<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271639_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Aansluitverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Zuiderzeeland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Dagblad Flevoland, Flevopost, Noordoostpolder, Dagblad Almere, Groene Weekblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Aansluitverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, art. 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer, Hoofdstuk 10</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2002-05-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2002-07-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art.1, 2, 4, 5, 6, 7, 9</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>ZZL99.840</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>milieu – water</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Overgangsbepalingen artikel 11</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit:</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: -</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Aansluitverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>waterschap <vet>Zuiderzeeland</vet></al><al>ZZL99/840</al><al><vet>Aansluitverordening</vet></al><al>De voorlopige algemene vergadering van het Waterschap Zuiderzeeland;</al><al>gelezen het voorstel van het voorlopig college van dijkgraaf en
                        heemraden;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>Aansluitverordening.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Verordening</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>1. Het college van dijkgraaf en heemraden: </al><al>het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap
                                Zuiderzeeland, waaraan de bevoegdheid is toegekend als bedoeld in
                                artikel 6, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren;</al><al>2. Afvalwater : </al><al>water of afvalstoffen waarvan de houder -met het oog op de
                                verwijdering daarvan- zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of
                                zich moet ontdoen;</al><al>3. Afvalstoffen: </al><al>afvalstoffen, verontreinigende stoffen of schadelijke stoffen, in
                                welke vorm ook, als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren;</al><al>4. Zuiveringstechnische werken: </al><al>werken in beheer bij het waterschap die zijn ingericht of worden
                                aangewend voor transport of behandeling van afvalwater;</al><al>5. Openbaar riool: </al><al>voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, als
                                bedoeld in artikel 10.15, eerste lid, van de Wet milieubeheer, die
                                wordt of is aangesloten op een zuiveringstechnisch werk;</al><al>6. vervuilingseenheid (v.e.) : </al><al>- voor zuurstofbindende stoffen : het jaarlijks verbruik van 49,6
                                kilogram zuurstof </al><al>- voor andere stoffen: elke in het heffingsjaar geloosde kilogram
                                van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink; elke in het
                                heffingsjaar geloosde 100 gram van de stoffen arseen, cadmium en
                                kwik.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H28388_0_2_2_1_"> Het is verboden zonder vergunning
                                    een openbaar riool aan te sluiten op een zuiveringstechnisch
                                    werk of afvalwater vanuit het openbaar riool in dit werk te
                                    brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H28388_0_2_2_2_"> Het college van dijkgraaf en
                                    heemraden kan de in het eerste lid bedoelde vergunning -hierna
                                    te noemen aansluitvergunning- verlenen, weigeren, wijzigen of
                                    intrekken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H28388_0_2_2_3_"> In de aansluitvergunning kan worden
                                    bepaald dat zij slechts geldt voor een daarbij vast te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H28388_0_2_2_4_"> Aan de aansluitvergunning kunnen
                                    voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften kunnen
                                    uitsluitend strekken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al id="anker-H28388_0_2_2_5_"> tot bescherming van de
                                    zuiveringstechnische werken en tot verzekering van de doelmatige
                                    werking daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al> tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van het
                                    oppervlaktewater waarin met behulp van het in het </al><al> eerste lid bedoelde zuiveringstechnisch werk afvalwater wordt
                                    gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H28388_0_2_2_7_"> In de aansluitvergunning kunnen
                                    onder meer emissiegrenswaarden en signaleringswaarden worden
                                    voorgeschreven voor het brengen van bepaalde afvalstoffen vanuit
                                    het openbaar riool op het zuiveringstechnisch werk.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H28388_0_2_2_8_"> Bij het stellen van voorschriften en
                                    nadere eisen krachtens de Wet milieubeheer houdt de houder van
                                    de aansluitvergunning in ieder geval rekening met de
                                    grenswaarden en signaleringswaarden, als bedoeld in het vijfde
                                    lid.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Gegevensverstrekking</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H28388_0_3_3_9_"> Bij de aanvraag tot verlening of
