<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr owms-version="3.5" cvdr-version="1.0" xp_0:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns:xp_0="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:xsi="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/"><meta><owmskern><dcterms:identifier>271747_11</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard houdende tarieven precario Verordening precariobelasting Schieland en de Krimpenerwaard 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-30</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:alternative>Verordening precariobelasting Schieland en de Krimpenerwaard 2006</dcterms:alternative><dcterms:license>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:license><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-11-30</dcterms:issued><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">art. 110 Waterschapswet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">art. 113 Waterschapswet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">art. 114 Waterschapswet</dcterms:source><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/wsb-2016-9923.html">Waterschapsblad 2016, 9923</dcterms:isFormatOf></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>bijlage 1</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2017.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><aanhef><preambule><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening precariobelasting Schieland en de Krimpenerwaard
                            2006</titel></kop><artikel><kop><titel>Belastbaar feit Artikel 1</titel></kop><al>Onder de naam precariobelas­ting wordt een directe belasting geheven
                            voor het hebben van voor­wer­pen on­der, op of boven de grond van het
                            hoogheemraadschap, voor de openbare dienst bestemd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Belastingplicht Artikel 2</titel></kop><al>De belasting wordt geheven van degene die één of meer voorwerpen heeft
                            onder, op of boven de grond van het hoogheemraadschap, voor de openbare
                            dienst bestemd, dan wel van degene te wiens behoeve voorwerpen onder, op
                            of boven de grond van het hoogheemraadschap, voor de openbare dienst
                            bestemd, worden aangetroffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Heffingsmaatstaf en tarief Artikel 3</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_3_1_"> De belasting wordt geheven naar de
                                maatstaven en de tarieven die zijn opgeno­men in de bij deze
                                verordening behorende tarieventabel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_3_2_"> Voor de berekening van de belasting
                                worden gedeelten van de in de tabel genoemde eenheden van
                                hoeveelheid en afmeting voor een geheel gerekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_3_3_"> Ingeval de belasting wordt geheven naar
                                de oppervlakte van een voor­werp geldt als maatstaf de oppervlakte
                                van de horizontale projectie van dat voorwerp.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Vrijstellingen Artikel 4</titel></kop><al>De precariobelasting wordt niet geheven: </al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H119546_0_0_4_4_"> voor het hebben van een voorwerp
                                waarvan het hoogheemraadschap genothebbende is krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht, met uitzonde­ring van voorwerpen die in
                                gebruik zijn bij een derde; </al></li><li nr="b."><al id="anker-H119546_0_0_4_5_"> voor het hebben van een voorwerp ter
                                zake waarvan door het hoogheemraadschap een retributie wordt geheven
                                dan wel op een andere basis een vergoeding is overeen­gekomen. </al></li><li nr="c."><al id="anker-H119546_0_0_4_6_"> straatmeubilair, waaronder wordt
                                begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen – niet zijnde gebouwen –
                                welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek,
                                ten dienste van het verkeer, of ter verfraaiing van een in het
                                taakgebied gelegen gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Belastingjaar Artikel 5</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><titel>Ontheffing Artikel 6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_6_7_"> De precariobelasting is verschuldigd
                                bij het begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de
                                aanvang van de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_6_8_"> Indien ter zake van een voorwerp de
                                heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt, is de
                                heffing verschul­digd voor zoveel 365e gedeel­ten van de voor dat
                                jaar verschul­digde belas­ting als er in dat jaar, na de aan­vang
                                van de hef­fingsplicht, nog vol­le dagen over­blij­ven. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_6_9_"> Indien ter zake van een voorwerp de
                                heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar ein­digt, bestaat
                                aanspraak op ont­hef­fing voor zoveel 365e gedeelten van de voor dat
                                jaar verschuldigde heffing als er in dat jaar, na het einde van de
                                hef­fingsplicht, nog volle dagen over­blijven. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_6_10_"> Indien de heffingsplicht eindigt na de
