<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271721_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening behandeling bezwaarschriften waterschap Noorderzijlvest 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Noorderzijlvest</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-04-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Noorderzijlvest</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier=""> Dagblad van het Noorden en Leeuwarder
                Courant, 2006-07-26</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening behandeling bezwaarschriften waterschap Noorderzijlvest 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht, </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-07-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-07-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-03-27</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>recht – bezwaar en klachten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit:</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Onbekend.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING BEHANDELING BEZWAARSCHRIFTEN WATERSCHAP NOORDERZIJLVEST
                2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><structuurtekst><al>1. Inleiding</al><al>Met de inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) per 1
                            januari 1994 heeft een wijziging plaatsgevonden in het recht van aanzien
                            van de behandeling van bezwaar-schriften. De regelingen die voorheen
                            over een groot aantal administratiefrechtelijke wetten waren verspreid
                            zijn nu vervangen door een uniforme regeling in de Awb.</al><al>2. Externe adviescommissie</al><al>Een externe adviescommissie weerspiegelt het meest het tweeledig
                            karakter van de bezwaar-schriftenprocedure, namelijk enerzijds
                            zelfstandig rechtsmiddel, anderzijds een vorm van verlengde
                            besluitvorming. Door instelling van een externe commissie wordt recht
                            gedaan aan de daarmee samenhangende keuze voor distantie ten opzichte
                            van de oorspronkelijke besluit-vorming en aan de rechtszekerheid. Het
                            beginsel van de bezwaarschriftenprocedure dat het orgaan dat het
                            bestreden besluit heeft genomen na heroverweging een nieuw besluit dient
                            te nemen wordt daardoor niet aangetast. Ook blijkt dat door inschakeling
                            van een externe commissie de zeefwerking van de
                            bezwaarschriftenprocedure toeneemt. De belanghebbende voelt zich meer
                            serieus genomen als het bestuursorgaan zich eveneens ten opzichte van de
                            commissie dient te verantwoorden. </al><al>De formeel wettelijke grondslag voor het instellen van een
                            onafhankelijke adviescommissie voor de voorbereiding van de beslissing
                            op bezwaren is vervat in artikel 7:13 Awb.</al><al>Dit artikel bepaalt dat de commissie dient te bestaan uit een voorzitter
                            en ten minste twee leden; waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van
                            en niet werkzaam is onder verantwoorde-lijkheid van het bestuursorgaan.
                            De bepalingen over de samenstelling van de commissie kunnen verder
                            worden aangevuld, bijvoorbeeld door te bepalen dat de voorzitter of een
                            aantal leden van de commissie een bepaalde deskundigheid (juridisch,
                            technisch, financieel-economische) of een bepaalde hoedanigheid (lid van
                            een bepaalde organisatie of instantie) moeten bezitten.</al><al>3. De behandeling van bezwaarschriften</al><al>Om een volledig beeld te kunnen krijgen van de procedure die moet worden
                            gevolgd bij de behandeling van bezwaarschriften is het noodzakelijk om
                            de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te plaatsen. In
                            de artikelsgewijze toelichting wordt dan ook zoveel mogelijk verwezen
                            naar de bepalingen in de Awb die van belang zijn in de
                            behandelings-procedure. Het maken van bezwaar is het gebruik maken van
                            de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid,
                            voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuurs-orgaan dat het
                            besluit heeft genomen.</al><al>Bij de behandeling van bezwaarschriften is het bestuursorgaan verplicht
                            belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord (artikel
                            7:2 Awb). Voor een aantal besluiten wordt echter een uitzondering
                            gemaakt op de hoorplicht. De verordening regelt het horen niet
                            uit-puttend omdat de Awb zelf reeds een aantal bepalingen voor het horen
                            geeft (zie artikel 7:2, 7:9 en 7:13 Awb). Die bepalingen zijn deels
                            dwingend van aard, waarvan niet kan worden afgeweken. Deels ook betreft
                            het bepalingen die als hoofdregel gelden maar waarvan in bij-zondere
                            gevallen ook door lagere regelgevers zoals het algemeen bestuur van een
                            waterschap kan worden afgeweken.</al><al>4. Afronding van de procedure</al><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en
                            eindigt er in feite mee dat door de commissie schriftelijk advies wordt
                            uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                            beslissen. In artikel 7:11 van de Awb is bepaald dat indien het bezwaar
                            ontvankelijk is op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden
                            besluit dient plaats te vinden. Voor zover de heroverweging daartoe
                            aanleiding geeft herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en
                            neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit
                            nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                            (bestreden) besluit. Wat betreft de heroverweging wordt nog het volgende
                            opgemerkt. In de eerste plaats wordt er op gewezen dat deze ex nunc
                            dient plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening moet worden gehouden
                            met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De feiten en
                            omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen
                            zijn van belang. In de tweede plaats dient de heroverweging “op
                            grondslag van het bezwaar” te geschieden. Hieruit vloeit voort dat die
                            onderdelen van het besluit die geheel los van de aan-gevoerde bezwaren
                            staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het bestuursorgaan zal
                            daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar hun
                            strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting
