<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR27011_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Almere</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Geen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-11-06</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-12-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-12-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet><cursief>Begripsomschrijvingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de toepassing van deze regeling en de
                        uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld
                        om in openbare dienst werkzaam te zijn</al><al>alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is
                        aangegaan;</al><al><vet>b. </vet>betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar
                        is te verrichten;</al><al><vet>c. </vet>pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die
                        gold tot en met 31 december 1995;</al><al><vet>d. </vet>pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van
                        de Stichting Pensioenfonds ABP;</al><al><vet>e. </vet>arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren
                        in een bepaalde periode gedurende welke</al><al>door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;</al><al><vet>f. </vet>arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de
                        ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;</al><al><vet>g. </vet>formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de
                        aanstelling;</al><al><vet>h. </vet>feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor
                        de ambtenaar voor een bepaalde week is</al><al>vastgesteld;</al><al><vet>i. </vet>seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking
                        komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5</al><al>geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de
                        aanstelling;</al><al><vet>j. </vet>arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele
                        arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor</al><al>feestdagen;</al><al><vet>k. </vet>volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur
                        per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de</al><al>formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;</al><al><vet>l. </vet>overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht
                        verricht buiten de feitelijke arbeidsduur</al><al>per week;</al><al><vet>m.</vet>werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet
                        verrichten;</al><al><vet>n. </vet>werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende
                        welke door de ambtenaar arbeid moet</al><al>worden verricht;</al><al><vet>o. </vet>uurloon: 1/156 gedeelte van het - zo nodig naar een volledige
                        betrekking herberekende - salaris van de</al><al>ambtenaar per maand;</al><al><vet>p. </vet>Zvw: de Zorgverzekeringswet;</al><al><vet>q. </vet>CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector
                        gemeenten;</al><al><vet>r. </vet>UWO: Uitwerkingsovereenkomst;</al><al><vet>s. </vet>functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt
                        toegekend op grond van buitengewone</al><al>bekwaamheid, geschiktheid en ijver;</al><al><vet>t. </vet>waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de
                        ambtenaar die ingevolge hem daartoe</al><al>door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere
                        betrekking waarneemt, indien voor die</al><al>betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking;</al><al><vet>u. </vet>LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden;</al><al><vet>v. </vet>WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al><al><vet>w. </vet>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel
                        18, eerste lid, van de WAO;</al><al><vet>x. </vet>WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;</al><al><vet>y. </vet>WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;</al><al><vet>z. </vet>IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig
                        arbeidsongeschikten;</al><al><vet>aa.</vet>IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame
                        arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;</al><al><vet>ab.</vet>WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk
                        arbeidsgeschikten;</al><al><vet>ac.</vet>WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk
                        arbeidsgeschikten op grond van de WIA;</al><al><vet>ad.</vet>WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong
                        gehandicapten;</al><al><vet>ae.</vet>WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;</al><al><vet>af.</vet>Waz: Wet arbeid en zorg</al><al><vet>ag.</vet>SUWI: de Wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en
                        Inkomen;</al><al><vet>ah.</vet>uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld
                        in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet</al><al>sociale verzekeringen 1997;</al><al><vet>ai. </vet>pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP;</al><al><vet>aj.</vet>WPA: de Wet privatisering ABP;</al><al><vet>ak.</vet>FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld
                        in artikel 2 van de Centrale</al><al>Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;</al><al><vet>al. </vet>FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement
                        zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van</al><al>de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;</al><al><vet>am. </vet>deeltijdbetreking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per
                        jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de</al><al>formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt;</al><al><vet>an.</vet>ZW: de Ziektewet;</al><al><vet>ao.</vet>ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;</al><al><vet>ap.</vet>UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als
                        bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.</al><al><vet>2. </vet>Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten
                        en bedrijven door de gemeente beheerd.</al><al><vet><cursief>Geen ambtenaar</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:2</vet></al><al>1.Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt
                        niet als ambtenaar beschouwd:</al><al><vet>a. </vet>hij die anders dan bij wijze van beroep werkzaam is bij de
                        gemeentelijke brandweer;</al><al><vet>b. </vet>het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar
                        onderwijs;</al><al><vet>c. </vet>het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van
                        openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden</al><al>zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;</al><al><vet>d. </vet>de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als
                        zodanig;</al><al><vet>e. </vet>de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231,
                        tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de</al><al>Gemeentewet;</al><al><vet>f. </vet>de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is
                        benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der</al><al>gemeentelijke belastingen;</al><al><vet>g. </vet>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder
                        opsporingsbevoegdheid;</al><al><vet>h. </vet>de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met
                        opsporingsbevoegdheid;</al><al><vet>i. </vet>hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en
                        op grond daarvan op basis van een</al><al>arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de
                        geïndiceerde die werkzaam is bij</al><al>de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de
                        Wet sociale werkvoorziening.</al><al>2.Voor toepassing van onderdeel g of h van het eerste lid is, afhankelijk
                        van de lokale</al><al>bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de
                        ondernemingsraad, overeenstemming vereist</al><al>in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de
                        ondernemingsraad.</al><al><vet>Artikel 1:2:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar
                        burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1,</al><al>7:24, 7:25, 7:25a, 7:25b, 7:29, 7:29:1 en de hoofdstukken 17 en 18 niet van
                        toepassing.</al><al><vet>2. </vet>Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve
                        van een wetenschappelijke of praktische</al><al>opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10a, 11a en 17 niet van
                        toepassing.</al><al><vet>3. </vet>Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de
                        hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.</al><al><vet>4. </vet>Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                        werkzaamheden in het kader van een door de</al><al>overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                        tewerkstelling de opneming in het</al><al>arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer
                        bepaalde groepen van werklozen, zijn</al><al>de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.</al><al><vet><cursief>Leer-werkbaan</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:2:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan
                        aanbieden.</al><al><vet>2. </vet>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij
                        die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal</al><al>3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.</al><al><vet>3. </vet>De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en
                        ten hoogste zes maanden, waarin de</al><al>werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college
                        aangewezen plaats werkervaring kan</al><al>opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als
                        ambtenaar.</al><al><vet>4. </vet>Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate
                        begeleiding van de werkzoekende.</al><al><vet>5. </vet>Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen
                        is kan het college de werkzoekende aansluitend</al><al>in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf
                        jaar.</al><al><vet>6. </vet>De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt
                        bezoldigd overeenkomstig schaal 1.</al><al><vet>7. </vet>Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor
                        adequate begeleiding van de werkzoekende en</al><al>vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente.</al><al><vet>8. </vet>Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de
                        CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de</al><al>hoofdstukken 3, 10a, 11a en 17.</al><al><vet><cursief>Instapplan</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:2:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een
                        instapplan de mogelijkheid geven om</al><al>werkervaring te verkrijgen.</al><al><vet>2. </vet>Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij
                        die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal</al><al>3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.</al><al><vet>3. </vet>In het kader van het instapplan biedt het college de
                        werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten</al><al>hoogste een half jaar.</al><al><vet><cursief>Toepassing</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst
                        vinden ten aanzien van ambtenaren,</al><al>omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld,
                        slechts toepassing, voor zover bij of</al><al>krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.</al><al><vet>2. </vet>Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze
                        regeling en de uitwerkingsovereenkomst of</al><al>van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen
                        worden uitgesloten. Het</al><al>voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met
                        redenen omkleed - gemeld bij</al><al>het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen
                        aanleiding zijn te besluiten tot een</al><al>verdere handelwijze.</al><al><vet>3. </vet>Het college kan bijlage IV van toepassing verklaren op de
                        ambtenaar behorend tot het onderwijzend</al><al>personeel in de Kunstzinnige vorming, als bedoeld in artikel 1 onder punt d
                        van deze bijlage. Over de</al><al>invoering van bijlage IV dient overeenstemming te bestaan in de commissie
                        voor georganiseerd overleg.</al><al><vet>Artikel 1:3:1</vet></al><al>Het college kan bijlage V van toepassing verklaren op de ambtenaar behorend
                        tot het onderwijzend personeel in</al><al>de Kunstzinnige vorming, als bedoeld in artikel 1 onder punt d van bijlage
                        IV van de CAR. Over de invoering</al><al>van bijlage V dient overeenstemming te bestaan in de commissie voor
                        georganiseerd overleg.</al><al><vet>Artikel 1:3a</vet></al><al>Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de
                        griffie werkzame ambtenaren is de</al><al>raad bevoegd.</al><al><vet><cursief>Voorschriften en instructies</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:4:1</vet></al><al>Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien
                        zulks naar het oordeel van het</al><al>college nodig of wenselijk is:</al><al><vet>a. </vet>bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de
                        bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve</al><al>van het functioneren van de dienst;</al><al><vet>b. </vet>instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de
                        vervulling daarvan te volgen werkwijzen.</al><al><vet><cursief>Uitreiking van CAR en UWO</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:4:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van
                        deze regeling, van de wijzigingen daarvan</al><al>en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de
                        Ambtenarenwet zijn of worden</al><al>getroffen.</al><al><vet>2. </vet>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de
                        in het vorige lid bedoelde stukken:</al><al><vet>a. </vet>de centrales van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot
                        het LOGA met het College voor</al><al>Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;</al><al><vet>b. </vet>de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van
                        gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten</al><al>zijn bij de onder a aangeduide centrales;</al><al><vet>c. </vet>de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;</al><al><vet>d. </vet>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                        aanmerking komt.</al><al><vet>Artikel 1:4:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van
                        de voor hem geldende schriftelijke regels,</al><al>welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van
                        deze regeling of welke hij bij de</al><al>vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels
                        op een voor hem gemakkelijk</al><al>toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al><al><vet>2. </vet>Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als
                        bedoeld in het eerste lid heeft na te leven,</al><al>worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.</al><al><vet><cursief>Voordragen van belangen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:4:4</vet></al><al>De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van
                        dienst en bij het tot aanstelling</al><al>bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.</al><al><vet><cursief>Omvang van de betrekking</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:5</vet></al><al>Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de
                        betrekking, worden deze tot op</al><al>twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare
                        afbreekregel gehanteerd.</al><al><vet><cursief>Vrijstelling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1:6</vet></al><al><vet>1. </vet>In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere
                        gevallen voor nader te bepalen hogere functies</al><al>een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4,
                        alsmede dat voor bedoelde</al><al>functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in
                        de hoofdstukken 8 en 10d.</al><al>In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt
                        over de criteria voor</al><al>de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen
                        commissie voor georganiseerd</al><al>overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze
                        regeling gevoerd bij het opstellen</al><al>van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het
                        overeenstemmingsvereiste van</al><al>toepassing is.</al><al><vet>2. </vet>De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van
                        toepassing worden verklaard op ambtenaren</al><al>in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard
                        uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten</al><al>in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de
                        betrokken ambtenaar in verregaande</al><al>mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de
                        werkzaamheden.</al><al><vet>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</vet></al><al><vet><cursief>Aanstelling: het bevoegd gezag</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:1</vet></al><al>Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald,
                        geschiedt de aanstelling door het college.</al><al><vet><cursief>Aanstelling: onderzoek naar bekwaamheid en
                                geschiktheid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie -
                        na een daartoe door of vanwege het tot</al><al>aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden
                        aangenomen, dat hij in voldoende</al><al>mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te
                        dragen werkzaamheden.</al><al><vet>2. </vet>Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid
                        van de gegevens, ontvangen op grond van het</al><al>in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt
                        gegarandeerd.</al><al><vet>3. </vet>Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat
                        betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent</al><al>het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de
                        verklaringen omtrent het gedrag.</al><al><vet>4. </vet>De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000
                        kan slechts voor een aanstelling in</al><al>aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning
                        tenzij hij van deze verplichting is</al><al>uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.</al><al><vet><cursief>Aanstelling: geneeskundig onderzoek</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Onverminderd artikel 2:2, kan het college bepalen dat voor
                        bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van</al><al>de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten
                        worden gesteld, aanstelling</al><al>alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen
                        betrekking, waaruit blijkt</al><al>dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren
                        bestaan. Het geneeskundig</al><al>onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door
                        het college.</al><al><vet>2. </vet>De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van
                        de gemeente.</al><al><vet><cursief>Duur van de aanstelling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk</al><al><vet>2. </vet>Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36
                        maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming</al><al>van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag
                        als vaste aanstelling.</al><al><vet>3. </vet>Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke
                        aanstelling wordt aangegaan voor een project</al><al>met een eenmalig en uniek karakter.</al><al><vet>4. </vet>In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke
                        aanstelling die is aangegaan voor vervulling van</al><al>de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden,
                        eventuele verlengingen daarin</al><al>begrepen.</al><al><vet>5. </vet>Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer
                        tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen</al><al>van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36
                        maanden, die tussenpozen</al><al>inbegrepen, overschrijden.</al><al><vet>6. </vet>Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar
                        hebben opgevolgd met tussenpozen van niet</al><al>meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste
                        aanstelling.</al><al><vet><cursief>Bericht van aanstelling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:4:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het
                        bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:</al><al><vet>a. </vet>de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot
                        en met j, van de wet van 2 december 1993</al><al>(Stb. 1993, 635);</al><al><vet>b. </vet>de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar;</al><al><vet>c. </vet>de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:</al><al><vet>- </vet>i. in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;</al><al><vet>- </vet>ii. voor vervulling van een betrekking bij wijze van
                        proef;</al><al><vet>- </vet>iii. voor een project met een eenmalig en uniek karakter;</al><al><vet>- </vet>iv. hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of
                        praktische opleiding of vorming;</al><al><vet>- </vet>v. als vakantiekracht;</al><al><vet>- </vet>vi. voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een
                        door de overheid getroffen regeling,</al><al>die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in
                        het arbeidsproces te</al><al>bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                        werklozen;</al><al><vet>- </vet>vii.#als werkzoekende in tijdelijke dienst.</al><al><vet>2. </vet>Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de
                        ambtenaar kosteloos meegedeeld.</al><al><vet>3. </vet>De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van
                        de wet van 2 december 1993 geschiedt</al><al>kosteloos.</al><al><vet><cursief>Vacatures</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:4:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het
                        personeel van de gemeente, tenzij naar het</al><al>oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang
                        zich daartegen verzet.</al><al><vet>2. </vet>Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van
                        overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering</al><al>krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.</al><al><vet><cursief>Arbeidsovereenkomst</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Door het college kan met een persoon slechts een
                        arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden</al><al>aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard
                        en omvang wisselend karakter.</al><al><vet>2. </vet>De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in
                        tweevoud opgemaakt en door beide partijen</al><al>ondertekend.</al><al><vet>1. </vet>Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige
                        toepassing op de persoon met wie een</al><al>arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.</al><al><vet>Artikel 2:5:1</vet></al><al>Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de
                        artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al><vet><cursief>Minimum-urengarantie bij oproepkrachten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:5:2</vet></al><al>De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum
                        van 2 uur gegarandeerd en</al><al>op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De
                        middeling van gewerkte uren vindt per</al><al>kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of
                        minder uren wordt gewerkt.</al><al><vet><cursief>Inhoud oproepovereenkomst</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:5:3</vet></al><al>De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:</al><al><vet>a. </vet>de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen
                        die een beroep op de arbeid van de</al><al>oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de
                        oproepkracht aan te bieden;</al><al><vet>b. </vet>de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden -
                        na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;</al><al><vet>c. </vet>een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de
                        aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan</al><al>de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de
                        omvang van de werkzaamheden</al><al>zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;</al><al><vet>d. </vet>de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te
                        vermelden, waarbinnen de werkzaamheden</al><al>kunnen worden verricht;</al><al><vet>e. </vet>een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de
                        oproepkracht worden geweigerd, indien de</al><al>afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang
                        van de feitelijke werkzaamheden</al><al>aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt
                        zonder de termijn van twaalf uur</al><al>in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de
                        werkzaamheden feitelijk vervuld.</al><al>Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te
                        nemen, maakt de oproepkracht zich</al><al>schuldig aan plichtsverzuim;</al><al><vet>f. </vet>indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet
                        heeft gewerkt, terwijl de werkgever de</al><al>oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft
                        opgeroepen, en de oproepkracht alsdan</al><al>niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde
                        omstandigheid gelden als grond voor</al><al>ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.</al><al><vet><cursief>Bezoldiging en betaling bij ziekte van de
                                oproepkracht</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:5:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht
                        te baseren op de minimum afspraken zoals</al><al>geformuleerd in artikel 2:5:2.</al><al><vet>2. </vet>De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen
                        de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een</al><al>bezoldiging per uur.</al><al><vet>3. </vet>Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering
                        ingevolge hoofdstuk 7, wordt als</al><al>berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld
                        is genoten gedurende het</al><al>kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan.
