<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271627_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-14</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Waterschap Aa en Maas</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Brabants Dagbad, 13-12-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Waterschapswet">Waterschapswet, art. 110, 113</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, Hoofdstuk IV</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-11-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2008-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Vergadering Algemeen Bestuur 30 november 2007</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën – belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De datum van ingang van de heffing is 01-01-2007.</al><al>De Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Aa en Maas 2006 zoals vastgesteld door het algemeen bestuur bij besluit van 2 december 2005 wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2007.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 24-11-2006</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Brabants Dagblad, 07-12-2006 (Gebiedsdekkend)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas 2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Aanhef</vet></al><al>Het Algemeen Bestuur van het waterschap Aa en Maas te
                        ’s-Hertogenbosch;</al><al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 18 oktober 2006</al><al>gelet op de artikelen 110 en 113, eerste lid, van de Waterschapswet en
                        hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen de volgende Verordening verontreinigingsheffing
                        waterschap Aa en Maas 2007</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>oppervlaktewater: de oppervlaktewateren ten aanzien waarvan de
                                    bevoegdheid bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren, geheel is opgedragen aan het
                                    dagelijks bestuur;</al></li><li nr="b."><al>stoffen: zuurstofbindende stoffen en de stoffen genoemd in
                                    artikel 6, van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>riolering: een voorziening voor de inzameling en het transport
                                    van afvalwater die bij een gemeente in beheer is;</al></li><li nr="d."><al>zuiveringstechnisch werk: een werk voor het zuiveren van
                                    afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een
                                    riolering;</al></li><li nr="e."><al>afvoeren: direct of indirect brengen als bedoeld in artikel 3,
                                    eerste lid;</al></li><li nr="f."><al>woonruimte: een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is
                                    om als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid en
                                    waarvan de delen blijkens de inrichting van die ruimte niet
                                    bestemd zijn om afzonderlijk in gebruik te worden gegeven;</al></li><li nr="g."><al>bedrijfsruimte: een naar zijn aard en inrichting als
                                    afzonderlijk geheel te beschouwen terrein of ruimte, niet zijnde
                                    een woonruimte, een zuiveringstechnisch werk of een
                                    riolering;</al></li><li nr="h."><al>ingenomen water: geleverd drink– en industriewater, onttrokken
                                    grond– en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater;</al></li><li nr="i."><al>de ambtenaar belast met de heffing: de door het dagelijks
                                    bestuur aangewezen ambtenaar, bedoeld in artikel 123, derde lid,
                                    onderdeel b, van de Waterschapswet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlagen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Bij deze verordening behoren de volgende bijlagen:</al><lijst><li nr="•"><al>Bijlage I: voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                                    berekening;</al></li><li nr="•"><al>Bijlage II: tabel afvalwatercoëfficiënten zoals opgenomen in
                                    artikel 22 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Belastbaar feit en heffingsplicht</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26626_0_0_1_1_"> Onder de naam verontreinigingsheffing
                                oppervlaktewateren wordt, ter bestrijding van de kosten van
                                maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van verontreiniging van
                                oppervlaktewateren, een directe belasting geheven terzake van het
                                direct of indirect brengen van stoffen in oppervlaktewater waarvoor
                                het waterschap bevoegd is, of op een zuiveringstechnisch werk dat
                                bij het waterschap in beheer is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26626_0_0_1_2_"> Aan de heffing kunnen worden
                                onderworpen:</al><lijst><li nr="a."><al>terzake van het afvoeren van stoffen vanuit een
                                        bedrijfsruimte of een woonruimte: degene die het gebruik
                                        heeft van die ruimte;</al></li><li nr="b."><al>terzake van het afvoeren van stoffen met behulp van een
                                        riolering of van een zuiveringtechnisch werk: degene bij wie
                                        die riolering of dat zuiveringtechnisch werk in beheer
                                        is;</al></li><li nr="c."><al>terzake van het afvoeren van stoffen anders dan bedoeld
                                        onder a of b: degene die de stoffen afvoert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26626_0_0_1_3_"> Voor de toepassing van het tweede lid
                                onder a, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik van een woonruimte door de leden van een huishouden
                                        aangemerkt als gebruik door het door de ambtenaar belast met
                                        de heffing aangewezen lid van dat huishouden;</al></li><li nr="b."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte
                                        in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene
                                        die het deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel
                                        in gebruik heeft gegeven is bevoegd de heffing als zodanig
                                        te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                                        gegeven;</al></li><li nr="c."><al>het ter beschikking stellen van een woonruimte of
                                        bedrijfsruimte voor volgtijdig gebruik aangemerkt als
                                        gebruik door degene die die ruimte ter beschikking heeft
                                        gesteld; degene die de ruimte ter beschikking heeft gesteld
                                        is bevoegd de heffing als zodanig te verhalen op degene aan
                                        wie de ruimte ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H26626_0_0_1_4_"> Indien stoffen door middel van een
                                zuiveringstechnisch werk waarop geen voorafgaande zuivering
                                plaatsvindt of door middel van een riolering worden afgevoerd, wordt
                                de beheerder van dat werk slechts aan een heffing onderworpen voor
                                de stoffen die de beheerder zelf op dat werk heeft gebracht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H26626_0_0_1_5_"> Voor de stoffen die door middel van een
                                zuiveringstechnisch werk worden afgevoerd, wordt slechts de
                                beheerder van dat werk aan een heffing onderworpen, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>op dat werk voorafgaande zuivering plaatsvindt; of </al></li><li nr="b."><al>dat werk in beheer is bij een andere
                                        waterkwaliteitsbeheerder. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26627_0_0_1_1_"> De heffing terzake van woonruimten en
                                bedrijfsruimten als bedoeld in artikel 15 is verschuldigd bij het
                                begin van het heffingsjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van
                                de heffingsplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26627_0_0_1_2_"> Indien terzake van woonruimten de
                                heffingsplicht als bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                heffingsjaar aanvangt, is de heffing verschuldigd voor zoveel
                                twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als
                                er in dat jaar, na de aanvang van de heffingsplicht, nog volle
                                kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht aanvangt op de
                                eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt
                                als een volle kalendermaand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26627_0_0_1_3_"> Indien terzake van woonruimten de
                                heffingsplicht bedoeld in het eerste lid in de loop van het
                                heffingsjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel
                                twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde heffing als er
                                in dat jaar, na het einde van de heffingsplicht, nog volle
                                kalendermaanden overblijven. Indien de heffingsplicht eindigt op de
                                eerste dag van een kalendermaand wordt die kalendermaand aangemerkt
                                als een volle kalendermaand.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Heffingsjaar</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>Het heffingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Aangifte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 5a</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26629_0_0_1_1_"> Met betrekking tot de
                                verontreinigingsheffing geheven van gebruikers van bedrijfsruimten
                                wordt de uitnodiging tot het doen van aangifte gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebiljet;</al></li><li nr="b."><al>het uitreiken of toezenden van een aangiftebrief waarin
                                        wordt verzocht om aangifte te doen op de wijze als bedoeld
                                        in artikel 5b, eerste lid, onderdeel b.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26629_0_0_1_2_"> Op verzoek van degene die op de wijze
                                bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is uitgenodigd tot het doen
                                van aangifte wordt door de ambtenaar belast met de heffing een
                                aangiftebiljet als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
                                toegezonden of uitgereikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5b</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26629_0_0_2_3_"> Aangifte wordt gedaan door:</al><lijst><li nr="a."><al>het inleveren of toezenden van het uitgereikte
                                        aangiftebiljet met de eventueel daarbij gevraagde
                                        bescheiden;</al></li><li nr="b."><al>het op elektronische wijze toezenden van de door de
                                        programmatuur gevraagde gegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26629_0_0_2_4_"> Indien het eerste lid, onderdeel b,
                                toepassing vindt, worden de eventueel gevraagde bescheiden
                                afzonderlijk ingeleverd of al dan niet overeenkomstig het eerste lid
                                toegezonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26629_0_0_2_5_"> Degenen die betrokken zijn bij de
                                aangifte, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dragen zorg voor
                                de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard
                                tegen verlies of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde
                                kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H26629_0_0_2_6_"> De via de programmatuur, bedoeld in het
                                eerste lid, onderdeel b, toe te zenden dan wel in te leveren
                                gegevens zijn inhoudelijk gelijk aan die welke toegezonden dan wel
                                ingeleverd hadden moeten worden indien voor de aangifte als bedoeld
                                in het eerste lid, onderdeel a.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Grondslag en heffingsmaatstaf</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_1_1_1_"> Voor de heffing bedoeld in artikel 3
                                    geldt als grondslag de hoeveelheid en de hoedanigheid van de
                                    stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26630_0_1_1_2_"> Voor de heffing geldt als
                                    heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een
                                    kalenderjaar worden afgevoerd. De vervuilingswaarde wordt
                                    uitgedrukt in vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26630_0_1_1_3_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot zuurstofbindende stoffen wordt bepaald op basis
                                    van de som van het chemisch zuurstofverbruik en het
                                    zuurstofverbruik door omzetting van stikstofverbindingen, zoals
                                    voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén
                                    vervuilingseenheid vertegenwoordigt met betrekking tot
                                    zuurstofbindende stoffen een verbruik in het heffingsjaar van
                                    49,6 kilogram zuurstof.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H26630_0_1_1_4_"> Het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver,
                                    zink, arseen, kwik, cadmium, chloride, sulfaat en fosfor wordt
                                    bepaald op basis van de afgevoerde gewichtshoeveelheden, zoals
                                    voorgeschreven in Bijlage I van deze verordening. Eén
                                    vervuilingseenheid vertegenwoordigt een in het heffingsjaar
                                    afgevoerde gewichtshoeveelheid van:</al><lijst><li nr="a."><al>1 kilogram van de stoffen chroom, koper, lood, nikkel,
                                            zilver en zink; </al></li><li nr="b."><al>0,100 kilogram van de stoffen arseen, cadmium en kwik;
                                        </al></li><li nr="c."><al>650 kilogram van de stoffen chloride en sulfaat; </al></li><li nr="d."><al>20 kilogram van de stof fosfor. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H26630_0_1_1_5_"> De stoffen zilver, chloride, sulfaat
                                    en fosfor worden niet aan de heffing onderworpen.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Meting, bemonstering en analyse</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_2_2_6_"> Het aantal vervuilingseenheden van
                                    zuurstofbindende en andere stoffen wordt berekend met behulp van
                                    door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens. De
                                    meting, bemonstering, analyse en berekening geschieden met in
                                    achtneming van de in Bijlage I opgenomen voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26630_0_2_2_7_"> De in het eerste lid bedoelde
                                    meting, bemonstering en analyse geschieden ieder etmaal van het
                                    heffingsjaar, behoudens het bepaalde in artikel 8.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26630_0_2_2_8_"> De meting, bemonstering en analyse
                                    geschieden zodanig dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5%
                                            afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater; </al></li><li nr="b."><al>het verkregen monster representatief is voor de totale
                                            hoeveelheid stoffen die gedurende de
                                            bemonsteringsperiode vanuit het bedrijf of het
                                            bedrijfsonderdeel wordt afgevoerd. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H26630_0_2_2_9_"> De heffingsplichtige brengt de wijze
                                    van meting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor
                                    te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter
                                    kennis van de ambtenaar belast met de heffing.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H26630_0_2_2_10_"> De ambtenaar belast met de
                                    heffing:</al><lijst><li nr="a."><al>kan ambtshalve bepalen dat meting en bemonstering
                                            geschieden in afwijking van één of meer van de in
                                            Bijlage I, onderdeel A, opgenomen voorschriften, indien
                                            deze aannemelijk maakt dat dit noodzakelijk is ter
                                            voldoening aan het bepaalde in het derde lid, onderdelen
                                            a en b; </al></li><li nr="b."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat meting
                                            en bemonstering kunnen geschieden in afwijking van een
                                            of meer van de in Bijlage I, onderdeel A, opgenomen
                                            voorschriften, indien de heffingsplichtige aannemelijk
                                            maakt dat daarbij wordt voldaan aan het bepaalde in het
                                            derde lid, onderdelen a en b; </al></li><li nr="c."><al>beslist op aanvraag van de heffingsplichtige, dat kan
                                            worden afgeweken van de in Bijlage I, onderdeel B,
                                            opgenomen analysevoorschriften, indien de
                                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat de
                                            nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse hierdoor
                                            niet wordt beïnvloed; </al></li><li nr="d."><al>kan omtrent de afwijkingen als bedoeld in de onderdelen
                                            a, b en c nadere voorschriften geven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H26630_0_2_2_11_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                    neemt zijn beslissing, bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a,
                                    b en c, bij voor bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking
                                    bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorschriften van Bijlage I, onderdelen A en B,
                                            waarvan wordt afgeweken; </al></li><li nr="b."><al>de afwijkingen bedoeld in het vijfde lid, onderdelen a,
                                            b en c; </al></li><li nr="c."><al>de nadere voorschriften bedoeld in het vijfde lid,
                                            onderdeel d; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                            waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al id="anker-H26630_0_2_2_12_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                    is bevoegd twee of meer ingevolge het vijfde lid genomen
                                    beschikkingen, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of
                                    hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift te verenigen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al id="anker-H26630_0_2_2_13_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                    kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de
