<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27093_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Capelle aan den IJssel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJssel-en Lekstreek van 03-10-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 44, lid 2 en 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 95 en 96</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-09-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-10-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging art. 11, lid 3 en 4</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Verseonnr. 469547</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>bestuur en recht</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147 van
                        de Gemeentewet;</al><al>gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden;</al><al>gelezen het voorstel van de griffier en de voorzitter;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Wijziging verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                            commissieleden 2008</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>I</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in artikel 82 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>subcommissie: de door een commissie uit zijn midden ingestelde
                                    commissie die ten doel heeft de voorbereiding van een
                                    commissiestandpunt;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="d."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="e."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de Ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="f."><al>Reisbesluit binnenland: het Koninklijk Besluit van 1 maart 1993,
                                    Stb. 144;</al></li><li nr="g."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr. AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="h."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, daartoe benoemd conform de
                                    eisen en procedures daaraan gesteld door de kieswet;</al></li><li nr="i."><al>commissielid: een door de raad benoemd burgerlid van een
                                    commissie, niet zijnde een raadslid;</al></li><li nr="j."><al>Verplaatsingskostenbesluit 1989: het Koninklijk Besluit van 6
                                    oktober 1989, Stb. 424;</al></li><li nr="k."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="l."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="m."><al>concerncontroller: de ambtenaar belast met de functie
                                    concerncontroller van de gemeente Capelle aan den IJssel.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>II</nr><titel>VOORZIENINGEN VOOR RAADSLEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor raadsleden</titel></kop><al>Aan het raadslid wordt een vergoeding voor de werkzaamheden toegekend
                            die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, eerste lid van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                            jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                            wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2a</nr><titel>Toelage voor lidmaatschap bijzondere commissies</titel></kop><al>Ten aanzien van een lid van de raad dat lid is van de
                            vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 61, derde lid van de
                            Gemeentewet, dan wel de rekenkamerfunctie, bedoeld in artikel 81oa van
                            de Gemeentewet, uitoefent, dan wel lid is van een onderzoekscommissie
                            als bedoeld in artikel 155a, derde lid van de Gemeentewet wordt voor de
                            duur van het lidmaatschap van de commissie dan wel voor de duur van de
                            activiteiten per jaar een toelage verstrekt van 5% van de vergoeding
                            voor de werkzaamheden op jaarbasis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid wordt een onkostenvergoeding voor aan de
                                uitoefening van het raadslidmaatschap verbonden kosten toegekend,
                                die gelijk is aan het bedrag, vermeld in artikel 2, derde lid van
                                het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, zoals dit bedrag
                                jaarlijks door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge
                                artikel 4, aanhef en onderdeel f. van de Wet op de loonbelasting
                                1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt
                                aangemerkt, wordt in afwijking van het eerste lid een
                                onkostenvergoeding toegekend die gelijk is aan het bedrag, vermeld
                                in artikel 2, vierde lid van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                commissieleden, zoals dat bedrag jaarlijks door de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van een kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                vindt plaats in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Samenstelling onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Kosten gemaakt ten behoeve van de uitoefening van de functie van
                                raadslid dienen uit de onkostenvergoeding als bedoeld in artikel 3
                                te worden bestreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onkostenvergoeding is opgebouwd uit de volgende
                                kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie;</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur;</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen;</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten;</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten;</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis;</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Kosten, uitgaande boven de in artikel 3 bedoelde onkostenvergoeding,
                                kunnen niet worden gedeclareerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare vervoermiddelen en van een taxi:
                                        een volledige vergoeding van de in redelijkheid gemaakte
                                        noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid gemaakte verblijfkosten ter zake van reizen buiten
                            het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid vergoed
                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c. van de Regeling
                            rechtspositie wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Excursie of reis buiten de landsgrenzen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een door of vanwege de gemeente georganiseerde
                                excursie of reis buiten de landsgrenzen. De gemeenteraad kan aan de
                                toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van cursussen, congressen, seminars en symposia, die in
                                het gemeentelijk belang door of namens de gemeente worden aangeboden
                                of verzorgd, alsmede de daarbij eventueel behorende reiskosten,
                                komen voor rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium, dat gericht is op deskundigheidsbevordering en/of
                                vaardigheidstrainingen, dat niet door of namens de gemeente wordt
                                aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in
                                bij de voorzitter van zijn fractie. De aanvraag gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De fracties, bedoeld in artikel 8 van het Reglement van Orde voor de
                                vergaderingen van de raad, ontvangen jaarlijks een financiële
                                bijdrage als tegemoetkoming in de kosten als bedoeld in het tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde bijdrage bestaat uit een vast bedrag
                                per raadszetel. De omvang van het toe te kennen bedrag wordt ieder
                                jaar bij de vaststelling van de gemeentebegroting door de raad
                                bepaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Bevoorschotting bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bijdrage voor deelname aan cursussen, congressen, seminars en
                                symposia bedoeld in het derde lid van artikel 9 wordt als voorschot
                                per kalenderjaar verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uitbetaling van de in het eerste lid genoemde bijdrage vindt plaats
                                vóór 31 januari van een kalenderjaar. De fracties openen voor de
                                toekenning van de bijdrage voor deelname aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia een aparte bank- of girorekening. Dit kan
                                dezelfde bank- of girorekening zijn die is geopend voor de
                                fractieondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In hetjaar waarin verkiezingen plaatsvinden, wordt het
                                voorschot verstrekt voor de maanden tot en met de datum van de
                                verkiezingen. In de eerste maand na de verkiezingsdatum wordt het
                                voorschot verstrekt voor de overige maanden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het voorschot wordt verrekend met teveel ontvangen voorschotten in
                                de jaren waarvoor de raad bedragen heeft vastgesteld bedoeld in
                                artikel 10a.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Reserve</titel></kop><al>1.De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van de
