<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR271353_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Lozingsverordening Rijnland 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Waterschap">Hoogheemraadschap van Rijnland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Witte Weekblad, 2005-03-23</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Lozingsverordening Rijnland 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0002682">Wet verontreiniging oppervlaktewateren, 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20milieubeheer">Wet milieubeheer, 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanWaterschap">algemeen bestuur</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-01-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-03-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2005-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Nr: 05.02254</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>milieu – water</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De verordening bevat de gegevens die bij de aanvraag tot verlening of wijziging van een Wvo-vergunning moeten worden verstrekt. Het gaat daarbij om lozingen met behulp van een werk en lozingen anders dan met behulp van een werk, om directe (op het water) en indirecte (via het riool) lozingen.</al><al>Een regeling treedt pas in werking na bekendmaking.</al><al>De regeling werkt echter terug tot 1 januari 2005.</al><al>Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 19-1-2005</al><al>Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Witte Weekblad, 2005-03-23</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Lozingsverordening Rijnland 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Algemene Vergadering van het hoogheemraadschap van Rijnland</al><al>Gezien het voorstel van de voorbereidingscommissie d.d. 24 december
                        2004;</al><al>Gelet op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; </al><al>Besluit:</al><al>vast te stellen de </al><al><vet>Lozingsverordening Rijnland 2005</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van dijkgraaf en hoogheemraden van
                                    Rijnland; </al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 1992,
                                    628); </al></li><li nr="c."><al>vergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 1 van de wet;
                                </al></li><li nr="d."><al>afvalstoffen: afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke
                                    stoffen in welke vorm ook, als bedoeld in artikel 1 van de wet;
                                </al></li><li nr="e."><al>bedrijf: een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                                    milieubeheer dan wel een gebouw, vaartuig, installatie, terrein
                                    of ruimte waarin beroepsmatig of op een wijze als ware het
                                    beroepsmatig activiteiten plaatsvinden en van waaruit
                                    afvalstoffen in oppervlaktewateren dan wel op
                                    zuiveringstechnische werken worden gebracht, zulks met
                                    uitzondering van woonruimten en vaartuigen die uit hoofde van
                                    hun bestemming plaatsgebonden zijn; </al></li><li nr="f."><al>lozen of lozing: het brengen van afvalstoffen in
                                    oppervlaktewateren; </al></li><li nr="g."><al>werk: plaatsgebonden, vaste voorziening door middel waarvan
                                    afvalstoffen in het oppervlaktewater worden gebracht op zodanige
                                    wijze dat controle over de lozing mogelijk is; </al></li><li nr="h."><al>installatie: een vaste technische eenheid waarin een of meer van
                                    de in de bijlage bij deze verordening onder B vermelde
                                    activiteiten en processen, alsmede andere daarmee rechtstreeks
                                    samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch in
                                    verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte
                                    activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en
                                    de verontreiniging. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H433_0_0_2_1_"> De aanvraag tot verlening of wijziging van
                                een vergunning wordt schriftelijk ingediend bij het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H433_0_0_2_2_"> De in het eerste lid bedoelde aanvraag,
                                alsmede de in deze verordening gevraagde gegevens worden in
                                zevenvoud verstrekt, of indien een beschikking wordt aangevraagd met
                                betrekking tot de totstandkoming van waarvan afdeling 13.2 van de
                                Wet milieubeheer niet van toepassing is verklaard, in drievoud.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Algemeen te verstrekken gegevens</titel></kop><al>In of bij een aanvraag tot verlening of wijziging van een vergunning als
                            bedoeld in artikel 1 van de wet, worden ten minste de navolgende
                            gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de periode waarvoor een vergunning wordt aangevraagd; </al></li><li nr="c."><al>een aanduiding van de plaats waar de lozing plaatsvindt,
                                    voorzien van een toelichtende tekening; </al></li><li nr="d."><al>een omschrijving van de lozing, waarbij in ieder geval wordt
                                    vermeld: </al><al> - of de lozing continu dan wel discontinu plaatsvindt; </al><al> - met welke regelmaat lozingen of deellozingen plaatsvinden; </al><al> - de wijze waarop en/of met behulp van welk middel de lozing
                                    plaatsvindt; </al><al> - of de lozing met behulp van een werk op een ander werk
                                    plaatsvindt; </al><al> - de activiteit waaruit de lozing voortkomt. </al></li><li nr="e."><al>een karakterisering naar aard, samenstelling, eigenschappen,
                                    hoeveelheid en herkomst van de afvalstoffen waarop de aanvraag
                                    betrekking heeft; </al></li><li nr="f."><al>een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of
                                    worden getroffen om de lozing te voorkomen of te beperken,
                                    voorzien van een toelichtende tekening, alsmede de maatregelen
                                    die bij definitieve stopzetting van de activiteiten worden
                                    getroffen om lozing te voorkomen of te beperken; </al></li><li nr="g."><al>een opgave van de redelijkerwijs mogelijk te achten hoeveelheid
                                    en hoedanigheid van de afvalstoffen die ten gevolge van
                                    storingen, ongewone voorvallen, proefdraaien, in bedrijf
                                    stellen, uit bedrijf nemen, schoonmaak- en herstelwerkzaamheden
                                    in het oppervlaktewater kunnen geraken, alsmede een beschrijving
                                    van de maatregel of voorzieningen die door of vanwege de
                                    aanvrager getroffen (zullen) worden om dit te voorkomen of te
                                    beperken; </al></li><li nr="h."><al>gegevens van personen met wie tijdens, alsmede buiten
                                    kantooruren contact kan worden opgenomen indien een ongewoon
                                    voorval zich voordoet en gegevens van personen met wie contact
                                    kan worden opgenomen omtrent de naleving van de voorschriften
                                    uit de vergunning of het lozen zonder vergunning. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Lozing door een bedrijf</titel></kop><al>Indien de lozing afkomstig is van een bedrijf worden naast de gegevens
                            als bedoeld in artikel 3 de navolgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ingeschreven, een uittreksel van de Kamer van Koophandel;
                                </al></li><li nr="b."><al>een omschrijving van de aard van dat bedrijf, alsmede een opgave
                                    van de aard en omvang van de activiteiten die daar plaatsvinden;
                                </al></li><li nr="c."><al>een beschrijving van de technische installaties (inclusief hun
                                    capaciteit) en de processen die daarin plaatsvinden die leiden
                                    of kunnen leiden tot een lozing van afvalstoffen, voorzien van
                                    een toelichtende tekening van de locatie van dergelijke
                                    processen en apparaten waaruit blijkt waar en in welke mate de
                                    verschillende afvalstoffen (kunnen) ontstaan en vrijkomen; </al></li><li nr="d."><al>indien een rioleringsstelsel aanwezig is, een
                                    rioleringstekening; </al></li><li nr="e."><al>een beschrijving van onderzoeken die zijn of worden verricht,
                                    maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen
                                    teneinde het ontstaan van de onderhavige afvalstoffen te
                                    voorkomen of de te lozen hoeveelheid te beperken door hergebruik
                                    of het nuttig toepassen dan wel het geschikt maken voor
                                    hergebruik of nuttig toepassen; </al></li><li nr="f."><al>een beschrijving van de wijze waarop de lozing wordt gemeten,
                                    vastgesteld en geregistreerd en de wijze waarop over de lozing
