,
                    waarvoor een lager tarief gold. Met de Wet Modernisering Waterschapsbestel is
                    echter ook het fenomeen ‘omslagklasse’ verdwenen en dus ook de
                    Omslagklassenverordening niet meer van toepassing. </al><al><vet>6. De watersysteemtaak</vet></al><al> De watersysteemtaak wordt in artikel 1, lid 2, van de Waterschapswet genoemd en
                    omvat de taken van het waterschap op het gebied van het waterkeringsbeheer, het
                    waterkwantiteitsbeheer en het kwaliteitsbeheer van oppervlaktewateren, voor
                    zover laatstgenoemde activiteiten niet vallen onder het transporteren en/of
                    behandelen van afvalwater. </al><al> De zorg voor het watersysteem is een samenhangende taak die het waterschap in
                    het gehele waterschapsgebied uitoefent. Onder het waterschapsgebied moet het
                    reglementaire gebied worden verstaan, de buitengrenzen van het waterschap
                    derhalve, inclusief eventuele buitendijkse gebieden. Omdat de watersysteemtaak
                    in het gehele waterschapsgebied wordt uitgeoefend, komen gebieden zonder enig
                    belang in de nieuwe situatie niet meer voor. Ook de situatie waarin
                    verschillende taakgebieden kunnen worden onderscheiden, behoort tot het
                    verleden.</al><al>Het bovenstaande betekent dat zogenaamde ‘overlappende’ gebieden, waarin
                    verschillende waterschappen verschillende taken hadden, niet meer voorkomen. Het
                    waterschap is immers integraal verantwoordelijk voor het gehele
                    watersysteembeheer binnen de grenzen van het waterschap. In het verleden kwamen
                    dergelijke situaties regelmatig voor, maar door de schaalvergroting en
                    taakverbreding van de waterschappen was dit grotendeels al tot het verleden gaan
                    behoren. Een notoire uitzondering hierop binnen het AGV-gebied was
                    Amsterdam-West (grofweg ten westen van de ringweg A 10), waar zowel
                    (kwantiteits)taken door AGV als door het hoogheemraad-schap van Rijnland werden
                    uitgevoerd. Een toepassing van het bovenstaande zou betekenen dat in dit gebied
                    aan beide waterschappen het volledige tarief voor de taak watersysteembeheer zou
                    moeten worden betaald, ofwel: men zou ‘dubbel’ moeten betalen. Deze situatie is
                    echter opgelost in het Reglement van Bestuur, dat voor beide waterschappen met
                    ingang van 1 april 2008 is gewijzigd: het gebied valt nu uitsluitend in het
                    AGV-gebied en ‘overlapt’ dus niet meer. Door middel van overgangsrecht is
                    bepaald dat dit voor de belastingen zijn beslag krijgt per 1 januari 2009.</al><al><vet>7. Relatie met de begroting van het waterschap</vet></al><al> In het traject van belastingheffing (kostentoedeling – tariefbepaling –
                    aanslagvervaardiging – heffing en invordering) zijn de kosten van de
                    watersysteemtaak van het waterschap bepalend. Deze kosten worden in de begroting
                    van AGV geraamd en in de jaarverslaggeving verantwoord. De kosten bepalen
                    uiteindelijk het bedrag dat aan belasting moet worden geheven. Om inzicht te
                    krijgen in de lasten voor de belastingplichtigen, vormt een specificatie van de
                    bedragen die uiteindelijk tot lasten van de belastingplichtigen leiden, een
                    apart onderdeel van de begroting (de begroting naar kostendragers). Een en ander
                    is in de nieuwe verslaggevingsvoorschriften van het Waterschapsbesluit
                    vastgelegd. Het gaat in deze verordening om de kostendrager watersysteembeheer. </al><al>Eveneens op grond van de nieuwe verslaggevingsvoorschriften wordt in de
                    begroting naar kostendragers voor iedere taak allereerst op basis van de
                    netto-kosten, het bedrag voor onvoorzien, de bedragen die voor kwijt-schelding
                    en oninbaar worden geraamd, verwachte dividenden en overige algemene opbrengsten
                    een saldo berekend, het resultaat. Daarna wordt aangegeven hoe het begrote
                    resultaat zal worden gedekt of bestemd, waarmee het bedrag ontstaat dat het