                                    hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk
                                    af te voeren stoffen, de desbetreffende beschikkingen , bedoeld
                                    in het vijfde lid , ambtshalve wijzigen of intrekken in verband
                                    met het bepaalde in het eerste lid en het derde lid, onderdelen
                                    a. en b.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beperkte meting, bemonstering en analyse </titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_3_3_14_"> Op aanvraag van de
                                    heffingsplichtige, die aannemelijk maakt dat voor de berekening
                                    van het aantal vervuilingseenheden kan worden volstaan met
                                    gegevens welke met behulp van meting, bemonstering en analyse in
                                    een beperkt aantal etmalen zijn verkregen, besluit de ambtenaar
                                    belast met de heffing dat meting en bemonstering geschieden in
                                    afwijking van het bepaalde in artikel 7, tweede lid. Het besluit
                                    op aanvraag wordt genomen bij een voor bezwaar vatbare
                                    beschikking. Deze beschikking bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een opgave van de afvalstromen en de stoffen welke in
                                            het onderzoek dienen te worden betrokken; </al></li><li nr="b."><al>de tijdvakken waarin meting en bemonstering geschieden,
                                            hetzij ieder etmaal van die tijdvakken, hetzij één of
                                            meer daartoe aangewezen etmalen daarvan; </al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop de op de voet van letter b verkregen
                                            uitkomsten worden herleid tot het aantal
                                            vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak,
                                            onderscheidenlijk over het heffingsjaar; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                            waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26630_0_3_3_15_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                    kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de
                                    hoeveelheid of hoedanigheid van de afgevoerde, respectievelijk
                                    af te voeren stoffen, de desbetreffende beschikking, bedoeld in
                                    het eerste lid, ambtshalve wijzigen of intrekken, indien
                                    toepassing van berekeningsvoorschrift IV van onderdeel C van
                                    bijlage I leidt tot een ander aantal etmalen dan in die
                                    beschikking is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26630_0_3_3_16_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                    neemt zijn beslissing, bedoeld in het tweede lid, bij voor
                                    bezwaar vatbare beschikking.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Hoedanigheidscorrectie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_4_4_17_"> Indien de uitkomst van de methode
                                    tot bepaling van het chemisch zuurstofverbruik bedoeld in
                                    artikel 6 in belangrijke mate is beïnvloed door biologisch niet
                                    of nagenoeg niet afbreekbare stoffen, wordt op aanvraag van de
                                    heffingsplichtige op die uitkomst een correctie toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26630_0_4_4_18_"> De berekening van de correctie
                                    geschiedt met inachtneming van de voorschriften welke zijn
                                    opgenomen in Bijlage I, onderdeel C.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26630_0_4_4_19_"> De ambtenaar belast met de heffing
                                    neemt zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid, bij voor
                                    bezwaar vatbare beschikking. Deze beschikking bevat in elk
                                    geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de wijze van berekening van de correctie; </al></li><li nr="b."><al>de hoeveelheid en samenstelling van het afvalwater
                                            waarop de correctie van toepassing is; </al></li><li nr="c."><al>de frequentie en de wijze van onderzoek met betrekking
                                            tot meting, bemonstering en analyse; </al></li><li nr="d."><al>een vermelding van het heffingsjaar of de heffingsjaren
                                            waarvoor de beschikking wordt gegeven. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tabel afvalwatercoëfficiënten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_5_5_20_"> In afwijking van het bepaalde in
                                    artikel 7, eerste lid, kan het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar voor een
                                    bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan worden vastgesteld met
                                    behulp van de in Bijlage II van deze verordening opgenomen tabel
                                    afvalwatercoëfficiënten, indien door de heffingsplichtige
                                    aannemelijk is gemaakt dat het aantal vervuilingseenheden met
                                    betrekking tot het zuurstofverbruik in een kalenderjaar 1.000 of
                                    minder bedraagt en dit aantal aan de hand van de hoeveelheid
                                    ingenomen water kan worden bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het aantal vervuilingseenheden als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt berekend volgens de formule </al><al> A x B, waarbij </al><al> A = het aantal m³ in het kalenderjaar ten behoeve van de
                                    bedrijfsruimte of het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen </al><al> water; </al><al> B = de afvalwatercoëfficiënt behorende bij de klasse van de in
                                    Bijlage II opgenomen tabel met de klassegrenzen </al><al> waarbinnen de vervuilingswaarde met betrekking tot het
                                    zuurstofverbruik per m³ ten behoeve van de bedrijfsruimte </al><al> of van het onderdeel van de bedrijfsruimte ingenomen water is
                                    gelegen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26630_0_5_5_22_"> De vervuilingswaarde met betrekking
                                    tot het zuurstofverbruik per m³ als bedoeld in het tweede lid
                                    wordt bepaald met toepassing van de algemene maatregel van
                                    bestuur als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van de Wet
                                    verontreiniging oppervlaktewateren.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H26630_0_5_5_23_"> Indien het aantal
                                    vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik in
                                    een kalenderjaar voor een bedrijfsruimte of een onderdeel
                                    daarvan meer dan 1.000 bedraagt en de heffingsplichtige
                                    aannemelijk maakt dat de berekening van het aantal
                                    vervuilingseenheden met toepassing van de in het eerste lid,
                                    aanhef, bedoelde tabel tot geen lagere uitkomst leidt dan die
                                    welke wordt verkregen bij berekening op de voet van artikel 7,
                                    eerste lid, beslist de ambtenaar belast met de heffing bij voor
                                    bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van heffingsplichtige
                                    dat het aantal vervuilingseenheden wordt berekend met toepassing
                                    van de tabel.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Belasting van tuinbouwkassen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_6_6_24_"> In afwijking van artikel 7, eerste
                                    lid, wordt de vervuilingswaarde van de stoffen die worden
                                    afgevoerd vanuit een bedrijfsruimte of een onderdeel van een
                                    bedrijfsruimte bestemd om in het kader van de uitoefening van
                                    een beroep of een bedrijf onder een permanente opstand van glas
                                    of kunststof gewassen te telen, bepaald op basis van het tweede
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26630_0_6_6_25_"> De vervuilingswaarde bedraagt 3
                                    vervuilingseenheden per hectare vloeroppervlak waarop onder glas
                                    of kunststof wordt geteeld en per deel van een hectare
                                    vloeroppervlak een evenredig deel van 3
                                    vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26630_0_6_6_26_"> Indien in de loop van het
                                    kalenderjaar het gebruik van een in het eerste lid bedoelde
                                    bedrijfsruimte of onderdeel van een bedrijfsruimte, dan wel van
                                    een deel daarvan, door de gebruiker aanvangt of eindigt, wordt
                                    hij in dat kalenderjaar voor die bedrijfsruimte, dat onderdeel
                                    of dat deel voor een evenredig gedeelte van het op basis van het
                                    tweede lid bepaald aantal vervuilingseenheden aan een heffing
                                    onderworpen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H26630_0_6_6_27_"> Een vervuilingswaarde voor de
                                    bedrijfsruimte of het onderdeel van een bedrijfsruimte, berekend
                                    op basis van het tweede of derde lid, van minder dan 5
                                    vervuilingsheeneden wordt op 3 vervuilingseenheden, en van 1 of
                                    minder dan 1 vervuilingseenheid op 1 vervuilingseenheid
                                    gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Franchise</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_7_7_28_"> Voor de berekening van het aantal
                                    vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van
                                    stoffen chroom, koper, lood, nikkel en zink wordt een aftrek
                                    toegepast, met dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden
                                    niet lager dan op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt
                                    bepaald door het totaal aantal vervuilingseenheden van de
                                    zuurstofbindende stoffen, als berekend op grond van de artikelen
                                    7 tot en met 11, te vermenigvuldigen met 0,0162.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26630_0_7_7_29_"> Voor de berekening van het aantal
                                    vervuilingseenheden in het heffingsjaar voor de groep van
                                    stoffen arseen, cadmium en kwik wordt een aftrek toegepast, met
                                    dien verstande dat het aantal vervuilingseenheden niet lager dan
                                    op nihil kan worden gesteld. De aftrek wordt bepaald door het
                                    totaal aantal vervuilingseenheden van de zuurstofbindende
                                    stoffen, als berekend op grond van de artikelen 7 tot en met 11,
                                    te vermenigvuldigen met 0,0027.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Drempel en meetverplichting</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_8_8_30_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                    betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een
                                    bedrijfsruimte minder bedraagt dan 1.000 vervuilingseenheden
                                    wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                            chroom, koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld,
                                            tenzij de ambtenaar belast met de heffing aannemelijk
                                            maakt dat het aantal vervuilingseenheden met betrekking
                                            tot deze stoffen de in artikel 12, eerste lid bedoelde
                                            aftrek te boven gaat; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                            arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, tenzij de
                                            ambtenaar belast met de heffing aannemelijk maakt dat
                                            het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                                            stoffen de in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek te
                                            boven gaat. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26630_0_8_8_31_"> Indien de vervuilingswaarde met
                                    betrekking tot de zuurstofbindende stoffen van een
                                    bedrijfsruimte 1.000 vervuilingseenheden of meer bedraagt,
                                    wordt, in afwijking van het bepaalde in artikel 7:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                            chroom, koper, lood, nikkel en zink op nihil gesteld,
                                            indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het
                                            aantal vervuilingseenheden met betrekking tot deze
                                            stoffen de in artikel 12, eerste lid, bedoelde aftrek
                                            niet te boven gaat; </al></li><li nr="b."><al>het aantal vervuilingseenheden van de groep van stoffen
                                            arseen, cadmium en kwik op nihil gesteld, indien de
                                            heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                            vervuilingseenheden met betrekking tot deze stoffen de
                                            in artikel 12, tweede lid, bedoelde aftrek niet te boven
                                            gaat. </al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Totale vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><al>De vervuilingswaarde van een bedrijfsruimte, wordt bepaald op de som
                                van de aantallen vervuilingseenheden als berekend overeenkomstig de
                                artikelen 7 tot en met 13, voor zover deze van toepassing zijn.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Forfaits voor kleine bedrijfsruimten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15</titel></kop><al>In afwijking van artikel 7, eerste lid, wordt de vervuilingswaarde
                                van de stoffen die vanuit een bedrijfsruimte of vanuit een
                                zuiveringstechnisch werk voor het zuiveren van afvalwater worden
                                afgevoerd gesteld op 3 vervuilingseenheden indien door de
                                heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die vervuilingswaarde
                                minder dan 5 vervuilingseenheden bedraagt en op 1 vervuilingseenheid
                                indien door de heffingsplichtige aannemelijk is gemaakt dat die
                                vervuilingswaarde 1 vervuilingseenheid of minder bedraagt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Forfaits voor woonruimten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 16</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26630_0_11_11_32_"> De vervuilingswaarde van een
                                    woonruimte is 3 vervuilingseenheden, met dien verstande dat voor
                                    een woonruimte die door één persoon wordt gebruikt, op aanvraag
                                    van de gebruiker, de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid
                                    wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26630_0_11_11_33_"> Het eerste lid is niet van
                                    toepassing op de voor recreatiedoeleinden bestemde woonruimten
                                    die zich bevinden op een voor verblijfsrecreatie bestemd terrein
                                    dat als zodanig wordt geëxploiteerd. De in de vorige volzin
                                    bedoelde woonruimten worden tezamen aangemerkt als een
                                    bedrijfsruimte dan wel als onderdeel van een
                                    bedrijfsruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26630_0_11_11_34_"> Indien de in het eerste lid
                                    bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één
                                    persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de
                                    vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid vastgesteld met ingang
                                    van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de
                                    kalendermaand waarin die situatie is ontstaan. Indien de
                                    hiervoor bedoelde situatie ontstaat op de eerste dag van een
                                    kalendermaand, wordt de vervuilingswaarde met ingang van die dag
                                    op 1 vervuilingseenheid vastgesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Schatting</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17</titel></kop><al>De ambtenaar belast met de heffing kan het aantal
                                vervuilingseenheden in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk door
                                middel van schatting vaststellen, indien door de
                                heffingsplichtige:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder de in artikel 8 genoemde toestemming niet is voldaan
                                        aan de in artikel 7, tweede lid, opgenomen verplichting;
                                    </al></li><li nr="b."><al>niet of niet geheel is voldaan aan de voorwaarden, verbonden
                                        aan de in artikel 8 genoemde toestemming; </al></li><li nr="c."><al>meting, bemonstering en analyse niet of niet geheel zijn
                                        geschied in overeenstemming met de in bijlage I opgenomen
                                        voorschriften; </al></li><li nr="d."><al>niet is voldaan aan de in artikel 7, eerste lid, eerste
                                        volzin, opgenomen verplichting en bepaling van de
                                        vervuilingswaarde overeenkomstig artikel 10, eerste en
                                        vierde lid, of de artikelen 11, 15 en 16 niet mogelijk is
                                        dan wel bepaling van de vervuilingswaarde op basis van
                                        artikel 10, vierde lid, wel mogelijk is en door de
                                        heffingsplichtige gedurende het heffingsjaar geen aanvraag
                                        als bedoeld in artikel 10, vierde lid, is ingediend. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Tarief</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 18</titel></kop><al>Het tarief bedraagt per vervuilingseenheid € 43,08.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Wijze van heffing en termijnen van betaling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_1_1_"> De heffing wordt geheven bij wege van
                                aanslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_1_2_"> Tenzij op het aanslagbiljet anders is
                                vermeld, dienen de aanslagen voor een woonruimte of een
                                bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 15, te worden betaald tegelijk
                                met en op dezelfde wijze als die waarop de nota’s van het
                                nutsbedrijf, in wiens verzorgingsgebied de ruimte is gelegen, moeten