                            bijdrage toekomend aan een </al><al>fractie ter besteding door de fractie in de volgende jaren.</al><lijst><li nr="2."><al>De reserve is niet groter dan 30% van de bijdrage die de fractie
                                    in het voorgaande kalenderjaar toekwam ingevolge artikel 9.</al></li><li nr="3."><al>De aanspraak in enig kalenderjaar op de opgebouwde reserve, komt
                                    tot uitdrukking in de afrekening als bedoeld in artikel 11 over
                                    dat jaar. Bevoorschotting vindt desgevraagd plaats.</al></li><li nr="4."><al>De reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie
                                    die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die
                                    naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan
                                    worden beschouwd.</al></li><li nr="5."><al>Als bij zetelverlies de reserve voor een fractie hoger zou
                                    worden dan aangegeven in het tweede lid, vervalt het recht op
                                    dat meerdere.</al></li><li nr="6."><al>Bij splitsing van een fractie, wordt de reserve verdeeld over de
                                    betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij de
                                    splitsing betrokken leden, voor zover deze reserve niet meer
                                    bedraagt dan 30% van de bijdrage die de oorspronkelijke fractie
                                    in het voorgaande kalenderjaar ontving. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke fractie legt, binnen drie maanden na het einde van het
                                kalenderjaar, aan de raad verantwoording af over de besteding van de
                                bijdrage voor cursussen, congressen, seminars en symposia onder
                                overlegging van een verslag waarvan de gemotiveerde aanvragen deel
                                uitmaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de verantwoording over het vorige kalenderjaar vóór de in het
                                eerste lid genoemde termijn niet is ingediend, wordt de over het
                                lopende kalenderjaar resterende vergoeding en eventueel volgende
                                kalenderjaar vastgestelde vergoeding niet uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Controle van het verslag vindt plaats door de concerncontroller. De
                                concerncontroller rapport zijn bevindingen aan de commissie tot
                                welke het aandachtsgebied Algemene Beleidscoördinatie behoort. Deze
                                commissie brengt advies uit aan de raad.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad stelt na ontvangst van de adviezen van de concerncontroller
                                en de commissie tot welke het aandachtsgebied Algemene
                                Beleidscoördinatie behoort de hoogte vast van: </al><al>a. de uitgaven van een fractie die in het vorige kalenderjaar uit de
                                bijdragen bekostigd zijn; </al><al>b. de wijziging van de reserve; </al><al>c. de resterende reserve; </al><al>d. de verrekening tussen de in onderdeel a genoemde uitgaven en het
                                ontvangen voorschot en, voor zover nodig, de hoogte van de
                                terugvordering van ontvangen voorschotten en voor zover van
                                toepassing bij wijze van sanctie de verrekening van de in artikel 9,
                                lid 1 genoemde bedragen met de jaarlijks toe te kennen bijdrage." </al><al>d. de verrekening tussen de in onderdeel a genoemde uitgaven en het
                                ontvangen voorschot en, voor zover nodig, de hoogte van de
                                terugvordering van ontvangen voorschotten en voor zover van
                                toepassing bij wijze van sanctie de verrekening van de in artikel 9,
                                lid 1 genoemde bedragen met de jaarlijks toe te kennen
                                bijdrage.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Computer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een raadslid worden ten behoeve van de uitoefening van het
                                raadslidmaatschap bij de aanvang hiervan door de gemeente een laptop
                                met ADSL-verbinding en een printer in bruikleen verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de bruikleenovereenkomst die in verband met de in het eerste lid
                                van dit artikel bedoelde voorzieningen door het raadslid dient te
                                worden ondertekend, is opgenomen dat de in bruikleen gegeven
                                voorzieningen voor meer dan 90% voor het raadslidmaatschap dienen te
                                worden gebruikt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde voorzieningen zijn en blijven eigendom
                                van de gemeente. Bij beëindiging van het raadslidmaatschap dienen de
                                voorzieningen onmiddellijk te worden ingeleverd. In afwijking
                                hiervan kunnen deze voorzieningen eventueel worden overgenomen tegen
                                de boekwaarde. De voorzieningen worden afgeschreven in vier jaar.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Spaarloonregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                aanhef en onderdeel f. van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de
                                toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan op
                                aanvraag deelnemen aan de voor de medewerkers in dienst van de
                                gemeente geldende Spaarloonregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deelname aan de Spaarloonregeling is niet mogelijk, indien het
                                raadslid gebruikmaakt van de wettelijke Levensloopregeling bedoeld
                                in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964. </al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13a Fietsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4,
                                    aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor
                                    de toepassing van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt
                                    kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van
                                    de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze van het
                                    raadslid wordt de raadsvergoeding dan wel vaste
                                    onkostenvergoeding verminderd met de vergoeding voor de fiets
                                    als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></li><li nr="2."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, wordt op
                            verzoek van het raadslid verlaagd indien door hem een uitkering wegens
                            gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt ontvangen met als
                            doelstelling het vermijden van een verlaging van deze uitkering.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                    Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van
                                    deze wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li><li nr="2."><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het
                                    Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel ontvangt
                                    en de na toepassing van artikel 6, vierde lid van dat besluit
                                    ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                    uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in
                                    artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het
                                    raadslid ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de
                                    gemeente verhoogd tot het bedrag van bedoelde korting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer
                                    dan 30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de
                                    gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor deze waarneming een
                                    toeslag van 8% van de in artikel 2 bedoelde vergoeding voor de
                                    werkzaamheden over de tijd van de waarneming.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van
                                    de onkostenvergoeding bedoeld in artikel 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16a Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering
                                    als bedoeld in artikel 11 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden bedraagt € 175 per jaar.</al></li><li nr="2."><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                    kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                    tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid
                                    van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is
                                    geweest.</al></li><li nr="3."><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                    geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven
                                    van toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10
                                    van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap
                                    en bevalling of ziekte, met dien verstande dat de
                                    onkostenvergoeding die dit raadslid op grond van artikel 3,