                                dagtekening van de aanslag, kan de heffingsplichtige een aanvraag
                                tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Wijze van heffing Artikel 7</titel></kop><al>De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Betalingstermijn Artikel 8</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_8_11_"> De aanslag bedoeld in artikel 1 is
                                invorderbaar twee maanden na de dagtekening van het
                                aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_8_12_"> In afwijking van het bepaalde in het
                                eerste lid kan de aanslag, indien deze het bedrag van € 5.000,00
                                niet te boven gaat, op verzoek van de belastingschuldige door middel
                                van automatische incasso worden ingevorderd in maximaal 10 gelijke
                                maandelijkse termijnen. De eerste termijn vervalt een maand na de
                                dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                                telkens een maand later. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_8_13_"> Het minimum termijnbedrag bij
                                automatische incasso bedraagt € 15,00.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Niet opleggen van aanslagen Artikel 9</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_9_14_"> Aanslagen van minder dan € 5,00 worden
                                niet opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_9_15_"> Voor de toepassing van het voorgaande
                                lid wordt het totaal van de op een aanslagbiljet verenigde aanslagen
                                aangemerkt als één aanslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Inwerkingtreding Artikel 10 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_10_16_"> Deze verordening treedt in werking op
                                de eerste dag na die van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_10_17_"> De datum van ingang van de heffing is
                                1 januari 2006.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_10_18_"> Met ingang van 1 januari 2006 wordt
                                de Verordening precariobelasting Schieland 1999, vastgesteld bij
                                besluit van 30 september 1998 en laatstelijk gewijzigd bij besluit
                                van 26 november 2003 ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H119546_0_0_10_19_"> De bij dit besluit gewijzigde
                                bepalingen blijven van toepassing op belastbare feiten die zich vóór
                                de in het tweede lid genoemde datum hebben voorgedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Citeertitel Artikel 11 </titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening precariobelasting
                            Schieland en de Krimpenerwaard 2006</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening precariobelasting Schieland en de
                                Krimpenerwaard 2006 </titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al><vet>Karakter</vet></al><al>Op grond van artikel 113, eerste lid, van de Waterschapswet is het
                            waterschap bevoegd om een precariobelasting te heffen voor het hebben
                            van voorwerpen onder, op of boven grond of water van het waterschap,
                            voor de openbare dienst bestemd. In het oorspronkelijke wetsvoorstel
                            voor de Waterschapswet was de precarioheffing nog opgenomen onder de
                            rechten die het waterschap kan heffen. Het begrip precario houdt echter
                            verband met het door het waterschap bij wijze van gunst laten gebruiken
                            van zijn in eigendom toebehorende grond. Daarbij kan in het algemeen
                            niet worden gesproken van dienstverlening door het waterschap. Bovendien
                            vloeien uit die gunst geen kosten voor het waterschap voort. Bij de
                            precarioheffing is daarom geen sprake van een publiekrechtelijke
                            vergoeding voor dienstverlening, maar staat de verwerving van inkomsten
                            centraal. De precariobelasting is dus een algemene belasting: de
                            opbrengst behoort tot de algemene middelen van het waterschap. </al><al><vet>Verhouding tot andere betalingen</vet></al><al>Thans komen in de praktijk wel betalingen voor in verband met het
                            gebruik van waterschapseigendommen die wat betreft hun karakter
                            overeenkomsten hebben met de precariobelasting. Gedacht kan worden aan
                            privaatrechtelijke betalingen zoals recognities, huur, (erf-)pacht en
                            publiekrechtelijke betalingen zoals gebruiksretributies. In de
                            verordening is een vrijstelling van de precariobelasting opgenomen voor
                            die gevallen waarin op andere wijze een vergoeding aan het waterschap
                            wordt betaald. Precario, retributies en recognities worden vaak in een
                            adem genoemd. Tegenover een retributie staan diensten van het waterschap
                            (bijv. sluis- en bruggelden). Recognities zijn jaarlijkse betalingen aan
                            het waterschap, meestal ter hoogte van een symbolisch bedrag, waarmee
                            het eigendom van het waterschap wordt erkend. Deze betaling voorkomt dat
                            de eigendom van grond van het waterschap door verjaring overgaat aan een
                            derde, en heeft dus een andere achtergrond dan de precariobelasting.