                                worden betaald. In dat geval moet de aanslag worden betaald in een
                                aantal termijnen dat overeenkomt met het aantal nota’s dat in het
                                heffingsjaar in het verzorgingsgebied van het betreffende
                                nutsbedrijf verschijnt. Ingeval aan de heffingsplichtige door het
                                nutsbedrijf geen nota’s worden verzonden, moet de aanslag worden
                                betaald in één termijn welke vervalt twee maanden na de dagtekening
                                van het aanslagbiljet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_1_3_"> Een met een belastingaanslag
                                gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete als genoemd
                                in artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990,
                                die gelijktijdig en in verband met de vaststelling van de
                                belastingaanslag is opgelegd, is invorderbaar overeenkomstig de
                                termijnen die gelden voor de belastingaanslag. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_1_4_"> Indien de heffingsplicht in de loop van
                                het heffingsjaar ontstaat dan wel indien een aanslag wordt opgelegd
                                nadat reeds een of meer van de in het tweede lid genoemde nota’s
                                zijn verschenen, is de aanslag invorderbaar in zoveel gelijke
                                termijnen als na het ontstaan van de heffingsplicht of na het
                                opleggen van de aanslag in het heffingsjaar nog nota’s van het
                                nutsbedrijf verschijnen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_1_5_"> De aanslagen, daaronder begrepen
                                voorlopige aanslagen, voor een bedrijfsruimte, anders dan bedoeld in
                                artikel 15, dienen te worden betaald in één termijn welke vervalt
                                twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_1_6_"> Een navorderingsaanslag is invorderbaar
                                een maand na dagtekening van het aanslagbiljet.</al></lid><lid><lidnr/><al><vet>Nadere regels</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>Het dagelijks bestuur van het waterschap kan nadere regels geven met
                            betrekking tot de heffing en de invordering van de
                            verontreinigingsheffing.</al><al><vet>Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_3_7_"> De Verordening verontreinigingsheffing
                                Waterschap Aa en Maas 2006 zoals vastgesteld door het algemeen
                                bestuur bij besluit van 2 december 2005 wordt ingetrokken met ingang
                                van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing,
                                met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare
                                feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_3_8_"> Deze verordening treedt in werking op de
                                eerste dag na die van de bekendmaking</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_3_9_"> De datum van ingang van de heffing is 1
                                januari 2007</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al id="anker-H26631_0_0_3_10_"> Deze verordening wordt aangehaald als
                                “Verordening verontreinigingsheffing waterschap Aa en Maas
                                2007”.</al></lid><lid><lidnr/><al>Aldus vastgesteld door het Algemeen Bestuur op 24 november
                                2006.</al></lid><lid><lidnr/><al>de griffier, de dijkgraaf, </al></lid><lid><lidnr/><al>Drs. C.J.E. van Vlokhoven Drs. L.H.J. Verheijen</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage I Voorschriften voor meting, bemonstering, analyse en
                            berekening</titel></kop><paragraaf><kop><titel>Definitiebepalingen </titel></kop><structuurtekst><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>etmaal: de aaneengesloten periode van 24 uur waarover een
                                        etmaalverzamelmonster wordt samengesteld; </al></li><li nr="b."><al>debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende het
                                        etmaal; </al></li><li nr="c."><al>debietmeter: meter waarmee (bijvoorbeeld door middel van
                                        magnetische inductie) het debiet gemeten wordt; </al></li><li nr="d."><al>momentaan debiet: de hoeveelheid geloosd afvalwater
                                        gedurende een moment van meting; </al></li><li nr="e."><al>kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten
                                        opzichte van een van toepassing zijnde standaard; </al></li><li nr="f."><al>droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een
                                        doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter
                                        wordt gesimuleerd; </al></li><li nr="g."><al>nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij
                                        daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof
                                        door de debietmeter wordt geleid; </al></li><li nr="h."><al>gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een
                                        gesloten leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het
                                        afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht; </al></li><li nr="i."><al>open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het
                                        stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht;
                                    </al></li><li nr="j."><al>moedermeter: debietmeter, waarvan de installatie kan worden
                                        herleid naar de nationale volumestandaard van het Nederlands
                                        Meetinstituut; </al></li><li nr="k."><al>bewaartermijn: de periode tussen het einde van het etmaal en
                                        het begin van de voorbehandeling ten behoeve van de
                                        uitvoering van de analyse; </al></li><li nr="l."><al>aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component
                                        in het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde
                                        betrouwbaarheid kan worden vastgesteld, zijnde 3x de
                                        spreiding van binnenlabreproduceerbaarheid.</al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Algemeen</titel></kop><structuurtekst><al>De meet– en bemonsteringsvoorzieningen verkeren in een goede staat,
                                worden regelmatig schoongemaakt en zijn altijd goed en veilig
                                toegankelijk. De meet– en bemonsteringsvoorzieningen worden
                                overeenkomstig onderstaande bepalingen respectievelijk NEN 6600–1
                                geïnstalleerd en onderhouden. Een afvalwaterstroom kan zowel in een
                                open als in een gesloten meetsysteem worden gemeten en
                                bemonsterd.</al><al>In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de meting en in paragraaf 3
                                op de bemonstering.</al><al>In paragraaf 4 wordt nader ingegaan op de behandeling van het
                                samengestelde etmaalverzamelmonster.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Meting</titel></kop><structuurtekst><al>De meting betreft het debiet. Het debiet wordt in de
                                afvalwaterstroom gemeten.</al><al>In de plaats van de meting in de afvalwaterstroom kan het debiet
                                worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het
                                watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. In
                                het laatstbedoelde geval mag de per etmaal afgevoerde hoeveelheid
                                afvalwater niet groter zijn dan de in dezelfde periode toegevoerde
                                hoeveelheid water.</al></structuurtekst><artikel><kop><titel>2.1 Open meetsystemen</titel></kop><lid><lidnr/><al>Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot
                                    toegepast.</al></lid><lid><lidnr/><al>Bij toepassing van een meetput gelden de volgende eisen:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26632_0_4_1_1_"> de momentane debieten in het etmaal,
                                    gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,05 meter, bedragen
                                    gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26632_0_4_1_2_"> de momentane debieten in het etmaal,
                                    gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,125 meter,
                                    bedragen gesommeerd minder dan 10% van het gemeten debiet.</al></lid><lid><lidnr/><al>Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten
                                    in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk
                                    momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten
                                    debiet.</al></lid><lid><lidnr/><al>De apparatuur voor de hoogtemeting wordt minimaal éénmaal per
                                    jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter
                                    droog gekalibreerd. In het kalibratierapport wordt voor elke
                                    overstorthoogte een vergelijking gemaakt tussen de gemeten
                                    hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren,
                                    en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de
                                    afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid
                                    afvalwater over de periode van het kalibreren. Zowel het
                                    absolute als het procentuele verschil wordt hierbij worden
                                    aangegeven. Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de
                                    temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en
                                    gecorrigeerd bij afwijking.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>2.2 Gesloten meetsystemen</titel></kop><al>De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het
                                maximaal mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan
                                5% van het gemeten debiet.</al><al>Het gesloten meetsysteem is voorzien van een niet–resetbare
                                mechanische pulsteller.</al><al>Registratie van momentane meetgegevens vindt plaats door middel van
                                een printer of datalogger.</al><al><vet>Inbouw</vet></al><al>Bij de inbouw van een nieuwe debietmeter in een gesloten meetsysteem
                                wordt een ‘affabriek’ kalibratierapport meegeleverd, waarop naast de
                                meterspecifieke kalibratiefactor, óók de correctiefactor, of
                                meterconstante staat aangegeven. Natte kalibratie in ingebouwde
                                toestand vindt direct plaats na inwerkingstelling van de
                                debietmeter.</al><al>Voorts worden aan de inbouw de volgende eisen gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij het inbouwen wordt rekening gehouden worden met de
                                        mogelijkheid tot het uitvoeren van een natte kalibratie
                                        in–situ. </al></li><li nr="b."><al>De lengte van de rechte leiding vóór de meetbuis bedraagt
                                        minimaal vijf maal de diameter van de meetbuis, gerekend
                                        vanuit het hart van de meter. </al></li><li nr="c."><al>De lengte van de rechte leiding ná de meetbuis bedraagt
                                        minimaal twee maal de diameter van de meetbuis, gerekend
                                        vanuit het hart van de meter. </al></li><li nr="d."><al>De diameter van de rechte leiding vóór en ná de meetbuis is
                                        exact gelijk aan de diameter van de meetbuis. </al></li><li nr="e."><al>Toegepaste pakkingen steken niet naar binnen toe uit. </al></li><li nr="f."><al>De meetbuis is dusdanig ingebouwd dat deze altijd volledig
                                        gevuld is met water. </al></li><li nr="g."><al>De meter is geaard door middel van een aardring, dan wel met
                                        een aardelectrode die is ingebouwd in de meter. </al></li></lijst><al><cursief>Natte kalibratie</cursief></al><al>De meetapparatuur wordt ten minste éénmaal per drie jaar in
                                ingebouwde toestand nat gekalibreerd. In het jaar van natte
                                kalibratie hoeft niet tevens een droge kalibratie te worden
                                uitgevoerd.</al><al>Voor debietmeters in mobiele meetapparatuur vindt de natte
                                kalibratie jaarlijks plaats in ingebouwde toestand bij minimaal de
                                volgende vijf meetpunten: 10%, 25%, 50%, 75% en 100% van het
                                maximaal meetbereik op een ijkinstallatie of NKO–geaccrediteerde
                                instelling, waarvan de installatie kan worden herleid naar de
                                nationale volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut
                                (NMi).</al><al>Voorts worden aan de natte kalibratie de volgende eisen
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Minimaal éénmaal per drie jaar worden gesloten meetsystemen
                                        in ingebouwde toestand nat gekalibreerd. Onder natte
                                        kalibratie wordt verstaan dat een vooraf nauwkeurig bepaalde
                                        hoeveelheid water door de te kalibreren meter wordt geleid
                                        (waarbij deze hoeveelheid is vastgesteld bij een onder b
                                        genoemde instelling), dan wel dat tijdelijk een tweede, bij
                                        voorkeur op hetzelfde meetprincipe gebaseerd meetsysteem in
                                        serie wordt geplaatst en fungeert als moedermeter, dan wel
                                        op een andere, door de ambtenaar belast met de heffing
                                        goedgekeurde methode. </al></li><li nr="b."><al>Indien bij de natte kalibratie gebruik gemaakt wordt van een
                                        moedermeter, wordt deze in ingebouwde toestand nat
                                        gekalibreerd bij minimaal de volgende vijf meetpunten: 10%,
                                        25%, 50%, 75% en 100% van het maximaal meetbereik. De natte
                                        kalibratie vindt plaats op een ijkinstallatie van een
                                        ijkbevoegde of NKO–geaccrediteerde instelling, waarvan de
                                        installatie kan worden herleid naar de nationale
                                        volumestandaard van het Nederlands Meetinstituut (NMi). Ook
                                        wanneer de moedermeter nieuw is, wordt deze gekalibreerd op
                                        één van de genoemde installaties, waarbij de meter is
                                        ingebouwd in de meetset of meetwagen waarin deze in de
                                        praktijk zal worden ingezet. </al></li><li nr="c."><al>Het kalibratierapport van de moedermeter, waaruit het onder
                                        b bepaalde moet blijken, mag niet ouder zijn dan één jaar.
                                        Dit kalibratierapport wordt bij die van het gekalibreerde
                                        meetsysteem gevoegd. </al></li><li nr="d."><al>Tijdens de natte kalibratie wordt zoveel water door het te
                                        kalibreren meetsysteem geleid, dat minimaal 2.000
                                        waarnemingen worden bereikt. Bij gebruik van een moedermeter
                                        vindt de natte kalibratie plaats in het meetbereik waarin de
                                        te kalibreren meter onder normale bedrijfsomstandigheden
                                        functioneert. </al></li><li nr="e."><al>Tijdens de natte kalibratie worden de gemeten hoeveelheden
                                        water van de te kalibreren flowmeter (én van de moedermeter,
                                        wanneer daarvan sprake is) door middel van printers of
                                        dataloggers met een frequentie van minimaal éénmaal per uur
                                        geregistreerd. In geval van het toepassen van dataloggers
                                        worden ook de ruwe, onbewerkte data bij het
                                        kalibratierapport gevoegd. </al></li><li nr="f."><al>Bij de natte kalibratie wordt ook de randapparatuur, voor
                                        zover die betrokken is bij de registratie van de
                                        meetgegevens, op een goede werking gecontroleerd. </al></li></lijst><al><cursief>Droge kalibratie</cursief></al><al>Meetapparatuur voor debietmetingen wordt ten minste éénmaal per jaar
                                droog gekalibreerd, tenzij in dat jaar een natte kalibratie
                                plaatsvindt.</al><al>Voorts worden aan de droge kalibratie de volgende eisen
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Bij een droge kalibratie wordt de weerstand of de
                                        geleidbaarheid tussen de elektroden gemeten. Wanneer aan de
                                        hand van deze controle blijkt dat de meetbuis (mogelijk)
                                        vervuild is, dient deze te worden gereinigd. </al></li><li nr="b."><al>Op het kalibratierapport van een droge kalibratie wordt de
                                        weerstand of de geleidbaarheid tussen de elektroden
                                        weergegeven. Wanneer de meetbuis is gereinigd, wordt deze
                                        waarde zowel vóór, als ná het reinigen in het
                                        kalibratierapport vermeld. </al></li><li nr="c."><al>Bij de droge kalibratie wordt ook de werking van
                                        randapparatuur, voor zover die betrokken is bij de
                                        registratie van de meetgegevens, op een goede werking
                                        gecontroleerd. </al></li><li nr="d."><al>Wanneer bij een droge kalibratie blijkt dat de meetfout
                                        groter is dan 5%, wordt het gesloten meetsysteem
                                        onmiddellijk in ingebouwde toestand nat gekalibreerd,
                                        volgens de bepalingen welke van toepassing zijn bij een
                                        natte kalibratie. </al></li></lijst><al><cursief>Kalibratierapport</cursief></al><al>Van een debietmeter moet het meest recente kalibratierapport bij de
                                aangifte overgelegd worden.</al><al>Bij een natte kalibratie in ingebouwde toestand (dat wil zeggen: ter
                                plekke op het bedrijf, of als complete mobiele meetset op een
                                ijkbank van een daartoe bevoegde instantie), worden de volgende
                                aspecten vastgesteld én gerapporteerd op het kalibratierapport:</al><lijst><li nr="•"><al>de ‘as–found’ meetafwijking (de gevonden meetafwijking);
                                    </al></li><li nr="•"><al>eventuele hardwarematige aanpassingen (nieuwe spoel, etc.);
                                    </al></li><li nr="•"><al>de justering (softwarematige aanpassing van de
                                        correctiefactor/meterconstante); </al></li><li nr="•"><al>de ‘as–left’ meetafwijking, eventueel na hardwarematige
                                        aanpassing/justering; </al></li><li nr="•"><al>de (eventueel nieuwe) correctiefactor, of meterconstante.