                                    wordt gerapporteerd; </al></li><li nr="g."><al>een opgave van de voor de aanvrager redelijkerwijs te verwachten
                                    ontwikkelingen met betrekking tot de lozing die voor de
                                    beslissing op de aanvraag van belang kunnen zijn. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Lozing door een bedrijf, genoemd in de bijlage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H433_0_0_5_3_"> Indien een aanvraag betrekking heeft op
                                een lozing afkomstig van een bedrijf, behorend tot de in de bijlage
                                A genoemde categorieën, worden naast de in artikel 3 en 4 gevraagde
                                gegevens de navolgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de aard, samenstelling, eigenschappen,
                                        de hoeveelheid en de locatie binnen het bedrijf van de
                                        grondstoffen, hulpstoffen, tussenproducten en eindproducten
                                        die naar redelijke verwachting binnen het bedrijf aanwezig
                                        kunnen zijn, voorzover deze al dan niet rechtstreeks in het
                                        oppervlaktewater kunnen geraken; </al></li><li nr="b."><al>een toelichtende tekening waaruit de plaats blijkt waar de
                                        onder a. bedoelde stoffen zich bevinden. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H433_0_0_5_4_"> Indien de aanvraag betrekking heeft op een
                                bedrijf genoemd in de bijlage onder B worden in aanvulling op het
                                bepaalde in het eerste lid, tevens de navolgende gegevens
                                verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de aard en omvang van de belasting van
                                        het oppervlaktewater ten gevolge van de lozing, daaronder
                                        begrepen een overzicht van de belangrijkste nadelige
                                        effecten op het watermilieu; </al></li><li nr="b."><al>een niet-technische samenvatting van de in artikel 3 en 4
                                        bedoelde gegevens. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vergunning op hoofdzaken</titel></kop><al>Indien bedrijven als bedoeld in artikel 4 en 5 een vergunning op
                            hoofdzaken aanvragen worden naast de gegevens uit deze artikelen
                            tenminste de volgende gegevens verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de algemene vergunningsituatie op dit
                                    moment alsmede de aanleiding voor het vragen van een vergunning
                                    op hoofdzaken; </al></li><li nr="b."><al>een beschrijving van het milieuzorgsysteem alsmede de
                                    belangrijkste procedures van het milieuzorgsysteem en de
                                    verdeling van taken en verantwoordelijkheden; </al></li><li nr="c."><al>opzet van het Bedrijfsmilieuplan dan wel een daarmee te
                                    vergelijken plan, beschrijving van de relatie tussen het plan en
                                    de vergunning en het milieuprogramma ter uitvoering van het
                                    plan; </al></li><li nr="d."><al>een bewijs van certificatie van het bedrijfsmilieuzorgsysteem,
                                    verleend door een bij de Stichting Coördinatie Certificatie
                                    Milieuzorgsystemen aangesloten, door de Raad van de Accreditatie
                                    erkende certificatie-instelling; </al></li><li nr="e."><al>indien aanwezig, een afschrift van een milieujaarverslag van het
                                    afgelopen jaar. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Lozing met werk waarop andere werken zijn
                                aangesloten</titel></kop><al>Indien een aanvraag betrekking heeft op een lozing met een werk waarop
                            een of meerdere andere werken zijn aangesloten, worden naast gegevens
                            als bedoeld in artikel 3, 4 en 5 in ieder geval de volgende gegevens
                            verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van het verzorgingsgebied dat op het werk is
                                    aangesloten; </al></li><li nr="b."><al>voorzover de aanvraag betrekking heeft op een rioolstelsel de
                                    technische gegevens van dat rioolstelsel en een
                                    rioleringstekening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Aanvullende gegevens</titel></kop><al>Voor zover nadere gegevens nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag,
                            verstrekt de aanvrager deze op verzoek van het college binnen de
                            daarvoor gestelde termijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al id="anker-H433_0_0_9_5_"> Deze verordening treedt in werking met
                                ingang van de eerste dag na de datum van bekendmaking en werkt terug
                                tot en met 1 januari 2005 en vervangt de Lozingsverordening, zoals
                                vastgesteld door de Verenigde Vergadering van het Hoogheemraadschap
                                van Rijnland op 19 februari 2003.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al id="anker-H433_0_0_9_6_"> Deze verordening kan worden aangehaald als
                                “Lozingsverordening Rijnland 2005”.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Leiden, 19 januari 2005</al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Met het oog op de te nemen beslissing omtrent de ontvankelijkheid van
                            een vergunningaanvraag alsmede uit oogpunt van rechtszekerheid is het
                            verstandig de bij de aanvraag te verstrekken gegevens in een
                            publiekrechtelijke regeling vast te leggen. Een verordening strekt
                            daartoe. Een dergelijke regeling voor vergunningen die door of vanwege
                            de Minister van Verkeer en Waterstaat worden verleend is opgenomen in
                            het Uitvoeringsbesluit verontreiniging rijkswateren (UVR). De
                            bevoegdheid tot het vaststellen van een dergelijke verordening ontlenen
                            de waterschappen aan artikel 56, eerste lid van de Waterschapswet.</al><al>De verordening bevat de gegevens die bij de aanvraag tot verlening of
                            wijziging van een Wvo-vergunning moeten worden verleend. Het gaat
                            daarbij om lozingen met behulp van een werk en lozingen anders dan met
                            behulp van een werk, om directe en indirecte lozingen. Voor indirecte
                            lozingen bepaalt artikel 1, tweede lid van de Wvo dat bij Besluit
                            aangewezen inrichtingen (Wvo)vergunningplichtig zijn. Deze verordening
                            ziet niet op aansluitvergunningen, hiervoor bestaat een separate
                            aansluitverordening en aansluitvergunning van de Unie. </al><al>Indien een aanvrager de op grond van de onderhavige verordening
                            verplichte gegevens bij de aanvraag verstrekt zal hij in beginsel
                            ontvankelijk dienen te worden verklaard. Het college kan echter
                            aanvullende gegevens verlangen (zie artikel 8). Anderzijds kan het
                            college genoegen nemen met minder informatie dan op grond van de
                            verordening voorgeschreven (een soortgelijke regeling is opgenomen in
                            artikel 5.7, eerste lid, onder b Inrichtingen en vergunningenbesluit
                            Wm). Tijdens het vooroverleg worden concrete afspraken gemaakt over de
                            exacte gegevens die moeten worden verstrekt.</al><al>Getracht is vorm te geven aan de moderne methode van vergunningverlening
                            (de vergunning op hoofdzaken). De Wegwijzer Vergunning op hoofdzaken:
                            vergunningverlening op maat van het Ministerie van VROM (augustus 1999)
                            vormt hierbij een bron van informatie. De procedure voor
                            vergunningaanvraag is tevens zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht
                            met de procedure voor vergunningaanvraag die in het CIW-handboek
                            Wvo-vergunningverlening wordt beschreven.</al><al>Naast de categorie lozing van een werk op een ander werk is, is er een
                            categorie lozingen van bedrijven, waarbij een onderscheid is gemaakt
                            tussen bedrijven algemeen en bedrijven uit de bijlage die meer gegevens
                            moeten verstrekken (info die onder andere specifiek op basis IPPC is
                            vereist). Hierdoor ontstaat een driedeling in de verordening: algemene
                            gegevens die bij elke aanvraag worden verstrekt, specifieke gegevens die
                            door een bedrijf moeten worden verstrekt en meer specifieke gegevens die
                            door een aangewezen categorie bedrijven moet worden verstrekt. De
                            bepalingen werken cumulatief, dus een bedrijf dat behoort tot een
                            aangewezen categorie uit de bijlage levert gegevens aan conform de drie
                            artikelen (artikel 3, 4 en 5). </al><al>De vergunningaanvraag wordt beoordeeld in het licht van het recente
                            emissiebeleid zoals vastgelegd in de Vierde Nota Waterhuishouding.
