<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271642_7</dcterms:identifier><dcterms:title>Kostentoedelingsverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-05-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">FlevoPost week 48</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Kostentoedelingsverordening Waterschap Zuiderzeeland 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, 120 en 122</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging toedelingspercentages en toevoeging tariefdifferentiatie wegen</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>175820 / 176394</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 24-9-2013</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: FlevoPost week 39</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Kostentoedelingsverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Algemene Vergadering van Waterschap Zuiderzeeland; </al><al>gelezen het voorstel van het college van Dijkgraaf en Heemraden van 5
                        september 2013 met nr. 175820;</al><al>gelet op het bepaalde in de artikelen 120 en 122 van de Waterschapswet (Stb.
                        2007, nr. 208) </al><al><cursief>besluit:</cursief></al><al>vast te stellen de volgende Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer
                        Waterschap Zuiderzeeland 2014:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten: netto-kosten van de kostendrager watersysteembeheer
                                        zoals opgenomen in de begroting van het waterschap en die
                                        gedekt worden met behulp van de watersysteemheffing; </al></li><li nr="b."><al>gebied van het waterschap: het gebied dat is aangegeven op
                                        de deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte
                                        kaart waarin het waterschap bevoegd is het
                                        watersysteembeheer uit te oefenen, uitgaande van de
                                        beheertaak van het waterschap; </al></li><li nr="c."><al>ingezetenen: </al><al>- indien de Wet basisregistratie personen (Wet van 3 juli
                                        2013, Stb. 2013, 315) en de Aanpassingswet basisregistratie
                                        personen (Wet van 10 juli 2013, Stb. 2013, 316) op 1
                                        december 2013 in werking treden, moet onder een ingezetene
                                        worden verstaan: degene die blijkens de basisreistratie
                                        personen bij het begin van het kalenderjaar woonplaats heeft
                                        in het gebied van het waterschap en die aldaar gebruik heeft
                                        van woonruimte;</al><al>- indien de Wet basisregistratie personen (Wet van 3 juli
                                        2013, Stb. 2013, 315) en de Aanpassingswet basisregistratie
                                        personen (Wet van 10 juli 2013, TStb. 2013, 316) op 1
                                        december 2013 niet in werking treden, moet onder een
                                        ingezetenen worden verstaan: degene die blijkens de
                                        gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens bij het
                                        begin van het kalenderjaar woonplaats heeft in het gebied
                                        van het waterschap en aldaar gebruik heeft van woonruimte;
                                    </al></li><li nr="d."><al>zakelijk gerechtigden ongebouwd, niet zijnde
                                        natuurterreinen: degenen die krachtens eigendom, bezit of
                                        beperkt recht het genot hebben van ongebouwde onroerende
                                        zaken die geen natuurterreinen zijn in het gebied van het
                                        waterschap; </al></li><li nr="e."><al>zakelijk gerechtigden natuurterreinen: degenen die krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht in het gebied van het
                                        waterschap het genot hebben van natuurterreinen; </al></li><li nr="f."><al>zakelijk gerechtigden gebouwd: degenen die krachtens
                                        eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van
                                        gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap;
                                    </al></li><li nr="g."><al>buitendijks gelegen onroerende zaken: onroerende zaken die
                                        geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering zijn