                                    </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 3 Bemonstering</titel></kop><artikel><kop><titel>3.1 Algemeen, Instelling en Uitvoering van Apparatuur</titel></kop><al>De bemonstering dient plaats te vinden met behulp van automatische
                                monstername–apparatuur. De bemonstering geschiedt in overeenstemming
                                met NEN 6600–1 (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2002), met
                                dien verstande dat bemonstering door steekbemonstering niet is
                                toegestaan, tenzij anders bepaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 4 Monsterbehandeling</titel></kop><artikel><kop><titel>4.1 Algemeen</titel></kop><al>De monsterbehandeling geschiedt in overeenstemming met NEN 6600–1
                                (Water–Monsterneming–Deel 1: Afvalwater 2002.</al><al>De monsterflessen bestemd voor analyse door de heffingplichtige en
                                voor contra–analyse vanwege de ambtenaar belast met de heffing
                                worden om en om gevuld. </al><al>Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat het monster voor de analyse
                                op een heffingsparameter door de heffingplichtige en voor de
                                desbetreffende contra–analyse vanwege de ambtenaar belast met de
                                heffing zoveel mogelijk identiek zijn.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.2 Conservering en maximale bewaartermijn</titel></kop><al>De monsters uit het etmaalverzamelmonster worden tot en met het
                                einde van de bewaartermijn geconserveerd op de wijze zoals is
                                aangegeven in tabel A. Als een monster uit het etmaalverzamelmonster
                                wordt ingevroren of chemisch geconserveerd, geschiedt dit binnen 4
                                uur na afloop van het etmaal. De eventuele voorschriften met
                                betrekking tot chemische conservering gelden in aanvulling op de
                                voorschriften met betrekking tot de conserveringstemperatuur
                                gedurende de bewaartermijn.</al><al>In tabel A zijn tevens de maximale bewaartermijnen opgenomen die
                                gelden voor de onderscheidenlijk uit te voeren analyses. </al><al>De voorbehandeling ten behoeve van een analyse vangt na het einde
                                van het etmaal aan, binnen de maximale bewaartermijn die bij de
                                desbetreffende analyse in tabel A is vermeld. De voorbehandeling van
                                het monster ten behoeve van de analyse, waaronder ondermeer wordt
                                begrepen het ontdooien van bevroren monsters, wordt uitgevoerd op
                                een wijze en binnen een zodanige termijn dat daardoor de
                                representativiteit van het monster niet wordt verstoord. Een monster
                                dat op één van de in tabel A aangegeven wijzen chemisch is
                                geconserveerd wordt niet gebruikt voor één van de in tabel A
                                opgenomen wijzen van analyse, waarvoor op basis van tabel A geen of
                                andere voorschriften op het vlak van de chemische conservering
                                gelden.</al><table><title>Tabel A</title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>Analyse op:</al></entry><entry><al>Methode van conserveren</al></entry><entry><al>Temperatuur [T] van het monster tot het einde
                                                  van de bewaartermijn, in °C</al></entry><entry><al>Maximale bewaartermijn</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) &lt; 50
                                                  mg/l</al></entry><entry><al>koelen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>24 uur</al></entry></row><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) &gt;=50
                                                  mg/l</al></entry><entry><al>koelen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>24 uur</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>invriezen</al></entry><entry><al>T&lt;= – 18</al></entry><entry><al>72 uur</al></entry></row><row><entry><al>Chemisch zuurstofverbruik (CZV)</al></entry><entry><al>koelen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>48 uur</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18 M) tot pH
                                                  &lt;2</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>invriezen</al></entry><entry><al>T&lt;= – 18</al></entry><entry><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al>Kjeldahlstikstof (N–Kj)</al></entry><entry><al>koelen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>48 uur </al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>aanzuren met geconcentreerd H2SO4 (18 M) tot pH
                                                  &lt;2</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>invriezen</al></entry><entry><al>T&lt;= – 18</al></entry><entry><al>5 dagen</al></entry></row><row><entry><al>Cadmium, arseen, chroom, koper, lood, nikkel,
                                                  zilver en zink</al></entry><entry><al>aanzuren met HNO3 (15 M) tot pH &lt;2</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row><row><entry><al>Kwik (Hg)</al></entry><entry><al>aanzuren met HNO3 (15 M) tot pH &lt;2 en
                                                  minimaal 0,5 g K2Cr2O7 per liter toevoegen</al></entry><entry><al>0&lt; T &lt;=4</al></entry><entry><al>1 maand</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Het biochemisch zuurstofverbruik is weliswaar geen heffingsparameter
                                voor de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren, maar wordt
                                aangewend bij toepassing van berekeningsvoorschrift II van Onderdeel
                                C van deze bijlage. </al><al>Op grond van dit berekeningsvoorschrift wordt de methode van het
                                biochemisch zuurstofverbruik toegepast voor de bepaling van het
                                percentage chemisch zuurstofverbruik van de biologisch niet of
                                nagenoeg niet afbreekbare stoffen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>B Analysevoorschriften </titel></kop><structuurtekst><al/></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 1 Algemeen</titel></kop><structuurtekst><al>De analyses worden uitgevoerd in het representatieve monster, dat is
                                verkregen op de in onderdeel A van deze bijlage vermelde wijze. Het
                                onderzoek wordt in het water als zodanig uitgevoerd, dus zonder dat
                                daaruit bezinkbare of opdrijvende bestanddelen zijn verwijderd. Er
                                is in dit onderdeel verwezen naar normbladen, uitgegeven door het
                                Nederlands Normalisatie–Instituut. De publicatie van de normbladen
                                wordt aangekondigd in de Nederlandse Staatscourant. Een wijziging in
                                een normblad wordt eerst van kracht op 1 januari van het jaar
                                volgende op dat waarin de bekendmaking van de wijziging in de
                                Nederlandse Staatscourant heeft plaatsgevonden.</al><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties
                                van de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste
                                aangetoond moeten kunnen worden.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Paragraaf 2 Analyse</titel></kop><structuurtekst><al>De analyse van het monster geschiedt op de wijze, zoals is
                                aangegeven in tabel B.</al><table><title>Tabel B</title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>(analyse)</al><al>arameter/stof</al></entry><entry><al>(volgens normblad)</al><al>onsluiting</al></entry><entry><al>(volgens normblad)</al><al>meting</al></entry><entry><al>aantoonbaarheidgrens</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al>Som ammoniumstikstof en organisch gebonden
                                                  stikstof</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN–ISO 5663 (EN 25 663) of NEN 6646</al></entry><entry><al>0,5 mg/l</al></entry></row><row><entry><al>Biochemisch zuurstofverbruik</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN–EN 1899–1</al></entry><entry><al>0,6 mg/l</al></entry></row><row><entry><al>Arseen</al></entry><entry><al>NEN 6465</al></entry><entry><al>NEN 6426</al></entry><entry><al>2,00 µg/l</al></entry></row><row><entry><al>Cadmium</al></entry><entry><al>NEN 6465</al></entry><entry><al>NEN 6426</al></entry><entry><al>0,30 µg/l</al></entry></row><row><entry><al>Chloride [Cl¯]</al></entry><entry><al>–</al><al>–</al></entry><entry><al>NEN 6470</al><al>of NEN 6476</al></entry><entry><al>volgens norm</al><al>volgens norm</al></entry></row><row><entry><al>Chroom</al></entry><entry><al>NEN 6465</al></entry><entry><al>NEN 6426</al></entry><entry><al>2,00 µg/l</al></entry></row><row><entry><al>Fosfor</al></entry><entry><al>–</al><al>–</al></entry><entry><al>NEN –EN 1189</al><al>of NEN 6663</al></entry><entry><al>volgens norm</al><al>volgens norm</al></entry></row><row><entry><al>Koper</al></entry><entry><al>NEN 6465</al></entry><entry><al>NEN 6426</al></entry><entry><al>10,00 µg/l</al></entry></row><row><entry><al>Kwik</al></entry><entry><al>NEN 6449</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>NEN–EN 1483</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>NEN–EN 1483</al></entry><entry><al>0,25 µg/l</al></entry></row><row><entry><al>Lood</al></entry><entry><al>NEN 6465</al></entry><entry><al>NEN 6426</al></entry><entry><al>10,00 µg/l </al></entry></row><row><entry><al>Nikkel</al></entry><entry><al>NEN 6465</al></entry><entry><al>NEN 6426</al></entry><entry><al>7,00 µg/l </al></entry></row><row><entry><al>Sulfaat [SO4=]</al></entry><entry><al>–</al><al>–</al></entry><entry><al>NEN 6487</al><al>of NEN–EN–ISO 10304–2</al></entry><entry><al>volgens norm</al><al>volgens norm</al></entry></row><row><entry><al>Zilver</al></entry><entry><al>NEN 6465</al></entry><entry><al>NEN 6426</al></entry><entry><al>10,00 µg/l</al></entry></row><row><entry><al>Zink</al></entry><entry><al>NEN 6465</al></entry><entry><al>NEN 6426</al></entry><entry><al>35,00 µg/l</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De in tabel B vermelde aantoonbaarheidsgrenzen zijn de concentraties
                                van de desbetreffende stoffen die bij de analyse ten minste
                                aangetoond moeten kunnen worden.</al><al>Indien voor de stoffen arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood,
                                nikkel, zilver en zink de met behulp van analyse gevonden
                                concentratie geringer is dan de in tabel B bij de desbetreffende
                                analyse vermelde aantoonbaarheidsgrens, wordt het aantal
                                gewichtseen­heden van die stof onderscheidenlijk van die stoffen
                                voor de berekening van de vervui­lingswaarde op nihil gesteld.</al><al>Indien de heffingplichtige kan aantonen dat de in tabel B vermelde
                                aantoonbaarheids­grenzen voor de stoffen arseen, cadmium, chroom,
                                koper, kwik, lood, nikkel en zink vanwege storende componenten in
                                het afvalwater niet haalbaar zijn, kan de ambtenaar belast met de
                                heffing een afwijkende aantoonbaarheidsgrens vaststellen.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>C Berekeningsvoorschriften</titel></kop><structuurtekst><al>I Berekeningswijze van het aantal vervuilingseenheden</al><al> a Zuurstofbindende stoffen: </al><al> (artikel 6, derde lid) </al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                zuurstofverbruik wordt berekend door het totale aantal kilogrammen </al><al> zuurstofverbruik van de in het kalenderjaar afgevoerde
                                zuurstofbindende stoffen te delen door 49,6 kilogram.</al><al> Het aantal kilogrammen zuurstofverbruik van de gedurende een etmaal
                                afgevoerde zuurstofbindende stoffen wordt </al><al> berekend volgens de formule:</al><al> [Q x (CZV + 4,57 x N–Kj)]/1000</al><al> In deze formule wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> CZV: het chemisch zuurstofverbruik bepaald volgens de in onderdeel
                                B van deze bijlage vermelde analysevoorschriften, </al><al> in mg/l;</al><al> N–Kj: de som van ammoniumstikstof en organisch gebonden stikstof
                                volgens de in onderdeel B van de deze bijlage </al><al> vermelde analysevoorschriften, in mg/l.</al><al> b Andere dan zuurstofbindende stoffen: </al><al> (artikel 6, vierde lid) </al><al> Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot de andere dan
                                zuurstofbindende stoffen wordt berekend door het </al><al> totale aantal kilogrammen van deze in het kalenderjaar afgevoerde
                                stoffen te delen door respectievelijk:</al><al> 1. Eén kilogram voor de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, zilver
                                en zink;</al><al> 2. 0,1 kilogram voor de stoffen arseen, kwik en cadmium;</al><al> 3. 650 kilogram voor de stoffen chloride en sulfaat;</al><al> 4. 20 kilogram voor de stof fosfor.</al><al> De afgevoerde hoeveelheden per etmaal voor de hierboven onder b
                                genoemde stoffen worden bepaald met behulp van </al><al> de formule:</al><al> Q x C / 1000</al><al> In deze formules wordt verstaan onder:</al><al> Q: het aantal m³ afgevoerd afvalwater per etmaal;</al><al> C: de concentratie van de desbetreffende stoffen in mg/l, bepaald
                                op de onder B omschreven wijze.</al><al>II Indien de CZV–waarde voor ten minste 25% afkomstig is van
                                biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het </al><al> afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze
                                te vermenigvuldigen met de breuk (100 – T)/75 </al><al> waarbij</al><al> T= het percentage CZV, afkomstig van biologisch niet of nagenoeg
                                niet afbreekbare stoffen.</al><al>III Indien door een bedrijf water wordt onttrokken aan
                                oppervlaktewater en dit vervolgens weer wordt geloosd in </al><al> oppervlaktewater, worden voor de berekening van de
                                vervuilingswaarde de hoeveelheden verontreinigende stoffen, </al><al> aanwezig in het ingenomen en vervolgens weer geloosde
                                oppervlaktewater, in mindering gebracht op de hoeveelheden </al><al> van die stoffen in het geloosde water, met dien verstande dat deze
                                vermindering niet mag leiden tot een negatieve waarde.</al><al>IV Bij de bepaling van het aantal etmalen in artikel 8, wordt
                                gebruik gemaakt van de volgende formule:</al><al> n= [(2 x σn / tso)^2 x N] / [(2 x σn / tso)^2 + N]</al><al> waarbij</al><al> n = het berekende aantal meetdagen;</al><al> N = het aantal lozingsdagen per jaar;</al><al> sn = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten
                                opzichte van de gemiddelde hoeveelheid </al><al> zuurstofverbruik van de onderzoeksresultaten gedurende het
                                heffingsjaar;</al><al> tso = toelaatbare statistische onnauwkeurigheid =
                                35/e^(0,000175VeO), met dien verstande dat VeO vervangen </al><al> kan worden door respectievelijk VeZ en VeG, waarbij:</al><al> VeO = vervuilingswaarde van de verontreiniging van
                                oppervlaktewateren met zuurstofbindende stoffen;</al><al> VeG = vervuilingswaarde van de verontreiniging van
                                oppervlaktewateren met de stoffen chroom, koper, lood, nikkel, </al><al> zilver en zink;</al><al> VeZ = vervuilingswaarde van de verontreiniging van
                                oppervlaktewateren met de stoffen arseen, cadmium en kwik.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>D Controle-bemonsteringen door het waterschap Aa en Maas</titel></kop><structuurtekst><al>1. Het waterschap Aa en Maas is bevoegd om tijdens of buiten de
                                meetperioden afvalwateronderzoek uit te voeren.</al><al>2. Indien de door het waterschap Aa en Maas berekende
                                vervuilingswaarde (of de afzonderlijke hoeveelheidsmeting,
                                monstername of analyse), verkregen door uitgevoerde meting,
                                bemonstering en analyse door het waterschap Aa en Maas, statistisch
                                significant afwijkt van de door het bedrijf berekende
                                vervuilingswaarde, dan kan de vastgestelde vervuilingswaarde van het
                                bedrijf worden gecorrigeerd.</al><al>3. Indien de door het waterschap Aa en Maas berekende
                                vervuilingswaarde (of de afzonderlijke hoeveelheidsmeting,
                                monstername of analyse), verkregen door, door het waterschap,
                                uitgevoerde meting, bemonstering en analyse tijdens de meetperiode,
                                meer dan 10% afwijkt van de door het bedrijf berekende
                                vervuilingswaarde, dan kan de door het waterschap berekende
                                vervuilingswaarde worden meegenomen bij de vaststelling van de
                                vervuilingswaarde van het bedrijf.</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>E. Veiligheid toezichthouders waterschap Aa en Maas</titel></kop><structuurtekst><al>Toezichthouders van het waterschap Aa en Maas hebben te allen tijde
                                toegang tot de bemonsteringslocatie. </al><al>Voor hun veiligheid dient de bemonsteringslocatie aan de volgende
                                eisen te voldoen:</al><lijst><li nr="•"><al>Een put dient afgedekt te zijn met een voorziening die niet
                                        zwaarder is dan 25 kg; </al></li><li nr="•"><al>De diameter van de put dient minimaal 50 cm. te bedragen;
                                    </al></li><li nr="•"><al>De monsternameput dient minimaal 15 meter verwijderd te zijn
                                        van de opslag van gevaarlijke stoffen; </al></li><li nr="•"><al>Bemonstering mag niet plaatsvinden in een afgesloten put
                                        tenzij nadere richtlijnen voor het betreden bij het
                                        waterschap Aa en Maas bekend zijn; </al></li><li nr="•"><al>Indien voor de monstername een put betreden moet worden die
                                        dieper is dan 1,5 meter dan moet de monsternameput voorzien
                                        zijn van een vaste ladder; </al></li><li nr="•"><al>In de nabijheid van de bemonsteringslocatie dienen
                                        voorzieningen aanwezig te zijn om de handen te wassen. </al></li></lijst></structuurtekst></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Bijlage II. Tabel afvalwatercoëfficiënten (artikel 22, derde lid, Wet
                            verontreiniging oppervlaktewateren)</titel></kop><structuurtekst><table><title>afvalwatercoëfficiënten</title><tgroup cols="4"><colspec colname="C4" colnum="4"/><colspec colname="C3" colnum="3"/><colspec colname="C2" colnum="2"/><colspec colname="C1" colnum="1"/><colspec colname="C0" colnum="0"/><thead><row><entry><al>Klasse</al></entry><entry nameend="C3" namest="C2"><al>Klassegrenzen uitgedrukt in aantal
                                                vervuilingseenheden met betrekking tot het
                                                zuurstofverbruik</al><al>Per ³ ingenomen water</al></entry><entry><al>Afvalwatercoëfficiënt uitgedrukt in aantal
                                                vervuilingseenheden per m³ ingenomen water in het
                                                heffingsjaar</al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Ondergrens</al></entry><entry><al>bovengrens</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1</al></entry><entry><al>&gt; 0</al></entry><entry><al>0,0013</al></entry><entry><al>0,0010</al></entry></row><row><entry><al>2</al></entry><entry><al>&gt; 0,0013</al></entry><entry><al>0,0020</al></entry><entry><al>0,0016</al></entry></row><row><entry><al>3</al></entry><entry><al>&gt; 0,0020</al></entry><entry><al>0,0031</al></entry><entry><al>0,0025</al></entry></row><row><entry><al>4</al></entry><entry><al>&gt; 0,0031</al></entry><entry><al>0,0048</al></entry><entry><al>0,0039</al></entry></row><row><entry><al>5</al></entry><entry><al>&gt; 0,0048</al></entry><entry><al>0,0075</al></entry><entry><al>0,0060</al></entry></row><row><entry><al>6</al></entry><entry><al>&gt; 0,0075</al></entry><entry><al>0,012</al></entry><entry><al>0,0094</al></entry></row><row><entry><al>7</al></entry><entry><al>&gt; 0,012</al></entry><entry><al>0,018</al></entry><entry><al>0,015</al></entry></row><row><entry><al>8</al></entry><entry><al>&gt; 0,018</al></entry><entry><al>0,029</al></entry><entry><al>0,023</al></entry></row><row><entry><al>9</al></entry><entry><al>&gt; 0,029</al></entry><entry><al>0,045</al></entry><entry><al>0,036</al></entry></row><row><entry><al>10</al></entry><entry><al>&gt; 0,045</al></entry><entry><al>0,070</al></entry><entry><al>0,056</al></entry></row><row><entry><al>11</al></entry><entry><al>&gt; 0,070</al></entry><entry><al>0,11</al></entry><entry><al>0,088</al></entry></row><row><entry><al>12</al></entry><entry><al>&gt; 0,11</al></entry><entry><al>0,17</al></entry><entry><al>0,14</al></entry></row><row><entry><al>13</al></entry><entry><al>&gt; 0,17</al></entry><entry><al>0,27</al></entry><entry><al>0,21</al></entry></row><row><entry><al>14</al></entry><entry><al>&gt; 0,27</al></entry><entry><al>0,42</al></entry><entry><al>0,33</al></entry></row><row><entry><al>15</al></entry><entry><al>&gt; 0,42</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>0,5</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>TOELICHTING OP DE VERORDENING VERONTREINIGINGSHEFFING 2007</titel></kop><paragraaf><kop><titel>A ALGEMEEN</titel></kop><structuurtekst><al><cursief>Doelstelling en karakter
                                verontreinigingsheffing</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing heeft als doelstelling de financiering
                                van de kosten van maatregelen tot het tegengaan en voorkomen van de
                                verontreiniging van oppervlaktewateren (artikel 18, eerste lid, van
                                de Wet verontreiniging oppervlaktewateren). De
                                verontreinigingsheffing is dus een bestemmingsheffing
                                (dekkingsmiddel van kosten). Blijkens artikel 27 van de Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren moet de opbrengst van de
                                verontreinigingsheffing door het waterschap worden besteed:</al><lijst><li nr="•"><al>voor de bestrijding van verontreiniging van
                                        oppervlaktewateren ten aanzien waarvan het bevoegd is; </al></li><li nr="•"><al>ter betaling van door andere waterschappen opgelegde
                                        heffingen en van de verschuldigde verontreinigingsheffing
                                        rijkswateren; </al></li><li nr="•"><al>voor het eventueel verstrekken van subsidies ter
                                        tegemoetkoming in de kosten van maatregelen tot het
                                        tegengaan en het voorkomen van verontreiniging van
                                        oppervlaktewateren aan diegenen die tot het treffen van die
                                        maatregelen zijn gehouden; </al></li><li nr="•"><al>voor het verstrekken van subsidies aan heffingsplichtigen
                                        tot het behoud van het gebruik van de bij het waterschap in
                                        beheer zijnde zuiveringtechnische werken teneinde een
                                        stijging van het tarief van de heffing zoveel mogelijk te
                                        voorkomen. </al></li></lijst><al>Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 30 september 1992 (BNB
                                1992/383, Belastingblad 1992, blz. 728) kent de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren een gesloten financieringsstelsel. Dat wil zeggen
                                dat het waterschap de kosten van het tegengaan en voorkomen van de
                                verontreiniging van oppervlaktewateren niet op een andere wijze mag
                                verhalen dan op de in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                                aangegeven wijze. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van
                                State heeft de exclusieve werking van de verontreinigingsheffing
                                bevestigd in twee uitspraken van 14 en 18 april 2000 waarbij het
                                opnemen van financiële voorwaarden in vergunningen op basis van
                                respectievelijk de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en het
                                Lozingenbesluit Wvo bodemsanering en proefbronnering werd beoordeeld
                                als zijnde in strijd met dit uitgangspunt (AB 2000, 462 en
                                460).</al></structuurtekst></paragraaf><paragraaf><kop><titel>B ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Considerans</vet></al><al><cursief>Bevoegdheid algemeen bestuur</cursief></al><al>Uitsluitend het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van
                                de belastingverordening. Dit vloeit voort uit artikel 110 van de
                                Waterschapswet. Het dagelijks bestuur is wel belast met de
                                voorbereiding van de belastingverordening (artikel 84 van de
                                Waterschapswet).</al><al><cursief>Wettelijke grondslag</cursief></al><al>De wettelijke basis voor het door waterschappen heffen van de
                                verontreinigingsheffing ligt in de artikelen 110 en 113 van de
                                Waterschapswet en hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren.</al><al>Artikel 110 regelt dat het algemeen bestuur kan besluiten tot het
                                invoeren, wijzigen of afschaffen van een waterschapsbelasting.