                    waterschap door middel van belastingheffing zal moeten ontvangen. Dit laatste
                    bedrag is voor de kostendrager watersysteemheffing het startpunt voor de
                    kostentoedeling. Vervolgens begint de werking van deze
                    Kostentoedelingsverordening, uiteraard met inbegrip van de rechtstreekse
                    toekenning van kosten voor heffing en invordering, vermeld in artikel 3.</al><al><vet>8. Tariefdifferentiatie</vet></al><al> In artikel 122 van de Waterschapswet wordt de mogelijkheid van
                    tariefdifferentiatie geboden. De wetgever heeft </al><al> nadrukkelijk aangegeven dat de waterschappen met betrekking tot de
                    tariefdifferentiatie een bestuurlijke vrijheid hebben. Het algemeen bestuur van
                    het waterschap is – anders dan bij de vroegere omslagklassen - met andere
                    woorden niet tot het differentiëren van tarieven verplicht (Memorie van
                    Toelichting, TK 30601, nr. 3, blz. 26). </al><al>Het uitgangspunt dat in artikel 121, lid 1, onderdelen b, c en d, van de
                    Waterschapswet is neergelegd, is dat het tarief van de belasting per
                    heffingsmaatstaf voor elke onderscheiden categorie gelijk is. De regeling van de
                    tariefdifferentiatie zou hierin verandering brengen. Indien voor het
                    differentiëren van tarieven zou worden gekozen, is binnen de betreffende
                    belastingcategorie geen sprake meer van een gelijk tarief, maar van tarieven die
                    naar gelang de situatie hoger of lager kunnen zijn vastgesteld. De situaties
                    waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, zijn limitatief in de wet genoemd. </al><al>Het algemeen bestuur van AGV heeft er voor gekozen om niet tot
                    tariefdifferentiatie over te gaan. Het uitgangspunt van de Wet Modernisering
                    Waterschapsbestel is vereenvoudiging van en transparantie in de
                    belastingheffing. AGV is hier ook nadrukkelijk voorstander van. Het ligt in dit
                    kader dan ook niet voor de hand om door middel van tariefdifferentiatie het
                    systeem ingewikkelder en ondoorzichtiger te maken. AGV blijft nadrukkelijk
                    streven naar eenvoud en transparantie en wenst daarvoor de maximale bestuurlijke
                    ruimte te gebruiken.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijs</titel></kop><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In artikel 1 zijn enkele begrippen, die in de verordening vaker voorkomen, nader
                    gedefinieerd. </al><al>In onderdeel a wordt een omschrijving van het begrip kosten gegeven. De kosten
                    die in de kostentoedeling een rol spelen zijn de netto-kosten die in de
                    begroting van het waterschap zijn opgenomen en die met behulp van de
                    watersysteemheffing worden gedekt. Kosten waarvoor dit niet geldt, worden niet
                    in de kostentoedeling watersysteembeheer betrokken. </al><al>In onderdeel b wordt het gebied van AGV omschreven als het gebied dat is
                    aangegeven op de bij het Reglement van Bestuur behorende kaart waarin het
                    waterschap bevoegd is de watersysteemtaak uit te voeren. Het gaat om de
                    buitenste grenzen van het waterschapsgebied. </al><al>In de onderdelen c tot en met f wordt een omschrijving gegeven van de
                    categorieën ingezetenen, overig ongebouwd, natuurterreinen en gebouwd. Dit zijn
                    de heffingplichtige categorieën. Voor de omschrijvingen is aangesloten bij
                    artikel 116, onder a en artikel 117 onder b t/m d van de Waterschapswet.</al><al>In onderdeel g wordt omschreven wat woonruimte is, wat van belang is voor het
                    bepalen van de categorie ingezetenen. De omschrijving komt overeen met de
                    omschrijving in artikel 116 onder b van de Waterschapswet.</al><al><vet>Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer </vet></al><al>In artikel 2 is aangegeven op welke wijze de kosten van de taakuitoefening over
                    de vier heffingplichtige categorieën worden verdeeld. Artikel 2 vormt daarmee
