<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27102_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2010, 026</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 33 lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-12-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-12-21</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-12-07</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Art. 7</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2010-11-06d</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt de Verordening op de ambtelijke bijstand 2005 en de Verordening vergoedingen raadsfracties 2005</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Midden-Delfland;</al><al>Gelezen het voorstel van het Presidium d.d. 20 april 2010, nr.
                        2010-05-04c;</al><al>Gelet op artikel 33, derde lid, van de Gemeentewet;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de ambtelijke
                        bijstand en de fractieondersteuning 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Ambtelijke bijstand</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Verzoek om informatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid wendt zich tot de griffier met een verzoek om:</al><lijst><li nr="a."><al>feitelijke informatie;</al></li><li nr="b."><al>inzage in of afschrift van documenten die openbaar
                                        zijn;</al></li><li nr="c."><al>bijstand bij het opstellen van voorstellen, amendementen en
                                        moties of andere bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De informatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, wordt
                                door de griffier, een medewerker van de griffie of op verzoek van de
                                griffier met tussenkomst van de secretaris door een ambtenaar
                                gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een ambtenaar twijfelt of het verzoek betrekking heeft op
                                informatie bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, stelt hij de
                                secretaris daarvan in kennis. De secretaris neemt het besluit.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bijstand, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt verleend
                                door de griffier of een medewerker van de griffie. Indien de
                                gevraagde bijstand niet door de griffier of een medewerker van de
                                griffie kan worden verleend kan de griffier de secretaris verzoeken
                                één of meer ambtenaren aan te wijzen die de gevraagde bijstand zo
                                spoedig mogelijk verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verlenen van ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een ambtenaar verleent op verzoek van de secretaris ambtelijke
                                bijstand aan een raadslid tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand
                                        betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;</al></li><li nr="b."><al>dit het belang van de gemeente kan schaden;</al></li><li nr="c."><al>gereserveerd (relatie met artikel 5)</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De secretaris beoordeelt of ambtelijke bijstand op grond van het
                                eerste lid geweigerd wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de bijstand op grond van het eerste lid wordt geweigerd deelt
                                de secretaris dit met redenen omkleed mee aan de griffier en aan het
                                raadslid dat het verzoek heeft ingediend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De secretaris verstrekt de betreffende portefeuillehouder in het
                                college desgewenst een afschrift van het verzoek.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien (leden van) het college informatie wensen over een verzoek om
                                ambtelijke bijstand of de inhoud van het gegeven advies wenden zij
                                zich daartoe rechtstreeks tot het betrokken raadslid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Weigering verzoek ambtelijke bijstand</titel></kop><al>Indien het verzoek om bijstand van een ambtenaar door de secretaris
                            wordt geweigerd kan de griffier of het betrokken raadslid het verzoek
                            voorleggen aan de burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig
                            mogelijk op het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Geschil over ambtelijke bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een raadslid niet tevreden is over de door een ambtenaar
                                verleende ambtelijke bijstand kan hiervan mededeling worden gedaan
                                aan de secretaris;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien overleg met de secretaris niet leidt tot een voor beide
                                partijen bevredigende oplossing leggen zij de zaak voor aan de
                                burgemeester. De burgemeester voorziet zo spoedig mogelijk in de
                                kwestie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoeveelheid ambtelijke bijstand</titel></kop><al>Gereserveerd</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Fractieondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Recht op financiële vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De fracties als bedoeld in artikel 8 van het Reglement van orde voor
                                de vergaderingen van de raad ontvangen jaarlijks een financiële
                                bijdrage als tegemoetkoming in de kosten voor het functioneren van
                                de fractie;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze bijdrage bestaat uit een vast deel van € 500,-- voor elke
                                fractie. Daarnaast ontvangt elke fractie een bedrag van € 0,-- per
                                raadszetel.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij afsplitsing van een fractie wordt de op grond van het tweede
                                lid, vastgestelde bijdrage voor de oorspronkelijke fractie verdeeld
                                over de betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij de