                                    wijziging van een aansluitvergunning kan de aanvrager in ieder
                                    geval worden verplicht de volgende gegevens te verstrekken: </al><lijst><li nr="a."><al> de technische gegevens van het rioolstelsel, waaronder
                                            mede begrepen de verschillende aansluitpunten </al><al> en een overzichtstekening van het
                                            rioleringsgebied;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H28388_0_3_3_9_2_"> het aantal particuliere
                                            huishoudens per aansluitpunt dat is of zal worden
                                            aangesloten op de riolering;</al></li><li nr="c."><al> het aantal en de aard van de bedrijven per aansluitpunt
                                            die zijn of zullen worden aangesloten op het </al><al> openbaar riool, met uitzondering van bedrijven die zijn
                                            aangewezen bij besluit van 4 november 1983, </al><al> Stb. 1983, 577;</al></li><li nr="d."><al> een raming van de per aansluitpunt te lozen hoeveelheid
                                            afvalwater, uitgedrukt in m³ per uur, </al><al> gedifferentieerd naar hoeveelheden droogweerafvoer en
                                            regenweerafvoer alsmede gegevens </al><al> over de pompovercapaciteit uitgedrukt in m³ per
                                            uur;</al></li><li nr="e."><al> een raming van de per aansluitpunt te lozen
                                            hoeveelheden afvalstoffen, uitgedrukt in v.e. en
                                            gedifferentieerd </al><al> naar inwoners en bedrijven;</al></li><li nr="f."><al> per aansluitpunt het aantal hectares verhard oppervlak
                                            waarvan het afvloeiend hemelwater wordt afgevoerd </al><al> via het openbaar riool;</al></li><li nr="g."><al id="anker-H28388_0_3_3_9_7_"> gegevens over het beheer
                                            en onderhoud van het rioolstelsel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H28388_0_3_3_10_"> De aanvraag en de in het eerste lid
                                    bedoelde gegevens worden in drievoud verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H28388_0_3_3_11_"> De aanvraag maakt deel uit van de
                                    aansluitvergunning, voorzover dat in de vergunning is
                                    aangegeven.</al></lid><lid><lidnr/><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Nadere gegevensverstrekking</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H28388_0_4_4_13_"> Op verzoek van het college van
                                    dijkgraaf en heemraden verstrekt de houder van een
                                    aansluitvergunning alle hem ter beschikking staande informatie
                                    voorzover deze van belang kan worden geacht voor de bescherming
                                    van de in artikel 2, vierde lid, genoemde belangen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H28388_0_4_4_14_"> Indien door de samenstelling of de
                                    hoeveelheid van het afvalwater dat vanuit het openbaar riool in
                                    een zuiveringstechnisch werk wordt gebracht, een verstoring van
                                    de doelmatige werking van dat zuiveringstechnisch werk optreedt
                                    of dreigt op te treden of nadelige gevolgen voor het
                                    oppervlaktewater ontstaan of dreigen te ontstaan, is de houder
                                    van de aansluitvergunning verplicht op verzoek van het college
                                    van dijkgraaf en heemraden onverwijld de gegevens te verstrekken
                                    die nodig zijn om de oorzaken hiervan te achterhalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H28388_0_4_4_15_"> In gevallen als bedoeld in het
                                    tweede lid, kan het college van dijkgraaf en heemraden de houder
                                    van de aansluitvergunning in ieder geval opdracht geven opgave
                                    te doen van hetzij direct hetzij indirect op het openbaar riool
                                    aangesloten bedrijven en instellingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H28388_0_4_4_16_"> De in het derde lid bedoelde opgave
                                    kan de volgende gegevens betreffen:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H28388_0_4_4_16_8_"> naam en adres van de
                                            bedrijven of instellingen;</al></li><li nr="b."><al id="anker-H28388_0_4_4_16_9_"> aard en omvang van elk
                                            bedrijf of instelling;</al></li><li nr="c."><al> aard en samenstelling van het afvalwater van een
                                            bedrijf of instelling en een raming van de jaarlijks </al><al> te lozen hoeveelheden afvalstoffen;</al></li><li nr="d."><al> een afschrift van reeds verleende vergunningen
                                            krachtens de Wet milieubeheer dan wel een afschrift van
                                            een </al><al> melding als bedoeld in artikel 8.41 van de Wet
                                            milieubeheer, voorzover een vergunning of een melding
                                            (mede) </al><al> betrekking heeft op het lozen van afvalwater in het
                                            openbaar riool.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H28388_0_4_4_17_"> Een aanduiding van de aansluitingen
                                    per bedrijf of instelling op een rioleringskaart.</al></lid><lid><lidnr/><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overschrijding waarden</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H28388_0_5_5_19_"> Indien bij het brengen van