                            CIW-publicaties geven nadere aanwijzingen hoe hiermee om te gaan. De
                            toelichting bij de artikelen 3, 4 en 5 gaat hier nog op in.</al><al>Ten aanzien van de IPPC-richtlijn geldt dat artikel 6 van de richtlijn
                            voorschrijft dat bij een categorie aangewezen bedrijven de
                            vergunningaanvraag een beschrijving dient te bevatten van de aard en
                            omvang van de te voorziene emissies van de installatie in elk
                            milieu-compartiment, alsmede een overzicht van de significante
                            milieu-effecten van de emissies. </al><al> Verder dient de vergunningaanvraag een niet-technische samenvatting te
                            bevatten van de gegevens die bij de aanvraag worden verstrekt. Dit
                            laatste voorschrift dient om het publiek voldoende inzicht te
                            verschaffen in de werking van een installatie om zich een oordeel te
                            kunnen vormen over de vergunningaanvraag en de gevolgen die een
                            installatie en de bijbehorende lozing voor het milieu zou kunnen hebben.
                            Artikel 6 van de IPPC-richtlijn kan door de waterschappen worden
                            geïmplementeerd door deze nieuwe eisen aan de vergunningaanvraag vast te
                            leggen in een verordening inzake gegevens te verstrekken bij
                            vergunningaanvragen.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><al>De meeste begrippen die in deze verordening worden gehanteerd zijn nader
                            gedefinieerd in jurisprudentie met betrekking tot de Wvo, andere komen
                            voor in het Unie-model of de IPPC-richtlijn.</al><al>Het begrip <cursief>bedrijf</cursief> komt met name naar voren in de
                            artikelen 4 en 5 van de verordening. De definitie van dit begrip is ruim
                            opgezet. Het begrip bedrijf sluit aan bij het begrip inrichting als
                            bedoeld in de Wm, maar omvat, overeenkomstig de definitie uit het
                            Unie-model, meerdere plaatsen en terreinen van waaraf een lozing kan
                            plaatsvinden. De nadruk ligt echter op beroeps-matige activiteiten;
                            woonruimten en woonschepen worden uitgesloten. Er is bewust voor gekozen
                            om het begrip ‘bedrijf’ niet te vereenzelvigen met het begrip
                            ‘inrichting’ uit de Wm. In de jurisprudentie omtrent het begrip
                            ‘inrichting’ is bepaald dat bijvoorbeeld het akkerland behorend bij een
                            boerderij en de start- en landingsbanen van een vliegveld niet onder het
                            begrip ‘inrichting’ vallen. In het kader van deze verordening worden
                            lozingen vanaf deze terreinen echter wel degelijk als ‘lozingen vanuit
                            een bedrijf’ beschouwd. Ook de AWZI en de gemeentelijke alsmede de
                            bedrijfsriooloverstorten vallen onder het de categorie ‘bedrijfsmatige
                            lozingen.</al><al>Het begrip <cursief>lozen of lozing</cursief> omvat<cursief> zowel de
                                directe als indirecte lozingen</cursief>: het brengen van
                            afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in het
                            oppervlaktewater als bedoeld in artikel 1, eerste, tweede en derde lid
                            van de Wvo. Deze definitie is afgeleid uit artikel 1 van de wet.</al><al>Het begrip <cursief>werk</cursief> is door de wetgever niet nader
                            gedefinieerd, maar in jurisprudentie uitgekristalliseerd. Wezenlijk voor
                            een werk is dat het gebonden is aan een vaste plaats, bijvoorbeeld een
                            pijp, leiding of een riool. Een kolkenzuiger valt dus niet onder het
                            begrip ‘werk’. </al><al>De definitie van het woord <cursief>installatie</cursief> is overgenomen
                            uit artikel 2 van de IPPC-richtlijn. Het begrip ‘installatie’ is slechts
                            van toepassing op de bedrijfscategorieën die in de bijlage onder B
                            worden vermeld, het begrip ‘bedrijf’ is ruim omvattender en kan ook
                            bedrijven betreffen die niet in de bijlage worden genoemd.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat aanvragen worden ingediend bij het college
                            (eerste lid) en of dit in zeven- of drievoud moet plaatsvinden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 3 geeft aan welke gegevens in het algemeen moeten worden
                            verstrekt bij een vergunning­aanvraag. Het artikel is van toepassing op
                            alle vergunningplichtige lozingen, zowel directe als indirecte lozingen,
                            deze laatste uiteraard alleen voorzover vallend onder het Besluit
                            houdende aanwijzing van soorten van inrichtingen als bedoeld in de
                            artikelen 1 tweede lid en 31 vierde lid van de Wvo (Stb. 1983, 577). Het
                            artikel is ook van toepassing op de aanvraag van een Wvo-vergunning in
                            het kader van het Bouwstoffenbesluit. De woorden ‘ten minste’ in de
                            aanhef van het artikel duiden erop dat het college, indien gewenst,
                            aanvullende gegevens kan opvragen.</al><al><vet>Ad a.</vet></al><al>Deze gegevens zijn ook vereist op grond van artikel 4:2 onder a Awb en
                            behoeven daarom niet in de verordening te worden opgenomen. De lijst te
                            verstrekken gegevens lijkt echter incompleet wanneer dit aspect niet
                            wordt genoemd. Indien de gegevens van de aanvrager afwijken van de
                            gegevens van de lozer aan wie de vergunning moet worden verstrekt,
                            worden tevens de naam en het adres van de beoogde vergunninghouder in de
                            aanvraag vermeld.</al><al><vet>Ad b.</vet></al><al>Uit artikel 7, vierde lid van de Wvo en artikel 8.17 Wm volgt dat aan
                            een Wvo-vergunning een beperkte geldigheidsduur kan worden verbonden. In
                            artikel 8.17 Wm is een aantal situaties genoemd waarin tot het verlenen
                            van een tijdelijke vergunning kan worden overgegaan. Dit kan
                            bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een tijdelijke lozing of lozing
                            vanuit een tijdelijke inrichting of wanneer er een tijdelijke vergunning
                            is aangevraagd. Ook wanneer dit noodzakelijk is in het belang van het
                            ontwikkelen van werkwijzen in de inrichting die minder nadelige gevolgen
                            hebben voor het milieu, kan aan een lozer een tijdelijke vergunning
                            worden verleend. Verder is dit aan de orde wanneer het noodzakelijk is
                            een beter inzicht te ontwikkelen in de gevolgen van de lozing voor het
                            milieu, alvorens een vergunning voor onbeperkte duur te verstrekken.