                        Ingeval het arbeidspatroon in</al><al>bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon
                        in een voorafgaand kwartaal,</al><al>wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een
                        kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft</al><al>van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.</al><al><vet><cursief>Overgangsrecht</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001
                        voldoen aan de voorwaarden van artikel</al><al>2:4, wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of
                        arbeidsovereenkomst wordt</al><al>aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden.</al><al><vet>2. </vet>Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor
                        1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001</al><al>doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst
                        de bepalingen van toepassing,</al><al>zoals deze luidden voor 1 juli 2001.</al><al><vet>3. </vet>Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de
                        bepalingen van artikel 2:5, eerste lid, onder a,</al><al>b of c, en artikel 2:5:2, onder b, juncto artikel 2:5, eerste lid, onder e,
                        zoals deze luidden voor 1 juli 2001,</al><al>worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting
                        ontvangt betrokkene kosteloos</al><al>bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel
                        2:4:1.</al><al><vet>4. </vet>Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van
                        werkzaamheden van een in aard en omvang</al><al>wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de
                        werking van hoofdstuk 2, zoals dat</al><al>per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2.</al><al><vet><cursief>Aanpassing arbeidsduur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:7</vet></al><al><vet>1. </vet>Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon
                        die is aangesteld als ambtenaar of met</al><al>wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur
                        per week te verminderen, tenzij</al><al>zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.</al><al><vet>2. </vet>Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon
                        die is aangesteld als ambtenaar of met</al><al>wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht op de formele
                        arbeidsduur per week te uit te breiden tot</al><al>het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs-
                        of dienstbelangen zich hiertegen</al><al>verzetten.</al><al><vet>3. </vet>Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid
                        ten aanzien van personen die werkzaam zijn in</al><al>het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot
                        een verlies van subsidie.</al><al><vet>Artikel 2:7a</vet></al><al><vet>1. </vet>Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een
                        ambtenaar die is aangesteld voor een formele</al><al>arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per
                        week.</al><al><vet>2. </vet>Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:</al><al><vet>- </vet>de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een
                        vooraf te bepalen periode;</al><al><vet>- </vet>het salaris evenredig wordt verhoogd;</al><al><vet>- </vet>de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;</al><al><vet>- </vet>de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;</al><al><vet>- </vet>de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3, tweede
                        lid, onder a, evenredig wordt verhoogd;</al><al><vet>- </vet>de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6,
                        eerste lid, evenredig wordt verhoogd;</al><al><vet>- </vet>instemming van de ambtenaar is vereist;</al><al><vet>- </vet>artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing
                        is.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt
                        het college dit vooraf aan de OR.</al><al><vet>4. </vet>Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag
                        over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid</al><al>van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter
                        bespreking voorgelegd aan de OR.</al><al><vet><cursief>Aanstelling na 65 jaar</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 2:8</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet>3 Salaris en vergoedingsregelingen</vet></al><al><vet><cursief>Bezoldiging</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar
                        binnen het kader van een lokaal vast te stellen</al><al>bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend.</al><al><vet>2. </vet>In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen
                        gebruikt:</al><al><vet>a. </vet>schaal: voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen
                        tezamen ter bepaling van het salaris geldende</al><al>opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke
                        gelden ter verhoging van</al><al>het salaris als gevolg van diensttijduitloop;</al><al><vet>b. </vet>salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is
                        toegekend of, indien voor de betrekking een</al><al>vast bedrag geldt, dit bedrag;</al><al><vet>c. </vet>bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de
                        aan de ambtenaar toegekende emolumenten</al><al>en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het
                        eerste lid bedoelde regeling,</al><al>alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de
                        waarnemingstoelage.</al><al><vet>3. </vet>Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken
                        deel uit bijlage II en IIa van de CAR.</al><al><vet>a. </vet>Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het
                        tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing</al><al>op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond
                        van deze bijlage, tenzij op</al><al>grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem
                        van toepassing is.</al><al><vet>b. </vet>Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen,
                        bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is</al><al>van toepassing op:</al><al><vet>- </vet>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt
                        in de zin van de CAR, zonder direct</al><al>daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld
                        en</al><al><vet>- </vet>de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in
                        de zin van de CAR aanvaardt, direct</al><al>voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan
                        die nieuwe betrekking een</al><al>beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als
                        nieuw aangemerkt ingeval</al><al>een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg
                        van een wijziging in de</al><al>uit te voeren taken.</al><al><vet>4. </vet>Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het
                        vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling</al><al>nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt
                        ingevolge bijlage IIa van de</al><al>ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld
                        op grond van bijlage II.</al><al><vet>5. </vet>Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel
                        uit de afspraken:</al><al><vet>- </vet>dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II, die voor
                        1 april 1997 reeds het maximum heeft</al><al>bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op
                        een hogere schaal eerst per</al><al>1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van
                        dezelfde schaal ingevolge bijlage</al><al>IIa;</al><al><vet>- </vet>en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op
                        of na 1 april 1997 het maximum bereikt</al><al>van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere
                        schaal op de datum van</al><al>het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op
                        basis van het maximum van</al><al>dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa.</al><al><vet>6. </vet>Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele
                        arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand.</al><al><vet>7. </vet>Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar
                        of ouder in het kader van seniorenbeleid</al><al>aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met
                        een dienovereenkomstige</al><al>aanpassing van het salaris.</al><al><vet>8. </vet>Na de toepassing van artikel 7:16, tweede lid, kan de
                        ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een</al><al>passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met
                        dienovereenkomstige aanpassing van het</al><al>salaris.</al><al><vet>Artikel 3:1:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt
                        bepaald met inachtneming van de aard van de</al><al>betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in
                        aanmerking worden genomen</al><al>bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van
                        de dienst gebleken ter zake</al><al>van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts
                        kunnen in aanmerking worden</al><al>genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere
                        omstandigheden, voor zover deze naar het</al><al>oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het
                        dienstbelang en gelet op verhoudingen</al><al>binnen de dienst, van betekenis zijn.</al><al><vet>2. </vet>Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel
                        3:1 eerste lid, bedoelde regeling kan het college</al><al>nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid
                        bepaalde.</al><al><vet>3. </vet>Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling
                        niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling</al><al>van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling
                        geschiedt, kan het college nadere</al><al>regels stellen.</al><al><vet>4. </vet>Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn
                        verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking</al><al>te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd.</al><al><vet><cursief>Waarnemingstoelage</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:1:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het
                        college verstrekte opdracht volledig een</al><al>andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hogere
                        schaal geldt dan voor zijn</al><al>betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig
                        het bepaalde in het volgende</al><al>lid.</al><al><vet>2. </vet>De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt 8% van het
                        eigen salaris gedurende de periode van de</al><al>waarneming. De vergoeding tezamen met de bezoldiging bedraagt gedurende de
                        waarneming niet meer</al><al>dan de ambtenaar zou hebben ontvangen indien hij was ingeschaald in de bij
                        de waargenomen betrekking</al><al>behorende schaal, hoogste periodiek. Voor de ambtenaar wiens salaris hoger
                        is dan het maximum van een bij</al><al>besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen
                        schaal, bestaat eerst aanspraak op</al><al>deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes
                        weken ten minste twintig volle</al><al>werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen
                        waarop hij reeds waargenomen</al><al>heeft alsnog wordt uitbetaald.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het
                        college verstrekte opdracht volledig een andere</al><al>betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor
                        zijn betrekking gelden, ontvangt</al><al>-zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar
                        te nemen betrekking het bepaalde</al><al>in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat
                        artikel bedoelde regels.</al><al>Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming
                        ontvangt hij evenwel voor</al><al>de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten
                        minste een bedrag gelijk aan</al><al>de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1. Wordt achtereenvolgens en zonder
                        onderbreking meer dan een</al><al>betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als een geval van
                        waarneming.</al><al><vet>4. </vet>Geen vergoeding ingevolge het eerste en derde lid wordt
                        genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn</al><al>aanstelling een bijzondere regeling geldt.</al><al><vet>5. </vet>Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming
                        een naar zijn oordeel, gelet op de aard en de</al><al>omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de
                        duur en de wijze van de</al><al>waarneming, billijke vergoeding toe te kennen.</al><al><vet><cursief>Overwerkvergoeding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:2</vet></al><al>De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast
                        te stellen regeling wordt onder</al><al>meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de
                        mogelijkheid aanspraak te maken op een</al><al>vergoeding, bedoeld in de eerste volzin.</al><al><vet>Artikel 3:2:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof
                        gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk,</al><al>alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het
                        in het vijfde lid bepaalde.</al><al><vet>2. </vet>Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een
                        zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de</al><al>ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de
                        andere ambtenaren dit toelaten</al><al>wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de
                        eerste volzin - op een tijdstip dat de</al><al>ambtenaar wenst.</al><al><vet>3. </vet>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen
                        verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding</al><al>voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar,
                        worden omgezet in vakantie</al><al>als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige
                        volzin en het aantal vakantieuren,</al><al>bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uren bedragen.
                        Voor de ambtenaar die is</al><al>aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een
                        naar evenredigheid lager aantal</al><al>uren als maximum.</al><al><vet>4. </vet>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in
                        het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in</al><al>artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt
                        berekend overeenkomstig het</al><al>bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde
                        percentages worden vermeerderd</al><al>met 100.</al><al><vet>5. a. </vet>Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding
                        wordt voor elk van de in aanmerking komende</al><al>uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit
                        percentage bedraagt:</al><lijst><li nr="-"><al>100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur;</al></li><li nr="-"><al>75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur;</al></li><li nr="-"><al>75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur;</al></li><li nr="-"><al>50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag
                                tussen 0 en 6 uur;</al></li><li nr="-"><al>50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of
                                vrijdag tussen 20 en 24 uur;</al></li><li nr="-"><al>25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag
                                tussen 6 en 20 uur.</al></li></lijst><al><vet>b. </vet>Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1,
                        derde lid, en op de dag volgende op die</al><al>feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande,
                        onderscheidenlijk voor een</al><al>zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald.</al><al><vet>c. </vet>Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag,
                        een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1,</al><al>derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt
                        overwerk op die dag beschouwd</al><al>als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een
                        zondag, een feestdag, bedoeld in</al><al>artikel 4:2:1, derde lid, of een zaterdag.</al><al>Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het
                        college wenselijk is, een regeling</al><al>vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op
                        vorenbedoelde vrije dag,</al><al>ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag,
                        bedoeld in artikel 4:2:1,</al><al>derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van
                        80%.</al><al><vet>6. </vet>Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het
                        niveau van hun betrekking - geen aanspraak</al><al>hebben op vergoeding voor overwerk.</al><al>Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande
                        geen aanspraak heeft op</al><al>vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te
                        bepalen vergoeding toe te kennen,</al><al>indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of
                        omvang van het overwerk en de</al><al>onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten.</al><al><vet>7. </vet>Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door
                        ambtenaren met een verschillende bezoldiging</al><al>en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als
                        overwerk moeten worden verricht, een</al><al>naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke
                        vergoeding vast te stellen.</al><al><vet>8. </vet>Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit
                        uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde</al><al>verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig
                        overwerk.</al><al><vet><cursief>Toelage onregelmatige dienst</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd
                        vastgesteld op:</al><al><vet>a. </vet>maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 08.00 uur en tussen
                        18.00 uur en 24.00 uur;</al><al><vet>b. </vet>zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur</al><al><vet>c. </vet>zondag tussen 0.00 en 24.00 uur</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de
                        ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een</al><al>week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in
                        dat lid onder a of b genoemde</al><al>tijdstippen, werktijd is vastgesteld.</al><al><vet>3. </vet>In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de
                        ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op</al><al>zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in
                        de regel werktijd op zaterdag</al><al>werd vastgesteld.</al><al><vet>4. </vet>In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald
                        in welke gevallen, anders dan in de</al><al>voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak
                        te maken op een vergoeding,</al><al>als bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>Artikel 3:3:1</vet></al><al>Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in
                        artikel 15:1:10, tweede lid, onder c, is</al><al>opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend,
                        indien uitdrukkelijk is bepaald,</al><al>dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is
                        rekening gehouden.</al><al><vet><cursief>Verschuivingsvergoeding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:4</vet></al><al>Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur
                        per week of bij verschuiving van de</al><al>vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak
                        op een vergoeding ontstaat. In een</al><al>nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een
                        verschuivingsvergoeding.</al><al><vet>Artikel 3:4:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de
                        ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen</al><al>72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde</al><al><vet>a. </vet>feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt
                        verschoven;</al><al><vet>b. </vet>werktijd, deze werktijd wordt verschoven.</al><al><vet>2. </vet>Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige
                        toepassing in geval een verschuiving van de</al><al>oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk
                        vastgestelde werktijd plaatsvindt</al><al>zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen
                        een maand en 72 uur voor</al><al>aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd.</al><al><vet>3. </vet>De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur
                        25% van het uurloon.</al><al><vet><cursief>Ambtsjubileumgratificatie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:5</vet></al><al>De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast
                        te stellen regeling wordt onder</al><al>meer bepaald:</al><al><vet>a. </vet>in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de
                        mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie,</al><al>bedoeld in de aanhef;</al><al><vet>b. </vet>op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt
                        berekend.</al><al><vet>Artikel 3:5:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de
                        overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie</al><al>toegekend overeenkomende met de helft van de bezoldiging en van de
                        vakantietoelage waarop de ambtenaar</al><al>in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende
                        veertig respectievelijk</al><al>vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een
                        gratificatie gelijk aan een bedrag,</al><al>overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage
                        over de maand waarin hij</al><al>deze jubilea gedenkt. Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen:</al><al><vet>- </vet>op grond van artikel 8:3;</al><al><vet>- </vet>op grond van artikel 8:4 bij een arbeidsongeschiktheid van 80%
                        of meer;</al><al><vet>- </vet>op grond van artikel 8:10 of 8:11 indien en voor zover het een
                        volledig ontslag betreft;</al><al>en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie
                        vereiste aantal dienstjaren binnen</al><al>vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele
                        gratificatie toegekend.</al><al>Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht
                        zou hebben bestaan indien het</al><al>vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een
                        breuk. Daarvan wordt de teller</al><al>gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal
                        dienstjaren, waarbij naar boven wordt</al><al>afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld
                        had moeten zijn om voor de</al><al>gratificatie in aanmerking te komen.</al><al>De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven
                        afgerond op een veelvoud van vijf</al><al>Euro.</al><al><vet>2. </vet>Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele
                        ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal</al><al>uren waarvoor ontslag wordt verleend.</al><al><vet><cursief>Eindejaarsuitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:6</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten
                        bedrage van 3 % van het voor hem in een</al><al>kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een
                        volledige betrekking minimaal €</al><al>836,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato
                        vastgesteld.</al><al><vet>2. </vet>De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                        maand december betaald.</al><al><vet>3. </vet>Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de
                        ambtenaar naar evenredigheid aanspraken</al><al>op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling
                        van de eindejaarsuitkering plaats</al><al>over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband
                        werkzaam is geweest.</al><al><vet><cursief>Militaire dienst</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:7:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die als militair in werkelijke dienst is, wordt
                        geacht in zijn betrekking met verlof te zijn.</al><al><vet>2. </vet>Hij behoudt over de tijd van deze dienst het genot van de aan
                        zijn betrekking verbonden bezoldiging, slechts</al><al>voorzover hem bij of krachtens de artikelen 3:7:2 tot en met 3:7:5 daarop
                        aanspraak is verleend. Voor zover</al><al>die werkelijke dienst wordt vervuld tijdens aan de ambtenaar verleende
                        vakantie, behoudt hij in ieder geval</al><al>het genot van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.</al><al><vet>Artikel 3:7:2</vet></al><al>De ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor
                        herhalingsoefeningen als militair in</al><al>werkelijke dienst is, behoudt - onverminderd het bepaalde in artikel 8:15:2
                        - de aan zijn betrekking verbonden</al><al>bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte
                        van de pensioenpremie.</al><al><vet>Artikel 3:7:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die voor een herhalingsoefening als militair in
                        werkelijke dienst is, geniet de aan zijn</al><al>betrekking verbonden bezoldiging slechts voor zoveel deze meer bedraagt dan
                        zijn militaire beloning.</al><al><vet>2. </vet>Zo nodig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid
                        behoudt de ambtenaar de aan zijn betrekking</al><al>verbonden bezoldiging tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te
                        verhalen gedeelte van de</al><al>pensioenpremie.</al><al><vet>3. </vet>Voor de toepassing van het eerste lid wordt de militaire
                        beloning verminderd met een eventuele aftrek</al><al>wegens genot van voeding en huisvesting.</al><al><vet>4. </vet>Onder militaire beloning wordt verstaan de bij verblijf in
                        Nederland geldende bezoldiging, bedoeld in de</al><al>voor de betrokkene van kracht zijnde militaire bezoldigingsregeling,
                        vermeerderd met de bij verblijf in</al><al>Nederland op grond van bedoelde bezoldigingsregeling toegekende vlieg-, of
                        brevettoelage.</al><al><vet>5. </vet>Als herhalingsoefening wordt beschouwd de militaire dienst,
                        die door de minister van defensie als zodanig</al><al>wordt aangemerkt.</al><al><vet>6. </vet>Onverminderd het bepaalde in artikel 8:15:2 worden, voor de
                        toepassing of voortgezette toepassing van het</al><al>eerste lid, met inachtneming van hetgeen daaromtrent is bepaald in de
                        Kaderwet dienstplicht of in de Wet</al><al>voor het reservepersoneel der krijgsmacht 1985, met herhalingsoefeningen
                        gelijkgesteld:</al><al><vet>a. </vet>het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een
                        herhalingsoefening langer in dienst blijven voor</al><al>een onderzoek, omtrent een strafbaar feit of een krijgstuchtelijk vergrijp,
                        waarvan de militair verdacht of</al><al>beklaagd wordt;</al><al><vet>b. </vet>het in dienst komen dan wel het in aansluiting aan een
                        herhalingsoefening langer in dienst blijven ten</al><al>einde rekening en verantwoording af te leggen van gevoerd beheer;</al><al><vet>c. </vet>het in aansluiting aan een herhalingsoefening langer in dienst
                        blijven wegens:</al><al><vet>1. </vet>ziekte;</al><al><vet>2. </vet>het niet tijdig bereiken van de vereiste graad van
                        geoefendheid als gevolg van ziekte;</al><al><vet>3. </vet>het heersen of geheerst hebben van een besmettelijke
                        ziekte;</al><al><vet>d. </vet>het in dienst komen om gehoord te worden omtrent een bij de
                        Kroon of bij de minister van defensie</al><al>ingediend bezwaarschrift.</al><al><vet>Artikel 3:7:4</vet></al><al>Indien de ambtenaar, in werkelijke dienst zijnde, overlijdt, wordt de
                        uitkering, bedoeld in artikel 8:16:2</al><al>verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering welke uit hoofde
                        van militaire dienst ter zake van</al><al>dit overlijden wordt gedaan.</al><al><vet>Artikel 3:7:5</vet></al><al>Het bepaalde in de artikelen 3:7:1 tot en met 3:7:4 is van overeenkomstige
                        toepassing ten aanzien van:</al><al><vet>a. </vet>de ambtenaar die te werk is gesteld in de zin van artikel 9
                        van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;</al><al><vet>b. </vet>de ambtenaar die in werkelijke dienst is op grond van een
                        verbintenis bij het Korps nationale reserve.</al><al><vet>Artikel 3:7:6</vet></al><al>Op de ambtenaar die tijdelijk is aangesteld zijn de bepalingen, vervat in de
                        artikelen 3:7:1 tot en met 3:7:5,</al><al>slechts van toepassing tot en met de dag waarop de aanstelling zou zijn
                        geëindigd, indien hij daaraan niet door</al><al>de militaire dienst zou zijn onttrokken.</al><al><vet>Artikel 3:7:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die op grond van een verbintenis als vrijwillig
                        ambtenaar van politie in de zin van artikel 1,</al><al>eerste lid, onderdeel d van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie in
                        werkelijke dienst is, wordt geacht in</al><al>zijn betrekking met verlof te zijn.</al><al><vet>2. </vet>Gedurende dit verlof blijft de ambtenaar, onverminderd het
                        bepaalde in artikel 8:15:2, in het genot van de</al><al>aan zijn betrekking verbonden bezoldiging, met dien verstande dat deze
                        bezoldiging, indien het verlof langer</al><al>dan veertien dagen duurt, voor de verdere duur van het verlof wordt
                        verminderd met de beloning waarop de</al><al>ambtenaar als vrijwilliger aanspraak heeft.</al><al><vet>3. </vet>De in het tweede lid bedoelde vermindering wordt slechts
                        toegepast tot een zodanig bedrag dat de ambtenaar</al><al>in het genot blijft van een bedrag gelijk aan het op hem te verhalen
                        gedeelte van de pensioenpremie.</al><al><vet>4. </vet>Voor zover de werkelijke dienst wordt vervuld in aan hem
                        verleende vakantie behoudt de ambtenaar in ieder</al><al>geval het genot van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging</al><al><vet>5. </vet>Het bepaalde in artikel 3:7:6 is voor zoveel mogelijk van
                        overeenkomstige toepassing.</al><al><vet><cursief>Persoonlijke toelage</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 3:7:8</vet></al><al><vet>1. </vet>Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende
                        schaal heeft bereikt, kan door het college</al><al>een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone
                        bekwaamheid, geschiktheid en</al><al>ijver aanleiding bestaat.</al><al><vet>2. </vet>De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de
                        toelage werd toegekend niet meer aanwezig</al><al>zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de
                        toelage geheel of gedeeltelijk te</al><al>handhaven.</al><al><vet>4 Arbeidsduur en werktijden</vet></al><al><vet>Artikel 4:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen
                        op een andere omvang dan de formele</al><al>arbeidsduur per week waarbij de afwijking maximaal het onderstaande aantal
                        uren mag bedragen:</al><al><vet>- </vet>2 uur bij een formele arbeidsduur per week van 0 tot 12
                        uur;</al><al><vet>- </vet>4 uur bij een formele arbeidsduur per week van 12 tot 24
                        uur;</al><al><vet>- </vet>6 uur bij een formele arbeidsduur per week van 24 tot en met 36
                        uur.</al><al>De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag alleen worden
                        overschreden bij de toepassing van</al><al>artikel 2:7a of artikel 6:2, tweede lid.</al><al><vet>2. </vet>Indien het college de feitelijke arbeidsduur per week op een
                        andere omvang vaststelt dan de formele</al><al>arbeidsduur per week, wordt dit ten minste één maand voor aanvang van de
                        betreffende week aan de</al><al>ambtenaar meegedeeld.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld
                        of wordt ontslagen heeft een arbeidsduur die</al><al>naar rato van de arbeidsduur per jaar over het aantal te werken maanden
                        wordt berekend.</al><al><vet>4. </vet>De arbeidsduur per dag bedraagt ten hoogste negen uur. Indien
                        de bedrijfsvoering dit vereist kan de</al><al>arbeidsduur één maal per week op 10 uur gesteld worden.</al><al><vet>5. </vet>Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde
                        dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen,</al><al>kunnen van het eerste en het vierde lid afwijkende afspraken worden
                        overeengekomen, met dien verstande</al><al>dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing
                        blijft.</al><al><vet>Artikel 4:2</vet></al><al><vet>1. </vet>In een nader door het college vast te stellen regeling worden
                        algemene regels omtrent de werktijden</al><al>vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden
                        gelden, wordt daarvoor een rooster</al><al>opgesteld.</al><al><vet>2. </vet>Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen:</al><al><vet>a. </vet>dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen,
                        tenzij afwijking van deze regel in het belang</al><al>van de dienst noodzakelijk is;</al><al><vet>b. </vet>dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de
                        ambtenaar bekend worden gemaakt;</al><al><vet>c. </vet>dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken;</al><al><vet>d. </vet>dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt
                        vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3, derde</al><al>lid te ontwijken.</al><al><vet>3. </vet>Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde
                        dienstroosters daarmee vergelijkbare</al><al>onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden
                        getroffen.</al><al><vet>Artikel 4:2:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt
                        zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op</al><al>zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken
                        en dat hij in zijn zondagsrust</al><al>zo weinig mogelijk wordt beperkt.</al><al><vet>2. </vet>Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in
                        artikel 4:2, tweede lid, onder a, is voor wat betreft</al><al>de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.</al><al><vet>3. </vet>Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van
                        arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het</al><al>verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de
                        Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag,</al><al>de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt
                        gevierd.</al><al><vet>4. </vet>Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt,
                        hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten</al><al>van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale,
                        landelijke, regionale of plaatselijk erkende</al><al>feest-of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop
                        de openbare dienst van de</al><al>gemeente is gesloten.</al><al><vet>5. </vet>Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een
                        kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op</al><al>de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een
                        daartoe strekkend verzoek heeft</al><al>ingediend.</al><al><vet>Artikel 4:2:2</vet></al><al>Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3, arbeid op zaterdag of
                        zondag wordt verricht, wordt hem voor</al><al>elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter
                        vrije beschikking toegekend.</al><al><vet><cursief>Opgebouwde verloftegoed uit voormalige
                                verlofspaarmogelijkheid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 4:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde
                        verlof in het kader van de voormalige</al><al>verlofspaarmogelijkheid;</al><al><vet>b. </vet>kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten
                        van het opgebouwde verloftegoed in een</al><al>geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op
                        het moment van uitbetalen</al><al>geldende uurloon van de ambtenaar.</al><al><vet>2. </vet>Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar
                        door het college verleend, tenzij de</al><al>belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het
                        verlof zoveel als mogelijk in een</al><al>aaneengeloten periode.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde
                        verloftegoed. Het college beslist of aan</al><al>dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden
                        gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar</al><al>deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde
                        verloftegoed wordt gestort op zijn</al><al>levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed
                        gelden de randvoorwaarden zoals</al><al>opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer
                        in een bepaald jaar het</al><al>opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de
                        ambtenaar in een volgend jaar</al><al>opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde
                        verloftegoed. Het college</al><al>beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.</al><al><vet>4. </vet>In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het
                        resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk</al><al>opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan
                        hiervoor de maximale</al><al>opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in
                        verband met het aanvaarden</al><al>van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen,
                        wordt het niet opgenomen</al><al>resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het
                        tiende lid.</al><al><vet>5. </vet>In geval van ontslag op grond van artikel 8:3, 8:6, 8:7, 8:8,
                        8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de</al><al>gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde
                        verloftegoed op te nemen.</al><al>Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde
                        verloftegoed uitbetaald ingevolge het</al><al>bepaalde in het tiende lid.</al><al><vet>6. </vet>In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de
                        ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde</al><al>verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag
                        aan de ambtenaar</al><al>is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname
                        van het opgebouwde</al><al>verloftegoed.</al><al><vet>7. </vet>In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9
                        wordt het resterende opgebouwde verloftegoed</al><al>uitbetaald op grond van het tiende lid.</al><al><vet>8. </vet>In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de
                        nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde</al><al>van artikel 8:16:2, het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald
                        ingevolge het bepaalde in het tiende</al><al>lid.</al><al><vet>9. </vet>In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een
                        gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen</al><al>de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het
                        resterende opgebouwde</al><al>verloftegoed.</al><al><vet>10.</vet>Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit
                        uitbetaald naar het op het moment van</al><al>uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.</al><al><vet>Artikel 4:3:1</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 4:3:2</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>Artikel 4:3:3</vet></al><al>vervallen</al><al><vet>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</vet></al><al><vet><cursief>Vakantie-uren uitwisselen tegen geld</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 4a:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij
                        lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om</al><al>gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als
                        bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te</al><al>verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.</al><al><vet>2. </vet>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                        aantal vakantie-uren - na vermindering</al><al>op grond van het eerste lid - minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele</al><al>arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die
                        gebruikmaakt van de seniorenregeling</al><al>bedoeld in artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal
                        uren als minimum.</al><al><vet>3. </vet>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                        aantal te verminderen vakantie-uren op grond</al><al>van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld
                        voor een formele arbeidsduur van</al><al>minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de
                        seniorenregeling bedoeld in</al><al>artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als
                        maximum.</al><al><vet>4. </vet>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid
                        toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of</al><al>dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al><vet>5. </vet>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de
                        ambtenaar voor elk op grond van het eerste</al><al>lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van
                        het salaris per uur dat hij</al><al>geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking
                        heeft.</al><al><vet><cursief>Geld uitwisselen tegen vakantie-uren</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 4a:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij
                        lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om</al><al>gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als
                        bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te</al><al>vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde
                        lid.</al><al><vet>2. </vet>Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het
                        aantal op grond van het eerste lid te</al><al>vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele</al><al>arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die
                        gebruikmaakt van de seniorenregeling</al><al>bedoeld in artikel 5:1 of 5:3, geldt een naar evenredigheid lager aantal
                        uren als maximum.</al><al><vet>3. </vet>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid
                        toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of</al><al>dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al><vet>4. </vet>Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het
                        salaris van de ambtenaar voor elk op grond</al><al>van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden
                        overeenkomend met de hoogte</al><al>van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar
                        waarop het verzoek betrekking heeft.</al><al><vet><cursief>Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage
                                of urenvergoeding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 4a:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging
                        als bedoeld in artikel 3:1, zijn</al><al>eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6, zijn vakantietoelage als
                        bedoeld in artikel 6:3 of</al><al>zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1, vijfde lid, verlagen voor door
                        het college vastgestelde</al><al>bestedingsmogelijkheden.</al><al><vet>2. </vet>Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het
                        bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften</al><al>worden gesteld.</al><al><vet>5 Seniorenmaatregelen</vet></al><al><vet><cursief>56-jarigenregeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder,
                        die</al><al><vet>a. </vet>een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren
                        die direct voorafgaat aan de ingangsdatum</al><al>van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van
                        twee maanden of minder</al><al>niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en</al><al><vet>b. </vet>geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een
                        leeftijdsgrens is bepaald;</al><al>wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met
                        een vijfde deel teruggebracht met</al><al>behoud van de formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van de
                        bezoldiging. Er dient minimaal een</al><al>arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren.</al><al><vet>2. </vet>Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan
                        de diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede</al><al>lid, onder de punten a tot en met c, van het FPU-reglement basis-en
                        aanvullende uitkering.</al><al><vet>3. </vet>Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week
                        wordt uitgegaan van de met een vijfde</al><al>teruggebrachte seniorenarbeidsduur.</al><al><vet><cursief>Pré-VUT</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis-en
                        aanvullende uitkering heeft recht op een uitkering</al><al>krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat
                        reglement, met ingang van de dag</al><al>waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald
                        met ingang van de eerste dag van</al><al>de maand volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De
                        pré-vut-uitkering wordt beëindigd</al><al>met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer
                        de leeftijd van 61 jaar</al><al>heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de
                        bepalingen van het reglement vrijwillig</al><al>vervroegde uittreding van kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor
                        1 april 1997.</al><al><vet>2. </vet>De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het
                        inkomen zoals omschreven in artikel</al><al>1, onderdeel v, van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering, met
                        dien verstande dat het</al><al>uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de
                        salarisschalen 1 en 2, 80% van</al><al>evenbedoeld inkomen bedraagt.</al><al><vet>3. </vet>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van
                        toepassing op de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in</al><al>artikel 5:1, eerste lid, is ingewilligd.</al><al><vet><cursief>60-jarigenregeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de
                        seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60</al><al>jaar en ouder, die:</al><al><vet>a. </vet>een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week,
                        en;</al><al><vet>b. </vet>een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren
                        die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van</al><al>de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van
                        twee maanden of minder niet</al><al>als een onderbreking wordt aangemerkt;</al><al>op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met de helft
                        teruggebracht met behoud</al><al>van de formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging.
