<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271360_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Schadevergoeding Rijnland 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Waterschapsblad nr. 25 van 30 mei 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Schadevergoeding Rijnland 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Algemene%20wet%20bestuursrecht">Algemene wet bestuursrecht, 3:2, 3:4</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-08-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-02-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>12.05036</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>recht – bezwaar en klachten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Verordening Schadevergoeding Rijnland voorziet in een met waarborgen omklede procedure voor de behandeling van een verzoek om schadevergoeding. In deze regeling zijn zowel materiële normen als procedurele regels neergelegd met betrekking tot vergoeding van onevenredig nadeel voortvloeiend uit rechtmatig handelen van het bestuur van Rijnland.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 25-4-2012</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Waterschapsblad nr. 25 van 30 mei 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening schadevergoeding Rijnland</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="•"><al>Rijnland: Het hoogheemraadschap van Rijnland; </al></li><li nr="•"><al>het college: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het
                                    hoogheemraadschap van Rijnland; </al></li><li nr="•"><al>het algemeen bestuur: de verenigde vergadering van het
                                    hoogheemraadschap van Rijnland </al></li><li nr="•"><al>de Adviescommissie: het adviesorgaan bedoeld in artikel 15;
                                </al></li><li nr="•"><al>aanvraag: een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in
                                    artikel 13, dan wel artikel 22; </al></li><li nr="•"><al>aanvrager: de indiener van een aanvraag als bedoeld in artikel
                                    13 dan wel artikel 22. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het recht op schadevergoeding</titel></kop><al>1. Het college kent degene die als gevolg van een rechtmatige
                            uitoefening van een taak ofbevoegdheid in het kader van het waterbeheer
                            schade lijdt of zal lijden op zijn aanvraag een vergoeding toe, voor
                            zover de schade redelijkerwijze niet, of niet geheel te zijnen laste
                            behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende
                            anderszins is verzekerd.</al><al>2. Bij het nemen van een besluit omtrent schadevergoeding als bedoeld in
                            het eerste lid wordt het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 11 in
                            aanmerking genomen.</al><al>3. De vergoeding wordt bepaald in geld. Nochtans kan het college de
                            vergoeding toekennen in andere vorm dan betaling van een geldsom.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Abnormale last</titel></kop><al>Schade die moet worden beschouwd als het gevolg van een normale
                            maatschappelijke ontwikkeling of binnen het normale maatschappelijk
                            risico of het normale ondernemersrisico vallende schade komt niet voor
                            vergoeding in aanmerking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Speciale last</titel></kop><al>Schade als gevolg van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste
                            lid, komt alleen voor vergoeding in aanmerking wanneer deze in
                            belangrijke mate afwijkt van de schade die dientengevolge op een ieder
                            drukt, dan wel wanneer deze schade op een naar verhouding gering aantal
                            natuurlijke- of rechtspersonen die in vergelijkbare positie verkeren
                            drukt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Actieve risico-aanvaarding</titel></kop><al>Schade ten gevolge van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2,
                            eerste lid, die voor de belanghebbende redelijkerwijs voorzienbaar was
                            ten tijde van de beslissing om te investeren in het geschade belang,
                            wordt niet vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Voorwerp van voorzienbaarheid</titel></kop><al>De in artikel 5 bedoelde voorzienbaarheid kan onder meer betrekking
                            hebben op de aard van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste
                            lid, op het tijdstip waarop deze schadeoorzaak zijn werking doet
                            gevoelen, op de plaats waarop ze betrekking heeft, op de wijze van
                            voltrekken of uitvoering daarvan, alsmede op de aard en omvang van de
                            daardoor veroorzaakte schade.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Passieve risico-aanvaarding</titel></kop><al>Geen vergoeding wordt toegekend indien de aanvrager heeft nagelaten zijn
                            belang te verwezenlijken toen hij daartoe redelijkerwijs in de
                            gelegenheid was, terwijl hij redelijkerwijs kon voorzien dat een
                            maatregel genomen zou worden die aan dat realiseren in de weg zou komen
                            te staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Schadebeperking</titel></kop><al>1. Heeft aanvrager nagelaten redelijke maatregelen ter voorkoming of
                            beperking van schade te nemen, dan blijft de schade die door het treffen
                            van zodanige maatregelen voorkomen, of beperkt had kunnen worden, ten
                            laste van de aanvrager.</al><al>2. De redelijke kosten van maatregelen ter voorkoming of beperking van
                            schade behoren tot de te vergoeden schade.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Verrekening van voordeel</titel></kop><al>Heeft een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid voor de
                            benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet dit
                            voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in aanmerking
                            worden genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kosten van deskundigenbijstand</titel></kop><al>Indien bij de indiening en de behandeling van de aanvraag zowel de hulp
                            van rechts- dan wel andere deskundigenbijstand is ingeroepen, kunnen
                            deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen als de kosten daarvan
                            redelijk te achten zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergoeding van wettelijke rente</titel></kop><al>Een vergoeding van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het
                            Burgerlijk Wetboek kan deel uitmaken van de toe te kennen vergoeding.
                            Het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat wordt gesteld op de datum
                            van ontvangst van de aanvraag door het college.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Procedurebepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><al>1. De aanvraag om schadevergoeding wordt zo spoedig als redelijkerwijs
                            mogelijk is schriftelijk ingediend bij het college.</al><al>2. Het college kan een aanvraag afwijzen indien meer dan vijf jaren zijn
                            verlopen na aanvang van de dag, volgende op die waarop de aanvrager
                            zowel met de schade als met de omstandigheid dat deze schade is
                            veroorzaakt door een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid
                            bekend is geworden.</al><al>3. Heeft aanvrager, vóórdat de termijn is verstreken na verloop waarvan
                            het college de aanvraag kan afwijzen, een schriftelijke mededeling aan
                            het college gedaan waarin aanvrager ondubbelzinnig verklaart dat hij
                            zich het recht voorbehoudt om een aanvraag om schadevergoeding als
                            bedoeld in artikel 2 in te dienen, dan begint een nieuwe termijn te
                            lopen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop deze
                            schriftelijke mededeling is gedaan.</al><al>4. Het college kan een aanvraag in ieder geval afwijzen indien twintig
                            jaren zijn verlopen na de gebeurtenis waardoor de schade is
                            veroorzaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De aanvraag om schadevergoeding</titel></kop><al>1. De aanvraag wordt ondertekend en bevat ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de dagtekening; </al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van het besluit of het handelen dat de gestelde
                                    schade naar het oordeel van aanvrager heeft veroorzaakt; </al></li><li nr="d."><al>een opgave van de feiten die tot het ontstaan van de schade
                                    aanleiding hebben gegeven; </al></li><li nr="e."><al>een vermelding van de reden of redenen waarom het college
                                    gehouden zou zijn een vergoeding toe te kennen van schade die
                                    het gevolg is van het onder c bedoelde handelen; </al></li><li nr="f."><al>een opgave van de aard en de omvang van de schade; </al></li><li nr="g."><al>een specificatie van het bedrag van de schade; </al></li><li nr="h."><al>een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel
                                    van aanvrager dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in
                                    geld wordt gewenst, een opgave van het schadebedrag, dat naar
                                    het oordeel van aanvrager vergoed dient te worden. </al></li></lijst><al>2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag zo spoedig
                            mogelijk, en stelt de aanvrager in kennis van de te volgen
                            procedure.</al><al>3. Indien naar het oordeel van het college niet of onvoldoende is
                            voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, of indien aanvrager
                            overigens verzuimt de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op
                            de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                            krijgen te verschaffen, stelt het college de aanvrager in de gelegenheid
                            het verzuim te herstellen binnen zes weken na verzending van de brief
                            waarin hem op het verzuim gewezen wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Afdoening zonder advisering door de
                                Adviescommissie</titel></kop><al>1. Het college neemt de aanvraag niet in behandeling indien het niet
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 is ingediend en van de geboden
                            gelegenheid om de aanvraag aan te vullen niet tijdig, of onvoldoende is
                            gebruik gemaakt.</al><al>2. Een besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen wordt aan de
                            aanvrager bij aangetekende brief medegedeeld binnen vier weken nadat de
                            aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt
                            is verstreken.</al><al>3. Het college kan de aanvraag afdoen zonder zich te laten adviseren
                            door de adviescommissie indien het naar zijn oordeel:</al><lijst><li nr="a."><al>kennelijk ongegrond is. Een aanvraag is onder meer kennelijk
                                    ongegrond wanneer het naar het oordeel van het college steunt op
                                    de onrechtmatige uitoefening door of namens Rijnland, of van een
                                    van de bestuursorganen van Rijnland, van een aan het
                                    publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak; </al></li><li nr="b."><al>kennelijk niet-ontvankelijk is; </al></li><li nr="c."><al>zonder nader onderzoek voor toewijzing vatbaar is; </al></li><li nr="d."><al>schade betreft die minder bedraagt dan € 5.000,=. </al></li></lijst><al>4. Een besluit om de aanvraag zonder nader onderzoek af te wijzen dan
                            wel toe te wijzen wordt aan de aanvrager bij aangetekende brief
                            medegedeeld binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag, dan wel
                            binnen acht weken nadat de termijn is verstreken gedurende welke de
                            aanvrager de aanvraag kon aanvullen.</al><al>5. Het college kan de in het vorige lid genoemde termijn eenmaal met ten
                            hoogste acht weken verlengen. Het college stelt de aanvrager daarvan
                            schriftelijk in kennis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>De Adviescommissie</titel></kop><al>1. Indien geen toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 14,
                            eerste en derde lid, stelt het college de aanvraag in handen van een
                            Adviescommissie.</al><al>2. De Adviescommissie heeft tot taak het college van advies te dienen
                            over de op de aanvraag te nemen beslissing.</al><al>3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het
                            functioneren en de financiering van de Adviescommissie.</al><al>4. De aanvraag wordt uiterlijk vier weken na het verstrijken van de
                            termijn bedoeld in artikel 14, vierde lid, dan wel indien het vijfde lid
                            van dat artikel toepassing heeft gevonden, uiterlijk vier weken na het
                            verstrijken van de in dat artikellid genoemde termijn in handen gesteld
                            van de Adviescommissie. Het college overlegt de Adviescommissie daarbij
                            tevens een schriftelijke reactie op de aanvraag, alsmede een afschrift
                            van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.</al><al>5. Het college stelt de aanvrager in kennis van het feit dat de aanvraag
                            in handen is gesteld van de Adviescommissie en verstrekt de aanvrager
                            een afschrift van de in het vorige lid bedoelde reactie, onder
                            vermelding van de mogelijkheid om tijdens het horen door de
                            Adviescommissie, dan wel schriftelijk binnen vier weken op de reactie
                            van het college in te gaan.</al><al>De kennisgeving bevat de namen van de deskundigen, hun beroep en de
                            plaats waar zij hun werkzaamheden plegen te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenstelling Adviescommissie, secretariaat</titel></kop><al>1. Het college benoemt de leden van de Adviescommissie en wijst uit hun
                            midden een voorzitter en plaatsvervangend voorzitter aan.</al><al>2. De Adviescommissie bestaat uit minimaal drie tot maximaal zes
                            onafhankelijke deskundigen, die niet werkzaam zijn bij of onder
                            verantwoordelijkheid staan van Rijnland noch lid zijn van Rijnlands
                            bestuur.</al><al>3. De advisering over aanvragen, inclusief aanvragen om voorschotten,
                            geschiedt door de voorzitter van de Adviescommissie, onverminderd het
                            bepaalde in artikel 18. Wanneer de voorzitter dat nodig oordeelt, kan
                            hij een ander lid van de Adviescommissie bij de advisering
                            betrekken.</al><al>4. De leden worden benoemd voor een periode gelijk aan de
                            zittingstermijn van de leden van het algemeen bestuur en kunnen éénmaal
                            worden herbenoemd.</al><al>5. Bij tussentijds aftreden wordt de vacature vervuld voor de nog
                            resterende periode.</al><al>6. Het college benoemt een externe secretaris van de Adviescommissie en
                            wint daarover het oordeel van de voorzitter in.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Het door de Adviescommissie te verrichten
                                onderzoek</titel></kop><al>1. De Adviescommissie dient het college van advies over de op de
                            aanvraag te nemen beslissing. Zij stelt daartoe, voorzover een
                            zorgvuldige advisering daartoe noopt, een onderzoek in naar:</al><lijst><li nr="a."><al>de vraag of de door aanvrager in zijn aanvraag gestelde schade
                                    een gevolg is van de in de aanvraag aangeduide schadeoorzaak,
                                    indien en voorzover deze als een rechtmatige uitoefening door of
                                    namens Rijnland van een aan het publiekrecht ontleende
                                    bevoegdheid of taak ter behartiging van een openbaar belang als
                                    bedoeld in artikel 2, eerste lid kan worden aangemerkt; </al></li><li nr="b."><al>de omvang van de schade als bedoeld onder a; </al></li><li nr="c."><al>de vraag of deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten
                                    laste van de benadeelde behoort te blijven, zulks met
                                    inachtneming van het in artikel 3 tot en met 11 bepaalde; </al></li><li nr="d."><al>de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende,
                                    anderszins is verzekerd, of had kunnen zijn. </al></li></lijst><al>2. De Adviescommissie brengt rapport uit over haar bevindingen. Indien
                            naar het oordeel van de Adviescommissie aan de aanvrager
                            schadevergoeding toekomt, adviseert de Adviescommissie over de hoogte
                            van de uit te keren schadevergoeding en doet zij zonodig voorstellen
                            voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door
                            een vergoeding in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bevoegdheden en verplichtingen</titel></kop><al>1. Het college stelt de Adviescommissie, al dan niet op aanvraag, de
                            gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van
                            haar taak. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991,
                            703) is van overeenkomstige toepassing.</al><al>2. De aanvrager verschaft de Adviescommissie binnen de door haar
                            gestelde termijn de gegevens en bescheiden, die voor de advisering nodig
                            zijn en waarover hij de beschikking heeft, of redelijkerwijze kan
                            krijgen. Wanneer de aanvrager zonder deugdelijke motivering nalatig
                            blijft de gegevens en bescheiden aan te leveren, doet de Adviescommissie
                            daarvan mededeling aan het college. De aanvrager ontvangt een afschrift
                            van deze mededeling.</al><al>3. De Adviescommissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden.