                                    eerste of tweede lid, ontvangt de helft bedraagt van het bedrag
                                    dat op grond van die bepalingen van toepassing is.</al></li><li nr="2."><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                    lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van
                                    toepassing op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter
                                    vervanging van een raadslid dat ingevolge artikel X 10 van de
                                    Kieswet tijdelijk ontslag heeft verkregen wegens zwangerschap en
                                    bevalling of ziekte.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK III VOORZIENINGEN VOOR WETHOUDERS</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 17 Onkostenvergoeding</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt een onkostenvergoeding toegekend voor overige aan
                            de uitoefening van het ambt verbonden kosten, die gelijk is aan het
                            bedrag vermeld in artikel 25, eerste lid van het Rechtspositiebesluit
                            wethouders zoals dit bedrag jaarlijks door de Minister van Binnenlandse
                            Zaken en Koninkrijksrelaties wordt herzien.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Samenstelling onkostenvergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Kosten gemaakt ten behoeve van de uitoefening van het ambt van
                                    wethouder dienen uit de onkostenvergoeding bedoeld in artikel 17
                                    te worden bestreden.</al></li><li nr="2."><al>De onkostenvergoeding is opgebouwd uit de volgende
                                    kostencomponenten:</al></li><li nr="-"><al>representatie;</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur;</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen;</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten;</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften;</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis;</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li><li nr="3."><al>Kosten uitgaande boven de in artikel 17 bedoelde
                                    onkostenvergoeding kunnen niet worden gedeclareerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 19 Zakelijke reiskosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan de wethouder wordt een vergoeding verleend voor reiskosten
                                    ter zake van reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt. </al></li><li nr="2."><al>Bij gebruik van een taxi binnen de gemeente kunnen de kosten op
                                    grond van overwegingen van representativiteit of veiligheid
                                    worden vergoed. De gemeentesecretaris beoordeelt de
                                    functionaliteit van de gedane uitgaven. De uitgaven komen alsdan
                                    in aanmerking voor volledige vergoeding.</al></li><li nr="3."><al>Bij gebruik van een taxi buiten de gemeente kunnen de kosten
                                    worden vergoed. De gemeentesecretaris beoordeelt de
                                    functionaliteit van de gedane uitgaven. De kosten komen alsdan
                                    voor in aanmerking voor volledige vergoeding.</al></li><li nr="4."><al>Bij gebruik van openbare vervoermiddelen vindt volledige
                                    vergoeding van de kosten plaats. Bij gebruik van een eigen
                                    personenauto wordt voor reizen binnen de gemeente een vast
                                    bedrag per maand toegekend en bij reizen buiten de gemeente de
                                    vergoeding als bedoeld in artikel 4, onderdeel b. van de
                                    Regeling rechtspositie wethouders.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Verblijfkosten</titel></kop><al>De wethouder worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                            verblijfkosten ter zake van reizen, bedoeld in artikel 19, vergoed.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21 Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De wethouder, die het voornemen heeft een buitenlandse
                                    dienstreis te maken, heeft hiervoor toestemming nodig van het
                                    college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad wordt
                                    van het besluit van het college van burgemeester en wethouders
                                    op de hoogte gesteld.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder die het voornemen voorlegt aan het college van
                                    burgemeester en wethouders, verschaft informatie over het doel
                                    van de reis, de bijbehorende beleidsoverwegingen, de omvang en
                                    de aard van het gezelschap en de geraamde hoogte van de
                                    kosten.</al></li><li nr="3."><al>De wethouder ontvangt voor de ter beoordeling van het college
                                    van burgemeester en wethouders noodzakelijk te maken
                                    buitenlandse dienstreis een vergoeding van de in redelijkheid
                                    gemaakte reis- en verblijfkosten overeenkomstig het Reisbesluit
                                    buitenland.</al></li><li nr="4."><al>Ingeval van een buitenlandse dienstreis kan aan de wethouder een
                                    voorschot worden verstrekt. Het voorschot kan eventueel in
                                    buitenlandse valuta worden verstrekt. Dit voorschot wordt binnen
                                    een maand na het plaatsvinden van de dienstreis verrekend door
                                    middel van een bij de gemeentesecretaris in te dienen
                                    declaratieformulier.</al></li><li nr="5."><al>Van iedere buitenlandse reis wordt een verslag opgesteld. Alle
                                    buitenlandse reizen worden vermeld in een jaarverslag.</al></li><li nr="6."><al>Het meereizen van de partner van de wethouder op kosten van de
                                    gemeente is alleen toegestaan wanneer dit gebeurt op uitnodiging
                                    van de uitnodigende partij en hiermee tevens het belang van de
                                    gemeente is gediend. Het meereizen van de partner moet worden
                                    betrokken bij de aanvraag.</al></li><li nr="7."><al>Het anderszins meereizen van derden op kosten van de gemeente is
                                    niet toegestaan.</al><al> Het meereizen van derden op eigen kosten is wel toegestaan
                                    onder de voorwaarde dat dit </al><al> wordt gemeld bij de aanvraag.</al></li><li nr="8."><al>Het verlengen van een buitenlandse dienstreis wegens vakantie is
                                    wel toegestaan onder de voorwaarde dat dit is opgenomen in de
                                    aanvraag. De extra verblijfkosten komen volledig voor rekening
                                    van de wethouder, tenzij blijkt dat de kosten door de verlenging
                                    van de reis substantieel lager zijn geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De kosten van cursussen, congressen, seminars en symposia, die
                                    in het gemeentelijk belang door of namens de gemeente worden
                                    aangeboden of verzorgd, alsmede de daarbij eventueel behorende
                                    reiskosten, komen voor rekening van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                    of symposium, dat niet door of namens de gemeente wordt
                                    aangeboden of verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag
                                    in bij de gemeentesecretaris. De aanvraag gaat vergezeld van
                                    inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. De kosten
                                    komen ter beoordeling van de gemeentesecretaris voor rekening
                                    van de gemeente als deelname van belang is in verband met het
                                    ambt van wethouder. Vergoeding is alleen mogelijk voor zover
                                    daartoe door de raad budget beschikbaar is gesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Computer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan een wethouder wordenten behoeve van de uitoefening van
                                    het ambt van wethouder bij de aanvang hiervan door de gemeente
                                    een laptop met ADSL-verbinding en een printer in bruikleen
                                    verstrekt. </al></li><li nr="2."><al>In de bruikleenovereenkomst die in verband met de in het eerste
                                    lid van dit artikel bedoelde voorzieningen door de wethouder
                                    dient te worden ondertekend, is opgenomen dat de in bruikleen
                                    gegeven voorzieningen voor meer dan 90% voor het ambt van
                                    wethouder dienen te worden gebruikt.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste lid bedoelde voorzieningen zijn en blijven
                                    eigendom van de gemeente Capelle aan den IJssel. Bij beëindiging
                                    van het wethouderschap dienen de voorzieningen onmiddellijk te
                                    worden Ingeleverd. In afwijking hiervan kunnen deze
                                    voorzieningen eventueel worden overgenomen tegen de boekwaarde.