                            blijkt dat deze bezwaren ondanks een beperkte om-schrijving in het
                            bezwaarschrift, ruimer bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten
                            worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling dat de positie van degene die het
                            bezwaarschrift heeft ingediend tijdens de bezwaarschriftenprocedure niet
                            mag verslechteren (reformatio in peius beginsel). Natuurlijk staat dit
                            er niet aan in de weg dat als een (derde-) belanghebbend bezwaar maakt
                            tegen bijvoorbeeld aan afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd
                            kunnen worden. Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en is
                            niet in strijd met genoemd beginsel.</al><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het
                            bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij
                            de bekendmaking wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien het
                            bestuursorgaan afwijkt van het advies van de commissie in de beslissing
                            de reden van die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing
                            aan belanghebbende wordt meegezonden. Tenslotte wordt verwezen naar
                            artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat indien beroep kan
                            worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan bij de
                            bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet
                            worden aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan
                            beroep kan worden ingesteld. De algemene regeling is dat tegen de
                            beslissing op het bezwaarschrift beroep kan worden ingesteld bij de
                            sector bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank.</al><al>5. Kostenvergoeding bestuurlijke voorprocedures:</al><al>Voor de vergoeding van kosten die een belanghebbende in verband met de
                            behandeling van zijn bezwaarschrift redelijkerwijs heeft moeten maken
                            bevat de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures een regeling. In het
                            Besluit proceskosten bestuursrecht op welke kosten een zodanige
                            vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben.</al><al>De commissie adviseert het bestuursorgaan mede omtrent het al dan niet
                            toekennen van eerdergenoemde kostenvergoeding.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Verordening</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Het Algemeen Bestuur van het waterschap Noorderzijlvest; </vet></al><al>Gelet op de Waterschapswet en de Algemene Wet Bestuursrecht;</al><al>Gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur d.d. 3 oktober 2006</al><al><vet>B E S LU I T:</vet></al><al>vast te stellen de <vet>Verordening behandeling bezwaarschriften
                                waterschap Noorderzijlvest 2006</vet></al></structuurtekst><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>–Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Algemene wet bestuursrecht (van 4 juni 1992 Stb
                                        1992, 315 en zoals sindsdien gewijzigd). </al></li><li nr="b."><al>bestuursorgaan: het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur,
                                        de voorzitter of een ander persoon of een ander college met
                                        enig openbaar</al><al>gezag bekleed, ieder voor zover hun bevoegdheid betreffende.
                                    </al></li><li nr="c."><al>commissie: een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de
                                        wet. </al></li><li nr="d."><al>voorzitter: de voorzitter zoals bedoeld in artikel 4 van
                                        deze verordening. </al></li><li nr="e."><al>secretaris: de secretaris zoals bedoeld in artikel 6 van
                                        deze verordening.</al></li></lijst><al><noot id="d9603e151"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> De verwijzing naar de Algemene wet bestuursrecht onder
                                        a. is zo uitgebreid geformuleerd om een zo eenduidig </noot.al><noot.al>mogelijk vertrekpunt te hebben, namelijk de tekst zoals
                                        deze in het Staatsblad 1992, 315 was opgenomen. In dit </noot.al><noot.al>verband zij ook verwezen naar aanwijzing 92 van de op 1
                                        januari 1993 in werking getreden aanwijzigingen voor </noot.al><noot.al>de regelgeving waarin wordt bepaald dat “indien een
                                        regeling verwijst naar normen die zijn vervat in een andere </noot.al><noot.al>Nederlandse publiekrechtelijke regeling, die verwijzing
                                        mede nadien in werking getreden verwijzigingen van die </noot.al><noot.al>regeling omvat, tenzij uitdrukkelijk anders is
                                        vermeld”. De Awb geeft in artikel 1:1 tot en met 1:5 een
                                        aantal </noot.al><noot.al>begripsomschrijvingen die binnen het gehele
                                        bestuursrecht van toepassing zijn. De daar omschreven
                                        begrippen </noot.al><noot.al>hoeven in de onderhavige verordening dan ook niet te
                                        worden beschreven. Het begrip “bestuursorgaan”, dat in </noot.al><noot.al>artikel 1:1, eerste lid Awb wordt omschreven, wordt in
                                        artikel 1, onder b van de verordening nader geconcretiseerd, </noot.al><noot.al>in die zin dat de bestuursorganen van het waterschap
                                        met name worden genoemd. Door op deze manier het </noot.al><noot.al>begrip bestuursorgaan in te vullen, kan de verordening
                                        altijd van toepassing worden geacht wanneer er sprake is </noot.al><noot.al>van een besluit welke genomen is door een
                                        bestuursorgaan van het waterschap in de zin van artikel 1,
                                        sub b en </noot.al><noot.al>tegen welk besluit bezwaar kan worden
                                        gemaakt.]</noot.al></noot></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Behandeling van bezwaren</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Commissie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Inleidende bepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Er is een commissie voor de voorbereiding van de beslissing
                                        op ingediende bezwaren, als bedoeld in artikel </al><al>1:5 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De commissie is niet bevoegd ten aanzien van
                                        bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond </al><al>van de Verordening op de heffing en de invordering van
                                        leges, de verordening op de waterschapsomslagen, </al><al>en de heffingsverordening van het waterschap.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e225"><noot.nr>2</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> In de algemene toelichting is de keuze voor