                                    afvalwater vanuit het openbaar riool op het zuiveringstechnisch
                                    werk een in de aansluitvergunning opgenomen grenswaarde of
                                    signaleringswaarde als bedoeld in artikel 2, vijfde lid,
                                    stelselmatig wordt overschreden, doet het college van dijkgraaf
                                    en heemraden hiervan schriftelijk melding aan de houder van de
                                    aansluitvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H28388_0_5_5_20_"> Indien een melding als bedoeld in
                                    het eerste lid is gedaan, kan het college van dijkgraaf en
                                    heemraden de houder van de vergunning in ieder geval de
                                    verplichting opleggen om door middel van het stellen van
                                    voorschriften of nadere eisen ten aanzien van nieuw aan te
                                    sluiten lozingen op het openbaar riool of ten aanzien van
                                    wijzigingen van bestaande lozingen, een toename van de
                                    geconstateerde overschrijding van de betrokken grenswaarde of
                                    signaleringswaarde te voorkomen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Onderzoek</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H28388_0_6_6_21_"> In gevallen als bedoeld in artikel
                                    5, eerste lid, kan het college van dijkgraaf en heemraden de
                                    houder van de aansluitvergunning de plicht opleggen om onderzoek
                                    te verrichten naar de oorzaken van de overschrijdingen en naar
                                    de mogelijkheden om de overschrijdingen te voorkomen, te
                                    beperken of ongedaan te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H28388_0_6_6_22_"> In de aansluitvergunning kunnen met
                                    betrekking tot bepaalde grenswaarden, signaleringswaarden en
                                    afvalstoffen voorschriften worden gesteld over het onderzoek als
                                    bedoeld in het eerste lid. Daarbij kan worden bepaald dat het
                                    college van dijkgraaf en heemraden nadere eisen kan stellen aan
                                    de termijn waarbinnen en de wijze waarop het onderzoek moet
                                    worden uitgevoerd en de termijn waarbinnen en de wijze waarop de
                                    resultaten van het onderzoek aan het college van dijkgraaf en
                                    heemraden moeten worden overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H28388_0_6_6_23_"> De houder van de aansluitvergunning
                                    is verplicht op basis van de resultaten van het onderzoek
                                    maatregelen te treffen ten einde de overschrijdingen als bedoeld
                                    in het eerste lid, ongedaan te maken, te beperken of te
                                    voorkomen. In de aansluitvergunning kunnen voorschriften worden
                                    gesteld over de wijze waarop en de termijn waarbinnen de
                                    maatregelen moeten worden uitgevoerd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Deskundigenadvies</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H28388_0_7_7_24_"> Het college van dijkgraaf en
                                    heemraden stelt in ieder geval de inspecteur van de
                                    volksgezondheid belast met het toezicht op de hygiëne van het
                                    milieu, in de gelegenheid te adviseren over het ontwerp van de
                                    beschikking op een aanvraag tot verlening of wijziging van een
                                    aansluitvergunning alsmede over het voornemen tot het ambtshalve
                                    wijzigen of intrekken van een aansluitvergunning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H28388_0_7_7_25_"> De beschikking tot verlening,
                                    wijziging, intrekking of weigering van een aansluitvergunning
                                    wordt schriftelijk medegedeeld aan de in het eerste lid genoemde
                                    inspecteur.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Schadevergoeding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Voorzover blijkt dat een houder van een aansluitvergunning door een
                                wijziging of intrekking daarvan schade lijdt, die redelijkerwijs
                                niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te komen, zal hem een
                                naar billijkheid te bepalen schadevergoeding worden toegekend. Het
                                besluit over de toekenning van een schadevergoeding wordt genomen
                                bij afzonderlijke beschikking. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Toezicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H28388_0_10_9_26_"> De door het college van dijkgraaf
                                    en heemraden aangewezen ambtenaren, belast met het toezicht op
                                    de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde,
                                    zijn bevoegd, voorzover dit voor de vervulling van hun taak
                                    redelijkerwijs noodzakelijk is:</al><lijst><li nr="a."><al id="anker-H28388_0_10_9_26_12_"> het afvalwater dat in
                                            een openbaar riool wordt getransporteerd te meten en
                                            monsters daarvan te nemen;</al></li><li nr="b."><al> zich te laten vergezellen door personen die daartoe