                                    De voorzieningen worden afgeschreven in vier jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Mobiele telefoon</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor de uitoefening van het ambt
                                    van wethouder door de gemeente een mobiele telefoon in bruikleen
                                    ter beschikking gesteld, die mede gebruikt mag worden voor
                                    privédoeleinden.</al></li><li nr="2."><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met
                                    de gemeente.</al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders stelt het model van
                                    de bruikleenovereenkomst vast.</al></li><li nr="4."><al>Op de netto bezoldiging dan wel de netto onkostenvergoeding van
                                    de wethouder die de mobiele telefoon voor meer dan 10% mede
                                    gebruikt voor privé-doeleinden, wordt een bedrag ingehouden dat
                                    gelijk is aan het bedrag dat op grond van de artikelen 38
                                    respectievelijk 39 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001
                                    tot het loon wordt gerekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25 Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De wethouder kan op aanvraag deelnemen aan de voor de
                                    medewerkers in dienst van de gemeente geldende
                                    Spaarloonregeling.</al></li><li nr="2."><al>Deelname aan de Spaarloonregeling is niet mogelijk indien de
                                    wethouder gebruikmaakt van de wettelijke Levensloopregeling als
                                    bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 25a Fietsregeling</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                    artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 . Naar
                                    keuze van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                    onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                    vergoeding voor de fiets als bedoeld in de
                                    Uitvoeringsregeling.</al></li><li nr="2."><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat
                                    geen aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 26 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet></al><al>De wethouder, die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt, heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Ministeriële regeling als bedoeld in artikel 22, tweede
                                    lid van het Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming totwethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Ministeriële
                                    regeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK IV VOORZIENINGEN VOOR COMMISSIELEDEN</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 27 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een commissielid dat lid is van een raadscommissie als bedoeld
                                    in artikel 82 van de Gemeentewet komt in aanmerking voor een
                                    vergoeding;</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van deze vergoeding is gelijk aan het door de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                    gemeenteklasse 4 (50.000 – 100.000 inwoners) vastgestelde
                                    maximale vergoeding per vergadering</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 28 Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><al>De artikelen 9 tot en met 11 van de verordening zijn van overeenkomstige
                            toepassing op commissieleden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 29 Computer</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan een commissielid wordenten behoeve van de uitoefening
                                    van het lidmaatschap van de commissie bij de aanvang van het
                                    lidmaatschap door de gemeente een laptop met ADSL-verbinding en
                                    een printer in bruikleen verstrekt. </al></li><li nr="2."><al>In de bruikleenovereenkomst die in verband met de in het eerste
                                    lid van dit artikel bedoelde voorzieningen door het commissielid
                                    dient te worden ondertekend, is opgenomen dat de in bruikleen
                                    gegeven voorzieningen voor meer dan 90% voor het lidmaatschap
                                    van de commissie dienen te worden gebruikt.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst
                                    vast.</al></li><li nr="4."><al>De in het eerste lid bedoelde voorzieningen zijn en blijven
                                    eigendom van de gemeente. Bij beëindiging van het lidmaatschap
                                    van de commissie dienen de voorzieningen onmiddellijk te worden
                                    ingeleverd. Bij afwijking hiervan kunnen deze voorzieningen
                                    worden overgenomen tegen de boekwaarde. De voorzieningen worden
                                    afgeschreven in vier jaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK V DE PROCEDURE VAN DECLARATIE</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 30 Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>declaratie van vooruit betaalde kosten of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse facturering bij de gemeente.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 31 Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 6, 7, 19,
                                    20, 21 en 26 wordt gebruikgemaakt van een declaratieformulier,
                                    indien deze kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></li><li nr="2."><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend.
                                    Het raadslid of het commissielid, onderscheidenlijk de wethouder
                                    dient het declaratieformulier binnen twee maanden bij de
                                    griffier onderscheidenlijk de gemeentesecretaris in, onder
                                    bijvoeging van de originele bewijsstukken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 32 Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 9, 19, 20, 22
                                    en 26 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door
                                    het raadslid onderscheidenlijk de wethouder voor akkoord
                                    ondertekende factuur aan de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door
                                    het begeleidingsformulier waarvan het model door het college is
                                    vastgesteld volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></li><li nr="3."><al>Het raadslid onderscheidenlijk de wethouder dient het
                                    begeleidingsformulier en de factuur binnen twee maanden in bij
                                    de griffier onderscheidenlijk de gemeentesecretaris.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK VI CITEERTITEL EN INWERKINGTREDING</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 33 Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2007
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 34 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na vaststelling
                            en werkt terug tot en met </al><al>1 januari 2008.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 35 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2008.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al>A.<vet>Algemeen</vet></al><al><vet>Wettelijke regelingen</vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                    gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten bij wet,
                    algemene maatregel van bestuur, ministeriële regeling </al><al>(alleen wethouders) en gemeentelijke regeling. Wettelijk is voor wethouders in
                    de Algemene Pensioenwet Politieke Ambtsdragers (APPA) de uitkering na aftreden
                    en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven, dat de nadere
                    invulling van de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden moet
                    worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen het
                    Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                    commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan die voor
                    rijksambtenaren, maar voor hen in verschillende regelingen zijn opgenomen
                    waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn om pragmatische redenen opgenomen
                    in een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie wethouders. In deze
                    wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde
                    onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de
                    bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, zijn in beide
                    rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                    secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling voor de kinderopvang
                    en de uitkering bij aftreden als raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid
                    heeft om deze voorzieningen te treffen.</al><al><vet>Hoofdlijnen van de gemeentelijke verordening</vet></al><al>In de onderhavige verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie
                    van wethouders, raadsleden en leden van de commissies voor advies aan de raad.
                    De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en de genoemde
                    rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hen bij of krachtens de wet is toegekend,
                    genieten de wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm dan ook, ten
                    laste van de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet). Een soortgelijke bepaling
                    is in artikel 99 van de Gemeentewet opgenomen voor raads- en commissieleden. </al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                            (artikelen 2 en 27) waarbij is op te merken dat voor wethouders niets is
                            opgenomen, omdat hun bezoldiging uitputtend is geregeld in het
                            Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="-"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en raadsleden
                            (artikelen 3 en 17);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en commissieleden,
                            waarbij voor wethouders een onderscheid is gemaakt tussen zakelijke
                            reizen en buitenlandse dienstreizen (artikelen 6, 7 en 19);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten van de bij benoeming verhuisplichtige wethouder
                            (artikel 26);</al></li><li nr="-"><al>beschikbaarstelling van computerapparatuur (artikelen 12, 23 en 29) en
                            faciliteiten in de vorm van deelname aan cursussen, congressen en
                            dergelijke (artikelen 9, 22 en 28) aan wethouders, raadsleden en
                            commissieleden;</al></li><li nr="-"><al>een aantal secundaire voorzieningen zoals voor zowel wethouders als
                            raadsleden de Spaarloonregeling of Levensloopregeling (artikelen 13 en
                            25);</al></li><li nr="-"><al>de procedure van declareren (artikelen 30 tot en met 32).</al></li></lijst><al><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</vet></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus
                    niet de werkgever. </al><al>Dat betekent dat zij niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de
                    Werkloosheidswet, de Ziektewet en de WIA. Raadsleden worden ook niet aangemerkt
                    als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond
                    van deze wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de
                    raadsvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering. </al><al>Eigen voorzieningen zijn er op die onderdelen getroffen in het
                    Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en in de onderhavige verordening.