                    het kernartikel van de verordening. </al><al>De kostentoedeling gebeurt in twee stappen. In de eerste stap wordt het
                    kostenaandeel van de categorie ingezetenen bepaald en in de tweede stap worden
                    de resterende kosten van de taakuitoefening over de categorieën natuurterreinen,
                    overig ongebouwd en gebouwd verdeeld.</al><al><cursief>Stap 1 kostentoedelingsproces: Toedelen van kosten aan de categorie
                        ingezetenen.</cursief></al><al>De eerste stap in het kostentoedelingsproces is het toedelen van kosten aan de
                    categorie ingezetenen. Dit gebeurt op basis van de gemiddelde inwonerdichtheid
                    in het gebied van het waterschap. Voor het bepalen van de gemiddelde
                    inwonerdichtheid wordt uitgegaan van het totaal aantal inwoners zoals dat uit de
                    gegevens van het Bevolkingsregister blijkt en de totale oppervlakte (buitenste
                    grenzen) van het waterschapsgebied. </al><al>Op de bepaling van het kostenaandeel van de categorie ingezetenen is uitgebreid
                    ingegaan in het algemene deel van deze toelichting onder 3. Onder verwijzing
                    hiernaar kan gemeld worden dat het algemeen bestuur, met gebruikmaking van de
                    gegeven bestuurlijke ruimte, het kostenpercentage voor de ingezetenen heeft
                    vastgesteld op 60%.</al><al><cursief>Stap 2 kostentoedelingsproces: Toedelen van de resterende kosten aan de
                        specifieke categorieën</cursief></al><al>Nadat is bepaald welk aandeel in de kosten van het watersysteembeheer aan de
                    ingezetenen wordt toegedeeld, vindt in stap 2 de toedeling van de resterende
                    kosten van de taakuitoefening aan de categorieën natuurterreinen, overig
                    ongebouwd en gebouwd plaats. Dit gebeurt op basis van hun onderlinge
                    waardeverhouding. In verband hiermee moet de waarde in het economische verkeer
                    van deze categorieën worden bepaald. In het Waterschaps-besluit is aangegeven
                    hoe de waardebepaling dient te geschieden en welke regels daarbij gelden. </al><al><cursief>Waardebepaling categorie overig ongebouwd</cursief></al><al>Deze categorie valt in het kader van de kostentoedeling uiteen in vijf
                    ‘subcategorieën’ (groepen) van typen grondgebruik, te weten:</al><lijst><li nr="•"><al>Agrarische gronden;</al></li><li nr="•"><al>Openbare landwegen, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="•"><al>Banen voor openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken;</al></li><li nr="•"><al>Bouwpercelen </al></li><li nr="•"><al>Overige ongebouwde onroerende zaken. </al></li></lijst><al> Op grond van het Waterschapsbesluit is een onderverdeling in groepen
                    noodzakelijk, omdat tussen de groepen zowel de wijze van waardebepaling als de
                    waarde per hectare verschilt. Van elke groep moet de waarde worden bepaald. Dit
                    gebeurt globaal, wat in dit geval betekent dat het waterschap niet van elk
                    individueel object dat tot de betreffende groep behoort een exacte waarde hoeft
                    te bepalen, maar dat kan worden volstaan met het bepalen van de waarde van het
                    geheel van de onroerende zaken van de betreffende groep. Het product van de
                    opper-vlakte in hectares en de gemiddelde waarde per hectare vormt dan de waarde
                    van de betreffende subcategorie. De optelsom van de waarden van de
                    subcategorieën is de totale waarde van de categorie overig ongebouwd. </al><al><cursief>Waardebepaling ‘subcategorie’ agrarische gronden</cursief></al><al>Onder agrarische grond wordt volgens artikel 6.1, onder a, van het
                    Waterschapsbesluit verstaan de ten behoeve van de landbouw als bedoeld in
                    artikel 312 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, bedrijfsmatig geexploiteerde
                    cultuurgrond, voor zover deze niet de ondergrond vormen van gebouwde
                    eigendommen. De ondergrond van glasopstanden (kassen) behoort tezamen met de
                    glasopstand zelf tot een gebouwde onroerende zaak. Natte veenweidegebieden
                    behoren ook tot de categorie agrarische gronden. Bossen behoren er niet toe.