                            Indien met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van
                            adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de Adviescommissie deze
                            bevoegdheid eerst uit na instemming van het college.</al><al>4. De door de Adviescommissie naar het oordeel van het college in
                            redelijkheid te maken kosten, worden door Rijnland vergoed.</al><al>5. De Adviescommissie kan een plaatsopneming houden, indien zij dit
                            nodig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Procedure Adviescommissie</titel></kop><al>1. De Adviescommissie stelt de aanvrager in kennis van de te volgen
                            procedure.</al><al>2. De aanvrager en het college worden buiten elkaars aanwezigheid door
                            een lid van de Adviescommissie in de gelegenheid gesteld tot het geven
                            van een mondelinge toelichting. Adviescommissie stelt aanvrager en het
                            college in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting.
                            Beide kunnen zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een
                            gemachtigde.</al><al>3. Meegebrachte deskundigen worden in de gelegenheid gesteld een
                            toelichting te geven.</al><al>4. Van de toelichtingen wordt een verslag gemaakt. De aanvrager en het
                            college krijgen de gelegenheid om wederzijds op de toelichtingen te
                            reageren, voordat het advies wordt uitgebracht.</al><al>5. De Adviescommissie stelt het advies vast uiterlijk twaalf weken nadat
                            de aanvraag in handen van de Adviescommissie is gesteld. Zij kan deze
                            termijn gemotiveerd éénmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Zij
                            zendt het advies terstond aan de aanvragen en het college. Het college
                            stelt de aanvrager in de gelegenheid om binnen vier weken een zienswijze
                            op het advies kenbaar te maken. Wanneer de zienswijze daartoe naar het
                            oordeel van het college aanleiding geeft, wint het college nader advies
                            van de Adviescommissie in.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>De beslissing op de aanvraag</titel></kop><al>1. Onverminderd het in artikel 14 bepaalde, beslist het college binnen
                            zes weken na ontvangst van het advies van de Adviescommissie op de
                            aanvraag om schadevergoeding. Het college maakt dit besluit binnen deze
                            termijn bekend aan de aanvrager. Het college zendt een kopie van dit
                            besluit aan de Adviescommissie.</al><al>2. Het college kan de beslissing bedoeld in het eerste lid, onder opgaaf
                            van redenen, eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Kabels en leidingen</titel></kop><al>1. Aanvragen die betrekking hebben op schade als gevolg van het
                            verleggen van kabels en/of leidingen worden inhoudelijk behandeld
                            conform de Nadeelcompensatieregeling verleggen van kabels en leidingen
                            in en buiten Rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999),
                            dan wel de daarvoor in de plaats tredende rijksregeling, zoals deze
                            luidt op het moment van de ontvangst van de aanvraag.</al><al>2. Aanvragen als bedoeld in het eerste lid volgen de procedurele
                            voorschriften in hoofdstuk 2 van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Voorschot</titel></kop><al>1. Het college kent de aanvrager die naar redelijke verwachting in
                            aanmerking komt voor een vergoeding in geld als bedoeld in artikel 2 en
                            wiens belang naar het oordeel van het college vordert dat aan hem een
                            voorschot op deze vergoeding wordt toegekend, op diens schriftelijk
                            verzoek een voorschot toe. Artikel 20 is van overeenkomstige
                            toepassing.</al><al>De voorzitter van de Adviescommissie stelt zijn advies op binnen twaalf
                            weken nadat het verzoek hem in handen is gesteld. Deze termijn kan hij,
                            onder opgaaf van redenen, eenmaal met ten hoogste zes weken
                            verlengen.</al><al>2. Indien het college beslist tot het verlenen van een voorschot wordt
                            daarmee geen aanspraak als bedoeld in artikel 2 erkend.</al><al>3. Het voorschot kan uitsluitend worden verleend, indien de verzoeker
                            schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke
                            terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald,
                            zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het teveel betaalde
                            te rekenen vanaf de datum van betaling van het voorschot. Het college
                            kan daarvoor zekerheidstelling, bijvoorbeeld in de vorm van een
                            bankgarantie, verlangen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepaling</titel></kop><structuurtekst><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening Schadevergoeding
                            Rijnland 2012</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Inleiding</titel></kop><al>Nadeelcompensatie is in de loop der jaren ook in de bestuurspraktijk van
                            de waterschappen een belangrijke rol gaan spelen. Om meerdere redenen
                            bestaat er voldoende aanleiding om deze praktijk te verankeren in een
                            verordening als de onderhavige. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten
                            bij de inhoud van de nadeelcompensatieregeling van Verkeer en Waterstaat
                            uit 1999, mede omdat deze regeling in de praktijk goed blijkt te
                            werken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Grondslag voor nadeelcompensatie</titel></kop><al id="anker-1">Er bestaat geen algemene wettelijke regeling voor die
                            gevallen van nadeel ten gevolge van een rechtmatige overheidsdaad,
                            waarvoor geen specifieke wettelijke regeling (zoals bijvoorbeeld art. 40
                            Wet op de Waterhuishouding en de planschaderegeling ex artikel 49 Wet
                            Ruimtelijke Ordening) voorhanden is.1 Wel bevat de Algemene wet
                            bestuursrecht twee samenhangende bepalingen waarin de grondslag voor
                            nadeelcompensatie is gecodificeerd. Artikel 3:2 en 3:4, eerste lid, Awb
                            houden in dat aan overheidsbesluiten een belangenafweging dient vooraf
                            te gaan. Via de schakelbepaling van artikel 3:1, lid 2, Awb zijn deze
                            bepalingen van overeenkomstige toepassing op privaatrechtelijk en
                            feitelijk handelen van de overheid. </al><al>Het tweede lid van artikel 3:4 Awb geeft aan dat de nadelige gevolgen
                            van een besluit voor één of meer belanghebbenden niet onevenredig mogen
                            zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Het in het
                            eerste lid gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel, in samenhang met het
                            evenredigheidsbeginsel in het tweede lid, en het hieraan ten grondslag
                            liggende “égalité devant les charges publiques” (gelijkheid voor de
                            openbare lasten) impliceren een gehoudenheid tot compensatie indien ten
                            gevolge van een, overigens rechtmatig, overheidshandelen de belangen van
                            derden onevenredig worden geschaad.</al><al>De schending van de "égalité", althans de onevenredigheid in gevolgen
                            van overheidsbesluiten- of handelingen, dient te worden weggenomen door
                            af te zien van het nemen van het besluit, door wijziging van de inhoud
                            ervan, dan wel -als schade onvermij­delijk is- door het vergoeden van de
                            daardoor veroorzaakte schade. </al><al>Met onevenredige schade wordt daarbij gedoeld op buiten het
                            maatschappelijke risico vallende (abnormale) en op een beperkte groep
                            burgers of instellingen drukkende schade.</al></divisie><divisie><kop><titel>Grondslag van deze verordening </titel></kop><al>De bevoegdheid tot vaststelling van deze verordening berust op de
                            bevoegdheid als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. </al></divisie><divisie><kop><titel>Redenen voor vaststelling van deze verordening</titel></kop><al>De Verordening Schadevergoeding Rijnland voorziet in een met waarborgen
                            omklede procedure voor de behandeling van een verzoek om
                            schadevergoeding.</al><al>Door waterschapsbesturen wordt een groot aantal besluiten genomen
                            waarbij belangen van derden betrokken zijn. Te denken valt aan besluiten
                            tot het vaststellen van verbeteringsplannen voor de waterhuishouding (of
                            dijken en kades), of aan besluiten tot het intrekken en wijzigen van
                            vergunningen. Daarnaast zijn de waterschappen bij het uitvoeren van hun
                            taken dagelijks bezig met het verrichten van werken, onderhoud etc.
                            Zulke zaken dienen te worden beschouwd als normale maatschappelijke
                            risico’s, waarmee iedereen kan worden geconfronteerd. Alhoewel
                            dergelijke zaken volkomen rechtmatig zijn, kan het toch zo zijn dat
                            hierdoor schade wordt toegebracht die niet of niet geheel ten laste van
                            benadeelden behoort te blijven. Er kunnen dus feiten en omstandigheden
                            zijn waardoor een individueel belang ten gevolge van een feitelijke
                            handeling of maatregel zo zwaar wordt getroffen dat dit nadeel
                            redelijkerwijze niet ten laste van de getroffene kan blijven. Bij de
                            lange uitvoeringsduur van een project bijvoorbeeld kan een individueel
                            belang dermate zwaar worden getroffen, dat het waterschap gehouden is
                            dit nadeel te compenseren. </al><al>Schade die voortvloeit uit rechtmatige overheidshandelingen of besluiten
                            waarvan de schade redelijkerwijze niet ten laste van de benadeelde
                            behoort te blijven, en waarvan de vergoeding niet anderszins verzekerd
                            is of verzekerd kon worden, komt in aanmerking voor vergoeding. Het is
                            immers de taak van een overheidsorgaan om iedereen gelijk te behandelen,
                            en mocht dit niet het geval zijn, dan kan daaruit de plicht ontstaan tot
                            vergoeding van die schade die onevenredig is. Dit geldt alleen voor
                            zover de betrokkene onevenredig zwaar door het besluit wordt getroffen.
                            Dit wil zeggen dat schade een individu of groep personen onevenredig
                            zwaar treft in vergelijking met andere burgers die in een vergelijkbare
                            positie verkeren, en dit nadeel zwaarder is dan het normaal te achten
                            maatschappelijke risico dat iedere burger loopt. Alleen dan is er reden
                            tot vergoeding van toegebracht nadeel. </al><al>In deze regeling zijn zowel materiële normen als procedurele regels
                            neergelegd met betrekking tot vergoeding van onevenredig nadeel
                            voortvloeiend uit rechtmatig handelen van het bestuur van Rijnland.
                            Daardoor wordt beoogd zoveel als mogelijk is de rechtszekerheid te
                            bevorderen, terwijl ook de doelmatigheid van de afwikkeling van
                            aanvragen om schadevergoeding op de voet van deze regeling wordt
                            bevorderd. Wat de materiële regels betreft wordt het volgende opgemerkt.