                                Belastingverordeningen vallen niet onder de (verplichte) werking van
                                de inspraakverordening (artikel 79, tweede lid, onderdeel a, van de
                                Waterschapswet). Sinds 1 juli 1996 zijn belastingverordeningen ook
                                niet langer meer onderworpen aan de goedkeuring door gedeputeerde
                                staten van de provincie.</al><al>Artikel 113 bepaalt welke belastingen een waterschap mag heffen. Het
                                gaat daarbij om een limitatieve opsomming. In artikel 113, eerste
                                lid, is een aantal belastingen met name genoemd. Daarnaast regelt
                                artikel 113, eerste lid, dat een waterschap ook belastingen en
                                rechten kan heffen krachtens bijzondere wetten. Zo’n bijzondere wet
                                is de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. Artikel 18 van
                                hoofdstuk IV van die wet geeft aan een waterschap de bevoegdheid tot
                                het instellen van een heffing ter bestrijding van de kosten van
                                maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van de
                                verontreiniging van oppervlaktewateren.</al><al>De essentialia van de verontreinigingsheffing hebben met de
                                inwerkingtreding van de Wet van 16 maart 2000, houdende vervanging
                                van hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren een
                                wettelijke basis gekregen (Stb. 2000, nr. 135). In deze verordening
                                zijn deze essentialia overgenomen. Ingevolge de genoemde
                                wetswijziging is in de verordening tevens een nieuwe tabel
                                afvalwatercoëfficiënten opgenomen.</al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al></structuurtekst><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over een aantal in de verordening
                                voorkomende begrippen en om de leesbaarheid van de tekst te
                                bevorderen is van deze begrippen een omschrijving gegeven in artikel
                                1 Daarbij is aangesloten bij de begripsbepalingen van artikel 17 van
                                de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Het begrip ‘oppervlaktewateren’ is niet omschreven in de Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren. De wetgever heeft dit bewust
                                achterwege gelaten omdat het begrip een zo groot mogelijke
                                reikwijdte moet hebben en niet het risico moet bestaan van een te
                                beperkte begripsbepaling. Besloten is daarom ook in onderdeel a geen
                                inhoudelijke omschrijving van het begrip te geven omdat dit onnodig
                                beperkend zou kunnen werken. Om ‘oppervlaktewateren’ zo ruim
                                mogelijk te omschrijven is in onderdeel a aangegeven dat het gaat om
                                de oppervlaktewateren ten aanzien waarvan de bevoegdheid als bedoeld
                                in artikel 6, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren geheel is opgedragen aan het dagelijks
                                bestuur.</al><al>Uit de memorie van toelichting bij de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren blijkt dat het begrip ‘oppervlaktewateren’ zich
                                niet beperkt tot openbare wateren.</al><al>In de jurisprudentie is de nodige invulling gegeven aan het begrip
                                ‘oppervlaktewateren’. De meest uitgebreide definitie gaf de Hoge
                                Raad in zijn arrest van 30 november 1982 (BNB 1983/89):</al><al> ‘Als oppervlaktewater in de zin der wet is te beschouwen een –
                                anders dan louter incidenteel aanwezige – aan het oppervlak </al><al> en aan de open lucht grenzende watermassa (met inbegrip van een
                                bedding waarin zodanige watermassa al dan niet bij </al><al> voortduring voorkomt), tenzij daarin als gevolg van rechtmatig
                                gebruik ten behoeve van een specifiek doel geen normaal </al><al> samenhangend geheel van levende organismen en een niet–levende
                                omgeving (ecosysteem) aanwezig is, dan wel het een </al><al> ter berging van afval gegraven bekken betreft waarin slechts in een
                                overgangsfase water aanwezig is en zich nog geen </al><al> normaal ecosysteem heeft ontwikkeld.’</al><al>Op 8 november 1978 (BNB 1979/15) oordeelde de Hoge Raad dat bij een
                                zuiveringsinstallatie behorende bezinkbedden niet als
                                oppervlaktewater aangemerkt kunnen worden.</al><al>Een sloot van 300 meter lang en 2,5 meter breed die ‘s winters is
                                gevuld en ‘s zomers in de regel althans gedeeltelijk enig water
                                bevat, moet onder andere vanwege het feit dat de sloot kan dienen
                                voor landbouwdoeleinden, worden aangemerkt als oppervlaktewater
                                (Hoge Raad 12 november 1980, BNB 1981/43 en na verwijzing Hof
                                Amsterdam 28 oktober 1981 BNB 1983/55, Belastingblad 1987, blz.
                                249).</al><al>Een sloot van waaruit geregeld – dat wil zeggen niet minder dan
                                eenmaal per jaar – gedurende enige tijd water wegvloeit naar een
                                ander slotenstelsel kan als oppervlaktewater worden aangemerkt (Hoge
                                Raad 26 januari 1983, BNB 1983/89, Belastingblad 1983, blz. 182 en
                                Hoge Raad 22 juni 1983, BNB 1983/241, Belastingblad 1983, blz.
                                465).</al><al>Ook afgedamde slootgedeelten kunnen oppervlaktewater zijn (Hoge Raad
                                25 mei 1983, BNB 1983/247, Belastingblad 1983, blz. 462).</al><al>Het van een (ondergrondse) verbinding tussen twee oppervlaktewateren
                                deel uitmakende open beekvak kan als oppervlaktewater worden
                                aangemerkt ook als de klep in de duiker onder de naast die
                                verbinding gelegen weg gedurende het heffingsjaar gesloten was (Hoge
                                Raad 27 maart 1985, BNB 1985/167, Belastingblad 1985, blz.
                                464).</al><al>Een greppel van 50 meter lang en 1 meter breed die aan weerszijden
                                van het lozingspunt slechts over een lengte van 10 meter enig water
                                bevat en welke greppel niet in verbinding staat met enig
                                oppervlaktewater, kan niet als oppervlaktewater worden aangemerkt
                                (Hoge Raad 27 januari 1988, BNB 1988/123, Belastingblad 1988, blz.
                                223).</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Voor de omschrijving van ‘stoffen’ is verwezen naar de stoffen
                                genoemd in artikel 6. In dat artikellid zijn de stoffen opgenomen
                                die door het waterschap in de heffing worden betrokken.</al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Een zuiveringtechnisch werk voor de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren is een werk dat voor het zuiveren of het
                                transport van afvalwater. Het bevat naast
                                afvalwaterzuiveringsinstallaties ook gemalen, persleidingen,
                                vrijvervalleidingen, open en dichte afvoergoten en pompstations ten
                                behoeve van het afvalwater. De gemeentelijke riolering wordt hier
                                niet onder begrepen (zie onderdeel c van de verordening, waarbij het
                                begrip riolering is gedefinieerd). Een zuiveringtechnisch werk kan
                                overigens ook in beheer zijn bij een bedrijf of particulier (zie de
                                toelichting bij artikel 3).</al><al>Het hebben van het juridische eigendom is geen noodzakelijke
                                voorwaarde om als beheerder gekwalificeerd te worden (Hoge Raad 11
                                december 1991, BNB 1992/180). Onder het begrip ‘beheer’ kunnen
                                tevens worden verstaan die situaties waarbij het waterschap de
                                juridische eigendom van de zuiveringsinstallatie op enigerlei wijze
                                heeft overgedragen aan een derde. Het waterschap blijft in dat geval
                                beheerder van die installatie. In de toelichting op de Eerste Nota
                                van wijziging van het wetsvoorstel, houdende vervanging van
                                hoofdstuk IV Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Tweede Kamer
                                1998–1999, 26 367, nr. 6) is expliciet vermeld dat het beheer van
                                een riolering of zuiveringtechnisch werk kan worden omschreven als
                                de zorg voor de goede conditie van die zaken ten behoeve van de met
                                behulp daarvan uit te voeren functies (zie ook Hof Den Haag 28
                                december 1998, Belastingblad 1999, blz. 448 t/m 452).</al><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>Het ‘afvoeren’ van stoffen wordt gedefinieerd als het direct of
                                indirect brengen in oppervlaktewater, waarvoor de
                                kwaliteitsbeheerder bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch werk
                                dat bij die kwaliteitsbeheerder in beheer is.</al><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Dit onderdeel regelt wat onder een woonruimte moet worden verstaan.
                                Het gaat om een ruimte die bestemd is als een afzonderlijk geheel te
                                voorzien in woongelegenheid. Of dit het geval is moet blijken uit de
                                inrichting van de ruimte. In deze definitie wordt tot uitdrukking
                                gebracht dat het moet gaan om een ruimte die zelfstandig bruikbaar
                                is en derhalve niet afhankelijk is van niet tot die ruimte behorende
                                (gemeenschappelijke) voorzieningen. Zie hiervoor ook de arresten van
                                de Hoge Raad van 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                                blz. 544, 8 februari 1995, BNB 1995/92, Belastingblad 1995, blz.
                                202, 10 januari 1996, BNB 1996/77, Belastingblad 1996, blz.
                                202).</al><al>Dat het begrip woonruimte ruim moet worden uitgelegd valt af te
                                leiden uit het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 1991 waarin een
                                kajuitzeilschip als woonruimte werd aangemerkt (BNB 1991/213,
                                Belastingblad 1991, blz. 479).</al><al><cursief>Onderdeel g</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip ‘bedrijfsruimte’ is gekozen voor
                                een negatieve formulering om een zo groot mogelijke reikwijdte aan
                                het begrip te geven. Alles wat geen woonruimte is moet als een
                                bedrijfsruimte worden aangemerkt. Zo is bijvoorbeeld ook een stuk
                                landbouwgrond als een bedrijfsruimte aangemerkt (Hof ‘s–Gravenhage
                                17 maart 1993, Belastingblad 1993, blz. 457). Ditzelfde geldt voor
                                een zandopspuiting van waaruit met slib verontreinigd perswater
                                wordt afgevoerd (Hof Arnhem 22 augustus 1997, Belastingblad 1997,
                                blz. 745). Voor de vraag of sprake is van één of van twee
                                bedrijfsruimten is onder andere van belang het arrest van de Hoge
                                Raad van 14 juni 1995 (BNB 1995/233, Belastingblad 1995, blz. 627)
                                waarin een bij twee verschillende personen in gebruik zijnde
                                stortplaats als één bedrijfsruimte werd aangemerkt. Daarbij speelden
                                onder andere een rol het feit dat de stortplaats maar één ingang
                                heeft, om de gehele stortplaats een hek staat en er geen deugdelijke
                                afscheiding is tussen beide delen van de stortplaats.</al><al>Bijlagen</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Bij de verontreinigingsheffing is de heffingsmaatstaf het aantal
                                vervuilingseenheden van de stoffen die in een jaar worden afgevoerd.