                        De bezoldiging wordt voor</al><al>95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de
                        ambtenaar de leeftijd van 61 jaar</al><al>heeft bereikt; van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61
                        jaar geen gebruikmaakt van de</al><al>FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang van de eerste dag van de
                        maand volgend op die waarin de</al><al>ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50%
                        doorbetaald;</al><al>van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar
                        gebruikmaakt van de FPU-regeling</al><al>om gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de oorspronkelijke
                        formele arbeidsduur, blijft de</al><al>omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De
                        bezoldiging wordt voor 50% van</al><al>de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij gebruik ging maken van de
                        FPU, doorbetaald;</al><al>van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar
                        gebruikmaakt van de FPU-regeling om</al><al>gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van de oorspronkelijke formele
                        arbeidsduur, worden de formele</al><al>arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem
                        golden voordat hij gebruik ging</al><al>maken van de FPU, met eenzelfde percentage aangepast.</al><al>Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het
                        oordeel van het college sprake</al><al>is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het
                        recht op grond van hem moverende</al><al>redenen het verzoek van het college te weigeren.</al><al><vet>2.</vet></al><al><vet>a. </vet>Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur
                        reeds met een vijfde is teruggebracht</al><al>ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, is het bepaalde in het
                        eerste lid van overeenkomstige</al><al>toepassing, met dien verstande dat voor '95%'gelezen dient te worden: 82,5%.
                        De seniorenarbeidsduur</al><al>van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is teruggebracht op grond
                        van het bepaalde in artikel 5:1,</al><al>eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de
                        aanstelling, zoals die gold</al><al>op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering van de
                        seniorenarbeidsduur ingevolge</al><al>artikel 5:1.</al><al><vet>b. </vet>Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur
                        voor 1 april 1996 is teruggebracht</al><al>ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, geldt dat deze ambtenaar
                        tot 1 mei 1996 kan verzoeken</al><al>om in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot
                        vermindering van de</al><al>seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging
                        met ingang van 1 mei</al><al>1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van
                        overeenkomstige toepassing, met dien</al><al>verstande dat voor '95%' gelezen dient te worden: 82,5%.</al><al><vet>3. </vet>Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan
                        de diensttijd als omschreven in artikel 5:1,</al><al>tweede lid.</al><al><vet>4. </vet>Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week
                        wordt uitgegaan van de met de helft teruggebrachte</al><al>seniorenarbeidsduur per week.</al><al><vet>5. </vet>Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of
                        in verband met arbeid, waaronder mede</al><al>wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter
                        hand genomen op of na de</al><al>dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan wel
                        schriftelijk is medegedeeld dat het</al><al>verzoek tot het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het
                        eerste of tweede lid, is ingewilligd,</al><al>worden die inkomsten in mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging
                        over de maand waarop</al><al>deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te
                        hebben met dien verstande dat</al><al>het percentage van de door te betalen bezoldiging na vermindering nooit
                        minder bedraagt dan 50. Onder</al><al>inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op
                        grond van de FPU-regeling.</al><al><vet>6. </vet>Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit
                        onmiddellijk voorafgaande aan de</al><al>vermindering van de seniorenarbeidsduur.</al><al><vet>7. </vet>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde
                        lid, inkomsten of hogere inkomsten</al><al>verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor evenbedoelde dag, is
                        ten aanzien van die inkomsten</al><al>of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige
                        toepassing. De hier bedoelde</al><al>vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene</al><al>loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten
                        niet het gevolg zijn van</al><al>verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de
                        vermindering van de werktijd.</al><al><vet>8. </vet>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of
                        bedrijf op of na de dag waarop de</al><al>seniorenarbeidsduur is verminderd of schriftelijk is medegedeeld dat het
                        verzoek tot terugbrengen van de</al><al>seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd,
                        terstond mededeling aan het college</al><al>of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor
                        zover mogelijk, opgave van</al><al>de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen.
                        Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle</al><al>evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van de
                        eerstvolgende bezoldigingstermijn.</al><al><vet>9. </vet>Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde
                        bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op</al><al>te geven, doet hij voor het verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave
                        van hetgeen hij sedert het</al><al>ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave
                        heeft verkregen. Brengt de</al><al>aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat
                        de inkomsten over een langere</al><al>termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag
                        zijn, dan geschiedt de opgave</al><al>dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig
                        vastgesteld onder voorbehoud van</al><al>verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</al><al><vet>10.</vet>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                        een opgave als bedoeld in het achtste lid</al><al>worden afgeweken.</al><al><vet>11.</vet>Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt
                        overeenkomstige toepassing ten aanzien van arbeid of</al><al>bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid.</al><al><vet>12.</vet>Door het aanvaarden van de vermindering van de
                        seniorenarbeidsduur wordt de betrokkene geacht er in</al><al>toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in
                        aanmerking komen alle voor de</al><al>uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven.</al><al><vet>13.</vet>Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als
                        bedoeld in het zevende en achtste lid niet nakomt,</al><al>kan het college de doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief
                        op een lager percentage stellen, met</al><al>dien verstande dat het aldus vastgestelde percentage nooit minder dan 50 kan
                        bedragen.</al><al><vet>14.</vet>Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur
                        moet minimaal drie maanden voor aanvang</al><al>van de vermindering worden ingediend.</al><al><vet><cursief>Ingangsdatum seniorenmaatregelen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5:4</vet></al><al>Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur
                        te verminderen ingevolge het</al><al>bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de
                        ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is</al><al>bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering
                        van de seniorenarbeidsduur. Op</al><al>de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop ten minste de vereiste
                        leeftijd wordt bereikt, wordt de</al><al>seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging gedeeltelijk
                        uitbetaald, op grond van het bepaalde in</al><al>artikel 5:1 en 5:3.</al><al><vet><cursief>Overgangsbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5:5</vet></al><al>De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd
                        en waarvan de ingangsdatum van</al><al>de vermindering van de seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt
                        voor de duur van de periode van</al><al>deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende
                        bezoldiging, behoudens ingeval</al><al>artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is.</al><al><vet><cursief>Slotbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Een ambtenaar die gebruikmaakt of heeft gemaakt van de
                        regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan</al><al>niet deelnemen aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen.</al><al><vet>2. </vet>Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft
                        geen recht op deelname aan een van de in dit</al><al>hoofdstuk genoemde regelingen.</al><al><vet>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</vet></al><al><vet><cursief>§ 1 FPU Gemeenten</cursief></vet></al><al><cursief>Recht op uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 5a:1</vet></al><al>De ambtenaar die:</al><al><vet>a. </vet>ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en</al><al><vet>b. </vet>geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in
                        hoofdstuk 5 genoemde regelingen en</al><al><vet>c. </vet>geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is
                        aangewezen als bezwarende functie en waarvoor</al><al>afwijkende regels zijn gesteld,</al><al>heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling
                        werkgever.</al><al><vet><cursief>Berekeningsgrondslag</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:2</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de
                        pensioengrondslag zoals die is vastgesteld</al><al>in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de
                        aanvulling van de werkgever,</al><al>met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het
                        ontstaan van het recht op een</al><al>Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling
                        van de berekeningsgrondslag</al><al>wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een
                        Aanvulling werkgever ontstaat.</al><al><vet>2. </vet>Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt
                        als berekeningsgrondslag de in het eerste lid</al><al>genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de
                        deeltijdfactor zoals genoemd in</al><al>artikel 1.2, tweede lid, van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan
                        het ontstaan van het recht op een</al><al>Aanvulling werkgever.</al><al><vet><cursief>Hoogte van de Aanvulling werkgever</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de
                        berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt</al><al>vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU
                        Gemeenten aan de hand van de</al><al>leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Leeftijd ambtenaar op</al><al>31 december 2005</al></entry><entry colname="col2"><al>Aanvulling werkgever</al><al>als percentage van</al><al>berekeningsgrondslag</al><al>bij uittreden op</al><al>spilleeftijd</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>56</al></entry><entry colname="col2"><al>6,9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>8,0</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58</al></entry><entry colname="col2"><al>9,4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>11,3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>60</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61 of ouder</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>2. </vet>De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel
                        neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op</al><al>een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.</al><al><vet>3.</vet></al><al><vet>a. </vet>De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                        ambtenaar geboren</al><al>i.#vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;</al><al>ii. na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</al><al><vet>b. </vet>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd
                        onder a, is de in het tweede lid genoemde</al><al>spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44
                        FPU-jaren valt, het moment</al><al>waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden,
                        respectievelijk 43 jaar en twee maanden,</al><al>respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.</al><al><vet><cursief>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1
                                juli 2006 gebruikmaken van de FPU</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Gemeenten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de
                        spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU</al><al>Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de
                        definitie van totaalinkomen</al><al>wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever
                        niet of niet volledig tot</al><al>uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven
                        naar het ouderdoms- en</al><al>nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.</al><al><vet>2. </vet>Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd
                        gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten</al><al>wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie
                        van totaalinkomen wordt</al><al>verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.</al><al><vet>a. </vet>de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de
                        ambtenaar geboren:</al><al>i.vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;</al><al>ii. na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.</al><al>Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is
                        de in het tweede lid genoemde</al><al>spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44
                        FPU-jaren valt, het moment waarop hij</al><al>het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar
                        en twee maanden, respectievelijk</al><al>44 jaar en twee maanden bereikt.</al><al><vet><cursief>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de
                                periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006</cursief></vet></al><al><vet><cursief>gebruikmaken van de FPU Gemeenten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:4a</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of
                        na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten</al><al>gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op
                        100% van het</al><al>totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar
                        artikel 5a:4b eerste lid. Als</al><al>de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat
                        gedeelte van de Aanvulling</al><al>werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65
                        jaar.</al><al><vet>2. </vet>Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór
                        de spilleeftijd van de FPU Gemeenten</al><al>gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op
                        90% van het totaalinkomen.</al><al>Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste
                        lid.</al><al><vet>3. </vet>3#De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor
                        de ambtenaar geboren</al><al><vet>a. </vet>vóór of op 1 april 1947: 60 jaar</al><al><vet>b. </vet>na 1 april 1947: 61 jaar</al><al><vet><cursief>Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1
                                januari 2006 gebruikmaken van de FPU</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Gemeenten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:4b</vet></al><al><vet>1. </vet>Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som
                        van:</al><al><vet>a. </vet>de FPU-uitkering;</al><al><vet>b. </vet>de Aanvulling werkgever;</al><al>en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond
                        van artikel 8:11;</al><al><vet>c. </vet>de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste
                        lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor</al><al>die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel
                        8:11; d#de andere inkomsten uit of</al><al>in verband met de resterende deeltijdbetrekking.</al><al><vet>d. </vet>de andere inkomsten uit of in verband met de resterende
                        deeltijdbetrekking.</al><al><vet>2. </vet>De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover
                        het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer</al><al>bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.</al><al><vet>3. </vet>De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de
                        berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk</al><al>ontslag op grond van artikel 8:11.</al><al><vet>4. </vet>Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering
                        blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de</al><al>uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele
                        opbouw zoals geregeld in het</al><al>pensioenreglement.</al><al><vet>5. </vet>Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering
                        is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van</al><al>het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van
                        basisuitkering en aanvullende uitkering,</al><al>respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of
                        bedrijf, of in verband met samenloop</al><al>met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing
                        van dit artikel uitgegaan van de</al><al>onverminderde FPU-uitkering.</al><al><vet><cursief>Einde van het recht op een Aanvulling
                            werkgever</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:5</vet></al><al>Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op
                        grond van artikel 8:11 dan wel</al><al>wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de
                        FPU-regeling.</al><al><vet><cursief>Pensioenopbouw</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:6</vet></al><al>De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten
                        een Vergoeding</al><al>pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de
                        doorsneepremie die vereist is voor 20%</al><al>pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de
                        regeling. De in de eerste volzin</al><al>genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking
                        waarvoor ontslag is verleend</al><al>op grond van artikel 8:11.</al><al><vet><cursief>Lokaal beleid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:7</vet></al><al>Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van
                        de FPU Gemeenten kan worden</al><al>beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de
                        FPU Gemeenten onverlet.</al><al><vet><cursief>Afbouw tijdelijke toeslag in verband met afschaffing
                                overhevelingstoeslag</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:8</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet><cursief>§ 2 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 5a:9</vet></al><al>Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of
                        een andere werkgever in</al><al>de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele
                        arbeidsduur accepteert, blijft de</al><al>pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.</al><al><vet>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en
                            bevallings)verlof</vet></al><al><vet><cursief>Vakantie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:1</vet></al><al>In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van
                        bezoldiging.</al><al><vet>Artikel 6:1:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel
                        6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van</al><al>de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het
                        bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid,</al><al>dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.</al><al><vet>2. </vet>De vakantie wordt verleend door het college.</al><al><vet>Artikel 6:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige
                        betrekking bedraagt ten minste 158,4 uur per</al><al>kalenderjaar.</al><al><vet>2. </vet>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de
                        ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende</al><al>kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een
                        volledige betrekking - een</al><al>maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in
                        het eerste lid. Voor de</al><al>ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per
                        week geldt een naar</al><al>evenredigheid lager aantal uren als maximum.</al><al><vet>3. </vet>Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                        toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of</al><al>dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al><vet>Artikel 6:2:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het
                        college algemene regels met betrekking tot de</al><al>duur van de vakantie.</al><al><vet>2. </vet>De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld
                        voor een formele arbeidsduur van minder dan</al><al>36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.</al><al><vet>3. </vet>Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten
                        aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen</al><al>van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van
                        volbrachte diensttijd of</al><al>bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid
                        van overeenkomstige toepassing</al><al>is.</al><al><vet>4. </vet>De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde
                        algemene regels toekomende vakantie wordt</al><al>vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen
                        3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en</al><al>in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk
                        indien de in artikel 3:3:1 genoemde</al><al>verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.</al><al><vet>5. </vet>In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het
                        college bijzondere regels vast.</al><al><vet>6. </vet>In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang
                        van de dag waarop de seniorenarbeidsduur</al><al>van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de
                        duur van de vakantie naar</al><al>evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie
                        als bedoeld in het derde lid</al><al>van dit artikel.</al><al><vet>7. </vet>Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het
                        derde lid van dit artikel vervalt met ingang van</al><al>de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven
                        in hoofdstuk 5a.</al><al><vet>Artikel 6:2:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor
                        ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten</al><al>minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.</al><al><vet>2. </vet>De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het
                        bijzonder wat betreft de aaneengesloten periode,</al><al>bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1
                        oktober.</al><al>De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op
                        officiële feestdagen, samenhangend</al><al>met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in
                        artikel 4:2:1, derde lid, bij</al><al>het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in
                        eerste en tweede graad en bij</al><al>verhuizing.</al><al><vet>3. </vet>De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal
                        worden verleend, alsmede die omtrent de</al><al>tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het
                        bestuursorgaan dat de vakantie</al><al>verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en
                        die van de andere ambtenaren die</al><al>toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de
                        ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere
                                redenen van afwezigheid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:2:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld
                        of wordt ontslagen heeft recht op zoveel</al><al>maal 1/12 gedeelte van de vakantie als er volle maanden zijn in dat
                        kalenderjaar gedurende welke hij zijn</al><al>betrekking vervult.</al><al><vet>2. </vet>Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in
                        het eerste lid, niet gedurende het volle</al><al>kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo
                        mogelijk van het lopende en</al><al>overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd,
                        behoudens het bepaalde in het</al><al>derde lid.</al><al><vet>3. </vet>Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt
                        een vermindering, bedoeld in het tweede lid,</al><al>niet toegepast:</al><al><vet>a. </vet>gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid,
                        wegens zwangerschap en bevalling of</al><al>niet aan schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar,
                        voorafgaand aan het herstel of het ontslag</al><al>van de ambtenaar;</al><al><vet>b. </vet>in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor
                        eerste oefening;</al><al><vet>c. </vet>indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de
                        voor hem vastgestelde werktijd wegens</al><al>niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn
                        betrekking te vervullen. Deze</al><al>verhindering wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde
                        periode van zes maanden buiten</al><al>beschouwing gelaten.</al><al>Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking
                        wegens ziekte wordt voor het</al><al>bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden als een
                        voortzetting van de vorige</al><al>verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat
                        tenminste vier weken zijn verstreken</al><al>sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft hervat.</al><al><vet>4. </vet>Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt
                        verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte</al><al>slechts gedurende een gedeelte daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het
                        aantal vakantie-uren van</al><al>de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal vakantie-uren
                        verminderd zou worden</al><al>in geval de ambtenaar niet gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn
                        geweest, tenzij het bevoegde</al><al>bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn oordeel daarvoor in
                        aanmerking komende gevallen</al><al>anders beslist.</al><al><vet>5. </vet>Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar
                        die met ingang van de dag van ontslag</al><al>nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is
                        gelijk aan het uurloon van de</al><al>ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.</al><al><vet>Artikel 6:2:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig
                        kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel</al><al>verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het
                        eerstvolgende, doch uiterlijk</al><al>voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.</al><al><vet>2. </vet>Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat
                        de vakantie of het aaneengesloten gedeelte</al><al>daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde
                        tijdvak, kan door het college de duur</al><al>van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden
                        verlengd.</al><al><vet>Artikel 6:2:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende
                        redenen van dienstbelang zulks</al><al>noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde
                        werkdag slechts gedeeltelijk</al><al>vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in
                        aanmerking genomen bij de</al><al>berekening van het aantal genoten vakantie-uren.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de
                        vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade</al><al>hem vergoed.</al><al><vet>Artikel 6:2:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk
                        niet is verleend:</al><al><vet>a. </vet>op verzoek van de ambtenaar;</al><al><vet>b. </vet>als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de
                        schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te</al><al>wijten; of</al><al><vet>c. </vet>als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor
                        eerste oefening, wordt de niet genoten vakantie</al><al>in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de
                        belangen van de andere</al><al>ambtenaren zich daartegen verzetten.</al><al>Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet
                        genoten vakantie minder is dan een</al><al>nader door het college te bepalen aantal uren.</al><al><vet>2. </vet>De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten
                        vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd,</al><al>indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie
                        verleend, op die uren</al><al>verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.</al><al><vet>3. </vet>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien
                        verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar</al><al>nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of
                        krachtens artikel 6:2:1</al><al>toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar
                        uitdrukkelijk anders is beslist.</al><al><vet>Artikel 6:2:7</vet></al><al>Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn
                        betrekking zijn verbonden derft,</al><al>kan deswege een vergoeding worden toegekend.</al><al><vet><cursief>Vakantietoelage</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke
                        maand waarover hij als zodanig bezoldiging</al><al>heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking
                        gaat vervullen dan wel wordt</al><al>ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die
                        maand.</al><al><vet>2. </vet>De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor
                        de ambtenaar in die maand geldende</al><al>bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag
                        wordt uitbetaald dat gelijk</al><al>is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag
                        bij het vervullen van een</al><al>onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.</al><al><vet>Artikel 6:3:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per
                        kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12</al><al>maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande
                        kalenderjaar.</al><al>In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats
                        bij ontslag van de ambtenaar.</al><al><vet>2. a. </vet>Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn
                        niet van toepassing op de ambtenaar, die in</al><al>werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de
                        Wet gewetensbezwaren militaire</al><al>dienst;</al><al><vet>b. </vet>Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders
                        dan voor herhalingsoefeningen als militair</al><al>in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van
                        de Wet gewetensbezwaren militaire</al><al>dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld,
                        wordt een bedrag uitgekeerd,</al><al>dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als
                        vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire</al><al>dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire
                        dienst ontvangt en het bedrag</al><al>aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen
                        indien de voorgaande leden op</al><al>hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van
                        de volle aan zijn betrekking</al><al>verbonden bezoldiging.</al><al><vet>3. </vet>Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de
                        tijd gedurende welke bij wijze van</al><al>disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de
                        bezoldiging wordt ingehouden buiten</al><al>beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of
                        schorsing is bepaald. Artikel</al><al>8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>4. </vet>Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het
                        college nadere regels stellen.</al><al><vet><cursief>Buitengewoon verlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                        calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of</al><al>kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn
                        bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                        andere gevallen aan de ambtenaar door het</al><al>college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden
                        verleend.</al><al><vet>3. </vet>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke
                        gevallen het college buitengewoon verlof kan</al><al>verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1,
                        derde lid, toegelaten organisatie.</al><al><vet>4. </vet>In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders
                        pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de</al><al>Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en
                        aanvullende uitkering gelijk aan</al><al>de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.</al><al><vet>Artikel 6:4:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met
                        behoud van bezoldiging op de dag dat het</al><al>huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt
                        voltrokken.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het
                        college wanneer het huwelijk of het registeren</al><al>van het partnerschap zal plaatsvinden.</al><al><vet><cursief>Langdurend zorgverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:4:1a</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die op grond van deWaz recht heeft op langdurend
                        zorgverlof heeft over de uren dat hij dit</al><al>verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens
                        ziekte niet in staat is zijn betrekking te</al><al>vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7
                        kalenderdagen wegens ziekte niet in staat</al><al>is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag
                        aanspraak op zijn volledige</al><al>bezoldiging.</al><al><vet>4. </vet>De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend
                        zorgverlof geniet wordt verminderd naar</al><al>evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.</al><al><vet>5. </vet>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                        betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt</al><al>langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de
                        vermindering van de duur van</al><al>de vakantie beëindigd.</al><al><vet>6. </vet>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                        langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis</al><al>van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.</al><al><vet>7. </vet>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                        betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt</al><al>langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de
                        opbouw van de vakantietoelage</al><al>weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Vakbondsverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:4:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>Centrales van overheidspersoneel:</al><al><vet>1. </vet>de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);</al><al><vet>2. </vet>de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs personeel
                        (CCOOP);</al><al><vet>3. </vet>de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij
                        overheid, onderwijs, bedrijven en</al><al>instellingen (CMHF).</al><al><vet>b. </vet>Verenigingen van ambtenaren: de verenigingen van ambtenaren
                        welke zijn aangesloten bij de onder a</al><al>genoemde centrales van overheidspersoneel.</al><al><vet>2. </vet>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                        wordt door het college buitengewoon verlof met</al><al>behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar:</al><al><vet>a. </vet>voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen
                        van ambtenaren of, voor zover het</al><al>algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan
                        gemeentepersoneel</al><al>organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke
                        groep van</al><al>gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid
                        ener landelijke groep of</al><al>afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling
                        voor iedere vijftig leden of</al><al>gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van
                        tien afgevaardigden, verlof</al><al>wordt verleend;</al><al><vet>b. </vet>voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij
                        lid is van het hoofdbestuur van</al><al>bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of
                        bestuursraad, en van</al><al>groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke
                        groepsraad;</al><al><vet>c. </vet>voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale
                        organisatie waarbij de vereniging van</al><al>de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn
                        vereniging aan die vergadering</al><al>deelneemt.</al><al><vet>3. </vet>Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten
                        wordt door het college aan de ambtenaar met een</al><al>volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging
                        verleend:</al><al><vet>a. </vet>om, indien hij daartoe door een centrale van
                        overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a</al><al>of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of
                        vertegenwoordigende</al><al>activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten
                        vereniging, onderscheidenlijk</al><al>binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van
                        deze centrale van</al><al>overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen,
                        alles tezamen voor ten</al><al>hoogste 216 uren per kalenderjaar.</al><al><vet>b. </vet>voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren -
                        als cursist deelnemen aan een cursus welke</al><al>door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt
                        gegeven, alles tezamen voor</al><al>ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.</al><al><vet>4. </vet>Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een
                        ambtenaar die is aangesteld voor</al><al>een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de
                        seniorenarbeidsduur op grond</al><al>van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd in het
                        derde lid onder a en b, naar</al><al>evenredigheid verminderd.</al><al><vet>5. </vet>Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan
                        voor de ambtenaar met een volledige betrekking</al><al>niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met
                        dien verstande dat ten hoogste</al><al>316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die:</al><al><vet>a. </vet>lid is van het hoofdbestuur van een centrale van
                        overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr.</al><al>1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die
                        centrale is aangesloten.</al><al><vet>b. </vet>lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het
                        eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is</al><al>van een sector of sectie van de centrale.</al><al>Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is
                        aangesteld voor een formele</al><al>arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de
                        seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1</al><al>of 5:3 is verminderd, wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid
                        tezamen, naar evenredigheid</al><al>verminderd.</al><al><vet>6. </vet>Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden
                        verleend aan de ambtenaar die lid is van een</al><al>vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.</al><al><vet>7. </vet>Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten,
                        wordt aan de ambtenaar die door de</al><al>vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de
                        commissie, bedoeld in artikel</al><al>12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend
                        voor het bijwonen van de</al><al>vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per
                        uitgeschreven commissievergadering.</al><al>Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor
                        de ambtenaar die door de</al><al>vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als
                        plaatsvervangend lid van de commissie</al><al>bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.</al><al><vet>8. </vet>Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere
                        regels stellen, waarbij het te verlenen verlof,</al><al>bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan
                        worden gesteld.</al><al><vet>Artikel 6:4:2a</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet><cursief>Kortdurend zorgverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:4:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72
                        uur per kalenderjaar aanspraak maken op</al><al>kortdurend zorgverlof op grond van de Waz.</al><al><vet>2. </vet>Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt
                        voor de ambtenaar die is aangesteld voor een</al><al>formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid
                        verminderd.</al><al><vet>3. </vet>Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de
                        werkgever en voor de helft voor de rekening van de</al><al>ambtenaar.</al><al><vet>4. </vet>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze
                        waarop de verrekening van het verlof met</al><al>hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is
                        mogelijk</al><al><vet><cursief>Non-activiteit</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:4:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van
                        de Ambtenarenwet bestaat geen recht op</al><al>doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of
                        verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid,</al><al>Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een
                        onkostenvergoeding - wordt op</al><al>zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid
                        verleende verlof geniet een Inhouding</al><al>toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen
                        als vergoeding voor de met het</al><al>verlof overeenkomende tijd niet te boven.</al><al><vet>3. </vet>Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere
                        regels vaststellen.</al><al><vet><cursief>Overige redenen buitengewoon verlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:4:5</vet></al><al>Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot
                        van de gehele of gedeeltelijke</al><al>bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof
                        verlenen om andere redenen dan die</al><al>welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt
                        verleend voor maximaal één jaar.</al><al><vet>Artikel 6:4:5a</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd
                        bestuurder van een vereniging van</al><al>ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de
                        vervulling van de functie voor</al><al>ten hoogste twee jaren.</al><al><vet>2. </vet>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                        pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als</al><al>bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering
                        gelijk aan het bedrag van de</al><al>premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd
                        verlof wordt het verhaal naar</al><al>rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet
                        aan de orde in het geval dat het</al><al>verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al><al><vet><cursief>Buitengewoon verlof is geen vakantie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:4:6</vet></al><al>Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in
                        mindering gebracht op de vakantie.</al><al><vet><cursief>(Betaald) ouderschapsverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:5</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                        ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een</al><al>regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat
                        hij dit verlof geniet aanspraak</al><al>op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het maximale
                        bedrag van de fiscale</al><al>tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan
                        maken.</al><al><vet>2. </vet>Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
                        ambtenaar die wordt bezoldigd volgens:</al><al><vet>a. </vet>schaal 1:#90%</al><al><vet>b. </vet>schaal 2:#85%</al><al><vet>c. </vet>schaal 3:#80%</al><al><vet>d. </vet>schaal 4:#70%</al><al><vet>e. </vet>schaal 5:#60%</al><al><vet>f. </vet>schaal 6 en hoger:#50%</al><al><vet>3. </vet>Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat
                        het betaald ouderschapsverlof wordt genoten</al><al>betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels
                        stellen.</al><al><vet><cursief>Voorwaarden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:5:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te
                        nemen ten minste drie maandenvoor de door</al><al>hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde
                        aanvraagformulier.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar die voor een kind van al dan niet betaald
                        ouderschapsverlof gebruik heeft gemaakt, heeft niet</al><al>nogmaals voor datzelfde kind recht op al dan niet betaald
                        ouderschapsverlof.</al><al><vet><cursief>Meerlingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:5:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind
                        aanspraak op gedeeltelijke doorbetaling van de</al><al>bezoldiging als bedoeld in artikel 6:5.</al><al><vet>2. </vet>De bepalingen uit artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4, 6:5:6 en 6:5:7
                        zijn van overeenkomstige toepassing indien</al><al>er, voor het tweede en de meerdere kinderen van een twee- of meerling,
                        gebruik wordt gemaakt van de</al><al>mogelijkheid onbetaald ouderschapsverlof te genieten.</al><al><vet><cursief>Ziekte</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:5:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens
                        ziekte niet in staat is zijn betrekking te</al><al>vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14
                        kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is</al><al>zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag
                        aanspraak op zijn volledige</al><al>bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Opbouw vakantie en vakantie-toelage</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:5:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof
                        geniet, wordt verminderd naar</al><al>evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                        betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt</al><al>langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag
                        de vermindering van de duur</al><al>van de vakantie beëindigd.</al><al><vet>3. </vet>De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die
                        ouderschapsverlof geniet, vindt plaats op basis van</al><al>de bezoldiging genoemd in artikel 6:5, tweede, respectievelijk derde
                        lid.</al><al><vet>4. </vet>Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn
                        betrekking te vervullen en deze ziekteperiode</al><al>duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende
                        kalenderdag de opbouw van de</al><al>vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Terugbetaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:5:5</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die gedurende het ouderschapsverlof of binnen zes
                        maanden nadat hij betaald</al><al>ouderschapsverlof op grond van deze regeling heeft genoten ontslag wordt
                        verleend op grond van artikel 8:1,</al><al>eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond
                        van artikel 6:5 heeft genoten, terug te</al><al>betalen.</al><al><vet>2. </vet>Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag
                        als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid, het gevolg is</al><al>van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente en evenmin
                        indien de betrokkene aanspraak</al><al>heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid,
                        die is ontstaan doordat de</al><al>ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde
                        partner volgt, die door geheel</al><al>buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet
                        wijzigen.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar die gedurende het ouderschapsverlof of binnen
                        drie maanden nadat hij betaald</al><al>ouderschapsverlof op grond van deze regeling heeft genoten op eigen verzoek
                        een betrekking aanvaardt voor</al><al>minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde,
                        dient de bezoldiging, die hij op</al><al>grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling
                        wordt verminderd, terug te betalen.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar die van het ouderschapsverlof gebruik maakt,
                        dient zich tevoren schriftelijk akkoord te</al><al>verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.</al><al><vet><cursief>Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:5:7</vet></al><al>Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet,
                        kan het college een bijzondere regeling</al><al>treffen.</al><al><vet><cursief>Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6.5a</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op
                        ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een</al><al>regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat
                        hij dit verlof geniet aanspraak op</al><al>doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in
                        het tweede en derde lid, indien:</al><al><vet>a. </vet>hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger
                        zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen</al><al>ouderschapsverlof is genoten, en</al><al><vet>b. </vet>hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van
                        de gemeente</al><al><vet><cursief>Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:5a:1</vet></al><al>Op de ambtenaar die gebruik maakt van het overgangsrecht betaald
                        ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot</al><al>en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet><cursief>Financiering loopbaanonderbreking</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:6</vet></al><al>[Vervallen]</al><al><vet><cursief>Zwangerschaps- en bevallingsverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De vrouwelijke ambtenaar die op grond van de Waz
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, heeft</al><al>gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van haar volledige
                        bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>De Waz-uitkering van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                        wordt in mindering gebracht op het bedrag</al><al>waarop de ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar is, wanneer zij recht heeft op zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof, verplicht mee te werken aan</al><al>de aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en
                        door het UWV.</al><al><vet>4. </vet>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                        door de vrouwelijke ambtenaar de</al><al>Waz-uitkering nog niet tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat,
                        aan de ambtenaar een boete</al><al>wordt opgelegd, danwel het recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk
                        wordt geweigerd, en dit aan</al><al>haar schuld of toedoen te wijten is, wordt de Waz-uitkering op de
                        bezoldiging in mindering gebracht.</al><al><vet><cursief>Adoptie- en pleegzorgverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:8</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op adoptie-