                            Uit de tekst van artikel 2, eerste lid van deze regeling blijkt dat aan
                            het begrip “redelijkerwijs” een belangrijke rol is toegedacht bij de
                            vestiging van een aanspraak op schadevergoeding en bij de bepaling van
                            de omvang en inhoud van een eventuele schadevergoedingsverplichting. Om
                            de rechtszekerheid en een doelmatige hantering van deze regeling te
                            bevorderen is daarin, meer in het bijzonder in de artikelen 3 tot en met
                            11 een aantal regels neergelegd, die in het nadeelcompensatierecht op
                            het punt van de vestiging van aansprakelijkheid en ter zake van de
                            bepaling van inhoud en omvang van de schadevergoeding min of meer zijn
                            uitgekristalliseerd. Deze artikelen bevatten overigens geen uitputtende
                            regeling. </al><al>Bij de vestiging van de aansprakelijkheid gaat het met name om de vraag
                            aan welke voorwaarden voldaan moet zijn wil er aanleiding bestaan om af
                            te wijken van het beginsel dat een ieder in beginsel de door hem zelf
                            geleden schade draagt.</al><al>In hoofdlijnen kunnen vijf voorwaarden voor een aanspraak op
                            nadeelcompensatie worden geformuleerd.</al><al>a) Een eerste voorwaarde voor een aanspraak op nadeelcompensatie is dat
                            de gestelde schadeoorzaak (op zichzelf) als een rechtmatig
                            overheidshandelen gekwalificeerd kan worden en dat deze valt binnen het
                            bereik van de in artikel 2, eerste lid, afgebakende gebeurtenissen.</al><al>b) Er moet sprake zijn van schade.</al><al>c) Er moet causaal verband bestaan tussen het betreffende rechtmatig
                            overheidshandelen en de gestelde schade. </al><al>d) De schade mag niet het gevolg zijn van een normale maatschappelijke
                            ontwikkeling of binnen het normale maatschappelijk risico of binnen het
                            normale ondernemersrisico vallen (zie artikel 3 en de toelichting
                            daarbij).</al><al>e) Tenslotte geldt, dat schade als gevolg van een schadeoorzaak als
                            bedoeld in artikel 2, eerste lid, die naar aard en omvang niet in
                            belangrijke mate afwijkt van de schade die dientengevolge op een ieder
                            drukt, dan wel op een naar verhouding omvangrijk aantal natuurlijke- of
                            rechtspersonen die in vergelijkbare positie verkeren drukt, niet voor
                            vergoeding in aanmerking komt (zie artikel 4 en de toelichting
                            daarbij).</al><al>Als eenmaal vast staat dat op Rijnland in beginsel een verplichting tot
                            schadevergoeding rust, zal vervolgens moeten worden vastgesteld welk
                            bedrag als schadevergoeding dient te worden toegekend.</al><al>Voor wat de wijze van schadebegroting betreft worden in deze Verordening
                            Schadevergoeding Rijnland geen regels gegeven. Dat zou gelet op de
                            veelheid van schadeoorzaken en mogelijke schadegevolgen waarop deze
                            regeling betrekking heeft niet mogelijk zijn. Bovendien zijn bij
                            toepassing van deze regeling, net zoals dat bij wettelijke
                            schadevergoedingsregelingen het geval is, al naar gelang de
                            omstandigheden van het geval, meerdere methoden denkbaar met behulp
                            waarvan in de praktijk de schade begroot kan worden. De schade dient dus
                            te worden begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in
                            overeenstemming is, terwijl zonodig de omvang van de schade dient te
                            worden geschat. </al><al>Deze verordening beoogt bovendien besluiten van het bestuur van Rijnland
                            aangaande het al dan niet toekennen van een schadevergoeding te voorzien
                            van een zelfstandige, specifieke publiekrechtelijke grondslag, welke is
                            vereist om een daarop gebaseerde beslissing als besluit in de zin van
                            artikel 1:3 tweede lid, van de Awb te kunnen aanmerken. </al><al>Door de vaststelling van deze verordening wordt tevens de
                            inzichtelijkheid van de voor de burger tegen hem niet welgevallige
                            besluiten openstaande rechtsgangen bevorderd. Dit voorkomt, naar mag
                            worden aangenomen, overbodig werk en teleurstellingen bij bestuur en
                            burger. Deze verordening, die een geschreven publiekrechtelijke
                            grondslag voor besluiten aangaande het al dan niet toekennen van
                            schadevergoeding biedt, bevordert tevens de rechtseenheid, in die zin
                            dat in zoveel mogelijk gevallen bij gelijksoortige geschillen dezelfde
                            rechtsgang openstaat.</al><al>Deze schadevergoedingsregeling beoogt er voorts toe te leiden, dat het
                            schade-aspect in een afzonderlijk besluitvormingsproces en (zo nodig) in
                            een afzonderlijke rechtsgang aan de orde kan komen. Dit voorkomt, dat
                            beoordeling van het schadeaspect de voortgang van een doelmatige
                            taakvervulling van het bestuur belemmert, terwijl anderzijds, zoals
                            hiervoor reeds vermeld, schadevergoeding vooraf voldoende verzekerd is.
                            Het zal namelijk niet in alle gevallen mogelijk zijn benadeelden,
                            voordat een handeling door het bestuur van Rijnland wordt verricht, of
                            voordat een besluit wordt genomen, zekerheid te verschaffen over de
                            vraag, of, en tot welk bedrag de door hen geleden of nog te lijden
                            schade vergoed zal worden. Deze verordening laat echter onverlet dat,
                            waar mogelijk, aan benadeelden vooraf inzicht wordt verschaft over de
                            omvang van een eventuele schadevergoeding. Met het in beschouwing nemen
                            van schadevergoedingsaspecten behoeft derhalve niet noodzakelijk te
                            worden gewacht tot na het afronden van de besluitvormingsprocedure, dan
                            wel het voltooien van een schadeveroorzakend werk of schadeveroorzakende
                            gedraging. Ook in eerdere stadia van die procedure kan dat geschieden.
                            In dit verband wordt er nog op gewezen, dat deze verordening voorziet in
                            de mogelijkheid om een voorschot te verlenen op de eventueel na het
                            doorlopen van de in deze regeling beschreven procedure toe te kennen
                            schadevergoeding. Ook op die wijze wordt zoveel als redelijkerwijs
                            mogelijk is aan de belangen van benadeelden tegemoet gekomen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Reikwijdte van de verordening </titel></kop><al>De verordening ziet uitsluitend op de rechtmatige uitoefening van een
                            aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid van Rijnland zoals het nemen
                            van besluiten of rechtmatige uitvoeringshandelingen van Rijnland, in het
                            kader van de uitvoering van haar publieke taak. De verordening zal
                            uitsluitend van toepassing zijn op nadeel dat het rechtstreekse gevolg
                            is van de uitvoering van handelingen voor zover deze uitvoering
                            geschiedt door Rijnland en is ter behartiging van het openbaar belang.
                            Nadeel veroorzaakt door of in opdracht van derden valt uitdrukkelijk
                            buiten het bereik van de regeling.</al><al id="anker-2">Het schadetoebrengende besluit behoeft niet met bezwaar en
                            beroep te worden bestreden alvorens een verzoek om schadevergoeding in
                            te kunnen dienen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                            heeft eind 2006 bepaald dat een schadetoebrengend besluit niet in rechte
                            onaantastbaar hoeft te zijn om schadevergoeding op grond van het
                            égalité-beginsel te vragen. Dit is slechts anders als in het
                            schadetoebrengend besluit of bij de heroverweging in bezwaar een
                            definitief bedoelde uitspraak door het bestuursorgaan is gedaan omtrent
                            het recht op schadevergoeding.2 Aannemelijk is dat het college doorgaans
                            voor schadevergoeding geen standpunt zal innemen en daarvoor zal
                            verwijzen naar de aparte procedure die deze schadeverordening
                            biedt.</al><al>Naarmate er meer tijd is verstreken tussen de vermeende
                            nadeeltoebrengende uitvoeringshandeling(en) en het moment waarop het
                            nadeel zich manifesteerde, en naarmate de afstand tussen de
                            uitvoeringshandeling(en) en de locatie waar het nadeel zich voordoet
                            groter is, wordt causaal verband moeilijker aannemelijk te maken.</al><al>De verordening is bij vaststelling in 2005 van toepassing verklaard op
                            de afhandeling van verzoeken om schadevergoeding ingevolge artikel 40
                            Wet op de waterhuishouding. Tevens is toen bepaald dat de in deze
                            Verordening Schadevergoeding Rijnland opgenomen procedurevoorschriften
                            ook worden toegepast in de gevallen waarin een verzoek wordt gedaan om
                            schadevergoeding voor het verleggen van kabels en leidingen. Deze
                            verzoeken worden verder inhoudelijk behandeld op basis van de
                            Nadeelcompensatieregeling verleggen van kabels en leidingen in en buiten
                            Rijkswaterstaatswerken en spoorwegwerken 1999 (NKL 1999). Bij de
                            wijziging in 2008 is hiervoor een aparte vermelding in de verordening
                            opgenomen (artikel 21, kabels en leidingen). De NKL 1999 is in te zien
                            via http://www.stuurgroepskl.nl/.</al><al>Ook het artikel over schadevergoeding in artikel 27 van Rijnlands keur
                            (2006) verwijst naar toepassing van de Verordening
                            schadevergoeding.</al><al>De verordening heeft een aanvullend karakter en is dan ook niet van
                            toepassing indien, en voor zover in de compensatie van nadeel op
                            enigerlei andere wijze is voorzien. Men spreekt in dit verband wel van
                            het subsidiairiteitsvereiste. Mocht schade verzekerbaar zijn, ook dan is
                            uitkering op grond van de Verordening Schadevergoeding Rijnland
                            uitgesloten. Indien en voor zover door landelijke vergoeding
                            bijvoorbeeld of anderszins in een vergoeding is voorzien, is deze
                            verordening niet van toepassing.</al><al>Evenmin is de verordening van toepassing op schade die het gevolg is van
                            een onrechtmatige daad of wanprestatie, omdat deze onderwerpen door het
                            burgerlijk recht worden beheerst. Handelingen die als onrechtmatig zijn
                            aan te merken, zijn bijvoorbeeld een onbevoegd handelen, een handelen in
                            strijd met wettelijke voorschriften, een ongeoorloofde inbreuk op een
                            subjectief recht, een handelen in strijd met een contractuele
                            verplichting (wanprestatie). Als het college van mening is dat het
                            verzoek buiten het bereik van deze verordening valt, dan kan het verzoek
                            zonder nader onderzoek worden afgewezen. Indien niet duidelijk is of een
                            verzoek betrekking heeft op schade uit een rechtmatig of een
                            onrechtmatig overheidshandelen, heeft de burgerlijke rechter daarover
                            het laatste woord.</al><al>Als de rechter tot het oordeel komt dat er geen sprake is van
                            onrechtmatig handelen, zal het college zijn eerder ingenomen standpunt
                            desverzocht kunnen heroverwegen en bezien of alsnog het eerder
                            ingediende schadevergoedingsverzoek op basis van de onderhavige
                            verordening afgewikkeld kan worden.</al><al>1. AR 9 juli 1990, AB 1991, 229, BR
                            1991, p. 144; ABRS 26 oktober 1995, AB 1996, 297.</al><al>2. ABRvS 8 november 2006 (Venlo) AB
                            2007/252.</al></divisie></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze bepaling worden enkele kernbegrippen omschreven. Met de
                                wijziging in 2008 is de begripsomschrijving van algemeen bestuur
                                aangepast aan de huidige benaming, de omschrijving van college is
                                toegevoegd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2 Het recht op schadevergoeding</titel></kop><al>Algemeen</al><al>Een belangrijke wijziging betreft de bevoegdheid over de uitvoering
                                van de verordening. De uitvoering van de Verordening lag voorheen in
                                handen van het algemeen bestuur, oorspronkelijk in 2005 Algemene
                                Vergadering genoemd, nadien Verenigde Vergadering. In de wijziging
                                wordt voorgesteld de uitvoering volledig in handen van het college
                                van dijkgraaf en hoogheemraden te leggen. De tekstuele wijziging van
                                Algemene Vergadering naar college wordt verder niet vermeld, tenzij
                                uitdrukkelijk aangegeven.</al><al>De wijziging sluit aan bij de gebruikelijke gang van zaken bij
                                uitvoering van verordeningen: het algemeen bestuur stelt de algemene
                                kaders, het dagelijks bestuur voert uit. Het algemeen bestuur weegt
                                de algemene belangen, het dagelijks bestuur weegt de individuele
                                belangen. Ook de bevoegdheidsverdeling in de Waterschapswet bepaalt
                                dat het college de besluiten van het algemeen bestuur voorbereidt en
                                uitvoert. De uitvoering van een verordening berust in de ogen van de
                                wetgever derhalve bij het college. </al><al>Een complicatie bij uitvoering door het algemeen bestuur zou liggen
                                in de sfeer van afweging en bezwaar. Behalve over de toekenning van
                                schadeverzoeken zou het algemeen bestuur ook over bezwaren tegen
                                toekenningsbesluiten moeten oordelen. Die afwegingen spelen zich in
                                beginsel af in de openbaarheid, wat bij schadeverzoeken van met name
                                bedrijven gevoelig ligt. Wanneer de uitvoering van de verordening in
                                handen is van het college is een vertrouwelijke behandeling
                                eenvoudiger te waarborgen. Bovendien kan het college door de hogere
                                vergaderfrequentie sneller op ingekomen verzoeken en adviezen
                                beslissen.</al><al>De gewijzigde verordening spoort met de gewijzigde
                                bevoegdheidstoedeling op dit punt (weer) met de regeling bij het
                                hoogheemraadschap van Delfland en de modelverordening van de Unie
                                van Waterschappen (laatstelijk: Schaderegeling regionale
                                waterberging, UvW, april 2004). De verordening uit 2005 en de
                                voorganger daarvan zijn destijds – met uitzondering van de
                                bevoegdheidsverdeling - geënt op de regeling van het Ministerie van
                                Verkeer en Waterstaat. Ook Delfland en de Unie van Waterschappen
                                hanteren een daarvan afgeleide (model)regeling, met een
                                beslissingsbevoegdheid voor het college. In de regeling van Delfland
                                blijft alleen de bevoegdheid om de leden van de commissie te
                                benoemen bij het algemeen bestuur. Die resterende bevoegdheid is van
                                weinig betekenis en kan eveneens bij het college worden gelegd. </al><al>De reden om de uitvoeringsbevoegdheid aanvankelijk bij het algemeen
                                bestuur te leggen steunde op de letterlijke formulering van artikel
                                40 van de Wet op de waterhuishouding. Dat artikel biedt – kort
                                gezegd - de gedupeerde bij wijziging van een peilbesluit de
                                mogelijkheid een schadeverzoek tot het algemeen bestuur te richten.