                                                het instellen van een adviescommissie nader
                                                ver(ant)woord. De </noot.al><noot.al>commissie wordt via deze inleidende bepaling
                                                als zodanig geïntroduceerd. </noot.al><noot.al> Artikel 1 sub c van deze verordening verwijst
                                                naar de commissie zoals de Awb die kent. </noot.al><noot.al> Het eerste lid verwijst naar artikel 1:5 Awb,
                                                waarin is omschreven wat onder het maken van bezwaar
                                                dient te worden </noot.al><noot.al>verstaan. Het tweede lid bepaalt dat de
                                                commissie niet bevoegd is te adviseren ten aanzien
                                                van de behandeling van </noot.al><noot.al>bezwaarschriften tegen belastingbesluiten op
                                                grond van belastingverordeningen. </noot.al><noot.al> Deze belastingverordeningen vloeien voort uit
                                                de Waterschapswet (artikel 113). Artikel 115, tweede
                                                lid </noot.al><noot.al>Waterschapswet stelt leges gelijk met
                                                waterschapsbelastingen voor de toepassing van de
                                                bepalingen inzake de </noot.al><noot.al>verordening (vaststelling, inhoud en
                                                goedkeuring) en voor de toepassing van hoofdstuk
                                                XVIII inzake de formele </noot.al><noot.al>bepalingen betreffende de heffing en de
                                                invordering. Hoewel het maken van bezwaar tegen
                                                belastingbesluiten </noot.al><noot.al>mogelijk is, adviseert de commissie niet op dit
                                                ingediende bezwaar. Het uitsluiten van de commissie
                                                ten aanzien van </noot.al><noot.al>ingediende bezwaren tegen de hierboven genoemde
                                                belastingbesluiten sluit aan bij de huidige
                                                praktijk. Hiervoor kunnen </noot.al><noot.al>verschillende redenen worden aangevoerd. </noot.al><noot.al> Ten eerste heeft een belastingbesluit
                                                (bijvoorbeeld een belastingaanslag) vaak een
                                                gebonden karakter. Het besluit </noot.al><noot.al>wordt ambtshalve gegeven op grond van een
                                                belastingverordening waarbij weinig ruimte is voor
                                                een belangenafweging. </noot.al><noot.al>Dit heeft ook gevolgen voor de inhoud van het
                                                advies die de commissie zou kunnen geven. Advisering
                                                door commissie </noot.al><noot.al>heeft in dit geval geen meerwaarde. </noot.al><noot.al> Ten tweede kent zowel de Invorderingswet als
                                                de Algemene wet inzake rijksbelastingen een eigen
                                                systematiek ten </noot.al><noot.al>aanzien van de besluitvorming en de
                                                rechtsbescherming. </noot.al><noot.al> Met name wat betreft de hoorplicht en de
                                                beslistermijn op het bezwaarschrift kennen de
                                                Invorderingswet en de </noot.al><noot.al>Algemene wet inzake de rijksbelastingen
                                                afwijkende bepalingen ten opzichte van de Awb. </noot.al><noot.al> Ten derde moet worden verwacht dat in verband
                                                met de massaliteit van de belastingbesluiten het
                                                aantal </noot.al><noot.al>bezwaarschriften waarover de commissie zou
                                                moeten adviseren onevenredig veel werkzaamheden met
                                                zich meebrengt. </noot.al><noot.al>Daar komt nog bij dat specifieke kennis op het
                                                gebied van het belastingrecht vereist is die niet
                                                bij alle commissieleden </noot.al><noot.al>aanwezig zal zijn.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Beslissing op bezwaren</titel></kop><al>Het bestuursorgaan beslist op de bij hem ingediende bezwaren en
                                    desverzocht op de kostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15
                                    van de wet, na advies van de commissie, tenzij het
                                    bestuursorgaan instemt met het verzoek van een bezwaarde om
                                    rechtstreeks beroep op de bestuursrechter toe te staan.</al><al><noot id="d9603e292"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al>Zie de algemene toelichting op deze
                                            verordening.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Samenstelling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De commissie bestaat uit twee leden en een voorzitter, die
                                        worden benoemd, geschorst en ontslagen door het </al><al>Dagelijks Bestuur van het waterschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_4_4_"> Het Dagelijks Bestuur benoemt
                                        overeenkomstig het eerste lid een genoegzaam aantal
                                        plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_4_5_"> Bij (tijdelijke) afwezigheid van
                                        de voorzitter treedt in zijn plaats het oudste lid in jaren
                                        van de commissie.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e326"><noot.nr>4</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> Het Dagelijks Bestuur benoemt de
                                                commissieleden. De commissie zal voornamelijk
                                                adviseren in een procedure </noot.al><noot.al>waarbij aan het bezwaar een besluit van het
                                                Dagelijks Bestuur ten grondslag ligt. Het ligt in de
                                                rede om de benoeming </noot.al><noot.al>van de leden van de commissie tot de
                                                “dagelijkse aangelegenheden van het waterschap” te
                                                rekenen zoals de </noot.al><noot.al>Waterschapswet deze in artikel 84, eerste lid
                                                omschrijft. In hoofdstuk 4 van het reglement van het
                                                waterschap worden de </noot.al><noot.al>bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur nader
                                                omschreven. </noot.al><noot.al> Gelet op de wettelijke termijnen en om de
                                                voortvarendheid van de procedure niet te belemmeren
                                                kan ingevolge lid 3 </noot.al><noot.al>de hoorzitting toch doorgang vinden ondanks
                                                (tijdelijke) afwezigheid van de voorzitter.