                                        gelegen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 </titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H110997_0_2_2_1_"> De kosten voor het
                                    watersysteembeheer worden als volgt toegedeeld:</al><lijst><li nr="a."><al> 25% aan de ingezetenen; </al></li><li nr="b."><al>21,4% aan de zakelijk gerechtigden van ongebouwde
                                            onroerende zaken, niet zijnde natuurterreinen; </al></li><li nr="c."><al>2,2% aan de zakelijk gerechtigden van natuurterreinen;
                                        </al></li><li nr="d."><al>51,4% aan de zakelijk gerechtigden van gebouwde
                                            onroerende zaken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H110997_0_2_2_2_"> De waarde van de onroerende zaken
                                    bedoeld in het vorige artikellid, onderdelen b, c en d, wordt
                                    bepaald naar de waarde die de onroerende zaken op de
                                    waardepeildatum hebben naar de staat en hoedanigheid waarin zij
                                    op die datum verkeren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H110997_0_2_2_3_"> De waardepeildatum is 1 januari
                                    2012. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2, worden de kosten van
                                heffing en invordering van de watersysteemheffing, voor zover die
                                worden toegerekend aan het watersysteembeheer en zoals opgenomen in
                                de begroting van enig belastingjaar, rechtstreeks aan de betrokken
                                categorieën toegerekend naar rato van deze voor elk van de genoemde
                                categorieën te maken kosten. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Tariefdifferentiatie</label><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><al>Voor verharde openbare wegen wordt een gedifferentieerd tarief
                                gehanteerd dat 50 % hoger is dan het tarief dat volgens de
                                verordening op de watersysteemheffing voor ongebouwde onroerende
                                zaken, niet zijnde natuurterreinen, geldt.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H110997_0_3_4_4_"> De Kostentoedelingsverordening
                                    watersysteembeheer Waterschap Zuiderzeeland, laatstelijk
                                    vastgesteld bij besluit van de Algemene Vergadering van 27
                                    oktober 2011 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2014,
                                    met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H110997_0_3_4_5_"> Deze verordening treedt in werking
                                    op 1 januari 2014 en vindt voor het eerst toepassing in het
                                    belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2014.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H110997_0_3_4_6_"> Deze verordening wordt aangehaald
                                    als Kostentoedelingsverordening watersysteembeheer Waterschap
                                    Zuiderzeeland 2014.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de Algemene Vergadering d.d.24 september 2013.</ondertekening><ondertekening>Lelystad, 24 september 2013,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>ir. J.B. van der Veen. mr. ir. H.L. Tiesinga</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemeen </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Wettelijke basis</titel></kop><al>Ingevolge artikel 120, eerste lid, van de Waterschapswet (Stb. 2007, 208)
                        moet het algemeen bestuur van een waterschap ten behoeve van de
                        watersysteemheffing een verordening vaststellen, waarin voor elk van de
                        categorieën van heffingplichtigen de toedeling van het kostendeel is
                        opgenomen. Het waterschap kan bij de kostentoedelingsverordening bepalen dat
                        kosten van heffing en invordering en kosten van de verkiezing van de leden
                        van het algemeen bestuur rechtstreeks worden toegerekend aan de betrokken
                        categorieën van heffingplichtigen. Het waterschap kan ook gebruik maken van
                        de mogelijkheid om tarieven te differentiëren. Deze mogelijkheid is in
                        artikel 122 van de Waterschapswet opgenomen. Een eventuele
                        tariefdifferentiatie moet in de kostentoedelingsverordening worden geregeld.