                    Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is, vallen raadsleden niet onder
                    de Wet op de loonbelasting 1964, maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet
                    inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor loonbelasting door de
                    kiezen voor het fictief werknemerschap.</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge de
                    Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld en vallen
                    onder de werking van deze wet. Echter, de bepalingen over het materiële
                    ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. </al><al>Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke
                    wet- en regelgeving. </al><al>De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing van de fiscale
                    wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding, die als dienstbetrekking
                    wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders direct onder de werking van de Wet
                    op de loonbelasting vallen. Er is sinds de dualisering van het gemeentebestuur
                    derhalve geen mogelijkheid meer om wel of niet voor de loonbelasting te opteren.
                    Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet, Werkloosheidswet en de
                    WIA. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en nabestaandenpensioen zijn voor
                    wethouders geregeld in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (APPA);
                    voor hen geldt derhalve niet de pensioenvoorziening bij het ABP. Wethouders zijn
                    werknemers in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van
                    deze wet recht op vergoeding door de gemeente van de over hun bezoldiging
                    verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                    basisverzekering.</al><al><vet>De loon- en inkomstenbelasting</vet></al><al><vet>Opting in regeling</vet></al><al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                    gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in
                    regeling” genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat
                    wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke
                    verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                    geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                    loonbelastingsysteem, dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de
                    Belastingdienst. Omdat het raadslid geen werknemer in de formele zin van het
                    woord is, valt het vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                    zekerheidswetgeving. </al><al>Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid
                    ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval
                    geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden
                    afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen
                    onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar
                    stellen. Genoemd kunnen worden de vergoeding van reis- en verblijfkosten en de
                    zakelijke deelname aan cursussen en congressen. </al><al>Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze
                    vergoedingen <vet><cursief>zoals de
                        o</cursief></vet><vet><cursief>n</cursief></vet><vet><cursief>kostenvergoeding</cursief></vet>worden
                    gebruteerd toegekend, waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde
                    vergoeding resteert. Ook kan betrokkene deelnemen in de Spaarloonregeling die er
                    voor het gemeentelijk personeel is.</al><al><vet>Fiscale standaardpositie</vet></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het raadslid dat
                    het voor de </al><al>Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval
                    is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten
                    verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering brengen.
                    Zij kunnen niet deelnemen aan de Spaarloonregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                    beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                    normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbaar
                    resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op
                    grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave
                    IB47. Verstrekkingen moeten naar de </al><al>waarde in het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijke zakelijke
                    gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste kostenvergoeding
                    maakt het verschil uit of het raadslid wel of niet heeft geopteerd voor de
                    loonbelasting.</al><al>Zoals in het voorgaande is weergegeven, kan de keuze om al of niet te opteren
                    voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De
                    beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode
                    worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel
                    kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende
                    periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet uitsluitend bij de aanvang van
                    de zittingsperiode te gebeuren, maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor
                    de resterende periode.</al><al><vet>De vergoedingssystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet hun eigen
                    inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek is daarom van
                    belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het aanbeveling terughoudend
                    te zijn met een financieringswijze, waarin de bestuurder deze uit eigen middelen
                    vooruit betaalt en de gemeente ze terugbetaalt. Eigen middelen en publieke
                    middelen moeten zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die
                    overweging heeft het de voorkeur de gemaakte kosten direct in rekening te
                    brengen bij de gemeente. Aan de mogelijkheid om zo nodig declaraties in te
                    dienen zal echter behoefte blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is
                    gekozen voor de volgende wijze van redeneren:</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en bestuursposten);</al></li><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van het ambt,
                            maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                            aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen, die niet onbelast aangeboden kunnen worden, kan een
                            (bruto)vergoeding worden verstrekt.</al></li></lijst><al>Concreet betekent deze vergoedingsystematiek het volgende.</al><al><vet><cursief>1.</cursief></vet><vet><cursief> Voorzieningen die zijn
                            ondergebracht in de bedrijfsvoering</cursief></vet></al><lijst><li nr="-"><al>Bruikleen van computerapparatuur.</al></li><li nr="-"><al>Deelname aan cursussen en congressen en dergelijke.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de wethouder of
                    het raadslid, maar worden direct door de gemeente voldaan en de voorzieningen
                    worden om niet in bruikleen gegeven. Zij vallen derhalve buiten de
                    vergoedingssfeer.</al><al><vet><cursief>2.</cursief></vet><vet><cursief> Voorzieningen die niet in de
                            bedrijfsvoering zitten maar onbelast kunnen worden
                        vergoed</cursief></vet></al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten, blijft het
                    systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven op basis van declaratie aan
                    het raads-, commissielid of de wethouder worden vergoed. </al><al>Deze kunnen als is voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden
                    vergoed.</al><al><vet><cursief>3.</cursief></vet><vet><cursief> Voorzieningen die niet in de
                            bedrijfsvoering zitten en niet onbelast kunnen worden
                        vergoed</cursief></vet></al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste (bruto)kostenvergoeding
                    verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 18 is aangegeven om welke
                    beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd, geldt dezelfde
                    systematiek, maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen alle vergoedingen
                    en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer als opbrengst te
                    verantwoorden. Omdat zij hun werkelijk gemaakte kosten fiscaal kunnen
                    verrekenen, worden hun vergoedingen niet gebruteerd toegekend.</al><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle andere
                    publieke middelen – transparantie van groot belang. </al><al>Daartoe dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het
                    vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een duidelijke
                    verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. </al><al>Op deze wijze kan worden voorkomen dat er onnodig discussies plaatsvinden
                    omtrent het gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door
                    gemeentebestuurders en over de eventueel verschuldigde belasting. Dat is ook in
                    hun belang, omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen zonder te worden
                    gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van de functionele uitgaven.