                            Voor een beschrijving van overige situaties wordt verder verwezen naar
                            het CIW-handboek Wvo-vergunningverlening van mei 1999. Hoofdstuk 4,
                            paragraaf 4.9 van het handboek behandelt de tijdelijke vergunning.</al><al><vet>Ad c.</vet></al><al>De plaatsbepaling is een belangrijk gegeven voor de beoordeling van de
                            aanvaardbaarheid van de lozing. Deze informatie behoort dan ook bij de
                            aanvraag te worden overgelegd. In voorkomende gevallen kan de tekening
                            waarop de plaats van de lozing is aangegeven een geïntegreerd deel uit
                            gaan maken van de te verlenen vergunning. De toelichtende tekening moet
                            op zodanige schaal zijn gemaakt dat het lozingspunt duidelijk afleesbaar
                            is. Het college geeft aanwijzingen over de gewenste maatvoering en
                            detaillering van de tekening. Bij voorkeur wordt de tekening tevens op
                            A-4 formaat verstrekt zodat de tekening gemakkelijk aan de vergunning
                            kan worden gehecht. Het college kan in het vooroverleg nader bepalen op
                            welke wijze de gegevens dienen te worden verstrekt. De coördinaten van
                            de locatie van lozing kunnen daarbij tevens worden opgevraagd.</al><al><vet>Ad d.</vet></al><al>De gegevens dienen het college snel inzicht te geven in de soort lozing
                            en de activiteiten waaruit deze voortkomen. Hierdoor kan het college tot
                            een oordeel komen welke gegevens in het concrete geval eventueel nog
                            meer relevant zijn om de lozing te kunnen beoordelen. Bij de
                            omschrijving van de lozing wordt onder andere vermeld of deze continu
                            dan wel discontinu plaatsvindt en met welke regelmaat de lozingen of
                            deellozingen plaatsvinden. </al><al>Tevens wordt gevraagd naar de wijze waarop de lozing plaatsvindt. Er kan
                            sprake zijn van een directe lozing of een indirecte lozing (via de
                            riolering). Verder kan sprake zijn van een lozing met of zonder gebruik
                            te maken van een werk. De frequentie en de wijze van lozen zijn onder
                            andere bepalend voor de mogelijkheden waarop een lozing kan worden
                            gecontroleerd.</al><al><vet>Ad e.</vet></al><al>Met de gegevens over de aard, samenstelling, eigenschappen, hoeveelheid
                            en herkomst van de schadelijke of verontreinigende stoffen kan inzicht
                            worden verkregen in de milieu­bezwaarlijk­heid van de te lozen stoffen.
                            De verantwoordelijkheid voor het verstrekken van dergelijke gegevens
                            ligt bij de aanvrager. Door voorafgaand aan de indiening van de aanvraag
                            in overleg te treden met het college kan de aanvrager achterhalen welke
                            informatie hij in het concrete geval moet verstrekken. Met name de
                            omvang en de aard van de lozing zijn bepalend voor de vraag in hoeverre
                            en tot in welk detail de lozing moet worden toegelicht of
                            gekarakteriseerd. Als algemeen uitgangspunt geldt dat het aan de
                            aanvrager is de mate van milieubezwaarlijkheid van de geloosde stoffen
                            aan te geven en dat de waterkwaliteitsbeheerder vervolgens bepaalt of de
                            lozing toelaatbaar is voor het ontvangende oppervlaktewater.</al><al>Tot nu toe wordt in het wateremissiebeleid onderscheid gemaakt in zwarte
                            lijst stoffen, in relatief schadelijke verontreinigingen (grijze lijst
                            stoffen) en in relatief onschadelijke verontreinigingen die van nature
                            in oppervlaktewater voorkomen (bijvoorbeeld chloride, sulfaat). Omdat
                            vaak onduidelijk is onder welke categorie nieuwe stoffen vallen en omdat
                            de begrippen zwarte en grijze lijst stof in de toekomst in
                            internationale kaders komen te vervallen heeft de Commissie integraal
                            waterbeheer een nieuwe stofbeoordelingsystematiek vastgesteld. </al><al>De nieuwe beoordelingssystematiek gaat uit van de volgende
                            indeling:</al><lijst><li nr="•"><al>stoffen die carcinogeen en/of mutageen zijn en/of op lange
                                    termijn schadelijke effecten in het aquatisch milieu kunnen
                                    veroorzaken; hiervoor geldt toepassen van best beschikbare
                                    technieken (bbt); </al></li><li nr="•"><al>stoffen die gemakkelijk afbreekbaar zijn; hiervoor geldt
                                    toepassen van best uitvoerbare technieken (but); </al></li><li nr="•"><al>relatief onschadelijke stoffen die van nature in
                                    oppervlaktewater voorkomen; hiervoor geldt de
                                    waterkwaliteitsaanpak. </al></li></lijst><al>Het is primair aan de aanvrager om de waterbezwaarlijkheid en de
                            benodigde saneringsinspanning aan te geven. Het detailniveau van de
                            gegevens over stoffen en preparaten wordt afgekaart in het vooroverleg.
                            De aanvrager kan deze gegevens achterhalen bij producenten en handelaren
                            van de (grond)stoffen en preparaten. Producenten en handelaren hebben
                            baat bij verschaffen van bovenstaande informatie, omdat bij ontbreken
                            ervan de stof/preparaat wordt ingedeeld in de zwaarste categorie
                            (saneren met bbt). Soms verstrekken branche-organisaties ook deze
                            gegevens. Sommige stoffen en preparaten zijn al beoordeeld op basis van
                            de Europese stoffenrichtlijn.</al><al>Waterkwaliteitsdoelstellingen voor het watersysteem worden vastgelegd in
                            waterhuishoudings­plannen en waterheersplannen. Voor stoffen wordt een
                            maximaal toelaatbaar risico (MTR) en een streefwaarde gedefinieerd.