                        De kostentoedelingsverordening moet door gedeputeerde staten van de
                        provincie worden goedgekeurd en moet tenminste eenmaal in de vijf jaren
                        worden herzien. </al></divisie><divisie><kop><titel>Kostentoedelingsmethode op basis van de economische waarden</titel></kop><al>De wijze waarop de kosten van de taakuitoefening aan de categorieën van
                        heffingplichtigen worden toegedeeld, is wettelijk vastgelegd. Ingevolge het
                        tweede lid van artikel 120 wordt de toedeling van het kostendeel aan de
                        categorie ingezetenen bepaald aan de hand van de gemiddelde inwonerdichtheid
                        per vierkante kilometer in het gebied van het waterschap. De toedeling van
                        kosten aan de overige drie heffingplichtige categorieën (ongebouwde
                        onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, natuurterreinen en gebouwde
                        onroerende zaken) vindt ingevolge het vierde lid van deze bepaling plaats
                        aan de hand van de waarde van de onroerende zaken in het economische
                        verkeer. Deze wijze van kostentoedeling staat bekend als de methode
                        Delfland. </al></divisie><divisie><kop><titel>Toedelen van kosten aan de categorie ingezetenen </titel></kop><al>De eerste stap in het toedelingsproces is de toedeling van kosten aan de
                        categorie ingezetenen Dit gebeurt aan de hand van de gemiddelde
                        inwonerdichtheid per vierkante kilometer. Afhankelijk van de
                        inwonerdichtheid wordt aan de ingezetenen tenminste 20% en ten hoogste 50%
                        van de kosten van het watersysteembeheer toegedeeld. De toedeling is als
                        volgt:</al><al>Bij een gemiddeld aantal inwoners van 500 of minder, bedraagt het
                        toedelingspercentage minimaal 20% en maximaal 30%;</al><al>Bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 500 maar niet meer dan 1000,
                        bedraagt het toedelingspercentage minimaal 31% en maximaal 40%; </al><al>Bij een gemiddeld aantal inwoners van meer dan 1000, bedraagt het
                        toedelingspercentage minimaal 41% en maximaal 50%. </al><al>Het binnen de bandbreedtes bepalen van het exacte ingezetenenaandeel behoort
                        tot de bestuurlijke vrijheid van het waterschap. De Algemene Vergadering
                        heeft het percentage voor de ingezetenen vastgesteld op 25%.</al></divisie><divisie><kop><titel>3.1 Ophogen ingezetenenaandeel</titel></kop><al>Het algemeen bestuur van een waterschap kan de zojuist genoemde maximale
                        kostentoedelingspercentages met 10% verhogen. Dit is in het derde lid van
                        artikel 120 geregeld. Blijkens de wetsgeschiedenis kan verhoging in
                        bijzondere omstandigheden plaatsvinden. Als voorbeeld zijn daarbij twee
                        situaties genoemd, namelijk de situatie waarin in het gebied van het
                        waterschap een relatief groot aantal natuurterreinen voorkomt en de situatie
                        waarin in het gebied van het waterschap sprake is van een zeer grote
                        inwonerdichtheid. De wet zegt echter niet wat hieronder moet worden
                        verstaan. De Unie van Waterschappen relateert deze begrippen in de
                        modelverordening omwille van de eenduidigheid aan het objectief fiscaal
                        criterium ‘in betekenende mate'. Dit staat voor 25% of meer. Toepassing van
                        dit criterium leidt er toe dat voor een eventuele ophoging van het
                        ingezetenenaandeel in bovenstaande voorbeelden kan worden gekozen indien 25%
                        of meer van het gebied van het waterschap uit natuurterreinen bestaat of
                        indien het gemiddelde inwoneraantal 1250 (125% x 1000 inwoners) of meer
                        bedraagt. Tot natuurterreinen worden in verband met het bepaalde in artikel
                        116, onderdeel c, van de wet, ook bossen en ( buitendijkse) open wateren met
                        een oppervlakte van tenminste één hectare gerekend. Het verhogen van het
                        maximale ingezetenenaandeel is geen verplichting, maar behoort tot de
                        bestuurlijke vrijheid van het waterschap. Het criterium van 25% of meer
                        geeft een zekere denkrichting aan. Bij de besluitvorming tot ophoging van
                        het ingezetenenaandeel kunnen echter ook andere bestuurlijke overwegingen
                        een rol spelen. De Algemene Vergadering acht geen redenen aanwezig om het
                        ingezetenenaandeel op te hogen.</al></divisie><divisie><kop><titel>4. Toedelen van de resterende kosten aan de specifieke
                            categorieën</titel></kop><al>Nadat het aandeel van de ingezetenen in de kostentoedeling is bepaald,