                    Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende financiële en administratieve
                    organisatie is ingericht dat er vertrouwen kan bestaan omtrent de juistheid en
                    rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In Hoofdstuk V zijn in verband hiermee procedures vastgelegd over rechtstreekse
                    facturering van functionele uitgaven en declaratie van vooruit betaalde kosten.
                    Daarnaast zijn in de bruikleenovereenkomsten heldere afspraken vastgelegd over
                    het gebruik van computer- en communicatieapparatuur die beschikbaar wordt
                    gesteld voor de uitoefening van de politieke functie. </al><al>In dit kader kan worden opgemerkt dat de bij de gemeente gebruikelijke
                    procedures van controle en verantwoording van toepassing zijn.</al><al>B.<vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 2 Vergoeding voor raadsleden</vet></al><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat raadsleden
                    voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding
                    wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. </al><al>Wel is in het Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                    werkzaamheden aangegeven. In artikel 2 van deze verordening is de hoogte van de
                    vergoeding bepaald op het maximale bedrag. </al><al>De gemeenteraad kan besluiten naar beneden af te wijken van het door de minister
                    vastgestelde maximum. Daarvoor is in deze verordening niet gekozen. </al><al>Het bedrag voor de vergoeding van de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt
                    jaarlijks per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer CAO-lonen
                    overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig, omdat in
                    de verordening in algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding gelijk is aan
                    het door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al><vet>Artikelen 3 en 17 Vaste onkostenvergoeding</vet></al><al>In deze artikelen is de vaste vergoeding geregeld voor de aan het ambt van
                    wethouder dan wel aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. Tevens is
                            <vet><cursief>in de artikelen 5</cursief></vet><vet><cursief>en
                            18</cursief></vet> aangegeven uit welke kostencomponenten de vergoeding
                    is opgebouwd. Sedert 1 januari 2001 zitten daarin niet langer de kostensoorten
                    fax/pc en cursussen en congressen. Daarvoor zijn vanaf deze datum specifieke
                    voorzieningen getroffen. Verwezen kan worden naar de artikelen 9, 12, 22 en 23. </al><al>De vaste onkostenvergoeding kan sinds 1 januari 2001 niet meer onbelast worden
                    verstrekt. Om netto het bedrag van de vaste onkostenvergoeding gelijk te houden,
                    is het bedrag gebruteerd tegen het belastingtarief van 52%. Deze brutering heeft
                    echter geen betrekking op raadsleden die niet hebben geopteerd voor het
                    loonbelastingregime. Voor hen blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk
                    gemaakte kosten op het resultaat uit onderneming bestaan. Zij ontvangen de vaste
                    onkostenvergoeding zonder brutering. </al><al>Voor zover zij de uitgaven daaruit kunnen onderbouwen, blijft de raadsvergoeding
                    onbelast. Wat niet kan worden aangetoond, zal alsnog worden belast bij de
                    aangifte inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de onkostenvergoeding wordt bij deze gemeentelijke verordening
                    bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en raadsleden het
                    maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de artikelen 3 en 18 is
                    de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het maximale bedrag. </al><al>Het bedrag van de onkostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1
                    januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor is in de
                    gemeente geen nadere besluitvorming nodig, omdat in de verordening in algemene
                    zin wordt aangegeven of de onkostenvergoeding gelijk is aan het door de minister
                    te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al><vet>Artikelen 6 en 7 Reis- en verblijfkosten raadsleden</vet></al><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor woon-werkverkeer voor
                    raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet dat
                    raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor reizen binnen het
                    grondgebied van de gemeente. Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads-
                    en commissieleden wel in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor
                    reizen buiten het grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing
                    van het gemeentebestuur.</al><al>Aan een door de raad benoemd burgerlid van een raadscommissie kan krachtens
                    artikel 96, eerste lid van de Gemeentewet, echter wel een vergoeding worden
                    gegeven voor de reis- en verblijfkosten in verband met reizen binnen de
                    gemeente. Gelet op de betrekkelijk geringe omvang van het Capelse grondgebied is
                    in deze verordening een dergelijke vergoeding niet opgenomen.</al><al>In de verordening is voor wat betreft de hoogte van de vergoedingen aansluiting
                    gezocht bij de vergoedingen uit de Regeling rechtspositie wethouders die in
                    januari 2004 is ingevoerd.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten
                    worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als
                    aftrekbare beroepskosten worden opgevoerd.</al><al> Vergoed kunnen worden de kosten van openbaar vervoer of bij gebruik van eigen
                    vervoermiddelen een kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt.
                    De hoogte van de kilometervergoeding wordt vastgesteld door de minister van
                    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Wijzigingen in de hoogte van de
                    kilometervergoeding worden door middel van een circulaire aan het college van
                    burgemeester en wethouders meegedeeld. In 2006 was dit bedrag € 0,28 bij gebruik
                    van de eigen auto. De vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is
                    onbelast. De kilometervergoeding is voor </al><al>€ 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte vervoermiddel. </al><al><vet>Artikelen 9 en 22 Cursus, congres, seminar of symposium</vet></al><al>Zoals in het vorenstaande al is aangeven, is deze voorziening in de
                    bedrijfsvoering gebracht en komen de kosten hiervoor rechtstreeks voor rekening
                    van de gemeente. Onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen en
                    dergelijke die door of vanwege de gemeente in het gemeentelijk belang zijn
                    georganiseerd en cursussen, congressen en dergelijke waaraan het individuele
                    raadslid in verband met de vervulling van het raadslidmaatschap op eigen
                    initiatief deelneemt. In dat laatste geval zijn aanvullende voorwaarden gesteld
                    (inhoudelijke informatie over de cursus of het congres en een
                    kostenspecificatie). Raadsleden dienen een aanvraag in bij de voorzitter van de
                    fractie. </al><al>Collegeleden dienen de aanvraag bij de gemeentesecretaris in. De toetsing kan
                    marginaal zijn in verband met de maximering van de vergoedingen. In geval van
                    twijfel of de aanvraag voldoet aan de bepalingen uit dit artikel kan de
                    gemeentesecretaris zich tot het college wenden.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen en congressen hebben een zakelijk
                    karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de vergoeding dan wel
                    verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al><vet>Artikelen 12, 23 en 29 Computer</vet></al><al>In de Verordening kostenvergoedingen lokaal bestuur 2001 is vastgelegd dat aan
                    wethouders en raadsleden ten behoeve van de uitoefening van het ambt van
                    wethouder respectievelijk het raadslidmaatschap</al><al>ICT-voorzieningen door de gemeente in bruikleen worden verstrekt. In deze
                    verordening is vastgelegd dat aan de wethouders, raadsleden en burgerraadsleden
                    zowel een laptop als een printer in bruikleen wordt gegeven. </al><al>De printer kan tevens dienst doen als scanner en fax. Voor opslag, het opvragen
                    en/of uitwisselen van data en informatie kan gebruik worden gemaakt van het
                    netwerk van de gemeente. </al><al>Op aanvraag kan een ADSL-verbinding worden geleverd. Sinds januari 2005 eist de
                    belastingdienst dat een computer en bijbehorende apparatuur alleen onbelast ter
                    beschikking mag worden gesteld indien de apparatuur voor 90% of meer zakelijk
                    wordt gebruikt. Wordt de computer en bijbehorende voorzieningen voor meer dan
                    10% privé gebruikt, dan dient de vergoeding als loon te worden aangemerkt.