                                                ]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Zittingsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_5_6_"> De zittingsduur is vier jaar
                                        overeenkomende met de zittingsperiode van het Algemeen
                                        Bestuur van het waterschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De voorzitter en de leden van de commissie kunnen te allen
                                        tijde ontslag nemen door dit schriftelijk mee te delen </al><al>aan het waterschap.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de
                                        commissie blijven hun functie waarnemen tot in de </al><al>opvolging is voorzien.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e374"><noot.nr>5</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> Gelet op het feit dat de voorzitter en de
                                                leden worden benoemd door het Dagelijks Bestuur van
                                                het waterschap is </noot.al><noot.al>de zittingsduur van de commissie gekoppeld aan
                                                de zittingsduur van het Dagelijks Bestuur van de
                                                aangesloten </noot.al><noot.al>waterschappen. Om praktische redenen is voor
                                                deze opzet gekozen. Een lid kan overigens zelf het
                                                tijdstip van dat </noot.al><noot.al>ontslag bepalen. Het bepaalde in het tweede lid
                                                van het artikel is van orde.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Secretariaat</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het secretariaat van de adviescommissie wordt gevoerd door
                                        een door het Dagelijks Bestuur aangewezen </al><al>ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_5_10_"> Het Dagelijks Bestuur wijst
                                        tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris
                                        aan.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e409"><noot.nr>6</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> De secretaris is een ambtenaar die per
                                                waterschap is aangewezen om de adviescommissie
                                                ambtelijk te </noot.al><noot.al>ondersteunen gedurende de behandeling van het
                                                bezwaarschrift. </noot.al><noot.al> De secretaris is dan ook alleen bevoegd bij
                                                het waterschap dat hem heeft aangewezen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_6_11_"> De leden van de commissie
                                        ontvangen per uitgebracht advies een vergoeding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_6_12_"> De hoogte van deze vergoeding
                                        wordt vastgesteld door het Dagelijks Bestuur.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e440"><noot.nr>7</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al><cursief> lid 1:</cursief> Gekozen is voor een
                                                vergoeding per uitgebracht advies. Dit betekent dat
                                                aan de leden van de commissie </noot.al><noot.al>ook een vergoeding wordt toegekend indien door
                                                de commissie zou worden afgezien van het horen van </noot.al><noot.al>belanghebbenden, bijvoorbeeld omdat het
                                                bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is of
                                                belanghebbenden hebben </noot.al><noot.al>verklaard geen gebruik te willen maken van het
                                                recht te worden gehoord. Het waterschap waaraan het
                                                advies wordt </noot.al><noot.al>uitgebracht draagt zorg voor de verstrekking
                                                van de vergoeding. Voor het jaar 2006 is de
                                                vergoeding van de voorzitter </noot.al><noot.al>€ 120,-- per uitgebracht advies, en € 95,--
                                                voor de leden. </noot.al><noot.al><cursief> lid 2:</cursief> De vergoedingen
                                                komen ten laste van de waterschapsbegroting. Normaal
                                                gesproken is in de begroting een </noot.al><noot.al>post opgenomen die de vergoeding van onkosten
                                                regelt die verbonden zijn aan de werkzaamheden van
                                                een </noot.al><noot.al>bezwarencommissie. Aangezien het Dagelijks
                                                Bestuur is belast met de uitvoering van de begroting
                                                kan het zelf de </noot.al><noot.al>hoogte van de vergoedingen
                                                vaststellen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Procedure</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8 Ontvangst bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_7_13_"> Op het ingediende
                                        bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                        aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Aan het ingediende bezwaarschrift wordt zoveel mogelijk de
                                        bijgaande enveloppe met poststempel, waaruit </al><al>de datum van verzending blijkt, gehecht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het bestuursorgaan stelt het bezwaarschrift met de daarbij
                                        overgelegde stukken zo spoedig mogelijk in </al><al>handen van de commissie, tenzij er sprake is van een
                                        kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond </al><al>bezwaarschrift. In dat geval neemt het bestuursorgaan zonder
                                        tussenkomst van de commissie een beslissing </al><al>op het bezwaar.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e511"><noot.nr>8</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al><cursief> lid 1</cursief>: Artikel 6:14 Awb
                                                eist dat de ontvangst van een bezwaarschrift wordt
                                                bevestigd (per post of door overhandiging </noot.al><noot.al>van een ontvangstbevestiging). Het is
                                                verstandig om in de ontvangst-bevestiging te
                                                vermelden dat de indiener in de </noot.al><noot.al>gelegenheid zal worden gesteld te worden
                                                gehoord. Op grond van artikel 7:13, tweede lid Awb
                                                dient tevens in de </noot.al><noot.al>ontvangstbevestiging te worden vermeld dat de
                                                commissie over het bezwaar zal adviseren. De
                                                indiener wordt op deze </noot.al><noot.al>wijze in een vroeg stadium op de hoogte
                                                gebracht van de te volgen procedure. </noot.al><noot.al><cursief> lid 2:</cursief> Deze bepaling is
                                                gedienstig in verband met de juiste toepassing van
                                                de verzendtheorie als bedoeld in artikel </noot.al><noot.al>6:9 tweede lid van de Awb. Bezwaarschriften
                                                moeten binnen de bezwaren-termijn zijn gepost en
                                                binnen een week </noot.al><noot.al>na afloop van die termijn door het
                                                bestuursorgaan zijn ontvangen, wil het bezwaar
                                                ontvankelijk zijn. </noot.al><noot.al><cursief> lid 3</cursief>: Op het moment dat