                        worden de resterende kosten van de taakuitoefening aan de categorieën
                        ongebouwd niet zijnde natuurterreinen, natuurterreinen en gebouwd
                        toegedeeld. Deze toedeling vindt plaats ingevolge op basis van de waarde van
                        de onroerende zaken in het economische verkeer (artikel 120, vierde lid,
                        Waterschapswet). In het Waterschapsbesluit zijn over de waardebepaling
                        nadere regels gesteld. De onderlinge waardeverhouding tussen de categorieën
                        is bepalend voor de kostentoedeling.</al></divisie><divisie><kop><titel>4.1 Waardebepaling en waardepeildatum</titel></kop><al>De waarde van de onroerende zaken moet worden bepaald naar de hoedanigheid
                        en de staat van de onroerende zaken op de waardepeildatum. In artikel 6.10
                        van het Waterschapsbesluit is dit voor natuurterreinen en voor andere
                        ongebouwde onroerende zaken die geen natuurterreinen zijn, uitdrukkelijk
                        bepaald. Voor gebouwde onroerende zaken was een dergelijke expliciete
                        regeling in het Waterschapsbesluit niet nodig, omdat voor de waardebepaling
                        van deze categorie wordt aangesloten bij de WOZ- waarde en in de Wet WOZ al
                        geldt dat de waarde naar de hoedanigheid en de staat van de onroerende zaken
                        op de waardepeildatum moet worden bepaald. </al><al>Ingevolge artikel 6.11, eerste lid, van het Waterschapsbesluit ligt de
                        waardepeildatum maximaal twee jaar voor het begin van het eerste
                        belastingjaar waarop de kostentoedelingsverordening betrekking heeft. Voor
                        deze verordening geldt de waardepeildatum van 1 januari 2012.</al><al>De waardepeildatum is het moment waarnaar de waarde van de onroerende zaken
                        ten behoeve van de kostentoedeling wordt bepaald. Dit wil zeggen dat in het
                        proces van kostentoedeling geen rekening wordt gehouden met wijzigingen die
                        zich in de staat of de hoedanigheid van de onroerende zaken hebben
                        voorgedaan of nog zullen voordoen tussen de waardepeildatum en het begin van
                        het eerste belastingjaar waarop de kostentoedelingsverordening betrekking
                        heeft. Bouwpercelen die na de waardepeildatum worden bebouwd, worden voor de
                        kostentoedeling dus als ongebouwde onroerende zaken (niet zijnde
                        natuurterreinen) in aanmerking genomen en hetzelfde geldt voor landbouwgrond
                        die na de waardepeildatum wordt omgevormd tot natuur of tot bouwgrond.</al></divisie><divisie><kop><titel>5. Natuurterreinen</titel></kop><al>Ingevolge artikel 116, onderdeel c, van de Waterschapswet is een
                        natuurterrein een ongebouwde onroerende zaak, waarvan de inrichting en het
                        beheer geheel of nagenoeg geheel en duurzaam is afgestemd op het behoud en
                        de ontwikkeling van natuur. De feitelijke situatie (en niet de toekomstige
                        situatie of een situatie volgens het bestemmingsplan) bepaalt dus of sprake
                        is van een natuurterrein. Bossen, al dan niet bedrijfsmatig geëxploiteerd,
                        en open wateren worden bij wetsfictie mede als natuurterreinen aangemerkt.
                        Voorwaarde is wel dat deze objecten een oppervlakte van tenminste één
                        hectare hebben. </al></divisie><divisie><kop><titel>6. Relatie met de begroting van het waterschap</titel></kop><al>In de begroting van het waterschap worden de te maken kosten geraamd en
                        gegroepeerd naar de taken van het waterschap nl. Watersysteembeheer en
                        Zuiveringsbeheer. Alle kosten van Watersysteembeheer worden geheven via de
                        watersysteemheffingen. In deze kostentoedelingsverordening wordt vastgelegd
                        welk percentage van de kosten van de watersysteemtaak door welke van de vier
                        categorieën moet worden opgebracht.</al></divisie><divisie><kop><titel>7. De watersysteemtaak</titel></kop><al>De watersysteemtaak omvat de taken van het waterschap op het gebied van het
                        waterkeringsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en het kwaliteitsbeheer van
                        oppervlaktewateren, voor zover die activiteiten niet vallen onder het
                        transporteren en/of behandelen van afvalwater. </al><al>De zorg voor het watersysteem is één samenhangende taak die het waterschap
                        in het gehele waterschapsgebied uitoefent. Onder het waterschapsgebied moet
                        het reglementaire gebied worden verstaan, de buitengrenzen van het
                        waterschap derhalve, inclusief eventuele ( bebouwde) buitendijkse gebieden.