                    Gedurende een periode van drie jaar dient in die situatie 30% van de
                    aanschafwaarde tot het loon te worden gerekend. In dit verband is in de
                    bruikleenovereenkomst opgenomen dat de in bruikleen gegeven voorzieningen voor
                    meer dan 90% voor het ambt van wethouder dan wel het raadslidmaatschap dienen te
                    worden gebruikt. Vergelijkbare spelregels zijn toepassing op de van gemeentewege
                    verstrekte ADSL-verbinding.</al><al><vet>Artikelen 13 en 25 Spaarloonregeling</vet></al><al>Een raadslid dat heeft gekozen voor deelname aan de opting-in regeling kan
                    deelnemen aan de Spaarloonregeling zoals deze geldt voor de medewerkers van de
                    gemeente. Deze keuze kan niet worden gemaakt indien het raadslid heeft gekozen
                    voor deelname aan de Levensloopregeling.</al><al>Een wethouder is een werknemer en kan dientengevolge gebruikmaken van de
                    Spaarloonregeling dan wel de Levensloopregeling. Wanneer de wethouder
                    gebruikmaakt van de gemeentelijke levensloopregeling is het niet toegestaan een
                    levensloopbijdrage ten laste van de gemeente te verstrekken. De opbouw van de
                    levensloopvoorziening mag uitsluitend ten laste van de wethouderswedde
                    plaatsvinden. Aangezien wethouders geen verlofregeling kennen, is het slechts
                    mogelijk dat de opgebouwde voorziening bij de beëindiging van het wethouderschap
                    wordt meegenomen naar een volgende werkgever of dat uitbetaling ineens
                    plaatsvindt.</al><al>Artikel 13a en 25a Fietsregeling</al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en wethouders
                    kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om een
                    rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor werknemers.
                    Het is niet mogelijk een ‘werkgeversbijdrage’ te verstrekken. Afhankelijk van de
                    kostprijs van de fiets bedraagt de vermindering ten hoogste het bedrag dat in
                    artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is vastgelegd.</al><al><vet>Artikel 14 Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                        arbeidsongeschiktheid</vet></al><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is aangegeven
                    dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking dient te vormen. Om
                    deze reden moeten drempels om raadslid te worden of te blijven worden
                    weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe dat, indien een persoon
                    inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal leiden tot verlaging of
                    intrekking van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een
                    dergelijke uitkering is bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid
                    ontstane verlies aan verdienvermogen te vergoeden. Voor raads- en commissieleden
                    kan dit ertoe leiden dat een geringe verhoging van het inkomen door een raads-
                    of commissievergoeding een grote teruggang betekent voor de hoogte van de
                    wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                    anticumulatieregeling. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van
                    een raads- of commissiezetel of bij verhoging van de vergoeding voor de
                    werkzaamheden. Op grond van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                    kunnen gemeenten hiervoor een voorziening treffen. </al><al>Deze is te vinden in artikel 14 van de verordening. Daarin is geregeld dat op
                    aanvraag een raadslid een lagere vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven
                    om te voorkomen dat de anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de
                    wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al><al><vet>Artikel 15 Compensatie korting werkloosheidsuitkering</vet></al><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment dat
                    iemand die een werkloosheidsuitkering op grond van deze wet ontvangt, nieuwe
                    werkzaamheden aanvangt, de WW-uitkering wordt gekort met het aantal uren dat in
                    de nieuwe functie wordt gewerkt. </al><al>Het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke
                    bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij niet
                    relevant. Indien iemand derhalve tot raadslid wordt gekozen, zal de WW-uitkering
                    worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV voor het raadslidmaatschap in
                    aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de WW-uitkering groter is dan de
                    vergoeding voor de werkzaamheden zal er een negatief inkomenseffect optreden.