                                Daarnaast lag destijds een spiegelbepaling van artikel 40 Wet op de
                                waterhuishouding in de planschaderegeling van artikel 49 Wet op de
                                ruimtelijke ordening bij wijziging van een bestemmingsplan. Destijds
                                was het de gemeenteraad die over planschadevergoeding besloot. Tot
                                slot zal ook reden van budgetbewaking mogelijk een rol hebben
                                gespeeld om de bevoegdheid tot schadevergoeding bij het algemeen
                                bestuur te leggen. </al><al>Inmiddels is voldoende duidelijk geworden dat niet het algemeen
                                bestuur zelf over de schadeverzoeken bij peilbesluiten hoeft te
                                besluiten, maar kan volstaan met het vaststellen van een regeling.
                                Voorts is de bevoegdheid om planschadevergoeding toe te kennen in
                                artikel 49 Wet RO eind 2005 bij de colleges van burgemeester en
                                wethouders neergelegd. </al><al>Budgetbewaking van schadeclaims is tot slot mogelijk via de
                                begrotingspost Onvoorzien. Pas bij toekenning van een
                                schadevergoeding die de post Onvoorzien te boven gaat zal het
                                college zich – in het licht van de bestuurlijke verhoudingen - tot
                                het algemeen bestuur willen wenden. Het college blijft echter het
                                bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen. De verantwoording aan de
                                VV over toegekende vergoedingen zal niet afwijken van wat
                                gebruikelijk is. In de Jaarrekening zal blijken wat uit de post
                                Onvoorzien is betaald. Waar nodig zal de VV tussentijds via de Turap
                                op de hoogte worden gesteld.</al><al>De conclusie van het voorgaande luidt dat Rijnland aansluit bij wat
                                inmiddels algemeen gebruikelijk is, door de bevoegdheid tot
                                uitvoering van de Verordening schadevergoeding neer te leggen bij
                                het college. </al><al>Eerste lid</al><al id="anker-3">Dit artikel verwoordt de materiële maatstaf aan de hand
                                waarvan het bestuur verzoeken om schadevergoeding beoordeelt.3 Deze
                                Verordening Schadevergoeding beoogt een regeling te bieden voor de
                                behandeling en beoordeling van de op het - mede aan artikel 3:4,
                                tweede lid, van de Awb ten grondslag liggende - rechtsbeginsel van
                                de "égalité devant les charges publiques" (gelijkheid voor openbare
                                lasten) gebaseerde verzoeken om schadevergoeding. Daarbij is van
                                belang dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
                                zich op het standpunt stelt dat een verplichting tot
                                nadeelcompensatie uitsluitend kan worden gebaseerd op het
                                rechtsbeginsel van de égalité devant les charges publiques’
                                (gelijkheid voor openbare lasten). Dit beginsel is bovendien naar
                                het oordeel van de Afdeling slechts van toepassing indien en voor
                                zover het schadeveroorzakend handelen of nalaten van de overheid
                                geschiedt ter behartiging van een openbaar belang. 4</al><al>Voorwaarde is dat de gestelde schadeoorzaak (op zichzelf) als een
                                rechtmatig overheidshandelen gekwalificeerd kan worden. Dat brengt
                                met zich mee dat dijkgraaf en hoogheemraden in beginsel eerst een
                                beslissing omtrent schadevergoeding wegens rechtmatige overheidsdaad
                                kunnen nemen, indien de gestelde schadeoorzaak rechtens
                                onaantastbaar is geworden. Dan pas staat immers vast dat de
                                schadeoorzaak inderdaad als een rechtmatig handelen gekwalificeerd
                                kan worden.</al><al id="anker-5">In het eerste lid is ook het subsidiariteitvereiste
                                verwoord. Dit houdt in dat de benadeel­de slechts aanspraak kan
                                maken op een vergoe­ding voor zover op andere wijze in een redelijke
                                vergoeding niet is of kan worden voorzien. Dit crite­rium beoogt
                                uiter­aard te voorkomen dat betrokkene ongegrond ver­rijkt wordt,
                                doordat dezelfde schade tweemaal wordt ver­goed. 5 Bij de
                                beoordeling van een verzoek om schadevergoeding dient derhalve te
                                worden nagegaan, of de schade waarvan vergoeding wordt verzocht
                                reeds geacht kan worden anderszins voldoende te zijn gecompenseerd.
                                Zulks kan bijvoorbeeld geschieden door aanbiedingen in natura. 6 </al><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid verwijst naar bepalingen die bij de beslissing
                                omtrent toekenning van schadevergoeding in aanmerking dienen te
                                worden genomen. De artikelen 3 tot en met 11 beogen de zinsnede
                                “voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen
                                laste behoort te blijven” nader te concretiseren. Het gaat daarbij
                                overigens niet om een limitatieve opsomming van in aanmerking te
                                nemen factoren.</al><al>Derde lid</al><al>Het derde lid zoekt aansluiting bij de kern van het in het
                                Burgerlijk Wetboek neergelegde wettelijk stelsel, namelijk dat
                                schade primair wordt vergoed in geld (art. 6:103 BW). Nochtans
                                kunnen dijkgraaf en hoogheemraden een vergoeding toe kennen in
                                andere vorm dan betaling van een geldsom. </al><al>Bij nadeelcompensatie kan het zonder redelijke grond afwijzen van
                                compensatie in natura er toe leiden dat aan de benadeelde
                                schadevergoeding wordt ontzegd, althans voor zover hij de schade had
                                kunnen beperken door het aanbod te aanvaarden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3 Abnormale last</titel></kop><al>Wil er gesproken kunnen worden van onevenredige schade, dan moet
                                deze schade (tenmin­ste) buiten het (normale) maatschappelijke
                                risico vallen. Het rechtma­tig toebren­gen van nadelen die
                                daarbinnen vallen levert in beginsel geen schen­ding van het
                                egalité-beginsel op, zodat deze nadelen ten laste van de benadeelde
                                dienen te blij­ven. Bij het normaal maatschappelijk risico gaat het
                                om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee men
                                rekening kan houden, ook al bestaat geen uitzicht op de vorm en
                                omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling
                                zich zal concretiseren en de aard en de omvang van de nadelen die
                                daaruit eventueel zullen voortvloeien. </al><al>Het begrip normaal maatschappelijk risico wordt in de praktijk zowel
                                gekoppeld aan de aard van de schadeveroorzakende gebeurtenis, als
                                aan de ernst en de omvang van het nadeel, en soms ook aan het
                                getroffen belang.</al><al>Aard van de schadeveroorzakende gebeurtenis</al><al id="anker-7">Het eerste gezichtspunt betrekt het normaal
                                maatschappelijk risico op de schadeveroorzakende gebeurtenis.
                                Uitgangspunt daarbij is dat het leven in een samenleving als de onze
                                meebrengt dat men er reke­ning mee moet hou­den dat de overheid ter
                                uitvoering van de op haar rusten­de taak, een groot aantal
                                verschillende maatrege­len neemt die zij in het alge­meen belang
                                acht, maar die een krenking kunnen inhouden van het eigen,
                                per­soonlij­ke belang van één of meer bepaal­de indi­viduele
                                rechtssub­jecten, zonder dat daar compensatie in geld of anderszins
                                tegenover staat. Er kunnen zich echter feiten en/of omstandigheden
                                voordoen waardoor een individueel belang tengevolge van een
                                dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen dat het uit die
                                maatregel voortvloeiend nadeel redelijkerwijs niet te laste van
                                betrokkenen dient te blijven. 7</al><al id="anker-8">Veel van de nadeelcompensatierechtspraak heeft
                                betrekking op ingrepen van overheidswege in de infra­struc­tuur
                                (feitelijke maatregelen als aanleg, onder­houds- of
                                verbeteringswerkzaam­heden of juridi­sche maatrege­len met
                                betrek­king tot landwe­gen, waterwegen, dijken etc.). De daardoor
                                veroorzaakte nadelen worden in beginsel "als een normale
                                maatschappelij­ke ont­wik­keling" be­schouwd, waar­mee een ieder
                                geconfron­teerd kan wor­den. 8</al><al>Doorkruising van gewekte verwachtingen</al><al id="anker-9">Indivi­du­ele rechts­subjecten kunnen en mogen dus niet
                                de ge­recht­vaar­digde ver­wachting koes­teren dat de eigen belangen
                                nimmer zullen worden gekrenkt ten faveure van het algemeen belang.
                                Dat is slechts in uitzon­de­ringsgeval­len an­ders. Een
                                uitzonde­ring kan zich voordoen wanneer de daartoe be­voegde
                                (over­heids-)in­stantie onvoorwaar­de­lijk en op rech­tens binden­de
                                wijze heeft ver­klaard dat een bepaalde situatie onge­wij­zigd zal
                                blij­ven, althans bij betrokkene het gerechtvaardigde vertrouwen
                                heeft gewekt dat zij niet op een bepaalde wijze zou ingrijpen. In
                                dat geval behoeft men uiteraard geen reke­ning te houden met
                                moge­lijke nadelige verande­ringen in die situa­tie. Indien het
                                bestuur om zwaar­wegende reden besluit andere belangen te laten
                                prevale­ren, kunnen de rechtszekerheid en de daarmee
                                corresponde­rende individuele belangen onder omstandighe­den worden
                                opgeofferd aan dit zwaarwegende belang, mits het veroor­zaakte
                                onaanvaardbare, buiten het maatschappelijk risico vallende nadeel
                                wordt vergoed. 9 Onder omstandigheden kan ook het verzaken van een
                                informatieverplichting door de overheid tot een
                                nadeelcompensatieverplichting leiden. 10</al><al><cursief>Ernst en omvang van de schade</cursief></al><al id="anker-11">De nadelige gevolgen van maatregelen, die als een
                                normale maatschappelijke ontwikkeling moeten worden beschouwd,
                                behoren in beginsel voor rekening van betrokkenen te blijven. Soms
                                komt echter betekenis toe aan de ernst van het nadeel. De schade
                                moet vanuit deze optiek bezien voldoende ernstig zijn wil deze
                                buiten het normaal maatschappelijk risico vallen. Wanneer de
                                betreffende over­heidsmaatregel ertoe leidt dat een bedrijf ter
                                plaatse niet langer levensvatbaar zal zijn, tenzij maatre­gelen
                                worden getrof­fen waarmee aanzienlijke bedragen zijn gemoeid, kan
                                dat bijdragen aan het oordeel dat de door de maatre­gel veroorzaakte
                                schade niet kan worden geacht te behoren tot het voor het betrokken
                                bedrijf als normaal te beschouwen bedrijfsri­sico.11 Schade voor een
                                indivi­dueel be­drijf, die slechts over een korte periode wordt
                                geleden en voor het getroffen bedrijf geen duurza­me gevolgen van
                                betekenis heeft moet als een normaal be­drijfsrisico worden
                                beschouwd.12</al><al>Mogelijkheid om nadeel door te berekenen</al><al id="anker-13">Onder omstandigheden komt betekenis toe aan het feit
                                dat gedupeerde de schade, die hij vergoed wenst te zien, heeft
                                ver­dis­conteerd, of heeft kunnen verdiscon­teren in de prijzen, die
                                hij aan zijn afnemers in rekening brengt. Indien dit zonder
                                noemens­waardig nadeel kan geschieden, kan gecon­cludeerd worden dat
                                de gestel­de schade zich niet heeft voorgedaan, of althans dat deze
                                niet zodanig ernstig is dat deze het normale risico
                                overschrijdt.13</al><al><cursief>In absolute zin geringe schade </cursief></al><al id="anker-14">In andere rechtspraak wordt rekening gehouden met aard
                                en omvang van het nadeel.14 In absolute zin geringe schades komen
                                veelal niet voor vergoe­ding in aan­mer­king.15</al><al><cursief>In relatieve zin geringe schade</cursief></al><al id="anker-16">Ook in rela­tieve zin gerin­ge schades kunnen tot het
                                normale maat­schappe­lijke risico gerekend worden. Wanneer de schade
                                relatief gering is in verhouding tot de schade waarmee benadeelde
                                redelijkerwijs rekening kon houden toen hij besloot om in het
                                geschade belang te investeren, valt deze schade binnen het normaal
                                maatschappelijk risico. Hetzelfde geldt indien de schade wordt
                                bezien in verhouding tot de normale economische bedrijfsrisico’s
                                waarmee een ondernemer rekening heeft te houden, of in verhouding
                                tot normaliter als gevolg van een bepaald soort maatregelen te
                                lijden schade.16 Onder omstandigheden kan ook betekenis worden
                                toegekend aan de omvang van de omzetderving in verhouding tot de
                                totale omzet. 17</al><al>Aard van het getroffen belang</al><al id="anker-18">Bij de beoordeling van de vraag, of een nadeel al dan
                                niet gerekend moet worden tot het “normale”, voor rekening van de
                                benadeelde komende risico, wordt rekening gehouden met de aard van
                                het belang waarin de benadeelde getroffen wordt. Daarbij wordt met
                                name een onderscheid gemaakt tussen ondernemersbelangen en
                                particuliere belangen. In dat verband wordt doorgaans aangenomen dat
                                een ondernemer ook normale bedrijfs- of ondernemersrisico’s heeft te
                                dragen. Dit kan meebrengen dat slechts een beperkt deel van de
                                totale omzetschade voor een beperkt tijdvak redelijkerwijs niet ten
                                laste van de ondernemer behoort te blijven.18 Omrijschade wordt bij
                                sommige bedrijven geacht inherent te zijn aan de normale
                                bedrijfsactiviteiten.19 Ook wordt wel aangenomen dat het
                                (bedrijfsmatig) houden van vee nu eenmaal het risico van ziekte van
                                dat vee insluit. Maatregelen ter bestrijding van zodanige ziekte