                        Omdat de watersysteemtaak in het gehele waterschapsgebied wordt uitgeoefend,
                        komen gebieden zonder enig belang in de nieuwe situatie niet meer voor. Ook
                        de situatie waarin per taak verschillende taakgebieden kunnen worden
                        onderscheiden, behoort tot het verleden. </al><al>Voor de bepaling van de verhouding tussen de economische waarden van gebouwd
                        en ongebouwd is uitgegaan van de economische waarden van de onroerende en
                        roerende zaken, gelegen binnen het beheergebied, aangevuld met de bebouwde
                        buitendijkse gebieden.</al></divisie><divisie><kop><titel>8. Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>In artikel 122 van de wet wordt de mogelijkheid van tariefdifferentiatie
                        geopend. Blijkens de Memorie van Toelichting heeft de wetgever deze regeling
                        opgenomen omdat zij niet voorbij heeft willen gaan aan het feit dat het
                        belang bij de watersysteemtaak voor bepaalde onroerende zaken duidelijk
                        anders kan liggen dan dat van andere onroerende. De wetgever heeft daarbij
                        nadrukkelijk aangegeven dat de waterschappen ter zake een bestuurlijke
                        vrijheid hebben. Zie hiervoor Memorie van Toelichting Waterschapswet
                        2007/2008, blz. 26 en het Nader rapport, blz. 14). Het uitgangspunt dat in
                        artikel 121, eerste lid , onderdelen b, c en d, van de Waterschapswet is
                        neergelegd, is dat het tarief van de belasting per heffingsmaatstaf gelijk
                        is. De regeling van de tariefdifferentiatie brengt hierin verandering, omdat
                        in dat geval geen sprake meer is van gelijke tarieven per heffingsmaatstaf,
                        maar van tarieven die naar gelang de situatie hoger of lager kunnen zijn
                        vastgesteld. De situaties waarin tariefdifferentiatie mogelijk is, zijn
                        limitatief in de wet opgesomd. Ook de mate waarin kan worden
                        gedifferentieerd is in de wet vastgelegd. Tariefdifferentiatie is ingevolge
                        artikel 122 uitsluitend in de volgende gevallen en binnen de volgende
                        bandbreedtes mogelijk:</al><al>buitendijks gelegen onroerende zaken (maximaal 75% lager tarief);</al><al>onroerende zaken die blijkens de legger van het waterschap als waterberging
                        worden gebruikt (maximaal 75% lager tarief);</al><al>onroerende zaken gelegen in bemalen gebieden (maximaal 100% hoger
                        tarief);</al><al>onroerende zaken die in hoofdzaak uit glasopstanden bestaan (maximaal 100%
                        hoger tarief); verharde openbare wegen (maximaal 100% hoger tarief).</al><al>Het algemeen bestuur is niet tot het differentiëren van tarieven verplicht.