                                Blijkens artikel 20, eerste lid, van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren wordt het aantal vervuilingseenheden in beginsel
                                vastgesteld met behulp van door middel van meting, bemonstering en
                                analyse verkregen gegevens. In Bijlage I zijn nadere regels gesteld
                                over de wijze van meting, bemonstering, analyse en berekening. Zie
                                in dit verband ook artikel 7 van de verordening.</al><al>Onder omstandigheden vindt de berekening van het aantal
                                vervuilingseenheden ter zake van bedrijfsruimten plaats met behulp
                                van de tabel afvalwatercoëfficiënten en dus niet door middel van
                                meting, bemonstering en analyse. </al><al>Deze tabel afvalwatercoëfficiënten van artikel 22, derde lid, van
                                Wet verontreiniging oppervlaktewateren is ter volledigheid tevens
                                opgenomen in Bijlage II (zie voor een toelichting op bijlage II ook
                                artikel 10).</al><al>De bijlagen I en II maken deel uit van de verordening.</al><al>Belastbaar feit en heffingsplicht</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De verontreinigingsheffing heeft tot doel de kosten te dekken van de
                                maatregelen tot het tegengaan en het voorkomen van de
                                verontreiniging van oppervlaktewater (artikel 18, eerste lid, van de
                                Wet verontreiniging oppervlaktewateren). Deze doelstelling is tot
                                uitdrukking gebracht in het eerste lid van artikel 3. De
                                verontreinigingsheffing is dus primair een bestemmingsheffing die
                                overigens wel een regulerende nevenwerking kan hebben. Blijkens het
                                arrest van de Hoge Raad van 30 september 1992 (BNB 1992/383,
                                Belastingblad 1992, blz. 728) kent de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren een gesloten financieringsstelsel. Dat wil zeggen
                                dat het waterschap de kosten van het tegengaan en voorkomen van de
                                verontreiniging van oppervlaktewater niet op een andere wijze mag
                                verhalen dan op de in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                                aangewezen wijze.</al><al>Het belastbare feit is het afvoeren van stoffen, dat wil zeggen het
                                direct of indirect brengen van stoffen in een oppervlaktewater,
                                waarvoor het waterschap bevoegd is, of op een zuiveringtechnisch
                                werk dat in beheer is bij het waterschap. De vraag of het afgevoerde
                                water van slechtere kwaliteit is dan het oppervlaktewater waarop
                                wordt geloosd, is niet van belang. Dit bleek uit een arrest waarbij
                                het ging om de lozing van opgepompt bronwater dat werd gebruikt als
                                koelwater (Hoge Raad 12 september 1990, BNB 1991/15, Belastingblad
                                1990, blz. 771). Dit ligt overigens anders als het gaat om ingenomen
                                oppervlaktewater dat wordt gebruikt als koelwater en dat vervolgens
                                weer wordt geloosd op oppervlaktewater. In dat geval wordt voor de
                                berekening van de vervuilingswaarde uitsluitend de toegevoegde
                                vervuiling in aanmerking genomen (zie Bijlage I bij de verordening).
                                Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1996 (BNB 1996/205,
                                Belastingblad 1996, blz. 335) blijkt overigens dat er geen
                                wettelijke verplichting bestaat voor een dergelijke begunstigende
                                regeling (zie ook Hoge Raad 18 maart 1998, nr. 33 186, Belastingblad
                                1998, blz. 386).</al><al>Voor de heffing van de verontreinigingsheffing is het niet
                                noodzakelijk dat het afgevoerde afvalwater wordt gezuiverd. Heffing
                                is immers reeds mogelijk voor het in oppervlaktewater brengen van
                                stoffen (Hof ‘s–Gravenhage 27 april 1987, BNB 1990/24, Belastingblad
                                1988, blz. 749).</al><al>Onder omstandigheden is het mogelijk dat het ene waterschap aan het
                                andere waterschap een heffing oplegt. Dit kan het geval zijn indien
                                het ene waterschap via een zuiveringtechnisch werk (bijvoorbeeld een
                                persleiding of gemaal) dat in zijn beheer is ongezuiverd afvalwater
                                transporteert naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie van een ander
                                waterschap. Beheer van een zuiveringtechnisch werk door meerdere
                                waterschappen staat er niet aan in de weg dat aanslagen worden
                                opgelegd door het waterschap in welks beheersgebied de woon– of
                                bedrijfsruimte is gelegen (Hoge Raad 11 december 1991, BNB 1992/180,
                                Belastingblad 1992, blz. 350).</al><al>In het eerste lid wordt gesproken van een ‘directe belasting’. Dat
                                is noodzakelijk voor de toepasselijkheid van de bepalingen inzake de
                                richtige heffing in de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                                (Hoofdstuk VI).</al><al><cursief>Tweede lid en derde lid</cursief></al><al>Heffingsplichtig zijn degenen die stoffen direct of indirect in een
                                oppervlaktewater of op een zuiveringtechnisch werk brengen. Voor de
                                omschrijving van de belastingplicht wordt een koppeling gemaakt met
                                het object van waaruit wordt geloosd. Belastingplichtige is de
                                gebruiker van de woonruimte of de bedrijfsruimte, danwel de
                                beheerder van een riolering of zuiveringtechnisch werk van waaruit
                                stoffen worden afgevoerd (artikel 3, tweede lid, onderdelen a en b).
                                In geval van een lozing anders dan vanuit de genoemde objecten wordt
                                degene die de stoffen feitelijk afvoert als belastingplichtige
                                aangemerkt (artikel 3, tweede lid, onderdeel c). Afhankelijk van de
                                vraag of de stoffen afkomstig zijn van een woon– of een
                                bedrijfsruimte is heffingsplichtig de gebruiker van een woon– of een
                                bedrijfsruimte. De omschrijving van woonruimte is ook dusdanig dat
                                er geen misverstand kan bestaan dat studentenhuizen met
                                onzelfstandige wooneenheden dienen te worden aangemerkt als
                                bedrijfsruimte, waarvoor de verhuurder op grond van artikel 3, derde
                                lid, onderdeel c, in de heffing kan worden betrokken.</al><al>(Zie ook Hoge Raad 23 juli 1984, BNB 1984/282, Belastingblad 1984,
                                blz. 544 en Hoge Raad 8 februari 1995, BNB 1995/92).</al><al>In zijn arrest van 1 mei 1991 oordeelde de Hoge Raad dat als
                                gebruiker van een bedrijfsruimte in de zin van de verordening
                                slechts kan worden aangemerkt degene die zich metterdaad min of meer
                                duurzaam te eigen behoeve van de bedrijfsruimte kan bedienen. Daarom
                                kon de aannemer die in opdracht van de landeigenaar op een stuk
                                grond werkzaamheden uitvoert om deze geschikt te maken voor de
                                bollenteelt, niet als gebruiker worden aangemerkt (BNB 1991/188,
                                Belastingblad 1991, blz. 478).</al><al>Aan de hand van de feitelijke omstandigheden moet worden beoordeeld
                                wie gebruiker is. Ingeval er meerdere gebruikers zijn, is het
                                noodzakelijk dat de ambtenaar belast met de heffing of het dagelijks
                                bestuur beleidsregels opstelt op grond waarvan één van de gebruikers
                                als belastingplichtige kan worden aangewezen (zie ook artikel 18,
                                vierde lid, onderdeel a, Wet verontreiniging oppervlaktewateren).
                                Deze beleidsregels moeten worden gepubliceerd zodat ze kenbaar zijn
                                voor de belastingplichtigen. Ingeval van het ontbreken van
                                dergelijke beleidsregels kan de keuze van het waterschap voor één
                                van de gebruikers als willekeurig en onredelijk worden aangemerkt,
                                hetgeen tot vernietiging van de aanslag kan leiden. Zie voor nadere
                                informatie over dit onderwerp en mogelijkheden voor de inhoud van de
                                beleidsregels de brief van de Unie van Waterschappen aan de
                                leden–waterschappen van 23 maart 1995, nr. 951476 (Belastingblad
                                1995, blz. 326). De onderdelen b en c van het derde lid regelen de
                                belastingplicht en het verhaalsrecht van de verschuldigde
                                verontreinigingsheffing in geval van in gebruik gegeven of voor
                                volgtijdig gebruik ter beschikking gestelde woon– of
                                bedrijfsruimten.</al><al>Mede met het oog op de belastbaarheid van incidentele lozingen
                                vanuit tankauto’s is aan artikel 18, derde lid, Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren een onderdeel c opgenomen. Dit laatste was
                                noodzakelijk, aangezien een tankauto niet als een bedrijfsruimte kon
                                worden aangemerkt en daarnaast in de praktijk is gebleken dat juist
                                het achterhalen van de identiteit van de achterliggende vervuiler in
                                sommige gevallen niet goed mogelijk is. In die gevallen biedt deze
                                bepaling soelaas.</al><al>In het tweede lid is bepaald dat terzake van het afvoeren van
                                stoffen anders dan vanuit een woonruimte, bedrijfsruimte, riolering
                                of zuiveringtechnisch werk degene wordt belast die de stoffen
                                afvoert. Dit heeft als consequentie dat de identiteit van de
                                achterliggende vervuiler niet hoeft te worden achterhaald, maar dat
                                de feitelijke lozer (in het geval van een tankauto de vervoerder)
                                rechtstreeks in de heffing kan worden betrokken.</al><al><cursief>Vierde en vijfde lid</cursief></al><al>Het vierde en het vijfde lid geven een rangorde voor de vraag wie
                                belastingplichtig is. Er kan immers sprake zijn van meerdere
                                belastbare feiten met betrekking tot dezelfde lozing. Door een
                                rangorde aan te brengen wordt dubbele heffing voorkomen (deze
                                artikelleden zijn gebaseerd op artikel 18, vijfde en zesde lid, Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren). Daarbij kan bijvoorbeeld worden
                                gedacht aan het afvoeren van afvalwater vanuit een woonruimte via de
                                gemeentelijke riolering op de zuiveringsinstallatie van het
                                waterschap. Op grond van het tweede lid zouden zowel de gebruiker
                                van de woonruimte (wegens indirecte lozing van de woonruimte) als de
                                gemeente (wegens directe lozing vanuit de riolering) aangeslagen
                                kunnen worden. In dat geval bepaalt artikel 18, vijfde lid, Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren dat alleen de beheerder van een
                                riolering of een zuiveringtechnisch werk waarop géén voorafgaande
                                zuivering plaatsvindt slechts met behulp van daarvan afgevoerde
                                stoffen aan een heffing kan worden onderworpen, voorzover hij die
                                stoffen zelf op die riolering of dat zuiveringtechnische werk heeft
                                gebracht. </al><al>Dit betekent dat in het genoemde voorbeeld de gebruiker van de
                                woonruimte en niet de gemeente belastingplichtig is voor de vanuit
                                deze woonruimte afgevoerde stoffen.</al><al>Op basis van artikel 18, zesde lid, Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren wordt tevens voorkomen dat een heffingsplichtige
                                voor eenzelfde lozing in fiscale zin met twee kwaliteitsbeheerders
                                wordt geconfronteerd. Daarbij kan worden gedacht aan de situatie
                                waarbij een kwaliteitsbeheerder afvalwater afvoert naar een
                                rioolwaterzuiveringsinstallatie van een naburige kwaliteitsbeheerder
                                om daar te worden gezuiverd. In dat geval kan de kwaliteitsbeheerder
                                die het afvalwater zuivert slechts een heffing opleggen aan de
                                kwaliteitsbeheerder die het afvalwater heeft geleverd. Het brengen
                                van stoffen op een zuiveringtechnisch werk van een
                                kwaliteitsbeheerder door een andere kwaliteitsbeheerder is immers
                                ook afvoeren van stoffen in de zin van artikel 17, onderdeel i, Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren. Uiteraard kan de
                                kwaliteitsbeheerder die het afvalwater levert in zijn beheersgebied
                                wél de achterliggende vervuilers van artikel 18, derde lid, Wet
                                verontreiniging oppervlaktewateren belasten.</al><al><vet>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                    tijdsgelang</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Hoewel de verontreinigingsheffing een tijdvakheffing is, ontstaat
                                bij woonruimten en kleine bedrijfsruimten de materiële
                                belastingschuld door de regeling in het eerste lid toch bij het
                                begin van het heffingsjaar. Dit heeft als voordeel dat reeds in het
                                heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd (formalisering
                                van de belastingschuld) en dat niet gewacht hoeft te worden tot het
                                heffingsjaar voorbij is. Bij een tijdvakbelasting is het echter niet
                                zonder meer mogelijk om een definitieve aanslag gedurende het
                                heffingsjaar op te leggen, omdat de omvang van de belastingschuld
                                pas na afloop van het heffingsjaar bekend is. Dit blijkt uit een
                                aantal uitspraken van de belastingrechter. Zie hiervoor Hoge Raad
                                van 2 november 1994 inzake precariorechten (BNB 1995/12,
                                Belastingblad 1994, blz. 819), Hof Amsterdam 15 december 1995 inzake
                                liggeld woonschepen (Belastingblad 1996, blz. 331) en Hof Amsterdam
                                29 maart 1996 inzake verontreinigingsheffing. Uit deze
                                jurisprudentie valt af te leiden dat aan de heffingsverordening
                                bepaalde eisen worden gesteld om een definitieve aanslag reeds in
                                het heffingsjaar zelf op te leggen (in plaats van een voorlopige
                                aanslag). Het gaat hierbij om:</al><lijst><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt
                                        geacht bij het begin van het heffingsjaar te ontstaan
                                        (artikel 4, eerste lid); </al></li><li nr="•"><al>een regeling op grond waarvan ontheffing wordt verleend
                                        indien de heffingsplicht in de loop van het jaar eindigt.