                            Precariobelasting is geen verplicht alternatief voor recognities. Met
                            het heffen van precariobelasting wordt overigens wel het zelfde effect
                            bereikt als met recognities. Het opleggen van een aanslag in de
                            precariobelasting leidt ertoe dat de belastingplichtige niet kan
                            veronderstellen dat de grond zijn eigendom is, zodat de eigendom ook
                            niet door verjaring op hem kan overgaan. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijs </titel></kop><al><vet>Artikel 1 Belastbaar feit </vet></al><al>Het belastbare feit is volgens artikel 114 Waterschapswet het hebben van
                            voorwerpen onder, op of boven grond of water van het waterschap, voor de
                            openbare dienst bestemd. Uit jurisprudentie blijkt dat dit moet worden
                            opgevat als grond of water in eigendom van het waterschap. In de
                            terminologie van het Nieuw BW is het strikt genomen niet meer
                            noodzakelijk de toevoeging 'of water' in de wettekst te hanteren. In de
                            vergelijkbare bepaling in de Gemeentewet is deze toevoeging ook
                            achterwege gelaten. Dit houdt verband met het feit dat er geen
                            afzonderlijk eigendom van water kan bestaan, omdat het water van niemand
                            is dan wel toebehoort aan de eigenaar van de grond onder het water (Boek
                            5, artikel 20 BW). Hoewel de huidige wettekst als voordeel heeft dat
                            daarmee wordt aangesloten op de fysieke gesteldheid van de objecten
                            zoals men die waarneemt, is er in de verordening voor gekozen de
                            toevoeging 'of water' achterwege te laten. Uit de tekst van de wet en de
                            jurisprudentie blijken vier voorwaarden waaraan cumulatief moet worden
                            voldaan, wil er sprake zijn van een belastbaar feit voor de heffing van
                            precariobelasting. </al><al>1. Er moet sprake zijn van het hebben van voorwerpen onder, op of boven
                            grond van het waterschap. Tot het begrip voorwerpen kan in dit kader
                            alles worden gerekend dat tot het begrip 'zaak' in de zin van het BW
                            behoort, of alle voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke
                            objecten. In de tarieventabel bij de verordening zijn de voorwerpen
                            opgesomd die onder de heffing van precariobelasting vallen. Er moet
                            sprake zijn van enige duurzaamheid waar het de aanwezigheid van de
                            voorwerpen betreft. </al><al>2. Het waterschap moet rechtens bevoegd zijn het hebben van de
                            voorwerpen te verbieden. Indien het hebben van voorwerpen moet worden
                            gedoogd, bijvoorbeeld op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht of
                            de Wet op de Telecommunicatievoorzieningen, is heffing van
                            precariobelasting niet mogelijk. Het feit dat er voor het waterschap de
                            bevoegdheid bestaat een vergunning of ontheffing ter zake van het
                            gebruik van de grond te verlenen staat aan de heffing van
                            precariobelasting niet in de weg. </al><al>3. De grond waaronder, op of boven voorwerpen zich bevinden moet voor de
                            openbare dienst bestemd zijn. Grond die eigendom is van het waterschap
                            is voor de openbare dienst bestemd indien die grond strekt tot algemeen
                            nut en indien in beginsel een ieder bij die grond belang kan hebben. De
                            planologische bestemming van de grond is niet relevant. Het gaat om de
                            feitelijke situatie. Openbare watergangen en vaarwegen zullen vrijwel
                            altijd zijn aan te merken als voor de openbare dienst bestemd. Deze
                            zaken strekken niet slechts tot nut van één of meer individuen, maar tot
                            nut van de gemeenschap. Waterkeringen zijn voor de openbare dienst
                            bestemd, nu ze strekken tot algemeen nut.</al><al>4. Het waterschap moet eigenaar zijn van de grond waaronder, op of boven