                        Gelet op de situatie binnen het beheersgebied van Waterschap Zuiderzeeland
                        is besloten tot differentiatie van 50% voor verharde openbare wegen over te
                        gaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijs </titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In artikel 1 zijn enkele begrippen nader gedefinieerd. </al><al>In onderdeel a wordt een omschrijving van het begrip kosten gegeven. De
                        kosten die in de kostentoedeling een rol spelen zijn de kosten die in de
                        begroting van het waterschap zijn opgenomen en die met behulp van de
                        watersysteemheffing worden gedekt. Kosten waarvoor dit niet geldt, worden
                        niet in de kostentoedeling watersysteembeheer betrokken. </al><al>In onderdeel b wordt het gebied van het waterschap omschreven als het gebied
                        dat is aangegeven op de bij de verordening behorende en als zodanig
                        gewaarmerkte kaart waarin het waterschap bevoegd is zijn watersysteemtaken
                        uit te oefenen. </al><al>De onderdelen c tot en met f geven een omschrijving van de begrippen
                        ingezetenen, zakelijk gerechtigden ongebouwd niet zijnde natuurterreinen,
                        zakelijk gerechtigden natuurterreinen en zakelijk gerechtigden gebouwd. Dit
                        zijn de heffingplichtige categorieën. De omschrijvingen zijn overeenkomstig
                        de in artikel 116, onder a en artikel 117 onder b t/m d van de
                        Waterschapswet gegeven definities.</al><al>Onderdeel g geeft aan wat onder buitendijks gelegen onroerende zaken moet
                        worden verstaan. Buitendijks gelegen onroerende zaken zijn omschreven als
                        onroerende zaken die geheel of gedeeltelijk buiten de primaire waterkering
                        zijn gelegen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Kostentoedeling watersysteembeheer</titel></kop><al>In artikel 2 is aangegeven op welke wijze de kosten van de taakuitoefening
                        over de vier heffingplichtige categorieën worden verdeeld. Artikel 2 vormt
                        daarmee het kernartikel van de verordening. De kostentoedeling geschiedt in
                        twee stappen. In de eerste stap wordt het kostenaandeel van de categorie
                        ingezetenen bepaald en in de tweede stap worden de resterende kosten van de
                        taakuitoefening over de categorieën ongebouwd niet zijnde natuur, natuur en
                        gebouwd verdeeld. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>In dit artikel is bepaald, dat de kosten van heffing en invordering van de
                        watersysteemheffing rechtstreeks aan de betrokken categorieën worden
                        toegerekend.</al><al/><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Tariefdifferentiatie</titel></kop><al>De waarde van ongebouwd wordt sterk beïnvloed door de waarde van de
                        aanwezige infrastructuur zoals wegen en spoorlijnen. Conform artikel 122 lid
                        3 sub b Waterschapswet is het mogelijk om de tarieven van de verharde
                        openbare wegen te verhogen met maximaal 100%. Het hoge beschermd economisch
                        belang van wegen, en het feit dat wegen als verhard oppervlak meer
                        waterbezwaar maken dan overig ongebouwd (zowel vanwege de verhoogde
                        piekafvoer als vanwege de belangrijke bron van diffuse verontreiniging),
                        kunnen een tariefsverdubbeling rechtvaardigen. De stijging van het
                        kostenaandeel dat door ongebouwd moet worden opgebracht, wordt volledig
                        veroorzaakt door de stijging van de waarde van de infrastructuur. Daarom
                        heeft Waterschap Zuiderzeeland het voornemen deze stijging bij de
                        wegeigenaren neer te leggen, zodat de lasten voor de agrariërs minder sterk
                        zullen stijgen. Dit betekent een stijging van de heffing voor de eigenaren
                        van wegen en daarnaast een verlaging van de waterschapsheffing voor
                        agrarische grondeigenaren.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Dit lid bepaalt dat de oude verordening wordt ingetrokken met ingang van het
                        belastingjaar dat aanvangt op 1 januari 2014. De ingetrokken verordening
                        blijft gelden voor de belastingjaren waarvoor zij heeft gegolden. </al><al>Lid 2</al><al>De onderhavige Kostentoedelingsverordening vindt voor het eerst toepassing
                        in het belastingjaar dat op 1 januari 2014 aanvangt. De
                        Kostentoedelingsverordening moet tenminste eenmaal in de vijf jaar worden
                        herzien. Frequentere herziening is met andere woorden mogelijk. Het noemen
                        van een einddatum is mede hierom niet wenselijk.</al><al>Lid 3</al><al>In dit artikellid wordt de verordening voorzien van een citeertitel. De naam
                        van het waterschap en het jaartal 2014 maken hiervan onderdeel uit.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>