                                                het bezwaarschrift in handen is gesteld van de
                                                commissie kan met de behandeling worden </noot.al><noot.al>begonnen. In verband met de beslistermijnen die
                                                de Awb stelt verdient het de voorkeur om ook
                                                daadwerkelijk uitvoering </noot.al><noot.al>te geven aan het gestelde in het tweede lid
                                                (“zo spoedig mogelijk”). Het bestuursorgaan kan
                                                ingevolge lid 3 in geval van </noot.al><noot.al>een kennelijk niet-ontvankelijk dan wel
                                                kennelijk ongegrond bezwaar terstond een beslissing
                                                op bezwaar geven. Dit </noot.al><noot.al>laatste komt de duidelijkheid en efficiëntie
                                                van de behandeling van het bezwaar ten goede omdat
                                                hierdoor op weinig </noot.al><noot.al>kansrijke bezwaren slagvaardiger en sneller kan
                                                worden beslist.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge artikel 2:1 tweede lid, 6:17, 7:4
                                    tweede lid en 7:6, vierde lid van de wet worden voor toepassing
                                    van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter.</al><al><noot id="d9603e561"><noot.nr>9</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> Ingevolgde artikel 7:13 beslist de commissie over
                                            de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, artikel 7:5
                                            tweede lid </noot.al><noot.al>en voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders
                                            is bepaald, van artikel 7:3 Awb. Gezien het imperatieve
                                            karakter van </noot.al><noot.al>deze bepaling is het niet mogelijk om deze
                                            bevoegdheden aan de voorzitter of een ander lid van de
                                            commissie op te </noot.al><noot.al>dragen. Dit geldt echter niet voor de overdracht
                                            van de onderhavige bevoegdheden, deze kunnen wel bij
                                            verordening </noot.al><noot.al>aan de voorzitter worden overgedragen. Aangezien
                                            bevoegdheden worden toegekend aan de commissie dan wel
                                            aan </noot.al><noot.al>de voorzitter (als lid van de commissie) ligt het
                                            niet in de rede om deze bevoegdheden toe te kennen aan
                                            de secretaris </noot.al><noot.al>van de commissie. </noot.al><noot.al> In de persoon van de voorzitter ligt een zekere
                                            waarborg, namelijk het vereiste van artikel 7:13 Awb dat
                                            de voorzitter </noot.al><noot.al>geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                                            verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. </noot.al><noot.al> De secretaris is juist wel werkzaam onder
                                            verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. </noot.al><noot.al> Artikel 9 van de verordening regelt de overdracht
                                            van de volgende bevoegdheden: </noot.al><noot.al>- 2:1, tweede lid Awb: De voorzitter kan een
                                            machtiging verlangen van een gemachtigde. Tevens kan de
                                            voorzitter </noot.al><noot.al>een schriftelijke machtiging verlangen van degene
                                            die het bestuursorgaan vertegenwoordigt. </noot.al><noot.al>- 6:17 Awb: Het verdient aanbeveling de op de zaak
                                            betrekking hebbende stukken niet alleen aan de
                                            gemachtigde </noot.al><noot.al>maar ook aan de indiener van het bezwaar toe te
                                            zenden. </noot.al><noot.al>- 7:4 tweede lid Awb: De terinzagelegging van het
                                            bezwaarschrift en de op de zaak betrekking hebbende
                                            stukken kan </noot.al><noot.al>geschieden ten kantore van het waterschapshuis. </noot.al><noot.al>- 7:6 vierde lid Awb: Het is aan de voorzitter om
                                            af te wegen of er inderdaad sprake is </noot.al><noot.al>van gewichtige redenen die rechtvaardigen dat
                                            belanghebbenden, wanneer zij afzonderlijk zijn gehoord,
                                            niet op de hoogte </noot.al><noot.al>worden gesteld van het verhandelde tijdens het
                                            horen buiten hun aanwezigheid.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Inlichtingen en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_9_16_"> De voorzitter kan ten behoeve
                                        van de voorbereiding van het advies rechtstreeks alle
                                        inlichtingen inwinnen of doen inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_9_17_"> De voorzitter kan uit eigen
                                        beweging of op verzoek van de commissie bij deskundigen
                                        advies inwinnen en dezen zonodig uitnodigen ter zitting te
                                        verschijnen. Indien daar-aan kosten zijn verbonden, is
                                        vooraf machtiging vereist van het Dagelijks Bestuur.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e627"><noot.nr>10</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> lid 1: De voorzitter draagt zorg voor een
                                                voldoende voorbereiding van de advisering over de
                                                beslissing op het bezwaar. </noot.al><noot.al>Hij krijgt de bevoegdheid om alle gewenste
                                                inlichtingen zowel in- als extern in te winnen, die
                                                nodig zijn voor de </noot.al><noot.al>beoordeling van het bezwaar. </noot.al><noot.al> lid 2: Indien advies wordt ingewonnen bij
                                                externe deskundigen kan dit kosten met zich mee
                                                brengen. Normaal </noot.al><noot.al>gesproken is in de begroting een post opgenomen
                                                die de vergoeding van onkosten regelt die verbonden
                                                zijn aan </noot.al><noot.al>de werkzaamheden van een bezwarencommissie. </noot.al><noot.al> Het bepaalde in het tweede lid ziet op
                                                bijzondere kosten waarvoor vaak geen voorziening is
                                                getroffen. Aangezien het </noot.al><noot.al>Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering
                                                van de begroting ligt het voor de hand dat deze
                                                kosten niet worden </noot.al><noot.al>gemaakt dan nadat het Dagelijks Bestuur in de
                                                gelegenheid is gesteld te beoordelen of deze
                                                uitgaven passen binnen </noot.al><noot.al>een begrotingspost.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Plaats en tijdstip hoorzitting</titel></kop><al>De voorzitter bepaalt tijd en plaats van de zitting, waarin de
                                    belanghebbende en het bestuursorgaan in de gelegenheid worden
                                    gesteld zich door de commissie te doen horen.</al><al><noot id="d9603e663"><noot.nr>11</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>toelichting </noot.al><noot.al>Zie de toelichting op artikel 12 van deze