                                            door hen zijn aangewezen alsmede de benodigde </al><al> apparatuur mee te brengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H28388_0_10_9_27_"> De houder van de
                                    aansluitvergunning is verplicht aan de in het eerste lid
                                    genoemde ambtenaren alle medewerking te verlenen die zij met het
                                    oog op de vervulling van hun taak behoeven.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overtreding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H28388_0_11_10_29_"> Overtreding van bij of krachtens
                                    deze verordening gestelde voorschriften wordt gestraft met
                                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete tot ten
                                    hoogste het bedrag van de tweede categorie als genoemd in
                                    artikel 23 van het Wetboek van strafrecht, al dan niet met
                                    openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H28388_0_11_10_30_"> Indien ten tijde van het plegen
                                    van een overtreding nog geen jaar is verlopen sinds een vroegere
                                    veroordeling van de schuldige wegens een gelijke overtreding
                                    onherroepelijk is geworden, kan hechtenis tot het dubbele van
                                    het gestelde maximum worden opgelegd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Overgangsrecht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><al>Een aansluitvergunning die is verleend voor het tijdstip van
                                inwerkingtreding van deze verordening, wordt voor de toepassing van
                                deze verordening beschouwd als een aansluitvergunning in de zin van
                                deze verordening.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><al>Deze Aansluitverordening treedt in werking op 1 januari 2000. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de voorlopige algemene vergadering </ondertekening><ondertekening>van het Waterschap Zuiderzeeland</ondertekening><ondertekening>d.d. 3 januari 2000.</ondertekening><ondertekening>de secretaris-directeur, de dijkgraaf,</ondertekening><ondertekening>mr. B. van den Elsaker. mr. ing. H.L. Tiesinga.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>bij de Aansluitverordening</al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al>Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                    (WVO) is het verboden zonder vergunning met behulp van een werk afvalstoffen,
                    verontreinigende of schadelijke stoffen, in welke vorm ook, in
                    oppervlaktewateren te brengen. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat dat
                    verbod niet geldt voor een lozing met behulp van een werk dat op een ander werk
                    is aangesloten. Hierbij moet met name worden gedacht aan de situatie dat een
                    gemeentelijke riolering, met de daarop aangesloten huishoudens en bedrijven, is
                    aangesloten op een afvalwaterzuiveringsinstallatie (a.w.z.i.) waarvan het
                    effluent wordt geloosd in een oppervlaktewater. De beheerder van het "andere
                    werk" is in dit geval de beheerder van de zuiveringsinstallatie (het
                    waterschap).</al><al>Bij wet van 2 november 1994 (in werking getreden op 1 maart 1996) is door een
                    wijziging van artikel 1, tweede lid van de WVO en door wijziging van onder meer
                    hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer (WM) de regeling van indirecte lozingen
                    ingrijpend gewijzigd. Deze wetswijziging kent de volgende uitgangspunten:</al><al>1. een strikte afbakening tussen de WVO en de WM op het terrein van indirecte
                    lozingen;</al><al>2. waterkwaliteitsbeheerders blijven verantwoordelijk voor de regeling van de
                    meest bezwaarlijke lozingen (te weten de lozingen vanuit bij algemene maatregel
                    van bestuur (a.m.v.b.) aangewezen inrichtingen);</al><al>3. overige lozingen, die voorheen werden geregeld op grond van gemeentelijke
                    verordeningen, vallen onder de werking van de WM.</al><al>Voor de relaties tussen het regime van de WVO en het regime van de WM geldt het
                    volgende.</al><al>De beheerder van een a.w.z.i. heeft voor de lozing van het effluent in
                    oppervlaktewater een WVO-vergunning nodig. Gelet op artikel 8 van het
                    Lozingenbesluit stedelijk afvalwater (Stb. 1996, 140) dient een
                    waterkwaliteitsbeheerder zodanige voorschriften aan deze vergunning te
                    verbinden, dat de op het ontvangende oppervlaktewater van toepassing zijnde
                    kwaliteitsdoelstellingen kunnen worden gerealiseerd.</al><al>De beheerder van de a.w.z.i. is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het
                    effluent. De kwaliteit van het effluent wordt bepaald door de samenstelling van
                    het influent en door de werking van de a.w.z.i. De samenstelling van het
                    influent wordt uiteraard bepaald door de lozingen op het openbaar riool.</al><al>Voor het realiseren van de genoemde waterkwaliteitsdoelstellingen is een
                    adequate regulering van en controle op deze indirecte lozingen
                    noodzakelijk.</al><al>Deze regulering vindt voor een deel plaats op grond van de WVO (namelijk voor
                    lozingen van categorieën van inrichtingen, aangewezen in de a.m.v.b. van 4
                    november 1983, Stb. 1983, 577). Voor een deel zijn echter gemeenten en de
                    provincie, als WM-gezag, verantwoordelijk voor de regulering van deze lozingen.