                                moeten daarom gerekend worden tot de normale bedrijfsschade van een
                                veehouder. Slechts indien geoordeeld zou moeten worden dat de
                                geleden schade de normale bedrijfsrisico’s overstijgt kan er
                                aanleiding bestaan om schade te vergoeden.20 Daarnaast kan ook de
                                abnormale gevoeligheid van het geschade belang, de gevaarzettende
                                functie van dit belang en/of de beperkte maatschappelijke waardering
                                van het geschade belang bijdragen aan het oordeel dat de
                                belanghebbende een groter risico heeft te dragen.</al><al>Voorde­lige positie waarin betrokkene als gevolg van
                                overheids­han­delen verkeerde</al><al id="anker-21">Indien een belanghebbende als gevolg van de opstelling
                                van de overheid in een voordelige positie verkeerde, bijvoorbeeld
                                omdat hij geen vergoeding behoefde te betalen voor het gebruik van
                                overheidsgronden, of omdat hij minder behoefde te betalen dan
                                anderen, kan dat een factor zijn die mede bepalend is voor het aan
                                de belanghebbende toerekenbare risico, in die zin dat meer risico
                                aan hem toereken­baar is.21</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4 Speciale last</titel></kop><al id="anker-22">Met onevenredige schade doelt de Afdeling
                                bestuursrechtspraak van de Raad van State op schade die niet alleen
                                buiten het maatschap­pe­lijke risico valt, maar tevens op een
                                beperkte groep burgers of in­stellin­gen drukt. De kring van
                                ge­troffenen moet beperkt en duide­lijk bepaalbaar zijn. Het moet
                                gaan om schade die een gelijke behandeling van de rechtsgenoten
                                verstoort doordat de schade bij een of enkele personen of een kleine
                                groep van personen terechtkomt, terwijl anderen in een min of meer
                                gelijke positie niet getroffen worden. Indien het nadeel een grotere
                                groep van personen treft is er in beginsel geen sprake van
                                onevenredig na­deel, en bestaat er dus geen aanleiding voor het
                                toeken­nen van schadevergoeding.22</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5 Actieve risicoaanvaarding</titel></kop><al id="anker-23">Bij de beantwoording van de vraag, of een na­deel
                                rede­lijker­wijs ten laste van bena­deelde behoort te blijven komt
                                bij nadeelcompensatie grote bete­kenis toe aan een (hypotheti­sche)
                                recon­structie van het­geen waarmee belang­hebbende voorafgaande aan
                                de gebeurtenis waarop de (eventuele) aansprakelijkheid berust
                                rede­lij­kerwijs reke­ning kon en behoor­de te houden. Met name is
                                het van belang te re­construe­ren met welke risico's belanghebbende
                                op het moment dat hij be­sliste omtrent het al dan niet inves­teren
                                in - kort gezegd - het (nadien) geschade be­lang, en vervolgens tot
                                het moment waarop de schadeoorzaak zich voordeed, onder de
                                toenmalige omstan­digheden rede­lij­kerwijs reke­ning kon houden. De
                                risico's waarmee hij redelijkerwijs, bij het doen van deze
                                investe­ringsbe­slis­sing en daarna rekening kon houden wordt hij in
                                beginsel geacht te hebben aan­vaard. Deze risico's blijven dan ook
                                voor zijn rekening.23</al><al id="anker-24">Of in een concreet geval risicoaanvaarding wordt
                                aangenomen hangt in sterke mate af van het hande­len of nalaten van
                                de belangheb­bende zelf. De belangheb­bende zal zelf moeten nagaan
                                of het ver­ant­woord is om op een bepaald moment be­paalde kosten te
                                maken of investe­ringen te doen, of hiervan af te zien. Hij zal bij
                                het nemen van een beslissing daar­om­trent reke­ning hebben te
                                houden met het­geen op dat moment in de concre­te omstan­digheden
                                van het geval, naar objec­tieve maat­staven en met inachtne­ming van
                                de op het concre­te geval toepas­selijke ervarings­re­gels,
                                voor­zien­baar is. Indien belanghebbende daar­naast nog be­schikt
                                over extra infor­ma­tie, dan moet hij daar­mee uiteraard ook
                                reke­ning houden bij het nemen van zijn beslis­sin­gen. Doet hij dat
                                niet, of in onvol­doende mate dan komen de gevol­gen daar­van voor
                                zijn reke­ning. Daar staat tegenover dat indien belanghebbende,
                                voorafgaande aan het investeringsmoment op adequate wijze informatie
                                heeft ingewonnen bij de betrokken overheid omtrent de te verwachten
                                maatregelen of ontwikkelingen en hij op grond van de verstrekte
                                inlichtingen geen rekening behoefde te houden met de later genomen
                                maatregelen, hij niet geacht kan worden deze maatregelen en de
                                daaruit voortvloeiende schade te hebben aanvaard.24 Bij dit alles
                                wordt uitge­gaan van hetgeen van een (geob­jectiveer­de)
                                be­lang­hebbende, die zich van de moge­lijk­heden en zijn belan­gen
                                bewust is, had mogen worden ver­wacht onder de destijds gel­dende
                                omstan­dighe­den. Wie bijvoorbeeld vergunning heeft gekregen voor
                                een bepaal­de activi­teit, moet begrijpen dat zo een vergun­ning
                                geen eeuwig­heidswaarde heeft en dat er altijd de mogelijk­heid is
                                dat zij wordt beëindigd. Wie reeds vele jaren een werk op grond van
                                een opzegbare of intrekbare vergun­ning heeft, dient te beseffen,
                                dat er een tijd zal komen, waarop de situa­tie beëin­digd of
                                gewij­zigd moet worden en dat het risico van intrekking groeit
                                naarmate de tijd ver­strijkt. Veelal komt beslis­sende betekenis toe
                                aan hetgeen waarmee de vergun­ningverle­nende over­heid ten tijde
                                van de vergunning­verle­ning redelij­ker­wijs reke­ning behoor­de te
                                houden, meer in het bijzonder aan de periode die het be­stuursorgaan
                                op dat moment kon over­zien. Indien in de nabije toekomst
                                ontwikkelingen of maatregelen te verwachten zijn die intrekking of
                                wijziging van de vergunning impliceren, ligt afgifte van de
                                ver­zochte vergunning niet zonder meer in de rede. De keerzijde van
                                die gedachte is dat de vergun­ning­houder er in beginsel op mag
                                rekenen, dat gedu­rende de ten tijde van vergun­ning­verlening voor
                                het bestuursor­gaan overzien­bare periode geen intrekking of
                                wijzi­ging van de vergunning zal plaatsvin­den, zonder dat zijn
                                nadelen op eniger­lei wijze gecom­penseerd worden. Na verloop van de
                                "over­zienbare" periode be­staat er in beginsel geen aanspraak op
                                schadevergoeding. Het risico van intrekking van de vergunning na
                                afloop van deze "overzienbare periode" is door de vergunninghouder
                                aanvaard toen hij gebruik maakte van de vergunning. De "normale
                                levensduur" van het vergunningplichtig werk, de
                                "af­schrij­vings­perio­de", of de "technische levensduur" zijn in
                                deze benadering van weinig of geen beteke­nis.25</al><al>Degene die bijvoorbeeld een kabel of leiding on­der een weg of in
                                een dijk heeft op basis van een opzegba­re vergun­ning, maar zelfs
                                ook op basis van een voor onbe­paalde tijd ver­leende vergun­ning,
                                kan geacht worden kennis te hebben van het feit dat na verloop van
                                tijd zodanige werk­zaam­heden aan de weg of de dijk moeten worden
                                verricht dat de kabels of lei­din­gen (tij­delijk) verwijderd moeten
                                wor­den.</al><al>Er is sprake van eigen schuld, in de betekenis dat de bena­deelde
                                onrede­lijk/onzorgvuldig handelt met het oog op zijn eigen
                                belan­gen, wanneer de schade behalve aan het overheids­optreden mede
                                te wijten is aan een omstan­dig­heid die aan de benadeelde kan
                                worden toege­rekend, dan wel die omstandig­heid tot zijn
                                risico­sfeer behoort. Onredelijk han­de­len van de be­langheb­bende
                                is aanlei­ding om de schade voortvloei­ende uit het rechtmatig
                                over­heidsoptreden geheel of gedeelte­lijk voor rekening van de
                                benadeelde te la­ten. </al><al>In hoeverre de schade als gevolg de opzeg­ging of wij­ziging van een
                                voor on­bepaalde tijd verleende vergunning het gevolg is van
                                omstan­dighe­den die aan de vergunning­houder kunnen worden
                                toege­re­kend, wordt onder meer be­paald door de volgende factoren. </al><al><cursief>De te verwachten ongestoorde liggingsduur.</cursief></al><al>In Nederland moet er bijvoorbeeld van uit worden gegaan dat primaire
                                wa­terkeringen met enige regelmaat moeten worden ver­sterkt. Zo is
                                het een erva­rings­feit dat vergun­ningplich­tige wer­ken gemiddeld
                                eens in de 20 jaar moe­ten wijken voor het dijkbe­lang, indien het
                                betreft primai­re water­keringen. Ten aanzien van de primaire
                                waterkeringen kan aanslui­ting worden gezocht bij de
                                Nadeelcompensatieregeling 1999 voor het verleg­gen van kabels en
                                leidin­gen in Rijkswaterstaats­werken.</al><al>Vindt opzegging of wijziging van een vergunning plaats na verloop
                                van de te verwachten ongestoorde lig­gingsduur, dan is het nadeel
                                dat de vergun­ninghouder daardoor lijdt het gevolg van een
                                om­stan­digheid die volledig aan de vergun­ninghouder kan worden
                                toege­rekend.</al><al>Vindt de opzeg­ging plaats binnen de te verwachten onge­stoorde
                                lig­gingsduur dan is, af­hanke­lijk van het tijds­verloop tussen de
                                verlening van de ver­gunning en het opzeg­gen daarvan en het al dan
                                niet tijdelij­ke karakter van de ver­gunning, het nadeel dat de
                                vergun­ning­houder daar door lijdt in mindere mate het gevolg van
                                een om­stan­digheid die aan de vergun­ninghouder kan wor­den
                                toege­rekend.</al><al><cursief>Extra kwetsbaarheid door het doen van buitengewoon hoge
                                    investeringen op een bepaald onder­deel.</cursief></al><al>Men aanvaardt daarmee de kwade kans dat van be­paalde wijzigin­gen
                                in de be­staande situatie een onevenre­dig groot nadeel het gevolg
                                is, zodat die onevenredige schade het gevolg is van een
                                omstandigheid die aan de bena­deelde kan worden toegerekend.</al><al>Van risicoaanvaarding is sprake wanneer op het moment van de
                                investe­rings­be­slis­sing de mogelijkheid van de
                                schadeveroorzakende over­heids­maatre­gel in voldoende mate kenbaar
                                was om hiermee bij de beslis­sing tot het investeren rekening te
                                (kunnen) houden. </al><al id="anker-26">Wanneer het gaat om schade aan investeringen die zijn
                                gedaan ten behoeve van een reeds bestaand belang, bijvoorbeeld
                                aanpas­sing of uitbreiding van een bestaand bedrijf, of in gevallen
                                van bedrijfsopvolging, gaat deze regel niet zonder meer op. In
                                geval­len waarin de betrokkene redelij­kerwijs reke­ning kon houden
                                met toe­komsti­ge aantastin­gen van zijn belang door
                                over­heidsingre­pen, is bepalend of hij door des­alniettemin kosten
                                te maken, of in­ves­te­rin­gen te doen, al dan niet redelijk
                                han­delde. Hierbij moet bijvoorbeeld in aanmerking worden genomen
                                dat men van iemand die al jaren in een bepaalde woning woont niet
                                kan verwachten, dat hij aanpassingen van zijn pand achterwege laat
                                en zich elders vestigt, omdat hij kon weten dat de planologische
                                situatie ter plaatse van zijn woning zou verslechteren.26 Ook kan
                                men van een be­drijfsopvolger niet zonder meer verwachten, dat hij
                                reeds om die reden van bedrijfsopvolging afziet.27 Voorts dient in
                                aanmerking te worden geno­men dat sommi­ge bedrij­ven bijvoor­beeld
                                in verband met hun concurrentiepositie regel­matig zullen moeten
                                inves­te­ren om de ac­commo­datie aan de eisen destijds aan te
                                passen. 28</al><al><cursief>Het maken van een specifieke keuze uitsluitend in verband
                                    met het kosten­aspect.</cursief></al><al>Bijvoorbeeld door te kiezen voor het leggen van ka­bels en
                                leidin­gen in waterkeringen en niet in de aangrenzende aan­zienlijk
                                minder risico­dra­gende particu­liere gronden, uit­sluitend omdat
                                dan geen hoge ver­goedin­gen aan particuliere grondeigenaren
                                behoeven te worden betaald.</al><al>Er is onder meer sprake van risi­co­aanvaar­ding indien de
                                bena­deelde (contractueel) heeft ingestemd met de uitslui­ting van
                                de aan­sprake­lijk­heid of als deze wil­lens en wetens het risico
                                heeft aanvaard van op korte termijn intre­dende, nadelige
                                gebeurte­nissen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6 Voorwerp van voorzienbaarheid</titel></kop><al>Het artikel spreekt voor zich. De voorzienbaarheid kan betrekking
                                hebben op verschillende aspecten:</al><lijst><li nr="•"><al>de aard van de concrete maatregel die uiteindelijk genomen
                                        werd, en/of </al></li><li nr="•"><al>het tijdstip waarop die maatregel genomen wordt, </al></li><li nr="•"><al>de concrete plaats waar de maatregel genomen wordt; </al></li><li nr="•"><al>de wijze van uitvoering daarvan; </al></li><li nr="•"><al>de duur van de maatregel; </al></li><li nr="•"><al>of de aard en omvang van de daaruit voor hem voortvloeiende
                                        schade. </al></li></lijst><al>De opsomming is niet limitatief bedoeld.</al><al>Schade voortvloeiende uit zodanig optreden komt in be­ginsel niet
                                voor ver­goeding in aan­merking. Of een be­paald optreden in de lijn