                                splitsing betrokken leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Besteding financiële vergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Fracties besteden de bijdrage om hun volksvertegenwoordigende,
                                kaderstellende en controlerende rol te versterken;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bijdrage mag niet gebruikt worden ter bekostiging van:</al><lijst><li nr="a."><al>uitgaven die in strijd zijn met wettelijke bepalingen en
                                        overige regelingen;</al></li><li nr="b."><al>betalingen aan politieke partijen, met politieke partijen
                                        verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan
                                        ter vergoeding van prestaties (diensten of goederen)
                                        geleverd ten behoeve van de fractie op basis van een
                                        gespecificeerde, reële declaratie;</al></li><li nr="c."><al>giften;</al></li><li nr="d."><al>uitgaven welke dienen bestreden te worden uit vergoedingen
                                        die de leden ingevolge het rechtspositiebesluit raads- en
                                        commissieleden toekomen;</al></li><li nr="e."><al>algemene opleidingen voor raads- en commissieleden, tenzij
                                        deze inhoudelijk gerelateerd zijn aan de politieke
                                        uitgangspunten van de deelnemers.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Voorschot bijdrage fractieondersteuning</titel></kop><al>De bijdrage voor fractieondersteuning wordt in vier evenredige delen per
                            1<sup>e</sup> dag van het kwartaal verstrekt aan de fracties, als
                            bedoeld in artikel 6, lid 1.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekking oude verordeningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening op de ambtelijke bijstand 2005, zoals vastgesteld op
                                29 maart 2005 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening vergoedingen raadsfracties, zoals vastgesteld op 22
                                november 2005 wordt ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt met onmiddellijke ingang in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening ambtelijke bijstand
                            en fractieondersteuning 2010.</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 27 april 2010.</ondertekening><ondertekening>De Griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>A. de Vos, A.J. Rodenburg</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop><vet>Toelichting bij de verordening ambtelijke bijstand en
                        fractieondersteuning 2010</vet></tussenkop><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 33 van de Gemeentewet. Dit artikel
                    is in 2002 door de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur
                    ingrijpend gewijzigd. Het legt expliciet vast dat de raad en individuele
                    raadsleden een recht op ambtelijke bijstand hebben. Voor politieke groeperingen
                    bestaat daarnaast een recht op fractieondersteuning. De uitwerking van deze
                    rechten moet bij verordening worden geregeld.</al><al>In deze verordening vervult de griffier een centrale rol. Hij of zij is het
                    eerste aanspreekpunt als het gaat om ambtelijke bijstand. De griffier vervult
                    ook de rol van schakel tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke
                    organisatie.</al><al>De burgemeester vervult ook een rol in het proces. Indien er een
                    conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan, zal de burgemeester een
                    bemiddelende en uiteindelijk beslissende rol kunnen spelen. De positie van de
                    burgemeester maakt hem bij uitstek geschikt voor deze taak als bruggenbouwer en
                    als degene die uiteindelijk het laatste woord heeft.</al><al>Gezien de duale verhoudingen ligt het voor de hand dat er ook op het punt van de
                    ambtelijke bijstand heldere scheidslijnen worden getrokken tussen werkzaamheden
                    voor de raad en voor het college. Dat komt tot uitdrukking in het feit dat een
                    raadslid kan aangeven dat een verzoek om ambtelijke bijstand en de inhoud van de
                    verleende bijstand geheim moeten worden gehouden. De ambtenaar mag niet onder
                    druk komen te staan doordat hij werkzaamheden voor de raad verricht. Daarom zal
                    een collegelid dat toch informatie wenst over het verzoek om ambtelijke
                    bijstand, zich moeten wenden tot het betrokken raadslid en niet tot de
                    behandelend ambtenaar.</al><al>De verordening behandelt gedetailleerd de ambtelijke bijstand. Aangezien het de
                    verhouding betreft tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie,
                    is behoefte aan duidelijke regels. De ambtenaren werken doorgaans namelijk voor
                    het college. Artikel 103 Gemeentewet laat dit scherp zien. Vóór de invoering van
                    de Wet dualisering gemeentebestuur bepaalde dit artikel dat de secretaris (en
                    daarmee de onder hem ressorterende ambtelijke organisatie) de raad en het
                    college terzijde stond. In de duale verhoudingen staat de secretaris het college
                    terzijde en wordt de raad bijgestaan door de griffier.</al><al>Dat de raad beschikt over een griffier met griffie betekent niet dat er geen
                    behoefte meer zou zijn aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke
                    organisatie. De griffie zal, in vergelijking met de reguliere organisatie
                    beperkt in omvang zijn. Voor specialistische hulp op het gebied van het maken
                    van amendementen, moties en regelingen zal een beroep op deze organisatie dan
                    ook nodig blijven. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de
                    reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. De wetgever heeft dat onderkend
                    en het recht op deze vorm van ambtelijke ondersteuning expliciet vastgelegd.