                    Het WM-gezag zal uiteraard het toetsingskader van de WM moeten toepassen.
                    Hieronder valt het zogenaamde ALARA-beginsel, dat wil zeggen dat de schadelijke
                    gevolgen voor het milieu "as low as reasonably achievable" moeten zijn (zie
                    artikel 8.11, derde lid WM). Het belangenkader van de WM ("het belang van de
                    bescherming van het milieu") omvat mede het belang van de doelmatige
                    verwijdering van afvalwater. Het WM-gezag zal brongerichte eisen die (mede) uit
                    het waterkwaliteitsbeleid voortvloeien (zoals emissiegrenswaarden voor stoffen
                    van de "zwarte lijst") in acht moeten nemen. Het WM-gezag zal tegelijk rekening
                    moeten houden met de specifieke omstandigheden: de capaciteit en de technische
                    gegevens van de a.w.z.i. waarop de riolering is aangesloten en de functie van
                    het oppervlaktewater waarop het effluent van de a.w.z.i. wordt geloosd.</al><al>Voor een doelmatige verwijdering van afvalwater is het nodig dat de
                    samenstelling en de hoeveelheid van het afvalwater dat vanuit een gemeentelijke
                    riolering op een zuiveringstechnisch werk wordt gebracht, voldoen aan de eisen
                    die in een aansluitvergunning zijn gesteld. Hieruit volgt dat het WM-gezag bij
                    het reguleren van indirecte lozingen krachtens de WM, mede de eisen die in een
                    aansluitvergunning zijn gesteld, in acht zal moeten nemen. Uit de parlementaire
                    behandeling van de genoemde wijziging van de WVO en de WM blijkt dat dit ook de
                    bedoeling van de wetgever is (zie TK 1993-1994, 23603, nrs. 10 en 11).</al><al>Het waterschap kan in een aansluitvergunning geen eisen stellen die rechtstreeks
                    gelden voor individuele aansluitingen op het riool. Alleen de gemeente is, als
                    houder van de aansluitvergunning, verantwoordelijk voor de naleving daarvan. </al><al>In een aansluitvergunning mogen geen voorschriften worden gesteld die het
                    WM-gezag verplichten om buiten de werkingssfeer en reikwijdte van de WM te
                    treden. Het belangenkader en toetsingskader van de WM vormen de basis voor de
                    regulering op grond van de WM.</al><al>In een aansluitvergunning zullen primair eisen worden gesteld aan de hoeveelheid
                    en samenstelling van het afvalwater dat vanuit een gemeentelijke riolering op
                    een zuiveringstechnisch werk wordt gebracht. Hoewel de gemeente verantwoordelijk
                    is voor de naleving van de aansluitvergunning, is zij niet de enige overheid die
                    invloed heeft op de hoedanigheid en samenstelling van dit afvalwater. Immers ook
                    de provincie en het waterschap zijn betrokken bij de regulering van indirecte
                    lozingen. Dit leidt tot een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken
                    overheden voor het realiseren van de eisen die gesteld zijn in de
                    aansluitvergunning en in de WVO-vergunning voor de lozing van het effluent.</al><al>Bij overtreding van bijvoorbeeld emissiegrenswaarden in een aansluitvergunning
                    ligt het daarom niet voor de hand onmiddellijk bestuursrechtelijke of
                    strafrechtelijke handhavingsacties te starten. De verordening voorziet in de
                    mogelijkheid om in de aansluitvergunning -naast eventuele grenswaarden-
                    signaleringswaarden vast te stellen. Bij overschrijding van signaleringswaarden
                    kan de houder van de aansluitvergunning worden verplicht om onderzoek te
                    verrichten naar de oorzaak van de overschrijdingen en naar mogelijkheden om de
                    overschrijdingen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Een dergelijk
                    door de gemeente uit te voeren onderzoek zal uiteraard in overleg met -en zo
                    mogelijk in samenwerking met- het waterschap (als bevoegd gezag ingevolge de