                                der ver­wachtingen ligt kan afhan­kelijk zijn van bijvoorbeeld de
                                plano­logische ont­wikkelingen in een bepaald gebied,
                                maat­schappe­lijke ont­wik­kelingen, het (waterhuishoud­kundig)
                                beleid van de over­heid. Zo liggen reconstructie­werk­zaam­heden,
                                het af­slui­ten of het verleggen van wegen, het uit­baggeren van
                                wateren, de bouw van vaste oeververbindin­gen, het ver­sterken van
                                dijken, en dergelijke in beginsel in de lijn der verwach­tingen. Zij
                                zijn immers niet meer dan een logisch gevolg van maatschappelijke
                                ont­wikkelingen en derhal­ve voor een ie­der kenbaar.</al><al>Er zijn echter situaties denkbaar waarin weliswaar het
                                scha­deveroorzakend optreden in de lijn der verwach­tingen ligt,
                                doch be­langhebbende desondanks geacht moet worden er geen reke­ning
                                mee te hebben kunnen houden. Deze situa­tie zal zich voordoen indien
                                het optreden van een abnormale omvang is, een sterk afwijkende
                                reikwijdte heeft of qua gevolgen bijzonder ingrijpend is. Tot deze
                                categorie van geval­len kan onder bepaalde omstan­digheden wor­den
                                gere­kend de schade voortvloei­ende uit de op grond van artikel 11,
                                eerste lid, Water­staatswet 1900 rustende ontvangst- (en
                                versprei­dings)plicht van de aangeland voor bij het onderhoud aan
                                wateren vrijko­mende specie. In bijzon­dere omstandighe­den kan het
                                voorkomen dat zodanig grote hoeveelheden specie vrijkomen dat het
                                handhaven van de ontvangst- (en verspreidings­plicht) niet zonder
                                meer aanvaardbaar is. In dat geval kan het re­de­lijk zijn dat het
                                wa­terschap de betreffende aange­land een schadevergoeding
                                toekent.</al><al>Voorts kan het schadetoebrengende optreden niet of slechts ten dele
                                niet in de lijn der ver­wachtin­gen liggen, maar had de benadeelde
                                er in het concrete ge­val toch rekening mee kunnen en beho­ren te
                                houden. Eigen schuld, risico­aanvaarding en dergelijke bepalen in
                                hoe­verre benadeelde nog rekening kon en behoorde te houden met het
                                scha­deveroorza­kende optreden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7 Passieve risicoaanvaarding</titel></kop><al id="anker-29">Van passieve risicoaanvaarding is sprake wanneer de
                                benadeelde ervan heeft afgezien passende (aanpassings-)maatrege­len
                                te nemen vanaf het moment dat hij redelijkerwijs rekening moest, of
                                althans in voldoende mate rekening kon houden met de moge­lijkheid
                                dat zaken waarbij hij een belang heeft, in de toekomst door bepaalde
                                overheidsmaatrege­len zouden kunnen worden aange­tast. Hij wordt
                                alsdan geacht de schade die hij vervolgens lijdt, en die hij had
                                kunnen voorkomen door tijdig te handelen (pas­sief) te hebben
                                aanvaard.29</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8 Schadebeperking</titel></kop><al>Een (potentieel) benadeelde moet alle maatregelen ne­men ter
                                beperking of voor­koming van de schade voort­vloei­en­de uit
                                rechtmatig overheidsop­treden, voor zover dat voor hem moge­lijk is
                                en redelijkerwijze van hem kan worden ge­vergd. Indien niet aan de
                                verplichting tot schadebe­perking wordt vol­daan is er geen
                                aanspra­kelijkheid voor de meer­dere schade die daarvan het gevolg
                                is. De omvang van de schadebeperkingsplicht wordt beperkt door de
                                rede­lijkheid. De redelijke kosten van de maatregelen komen voor
                                rekening van de veroorzaker van de schade. Slechts die maatregelen
                                komen voor vergoeding in aanmerking die nodig en passend zijn om de
                                schade te voorkomen of te beperken. De maatregelen die niet nodig
                                zijn, of niet geschikt zijn om het nadeel te beperken vallen buiten
                                de vergoedingssfeer. Uiteraard mogen de kosten van de beperkende
                                maatregelen de omvang van de te beperken schade niet te boven gaan.
                            </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 9 Verrekening van voordeel</titel></kop><al id="anker-30">Gedacht kan worden aan de economische waarde van
                                vrijgeval­len arbeid, of - bij winkels welke deel uitmaken van een
                                keten van winkels van dezelfde ondernemer - van de opbrengst van
                                overloop van klanten naar die andere winkels.30 Ook de omstandigheid
                                dat de benadeelde anderszins gebaat is bij het schadeveroorzakende
                                besluit kan tot mindering van de schadevergoeding leiden.31
                                Veelvoorkomende posten die voor verrekening in aanmerking komen zijn
                                ‘rente vrijkomend kapitaal’, voordelen wegens ‘vrijkomende arbeid’
                                en aftrek ‘nieuw voor oud ’. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 10 Kosten van deskundigenbijstand</titel></kop><al id="anker-32">Inmiddels is in de rechtspraak aanvaard dat deze
                                kosten onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking kunnen
                                komen.32 Indien om vergoeding van deze kosten verzocht wordt ligt de
                                vraag voor, of het in het concrete geval redelijk was dat verzoeker
                                deskundigenbijstand van de desbetreffende deskundige inriep, en of
                                de omvang van de daarmee gepaard gaande kosten redelijk is te
                                achten. Bij deze beoordeling zal onder meer een rol kunnen spelen,
                                of en in hoeverre het inquisitoire karakter van het onderzoek door
                                het bestuursorgaan, met behulp van een onafhankelijke
                                deskundigencommissie, in het concrete geval al dan niet een actieve
                                inbreng van degene die om vergoeding vraagt vergt, en of, en zo ja
                                in hoeverre de ingeroepen deskundigenbijstand heeft bijgedragen aan
                                de vaststelling van een geobjectiveerde schadevergoeding. </al><al id="anker-33">Voor toekenning van zodanige bijdrage kan ingevolge de
                                planschadejurisprudentie aanleiding bestaan, indien het inschakelen
                                van deskundigen redelijkerwijs noodzakelijk was teneinde tot een
                                geobjectiveerde waardebepaling te komen. Wanneer a) een
                                procedureverordening, zoals hier, voorschrijft dat, indien om
                                schadevergoeding is verzocht, advies moet worden gevraagd aan een
                                onafhankelijke deskundige en b) betrokkene zonder dit advies af te
                                wachten een eigen adviseur inschakelt én c) het advies van de
                                onafhankelijke deskundige objectief is en op zorgvuldige wijze is
                                tot stand gekomen, dienen de kosten van de eigen adviseur voor
                                rekening van verzoeker te blijven.33</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 11 Vergoeding van wettelijke rente</titel></kop><al id="anker-34">Een vergoeding in de vorm van wettelijke rente voor
                                schade veroorzaakt door te late uitbe­taling van de
                                schadever­goeding kan deel uitmaken van de toe te kennen
                                schade­vergoeding. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij het
                                bur­gerlijk recht, in dier voege dat het bepaalde in artikel 6:119
                                BW wat de wijze van berekening van wettelijke rente betreft van
                                overeenkom­stige toepassing wordt geacht. Het tijdstip waarop de
                                rente ingaat wordt gesteld op de datum van ontvangst van het verzoek
                                door het bestuursorgaan dat over de schadevergoeding dient te
                                beslissen.34</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 12 Indiening aanvraag</titel></kop><al>Bij de wijziging van 2008 is de termijn voor indiening van een
                                aanvraag om schadevergoeding wordt verlengd van 6 weken naar 5 jaar.
                                De termijn van 6 weken is volgens rechtspraak onredelijk kort en
                                niet houdbaar gebleken. Rechters achten een termijn van 5 jaar
                                redelijk, omdat deze verjaringstermijn volgens de wet ook geldt voor
                                civiele schadeclaims en het steeds de uitdrukkelijke bedoeling van
                                de wetgever is geweest om de bestuurlijke en civiele schadezaken
                                zoveel mogelijk gelijk te stellen. </al><al>De benadeelde dient een verzoek om schadevergoeding zo spoedig
                                mogelijk in te dienen. Het moet uit bestuurlijk oogpunt ongewenst
                                worden geacht dat nog verzoeken om schadevergoeding worden ingediend
                                vele jaren nadat het nadeel gebleken is. Het is niet mogelijk voor
                                alle gevallen een vaste ter­mijn te bepalen waar­bin­nen de aanvraag
                                tot nadeelcompensatie moet zijn ingediend. Soms zal schade zich pas
                                na langere tijd voor­doen, bij­voorbeeld in geval van
                                zet­ting­scha­de. In­dien een vaste ter­mijn voor indiening van de
                                aanvraag zou worden bepaald zou dat als onredelijk gevolg hebben dat
                                velen niet op basis van deze rege­ling een aanvraag zouden kunnen
                                indie­nen. In geval dat al direct bij het betref­fende optreden
                                blijkt dat nadeel wordt toegebracht is het niet rede­lijk dat langer
                                dan nodig met het indienen van de aanvraag wordt ge­wacht.</al><al>Dit is met name van belang in verband met het
                                rechts­ze­ker­heidsbegin­sel. In dit stelsel worden gevolgen
                                verbon­den aan het achter­wege laten van enig hande­len vanaf het
                                moment dat de be­lang­heb­bende in actie kon komen teneinde de
                                verlangde schadevergoeding te verkrijgen. De termijn voor indiening
                                van een verzoek begint in het algemeen te lopen wanneer
                                rede­lijkerwijze kan wor­den gezegd dat op de gel­den­de
                                voor­schrif­ten tezamen met het vervuld zijn van de daarin gestel­de
                                feite­lij­ke voor­waarden in beginsel een financiële aan­spraak kan
                                worden geba­seerd. In de leden twee en drie is dit stelsel nader
                                uitgewerkt voor de nadeelcompensatiepraktijk. In lid 4 staat
                                geregeld dat niet later dan twintig jaar na het besluit of de
                                handeling van de overheid een verzoek kan worden gedaan, zulks aan
                                de hand van hetgeen in het Burgerlijk Wetboek is geregeld op het
                                punt van verjaring (artikel 3:310 BW), en stuiting van de verjaring
                                (art. 3:316 ev. BW). Verduidelijkt is de intentie dat de buitenste
                                verjaringstermijn van 20 jaar blijft gelden, ook als verlenging
                                wordt toegestaan van de binnenste termijn van 5 jaar.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 13 Het verzoek om schadevergoeding</titel></kop><al>In dit artikel worden nadere regels gegeven voor het indienen van
                                een verzoek om schadevergoeding. Op het indienen van zodanig verzoek
                                is uiteraard hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                                toepassing. Daarnaast zijn op het schadevergoedingsverzoek
                                toegesneden bepalingen opgenomen.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Naast de in lid 1 genoemde vereisten waaraan een verzoek om
                                schadevergoeding moet voldoen, stelt art. 4:2 Awb eisen aan het
                                indienen van een verzoek. Van een verzoeker wordt verlangd dat hij
                                alle gegevens, van welke aard dan ook, verschaft die het bestuur
                                nodig heeft voor het beoordelen van de gegrondheid van het verzoek. </al><al>Eerste lid onder e</al><al>Het voorschrift sub e moet het onder meer mogelijk maken te
                                beoordelen of verzoeker zich baseert op een rechtmatig handelen als
                                bedoeld in artikel 2, of op een onrechtmatig handelen. Van de
                                verzoeker wordt dus verlangd dat hij aangeeft op welke rechtsgrond
                                hij zijn verzoek baseert. Dient het bestuur naar het oordeel van
                                verzoeker de schade te vergoeden omdat het achterwege laten van de
                                vergoeding hem in strijd zou brengen met het mede aan artikel 3:4,
                                tweede lid Awb ten grondslag liggende beginsel van “’egalité devant
                                les charges publiques”, of steunt het verzoek in wezen op de
                                gedachte dat het bestuur door te handelen zoals hij gedaan heeft
                                anderszins in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht
                                gehandeld heeft? Het antwoord op deze vraag bepaalt of de aanvraag
                                door middel van een vereenvoudigde afdoening (kennelijke
                                ongegrondheid) kan worden afgewezen, of niet. </al><al id="anker-35">Daarenboven is deze bepaling van belang, omdat het op
                                de weg ligt van degene die schadevergoeding verzoekt om aannemelijk
                                te maken dat het uit een overheidsmaatregel voortvloeiend nadeel
                                redelijkerwijs niet te zijnen laste behoort te blijven.35 Wanneer
                                verzoeker er - nadat hem eventueel de mogelijkheid is geboden een
                                verzuim op dit punt te herstellen -, naar het oordeel van het
                                bestuur, niet in is geslaagd voldoende aannemelijk te maken dat zich
                                mogelijk een situatie voordoet waarin het uit de als schadeoorzaak
                                aangeduide maatregel voortvloeiend nadeel redelijkerwijs niet ten
                                laste van betrokkene dient te blijven, kan de aanvraag eveneens door
                                middel van een vereenvoudigde afdoening (kennelijke ongegrondheid)
                                worden afgewezen. Als verzoeker onvoldoende bewijs aandraagt om de
                                gevolgtrekking te rechtvaardigen dat zich mogelijk een situatie
                                voordoet waarin het uit de als schadeoorzaak aangeduide maatregel
                                voortvloeiend nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkene
                                dient te blijven, bestaat er geen aanleiding om een nader onderzoek
                                door een onafhankelijke commissie van deskundigen te doen