                            Prioritering van bestrijding van vervuilingsbronnen vindt plaats op
                            watersysteemniveau, maar daarnaast wordt een individuele lozing
                            beoordeeld op basis van een immissietoets voor het specifiek ontvangend
                            oppervlaktewater. </al><al>Met de aard van de stof wordt gedoeld op de soort stof of stoffen
                            (bijvoorbeeld de verzamel­naam PAK). Met samenstelling wordt bedoeld de
                            meer specifiek chemische samenstelling van de lozing. Onder
                            eigenschappen wordt verstaan de zuurgraad, de warmtebelasting, de
                            toxiciteit, accumulerend vermogen, afbreekbaarheid van de individuele
                            stoffen dan wel het mengsel.</al><al>De term ‘hoeveelheid’ heeft betrekking op de omvang van de totale
                            lozing, maar ook op het aandeel van de bedoelde stoffen daarin. De
                            omvang van de lozing kan ook in aantallen v.e.’s worden weergegeven. Met
                            de vraag naar de herkomst van de te lozen stoffen wordt beoogd ook
                            inzicht te krijgen waar de verontreinigende stoffen hun oorsprong
                            vonden, bijvoorbeeld afkomstig van een bepaalde activiteit ter plekke of
                            van elders. De beschrijving van de exacte samenstelling van stoffen kan
                            soms problemen opleveren voor de aanvrager. Hij beschikt vaak niet over
                            gegevens over de samenstelling van stoffen. De aanvrager zal moeite
                            moeten doen om de betreffende gegevens bij de leverancier van onder
                            andere grondstoffen te achterhalen. In sommige gevallen wil de
                            leverancier op grond van de vertrouwelijkheid van de gevraagde
                            informatie, geen gegevens verstrekken. Het gevolg daarvan kan zijn dat
                            een niet-ontvankelijke aanvraag wordt ingediend.</al><al><vet>Ad f.</vet></al><al>Een van de leidende principes van het emissiebeleid, zoals vertaald in
                            het Indicatief Meerjarenprogramma Water en de Vierde Nota
                            Waterhuishouding is ‘vermindering van de verontreiniging.’ Dit houdt in
                            dat verontreiniging, ongeacht de aard van de te lozen stof, zoveel
                            mogelijk wordt voorkomen of beperkt. Dit wordt ook wel het
                            ‘voorzorgprincipe’ genoemd. Bij het verminderen van verontreiniging
                            staan preventie en de aanpak aan de bron, de emissieaanpak, centraal.
                            Onderdeel f van het artikel heeft betrekking op het voorzorgsprincipe.
                            De lozer dient actief maatregelen te nemen om lozingen te voorkomen en
                            te beperken. Tevens moeten met het oog op preventie waar nodig bij
                            definitieve stopzetting van de activiteiten maatregelen worden getroffen
                            om het gevaar van verontreiniging te voorkomen. Wanneer de te verlenen
                            vergunning betrekking heeft op het gebruik van een bouwstof als bedoeld
                            in het Bouwstoffenbesluit dient de aanvrager in ieder geval gegevens aan
                            te leveren omtrent de wijze waarop de bouwstof wordt geïsoleerd op
                            zodanige wijze dat nagenoeg geen contact ontstaat tussen de bouwstof,
                            het oppervlaktewater, hemelwater of grondwater. De aanvrager dient
                            tevens te waarborgen dat de afdichting zodanig wordt gecontroleerd en
                            onderhouden dat deze een goede werking behoud. De gegevens van de
                            periodieke controle moeten aan het college worden overgelegd. Het
                            college geeft tevens de maximum hoeveelheid bouwstof aan die in de bodem
                            mag worden gebracht (zie verder artikel 1, 26 en 27
                            Bouwstoffenbesluit).</al><al><vet>Ad g.</vet></al><al>Dit onderdeel ziet op ongewone voorvallen zoals storingen, ongevallen en
                            branden, alsmede onregelmatige reguliere activiteiten zoals het
                            proefdraaien, in bedrijf stellen, tijdelijk uit bedrijf nemen,
                            schoonmaak- en herstelwerkzaamheden als gevolg waarvan verontreinigingen
                            in het oppervlaktewater kunnen geraken. Met onvoorziene lozingen worden
                            die lozingen bedoeld die niet te voorzien zijn en daardoor ook
                            onregelmatig, qua tijd en omvang plaatsvinden. In de vergunning wordt
                            een calamiteitenartikel opgenomen. De aanpak van onvoorziene lozingen
                            komt in hoge mate overeen met de aanpak van reguliere lozingen. In
                            eerste instantie dienen onvoorziene lozingen zoveel mogelijk volgens het
                            voorzorgprincipe te worden voorkomen via preventieve maatregelen en
                            toepassing van de stand der (veiligheids)techniek. Lozers zullen bij de
                            aanvraag inzicht moeten geven in de kans op en eventueel het effect van
                            onvoorziene lozingen. Voor de bepaling van de kans en het effect van
                            onvoorziene lozingen geeft het CIW-rapport ‘Integrale aanpak van
                            risico’s van onvoorziene lozingen’ aanbevelingen, referentiekaders
                            alsmede een standaard risicoanalysemodel (Proteus) voor het inschatten
                            van restrisico’s. Onderdeel g correspondeert met artikel 5.4 van het
                            Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer.</al><al><vet>Ad h.</vet></al><al>Voor het college is het van belang te weten wie de aanspreekpunten zijn,
                            zowel tijdens als buiten de reguliere kantoortijden.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Indien de aanvraag is voor een vergunning afkomstig van een bedrijf
                            zullen de gegevens die overlegd moeten worden een slag diepgaander en
                            uitgebreider zijn dan die op basis van artikel 4 overlegd moeten worden.
                            De informatie die geleverd moet worden op grond van artikel 4 kan enige
                            overlap vertonen met de informatie van artikel 3. Het vooroverleg kan
                            duidelijkheid scheppen in de exacte omvang van de informatieplicht.
                            Artikel 4 is van toepassing op bedrijven zoals weergegeven in artikel 1
                            onder e, daartoe behoren onder meer de bedrijven die zijn weergegeven in
                            deel A en B van de bijlage.</al><al><vet>Ad a.</vet></al><al>Dit artikellid is met name bedoeld om het dossier met betrekking tot een
                            bedrijf compleet en recent te houden. Dit is mede van belang voor
                            controle op de vergunning. Het bedrijf draagt er zorg voor dat telkens
                            wanneer een wijziging van de inschrijving plaatsvindt, het college
                            daarvan op de hoogte wordt gebracht, door middel van toezending van een
                            afschrift van het vernieuwd uittreksel. Het kan uiteraard ook voorkomen
                            dat een bedrijf niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel in welk
                            geval geen gegevens kunnen worden verstrekt.</al><al><vet>Ad b en c.</vet></al><al>Het is van belang inzicht te hebben in de werking van het bedrijf en de
                            emissies om te kunnen beoordelen of een lozing aanvaardbaar is in
                            relatie tot het ontvangend oppervlaktewater en/of de doelmatige werking
                            van zuiveringstechnische werken. Het college beoordeelt onder andere of
                            de aanvrager voldoende zorg in acht heeft genomen en of wordt voldaan
                            aan de stand der techniek. Zie ook de toelichting bij artikel 4 van de
                            verordening.</al><al>De aanvrager moet daarvoor informatie overleggen over het
                            (productie)proces en de procesvoering, de afvalwaterstromen en de
                            zuiveringstechnieken. Dit betekent dat bekend moet zijn waar en hoe het
                            afvalwater ontstaat en welke maatregelen zijn genomen om het ontstaan te
                            voorkomen of te beperken. Het gaat hierbij onder andere om het
                            terughouden van afvalstoffen, het toepassen van schone grondstoffen,
                            hulpstoffen en reinigingsmiddelen, het toepassen van schone processen,
                            good-housekeeping, bedrijfsinterne milieuzorg etc. Ook moet de
                            samenstelling, het debiet en de wijze van afvoer van de
                            afvalwaterstromen bekend zijn. Aan de hand daarvan kan worden nagegaan
                            of lozing aanvaardbaar en eventuele behandeling doelmatig is. In dit
                            artikel worden gegevens gevraagd met betrekking tot installaties
                            waardoor of waarin processen plaatsvinden die leiden of kunnen leiden
                            tot het in het oppervlaktewater brengen van stoffen. Ook onafgedekte
                            opslag van artikelen/goederen en het neerslaan van verontreinigdstoom
                            kan leiden tot een lozing op het oppervlaktewater.</al><al><vet>Ad d.</vet></al><al>Op de rioleringstekening worden ook de plaatsen van de eventuele
                            overstorten aangegeven. Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op een
                            bedrijfsriolering.</al><al><vet>Ad e.</vet></al><al>Dit artikel past binnen het streven naar duurzaamheid en algemene
                            preventie zoals dat in de Vierde Nota Waterhuishouding en de Wet
                            milieubeheer is vastgelegd. Het vergunningenbeleid is er in het algemeen
                            op gericht om verontreiniging op het oppervlaktewater zoveel mogelijk te
                            voorkomen. Bestrijding aan de bron is hiertoe het meest geëigende
                            middel. Waar mogelijk dienen lozingen en stortingen vermeden te worden.