                    WVO) en de provincie (als bevoegd gezag ingevolge de WM) moeten worden
                    uitgevoerd. Het doel is immers verontreinigingen zo veel mogelijk bij de bron
                    aan te pakken.</al><al/><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting artikelsgewijs</titel></kop><al>Artikel 1</al><al>De meeste in dit artikel genoemde begripsbepalingen zijn ontleend aan de WVO dan
                    wel aan de WM.</al><al>Artikel 2</al><al>Het eerste lid van dit artikel, waarin een aansluitvergunning verplicht wordt
                    gesteld, vormt de kern van de verordening.</al><al>Het tweede lid van dit artikel geeft het waterschap onder meer de bevoegdheid
                    een aansluitvergunning te wijzigen. Deze bevoegdheid maakt een actief
                    vergunningenbeleid mogelijk. Vanzelfsprekend kunnen wijzigingen in bestaande
                    lozingen en aanvragen voor nieuwe lozingen door stadsuitbreiding en nieuwe
                    bedrijfsactiviteiten ertoe leiden dat een wijziging van de aansluitvergunning
                    noodzakelijk is. Ook het beschikbaar komen van nieuwe gegevens over het
                    rioolstelsel en de aansluitingen daarop kan een wijziging van de vergunning
                    nodig maken. Verder kan een verandering van inzichten of omstandigheden een
                    reden zijn de voorschriften aan te vullen of te wijzigen. Gedacht kan worden aan
                    eisen in de WVO-vergunning, ontwikkelingen in het Europees recht of andere
                    ontwikkelingen die bij een behoorlijk beheer van de oppervlaktewaterkwaliteit
                    niet kunnen worden veronachtzaamd. Mede met het oog hierop bestaat de
                    mogelijkheid de aansluitvergunning tijdelijk te verlenen (artikel 2, derde
                    lid).</al><al>Het vierde lid van artikel 2 bepaalt dat aan een vergunning voorschriften kunnen
                    worden verbonden. Hierbij zal het vooral gaan om voorschriften over de
                    kwantiteit en de kwaliteit van het afvalwater. Dit vierde lid van artikel 2
                    noemt de belangen ter bescherming waarvan de vergunningsvoorschriften moeten
                    dienen. Dit zijn achtereenvolgens de bescherming van de zuiveringstechnische
                    werken en de verzekering van de doelmatige werking daarvan en het tegengaan en
                    voorkomen van de verontreiniging van het oppervlaktewater waarin met behulp van
                    het zuiveringstechnische werk wordt geloosd.</al><al>De voorschriften in een aansluitvergunning moeten kunnen worden gerelateerd aan
                    de inhoud van de WVO-vergunning die voor de lozing van het effluent van de
                    zuiveringsinstallatie is verleend en aan de waterkwaliteitseisen die gelden voor
                    het ontvangende oppervlaktewater.</al><al>Gezien de onvermijdelijke restvervuiling van het op het zuiveringstechnisch werk
                    behandelde rioolwater is het van belang de vervuilingswaarde van het aangeboden
                    rioolwater tot een uit het oogpunt van waterkwaliteitsbeleid aanvaardbaar niveau
                    terug te dringen. In het kader van een sanering van een afvalwatersituatie (bij
                    een indirecte lozer) kunnen bepaalde voorwaarden aan een aansluitvergunning
                    worden verbonden. Overbelasting van een zuiveringsinstallatie en de als gevolg
                    daarvan verminderde zuiveringsgraad kunnen daardoor worden vermeden en de aldus
                    vrijkomende zuiveringscapaciteit kan worden benut voor aansluiting van andere
                    lozingen.</al><al>De bescherming van de zuiveringstechnische werken omvat vooral de bescherming
                    tegen aantasting van transportleidingen, gemalen en onderdelen van de
                    zuiveringsinstallatie. Een voorbeeld is de aantasting van leidingen als gevolg
                    van te hoge concentraties sulfaat in het afvalwater.</al><al>Het begrip "doelmatige werking" moet ruim worden opgevat. "Doelmatige werking"
                    omvat niet alleen een optimaal, efficiënt zuiveringsproces in technische zin.