                    Bossen worden op grond van artikel 116, onder c, van de Waterschapswet immers
                    tot de categorie natuurterreinen gerekend. </al><al>De gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden wordt bepaald op
                    basis van of afgeleid uit verkooptransacties van deze gronden in het gebied van
                    het waterschap. In lid 2 van artikel 6.5 van het Waterschapsbesluit is
                    neergelegd dat de waarde wordt bepaald op de waarde die aan de gronden moet
                    worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
                    worden overgedragen en de gronden als agrarische gronden in gebruik zouden
                    blijven. Dit betekent dat transacties waarbij geen marktconforme prijs tot stand
                    is gekomen (dit kan bij transacties in de familiesfeer het geval zijn), niet in
                    de berekeningen mogen worden betrokken. Verder dient bij de waardebepaling van
                    gronden die zijn bezwaard met beperkte rechten of die worden verpacht, te worden
                    geabstraheerd van de waardedrukkende invloed die van deze feiten uitgaat. Uit de
                    toelichting bij het Waterschapsbesluit blijkt dat de onderzoeksgegevens van de
                    Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en
                    Voedselkwaliteit een goede basis voor de waardebepaling van agrarische gronden
                    ten behoeve van de kostentoedeling vormen. Deze dienst rapporteert jaarlijks aan
                    de Tweede Kamer over de gemiddelde prijzen van agrarische gronden en splitst dat
                    uit per regio. De gegevens van de DLG die van toepassing zijn op het AGV-gebied
                    zijn door AGV voor de waardebepaling gebruikt.</al><al><cursief>Waardebepaling ‘subcategorieën’ openbare landwegen en banen voor
                        openbaar vervoer per rail, inclusief kunstwerken</cursief></al><al>In feite is voor de kostentoedeling sprake van twee afzonderlijke
                    subcategorieën. Omdat de wijze waarop de waarde van deze subcategorieën moet
                    worden bepaald aan elkaar gelijk is, worden ze hier gezamenlijk besproken. </al><al>Bij de waardebepaling van openbare landwegen en banen voor openbaar vervoer per
                    rail worden behalve de landwegen en spoorbanen als zodanig ook
                    verkeersvoorzieningen en kunstwerken betrokken. Voorbeelden van kunstwerken zijn
                    bruggen, viaducten en tunnels. Bij verkeersvoorzieningen moet worden gedacht aan
                    grond die dienstbaar is aan het verkeer over de weg (grond die een bijdrage
                    levert aan de verkeerskundige functionaliteit van de weg), zoals tussenbermen,
                    geluidswerende voorzieningen, obstakelvrije zone’s, bermsloten, e.d. De
                    gemiddelde waarde per hectare wordt volgens het Waterschapsbesluit gesteld op de
                    vervangingswaarde. Dit is het bedrag dat met de herbouw van een identiek
                    vervangend object gepaard zou gaan, waarbij tevens rekening moet worden gehouden
                    met een correctiefactor voor technische en functionele veroudering. Om te
                    voorkomen dat de waterschappen van geval tot geval steeds zelf de component voor
                    de technische en functionele veroudering van de onroerende zaken zouden moeten
                    bepalen, heeft de wetgever de correctiefactor in het Waterschapsbesluit zelf
                    vastgelegd. Deze bedraagt 25%. </al><al>Om de waterschappen tegemoet te komen in het bepalen van de waarde van landwegen
                    en banen voor openbaar vervoer per rail heeft de Unie van Waterschappen door
                    Tauw een Taxatiewijzer laten ontwikkelen. Over deze Taxatiewijzer is aan de
                    Grontmij een ‘second opinion’ gevraagd en dit heeft tot een voor AGV kleine