                                            verordening.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 Uitnodiging zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De voorzitter deelt de belanghebbenden en het
                                        bestuursorgaan ten minste twee weken voor de zitting
                                        schriftelijk </al><al>mee dat zij in de gelegenheid worden gesteld zich te doen
                                        horen tijdens de zitting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien een belanghebbende of het bestuursorgaan wijziging
                                        wenst van het tijdstip van de zitting, dient zulks </al><al>binnen drie dagen na ontvangst van de in het eerste lid
                                        bedoel-de mededeling onder opgaaf van redenen te worden </al><al>verzocht aan de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De beslissing van de voorzitter, op een verzoek als bedoeld
                                        in het tweede lid, wordt zo spoedig mogelijk, doch </al><al>tenminste een week voor de zitting, schriftelijk aan de
                                        belang-hebbenden en het bestuursorgaan medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te
                                        wijken of afwijking toe te staan van de termijnen als </al><al>bedoeld in het eerste tot en met het derde lid van dit
                                        artikel.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e710"><noot.nr>12</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>toelichting </noot.al><noot.al><cursief> lid 1:</cursief> Voor het geval
                                                belanghebbende zich laat vertegenwoordigen bepaalt
                                                artikel 6:17 Awb dat het bestuursorgaan </noot.al><noot.al>de uitnodiging voor de hoorzitting ook aan de
                                                gemachtigde zendt. </noot.al><noot.al> Het is van belang, mede in verband met een
                                                zorgvuldige afweging van de bij het besluit
                                                betrokken belangen, dat </noot.al><noot.al>ook het bestuursorgaan ter zitting is
                                                vertegenwoordigd. De termijn van twee weken die ligt
                                                tussen de oproeping en </noot.al><noot.al>de zitting zelf is zodanig dat belanghebbenden
                                                en het bestuursorgaan zich behoorlijk op de zitting
                                                kunnen voorbereiden. </noot.al><noot.al><cursief> lid 2:</cursief> In deze bepaling is
                                                voorzien in de mogelijkheid om uitstel van de
                                                zitting te verzoeken. Een zodanig verzoek behoeft </noot.al><noot.al>niet altijd te worden gehonoreerd. In verband
                                                met de beslis-termijnen verdient het aanbeveling om
                                                zodanig verzoek </noot.al><noot.al>slechts eenmaal en voor een beperkte tijd in te
                                                willigen. </noot.al><noot.al><cursief> lid 3:</cursief> Op grond van deze
                                                bepaling worden betrokkenen tijdig op de hoogte
                                                gesteld van de beslissing op het verzoek </noot.al><noot.al>om uitstel. </noot.al><noot.al><cursief> lid 4:</cursief> Er kunnen zich
                                                omstandigheden voordoen die tot gevolg hebben dat de
                                                termijnen als bedoeld in het eerste tot </noot.al><noot.al>en met het derde lid van dit artikel niet
                                                gehandhaafd kunnen worden. Het bepaalde in dit lid
                                                betreft een zogenaamde </noot.al><noot.al>hardheidsclausule zodat overschrijding van deze
                                                termijnen niet fataal hoeft te zijn en
                                                belanghebbenden niet in hun </noot.al><noot.al>belangen worden geschaad.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Het horen</titel></kop><al>De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter dan wel
                                    een lid van de commissie.</al><al><noot id="d9603e762"><noot.nr>13</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>toelichting </noot.al><noot.al> Ingevolge artikel 7:13 lid 3 van de wet kan de
                                            commissie het horen opdragen aan de voorzitter, of een
                                            lid dat </noot.al><noot.al>geen deel uitmaakt van, en niet werkzaam is onder
                                            de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Dit
                                            artikel </noot.al><noot.al>verhoogt - met name bij minder complexe bezwaren –
                                            de efficiëntie van de advisering. De voorzitter brengt
                                            zijn </noot.al><noot.al>bevindingen van de hoorzitting ter kennis van de
                                            overige leden, waarna de uiteindelijk advisering zal
                                            plaatsvinden </noot.al><noot.al>door de voltallige commissie.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Vooringenomenheid of persoonlijk belang bij de
                                        beslissing</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan
                                    de voorbereiding van en de beraadslaging over het </al><al>advies inzake de beslissing op het bezwaar, indien er sprake is
                                    van vooringenomenheid of persoonlijk belang bij de </al><al>beslissing.</al><al><noot id="d9603e791"><noot.nr>14</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>toelichting </noot.al><noot.al> Een dergelijke bepaling is ook neergelegd voor het
                                            bestuursorgaan en de daarvoor werkzame personen in
                                            artikel </noot.al><noot.al>2:4 Awb. In dit artikel van de verordening wordt
                                            echter de onpartijdigheid van de leden van de
                                            adviescommissie </noot.al><noot.al>voorgeschreven. Het is aan de leden van de
                                            advies-commissie zelf om dit te beoordelen per concreet
                                            bestreden </noot.al><noot.al>besluit.]</noot.al></noot></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Openbaarheid van zitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_14_22_"> De zitting is openbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_14_23_"> De deuren worden gesloten
                                        indien de voorzitter of een van de aanwezige leden dat nodig
                                        oordeelt of indien een belanghebbende of het bestuursorgaan
                                        daartoe verzoekt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_14_24_"> Indien de commissie vervolgens
                                        beslist dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen
                                        de openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de zitting
                                        plaats met gesloten deuren.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e829"><noot.nr>15</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> Ingevolgde artikel 7:5 tweede lid Awb besluit
                                                het bestuursorgaan, voor zover niet bij wettelijk
                                                voorschrift anders </noot.al><noot.al>is bepaald, of het horen in het openbaar
                                                plaatsvindt. De Awb schrijft niet voor dat de
                                                hoorzitting bij een </noot.al><noot.al>bezwaarschriftenprocedure openbaar moet zijn.