                                verrichten.</al><al>Eerste lid onder f en g</al><al>In de aanvraag moet worden aangegeven wat de aard en omvang is van
                                het geleden nadeel. Indien mogelijk moet een gespecificeerde opgave
                                van de schade worden overlegd. Dat bedrag behoeft niet hetzelfde te
                                zijn als de totale geleden schade, alleen al omdat in de vergoeding
                                daarvan deels voorzien kan zijn door een andere
                                compensatieregeling.</al><al>Eerste lid onder h</al><al>Met het eerste lid, onder h wordt bedoeld de benadeelde in de
                                gelegenheid te stellen suggesties te doen omtrent de wijze van
                                schadevergoeding. Denkbaar is immers dat het nemen van een
                                feitelijke maatregelen adequater is dan het verlenen van een
                                schadevergoeding in geld. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het bestuur bevestigt de ontvangst van het verzoek zo spoedig
                                mogelijk. In verband met het bepaalde in artikel 4:14 Abw zal
                                verzoeker worden ingelicht over de met de behandeling van het
                                verzoek ten hoogste gemoeide termijnen.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Indien de verzoeker onvoldoende gegevens heeft verstrekt om de
                                gegrondheid van het verzoek te kunnen beoordelen, kan het bestuur
                                besluiten het niet in behandeling te nemen. Dit stemt overeen met
                                het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, Abw. Wel dient verzoeker
                                eerst in de gelegenheid te worden gesteld om de ontbrekende gegevens
                                alsnog te verschaffen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 14 Afdoening zonder advisering door de
                                    Adviescommissie</titel></kop><al>Deze regeling gaat ervan uit dat het onnodig is om voor bepaalde
                                gevallen de zware procedure van behandeling van het verzoek om
                                schadevergoeding door een adviescommissie te volgen. </al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Indien niet voldaan is aan de eisen voor het in behandeling nemen
                                van het verzoek, of indien de verstrekte gegevens onvoldoende zijn
                                voor de beoordeling van het verzoek, terwijl verzoeker in de
                                gelegenheid is gesteld het verzoek aan te vullen, wordt het verzoek
                                niet in behandeling genomen. Dit komt overeen met het bepaalde in
                                artikel 4:5, eerste lid, Abw.</al><al><cursief>Tweede lid.</cursief></al><al>Het tweede lid geeft, overeenkomstig artikel 4:5, vierde lid Awb aan
                                het college een termijn van vier weken nadat het verzoek ingevolge
                                artikel 13, derde lid, alsnog is aangevuld, of nadat de daarvoor
                                gestelde termijn ongebruikt is verstreken, om een besluit om het
                                verzoek niet in behandeling te nemen aan de verzoeker bij
                                aangetekende brief mede te delen. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Indien een verzoek naar het oordeel van het college kennelijk
                                ongegrond is, wordt het zonder behandeling door de Adviescommissie
                                afgewezen. Daarvan is bijvoorbeeld sprake wanneer aanstonds, dat wil
                                zeggen bij een summier onderzoek, duidelijk is dat het geleden
                                nadeel niet door het bestuur veroorzaakt is. Ook in gevallen waarin
                                verzoeker onvoldoende aannemelijk weet te maken dat zich mogelijk
                                een situatie voordoet waarin het uit de door hem als schadeoorzaak
                                aangeduide overheidsmaatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs
                                niet te zijnen laste behoort te blijven, kan er aanleiding bestaan
                                het verzoek als kennelijk ongegrond af te wijzen.</al><al>Kennelijk ongegrond is voorts het verzoek betreffende een schade
                                waarvan de vergoeding, anderszins is verzekerd. </al><al>Dit artikellid strekt er voorts toe duidelijk te maken dat een
                                verzoek om schadevergoeding dat niet steunt op een rechtmatige
                                overheidsdaad als kennelijk ongegrond kan worden afgewezen. Deze
                                Verordening Schadevergoeding heeft immers uitsluitend betrekking op
                                schade die het gevolg is van een rechtmatige schadeoorzaak. Deze
                                regeling voorziet niet in vergoeding van schade waaraan een
                                onrechtmatige daad of wanprestatie ten grondslag is gelegd.</al><al>Bijzondere aandacht verdient het geval waarin nog niet vaststaat dat
                                de schadeoorzaak voor rechtmatig moet worden gehouden, omdat nog
                                niet onherroepelijk is beslist op een aanhangig gemaakt beroep. Ook
                                dan wordt het verzoek om schadevergoeding wegens kennelijke
                                ongegrondheid afgewezen. Er is immers niet voldaan aan het vereiste
                                van de rechtmatigheid van de schadeoorzaak. Overigens laat dit
                                onverlet dat de verzoeker een herhaald verzoek kan indienen wanneer
                                wel aan dit vereiste is voldaan. Hetzelfde geldt overigens zolang
                                nog een bestuursrechtelijk rechtsmiddel kan worden aangewend tegen
                                de schadeoorzaak.</al><al>Ook wanneer toepassing wordt gegeven aan artikel 12, lid 4 en
                                wanneer een verzoek niet tijdig is ingediend, is nader onderzoek
                                niet nodig. </al><al>Indien reeds na summier onderzoek blijkt dat de aan­vraag niet kan
                                worden gehono­reerd, dan wel zonder nader onderzoek kan worden
                                toegewezen is sprake van kennelij­ke ongegrondheid respectieve­lijk
                                kennelij­ke gegrondheid van de aan­vraag. De kenne­lijke
                                (on)gegrond­heid van de aan­vraag moet duidelijk zijn zonder dat
                                nader op de in­houdelijke merites van de zaak wordt inge­gaan.</al><al><cursief>Vierde en vijfde lid</cursief></al><al>Het vierde lid geeft aan, dat het college binnen acht weken na de
                                ontvangst van het verzoek zijn beslissing strekkende tot kennelijke
                                ongegrondverklaring van het verzoek aan verzoeker bij aangetekende
                                brief kenbaar dient te maken. Deze bepaling geldt uitsluitend voor
                                het geval dat beslist wordt zonder raadpleging van een
                                Adviescommissie. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in
                                Afdeling 4.1.3 Abw. In artikel 4:15 Awb wordt deze termijn
                                opgeschort gedurende de termijn die een verzoeker wordt gelaten voor
                                het alsnog verschaffen van de benodigde gegevens. Artikel 4:14 Awb
                                maakt het mogelijk de termijn met een redelijke termijn te verlengen
                                indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden
                                gegeven.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 15 De Adviescommissie</titel></kop><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>Indien een verzoek niet kennelijk (on)gegrond of niet kennelijk
                                niet-ontvankelijk is en buiten behandeling wordt gelaten, wordt deze
                                in handen gesteld van de Adviescommissie. Deze commissie heeft tot
                                taak het college te adviseren inzake de op het verzoek te nemen
                                beslissing</al><al>Gelet op de aard van de te nemen beslissingen en de gevolgde
                                bestuurspraktijk dient de commissie uit onafhankelijke deskundigen
                                te bestaan. </al><al>In algemene zin valt op te merken dat het inschakelen van een
                                adviescommissie bij de behandeling van zaken als de onderhavige
                                bijdraagt aan een zorgvuldige voorbereiding van de te nemen
                                beslissingen en daarmee aan de legitimiteit daarvan voor de
                                betrokken burgers.</al><al>De onderhavige regeling voorziet erin dat een adviescommissie wordt
                                ingeschakeld wanneer het verzoek niet op grond van artikel 14 is
                                afgedaan. De regeling gaat ervan uit dat de Adviescommissie in
                                beginsel met drie leden aan het college advies uitbrengt,
                                uitzonderingen daargelaten (zie artikel 16).</al><al><cursief>Vierde en vijfde lid</cursief></al><al>Een ruim bemeten behandelingstermijn is nodig, in verband met de
                                tijd die gemoeid is met het beantwoorden van de vraag, of het
                                verzoek eenvoudig kan worden afgedaan conform het bepaalde in
                                artikel 14. Toegevoegd is de verplichting voor het college een
                                reactie op de aanvraag mee te zenden bij doorzending van de aanvraag
                                naar de Adviescommissie. Dit zal de advisering kunnen versnellen. </al><al>Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat de beslissing van het
                                college tot instelling of consulatie van een commissie een
                                voorbereidingshandeling is waartegen, gelet op het bepaalde in
                                artikel 6:3 Awb, bij de administratieve rechter geen beroep kan
                                worden ingesteld. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 16 Samenstelling Adviescommissie</titel></kop><al>In deze bepaling wordt de benoeming, samenstelling, zittingstermijn
                                en secretariaat van de Adviescommissie beschreven. </al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Vanaf de wijziging van 2008 benoemt het college de leden van de
                                commissie. De aanwijzing van plaatsvervangers is verduidelijkt. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Er is een flexibel aantal leden voor de commissie mogelijk gemaakt;
                                dit biedt de mogelijkheid deskundigen van verschillende disciplines
                                te benoemen. </al><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Verduidelijkt is dat de daadwerkelijke advisering aan het college in
                                beginsel steeds wordt gedaan door een commissie van drie leden,
                                waaronder de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter. Bij
                                aanvragen om voorschot, dan wel in eenvoudige gevallen waarin weinig
                                of geen discussie is over de schadeoorzaak en schadeomvang,
                                bijvoorbeeld bij kabels en leidingen, kan het college ermee volstaan
                                uitsluitend aan de voorzitter advies te vragen. In het onderzoek
                                voorafgaand aan de advisering kan de commissie dan wel de voorzitter
                                volgens artikel 18, derde lid één of meer van de overige leden van
                                de commissie als deskundigen benaderen, dan wel deskundigen buiten
                                de commissie om advies vragen. Bij advisering in voorschotverzoeken
                                en bij (overig) advies door uitsluitend de voorzitter geldt volgens
                                artikel 19 lid 8 een kortere adviestermijn.</al><al><cursief>Zesde lid</cursief></al><al>Tot uiting is gebracht dat het college de secretaris van de
                                Adviescommissie aanwijst. Dit kan vanaf de wijziging in 2008 ook een
                                secretaris buiten Rijnland zijn. Meerdere personen, binnen of buiten
                                Rijnland, kunnen de secretaris bijstaan.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 17 Het door de commissie te verrichten
                                    onderzoek</titel></kop><al>De Adviescommissie adviseert over de op het verzoek te nemen
                                beslissing en of er sprake is van nadeel dat redelijkerwijze niet of
                                niet geheel ten laste van de aanvrager behoort te blijven. De
                                commissie stelt daartoe een onderzoek in naar de schadeoorzaak, de
                                schadeomvang, de aansprakelijkheid en de vraag of de vergoeding van
                                schade niet, of niet voldoende anderszins is verzekerd, of had
                                kunnen worden verzekerd. Wanneer blijkt dat nadeel niet veroorzaakt
                                is als gevolg van een rechtmatig besluit of een rechtmatige
                                handeling, dan behoeven de andere vragen niet meer beantwoord te
                                worden. Voorts zal het niet nodig zijn de omvang van de schade
                                nauwkeurig te bepalen als bijvoorbeeld duidelijk is dat de schade
                                vanwege verzekerbaarheid of maatschappelijk risico redelijkerwijs
                                ten laste van de verzoeker behoort te blijven. </al><al>Aan de Adviescommissie kan de opdracht worden gegeven reke­ning te
                                houden met het ter zake door het Rijk, de provincie of het
                                waterschap gevoerde beleid, mits een zorgvuldig onder­zoek daardoor
                                niet wordt belemmerd.</al><al>Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat het advies van de
                                commissie, indien het nadeel voor vergoeding in aanmerking komt,
                                mede de omvang en vorm van de schadevergoeding betreft. De commissie
                                kan ook maatregelen (in natura) voorstellen die geschikt zijn om de
                                schade te beperken of ongedaan te maken. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 18 Bevoegdheden en verplichtingen</titel></kop><al><cursief>Eerste en tweede lid</cursief></al><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid stemt overeen met hetgeen
                                in de Algemene wet bestuursrecht wordt geregeld voor gevallen waarin
                                een persoon of college bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen
                                besluiten (Afdeling 3.3. Awb). In het eerste lid wordt geregeld dat
                                het bestuur aan de commissie de gegevens verschaft die nodig zijn
                                voor een goede vervulling van haar taak. Tot die gegevens behoren
                                niet alleen het verzoek met de daarbij behorende, eventueel later
                                toegevoegde, bescheiden, maar ook de zich onder het bestuur
                                bevindende gegevens over de schadeoorzaak. Artikel 10 van de Wet
                                openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing (art. 3:7
                                lid 2 Awb). </al><al>Het tweede lid legt een soortgelijke verplichting op aan de
                                verzoeker. Ook hij dient de gegevens te verschaffen die de commissie
                                nodig heeft voor een goede vervulling van haar taak. De verzoeker
                                zal waarschijnlijk al gegevens hebben overgelegd bij het indienen
                                van zijn verzoek, maar het is niet onmogelijk te achten dat de
                                commissie het overleggen van nadere gegevens nodig vindt. </al><al><cursief>Derde en vierde lid</cursief></al><al>Het derde lid stelt de commissie in de gelegenheid inlichtingen in
                                te winnen bij derden. Indien daarmee kosten zijn gemoeid, bijv.