                        of pleegzorgverlof, heeft gedurende dit verlof</al><al>aanspraak op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>De Waz-uitkering van het adoptie- of pleegzorgverlof wordt in
                        mindering gebracht op het bedrag waarop de</al><al>ambtenaar op grond van het eerste lid recht heeft.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar is, wanneer hij recht heeft op adoptie- of
                        pleegzorgverlof, verplicht mee te werken aan de</al><al>aanvraag en de uitbetaling van de Waz-uitkering door de gemeente bij en door
                        het UWV.</al><al><vet>4. </vet>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                        door de ambtenaar de Waz-uitkering nog niet</al><al>tot uitbetaling is gekomen, vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een
                        boete wordt opgelegd, danwel het</al><al>recht op de Waz-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan
                        zijn schuld of toedoen te wijten</al><al>is, wordt de Waz-uitkering op de bezoldiging in mindering gebracht.</al><al><vet>5. </vet>Het adoptie- en pleegzorgverlof schort de termijnen, bedoeld
                        in artikel 7:3, niet op.</al><al><vet><cursief>Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke
                                levensloopregeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:9</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de
                        gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald</al><al>verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18
                        maanden.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18
                        maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de</al><al>ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.</al><al><vet>3. </vet>Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid
                        gestelde voorwaarden.</al><al><vet>4. </vet>Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige
                        arbeidsduur of op een deel daarvan.</al><al><vet>5. </vet>De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de
                        gewenste ingangsdatum in. Het college stelt</al><al>vast hoe het verzoek wordt ingediend.</al><al><vet>6. </vet>Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen
                        twee maanden na ontvangst van het verzoek. De</al><al>ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het
                        college.</al><al><vet>7. </vet>Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat
                        hij onbetaald verlof geniet, kan het college het</al><al>verlof intrekken.</al><al><vet>8. </vet>Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet
                        tussentijds worden beëindigd tenzij het college</al><al>en de ambtenaar hiermee instemmen.</al><al><vet>9. </vet>Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat
                        betrekking heeft op een periode direct voorafgaand</al><al>aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen
                        verzetten. In afwijking van het</al><al>bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van
                        maximaal drie jaren.</al><al><vet><cursief>Aanspraken tijdens het verlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:10</vet></al><al><vet>1. </vet>De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof
                        geniet wordt verminderd naar evenredigheid</al><al>van de omvang van het onbetaald verlof.</al><al><vet>2. </vet>Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op
                        uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen,</al><al>toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato
                        vastgesteld.</al><al><vet>3. </vet>Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de
                        gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24.</al><al><vet><cursief>32 (modelverordening)</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Databank Modelverordening/Jurisprudentie SDU Uitgevers
                                bv.</cursief></vet></al><al><vet>4. </vet>Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de
                        pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als</al><al>bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering
                        gelijk aan het bedrag van de</al><al>premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd
                        verlof wordt het verhaal naar</al><al>rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet
                        aan de orde in het geval dat het</al><al>verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.</al><al><vet><cursief>Samenloop met ziekte</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:11</vet></al><al><vet>1. </vet>Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn
                        betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14</al><al>kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende
                        kalenderdag.</al><al><vet>2. </vet>Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die
                        volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14</al><al>kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet
                        wanneer er sprake is van verlof</al><al>voorafgaand aan pensionering.</al><al><vet><cursief>Samenloop met zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6:12</vet></al><al>Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof.</al><al><vet>Hoofdstuk 6a De gemeentelijke levensloopregeling</vet></al><al><vet><cursief>Begripsomschrijvingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:1</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in
                        artikel 19g van de Wet op de loonbelasting</al><al>1964;</al><al><vet>b. </vet>instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of
                        verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde</al><al>lid, Wet op de loonbelasting 1964;</al><al><vet>c. </vet>levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar
                        geopende geblokkeerde rekening, waarop de</al><al>inleg van de ambtenaar wordt gestort;</al><al><vet>d. </vet>levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar
                        afgesloten verzekering, waarop de inleg van</al><al>de ambtenaar wordt gestort;</al><al><vet>e. </vet>levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening
                        onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.</al><al><vet><cursief>Doel</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:2</vet></al><al>De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een
                        voorziening in geld uitsluitend ten behoeve</al><al>van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door
                        de ambtenaar. De gespaarde</al><al>voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet
                        op de loonbelasting 1964.</al><al><vet><cursief>Verzoek tot deelname levensloopregeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling meldt dit bij het college.</al><al><vet>2. </vet>Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de
                        derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet</al><al>wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.</al><al><vet>3. </vet>Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al><al><vet><cursief>Voorwaarden deelname levensloopregeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de
                        instelling waarbij de levenslooprekening of de</al><al>levensloopverzekering wordt aangehouden.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een
                        levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of</al><al>meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de
                        ambtenaar in dienstbetrekking</al><al>staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit
                        levenslooptegoed.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling
                        aan het college informatie verstrekt over de</al><al>omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed
                        geacht wordt te zijn</al><al>opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in
                        dienstbetrekking staat.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij
                        gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke</al><al>levensloopregeling niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in
                        artikel 32 Wet op de</al><al>loonbelasting 1964.</al><al><vet><cursief>Inleg</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:5</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de
                        gemeentelijke levensloopregeling het</al><al>gewenste bedrag van de inleg per jaar.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college
                        aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de</al><al>inleg wijzigen.</al><al><vet>3. </vet>De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6
                        genoemde bronnen.</al><al><vet><cursief>Bronnen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:6</vet></al><al>De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke
                        levensloopregeling bestaat uit een of</al><al>meer van de volgende bronnen:</al><al><vet>a. </vet>het salaris;</al><al><vet>b. </vet>de vakantietoelage;</al><al><vet>c. </vet>de eindejaarsuitkering;</al><al><vet>d. </vet>de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;</al><al><vet>e. </vet>de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als
                        bedoeld in artikel 4a:1;</al><al><vet>f. </vet>het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.</al><al><vet><cursief>Levensloopbijdrage</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met
                        uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55</al><al>jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een
                        levensloopbijdrage ten bedrage</al><al>van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis.
                        De bijdrage bedraagt bij een</al><al>volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit
                        bedrag naar rato vastgesteld. De</al><al>levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren
                        voor of op 31 december 1949</al><al>en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk
                        5a.</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5%
                        indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de</al><al>ambtenaar van toepassing is.</al><al><vet>3. </vet>De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt
                        gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna</al><al>ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De
                        levensloopbijdrage van 2,5% kan</al><al>na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b,
                        van toepassing is.</al><al><vet>4. </vet>De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de
                        maand december betaald.</al><al><vet>5. </vet>Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar
                        bouwt de ambtenaar naar evenredigheid</al><al>aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt
                        betaling van de</al><al>levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de
                        ambtenaar in dienstverband</al><al>werkzaam is geweest.</al><al><vet>6. </vet>De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in
                        het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen</al><al>als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de
                        Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al><vet><cursief>Uitbetaling levensloopbijdrage 2008</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:7a</vet></al><al>De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalenderjaar
                        2008 als gevolg van de wijziging</al><al>van het uitbetalingsmoment van juli naar december berekend over de maanden
                        augustus 2007 tot en met</al><al>december 2008. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal €
                        567. Bij een deeltijdbetrekking</al><al>wordt dit bedrag naar rato vastgesteld</al><al><vet><cursief>Beëindiging deelname levensloopregeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:8</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling
                        uiterlijk twee maanden na ontvangst van de</al><al>kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de
                        kennisgeving moet plaatsvinden</al><al><vet>2. </vet>Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt
                        daarnaast:</al><al><vet>a. </vet>bij overlijden van de ambtenaar;</al><al><vet>b. </vet>bij ontslag van de ambtenaar;</al><al><vet>c. </vet>de dag voordat de ambtenaar 65 jaar wordt.</al><al><vet><cursief>Opname levenslooptegoed</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:9</vet></al><al><vet>1. </vet>Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: a#ten
                        behoeve van de uitbetaling van een uitkering</al><al>tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet
                        arbeid en zorg en hoofdstuk</al><al>6; b#ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak
                        ingevolge artikel 16.6. van</al><al>het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de
                        fiscale grenzen in de Wet op de</al><al>loonbelasting 1964 niet worden overschreden.</al><al><vet>2. </vet>Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de
                        ambtenaar tenminste drie maanden voor de</al><al>gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van
                        zijn) levenslooptegoed. Het</al><al>college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.</al><al><vet>3. </vet>Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden
                        afgekocht in geval van beëindiging van het</al><al>dienstverband.</al><al><vet>4. </vet>Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed
                        niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven</al><al>dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan
                        ten behoeve van de in artikel</al><al>61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve
                        van de belastingdienst bij</al><al>buitenlandse aanbieders.</al><al><vet><cursief>Slotbepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:10</vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en
                        9b, met uitzondering van de</al><al>ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.</al><al><vet><cursief>Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een
                                betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 6a:11</vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die werkzaam is in een
                        betrekking bij het gemeentelijk</al><al>stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005,</al><al>leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al><al><vet>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</vet></al><al><vet><cursief>§1 Definities</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7:1</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en
                        bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij</al><al>aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet
                        van hem kan worden gevergd;</al><al><vet>b. </vet>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende
                        arbeid, die specifiek gericht is op</al><al>terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn
                        vastgelegd in het plan van aanpak</al><al>bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al><al><vet>c. </vet>scholing in het kader van de reïntegratie: scholing die
                        gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende</al><al>arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in
                        artikel 7:9, derde lid;</al><al><vet>d. </vet>arbeidsongeschiktheid in en door de dienst:
                        arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in</al><al>overwegende mate haar oorzaak vindt in:</al><al><vet>- </vet>de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere
                        omstandigheden waaronder deze</al><al>moesten worden verricht of;</al><al><vet>- </vet>in een dienstongeval verband houdende met de aard van de
                        opgedragen werkzaamheden of de</al><al>bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden
                        verricht;</al><al>en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;</al><al><vet>- </vet>restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat
                        de ambtenaar met zijn vaardigheden</al><al>en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;</al><al><vet>e. </vet>arbodienst: een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid,
                        van de Arbeidsomstandighedenwet;</al><al><vet>f. </vet>basisverzekering: verzekering conform de Zvw;</al><al><vet>g. </vet>aanvullende verzekering: verzekering die wordt afgesloten door
                        de ambtenaar naast de basisverzekering</al><al>waarbij het verzekeringspakket – tezamen met het pakket van de basis
                        verzekering – tenminste gelijk is</al><al>aan het verzekeringspakket dat in 2005 werd aangeboden op grond van de
                        Gemeenschappelijke regeling</al><al>zorgverzekering ambtenaren Nederland;</al><al><vet>h. </vet>geselecteerde zorgverzekeraar: Als geselecteerde
                        zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1</al><al>januari 2006 tot en met 31 december 2008 aangewezen IZA Zorgverzekeraar
                        N.V.</al><al><vet>2. </vet>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in
                        acht genomen.</al><al><vet><cursief>§ 2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                                onderzoek</cursief></vet></al><al><cursief>Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig
                            onderzoek</cursief></al><al><vet>Artikel 7:2</vet></al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig</al><al>onderzoek.</al><al><cursief>Arbo-dienst</cursief></al><al><vet>Artikel 7:2:1</vet></al><al>De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.</al><al><cursief>Bedrijfsgeneeskundige begeleiding</cursief></al><al><vet>Artikel 7:2:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige
                        begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit</al><al>hoofdstuk.</al><al><vet>2. </vet>De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar
                        geschiedt door een arbo-dienst, overeenkomstig</al><al>door het college te stellen regels.</al><al><cursief>Consulteren arts door ambtenaar</cursief></al><al><vet>Artikel 7:2:3</vet></al><al>De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te
                        consulteren ter zake van</al><al>gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen
                        samenhangen.</al><al><cursief>Periodiek geneeskundig onderzoek</cursief></al><al><vet>Artikel 7:2:4</vet></al><al>De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan
                        bijzonder gevaar voor zijn</al><al>gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking
                        aan bijzondere gezondheidseisen</al><al>moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te
                        onderwerpen, indien zulks naar</al><al>het oordeel van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk
                        is.</al><al><cursief>Geneeskundig onderzoek</cursief></al><al><vet>Artikel 7:2:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de
                        ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te</al><al>onderwerpen:</al><al><vet>a. </vet>indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                        aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede</al><al>gezondheidstoestand van de ambtenaar;</al><al><vet>b. </vet>indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is
                        gebleken voor het naar behoren vervullen van</al><al>zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken
                        zijn aan te wijzen.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in
                        het eerste lid, te onderwerpen.</al><al><cursief>Buitendienststelling</cursief></al><al><vet>Artikel 7:2:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in
                        artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of</al><al>geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de
                        arbo-dienst de belangen van de ambtenaar,</al><al>die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich
                        tegen voortzetting van zijn betrekking</al><al>verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.</al><al><vet>2. </vet>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt
                        niet plaats indien, naar het oordeel van de</al><al>arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het
                        wenselijk maakt dat hij tijdelijk</al><al>met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden
                        zijn. In dat geval is artikel</al><al>7:18:1 van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>3. </vet>Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt
                        voor de toepassing van de overige artikelen van dit</al><al>hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.</al><al><cursief>Maatregelen of voorzieningen in belang herstel
                        ambtenaar</cursief></al><al><vet>Artikel 7:2:7</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding
                        bestaat, verzoekt het college het UWV</al><al>de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen
                        in het belang van het</al><al>herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het
                        herstel of de bevordering van zijn</al><al>arbeidsgeschiktheid.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid,
                        schriftelijk in kennis gesteld</al><al><vet><cursief>§3 Aanspraken tijdens ziekte</cursief></vet></al><al><cursief>Recht op bezoldiging</cursief></al><al><vet>Artikel 7:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van
                        zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch</al><al>vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die
                        ongeschiktheid gedurende de eerste</al><al>zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid
                        gedurende de zevende tot en met de twaalfde</al><al>maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na
                        12 maanden gedurende de dertiende tot en</al><al>met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn
                        bezoldiging.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na
                        24 maanden tot het einde van zijn</al><al>dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging</al><al><vet>5. </vet>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook
                        gebreken verstaan.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige
                        bezoldiging over de uren waarop hij:</al><al><vet>a. </vet>zijn arbeid verricht;</al><al><vet>b. </vet>passende arbeid verricht;</al><al><vet>c. </vet>werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                        verricht;</al><al><vet>d. </vet>scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.</al><al><vet>7. </vet>De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden
                        recht op de doorbetaling van zijn volledige</al><al>bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.</al><al><vet>8. </vet>De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten
                        minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn</al><al>arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie
                        verricht of scholing volgt in het</al><al>kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft
                        recht op een extra percentage van</al><al>5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit
                        artikel. Hierbij geldt als maximum de</al><al>bezoldiging bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>9. </vet>De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk
                        minimumloon, berekend naar rato van zijn formele</al><al>arbeidsduur.</al><al><vet>10.</vet>De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode
                        van het zwangerschaps- en bevallingsverlof,</al><al>bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de
                        periode, bedoeld in het eerste tot en</al><al>met het vierde lid, op.</al><al><vet>11.</vet>Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid
                        worden perioden van ongeschiktheid wegens</al><al>ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan
                        vier weken opvolgen of indien</al><al>zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps-
                        en bevallingsverlof wordt</al><al>genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden</al><al>voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al><al><vet>12.</vet>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste,
                        tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de</al><al>ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.</al><al><vet>13.</vet>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het
                        recht op bezoldiging.</al><al><vet>14.</vet>Het college zal rekening houden met individuele gevallen van
                        terminale ziekte. In die gevallen zal de</al><al>afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden,
                        bedoeld in het eerste lid, de</al><al>volledige bezoldiging wordt doorbetaald.</al><al><cursief>Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en
                            onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 7:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge
                        een seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk</al><al>5, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel
                        7:3, met dien verstande dat de</al><al>ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen,
                        dan dat hij doorbetaald zou</al><al>hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof
                        geniet heeft recht op doorbetaling van de</al><al>bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar
                        nooit een groter bedrag aan</al><al>bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben
                        gekregen, indien hij niet ziek zou</al><al>zijn geweest.</al><al><cursief>Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de
                            dienst</cursief></al><al><vet>Artikel 7:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of
                        IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid</al><al>in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.</al><al><vet>2. </vet>De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de
                        ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering,</al><al>gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of
                        IVA-uitkering, vermeerderd</al><al>met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het
                        pensioenreglement van de</al><al>Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de
                        bezoldiging die de ambtenaar</al><al>heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is
                        afhankelijk van de mate van</al><al>arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:</al><al>80% of meer: 95%</al><al>65 tot 80% 68,875%</al><al>55 tot 65% 57%</al><al>45 tot 55% 47,5%</al><al>35 tot 45% 38%</al><al><vet>3. </vet>De aanvullende uitkering eindigt:</al><al><vet>a. </vet>indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het
                        eerste lid genoemde voorwaarden of;</al><al><vet>b. </vet>met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op de dag