                            zich de voorwerpen bevinden. Bloot eigendom (bij erfpachtsituaties) of
                            onderhoud is niet voldoende. </al><al><vet>Artikel 2 Belastingplicht</vet></al><al>Artikel 114 Waterschapswet maakt een ruime omschrijving van de
                            belastingplichtige mogelijk. Door in artikel 2 te spreken over 'degene
                            die één of meer voorwerpen heeft dan wel te wiens behoeve de voorwerpen
                            worden aangetroffen' komt een ieder die enige beschikkingsmacht heeft
                            over het voorwerp in aanmerking als belastingplichtige. In een aantal
                            gevallen dient dus een keuze te worden gemaakt uit meer dan één
                            potentiële belastingplichtige. De ambtenaar belast met de heffing zal
                            hiervoor een beleidsregel voor het aanwijzen van belastingplichtigen
                            vaststellen.</al><al><vet>Artikel 3 Heffingsmaatstaf en tarief</vet></al><al>De voorwerpen ter zake waarvan precariobelasting wordt geheven en de
                            diversiteit van de daarbij behorende maatstaven zijn in een
                            afzonderlijke tarieventabel opgenomen. De heffingsmaatstaf is bij de
                            verschillende voorwerpen vermeld. Door middel van een berekening naar
                            tijdsevenredigheid (zie ook artikel 6 Ontheffing) wordt daarnaast ook
                            een relatie gelegd met de tijdsduur van het houden van de voorwerpen.
                            Omdat de precariobelasting geen retributie is, bestaat er ook geen
                            wettelijke beperking aan de opbrengst, en daarmee aan het tarief van de
                            belasting. Het tarief mag echter niet zodanig hoog zijn dat het gebruik
                            van grond feitelijk onmogelijk wordt gemaakt.</al><al><vet>Artikel 4 Vrijstellingen</vet></al><al>Uit doelmatigheidsoverwegingen zijn eigendommen van het waterschap
                            vrijgesteld, voorzover ze niet in gebruik zijn bij derden. </al><al>In onderdeel b is bepaald dat geen precariobelasting wordt geheven
                            indien reeds een privaatrechtelijke vergoeding voor het hebben van
                            voorwerpen is overeengekomen. Daarmee wordt twee maal betalen voor
                            hetzelfde feit voorkomen. In de toelichting op artikel 1 is reeds
                            aangegeven dat aan diverse voorwaarden moet zijn voldaan voordat
                            precariobelasting kan worden geheven. Situaties waarin niet kan worden
                            geheven zijn niet als vrijstelling geformuleerd. </al><al>In onderdeel c van de verordening is een vrijstelling opgenomen voor
                            straatmeubilair, zoals lantaarnpalen, lichtmasten, verkeersinstallaties,
                            abri's, hekken, palen, speeltoestellen, standbeelden, monumenten,
                            fonteinen en banken. Deze vrijstellingsbepaling is overgenomen uit de
                            Omslagenverordening. In de Omslagenverordening is deze weergegeven als
                            een „verplichte" vrijstelling voor gebouwde eigendommen die dus voor
                            alle waterschappen zou moeten gelden. Voorzover bekend is dit in de
                            praktijk ook het geval. Het is een logisch gevolg dat deze bepalingen op
                            dezelfde wijze worden gehanteerd in de verordening Precariobelasting. De
                            vrijstelling komt tevens in alle gemeentelijke verordeningen op de
                            onroerende-zaakbelastingen voor. De problemen die zich naar verwachting
                            in de aanslagoplegging bij straatmeubilair en voorzieningen in het kader
                            van de verkeersveiligheid en -regulering kunnen voordoen hebben geleid
                            tot het opnemen van deze vrijstellingsbepaling. Het opnemen van deze
                            vrijstelling is derhalve ingegeven door overwegingen van doelmatigheid. </al><al><vet>Artikel 5 Belastingjaar</vet></al><al>Bij waterschappen heeft de precariobelasting meestal betrekking op
                            voorwerpen die zich betrekkelijk duurzaam onder, op of boven grond van
                            het waterschap worden gehouden. Daarom is hier gekozen voor een heffing