                    Deze verordening vormt de uitwerking van dit recht.</al><al>De formulering van artikel 33 van de Gemeentewet laat buiten twijfel dat
                    individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een minderheid in de raad,
                    recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan dus door alle
                    raadsleden een beroep worden gedaan.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen voor die gevallen waarin de tot het
                    verlenen van hulp aangewezen ambtenaar op grond van gewetensbezwaren daartoe
                    niet bereid is. In een dergelijk geval is sprake van een rechtspositioneel
                    probleem dat binnen de ambtelijke organisatie tot een oplossing dient te worden
                    gebracht.</al><al>Deze (model)verordening heeft in de afgelopen jaren zijn waarde bewezen. In
                    jurisprudentie wordt er regelmatig naar verwezen en de minister van Binnenlandse
                    Zaken en Koninkrijksrelaties gaf aan dat de (model)verordening prima voldoet.
                    Toch is in de geactualiseerde versie een aantal bepalingen gewijzigd en heeft
                    een zekere “fine-tuning” plaatsgevonden. Waar het kon zijn artikelen
                    samengevoegd en zinsconstructies aangepast. Dat leidt tot een overzichtelijker
                    geheel. Ook hebben de diverse artikelen, conform de Aanwijzingen voor de
                    decentrale regelgeving, nu opschriften gekregen.</al><al/><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>De verordening is niet bedoeld om formele barrières op te werpen die het
                    verlenen van bijstand aan raadsleden juist bemoeilijkt. Indien het gaat om het
                    verzoek om informatie van feitelijke aard, dan wel inzage in of afschrift van
                    openbare documenten, kan een raadslid contact opnemen met de griffier die het
                    verzoek kan neerleggen bij een ambtenaar uit de reguliere ambtelijke
                    organisatie. Het begrip document wordt hier overigens gebruikt in de betekenis
                    die het in de Wet openbaarheid van bestuur heeft. Met openbaar wordt bedoeld
                    openbaar in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur. Op niet-openbare
                    documenten is het bepaalde in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet van
                    toepassing. Deze rechten zijn veelal uitgewerkt in het Reglement van orde voor
                    de vergaderingen van de raad, het Reglement van orde voor de vergaderingen van
                    het college en de Verordening op de raadscommissies.</al><al>Er is voor gekozen de griffier te benoemen als centrale functionaris. Het
                    bestaan van het instituut griffie en de ontvlechting van de posities van de raad
                    en het college, die bij de dualisering hun beslag hebben gekregen, leiden ertoe
                    dat de ambtelijke organisatie parallel ontvlochten is. Omdat de griffier geen
                    zeggenschap heeft over de reguliere ambtelijke organisatie zal de secretaris de
                    ambtenaar die de bijstand verleent moeten aanwijzen. De ontvlechting van
                    posities leidt in dit geval dus noodzakelijkerwijs tot een verdergaande
                    formalisering van de regeling omtrent ambtelijke bijstand.</al><al>De bijstand wordt zo spoedig mogelijk verleend. Het is niet mogelijk in de
                    verordening hiervoor vaste termijnen op te nemen in verband met de verschillen
                    in aard en omvang van de werkzaamheden voor een verzoek. De griffier ziet er op
                    toe dat er voortgang blijft in het proces.</al><al>In de gehele verordening is er voor gekozen een onderscheid aan te brengen
                    tussen ambtenaren en medewerkers van de griffie. Als er over ambtenaren
                    gesproken wordt, worden ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie
                    bedoeld die onder het gezag van het college vallen en dus niet onder de noemer
                    “griffiemedewerkers”. Dit neemt niet weg dat medewerkers van de griffie ook
                    ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet zijn.</al><al>Op grond van het derde lid is er bij twijfel een rol voor de secretaris
                    weggelegd. Deze zal moeten beslissen of het een verzoek als bedoeld in het