                                                In artikel 7:13 vierde lid Awb wordt de bevoegdheid
                                                om te beslissen </noot.al><noot.al>over het wel of niet horen in het open-baar aan
                                                de adviescommissie toegekend. In de onderhavige </noot.al><noot.al>verordeningsbepaling is vastgelegd dat de
                                                zitting, het horen, in principe in het openbaar
                                                plaatsvindt. Uitzondering op </noot.al><noot.al>deze regel blijft mogelijk bijvoorbeeld in het
                                                geval dat bijzonder persoonlijke zaken van
                                                familiaire, medische of financiële </noot.al><noot.al>aard dan wel andere zaken met een vertrouwelijk
                                                karakter aan de orde komen. Belanghebbenden of
                                                vertegenwoordigers </noot.al><noot.al>van het bestuursorgaan kunnen een verzoek
                                                indienen de zitting met gesloten deuren voort te
                                                zetten. Aan dit verzoek wordt </noot.al><noot.al>eerst gevolg gegeven nadat met gesloten deuren
                                                is beslist of aan het verzoek kan worden voldaan. </noot.al><noot.al> De zitting dient te worden onderscheiden van
                                                de beraadslaging van de commissie, die ingevolge
                                                artikel 18 van de </noot.al><noot.al>verordening met gesloten deuren plaats
                                                heeft.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Schriftelijke vastlegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de wet vermeldt
                                        de datum, de tijd en de plaats van de hoorzitting </al><al>alsmede de namen van de aanwezigen, met daarbij een
                                        vermelding van hun hoedanigheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het verslag houdt een korte vermelding in van al hetgeen
                                        over en weer is gezegd en overigens ter zitting </al><al>voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten
                                        deuren plaatsvond of indien belanghebbenden respectievelijk </al><al>hun gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn
                                        gehoord, wordt dit in het verslag vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_15_28_"> Het verslag verwijst naar de
                                        ter zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag
                                        worden gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_15_29_"> Het verslag wordt ondertekend
                                        door de voorzitter en de secretaris van de commissie</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_15_30_"> De voorzitter kan de
                                        secretaris zo nodig (mondeling) mandateren het verslag
                                        namens hem te ondertekenen. </al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e903"><noot.nr>16</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>toelichting </noot.al><noot.al> Artikel 7:7 Awb eist zeer kort en bondig dat
                                                van het horen een verslag wordt gemaakt. De wijze
                                                waarop en de </noot.al><noot.al>inhoudelijke vereisten aan het verslag worden
                                                niet door de Awb geregeld. Het bepaalde in het
                                                eerste lid hoeft niet zo ver te </noot.al><noot.al>strekken dat van al het aanwezige publiek naam
                                                en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het
                                                verslag duidelijk moeten </noot.al><noot.al>blijken wie namens welke partij aanwezig was en
                                                wat door hen naar voren is gebracht. In met name
                                                spoed-eisende gevallen </noot.al><noot.al>kan de voorzitter de secretaris mandateren om
                                                namens hem het verslag te ondertekenen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Nader onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien na afloop van de zitting maar voor het uitbrengen
                                        van het advies, een nader onderzoek wenselijk is, kan de </al><al>voorzitter uit eigen beweging of op verzoek van de commissie
                                        dit onderzoek houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_16_32_"> De uit nader onderzoek
                                        verkregen informatie wordt in afschrift toegezonden aan de
                                        leden van de commissie, het bestuursorgaan en de
                                        belanghebbenden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De leden van de commissie, het bestuursorgaan en de
                                        belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending </al><al>van de in het tweede lid bedoelde nadere informatie aan de
                                        voorzitter een verzoek richten tot het beleggen van een </al><al>nieuwe hoorzitting. </al><al>De voorzitter beslist omtrent een dergelijk verzoek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Op een nieuwe hoorzitting, als bedoeld in het derde lid,
                                        zijn de bepalingen in deze verordening, die betrekking </al><al>hebben op de hoorzitting zoveel mogelijk van
                                        overeen-komstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e958"><noot.nr>17</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al> Een nader onderzoek kan feiten of
                                                omstandigheden aan het licht brengen die op het
                                                moment van de zitting nog niet </noot.al><noot.al>bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                                                belanghebbenden en het bestuursorgaan opnieuw te
                                                horen. De onderhavige </noot.al><noot.al>bepaling voorziet in de mogelijkheid dat
                                                belanghebbenden, bestuursorgaan of de andere
                                                commissieleden de voorzitter </noot.al><noot.al>kunnen ver-zoeken daartoe een nieuwe zitting te
                                                houden. Vervolgens is het aan de commissie om dit
                                                verzoek in te willigen. </noot.al><noot.al>Artikel 7:9 Awb bepaalt dat indien het feiten
                                                of omstandigheden betreft die voor de op het bezwaar
                                                te nemen beslissing van </noot.al><noot.al>aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan
                                                belanghebbenden wordt meegedeeld en zij opnieuw in
                                                de gelegenheid worden </noot.al><noot.al>gesteld te worden gehoord.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Raadkamer en advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De commissie beraadslaagt en beslist met gesloten deuren
                                        over het door haar aan het bestuursorgaan uit te </al><al>brengen advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het