                    Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt gemeenten de
                    mogelijkheid dit nadeel te compenseren. Dit is geregeld in artikel 12 van de
                    verordening.</al><al><vet>Artikel 16 Vergoeding voor waarneming voorzitterschap door de
                        gemeenteraad</vet></al><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van de
                    gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester wordt
                    waargenomen door het langstzittende raadslid. </al><al>De gemeenteraad kan ook een ander raadslid met de waarneming van het
                    voorzitterschap belasten. </al><al>In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is in
                    artikel 16 van de verordening geregeld dat bij een onafgebroken waarneming van
                    meer dan 30 dagen het betreffende raadslid over de tijd van waarneming recht
                    heeft op een toeslag van 8% van de vergoeding voor de werkzaamheden en van de
                    vaste onkostenvergoeding.</al><al>Artikel 16a Ziektekostenvoorziening</al><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap of de
                    status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en onkostenvergoeding een
                    inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald van 4,4%.</al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt deze door
                    de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de inkomstenbelasting. Na
                    afloop van het belastingjaar zal aan de hand van de vaststelling van het maximum
                    inkomen waarover de bijdrage wordt geheven (dus alle belastbare inkomsten die in
                    welke hoedanigheid dan ook zijn ontvangen) worden vastgesteld of te veel is
                    ingehouden resp. betaald. In dat geval zal dat door de Belastingdienst worden
                    terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen van 4,4%.</al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van artikel 11
                    van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                    tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden bepaald. Deze
                    tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand gekomen op verzoek van
                    een groot aantal gemeenten als reactie op de inhouding van de
                    inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto raadsvergoeding vermindert. De
                    tegemoetkoming kan worden gezien als een compensatie hiervoor.</al><al>Artikel 16b Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling
                    of ziekte</al><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en bevalling
                    dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is opgenomen in de
                    Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk ontslagen wordt. In de
                    vacature wordt voorzien door de tijdelijke benoeming van de vervanger. Er is
                    steeds sprake van een vaste periode van 16 weken. Door zowel het tijdelijk
                    ontslag, de tijdelijke benoeming en de vaste periode van vervanging is het niet
                    nodig dat tussen beiden een afspraak wordt gemaakt over de duur van de
                    vervanging. Het is hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16
                    weken het raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                    nog even voort te laten duren, tenzij opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een
                    tijdelijk ontslag. Bij inwilliging van dat verzoek, is opnieuw sprake van een
                    periode van 16 weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden opgenomen
                    waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van ingang en
                    beëindiging van de vervanging. De verklaring van een verloskundige dan wel
                    behandelend arts is bepalend voor de aanvang van de vervanging. De benoeming van
                    de vervanger kan later plaatsvinden, maar wijzigt het tijdstip van het einde van
                    het tijdelijk ontslag niet. De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn
                    dan 16 weken. Na afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of
                    besluit de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                    raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                    rechtspositionele aspecten daarvan.</al><al><vet>Artikel 19 Zakelijke reiskosten</vet></al><al>Ingevolge artikel 19 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                    openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                    gemaakt). Indien gebruik wordt gemaakt van de eigen personenauto voor reizen
                    buiten de gemeente dan wel binnen de gemeente, geldt, indien wordt gekozen voor
                    declaraties in 2006 </al><al>€ 0,28 per afgelegde kilometer. De kilometervergoeding is, voor zover deze meer
                    bedraagt dan € 0,19, belast. Voor reizen binnen de gemeente kan de wethouder
                    naast een systeem van declaraties ook kiezen voor een vast bedrag per
                    maand.</al><al><vet>Artikel 21 Buitenlandse dienstreis</vet></al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijke belang kunnen aan de
                    wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten worden
                    vergoed. De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit
                    buitenland zijn daarbij richtsnoer. In deze artikelen zijn tevens bepalingen
                    opgenomen over de expliciete besluitvorming in het college van burgemeester en
                    wethouders over zaken met een buitenlandse dienstreis samenhangend. zoals de
                    rekening en verantwoording achteraf (zowel inhoudelijk als financieel) en het
                    meereizen van de partner.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk belang
                    excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de gemeenteraad expliciet
                    toestemming verlenen. De reis of excursie wordt in alle gevallen door of vanwege
                    de gemeente georganiseerd. </al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt dat de
                    vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische verkeer bij de
                    aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de
                    gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten
                    kunnen worden opgevoerd.</al><al><vet>Artikel 24 Mobiele telefoon</vet></al><al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de wethouder voor overwegend zakelijk
                    gebruik (90% of meer) overeenkomstig hetgeen daarover in artikel 40 van de
                    Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is bepaald, belastingvrij een mobiele
                    telefoon als tweede telefoon om niet ter beschikking worden gesteld. De vraag of
                    er sprake is van een eerste of een tweede telefoon moet worden beantwoord vanuit
                    de positie van de werknemer. Als de werknemer thuis privé al een abonnement op
                    een telefoonaansluiting heeft en de gemeente verstrekt daarnaast bijvoorbeeld
                    een mobiele telefoon, dan kan de mobiele telefoon als tweede telefoon worden
                    beschouwd. De abonnementskosten en de (zakelijke) gesprekskosten komen dan voor
                    rekening van de gemeente. De nadere voorwaarden zijn geregeld in de
                    bruikleenovereenkomst die de wethouder met de gemeente sluit. Het model van deze
                    overeenkomst is door het college vastgesteld. </al><al>Het verdient aanbeveling in de bruikleenovereenkomst de voorwaarde op te nemen
                    dat de telefoon uitsluitend gebruikt mag worden ten behoeve van zakelijk
                    verkeer.</al><al><vet>Artikel 26 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</vet></al><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten de
                    gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet
                    in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te
                    gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 26 is
                    geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen voor een
                    verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten
                    in afwachting van verhuizing. De vergoedingen zijn onbelast.</al><al><vet>Artikel 27 Vergoeding voor het bijwonen van
                    commissievergaderingen</vet></al><al>In dit artikel is het presentiegeld voor de burgerraadsleden in de
                    raadscommissies geregeld. </al><al>Voor de wethouders en de raadsleden geldt dat hun vergoeding is geregeld in de
                    rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening. Dit artikel geldt
                    uitdrukkelijk evenmin voor de door de gemeente ingestelde commissies die niet
                    kunnen worden aangemerkt als een raadscommissie, zoals de commissie voor de
                    bezwaar- en beroepschriften, de Monumentencommissie, de Welstandscommissie et
                    cetera. </al><al>Op 28 maart 2006 heeft het college een besluit over hun vergoeding genomen.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel
                    is in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden het maximale bedrag van
                    de vergoeding voor de werkzaamheden aangegeven. </al><al>In artikel 33, eerste lid is de hoogte van de vergoeding bepaald op het maximale
                    bedrag. Het bedrag van het presentiegeld is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per
                    1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer </al><al>CAO-lonen overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig
                    omdat in de verordening in algemene zin is aangegeven of de raadsvergoeding
                    gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage
                    daarvan.</al><al><vet>Artikelen 30 tot en met 32 De procedure van declaratie</vet></al><al>In artikel 30 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. In de artikelen 31 en
                    32 is vervolgens aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde
                    is en welke procedurevoorschriften in acht genomen moeten worden.</al><al><vet><cursief>Declaratie van vooruit betaalde kosten</cursief></vet></al><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van wethouders.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</cursief></vet></al><al>Rekeningen kunnen rechtstreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht in de
                    volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door raadsleden
                            en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders;</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten;</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                            wethouders.</al></li></lijst><al><vet>Artikelen 33 tot en met 35 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>Gekozen is voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht van de gewijzigde
                    bepalingen tot </al><al>1 januari 2008. </al><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders ook de
                    (ministeriële) </al><al>Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met deze gehanteerde benaming is
                    gekozen voor een nieuwe naam van de verordening: Verordening rechtspositie
                    wethouders, raads- en commissieleden 2008.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>