                                        Voor woonruimten is deze tijdsevenredige ontheffing geregeld
                                        in artikel 4, derde lid. Voor kleine bedrijfsruimten kent
                                        artikel 15 een regeling om in een dergelijk geval een
                                        aanvraag te doen om te worden aangeslagen voor 1
                                        vervuilingseenheid; </al></li><li nr="•"><al>een regeling om bij wijzigingen van de heffingsmaatstaf in
                                        de loop van het heffingsjaar, ontheffing te verlenen. Voor
                                        woonruimten is dit geregeld in artikel 16 en voor
                                        bedrijfsruimten in artikel 15. </al></li></lijst><al>Indien in de heffingsverordening dergelijke bepalingen ontbreken,
                                kan een waterschap in het heffingsjaar wel voorlopige aanslagen
                                opleggen. Artikel 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                                geeft hiertoe de bevoegdheid.</al><al><cursief>Tweede t/m derde lid</cursief></al><al>Het tweede en derde lid hebben betrekking op het ontstaan en
                                eindigen van de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar ten
                                aanzien van woonruimten. Het tweede tot en met vijfde lid gelden
                                niet voor bedrijfsruimten. Bij bedrijfsruimten wordt het aantal
                                vervuilingseenheden immers bepaald door de absolute
                                vervuilingswaarde in het heffingstijdvak. Ingeval van het eindigen
                                van de heffingsplicht in de loop van het tijdvak, ontstaat dan ook
                                geen recht op tijdsevenredige ontheffing, maar kan de
                                heffingsplichtige een aanvraag doen om te worden aangeslagen voor 1
                                vervuilingseenheid (artikel 15).</al><al>Indien de heffingsplicht in de loop van het jaar ontstaat
                                (bijvoorbeeld de verhuizing naar een woonruimte binnen het gebied
                                van het waterschap) is de heffing verschuldigd over de resterende
                                volle kalendermaanden van het heffingsjaar. Ook als de
                                heffingsplicht ontstaat op de eerste dag van de maand (hetgeen vaak
                                het geval zal zijn) is over die maand de heffing verschuldigd hoewel
                                geen sprake is van een volle kalendermaand. Dit is geregeld in de
                                laatste volzin van het tweede lid.</al><al>Voor het eindigen van de heffingsplicht in de loop van het jaar
                                (bijvoorbeeld de verhuizing vanuit een woonruimte naar buiten het
                                gebied van het waterschap) is een soortgelijke regeling opgenomen in
                                het derde lid. Indien de heffingsplicht eindigt op de eerste dag van
                                een kalendermaand wordt over die maand toch ontheffing verleend. Dit
                                is om te voorkomen dat het waterschap over die maand zowel
                                verontreinigingsheffing heft van de nieuwe bewoner als van de
                                oude.</al><al><vet>Heffingsjaar</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>In artikel 5 is bepaald dat het heffingsjaar gelijk is aan het
                                kalenderjaar. Dit is wettelijk voorgeschreven zodat een afwijkende
                                regeling in de verordening niet meer mogelijk is.</al><al><vet>Aangifte</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5a en 5b</titel></kop><al>De artikelen 5a en 5b regelen het uitreiken van aangiftebiljetten en
                                het uitnodigen tot het doen van aangifte en het feitelijk indienen
                                van aangiften. Aangiften kunnen schriftelijk of digitaal worden
                                ingediend. De laatste optie is nieuw vanaf 2006.</al><al><vet>Grondslag en heffingsmaatstaf</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 (algemeen)</titel></kop><al>De grondslag van de heffing is de hoeveelheid en hoedanigheid van de
                                stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. In het tweede lid
                                is gekozen voor één uniforme heffingsmaatstaf, namelijk de
                                vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden
                                afgevoerd. Deze heffingsmaatstaf geldt dus zowel voor de
                                zuurstofbindende als de overige stoffen. Deze heffingsmaatstaf is
                                gedefinieerd in relatie tot de stoffen ten aanzien waarvan de afvoer
                                is belast. Een verbruik van 49,6 kilogram zuurstof per heffingsjaar
                                vertegenwoordigt één vervuilingseenheid. Voor de andere stoffen
                                gelden verschillende gewichtshoeveelheden per heffingsjaar. In het
                                vierde lid zijn alle stoffen opgenomen die in de heffing worden
                                betrokken. In het vijfde lid zijn expliciet nog eens de stoffen
                                opgenomen die niet in de heffing worden betrokken (wettelijk
                                voorgeschreven).</al><al>Bij de heffingsmaatstaf is een onderscheid gemaakt tussen
                                zuurstofbindende stoffen en andere stoffen. In beide gevallen is de
                                heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde uitgedrukt in
                                vervuilingseenheden. Bij zuurstofbindende stoffen gaat het om de
                                belasting met die stoffen van een oppervlaktewater of een
                                zuiveringtechnisch werk. Die belasting wordt bepaald op de som van
                                het chemisch zuurstofgebruik en het zuurstofverbruik door omzetting
                                van stikstofverbindingen. </al><al>Daarbij is één inwonerequivalent de zuurstofbehoefte die ontstaat
                                door de gemiddelde lozing van huishoudelijk afvalwater van één
                                persoon per jaar. Uit het door de STORA uitgebrachte rapport ‘Het
                                inwonerequivalent getoetst’ blijkt dat de gemiddelde
                                zuurstofbehoefte 136 gram per etmaal bedraagt.</al><al>Bij de andere stoffen gaat het bij het vaststellen van de
                                vervuilingswaarde om de hoeveelheid van die stoffen die in een
                                oppervlaktewater of op een zuiveringtechnisch werk worden gebracht.
                                Daarbij is één vervuilingseenheid een omschreven hoeveelheid van in
                                het heffingsjaar afgevoerde stoffen. Bij chroom, koper, lood, nikkel
                                en zink is een afgevoerde kilogram één vervuilingseenheid. Vanwege
                                de schadelijkheid is bij arseen, cadmium en kwik een afgevoerde
                                hoeveelheid van 100 gram al één vervuilingseenheid. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 (meting, bemonstering en analyse)</titel></kop><al>In de artikel 7 is de hoofdregel opgenomen op grond waarvan voor de
                                verontreinigingsheffing de vervuilingswaarde dient te worden
                                vastgesteld. Deze hoofdregel geldt terzake van het afvoeren van
                                stoffen vanuit bedrijfsruimten, maar bijvoorbeeld ook terzake van
                                het afvoeren van stoffen vanuit zuiveringtechnische werken.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ingevolge het eerste lid wordt het aantal vervuilingseenheden als
                                hoofdregel bepaald door middel van meting, bemonstering en analyse.
                                Dit geldt zowel voor de zuurstofbindende stoffen als voor de andere
                                stoffen. Ten aanzien van de wijze van meting, bemonstering, analyse
                                en berekening zijn in bijlage I regels opgenomen. Deze voorschriften
                                gelden zowel voor meting, bemonstering en analyse gedurende alle
                                etmalen van het heffingsjaar (zie artikel 7, tweede lid) als voor
                                meting, bemonstering en analyse gedurende een beperkt aantal etmalen
                                (zie artikel 8).</al><al>In bijlage I zijn nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze
                                van meting, bemonstering en analyse. In Bijlage I zijn
                                opgenomen:</al><al>A Wijze van meting, bemonstering en monsterbehandeling;</al><al>B Analysevoorschriften;</al><al>C Berekeningsvoorschriften;</al><al>D Controle-bemonsteringen door het waterschap Aa en Maas;</al><al>E Veiligheid toezichthouders waterschap Aa en Maas;</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Blijkens het tweede lid dient meting, bemonstering en analyse plaats
                                te vinden gedurende alle dagen van het heffingsjaar. Hiervan kan
                                echter onder omstandigheden worden afgeweken. Zie hierna onder
                                artikel 8.</al><al><cursief>Derde en vierde lid</cursief></al><al>In het derde lid zijn voorwaarden opgenomen waaraan meting,
                                bemonstering en analyse moeten voldoen. De voorschriften van meting
                                en bemonstering van Bijlage I zijn een waarborg voor de in het derde
                                lid gestelde criteria. Als aan de voorschriften van Bijlage I niet
                                kan worden voldaan, kan hiervan onder omstandigheden worden
                                afgeweken.</al><al>De bevoegdheid van de ambtenaar belast met de heffing om ambtshalve
                                of op aanvraag af te wijken van de in bijlage I opgenomen
                                voorschriften betreffende meting en bemonstering is aan voorwaarden
                                gebonden. In artikel 7, derde lid, onderdelen a en b, is opgenomen
                                dat slechts van de bedoelde voorschriften kan worden afgeweken aan
                                de hand van de voorwaarde dat een meting niet meer dan 5% mag
                                afwijken van de werkelijke hoeveelheid afvalwater en dat een
                                representatief monster moet worden verkregen. De verdeling van de
                                bewijslast is afhankelijk van de omstandigheid of de afwijking van
                                de voorschriften ambtshalve of op aanvraag geschiedt. </al><al>In het eerste geval dient de ambtenaar belast met de heffing
                                aannemelijk te maken dat afwijking van de voorschriften noodzakelijk
                                is om aan de gestelde voorwaarden te voldoen, in het tweede geval
                                dient de heffingsplichtige aannemelijk te maken dat ook bij
                                afwijking van de voorschriften aan deze voorwaarden wordt voldaan. </al><al>Een afwijking van de in Bijlage I opgenomen analysevoorschriften is
                                slechts mogelijk, indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt dat
                                daarmee de nauwkeurigheid van de uitkomsten van de analyse niet
                                wordt beïnvloed (artikel 7, vijfde lid, onderdeel c).</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De ambtenaar belast met de heffing kan zowel ambtshalve als op
                                aanvraag bepalen dat van de voorschriften van Bijlage I kan worden
                                afgeweken. Deze beslissing wordt bij een voor bezwaar vatbare
                                beschikking genomen. Tegen de uitspraak op het bezwaarschrift kan
                                door de heffingsplichtige beroep worden ingesteld bij de
                                belastingkamer van het Gerechtshof. In het zesde lid is opgenomen
                                welke elementen de bedoelde beschikking in ieder geval dient te
                                bevatten.</al><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>Hierin is de mogelijkheid vermeld van een ambtshalve wijziging of
                                intrekking van een beschikking betreffende een afwijking van
                                voorschriften van meting, bemonstering en analyse van Bijlage I.
                            </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 (beperkte meting, bemonstering en analyse)</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Indien door de heffingsplichtige aannemelijk wordt gemaakt dat ook
                                bij een lagere frequentie van meting, bemonstering en analyse een
                                voldoende representatief resultaat kan worden verkregen, zal de
                                ambtenaar belast met de heffing op aanvraag van een
                                heffingsplichtige een dergelijke afwijking toestaan. Deze aanvraag
                                is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde
                                lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De ambtenaar belast met de
                                heffing neemt vervolgens een besluit in de vorm van een voor bezwaar
                                vatbare beschikking. In zijn beschikking worden in ieder geval
                                voorschriften gegeven met betrekking tot de onderdelen a t/m d,
                                genoemde onderwerpen.</al><al>In dit kader zijn tevens van belang de model–meetbeschikking (brief
                                van de Unie van Waterschappen aan de leden–waterschappen van 28
                                oktober 1994, kenmerk 942196 AJBZ/EK, Belastingblad 1994, blz. 802)
                                en de richtlijnen in het ‘Rapport bepaling meetfrequentie ter
                                vaststelling van de vervuilingswaarde van afvalwater’ van de
                                Commissie Integraal Waterbeheer van augustus 1998. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Hierin is de mogelijkheid vermeld van een ambtshalve wijziging of
                                intrekking van een meetbeschikking (op grond waarvan een
                                belastingplichtige kan volstaan met meting, bemonstering en analyse
                                gedurende een beperkt aantal etmalen).</al><al>De inhoud van deze bepaling is overgenomen van het UVR (artikel
                                13).</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 (hoedanigheidscorrectie)</titel></kop><al>Artikel 9 voorziet erin dat de voorschriften die het waterschap
                                inzake de T–correctie stelt, kenbaar zijn voor de heffingsplichtigen
                                (zie ook Bijlage I, onderdeel E).</al><al>Daarnaast is in het artikel bepaald dat de heffingsplichtige voor
                                toepassing van de T–correctie een aanvraag moet indienen. De
                                ambtenaar belast met de heffing neemt hierop een voor bezwaar
                                vatbare beschikking. </al><al>Tegen de uitspraak op het bezwaarschrift kan door de
                                heffingsplichtige beroep worden ingesteld bij Rechtbank. Tevens is
                                voorgeschreven welke elementen de bedoelde beschikking dient te
                                bevatten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 (tabel afvalwatercoëfficiënten)</titel></kop><lid><lidnr/><al>Dit artikel geeft aan dat in afwijking van het bepaalde in
                                    artikel 7 waar meting, bemonstering en analyse als hoofdregel
                                    wordt voorgeschreven, het aantal vervuilingseenheden voor een
                                    bedrijfsruimte of een onderdeel daarvan kan worden bepaald met
                                    behulp van de tabel afvalwatercoëfficiënten (Bijlage II). De
                                    vervuilingswaarde van de over het heffingsjaar afgevoerde
                                    stoffen kan met behulp van de tabel worden berekend door het
                                    aantal kubieke meters in het heffingsjaar ingenomen water te
                                    vermenigvuldigen met de toepasselijke afvalwatercoëfficiënt.
                                </al></lid><lid><lidnr/><al>Toepassing van de tabel is toegestaan indien:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H26634_0_2_11_1_"> de heffingsplichtige aannemelijk
                                    maakt dat toepassing van de tabel niet leidt tot een aantal
                                    vervuilingseenheden van meer dan 1.000 vervuilingseenheden;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H26634_0_2_11_2_"> toepassing van de tabel leidt tot
                                    een aantal vervuilingseenheden van meer dan 1.000. In dit geval
                                    is toepassing van de tabel toelaatbaar indien de
                                    heffingsplichtige aannemelijk maakt dat toepassing van meting,
                                    bemonstering en analyse (artikel 7) niet leidt tot een aantal
                                    vervuilingseenheden dat hoger is dan bij toepassing van de
                                    tabel.</al></lid><lid><lidnr/><al>Voor beide situaties geldt de voorwaarde dat de
                                    heffingsplichtige aannemelijk dient te maken dat het aantal
                                    vervuilingseenheden aan de hand van de hoeveelheid ingenomen
                                    water kan worden bepaald. Dat wil zeggen dat er rekenkundig een
                                    relatie moet bestaan tussen de hoeveelheid ingenomen water en
                                    het aantal vervuilingseenheden.</al></lid><lid><lidnr/><al>De regeling van de tabel afvalwatercoëfficiënten is opgenomen in
                                    artikel 22 Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De tabel gaat
                                    in beginsel uit van een individuele bedrijfsbenadering. Dat wil
                                    zeggen dat voor elk bedrijf afzonderlijk de toepasselijke
                                    afvalwatercoëfficiënt (behorend bij een van de 15 tabelklassen)
                                    wordt bepaald op basis van de vervuilingswaarde per m³ ingenomen
                                    water. De vaststelling van de vervuilingswaarde per m³ ingenomen
                                    water geschiedt aan de hand van het Besluit als bedoeld in
                                    artikel 22, tweede lid, Wet verontreiniging
                                    oppervlaktewateren.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 (belasting van tuinbouwkassen)</titel></kop><al>Op basis van artikel 11 worden tuinbouwkassen waarbinnen onder een
                                permanente opstand van glas of kunststof het telen van gewassen
                                plaatsvindt in de heffing betrokken op basis van een forfait van
                                drie vervuilingseenheden per hectare permanente opstand. Bij de
                                totstandkoming van de nieuwe tabel afvalwatercoëfficiënten is
                                gebleken dat de vervuilingswaarde van tuinbouwkassen geen relatie
                                heeft met de hoeveelheid ingenomen water. Bepaling van de
                                vervuilingswaarde op basis van meting, bemonstering en analyse bleek
                                gezien de relatief hoge perceptiekosten evenmin een reële
                                mogelijkheid. In verband daarmee is voor tuinbouwkassen thans een
                                heffingsmaatstaf op basis van oppervlakte in de wet opgenomen
                                (artikel 21, vijfde lid, Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren).</al><al>Het derde lid van artikel 11 schrijft voor dat bij de bepaling van
                                de vervuilingswaarde rekening wordt gehouden met een tussentijdse
                                aanvang of beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, dan wel een
                                tussentijdse wijziging van de vloeroppervlakte waarop wordt geteeld
                                (uitbreiding of inkrimping van de kassen). Berekening van de
                                vervuilingswaarde geschiedt alsdan naar tijdsevenredigheid van het
                                op basis van artikel 11, tweede lid, van deze verordening bepaalde
                                aantal vervuilingseenheden.</al><al>Het vierde lid van artikel 11 voorziet voor tuinbouwkassen met een