                    Het gaat ook om het voorkomen van stank en hinder op de a.w.z.i. en het
                    tegengaan van verontreiniging van zuiveringsslib. Voorts blijkt uit de
                    wetsgeschiedenis (bij de wijziging van artikel 1, vijfde lid van de WVO in 1988)
                    dat het begrip tevens een bedrijfseconomische betekenis heeft: ook de doelmatige
                    exploitatie van de a.w.z.i., dat wil zeggen de optimale werking en de benutting
                    van de aanwezige capaciteit, wordt eronder begrepen.</al><al>Artikel 2, vijfde lid geeft de mogelijkheid naast andere voorschriften
                    grenswaarden en signaleringswaarden voor bepaalde stoffen vast te stellen. Deze
                    waarden kunnen betrekking hebben zowel op de verschillende afvalwaterstromen die
                    via het openbaar riool op een door het waterschap beheerd rioolgemaal worden
                    gebracht als op de totale afvalwaterstroom die vanuit een door het waterschap
                    beheerd rioolgemaal wordt gebracht naar een a.w.z.i. </al><al>Artikel 2, zesde lid heeft tot doel de voorschriften in een aansluitvergunning
                    door te vertalen naar indirecte lozers.</al><al>Artikel 3</al><al>De eisen inzake de bij de aanvraag te verstrekken gegevens zijn beperkt. De
                    gemeente is niet verplicht standaard bepaalde gegevens te verstrekken over alle
                    bedrijven en instellingen die behoren tot bepaalde categorieën. De ervaring
                    heeft geleerd dat niet al deze gegevens relevant zijn voor het beoordelen van de
                    vergunningaanvraag of voor het bepalen van de kwantiteit en kwaliteit van het op
                    het zuiveringstechnisch werk te lozen afvalwater. </al><al>De verordening maakt daarom onderscheid tussen de bij de aanvraag te verstrekken
                    gegevens (artikel 3) en eventueel nadien (los van de vergunningaanvraag) te
                    verstrekken informatie (artikel 4). Uit de formulering van artikel 3, eerste lid
                    blijkt dat het waterschap niet verplicht is de in dit artikellid genoemde
                    gegevens te vragen; anderzijds is het waterschap bevoegd ook andere gegevens te
                    vragen dan de in dit lid genoemde gegevens. In sommige gevallen zal het
                    waterschap al beschikken over een deel van de gegevens die bij de beoordeling
                    van de aanvraag moeten worden betrokken. In dat geval kan het waterschap de
                    vergunningaanvrager toestaan om slechts de resterende gegevens te leveren. Naast
                    gegevens over de actuele situatie kunnen gegevens worden geëist over
                    voorzienbare, toekomstige wijzigingen. Daarbij kan worden gedacht aan gegevens
                    over (gefaseerd uit te voeren) saneringsmaatregelen en het afkoppelen van niet
                    verontreinigd hemelwater, koelwater, grondwater, enz. </al><al>De onderwerpen waarover gegevens worden verlangd, kunnen in een (model-)
                    aanvraagformulier worden uitgewerkt.</al><al>De gegevens die zijn verzameld in het kader van het ingevolge artikel 4.22 van
                    de WM verplicht op te stellen rioleringsplan, kunnen uiteraard mede als basis
                    dienen voor de gegevens die bij de aanvraag om een aansluitvergunning moeten
                    worden overgelegd.</al><al>Artikel 4</al><al>Artikel 4, eerste lid voorziet in een algemene informatieplicht na het verlenen
                    van een vergunning. De gemeente is volgens deze bepaling verplicht op verzoek
                    informatie te verstrekken. Deze informatie dient uiteraard verband te houden met
                    het belangenkader van de Aansluitverordening. Overigens mag ook van het
                    waterschap worden verwacht dat het de gemeente informatie verstrekt die verband
                    houdt met de aanleg en het beheer van riolering.</al><al>Op grond van artikel 4, tweede lid is de gemeente verplicht onverwijld de
                    gegevens te verstrekken die nodig zijn om oorzaken te achterhalen van een
                    ongewone samenstelling of hoeveelheid van het aangeboden afvalwater. Een
                    voorwaarde voor deze plicht is dat de afwijkingen in de samenstelling of
                    hoeveelheid van het afvalwater leiden of dreigen te leiden tot een verstoring
                    van de doelmatige werking van de zuiveringsinstallatie of een aantasting van de
                    kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater. Het derde en vierde lid van
                    artikel 4 bevatten een uitwerking van de informatieplicht die het waterschap in
                    ieder geval kan opleggen. Afhankelijk van de geconstateerde afwijkingen moet zo
                    gericht mogelijk worden gezocht naar potentiële oorzaken. De verplicht te