                            Daartoe kan onder meer bijdragen een verplichting voor de aanvrager om
                            zo exact mogelijk aan te geven welke andere bergings- c.q.
                            verwerkings­mogelijkheden, waaronder die van hergebruik, er zijn. </al><al>Wanneer het college dit aangeeft, dient de aanvrager onderzoek te
                            verrichten naar mogelijk­heden voor het voorkomen of nuttig toepassen
                            van afvalstoffen. Daarbij kan worden aangetekend dat de resultaten van
                            een onderzoeks­verplichting uit een vorige vergunning altijd deel uit
                            moeten maken van een aanvraag voor een nieuwe vergunning. Bovendien moet
                            een onderzoek volledig zijn uitgevoerd, anders is de aanvraag onvolledig
                            (uitspraak G 05.88.0692, 13-8-1991 Cindu). De maatregelen die worden
                            genomen om lozingen te voorkomen of te beperken moeten tevens voldoen
                            aan de stand der techniek.</al><al><vet>Ad f.</vet></al><al>Om controle op de naleving van vergunningvoorschriften mogelijk te
                            maken, zal het afvalwater bij voorkeur door een daartoe geschikte
                            meetgelegenheid moeten worden gevoerd. In de vergunning kan een
                            meetvoorziening voor continue debietmetingen of proportionele
                            bemonstering worden voorgeschreven. Met name bij grote lozingen wordt de
                            verplichting tot meting en bemonstering vaak aan de vergunninghouder
                            zelf opgelegd. Bij een dergelijke rapportageverplichting wordt
                            voorgeschreven over welke parameters het bedrijf met welke frequentie
                            aan het college moet rapporteren. Soms is het installeren van een
                            meetgelegenheid niet mogelijk of doelmatig. Dit kan met name het geval
                            zijn bij bedrijven met een geringe lozing van afvalwater. Om toch door
                            middel van steekmonsters de naleving van vergunningsvoorschriften te
                            kunnen controleren, is het nodig dat een of meerdere adequate
                            controlepunten op het terrein van het bedrijf aanwezig zijn.</al><al>Ingevolge de richtlijn 76/464/EEG en 95/337/EEG zijn lidstaten verplicht
                            om driejaarlijks inlichtingen te verstrekken over de naleving van deze
                            richtlijnen. Vanaf 1983 zijn richtlijnen voor 17 zwarte lijststoffen van
                            kracht geworden. Voor lozingen van grijze lijst stoffen geldt vanaf 1993
                            een rapportageplicht. De eisen met betrekking tot de controle zijn voor
                            de verschillende zwarte lijststoffen vastgelegd in bijlage II van de
                            ministeriële besluiten ex artikel 1a Wvo. Bij het voorschrijven van
                            voorzieningen of maatregelen voor de controle van het afvalwater wordt
                            met de verplichtingen uit genoemde richtlijnen rekening gehouden.</al><al><vet>Ad g.</vet></al><al>Om te kunnen beoordelen of lozing van afvalstoffen op de plaats van
                            aanvraag en op de wijze die in de aanvraag wordt vermeld, acceptabel is
                            en of voldoende maatregelen kunnen worden getroffen om milieunadeel als
                            gevolg van de lozing te voorkomen, is het van belang te kijken naar de
                            toekomstplannen van het bedrijf. Met name toekomstige
                            uitbreidingsplannen kunnen hierbij van belang zijn.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 5 is alleen van toepassing op bedrijven die in de bijlage
                            voorkomen. Het betreft bedrijven waarvan de lozingen, zowel de directe
                            als indirecte lozingen, een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben.
                            Behalve de bedrijven die in de IPPC-richtlijn zijn genoemd (bijlage,
                            kolom B) betreft het de bedrijven die bij Besluit ex artikel 1, tweede
                            lid en 31, vierde lid Wvo zijn aangewezen als eveneens
                            vergunningplichtig voor hun indirecte lozingen (hierna AMvB
                            inrichtingen).</al><al><vet>Lid</vet> 1. </al><al>Dit vereiste komt overeen met het vereiste uit artikel 6 IPPC, ‘een
                            beschrijving van de grond­stoffen en hulpmaterialen en de andere stoffen
                            die in de installatie worden gebruikt of door de installatie worden
                            gegenereerd’. De gegevens worden niet alleen van bedrijven die onder de
                            IPPC-richtlijn gevraagd maar ook van de AMvB inrichtingen (niet alle
                            AMvB inrichtingen vallen ook onder de IPPC-richtlijn). </al><al>Het betreft alle aanwezige stoffen, voorzover deze in het water kunnen
                            geraken en vormt een verdieping op de gegevens die op grond van artikel
                            5 onder c worden geleverd. Het onderdeel heeft betrekking op de
                            specifieke bedrijfsomstandigheden die van invloed kunnen zijn op de
                            samenstelling van de lozing, ook indien de lozing als gevolg van een
                            calamiteit zou ontstaan, alsmede op de te nemen maatregelen ter
                            beperking van de schadelijkheid ervan. Om te voor­komen dat de gevraagde
                            gegevens ook moeten worden verstrekt in geval van lozingen waarvan de
                            schadelijkheid slechts van geringe betekenis is, kan de verplichting tot
                            het verstrekken van de in dit lid bedoelde informatie worden beperkt tot
                            die bedrijven die een aanmerkelijke hoeveelheid zuurstofbindende stoffen
                            dan wel toxische, persistente, bio-accumulatieve of anderszins
                            bezwaarlijke stoffen kunnen lozen.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit onderdeel is wel beperkt tot bedrijven die onder de IPPC-richtlijn
                            vallen (bijlage, kolom B). Artikel 6 van de IPPC-richtlijn schrijft voor
                            dat de vergunningaanvraag een beschrijving dient te bevatten van de te
                            voorziene emissies van de installatie in elk milieucompartiment met een
                            overzicht van de belangrijke ‘significante’ nadelige milieu-effecten van
                            de emissies. De effecten van de lozing worden enerzijds bepaald door de
                            aard en omvang van de lozing, anderzijds door de capaciteit en
                            zuiveringsmogelijkheden van de zuiveringsinstallaties alsmede door de
                            functie van het ontvangend water met bijbehorende waterkwaliteitseisen
                            en eventuele cumulatieve effecten als gevolg van andere soortgelijke
                            lozingen. Het is niet eenvoudig voor de aanvrager om te bepalen welke
                            significante gevolgen zijn lozing zal hebben op de kwaliteit van het
                            ontvangend oppervlaktewater. In de praktijk zal een vergunningaanvrager
                            naar verwachting niet in alle gevallen over deze informatie beschikken.