                            per belastingjaar, waarbij het belastingjaar is gelijkgesteld met het
                            kalenderjaar. </al><al><vet>Artikel 6 Ontheffing</vet></al><al>Hoewel de precariobelasting een tijdvakheffing is, ontstaat de materiële
                            belastingschuld door de regeling in het eerste lid toch bij het begin
                            van het heffingsjaar. Dit heeft als voordeel dat reeds in het
                            heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering van de
                            belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het
                            heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet
                            zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het
                            heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld pas na
                            afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een aantal
                            uitspraken van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad van 2
                            november 1994 inzake precariorechten (BNB 1995/12, Belastingblad 1994,
                            blz. 819), Hof Amsterdam 15 december 1995 inzake liggeld woonschepen
                            (Belastingblad 1996, blz. 331) en Hof Amsterdam 29 maart 1996 inzake
                            verontreinigingsheffing. Uit deze jurisprudentie valt af te leiden dat
                            aan de heffingsverordening bepaalde eisen worden gesteld om een
                            definitieve aanslag reeds in het heffingsjaar zelf op te leggen (in
                            plaats van een voorlopige aanslag). Het gaat hierbij om:</al><al>- een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het
                            begin van het heffingsjaar te ontstaan (artikel 6, eerste lid);</al><al>- een regeling op grond waarvan ontheffing wordt verleend indien de
                            heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt. Deze tijdsevenredige
                            ontheffing is geregeld in artikel 6, derde lid.</al><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken, zou
                            een waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen kunnen
                            opleggen en deze laten volgen door definitieve aanslagen. Artikel 14 van
                            de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft hiertoe de bevoegdheid.
                            Bij de nu gekozen regeling kunnen direct definitieve aanslagen worden
                            opgelegd.</al><al>Het tweede en het derde lid hebben betrekking op het ontstaan en
                            eindigen van de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar. </al><al>Indien ter zake van een voorwerp de heffingsplicht in de loop van het
                            heffingsjaar ontstaat (als bijvoorbeeld een belastingplichtige gebruik
                            gaat maken van een brug), is de heffing verschul­digd voor zoveel 365e
                            gedeel­ten van de voor dat jaar verschul­digde belas­ting als er in dat
                            jaar, na de aan­vang van de hef­fingsplicht, nog vol­le dagen
                            over­blij­ven. Voor het eindigen van de heffingsplicht in de loop van
                            het jaar (bijvoorbeeld bij verhuizing) is een soortgelijke regeling
                            opgenomen. Indien ter zake van een voorwerp de heffingsplicht in de loop
                            van het heffingsjaar ein­digt, bestaat aanspraak op ont­hef­fing voor
                            zoveel 365e gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als er
                            in dat jaar, na het einde van de hef­fingsplicht, nog volle dagen
                            over­blijven. </al><al>In artikel 132 van de Waterschapswet is bepaald dat degene die ingevolge
                            de belasting-verordening aanspraak kan maken op onder andere ontheffing
                            hiervoor een aanvraag kan indienen. Ten aanzien van de ontheffing van de
                            belastingplicht sluiten de bepalingen in de precarioverordening hierbij
                            aan. </al><al><vet>Artikel 7 Wijze van heffing </vet></al><al>Er is gekozen voor de heffingswijze „heffing bij wege van aanslag". </al><al><vet>Artikel 8 Betalingstermijn </vet></al><al>Aanslagen moeten binnen twee maanden na de dagtekening zijn voldaan.