                    eerste lid, onderdeel a en b betreft.</al><al/><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Artikel 6 van de oude verordening zijn vanwege de helderheid nu toegevoegd aan
                    artikel 2, vierde en vijfde lid. Het betreft hier immers regels omtrent
                    hetzelfde onderwerp dat reeds geregeld is in artikel 2.</al><al>In het vierde lid wordt gewezen op het belang dat de betrokken
                    portefeuillehouder heeft van het op de hoogte zijn van het feit dat bijstand is
                    verleend door onder zijn verantwoordelijkheid functionerende ambtenaren. Gezien
                    de afstand tussen raad en college is het logisch dat desgewenst melding wordt
                    gemaakt van het verlenen van ambtelijke bijstand. Het college en de secretaris
                    kunnen afspreken in welke gevallen hiervan melding wordt gemaakt.</al><al>Het vijfde lid voorkomt dat de betreffende ambtenaar in een spagaat tussen raad
                    en college terecht komt. Indien een raadslid om ambtelijke bijstand verzoekt,
                    moet hij ervan uit kunnen gaan dat de ambtenaar bij het verrichten van die
                    werkzaamheden onafhankelijk opereert van het college. Om te verzekeren dat een
                    ambtenaar niet door collegeleden onder druk wordt gezet om toch inlichtingen te
                    verschaffen over het verzoek van een raadslid is in het vijfde lid bepaald dat
                    wethouders of de burgemeester zich voor informatie direct tot het betrokken
                    raadslid wenden en niet tot de behandelend ambtenaar. Dit biedt bovendien een
                    extra waarborg voor de onafhankelijke behandeling van een verzoek om ambtelijke
                    bijstand.</al><al>De ambtenaar die ambtelijke bijstand verleent blijft echter wel onderdeel van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. Het verlenen van ambtelijke bijstand hoort tot
                    de normale uitoefening van zijn taak. Indien hij dit gedeelte van zijn taak niet
                    goed uitoefent behoudt het college dus de mogelijkheid om de ambtenaar hierop
                    aan te spreken.</al><al/><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Beoordeling of één van de in artikel 2 genoemde weigeringsgronden zich voordoet
                    vindt in eerste instantie plaats door de gemeentesecretaris als hoofd van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. Artikel 3 regelt dat de uiteindelijke
                    beslissing over het niet verlenen van ambtelijke bijstand is voorbehouden aan de
                    burgemeester. Het ligt in de rede dat hij hierover overleg voert met de
                    secretaris en de griffier (en indien nodig ook het betrokken raadslid).
                    Uiteraard kan de raad via de gebruikelijke weg hierover de burgemeester
                    verzoeken verantwoording af te leggen (artikel 180 Gemeentewet).</al><al/><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Ook indien - naar de mening van het raadslid - op onvoldoende wijze aan zijn of
                    haar verzoek om hulp gehoor wordt gegeven kan de zaak aan een hogere instantie
                    worden voorgelegd: de burgemeester is daar gezien zijn eigenstandige positie in
                    het gemeentelijke bestuur de meest aangewezen instantie voor.</al><al>Wel dient het betrokken raadslid of de griffier hierover eerst overleg te voeren
                    met de secretaris.</al><al/><tussenkop>Artikel 5</tussenkop><al>In de modelverordening staat vermeld:</al><al>“Elk raadslid heeft per jaar recht op … uur ambtelijke bijstand als bedoeld in
                    artikel 1, eerste lid, onderdeel c.”</al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om aan ieder raadslid een vaste hoeveelheid
                    uren of keren recht op ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke
                    organisatie toe te kennen. Hiermee wordt een extra garantie geboden dat dit
                    recht ook geëffectueerd kan worden. Het biedt de ambtelijke organisatie
                    bovendien de mogelijkheid enigszins grip te houden op de omvang van de
                    werkzaamheden. Deze begrenzing geldt niet voor eenvoudige informatieverschaffing
                    als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a en b. Deze bijstand kan
                    onbeperkt geboden worden.</al><al>De praktijk in de gemeente Midden-Delfland leert dat de ambtelijke bijstand
                    (nog) niet behoeft te worden ingekaderd door een uren-regime toe te passen.