                            De aanvrager zal zoveel mogelijk gegevens over de te lozen stoffen
                            dienen aan te bieden. Dit betekent dat hij enerzijds in gegevens van
                            ‘eigen’ stoffen zal dienen te voorzien en daarnaast bij leveranciers van
                            gebruikte en te lozen stoffen er op aan zal moeten dringen deze
                            informatie te leveren. Van belang is hierbij de eigen
                            verantwoordelijk­heid van de aanvrager. Omvangrijke (industriële)
                            inrichtingen kunnen zo nodig expertise inhuren om de vereiste gegevens
                            te laten verzamelen. In geval van lozingen die milieuhygiënisch minder
                            bezwaarlijk zijn, of wanneer het gaat om een relatief eenvoudige lozing
                            gaat, kan het aanleveren van onderhavige gegevens wel eens tot
                            disproportionele kosten leiden. In het vooroverleg kan een en ander
                            redelijkerwijs bezien en geregeld worden. In het geval sprake is van een
                            lozing met behulp van een werk dat op een ander werk is aangesloten zal
                            de aanvrager eveneens moeten aantonen welk (zuiverings)effect dit heeft,
                            inclusief de eventuele effecten van de lozing op de doelmatige werking
                            van een zuiveringstechnisch werk. In dat geval is het echter in eerste
                            instantie aan de beheerder van dat werk om zorg te dragen voor de
                            doelmatige werking en daarvoor ook die gegevens te vragen dan wel eisen
                            te stellen aan de lozing op dat werk, die daarvoor specifiek nodig zijn.
                            Gegevens omtrent de capaciteit en de zuiveringsmogelijkheden van de
                            zuiveringsinstallatie in beheer bij het waterschap zullen door hemzelf
                            worden verstrekt. De aanvraag moet voor een algemeen publiek voldoende
                            inzicht geven in de lozingsactiviteiten van het bedrijf om zich daarover
                            een oordeel te kunnen vormen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>De term ‘vergunning op hoofdzaken’ duidt op een variant van
                            vergunningverlening waarbij het college binnen wettelijke en om
                            jurisprudentie vastgestelde randvoorwaarden maximale flexibiliteit geeft
                            aan de vergunninghouder. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat het bedrijf
                            de noodzaak van een verantwoord milieubeheer erkent en daarnaar
                            handelt.</al><al>Het voldoen aan de voorwaarden zoals gesteld in de artikelen 3 t/m 6 is
                            op zich niet voldoende voor het verlenen van een vergunning op
                            hoofdzaken. Ook het nalevingsgedrag van de aanvrager in de periode
                            voorafgaand aan de verlening van de vergunning is een element van belang
                            bij de beoordeling of een flexibele vergunning kan worden verleend.
                            Omdat de vergunning op hoofd­zaken in vergelijking tot de meer
                            traditionele vergunningen minder voorschriften bevat, die bovendien
                            globaler van aard zijn, moet de aanvraag voldoende informatie bevatten
                            om aan de vergunningverlener en derden inzicht te verschaffen in het
                            niveau van milieuzorg binnen een bedrijf. De aanvraag van de vergunning
                            op hoofdzaken zal in dit opzicht voldoende gedetailleerde informatie
                            moeten bevatten. Concreet gaat het daarbij om informatie over ambities,
                            beleid en ontwikkelingen met betrekking tot milieuzorg bij het bedrijf
                            in het algemeen en de opzet en inhoud van het milieuzorgsysteem in het
                            bijzonder. Het is echter niet de bedoeling dat de vergunningaanvraag in
                            haar geheel deel gaat uitmaken van de vergunning, dit zou de beoogde
                            flexibiliteit niet ten goede komen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Dit artikel heeft betrekking op een vergunningaanvraag voor het lozen
                            met behulp van een werk waarop een of meer andere werken zijn
                            aangesloten. Te denken valt niet alleen aan lozingen vanuit
                            bedrijfszuiveringswerken en bedrijfsrioleringsstelsels vanaf het
                            bedrijventerrein, maar ook aan lozingen vanuit
                            rioolwaterzuiveringsinstallaties en IBA’s en (gemeentelijke)
                            rioolwater­overstorten. Van een AMvB inrichting zijn reeds gegevens
                            bekend en het is daarom niet nood­zakelijk deze gegevens nogmaals te
                            vragen bij de eindlozer. Een bedrijf dat loost en ook een aansluiting
                            van het afvalwater van zijn buurman verzorgt, dient op grond van de
                            artikelen 3 en 4 al inzicht te verschaffen in de gegevens die van belang
                            zijn voor het verlenen van de vergunning. De eindlozer dient een
                            aanvraag in voor de totale lozing (inclusief het afvalwater van zijn
                            buurman) en verschaft dus gegevens over de totale afvalwaterstroom en de
                            rioleringssituatie.</al><al><vet>Afvalwaterzuiveringsinrichtingen en overstorten</vet></al><al>Op grond van het Lozingenbesluit Wvo stedelijk afvalwater wordt een
                            aantal eisen gesteld aan het effluent van
                            afvalwaterzuiveringsinrichtingen met een bepaalde verwerkingscapaciteit.
                            Betreft het een aanvraag voor een lozing uit een
                            rioolwaterzuiveringsinstallatie die onder bovengenoemd Lozingenbesluit
                            valt dan moeten gegevens verstrekt worden ten aanzien van de maatregelen
                            die worden getroffen om aan dat Lozingenbesluit te voldoen. Het college
                            heeft onder andere behoefte aan gegevens over het verzorgingsgebied van
                            een afvalwater­zuiverings­installatie oftewel een indicatie van het
                            achterland: om hoeveel en wat voor industrie en bedrijven gaat het en om
                            hoeveel aangesloten huishoudens? Voorts is er behoefte om inzicht te
                            hebben in de technische gegevens van het achterliggende rioolstelsel:
                            hoeveel fluctuatie in afvoer is mogelijk, hoeveel afvoer wordt verwacht
                            tijdens regenperioden en droge perioden, is er sprake van
                            overstortingen? Voor regulering van lozingen vanuit rioolstelsels op
                            deze afvalwater­zuiveringsinrichtingen is door Rijnland een
                            model-aansluitverordening en -vergunning opgesteld. Hierin worden
                            aanwijzingen gegeven met betrekking tot de gegevens die moeten worden
                            verstrekt bij de aanvraag van een aansluitvergunning.</al><al>Hoewel iedere overstort als zodanig vergunningplichtig is en voor iedere
                            overstort gegevens als bedoeld in artikel 3 en verder moeten worden
                            geleverd, verschaft artikel 7 het college inzicht in de lozingen die
                            binnen het totale verzorgingsgebied met elkaar verband houden. Indien de
                            aanvraag betrekking heeft op een lozing met behulp van een
                            rioolwateroverstort, regenwater­overstort of regenwateruitlaat van een
                            rioolstelsel dat door de gemeente wordt beheerd, is in het CIW-rapport
                            Wvo-vergunningverlening voor riooloverstorten (maart 2000) vastgelegd
                            welke gegevens bij de aanvraag verstrekt moeten worden. </al><al>Het betreft onder meer:</al><lijst><li nr="•"><al>een aanduiding van het type rioolstelsel, alsmede van de
                                    plaatsen waar rioolgemalen aanwezig zijn of zullen worden
                                    gebouwd, met vermelding van de bij droog weer en bij regenval
                                    per uur maximaal te verpompen hoeveelheid; </al></li><li nr="•"><al>een indicatie van de huidige en de te verwachten omvang van de
                                    afvalwaterproductie binnen het rioleringsgebied en de
                                    afzonderlijke onderdelen daarvan; </al></li><li nr="•"><al>een aanduiding van de plaats van de lozing op het
                                    oppervlaktewater met toelichtende tekening en een situatie- en
                                    constructietekening van de overstortputten overstorttelwerken en
                                    afvoerleidingen; </al></li><li nr="•"><al>een opgave van de op het rioleringsstelsel afwaterende verharde
                                    oppervlakte en berekeningen van het bergingsvermogen, alsmede
                                    een toelichting op de gehanteerde berekeningsmethoden; </al></li><li nr="•"><al>gegevens omtrent de wijze waarop overstortfrequentie, het
                                    overstortingsvolume en of de samenstelling van het water wordt
                                    gemeten en of gemonitord, inclusief eventuele technische
                                    gegevens van instrumenten die daartoe worden gebruikt (inclusief
                                    randvoorzieningen); </al></li><li nr="•"><al>een overzicht van de documenten waarop de aanvraag is gebaseerd.