                    correctie van de Taxatiewijzer geleid. De herziene Taxatiewijzer is door AGV
                    toegepast en vormt de grondslag van de waardebepaling voor de
                    kostentoedeling.</al><al><cursief>Waardebepaling ‘subcategorie’ bouwpercelen</cursief></al><al>Bouwpercelen zijn ongebouwde, al dan niet bouwrijp gemaakte percelen, waarop
                    gebouwd mag worden (artikel 6.1, onder b, Waterschapsbesluit). De gemiddelde
                    waarde per hectare wordt volgens artikel 6.7 van het Waterschapsbesluit bepaald
                    op basis van de waarden die voor de binnen het gebied van het waterschap gelegen
                    bouwpercelen op de voet van de Wet WOZ zijn vastgesteld. Deze gegevens zijn voor
                    AGV dan ook uit het eigen belasting-automatiseringssysteem gehaald. </al><al><cursief>Waardebepaling ‘subcategorie’ overige ongebouwde onroerende
                        zaken</cursief></al><al>De subcategorie overige ongebouwde onroerende zaken is een restcategorie waartoe
                    onder meer volkstuinen, begraafplaatsen, openbare parken en plantsoenen en
                    recreatie- en sportterreinen behoren, voor zover zij althans niet op grond van
                    artikel 118, lid 2, van de wet deel uitmaken van een gebouwd eigendom. De
                    gemiddelde waarde per hectare wordt volgens het Waterschapsbesluit gesteld op de
                    gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het gebied van het
                    waterschap. De wetgever heeft hier om redenen van eenvoud voor gekozen. Dit
                    blijkt uit de toelichting op artikel 6.8 van het Waterschapsbesluit. </al><al><cursief>Waardebepaling categorie natuurterreinen</cursief></al><al>De volgende categorie waarvoor in het kader van de kostentoedeling een waarde
                    moet worden vastgesteld, is de categorie natuurterreinen. Natuurterreinen zijn
                    in artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet gedefinieerd als ongebouwde
                    onroerende zaken waarvan de inrichting en het beheer geheel of nagenoeg geheel
                    en duurzaam zijn afgestemd op het behoud of de ontwikkeling van natuur. Tot de
                    categorie natuurterreinen worden daarom (voor zover van toepassing) bijvoorbeeld
                    heidevelden, moerassen, zandverstuivingen en duingebieden gerekend. Ook
                    (productie)bossen en open wateren met een oppervlakte van tenminste 1 hectare
                    behoren tot deze categorie. Bij open wateren moet, zo blijkt uit het
                    Waterschapsbesluit, worden gedacht aan vennen, meren, plassen en daarmee
                    vergelijkbare wateren met een open en weids karakter. In de regel zullen
                    stadsparken, plantsoenen, e.d. vanwege hun recreatieve functie niet als een
                    natuurgebied kunnen worden aangemerkt. De gemiddelde waarde per hectare van
                    natuurterreinen wordt op basis van het Waterschapsbesluit gesteld op 20% van de
                    gemiddelde waarde per hectare van de agrarische gronden in het gebied van het
                    waterschap. </al><al><cursief>Waardebepaling categorie gebouwde onroerende zaken</cursief></al><al>Voor het bepalen van de waarde van de gebouwde onroerende zaken moet worden
                    aangesloten bij de waarden, zoals die voor deze objecten in het kader van de Wet
                    WOZ door de gemeenten zijn vastgesteld. Wat onder een gebouwd object moet worden
                    verstaan, is in artikel 118, lid 1 en 2, van de Waterschapswet geregeld. Op
                    grond van deze regeling wordt een samenstel van ongebouwde en gebouwde
                    onroerende zaken als één gebouwde onroerende zaak aangemerkt. </al><al>Deze gegevens zijn dus bekend vanuit het reguliere belastingproces.</al><al><cursief>Waardepeildatum</cursief></al><al>Op de waardepeildatum is uitgebreid ingegaan in het algemene deel van deze