                                        uit te brengen advies. Indien bij een stemming de </al><al>stemmen staken dan beslist de stem van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_17_37_"> Van een minderheidsstandpunt
                                        wordt bij het advies melding gemaakt, indien die minderheid
                                        dat verlangt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel aan het
                                        bestuursorgaan voor de te nemen beslissing op het </al><al>bezwaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_17_39_"> Het advies wordt ondertekend
                                        door de voorzitter en de secretaris van de commissie.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_17_40_"> De voorzitter kan de
                                        secretaris zo nodig (mondeling) mandateren het advies namens
                                        hem te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e1024"><noot.nr>18</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>Toelichting </noot.al><noot.al>In tegenstelling tot de hoorzitting, die in
                                                beginsel openbaar is, vindt de hier bedoelde
                                                beraad-slaging altijd plaats met </noot.al><noot.al>gesloten deuren. In het tweede lid is bepaald
                                                dat de stem van de voorzitter beslissend is bij het
                                                staken van de stemmen. </noot.al><noot.al>Dit kan zich namelijk voordoen voor die
                                                gevallen waarin het vergaderquorum wel aanwezig is
                                                (de voorzitter en een lid) en </noot.al><noot.al>de stemmen staken. Ook is het mogelijk dat bij
                                                een voltallige commissie een van de leden zich van
                                                stemming onthoudt. In </noot.al><noot.al>met name spoedeisende gevallen kan de
                                                voorzitter de secretaris mandateren om namens hem
                                                het advies te </noot.al><noot.al>ondertekenen.]</noot.al></noot></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Verdaging van de beslissing</titel></kop><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter de termijn, zoals
                                    bedoeld in het artikel 7:10 eerste lid van de wet, ontoereikend </al><al>is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies door de
                                    commissie en het nemen van een beslissing door het </al><al>bestuursorgaan verzoekt de voorzitter het bestuursorgaan tijdig
                                    de beslissing te verdagen.</al><al><noot id="d9603e1055"><noot.nr>19</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>toelichting </noot.al><noot.al> De beslistermijn bedraagt ingevolge het artikel
                                            7:10 Awb tien weken behoudens in het geval van
                                            opschorting of met </noot.al><noot.al>gebruikmaking van de mogelijkheid van verdaging. De
                                            onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de
                                            commissie </noot.al><noot.al>dat, ingeval hij voorziet dat de termijn als
                                            hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het
                                            bestuursorgaan verzoekt de </noot.al><noot.al>beslissing op het bezwaar te verdagen. Artikel 7:10
                                            lid 3 Awb bepaalt dat deze beslissing schriftelijk wordt
                                            meegedeeld. </noot.al><noot.al>Aangenomen mag worden dat de belanghebbende en
                                            gemachtigden hiervan op de hoogte worden gebracht en
                                            eventuele </noot.al><noot.al>derden. Het besluit tot verdaging is een
                                            beschikking. </noot.al><noot.al> Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn de artikelen 3:41
                                            tot en met 3:45 Awb, regelende de wijze van bekendmaking
                                            en mededeling </noot.al><noot.al>van besluiten, in casu niet van toepassing. Artikel
                                            3:40 Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat
                                            een besluit niet in </noot.al><noot.al>werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Het
                                            ligt voor de hand in verband hiermee naast
                                            belanghebbenden ook de </noot.al><noot.al>commissieleden een afschrift van het
                                            verdagingsbesluit toe te zenden.]</noot.al></noot></al></artikel></paragraaf></afdeling><afdeling><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>– Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 20 Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_19_41_"> Op dezelfde dag van
                                    inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening
                                    behandeling bezwaren waterschap Noorderzijlvest 2000
                                    ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_19_42_"> De verordening treedt in werking
                                    op de eerste dag volgend op die van de bekend-making.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H31060_0_0_19_43_"> Deze verordening kan worden
                                    aangehaald als “Verordening behandeling bezwaar-schriften
                                    waterschap Noorderzijlvest 2006”.</al></lid><lid><lidnr/><al><noot id="d9603e1114"><noot.nr>20</noot.nr><noot.al>[<vet>Toelichting: </vet>toelichting </noot.al><noot.al> In de artikelen 73 tot en met 76 Waterschapswet is
                                            de bekendmaking en inwerkingtreding geregeld van
                                            besluiten die </noot.al><noot.al>algemeen verbindende voorschriften inhouden. De
                                            bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten
                                            zoals </noot.al><noot.al>opgenomen in afdeling 3:6 Awb zijn op algemeen
                                            verbindende voorschriften niet van toepassing (zie
                                            artikel 3:1 Awb dat </noot.al><noot.al>aangeeft dat op besluiten, inhoudende algemeen
                                            verbindende voorschriften, slechts de afdelingen 2 tot
                                            en met 5 van dat </noot.al><noot.al>hoofdstuk van toepassing zijn, en wel voor zover de
                                            aard van de besluiten zich daartegen niet verzet).
                                            Ingevolge artikel 74 Waterschapswet treden
                                            bekendgemaakte besluiten in werking met ingang van de
                                            achtste dag na die van de bekendmaking, </noot.al><noot.al>tenzij in deze besluiten daarvoor een ander
                                            tijdstip is aangewezen. In het eerste lid van het
                                            onderhavige artikel wordt een </noot.al><noot.al>ander tijdstip van inwerkingtreding
                                            gebruikt.]</noot.al></noot></al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen Bestuur van het
                        waterschap Noorderzijlvest, gehouden</ondertekening><ondertekening>op 18 oktober 2006, te Groningen</ondertekening><ondertekening>ir. H. van ‘t Land, dijkgraaf ir. C.W. Woldring, secretaris</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>