                                </al></li></lijst><al><vet>Andere afvalwaterzuiveringsinstallaties en overstorten</vet></al><al>Indien de aanvraag betrekking heeftop een lozing via een
                            afvalwaterzuiveringsinstallaties in beheer bij een bedrijf of
                            riooloverstorten via een bedrijfsriolering (in particulier beheer), kan
                            het college een selectie maken uit bovengenoemde gegevens.</al><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op een IBA-installatie worden naast
                            de gegevens als bedoeld in artikel 3, gegevens verstrekt met betrekking
                            tot de zuiveringscapaciteit en de maximale verwerkingscapaciteit van de
                            voorziening. De aanvrager verstrekt tevens technische gegevens met
                            betrekking tot de voorziening, voorzien van tekeningen, alsmede gegevens
                            omtrent de wijze waarop het onderhoud en beheer van de voorziening is
                            geregeld.</al></divisie><divisie><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><al>Hoewel een dergelijke bepaling ook is te vinden in artikel 4:2 tweede
                            lid en artikel 4:5 eerste lid van de Awb, is zij voor de volledigheid
                            toch toegevoegd aan de verordening. Het vragen van extra informatie is
                            met name relevant wanneer er een kans bestaat dat verontreinigende
                            stoffen in een kwetsbaar water kunnen geraken<cursief>.</cursief> Naast
                            de bevoegdheid om te bepalen dat aanvullende informatie nodig is voor de
                            beoordeling van de aanvraag, kan het college tevens bepalen dat minder
                            informatie nodig is dan in de voorgaande artikelen is bepaald. Met name
                            waar het gaat om kleine lozingen of lozingen met een geringe
                            milieuschadelijkheid, kan de informatieplicht worden beperkt. Ook het
                            feit dat gegevens al uit anderen hoofde bij het college bekend zijn kan
                            reden zijn de informatieplicht te beperken. Andere criteria voor het
                            aanpassen van de informatieplicht zijn onder andere de mate van
                            deskundigheid, professionaliteit van de lozer, de gegevens zijn veel
                            gemakkelijker door een andere partij dan de lozer te achterhalen, de
                            zeer hoge kosten van het uit te voeren onderzoek. Het vooroverleg is bij
                            uitstek het kader waarin wordt bepaald welke, en in welke mate van
                            detail gegevens moeten worden verstrekt<cursief>.</cursief> Tevens kan
                            worden bepaald dat minder exemplaren van de aanvraag en aanvullende
                            gegevens als bedoeld in artikel 2 van deze verordening, aan het college
                            worden verstrekt. Uitgangspunt is dat de aanvrager verantwoordelijk is
                            voor de aanlevering van de gevraagde gegevens en dat het college bepaalt
                            in welke mate informatie moet worden verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><titel>Bijlage</titel></kop><al>De bijlage omvat bedrijven waarvan zowel de directe als indirecte
                            lozingen een significant milieu-effect kunnen hebben. De bijlage bestaat
                            uit een deel A, inrichtingen waarvan ook de lozingen op de gemeentelijke
                            riolering (of een andere bij een openbaar lichaam in gebruik zijnde
                            inrichting voor het zuiveren van afvalwater) aangewezen zijn als
                            vergunningplichtig, en een deel B bestaande uit de bedrijven die onder
                            de IPPC-richtlijn vallen. Het kan voorkomen dat een bedrijf dat in deel
                            B voorkomt, tevens valt onder de categorie A bedrijven, en op grond
                            daarvan een vergunning nodig heeft voor lozingen op het gemeentelijk
                            riool. Een bedrijf dat onder de bijlage valt, kent een omvangrijke
                            informatieplicht.</al><al>Het is niet goed mogelijk om de aangewezen bedrijven op grond van de
                            IPPC-richtlijn en de AMvB inrichtingen lijst in elkaar te schuiven. In
                            de vormgeving zijn bedrijven met gelijksoortige processen wel in de
                            buurt van elkaar gezet maar de lijsten zijn gescheiden gehouden (A en
                            B). Voor de AMvB inrichtingen geldt dat zij ten opzichte van andere
                            bedrijven nader inzicht moeten geven in bedrijfsprocessen en daarbij
                            gebruikte stoffen.</al><al>Vormt de AMvB inrichting tevens een bedrijf aangewezen in de bijlage bij
                            de IPPC-richtlijn dan moeten ook de nadere gegevens over de
                            milieu-effecten en de niet-technische samenvatting worden verschaft
                            (artikel 6, tweede lid). Voor IPPC-bedrijven geldt dus heel artikel 6,
                            voor AMvB inrichtingen niet vallend onder IPPC alleen artikel 6 eerste
                            lid.</al><al>De bijlage is dus een compositie tussen de bijlage van de AMvB
                            inrichtingen en de bijlage bij de IPPC-richtlijn. De lijsten kennen
                            diverse overeenkomsten: alle lijsten zien op bedrijven met lozingen met
                            significant milieu-effect. In de bijlage zijn in kolom A alle bedrijven
                            opgenomen die in de AMvB ex artikel 1, tweede lid voorkomen. In kolom B
                            worden alle bedrijven uit de IPPC-richtlijn vermeld. De teksten van
                            IPPC-richtlijn zijn daarbij overgenomen. Met betrekking tot categorie
                            14, intensieve veehouderijen, moet worden opgemerkt dat alleen
                            veehouderijen die ondanks het Lozingenbesluit open teelten en
                            veehouderijen vergunningplichtig blijven de in de verordening gevraagde
                            gegevens moeten verstrekken.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>