                    toelichting onder 4. Hier kan met een verwijzing daarnaar worden volstaan.</al><al><cursief>Drie decimalen</cursief></al><al>De kostentoedelingspercentages voor de categorieën natuurterreinen, overig
                    ongebouwd en gebouwd zijn bepaald op drie decimalen. Op zichzelf is dat
                    eigenlijk niet wenselijk, aangezien de kostentoedeling nood-zakelijkerwijze een
                    globaal karakter heeft. Er wordt immers niet op perceel- of objectniveau
                    gekeken, maar er wordt gekeken naar geaggregeerde grootheden. Dit globale
                    karakter is niet te herkennen in percentages bepaald op drie decimalen. Er is
                    echter wel een goede, praktische reden om hiervoor te kiezen. De
                    kostentoedelings-percentages zijn immers bepaald op grond van de waarde in het
                    economisch verkeer. De waarde van natuurterreinen is, zoals gezegd, in het
                    Waterschapsbesluit bepaald op 20% van de waarde van agrarische grond. De waarde
                    van de agrarische grond is weer vele malen lager dan de waarde van vooral wegen.
                    De waarde van overig ongebouwd blijkt in de praktijk voor het grootste deel
                    (meer dan 90%) bepaald te worden door de waarde van wegen en spoorwegen. Dit
                    leidt tot een dermate laag kostenaandeel voor de categorie natuurterreinen dat
                    weergave op 3 decimalen nodig is om dit percentage te kunnen bepalen. </al><al><vet>Artikel 3 Kosten van heffing en invordering </vet></al><al>Het waterschap kan ervoor kiezen om kosten van heffing en invordering van de
                    watersysteemheffing en kosten van de verkiezing van de leden van het algemeen
                    bestuur rechtstreeks aan de betrokken categorieën toe te rekenen, maar is
                    hiertoe niet verplicht. Het waterschap kan er ook voor kiezen om alleen de
                    kosten van heffing en invordering óf alleen verkiezingskosten rechtstreeks toe
                    te rekenen. Indien het waterschap voor rechtstreekse toerekening van kosten
                    kiest, moet deze methodiek integraal worden toegepast. Dit betekent dat dit
                    principe ten aanzien van alle categorieën ten behoeve waarvan de betreffende
                    kosten worden gemaakt, moet worden toegepast.</al><al>Bij kosten van heffing en invordering van de watersysteemheffing kan met name
                    worden gedacht aan kwijtscheldingskosten en kosten voor het verkrijgen van
                    WOZ-gegevens. Kwijtscheldingskosten hebben met name betrekking op de categorie
                    ingezetenen en WOZ-kosten op de categorie gebouwd. Met het oog op een billijke
                    belastingheffing heeft het algemeen bestuur van AGV op 3 april 2008 besloten om
                    deze kosten (maar niet de kosten voor de verkiezingen) rechtstreeks aan de
                    betrokken categorieën te (blijven) toewijzen. Een deel van de
                    kwijtscheldingskosten wordt overigens uiteraard ten laste van de
                    zuiveringsheffing gebracht. </al><al><vet>Artikel 4 Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel wordt de verordening voorzien van een citeertitel. Deze
                    verordening kan worden aangehaald als Kostentoedelingsverordening Amstel, Gooi
                    en Vecht 2009. </al><al><vet>Artikel 5 Overgangsgregeling en inwerkingtreding</vet></al><al>Lid 1</al><al>Deze Kostentoedelingsverordening wordt voor het eerst toegepast op het
                    belastingjaar dat op 1 januari 2009 aanvangt. </al><al>Lid 2 </al><al>Dit lid bepaalt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van het
                    belastingjaar dat aanvangt op </al><al> 1 januari 2009. De ingetrokken verordening blijft gelden voor de belastingjaren
                    die daaraan vooraf gingen.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>