                                omdat een deskundigenadvies wordt gevraagd, is met het oog op die
                                kosten voorafgaande instemming van het bestuur nodig.</al><al>Het vijfde lid maakt het de commissie mogelijk de situatie ter
                                plekke in ogenschouw te nemen. Nu de onderhavige regeling niet op
                                een wettelijke grondslag berust, komt haar uiteraard niet de
                                bevoegdheid toe plaatsen te betreden tegen de wil van de
                                rechthebbende.</al><al id="anker-36">De regeling van het derde en vierde lid komt overeen
                                met hetgeen in de bestuurspraktijk gebruikelijk is.36</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 19 Procedure Adviescommissie</titel></kop><al>In deze bepaling wordt de door de Adviescommissie te volgen
                                procedure beschreven.</al><al>Het toegevoegde achtste lid heeft als oogmerk de procedure voor een
                                beslissing op relatief eenvoudige verzoeken te bekorten. Bij een
                                voorschotverzoek schrijft artikel 22 een eigen procedure voor. Ook
                                daar geldt bij advies door alleen de voorzitter een verkorte
                                adviestermijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 20 De beslissing op de aanvraag</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De beslistermijn is verkort van twaalf naar zes weken.
                                Oorspronkelijk diende het algemeen bestuur te beslissen, wat een
                                langere termijn rechtvaardigde. Nu het college beslist is
                                aangesloten bij een beslistermijn van zes weken als ook in de
                                modelregeling van UvW. De verkorte beslistermijn geldt ook bij
                                beslissingen over voorschotverzoeken. </al><al>Toegevoegd is – ter verduidelijking - een verwijzing in het eerste
                                lid naar artikel 14, waar de afdoening zonder advies is beschreven.
                                Hier gelden onder meer aparte termijnen voor het college. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 21 Kabels en leidingen</titel></kop><al>Dit artikel is in 2008 nieuw ingevoegd, maar regelt geen nieuwe
                                materie. Ook onder de verordening zoals die vanaf 2005 luidde was de
                                NKL 1999 inhoudelijk van overeenkomstige toepassing verklaard, zij
                                het op een minder herkenbare plaats in de regeling. De voorkeur
                                verdient een vermelding in de tekst van de verordening. </al><al>De NKL 1999 kent een eigen, gesloten afwegingskader, waardoor een
                                inhoudelijk advies niet steeds nodig zal zijn. Landelijke
                                ontwikkelingen of wijzigingen op het gebied van de NKL 1999 worden
                                geacht automatisch deel uit te maken van deze verordening. De NKL
                                1999 is in te zien via http://www.stuurgroepskl.nl/.</al><al>De hierna volgende artikelen zijn vernummerd door tussenvoeging van
                                dit nieuwe artikel.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 22 Voorschot</titel></kop><al id="anker-37">In artikel 22 is voorzien in de mogelijkheid van
                                bevoorschotting. Een bevoorschottingsregeling is essentieel voor een
                                adequate schadevergoedingsregeling.37 Bevoorschotting kan onder meer
                                strekken ter beperking van de schade. </al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De verzoeker, die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor
                                een vergoeding in geld als bedoeld in artikel 2 en wiens belang
                                vordert dat aan hem een voorschot op deze vergoeding wordt
                                toegekend, kan het college verzoeken hem een voorschot te verlenen.
                                Omtrent dat verzoek wordt de reeds ingeschakelde Adviescommissie
                                gehoord. </al><al>Een beslissing omtrent bevoorschotting kan, anders dan de beslissing
                                omtrent schadevergoeding als bedoeld in artikel 2, eerste lid,
                                worden genomen vóórdat het schadeveroorzakende besluit rechtens
                                onaantastbaar is geworden. Bij de beoordeling van de vraag of
                                voldaan is aan de voorwaarde dat verzoeker naar redelijke
                                verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding kan betrokken
                                worden of het beweerdelijk schadeveroorzakende besluit naar
                                redelijke verwachting rechtens onaantastbaar zal worden en of
                                verzoeker dientengevolge schade zal lijden die op de voet van
                                artikel 2 voor vergoeding in aanmerking zal komen. </al><al>Een verzoek om bevoorschotting dient ook te worden onderscheiden van
                                een verzoek om vergoeding van schade die verzoeker lijdt als gevolg
                                van een handeling van het college in het kader van de voorbereiding
                                van een eventueel te nemen besluit.</al><al>Vervallen is de verplichting om vóór de beslissing op een aanvraag
                                om voorschot de volle Adviescommissie te horen. Bij
                                voorschotverzoeken kan het college volgens artikel 16 lid 3 volstaan
                                met een adviesopdracht aan uitsluitend de voorzitter van de
                                Adviescommissie. In dat geval geldt tevens een kortere
                                adviestermijn. In de praktijk blijkt een advies van alleen de
                                voorzitter te volstaan, hetgeen de procedure versnelt. Het toezenden
                                van een concept-advies in voorschotverzoeken is eveneens uit oogpunt
                                van snelheid minder gewenst. Daar komt bij dat de beslissing op de
                                aanvraag om voorschot niet bindend is voor de behandeling van de
                                aanvraag om schadevergoeding. De leden 5 t/m 8 van artikel 19
                                blijven dan ook buiten toepassing. De overige bepalingen over de
                                Adviescommissie en de advisering gelden zoveel mogelijk ook in
                                voorschotverzoeken.</al><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>Indien het college beslist tot toekenning van een voorschot wordt
                                daarmee geen aansprakelijkheid erkend. </al><al>Het voorschot kan volgens deze regeling uitsluitend worden verleend
                                indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot
                                gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte
                                als voorschot is uitbetaald. Het college kan daarvoor
                                zekerheidsstelling, bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie,
                                verlangen. Daarbij moet betrokken worden de vraag naar het risico
                                van de onmogelijkheid van terugbetaling van het voorschot. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 23 Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De wijzigingen van de verordening in 2008 gelden direct vanaf de
                                eerste dag na bekendmaking en werken, zoals de hele verordening,
                                terug tot 1 januari 2005. Voor besluiten van het college of het
                                algemeen bestuur, alsmede voor de benoeming van de leden van de
                                Adviescommissie en de aanwijzing van de secretaris, genomen of
                                gedaan voor inwerkingtreding van de wijzigingen, geldt zonodig een
                                bekrachtiging c.q. respecterende werking. Ondanks de onmiddellijke
                                werking van de verlengde indieningstermijn van 5 jaar dekt de
                                overgangsregel tevens besluiten met een eventuele overschrijding van
                                de eerdere termijn van 6 weken, die niet strikt is gehandhaafd. </al><al>3 Bij de formulering is zoveel
                                mogelijk aansluiting gezocht bij artikel 49 van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening en op gelijke leest geschoeide bepalingen.</al><al>4  ABRvS 18 mei 2000, Gst. 2000,
                                7128.3; ABRvS 9 juni 2000, JB 2000, 243 ; ABRvS 10 juli 2000, Gst.
                                7128.9.</al><al>5  De meeste wettelijke regelingen
                                betreffende schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad kennen
                                een of andere variant in deze richting.</al><al>6 ABRS 25 juli 1994, BR 1995,
                                p.509.</al><al>7  bijv. KB 20 november 1992, AB
                                1993, 202.</al><al>8  AG 27 augus­tus 1990, BR 1991,
                                p. 283; AR 22 november 1983, AB 1984, 154; KB 16 april 1991, AB
                                1992, 250; KB 23 januari 1995, AB 1995, 267; KB 19 mei 1995, AB
                                1995,444; ABRS 15 oktober 1998, JB 1998, 278; ABRS 23 septem­ber
                                1996, BR 1998, p.303-308; AG 23 maart 1989, AB 1989, 428; AG 28
                                november 1991, BR 1992, p. 773; ABRS 26 oktober 1995, AB 1996, 297;
                                ABRS 23 september 1996, BR 1998, p.308-313. </al><al>9  KB 11 januari 1973, AB 1974,173,
                                Gst. 6238, AA 1973,p.353; AR 23 november 1984, BR 1985, p. 471; VAR
                                22 januari 1985, AB 1986, 278; Bindend Advies Raad van State van 19
                                juni 1989, AB 1989, 550 ; CBB 14 juli 1993, AB 1994, 245.</al><al>10  AR 8 juni 1984, AB 1985,188;
                                AR 17 april 1989, AB 1990,35.</al><al>11  AR 22 november 1983, AB
                                1984,154; BR 1983,p.230, HR 18 januari 1991, AB 1991, 241.</al><al>12  ver­gelijk HR 11 november
                                1994, NJ 1995, 152. </al><al>13  ABRS 26 oktober 1995, JB 1996,
                                13 en ABRS 23 september 1996 ; KB 10 januari 1986, AB 1986,449;BR
                                1986,435; KB 2 april 1985,AB 1985, 415.</al><al>14  AR 24 oktober 1983, BR 1984,p.
                                424.</al><al>15  ABRS van 22 december 1995, AB
                                1996, 250; AR 29 juni 1987, AB 1988, 262; AG 27 augustus 1990, BR
                                1991, p. 283.</al><al>16  KB 11 mei 1989, AB
                                1990,20.</al><al>17  KB 28 juni 1985, BR 1986,
                                p.49; AR 9 juli 1990, BR 1991, p. 144; AR 10 januari 1985,AB
                                1985,256.</al><al>18  AG 30 januari 1991, BR 1991,
                                p. 920.</al><al>19  AG 10 oktober 1988, BR 1989,
                                p. 125.</al><al>20  ABRS 30 maart 1995, AB 1995,
                                375.</al><al>21  AR 21 februari 1991,AB 1992,
                                263; ABRS 26 oktober 1995, JB 1996, 13; ABRS 23 september 1996, AB
                                1996, 459.</al><al>22  HR 18 januari 1991, AB 1991,
                                241.</al><al>23  HR 24 november 1995, RvdW
                                1995, 251 C</al><al>24  VAR 16 februari 1984, AB
                                1984,422.</al><al>25  AR 10 januari 1985, AB
                                1985,256; AR 9 maart 1993, AB 1994,83; ABRS 2 juli 1994, BR 1995, p.
                                593; ABRS 26 oktober 1995, JB 1996, 13; ABRS 23 september 1996, BR
                                1998, p. 303.</al><al>26  AG 10 oktober 1988, AB 1988,
                                233; BR 1989, 125.</al><al>27  AG 5 februari 1993, AB 1993,
                                523.</al><al>28  AG 4 oktober 1990, BR 1991, p.
                                49 en AG 3 fe­bruari 1993, BR 1993, p. 728. </al><al>29 KB 29 december 1988, AB 1989,
                                90; AG 7 december 1993, BR 1994, p. 680; ABRS 25 juli 1994, BR 1995,
                                p. 596;ABRS 22 augustus 1994, BR 1995, p. 515. </al><al>30 AR 5 april 1983,AB 1983, 534;
                                AR 1 juni 1987,AB 1988, 115. 31 KB
                                27 februari 1984, AB 1985,443 ; CBB 14 juli 1993, AB 1994, 245 . </al><al>32 ABRS 23 september 1996, BR
                                1998, p. 303 en ABRS 1 augustus 1997, AB 1998, 37. </al><al>33 ABRvS 27 september 1999, Gst.
                                7117.6 ; ABRvS 4 februari 2000, Gst. 7117.8. </al><al>34 ABRS 29 sep­tember 1994 BR
                                1995, p. 517; ABRS 6 februari 1995, BR 1995, p. 864. </al><al>35 ABRS 15 oktober 1998, JB 1998,
                                278.</al><al>36  bijv. artikel 25 van de
                                Monumentenwet 1988.</al><al>37  Vz. ABRS van 18 november 1997,
                                AB 1998, 60.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>