                        waarop de ambtenaar de leeftijd van 65</al><al>jaar bereikt.</al><al><vet>4. </vet>De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond
                        van dit artikel, is verplicht om het college</al><al>op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn
                        arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling</al><al>ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al><cursief>Overlijdensuitkering bij arbeidsongeschiktheid in en door de
                            dienst</cursief></al><al><vet>Artikel 7:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de ambtenaar die recht heeft op een uitkering als
                        bedoeld in artikel 7:5 overlijdt en zijn overlijden een</al><al>rechtstreeks gevolg is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, dan
                        wordt aan diegene die, in verband</al><al>met dit overlijden, uit hoofde van het dienstverband van de ambtenaar, een
                        nabestaandenpensioen geniet,</al><al>een uitkering verleend ten bedrage van 18% van dit nabestaandenpensioen. Op
                        deze uitkering worden de</al><al>bepalingen inzake inbouw AOW/ANW en bepalingen inzake vermindering met de
                        franchise niet toegepast.</al><al><vet>2. </vet>De uitkering op grond van dit artikel eindigt;</al><al><vet>a. </vet>op de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop de
                        overledene de leeftijd van 65 jaar zou</al><al>hebben bereikt;</al><al><vet>b. </vet>indien de weduwe of weduwnaar aan wie een nabestaandenpensioen
                        werd toegekend hertrouwt, dan wel</al><al>een geregistreerd partnerschap aangaat. De uitkering eindigt dan op de
                        eerste dag van de maand volgende</al><al>op de dag van het hertrouwen, dan wel het aangaan van een geregistreerd
                        partnerschap.</al><al><cursief>Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij
                            arbeidsongeschiktheid in en door de dienst</cursief></al><al><vet>Artikel 7:7</vet></al><al><vet>1. </vet>Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de
                        ambtenaar vergoed de te zijner laste</al><al>blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van
                        geneeskundige behandeling of</al><al>verzorging.</al><al><vet>2. </vet>Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere
                        voorschriften geven.</al><al><cursief>Nadere regels</cursief></al><al><vet>Artikel 7:8</vet></al><al>Het college kan nadere regels stellen.</al><al><cursief>Vaststelling referte-tijdvak toelagen</cursief></al><al><vet>Artikel 7:8:1</vet></al><al>Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de
                        gemiddelde hoogte van de toelage</al><al>onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de
                        prestatiebeloning, ten behoeve van</al><al>de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit
                        hoofdstuk, dient in een lokale regeling</al><al>nader te worden uitgewerkt.</al><al><cursief>Periodieke salarisverhoging</cursief></al><al><vet>Artikel 7:8:2</vet></al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een
                        lokale regeling nader te worden</al><al>uitgewerkt.</al><al><cursief>Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel
                            2:7a</cursief></al><al><vet>Artikel 7:8:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van
                        toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan</al><al>alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de
                        arbeidsomvang overeenkomt met deze</al><al>feitelijke arbeidsduur.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van
                        artikel 2:7a, kan voor de duur van de periode</al><al>waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot
                        aanvaarding van arbeid waarvan de</al><al>arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer
                        de periode waarvoor de</al><al>toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de
                        ambtenaar ten aanzien van de</al><al>aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.</al><al><vet><cursief>§4 Verplichtingen en sancties</cursief></vet></al><al><cursief>Verplichtingen college</cursief></al><al><vet>Artikel 7:9</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige
                        maatregelen te treffen en voorschriften te geven als</al><al>redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met
                        ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of</al><al>gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de
                        eigen arbeid of passende arbeid te</al><al>verrichten.</al><al><vet>2. </vet>Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden
                        verricht en binnen de openbare dienst van de</al><al>gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de
                        inschakeling van de ambtenaar in</al><al>passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.</al><al><vet>3. </vet>Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en
                        tweede lid, stelt het college in overeenstemming</al><al>met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede
                        lid, van de WIA. Het plan van</al><al>aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo
                        nodig bijgesteld.</al><al><vet>4. </vet>Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn
                        opgenomen met betrekking tot de wijze</al><al>waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim,
                        verplichtingen omtrent ziek- en</al><al>herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige
                        begeleiding en de daarbij in acht te</al><al>nemen procedures.</al><al><cursief>Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij
                            ziekte</cursief></al><al><vet>Artikel 7:10</vet></al><al>De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die
                        noodzakelijk is voor de uitvoering van dit</al><al>hoofdstuk.</al><al><cursief>Verplichting tot verlening van medewerking aan
                            reïntegratie</cursief></al><al><vet>Artikel 7:11</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van
                        ziekte verhinderd is zijn arbeid te</al><al>verrichten, is verplicht:</al><al><vet>a. </vet>gevolg te geven aan, door het college of een door hem
                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke</al><al>voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem
                        aangewezen deskundige getroffen</al><al>maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;</al><al><vet>b. </vet>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                        bijstellen van een plan van aanpak als</al><al>bedoeld in artikel 7:9, derde lid;</al><al><vet>c. </vet>zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld
                        in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn
                        betrekking te vervullen, in staat is passende</al><al>arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of
                        een andere werkgever daartoe in de</al><al>gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.</al><al><cursief>Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek</cursief></al><al><vet>Artikel 7:12</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of
                        vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch</al><al>onderzoek ter beantwoording van de vragen:</al><al><vet>a. </vet>of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn
                        betrekking wegens ziekte;</al><al><vet>b. </vet>in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder
                        a;</al><al><vet>c. </vet>of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn
                        betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt;</al><al><vet>d. </vet>of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige
                        behandeling te stellen of te blijven stellen,</al><al>dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende
                        geneeskundige gegeven, met dien</al><al>verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan
                        een ingreep van heelkundige</al><al>aard zijn uitgezonderd;</al><al><vet>e. </vet>of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt
                        belemmerd of vertraagd;</al><al><vet>f. </vet>of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het
                        belang van het herstel van zijn gezondheid, dan</al><al>wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn
                        arbeidsgeschiktheid;</al><al><vet>g. </vet>wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan
                        worden hervat.</al><al><vet>2. </vet>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                        redenen van medisch onderzoek.</al><al><cursief>Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging</cursief></al><al><vet>Artikel 7:13:1</vet></al><al>Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3
                        bestaat:</al><al><vet>a. </vet>indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel
                        7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij</al><al>de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn
                        betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de</al><al>ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan
                        worden gemaakt;</al><al><vet>b. </vet>indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een
                        half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid,</al><al>bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij
                        onjuiste informatie omtrent</al><al>zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten
                        gevolge waarvan de verklaring</al><al>dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen
                        bezwaren bestaan, ten onrechte is</al><al>afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw
                        heeft gehandeld.</al><al><cursief>Staken van doorbetaling de bezoldiging</cursief></al><al><vet>Artikel 7:13:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3,
                        wordt gestaakt, indien en voor zolang de</al><al>ambtenaar:</al><al><vet>a. </vet>weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het
                        verlenen van medewerking aan een door of</al><al>vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen;</al><al><vet>b. </vet>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte
                        heeft nagelaten zich onder geneeskundige</al><al>behandeling te stellen of te blijven stellen;</al><al><vet>c. </vet>blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de
                        voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt,</al><al>met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van
                        heelkundige aard;</al><al><vet>d. </vet>zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig
                        maakt aan gedragingen waardoor zijn</al><al>genezing wordt belemmerd of vertraagd;</al><al><vet>e. </vet>er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig
                        onderzoek door een door de arbo-dienst</al><al>aangewezen arts niet kan plaatshebben;</al><al><vet>f. </vet>tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid
                        wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor</al><al>derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn
                        genezing wenselijk wordt geacht en</al><al>het college daartoe toestemming heeft verleend;</al><al><vet>g. </vet>weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij
                        heeft in verband met het verrichten van door</al><al>de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor
                        zichzelf of derden;</al><al><vet>h. </vet>zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst
                        bepaalde tijdstip en in de door deze dienst</al><al>bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door
                        de arbo-dienst als geldig</al><al>erkende reden heeft opgegeven;</al><al><vet>i. </vet>weigert om - op verzoek van het college - informatie te
                        verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering</al><al>van dit hoofdstuk.</al><al><vet>2. </vet>De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de
                        ambtenaar op grond van zijn geestelijke</al><al>toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het
                        eerste lid.</al><al><cursief>Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen
                        ambtenaar</cursief></al><al><vet>Artikel 7:14</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen,
                        bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt</al><al>disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.</al><al><vet>2. </vet>De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3,
                        wordt gestaakt, indien en voor zolang de</al><al>ambtenaar:</al><al><vet>a. </vet>weigert mee te werken aan, door het college of een door hem
                        aangewezen deskundige, gegeven redelijke</al><al>voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste
                        lid, onder a, die erop gericht zijn</al><al>om de betrokkene in staat te stellen de eigen of passende arbeid te
                        verrichten;</al><al><vet>b. </vet>weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en
                        bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in</al><al>artikel 7:11, eerste lid, onder b.</al><al><vet>c. </vet>weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij
                        op grond van artikel 7:11, tweede lid,</al><al>verplicht is.</al><al><vet>3. </vet>De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede
                        lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op</al><al>grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het
                        gedrag, genoemd in het tweede</al><al>lid.</al><al><cursief>Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan
                            ambtenaar</cursief></al><al><vet>Artikel 7:15:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere
                        omstandigheden aanleiding geven, bepalen,</al><al>dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde
                        bezoldiging, geheel of ten dele aan</al><al>anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.</al><al><vet>2. </vet>Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde
                        bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de</al><al>ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging
                        alsnog aan de ambtenaar uitbetaald</al><al>wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel
                        30, eerste lid, onderdeel e, f</al><al>en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de
                        ongeschiktheid tot werken in het gelijk</al><al>gesteld wordt.</al><al><cursief>Herplaatsing in passende arbeid</cursief></al><al><vet>Artikel 7:16</vet></al><al><vet>1. </vet>Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de
                        ambtenaar opgedragen:</al><al><vet>a. </vet>door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur,
                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging</al><al>van de aanstelling;</al><al><vet>b. </vet>door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef,
                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging</al><al>van de aanstelling;</al><al><vet>c. </vet>bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering,
                        zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging</al><al>van de aanstelling.</al><al><vet>2. </vet>Na 24 maanden van ziekte kan passende arbeid, bedoeld in
                        artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar worden</al><al>opgedragen in een andere betrekking, door wijziging van de aanstelling.</al><al><vet>3. </vet>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                        ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en</al><al>die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na
                        de periode van 24 maanden,</al><al>bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn
                        volledige restverdiencapaciteit</al><al>benut.</al><al><vet>1. </vet>Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die
                        ziek is geworden op of na 1 juli 2007</al><al>en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de
                        periode van 12 maanden na de</al><al>periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de
                        passende arbeid 50% van zijn</al><al>restverdiencapaciteit of meer benut.</al><al><vet>1. </vet>Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt
                        onder een andere betrekking mede verstaan het</al><al>verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.</al><al><vet>1. </vet>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                        maanden worden perioden van ongeschiktheid</al><al>voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand
                        aan het zwangerschapsen</al><al>bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof
                        bedoeld in artikel 6:7, niet in</al><al>aanmerking genomen.</al><al><vet>1. </vet>Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12
                        maanden worden perioden van ongeschiktheid</al><al>wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder
                        dan vier weken opvolgen,</al><al>of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin
                        zwangerschaps- of bevallingsverlof</al><al>wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet
                        geacht kan worden voort te vloeien uit</al><al>dezelfde oorzaak.</al><al><vet>1. </vet>De termijn van 24 maanden wordt verlengd:</al><al><vet>a. </vet>met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte,
                        bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de</al><al>Ziektewet later doet dan op grond van dat artikel van de Ziektewet is
                        voorgeschreven;</al><al><vet>b. </vet>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al><al><vet>c. </vet>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen op grond van artikel</al><al>25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle
                        informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit</al><al>vast te stellen.</al><al><cursief>Terugkeer in betrekking na ziekte</cursief></al><al><vet>Artikel 7:17</vet></al><al><vet>1. </vet>Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is
                        zijn betrekking te vervullen, kan worden</al><al>bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal mogen vervullen, indien het
                        college daarvoor toestemming</al><al>heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan
                        geschieden.</al><al><vet>2. </vet>Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden
                        gelet op het advies van de arbo-dienst of</al><al>van het UWV.</al><al><vet>3. </vet>De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval
                        vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan</al><al>een jaar volledig verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen.</al><al><cursief>Inkomsten uit of in verband met arbeid</cursief></al><al><vet>Artikel 7:18</vet></al><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering
                        brengen van inkomsten uit passende</al><al>arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de
                        bezoldiging.</al><al><cursief>Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op
                            bezoldiging</cursief></al><al><vet>Artikel 7:18:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen
                        van zijn betrekking, op grond van een aan het</al><al>college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het
                        belang van zijn genezing of zijn</al><al>reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid
                        voor zichzelf of voor derden</al><al>verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op de
                        bezoldiging waar de ambtenaar</al><al>recht op heeft krachtens artikel 7:3.</al><al><vet>2. </vet>Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens
                        gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op</al><al>grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere
                        toelage, onder welke benaming ook,</al><al>die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste
                        lid.</al><al><vet><cursief>§5 Bijzondere situaties</cursief></vet></al><al><cursief>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met
                        ZW-uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 7:19</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht</al><al>heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering
                        gebracht op het bedrag waarop</al><al>hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in
                        de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn</al><al>schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge
                        geen ZW-uitkering ontvangt,</al><al>voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al><vet>3. </vet>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                        door de ambtenaar de ZW-uitkering</al><al>vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel
                        het recht op de ZW-uitkering</al><al>geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te
                        wijten is, wordt voor de</al><al>toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige
                        ZW-uitkering.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                        medewerking aan het via het college tot uitbetaling</al><al>laten komen van de ZW-uitkering.</al><al><vet>5. </vet>Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de
                        ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht</al><al>heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.</al><al><cursief>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een
                        WW-uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 7:20</vet></al><al>Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de
                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk</al><al>is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die
                        uitkering in mindering gebracht op het</al><al>bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al><cursief>Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van de
                            WIA</cursief></al><al><vet>Artikel 7:21</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende
                        verhindering tot het vervullen van zijn betrekking recht</al><al>heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering
                        in mindering gebracht op het</al><al>bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een
                        IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer</al><al>dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van de bezoldiging uit de
                        verschillende functies, in</al><al>mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging
                        wordt doorbetaald.</al><al><vet>3. </vet>Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt
                        binnen de in de WIA gestelde termijnen en</al><al>hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij
                        dientengevolge geen WGA- of</al><al>IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden
                        met een IVA-uitkering.</al><al><vet>4. </vet>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                        door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld</al><al>of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem
                        dit redelijkerwijs kan</al><al>worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden
                        met een IVA-uitkering.</al><al><vet>5. </vet>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                        handelingen door betrokkene de WGA- of</al><al>IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of
                        gedeeltelijk wordt geweigerd,</al><al>en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van
                        dit artikel uitgegaan van de</al><al>WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of
                        gedeeltelijke weigering van</al><al>het bedrag plaatsvond.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle
                        medewerking aan het via het college tot uitbetaling</al><al>laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.</al><al><cursief>Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement</cursief></al><al><vet>Artikel 7:22</vet></al><al>Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in
                        aanvulling op de WGA- of</al><al>IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke
                        aanvulling op grond van het</al><al>Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al><cursief>WAJONG/WAZ</cursief></al><al><vet>Artikel 7:23</vet></al><al>Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op
                        een WAJONG- of WAZ-uitkering,</al><al>worden deze uitkeringen voor de toepassing va dit hoofdstuk gelijkgesteld
                        met een uitkering op grond van de</al><al>WIA.</al><al><vet>Artikel 7:23:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet><cursief>§6 Ziektekosten</cursief></vet></al><al><cursief>Tegemoetkoming ziektekosten</cursief></al><al><vet>Artikel 7:24</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar, die zowel de basisverzekering als een
                        aanvullende verzekering afsluit bij de geselecteerde</al><al>zorgverzekeraar, wordt een tegemoetkoming in zijn ziektekosten
                        verleend.</al><al><vet>2. </vet>De tegemoetkoming in ziektekosten wordt eenmaal per
                        kalenderjaar in de maand februari uitbetaald.</al><al><vet>3. </vet>Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar
                        heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op</al><al>een tegemoetkoming in ziektekosten. Uitbetaling vindt plaats in de maand
                        februari van het kalenderjaar na</al><al>indiensttreding.</al><al><vet>4. </vet>Bij uitdiensttreding van de ambtenaar na 1 januari van een
                        kalenderjaar vindt verrekening van de</al><al>tegemoetkoming plaats. De tegemoetkoming die gerelateerd is aan het gedeelte
                        van het kalenderjaar dat de</al><al>ambtenaar niet in dienstverband werkzaam is geweest, moet worden
                        terugbetaald.</al><al><cursief>Hoogte tegemoetkoming</cursief></al><al><vet>Artikel 7:25</vet></al><al><vet>1. </vet>In 2007 bedraagt de tegemoetkoming in ziektekosten € 162 per
                        jaar. In 2008 bedraagt de tegemoetkoming in</al><al>ziektekosten € 16 per jaar.</al><al><vet>2. </vet>In 2007 bedraagt de tegemoetkoming in ziektekosten € 286 per
                        jaar indien de ambtenaar in het voorafgaande</al><al>kalenderjaar een bezoldiging heeft ontvangen die lager of gelijk is aan het
                        maximum bedrag van schaal 6.</al><al>In 2008 bedraagtr de tegemoetkoming in ziektekosten € 296 per jaar indien de
                        ambtenaar het voorafgaande</al><al>kalenderjaar een bezoldiging heeft ontvangen die lager of gelijk is aan het
                        maximum bedrag van schaal 6.</al><al><vet>3. </vet>Bij de vaststelling of de bezoldiging van de ambtenaar lager
                        of gelijk is aan schaal 6 wordt uitgegaan van</al><al>de daadwerkelijk ontvangen bezoldiging over het voorafgaande kalenderjaar.