                                vervuilingswaarde van minder dan 5 vervuilingseenheden in een
                                forfaitaire regeling. Indien de vervuilingswaarde als berekend op
                                basis van het tweede of derde lid van de verordening minder dan 5
                                vervuilingseenheden bedraagt, wordt deze op 3 vervuilingseenheden
                                gesteld. </al><al>Indien de vervuilingswaarde als berekend op basis van het tweede of
                                derde lid van de verordening 1 of minder dan 1 vervuilingseenheid
                                bedraagt, wordt deze op 1 vervuilingseenheid gesteld. </al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12 (franchise)</titel></kop><al>Artikel 12 bepaalt dat bij de berekening van de vervuilingswaarde
                                voor bedrijfsruimten ten aanzien van de niet–zuurstofbindende
                                stoffen een heffingsvrije grens (aftrek) in acht wordt genomen. De
                                hoogte van deze aftrek is bepaald op de gemiddelde vervuilingswaarde
                                van huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen. De
                                gegevens hiervoor zijn ontleend aan het rapport ‘Het
                                inwonerequivalent getoetst’ (STORA, 1985). De achterliggende
                                gedachte bij de aftrek is dat woonruimten uitsluitend worden
                                aangeslagen voor de lozing van zuurstofbindende stoffen en niet voor
                                de lozing van andere stoffen. Uit het hiervoor genoemde onderzoek
                                blijkt echter dat ook in huishoudelijk afvalwater een, zij het zeer
                                geringe, hoeveelheid van die andere stoffen zit. Deze blijven bij
                                woonruimten echter onbelast. Om te voorkomen dat een ongelijkheid
                                ontstaat tussen woonruimten en bedrijfsruimten is in artikel 12 een
                                aftrek opgenomen gelijk aan de gemiddelde vervuilingswaarde van
                                huishoudelijk afvalwater met betrekking tot genoemde stoffen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 (drempel en meetverplichting)</titel></kop><al>Artikel 13 heeft als doel duidelijk te maken welke bedrijven
                                onderzoek dienen te verrichten naar de samenstelling van de lozing
                                van niet–zuurstofbindende stoffen (= andere stoffen). In de
                                artikelen 7 en 8 staat dat de vervuilingswaarde voor bedrijfsruimten
                                wordt vastgesteld door middel van (al dan niet dagelijkse) meting,
                                bemonstering en analyse. Dit voorschrift geldt zowel voor de
                                zuurstofbindende stoffen als voor de andere stoffen.</al><al>Blijkens artikel 13 kunnen meting, bemonstering en analyse ten
                                aanzien van de andere stoffen in beginsel achterwege blijven bij
                                bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking tot de
                                zuurstofbindende stoffen minder dan 1.000 vervuilingseenheden
                                bedraagt. Indien de ambtenaar belast met de heffing echter
                                aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van de andere stoffen
                                hoger is dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12,
                                dienen meting, bemonstering en analyse plaats te vinden. Dit is
                                geregeld in het eerste lid van artikel 13.</al><al>Voor bedrijfsruimten waarvoor de vervuilingswaarde met betrekking
                                tot de zuurstofbindende stoffen meer dan 1.000 vervuilingseenheden
                                bedraagt, geldt het omgekeerde. </al><al>Ten aanzien van de andere stoffen dient in dat geval meting,
                                bemonstering en analyse plaats te vinden, tenzij het bedrijf
                                aannemelijk maakt dat de vervuilingswaarde van die stoffen lager is
                                dan de heffingsvrije grens als bedoeld in artikel 12. Dit is
                                geregeld in het tweede lid van artikel 13.</al><al>Ter verduidelijking van de artikelen 12 en 13 volgt hierna een
                                voorbeeld.</al><al>Stel een bedrijf heeft een vervuilingswaarde aan zuurstofbindende
                                stoffen van 900 vervuilingseenheden. Ingevolge artikel 13 wordt het
                                aantal vervuilingseenheden van de overige stoffen in dit geval
                                (minder dan 1.000 vervuilingseenheden) in beginsel op nihil gesteld
                                en behoeft het bedrijf voor die overige stoffen dus niet te bemeten
                                en te bemonsteren. </al><al>Stel echter dat het waterschap aannemelijk heeft gemaakt dat het
                                bedrijf een hoeveelheid lood loost dat groter is dan de in artikel
                                12 bedoelde aftrek. Die aftrek bedraagt in dit geval 900 x 0,0162 =
                                14,58 vervuilingseenheden. Het bedrijf zal dus moeten gaan meten en
                                bemonsteren voor de overige stoffen (niet alleen lood maar in
                                beginsel ook de andere stoffen van dezelfde gewichtsgroep). Stel dat
                                daaruit blijkt dat een hoeveelheid van 25 kilogram lood wordt
                                geloosd met een vervuilingswaarde van 25 vervuilingseenheden. Daarop
                                moet ingevolge artikel 12 de aftrek (14,58) in mindering worden
                                gebracht. De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (25 – 14,58) =
                                910,52 vervuilingseenheden.</al><al>In geval naast de aangegeven hoeveelheid lood ook nog 4 kilogram
                                zink (4 vervuilingseenheden) en 300 gram arseen (3
                                vervuilingseenheden) wordt afgevoerd, geldt het volgende. In dat
                                geval geldt een aftrek van 14,58 voor de stoffen lood en zink
                                tezamen (per groep) en een aftrek van 2,43 voor arseen (900 x
                                0,0027). </al><al>De totale vervuilingswaarde is dus 900 + (29 – 14,58) + (3 – 2,43) =
                                915,09 vervuilingseenheden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 (totale vervuilingswaarde van een
                                    bedrijfsruimte)</titel></kop><al>Dit artikel voorziet in de totalisering van het bij de artikelen 7
                                t/m 13 berekende aantal vervuilingseenheden aan zuurstofbindende
                                stoffen voor een bedrijfsruimte. Een dergelijke totalisering is
                                onder meer van belang indien binnen één bedrijfsruimte:</al><lijst><li nr="•"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                        afzonderlijke meting, bemonstering en analyse plaatsvindt;
                                    </al></li><li nr="•"><al>voor de verschillende onderdelen van die bedrijfsruimte
                                        afzonderlijke afvalwatercoëfficiënten van toepassing zijn;
                                    </al></li><li nr="•"><al>voor een onderdeel van die bedrijfsruimte wordt gemeten,
                                        bemonsterd en geanalyseerd en voor een ander onderdeel van
                                        die bedrijfsruimte een afvalwatercoëfficiënt van toepassing
                                        is; </al></li><li nr="•"><al>naast zuurstofbindende stoffen eveneens
                                        niet–zuurstofbindende stoffen worden geloosd die in de
                                        heffing worden betrokken (na aftrek van de heffingsvrije
                                        grens van niet–zuurstofbindende stoffen). </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 (forfaits voor kleine bedrijfsruimten)</titel></kop><al>Artikel 15 bevat een regeling voor kleine bedrijfsruimten die haar
                                basis vindt in artikel 21, derde lid, van de Wet verontreiniging
                                oppervlaktewateren. Indien de heffingsplichtige aannemelijk maakt
                                dat het aantal vervuilingseenheden minder dan 5 bedraagt, wordt de
                                vervuilingswaarde op 3 vervuilingseenheden gesteld. Indien de
                                heffingsplichtige aannemelijk maakt dat het aantal
                                vervuilingseenheden 1 of minder bedraagt, wordt op aanvraag van de
                                belastingplichtige de vervuilingswaarde op 1 vervuilingseenheid
                                gesteld. </al><al>Het betreft hier een aanvraag in de zin van artikel 132, eerste lid,
                                van de Waterschapswet. De regeling kan door de ambtenaar belast met
                                de heffing ook ambtshalve worden toegepast.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 (forfaits voor woonruimten)</titel></kop><al>Artikel 16 bepaalt dat het aantal vervuilingseenheden waarvoor
                                woonruimten worden aangeslagen op forfaitaire wijze wordt bepaald.
                                Het aantal vervuilingseenheden kan maximaal 3 bedragen (artikel 21,
                                eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren).</al><al>Voor een woonruimte die wordt bewoond door één persoon, wordt de
                                vervuilingswaarde gesteld op één vervuilingseenheid (artikel 21,
                                eerste lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren). In
                                artikel 16 is bepaald dat dit op aanvraag van de gebruiker van de
                                woonruimte dient te gebeuren. Het gaat daarbij om een aanvraag in de
                                zin van artikel 132 van de Waterschapswet. Ingevolge dat artikel
                                moet de gebruiker van de woonruimte de aanvraag doen binnen zes
                                weken na de dagtekening van het aanslagbiljet of, indien nog geen
                                aanslagbiljet is uitgereikt, binnen zes weken na het ontstaan van de
                                omstandigheid. Deze vermindering kan overigens ook ambtshalve door
                                het waterschap worden toegepast.</al><al>Er wordt rekening gehouden met het aantal gebruikers van de
                                woonruimte in de loop van het heffingsjaar. Dit kan leiden tot een
                                teruggaaf ingeval een meerpersoonshuishouden in de loop van het
                                heffingsjaar een eenpersoonshuishouden wordt. In het derde lid is
                                geregeld dat deze teruggaaf geldt voor de resterende volle
                                kalendermaanden van het heffingsjaar. Dit sluit aan bij de
                                systematiek van artikel 4.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 (schatting)</titel></kop><al>In artikel 20, achtste lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren
                                is expliciet bepaald dat onder bepaalde, in de onderdelen a tot en
                                met d nader omschreven, omstandigheden de vervuilingswaarde kan
                                worden vastgesteld door middel van schatting. Bijvoorbeeld indien
                                een bedrijf niet voldoet aan zijn verplichting tot meting,
                                bemonstering en analyse of indien het bedrijf zulks doet op een
                                wijze die niet in overstemming is met de in de verordening of
                                meetbeschikking opgenomen voorschriften.</al><al>De bepaling is tevens een vangnetbepaling voor het afvoeren terzake
                                van stoffen vanuit objecten waarvoor in de verordening geen
                                bijzondere regelingen zijn opgenomen en waarvoor de hoofdregel van
                                artikel 7 (meting, bemonstering en analyse) niet kan worden
                                toegepast.</al><al>Overigens sluit dit artikel niet uit dat er ook andere
                                omstandigheden kunnen zijn op grond waarvan schatting kan
                                plaatsvinden. </al><al><vet>Tarief</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 </titel></kop><al>In artikel 18 is het tarief per vervuilingseenheid opgenomen.</al><al>Er vindt geen afronding van het aantal vervuilingseenheden
                                plaatsvindt. Bij bijvoorbeeld 5,5 vervuilingseenheden bedraagt het
                                aanslagbedrag 5,5 x het tarief.</al><al><vet>Wijze van heffing en termijnen van betaling</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19</titel></kop><al>Ingevolge artikel 125 van de Waterschapswet kunnen
                                waterschapsbelastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege
                                van voldoening op aangifte of op andere wijze. Het gaat hier om drie
                                verschillende heffingstechnieken.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Ingevolge het eerste lid vindt de heffing plaats bij wege van
                                aanslag. </al><al>De wettelijke betalingstermijnen van artikel 9 van de
                                Invorderingswet gelden ((een belastingaanslag en een eventuele boete
                                zijn invorderbaar twee maanden na dagtekening van het
                                aanslagbiljet).</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is geregeld dat de met betrekking tot woonruimten
                                en kleine bedrijfsruimten opgelegde aanslagen worden geïnd tegelijk
                                met en op dezelfde wijze als die waarop de nota’s van het openbare
                                nutsbedrijf worden betaald (deze mogelijkheid is vastgelegd in
                                artikel 139, tweede lid, van de Waterschapswet). </al><al>Daarnaast is geregeld dat de aanslag moet worden betaald in het
                                aantal termijnen dat overeenkomt met het aantal nota’s dat in het
                                heffingsjaar door het betreffende nutsbedrijf wordt verstuurd.</al><al>Tot slot kent het tweede lid een regeling voor het aantal
                                betalingstermijnen met betrekking tot een woonruimte of kleine
                                bedrijfsruimte indien geen nota’s door het nutsbedrijf worden
                                verzonden.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Voor een beschikking inzake een bestuurlijke boete die gelijktijdig
                                en in verband met een aanslag is opgelegd gelden gelijke
                                betalingstermijnen als voor de aanslag (artikel 9, derde lid,
                                Invorderingswet). Artikel 9 Invorderingswet, die ter zake als
                                hoofdregel geldt, is ook van toepassing op de waterschappen. In de
                                verordening is in artikel 19 van deze wettelijke termijnen
                                uitgegaan.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Het vierde lid kent een regeling voor het aantal betalingstermijnen
                                indien de heffingsplicht in de loop van het heffingsjaar aanvangt
                                danwel indien een aanslag wordt opgelegd nadat reeds één of meer
                                nota’s zijn verschenen.</al><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>Bedrijfsruimten, anders dan bedoeld in artikel 15, moeten de
                                (voorlopige) aanslag betalen in één termijn welke vervalt twee
                                maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. </al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Voor navorderingsaanslagen geldt een betalingstermijn van één maand
                                na de dagtekening (artikel 9, tweede lid, Invorderingswet).</al><al><vet>Nadere regels </vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20</titel></kop><al>In verband met de inwerkingtreding van de derde tranche van de
                                Algemene wet bestuursrecht (Stb. 1996, 333) en de daarop gebaseerde
                                aanpassingswetgeving (Stb. 1997, 510 en 580) komen de bevoegdheden
                                die in de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet
                                zijn toebedeeld aan de Minister van Financiën vanaf 1 januari 1998
                                toe aan het dagelijks bestuur van het waterschap (zie artikel 123,
                                derde lid, onderdeel a, van de Waterschapswet). Voor die datum
                                kwamen deze formele belastingbevoegdheden toe aan het algemeen
                                bestuur van het waterschap. Het betreft het stellen van nadere
                                regels ten aanzien van de volgende bevoegdheden:</al><lijst><li nr="•"><al>de verplichting te verzoeken om uitreiking van een
                                        aangiftebiljet; </al></li><li nr="•"><al>de mogelijkheid een voorlopige aanslag op te leggen; </al></li><li nr="•"><al>het berekenen van invorderingsrente. </al></li></lijst><al>De bovenstaande bevoegdheden waren voor 1 januari 1998 expliciet in
                                de belastingverordening geregeld. Artikel 20 is thans in de
                                verordening opgenomen om expliciet aan de belastingplichtige kenbaar
                                te maken dat ook het dagelijks bestuur regels kan stellen met
                                betrekking tot de heffing en de invordering van de
                                verontreinigingsheffing.</al><al><vet>Intrekking, inwerkingtreding, tijdstip van ingang van de
                                    heffing en citeertitel</vet></al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het eerste lid van artikel 21 regelt dat de oude verordening wordt
                                ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing. Deze
                                bepaling voorkomt dat op enig moment verschillende verordeningen van
                                kracht zijn. </al><al>De oude verordening blijft evenwel van toepassing op belastbare
                                feiten die zich voor de datum van ingang van de heffing hebben
                                voorgedaan. Voor ‘oude’ belastbare feiten blijft heffing op basis
                                van de oude verordening in de praktijk dus van toepassing. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Artikel 73, eerste lid, van de Waterschapswet schrijft voor dat
                                besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels
                                inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt. Dit
                                geldt derhalve ook voor belastingverordeningen. Blijkens het tweede
                                lid van artikel 73 geschiedt bekendmaking door plaatsing in een
                                vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen
                                verkrijgbaar gestelde publicatie en door het doen van mededeling
                                daarvan in een plaatselijk verschijnend dag– of nieuwsblad. De
                                bekendgemaakte besluiten treden conform artikel 74 van de
                                Waterschapswet in werking met ingang van de achtste dag na die van
                                de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander
                                tijdstip is aangewezen. In deze verordening is ervoor gekozen de
                                verordening op de eerste dag na die van de bekendmaking in werking
                                te laten treden. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Ingevolge artikel 111 van de Waterschapswet is een van de
                                onderwerpen die in de belastingverordening moet worden geregeld, het
                                tijdstip van ingang van de heffing. </al><al>In het derde lid van artikel 21 van de verordening is de datum van
                                ingang van de heffing vastgesteld op 1 januari 2007. Deze bepaling
                                maakt duidelijk op welk moment de nieuwe financiële verplichtingen
                                die aan de burgers worden opgelegd, een aanvang nemen.</al><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Ingevolge het vierde lid van artikel 21 wordt de verordening
                                voorzien van een citeertitel en een jaartal.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>