                    verstrekken informatie zal moeten worden gerelateerd aan de mogelijke oorzaken. </al><al>De categorieën van bedrijven en instellingen waarover informatie kan worden
                    gevraagd, zijn uiteraard de categorieën die onder de werkingssfeer van de WM
                    vallen.</al><al>Artikel 5 en 6</al><al>Artikel 5 ziet op de situatie dat een grenswaarde of signaleringswaarde wordt
                    overtreden. Hiermee is niet bedoeld een overschrijding in een enkel
                    steekmonster, maar er dient sprake te zijn van overschrijdingen die gedurende
                    een langere tijd optreden. In dat geval moet het waterschap de gemeente hiervan
                    schriftelijk melding doen. Deze melding kan leiden tot de volgende
                    verplichtingen voor de gemeente:</al><al>1. de gemeente kan worden verplicht een toename van de geconstateerde
                    overschrijding als gevolg van nieuwe lozingen op het openbaar riool te voorkomen
                    (artikel 5, tweede lid);</al><al>2. de gemeente kan worden verplicht een onderzoek te verrichten naar de oorzaken
                    van de overschrijdingen en naar de mogelijkheden om de overschrijdingen ongedaan
                    te maken (artikel 6, eerste lid);</al><al>3. op basis van de resultaten van het genoemde onderzoek kan de gemeente worden
                    verplicht maatregelen te treffen om de overschrijdingen ongedaan te maken, te
                    beperken of te voorkomen (artikel 6, derde lid).</al><al>In de aansluitvergunning of krachtens de aansluitvergunning kan het waterschap
                    ter zake nadere voorschriften uitvaardigen.</al><al>Uitgangspunt is dat het in artikel 6 genoemde onderzoek zo veel mogelijk in
                    overleg en samenwerking met het waterschap en de overige bij de regulering van
                    indirecte lozingen betrokken overheden wordt uitgevoerd.</al><al>Artikel 7</al><al>Op de voorbereiding van beschikkingen tot verlening, wijziging, intrekking of
                    weigering van een vergunning zijn (automatisch) de bepalingen van dwingend recht
                    van hoofdstuk 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht (AWB) van toepassing. Er
                    is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de in de afdelingen 3.4 en 3.5
                    van de AWB geregelde openbare voorbereidingsprocedures in de Aansluitverordening
                    van toepassing te verklaren, omdat verwacht wordt dat er normaliter niet of
                    nauwelijks sprake zal zijn van andere belanghebbenden dan de vergunningaanvrager
                    die betrokken moeten worden bij de voorbereiding van de beschikking. </al><al>In aanvulling op de procedurebepalingen in de AWB bevat artikel 7 bepalingen
                    over advisering met betrekking tot de ontwerp-beschikking en over toezending van
                    de beschikking.</al><al>Artikel 8</al><al>Analoog aan het bepaalde in artikel 9 van de WVO voorziet artikel 8 in de
                    mogelijkheid schadevergoeding toe te kennen aan de houder van de
                    aansluitvergunning indien deze als gevolg van een ambtshalve wijziging of
                    intrekking van de vergunning schade lijdt die redelijkerwijs niet of niet geheel
                    voor zijn rekening behoort te komen.</al><al>Artikel 9</al><al>Artikel 9 noemt de bevoegdheden van een toezichthoudend ambtenaar van het
                    waterschap bij het toezicht op de naleving van bij of krachtens de
                    Aansluitverordening gestelde voorschriften. De bevoegdheden zijn beperkt van
                    omvang. </al><al>Meting en bemonstering kunnen niet alleen worden uitgevoerd in die gedeelten van
                    het openbaar riool die direct liggen voor het afgiftepunt waar het afvalwater op
                    een zuiveringstechnisch werk wordt gebracht, maar zo nodig ook in andere
                    gedeelten van het openbaar riool.</al><al>Artikel 10</al><al>In artikel 81 van de Waterschapswet is bepaald welke maximum straf op
                    overtreding van een verordening kan worden gesteld. Bij handhaving van de
                    voorschriften die bij of krachtens de Aansluitverordening zijn gesteld, ligt
                    strafrechtelijke handhaving minder voor de hand. Voor het geval dat hiervoor
                    toch wordt gekozen, geeft artikel 10 een strafbepaling.</al><al>Naast of in plaats van strafrechtelijke handhaving kan bestuursrechtelijke
                    handhaving worden toegepast. Bestuursdwang (artikel 61 van de Waterschapswet) en
                    een dwangsom (artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht) zijn daarbij de
                    belangrijkste instrumenten.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>