                    Derhalve is geen aanleiding voor een dergelijk artikel.</al><al/><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Fractieondersteuning vindt zijn vorm in een financiële ondersteuning. De hoogte
                    van het budget voor fractieondersteuning zal in de gemeentebegroting moeten
                    worden opgenomen en dus door de raad worden vastgesteld. De fractieondersteuning
                    kan bestaan uit een vast en een variabel deel. Het vaste deel garandeert dat
                    elke fractie de kans krijgt zich op gelijkwaardig niveau te laten ondersteunen.
                    Omdat grote fracties meer lasten zullen hebben op facilitair gebied is het
                    logisch dat zij voor dergelijke kosten een hogere vergoeding krijgen.</al><al>In de gemeente Midden-Delfland is alleen sprake van een vaste bijdrage.</al><al>Het kan gebeuren dat de bijdrage aangepast moet worden aan veranderde
                    verhoudingen in de raad. Het derde lid van dit artikel is zo geformuleerd dat
                    het zowel kan dienen voor fracties die bij de verkiezingen blijken te verdwijnen
                    dan wel na de verkiezingen opkomen, maar het kan ook dienen om de mutaties in
                    aantal op te vangen van de zittende fracties.</al><al/><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Voor wat betreft de inhoudelijke besteding van de fractieondersteuning wordt de
                    fracties grotendeels de vrijheid gelaten. Minimumvoorwaarde is wel dat de
                    bijdrage besteed wordt aan raadswerkzaamheden. Verder is een aantal doelen
                    genoemd waarvoor de bijdrage niet gebruikt mag worden. Daarmee wordt onder
                    andere voorkomen dat met de bijdrage verkiezingscampagnes worden gefinancierd en
                    dat raadsleden hun eigen vergoeding voor het raadswerk (vastgelegd in het
                    rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, dat zijn grondslag vindt in de
                    artikelen 95 en 96 van de Gemeentewet) aanvullen met de bijdrage voor
                    fractieondersteuning. Algemene opleidingen voor raads- en commissieleden die
                    meestal worden georganiseerd door de griffie(r) dienen bekostigd te worden uit
                    de gemeentelijke bedrijfsvoering en dientengevolge ook niet uit de bijdrage voor
                    fractieondersteuning. Deze cursussen worden veelal verzorgd door politiek
                    neutrale instituten.</al><al>Omdat het bij uitstek om politieke ondersteuning gaat kan deze inhoudelijk niet
                    te zeer gedetailleerd geregeld worden. Fractieondersteuning in de vorm van het
                    beschikbaar stellen van gemeenteambtenaren voor de fracties wordt niet wenselijk
                    geacht, aangezien het vaak politiek getinte ondersteuning betreft. Fracties
                    moeten daarom vrij zijn in de keuze van de personen die de fracties eventueel
                    ondersteunen.</al><al/><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>De bijdrage wordt per 1<sup>e</sup> dag van het kwartaal te beschikking gesteld
                    aan de fracties. Deze regel geeft de mogelijkheid om nieuwe fracties, die
                    tussentijds ontstaan, ook een vergoeding te verstrekken.</al><al/><tussenkop>Artikelen 9, 10 en 11</tussenkop><al>Deze artikelen behoeven geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>