                            Indien de belastingschuldige een machtiging tot automatische incasso
                            heeft afgegeven en de aanslag, al dan niet gecombineerd met andere
                            aanslagen op één aanslagbiljet, het bedrag van € 5.000,00 niet te boven
                            gaat, kan hier van worden afgeweken. In dat geval wordt het bedrag in
                            maximaal 10 gelijke maandelijkse termijnen geïnd. De eerste termijn
                            vervalt een maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de
                            volgende termijnen telkens een maand later.</al><al>Het vierde lid voorkomt dat met automatische incasso relatief geringe
                            termijnbedragen ontstaan. Als voorbeeld geldt het volgende: De aanslag
                            bedraagt € 130,00; het aantal termijnen is tien en het minimum
                            termijnbedrag voor automatische incasso is € 15,00. Er kan in dit
                            voorbeeld in acht termijnen worden betaald. Acht termijnen van € 15,00
                            geeft in totaal € 120,00. De resterende € 10,00 wordt in acht gelijke
                            gedeelten van € 1,25 toegevoegd aan de acht termijnen van € 15,00.
                            Gedurende acht maanden wordt iedere maand € 16,25 ingevorderd. </al><al><vet>Artikel 9 Niet opleggen van aanslagen </vet></al><al>Artikel 9 bevordert een doelmatige berekening van de aanslag. De tekst
                            is afgeleid van artikel 122 Waterschapswet dat een vergelijkbare
                            bepaling voor de omslagen kent. Het eerste lid bevat de zogenaamde
                            aanslaggrens. Om redenen van doelmatigheid bestaat de behoefte om een
                            aanslag beneden een bepaald bedrag niet op te leggen vanwege de daarmee
                            gemoeide perceptiekosten. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid
                            de bedragen van de verschillende aanslagregels op een aanslagbiljet
                            worden opgeteld. Daarmee wordt voorkomen dat op één aanslagbiljet
                            verenigde aanslagen die ieder op zich onder de aanslaggrens blijven,
                            maar die tezamen de aanslaggrens te boven gaan, niet kunnen worden
                            opgelegd. </al><al><vet>Artikel 10 Inwerkingtreding </vet></al><al>In het eerste lid is de bekendmaking van de verordening geregeld. Omdat
                            een belastingverordening algemeen verbindende regels stelt, kan deze
                            niet in werking treden alvorens te zijn bekendgemaakt en ter inzage
                            gelegd. De wijze van bekendmaking en terinzagelegging is geregeld in
                            art. 73 van de Waterschapswet. Tevens is gebruik gemaakt van de
                            mogelijkheid die art. 74 van de Waterschapswet biedt om voor de
                            inwerkingtreding een kortere termijn te kiezen dan de aldaar genoemde
                            acht dagen. De inwerkingtreding is bepaald op de eerste dag na die van
                            de bekendmaking. </al><al>Het tweede lid regelt het tijdstip van de ingang van de heffing. Het
                            tijdstip van ingang van de heffing bepaalt op welk tijdstip de
                            belastingplicht aanvangt. Dit tijdstip dient te liggen na de datum
                            waarop de verordening door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.
                            Aangezien de belasting wordt geheven over kalenderjaren, wordt de datum
                            van ingang van de heffing gesteld op 1 januari van het eerste
                            belastingjaar. </al><al>Het derde lid regelt de intrekking van de bestaande verordening, waarbij
                            is bepaald dat de bestaande verordening wat betreft de heffing van
                            toepassing blijft op de belastbare feiten die zich hebben voorgedaan
                            voor het tijdstip van ingang van de heffing van de nieuwe verordening. </al><al><vet>Artikel 11 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel regelt de wijze waarop naar deze verordening kan worden
                            verwezen.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>Bijlage</label><nr>1</nr><titel>Tarieventabel per 1.1.2017 behorende bij de Verordening precariobelasting
                        Schieland en de Krimpenerwaard 2006 </titel></kop><al><plaatje><illustratie formaat="png" naam="1" type="foto" id="i283367"></illustratie></plaatje></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>