                        Hierbij worden tevens in</al><al>aanmerking genomen inkomsten die een ambtenaar geniet uit hoofde van een
                        andere dienstbetrekking. De</al><al>ambtenaar is verplicht de gemeente te informeren over dergelijke
                        inkomsten.</al><al><vet>4. </vet>Bij de bepaling van het maximum bedrag van schaal 6 wordt
                        uitgegaan van de daadwerkelijk vastgestelde</al><al>bedragen per maand zoals die golden in het voorafgaande kalenderjaar.</al><al><vet>5. </vet>Voor de hoogte van de tegemoetkoming als bedoeld in de leden 1
                        en 2 en voor de bepaling van de hoogte</al><al>van het maximumbedrag van schaal 6 als bedoeld in de leden 2, 3 en 4 wordt
                        geen rekening gehouden met de</al><al>omvang van de betrekking.</al><al><vet>Artikel 7:25:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 7:25:2</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 7:25:3</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 7:25:4</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Meerdere dienstverbanden</cursief></al><al><vet>Artikel 7:25a</vet></al><al>Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een
                        tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten,</al><al>wordt dit verrekend met de tegemoetkoming op grond van artikel 7:24 en
                        artikel 7:25. De ambtenaar is verplicht</al><al>de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke tegemoetkoming ontvangt
                        uit hoofde van een andere</al><al>dienstbetrekking.</al><al><cursief>Inhouding ziektekostenpremies</cursief></al><al><vet>Artikel 7:25b</vet></al><al>Premies die de ambtenaar en/of zijn gezinsleden verschuldigd zijn aan de
                        geselecteerde zorgverzekeraar</al><al>worden door het college op de bezoldiging van de desbetreffende ambtenaar
                        ingehouden en afgedragen aan</al><al>de geselecteerde zorgverzekeraar, tenzij de ambtenaar schriftelijk aan de
                        geselecteerde zorgverzekeraar heeft</al><al>meegedeeld hiertegen bezwaar te hebben, of tenzij de som van de af te dragen
                        premies hoger is dan de netto</al><al>bezoldiging van de ambtenaar.</al><al><vet><cursief>§7 Overige bepalingen</cursief></vet></al><al><cursief>Overgangsbepaling</cursief></al><al><vet>Artikel 7:26</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31
                        december 2000 recht heeft op bezoldiging</al><al>of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze
                        datum voortduurt, blijven de</al><al>bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van
                        kracht tot het moment dat de</al><al>ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de
                        betrokkene recht krijgt op een</al><al>uitkering krachtens de Ziektewet.</al><al><vet>2. </vet>De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan
                        hem, die op grond van dit artikel zijn</al><al>verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een
                        uitkering krachtens de Ziektewet wordt</al><al>toegekend.</al><al><cursief>Garantie-uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 7:27</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6,
                        tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari</al><al>2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een lager</al><al>niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen
                        aanvullende gangbare arbeid is</al><al>aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen
                        restverdiencapaciteit te</al><al>benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen
                        geaccepteerde arbeid waartoe</al><al>betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.</al><al><vet>2. </vet>De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van
                        aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke</al><al>betrekking 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden
                        70% van de bezoldiging</al><al>die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke betrekking.</al><al><vet>3. </vet>Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen
                        de ambtenaar ontvangt aan bezoldiging</al><al>uit de betrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het
                        recht op WAO-uitkering,</al><al>invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband
                        met arbeid of bedrijf verkregen op</al><al>of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is
                        vastgesteld.</al><al><vet>4. </vet>Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te
                        maken die kan leiden tot het verkrijgen van</al><al>gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien
                        hij opzettelijk inkomsten uit</al><al>gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de
                        garantie-uitkering verminderd met het bedrag</al><al>van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.</al><al><vet>5. </vet>De garantie-uitkering eindigt:</al><al><vet>a. </vet>met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd
                        van 65 jaar bereikt;</al><al><vet>b. </vet>bij ontslag.</al><al><vet><cursief>Overgangsartikel</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7:28</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                        bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari</al><al>2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en
                        7:22 niet van toepassing.</al><al><vet>2. </vet>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                        7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en</al><al>7:22 zoals die golden op 31 december 2005, van toepassing.</al><al><vet>3. </vet>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                        bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1</al><al>januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering,
                        zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9,</al><al>7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.</al><al><vet>4. </vet>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                        7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die</al><al>golden op 31 december 2005, van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel
                        7:21, eerste lid, naar artikel</al><al>7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3,
                        zoals dat luidt met ingang van 1</al><al>januari 2006.</al><al><vet>5. </vet>Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van
                        wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld</al><al>in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de
                        ongeschiktheid vast. De hoogte van de</al><al>loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de
                        ongeschiktheid berekend op basis van</al><al>het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.</al><al><vet>Artikel 7:28:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                        bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari</al><al>2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.</al><al><vet>2. </vet>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1
                        zoals dat gold op 31 december 2005, van</al><al>toepassing.</al><al><vet>Artikel 7:28a</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                        bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007</al><al>is artikel 7:16 niet van toepassing.</al><al><vet>2. </vet>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid
                        bedoeld in artikel 7:3 gelegen is voor 1 juli 2007</al><al>is artikel 7:16, zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al><al><vet><cursief>Uitbetaling werkgeversbijdrage 2006</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7:29</vet></al><al>Vervallen.</al><al><vet><cursief>Overgangsbepaling 1%-regeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 7:29:1</vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>8 Ontslag</vet></al><al><vet><cursief>Ontslag op verzoek</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                        verleend.</al><al><vet>2. </vet>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                        verleend.</al><al><vet>3. </vet>Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden
                        indien een ontslag op grond van artikel 8:13</al><al>overwogen wordt.</al><al><vet>Artikel 8:1:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met
                        ingang van een datum gelegen binnen een maand</al><al>dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is
                        ingekomen.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het
                        eerste lid worden afgeweken.</al><al><vet>3. </vet>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar
                        aanhangig is of indien overwogen wordt hem in</al><al>aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een
                        beslissing op een verzoek om ontslag</al><al>worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing
                        inzake de disciplinaire straf</al><al>onherroepelijk is geworden.</al><al><vet><cursief>Ontslag wegens ouderdomspensioen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Aan de ambtenaar die de volgens artikel 7.3, eerste lid, van
                        het pensioenreglement voor het recht op</al><al>ouderdomspensioen vereiste leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de
                        eerste dag van de maand</al><al>volgende op die waarin de bedoelde leeftijd is bereikt eervol ontslag
                        verleend.</al><al><vet>2. </vet>Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar
                        hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste</al><al>lid afwijken.</al><al><vet>Artikel 8:2a</vet></al><al>De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na de leeftijd
                        van 65 jaar in dienst is getreden</al><al>van de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld
                        in artikel 8:2, tweede lid, wordt</al><al>beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een
                        opzegtermijn van één maand in</al><al>acht genomen.</al><al><vet>Artikel 8:2:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet><cursief>Ontslag wegens reorganisatie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing
                        van zijn betrekking of wegens verandering</al><al>in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van
                        andere dienstonderdelen, dan wel</al><al>wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit
                        artikel wordt eervol verleend.</al><al><vet>2. </vet>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                        verleend.</al><al><vet>3. </vet>Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen
                        uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf</al><al>vastgesteld plan.</al><al><vet>Artikel 8:3:1</vet></al><al>Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in
                        de commissie bedoeld in artikel 12.1,</al><al>tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.</al><al><vet><cursief>Reorganisatieontslag kunstzinnige vorming</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:3:1a</vet></al><al><vet>1. </vet>Artikel 8:3, derde lid, geldt niet voor het onderwijzend
                        personeelslid werkzaam binnen de kunstzinnige</al><al>vorming, dat voor minder dan 5 uur of minder dan de helft van zijn formele
                        arbeidsduur ontslagen wordt op</al><al>grond van artikel 8:3.</al><al><vet>2. </vet>Ontslag op grond van artikel 8:3 van de ambtenaar, bedoeld in
                        het eerste lid, vindt slechts plaats indien</al><al>het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar
                        binnen de openbare dienst</al><al>van de gemeente andere mede in verband met zijn persoonlijkheid en
                        omstandigheden voor hem passende</al><al>werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden
                        weigert te aanvaarden.</al><al><vet>3. </vet>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 van de ambtenaar, bedoeld
                        in het eerste lid, wordt een opzegtermijn van</al><al>drie maanden in acht genomen.</al><al><vet><cursief>Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:</al><al><vet>2. a. </vet>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht
                        bestaat op een WGA-uitkering;</al><al><vet>b. </vet>arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat
                        op een IVA-uitkering.</al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige
                        ongeschiktheid voor de vervulling</al><al>van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt
                        onder ziekte mede verstaan</al><al>gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.</al><al><vet>3. </vet>Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden
                        indien er sprake is van ongeschiktheid voor de</al><al>vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24
                        maanden.</al><al><vet>4. </vet>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er
                        sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid</al><al>het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een
                        mogelijke herbeoordeling.</al><al><vet>5. </vet>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                        een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede</al><al>lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e
                        maand na de eerste ziektedag.</al><al><vet>6. </vet>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                        meest recente WIA-beschikking zijn genomen.</al><al><vet>7. </vet>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in
                        het zesde lid, genomen is, moet het college,</al><al>indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een
                        deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al><vet>8. </vet>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                        24 maanden worden perioden van</al><al>ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van
                        zwangerschap voorafgaand aan het</al><al>zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of
                        bevallingsverlof bedoeld in</al><al>artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</al><al><vet>9. </vet>Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van
                        24 maanden worden perioden van</al><al>ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier</al><al>weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een
                        periode waarin zwangerschaps- of</al><al>bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden</al><al>voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al><al><vet>10.</vet>De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt
                        verlengd:</al><al><vet>11.a. </vet>met de duur van de vertraging indien de werkgever de
                        aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de</al><al>Ziektewet later doet dan op grond van dat artikel van de Ziektewet is
                        voorgeschreven;</al><al><vet>b. </vet>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al><al><vet>c. </vet>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen op grond van artikel</al><al>25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al><al><vet><cursief>Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                        gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling</al><al>van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt
                        onder ziekte mede verstaan</al><al>gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.</al><al><vet>2. </vet>Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts
                        plaatsvinden indien:</al><al><vet>a. </vet>er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                        betrekking wegens ziekte gedurende een</al><al>periode van 36 maanden;</al><al><vet>b. </vet>het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de
                        ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst</al><al>passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.</al><al><vet>3. </vet>Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er
                        sprake is van een situatie als bedoeld in het</al><al>tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de
                        resultaten van een mogelijke</al><al>herbeoordeling.</al><al><vet>4. </vet>Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat
                        een ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid</al><al>wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand
                        na de eerste ziektedag.</al><al><vet>5. </vet>Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de
                        meest recente WIA-beschikking zijn genomen.</al><al><vet>6. </vet>Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in
                        het vijfde lid, genomen is, moet het college,</al><al>indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een
                        deskundigenoordeel van UWV betrekken.</al><al><vet>7. </vet>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                        bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden</al><al>van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van
                        zwangerschap voorafgaand aan het</al><al>zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of
                        bevallingsverlof bedoeld in</al><al>artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.</al><al><vet>8. </vet>Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a,
                        bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden</al><al>van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een
                        onderbreking van minder dan vier</al><al>weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een
                        periode waarin zwangerschaps- of</al><al>bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval
                        redelijkerwijs niet geacht kan worden</al><al>voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.</al><al><vet>9. </vet>De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid,
                        onderdeel a, wordt verlengd:</al><al><vet>a. </vet>met de duur van de vertraging indien de werkgever de aangifte,
                        bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de</al><al>Ziektewet later doet dan op grond van dat artikel van de Ziektewet is
                        voorgeschreven;</al><al><vet>b. </vet>met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in
                        artikel 24, eerste lid, van de WIA en</al><al><vet>c. </vet>met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen op grond van artikel</al><al>25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al><al><vet>10.</vet>Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst
                        passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde</al><al>of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van
                        ongeschiktheid op grond van dit</al><al>artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het
                        zesde, zevende en achtste lid</al><al>van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.</al><al><vet>Artikel 8:5a</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn
                        functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag</al><al>verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert:</al><al><vet>a. </vet>gevolg te geven aan door het college of een door hem
                        aangewezen deskundige gegeven redelijke</al><al>voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem
                        aangewezen deskundige getroffen</al><al>maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te
                        verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;</al><al><vet>b. </vet>arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, te verrichten
                        waartoe het college hem in de gelegenheid</al><al>stelt;</al><al><vet>c. </vet>zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en
                        bijstellen van een plan van aanpak als</al><al>bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;</al><al><vet>d. </vet>een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.</al><al><vet>2. </vet>Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld
                        in het eerste lid, wint het college een hierop</al><al>betrekking hebbend advies van het UWV in.</al><al><vet>Artikel 8:5:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet><cursief>Ontslag wegens onbekwaamheid of
                        ongeschiktheid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van
                        onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de</al><al>vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken.
                        Ontslag op grond van dit artikel</al><al>wordt eervol verleend.</al><al><vet>2. </vet>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                        verleend.</al><al><vet><cursief>Overige ontslaggronden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:7</vet></al><al>Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:</al><al><vet>a. </vet>verlies van een vereiste bij de aanstelling door het
                        bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij</al><al>aanvaarding van de betrekking geldt;</al><al><vet>b. </vet>aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de
                        betrekking zou uitsluiten;</al><al><vet>c. </vet>staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden
                        rechterlijke uitspraak;</al><al><vet>d. </vet>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al><al><vet>e. </vet>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                        misdrijf;</al><al><vet>f. </vet>het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met
                        indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen</al><al>verwijt kan worden gemaakt.</al><al><vet>Artikel 8:7:1</vet></al><al>Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op
                        grond van evengenoemd artikel</al><al>eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende
                        op die waarop de reden voor het</al><al>ontslag voor het eerst aanwezig was.</al><al><vet>Artikel 8:8</vet></al><al><vet>1. </vet>Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden
                        ontslagen op een bij het besluit omschreven grond,</al><al>niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk
                        genoemd.</al><al><vet>2. </vet>Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden
                        verleend.</al><al><vet>Artikel 8:8:1</vet></al><al>De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8,
                        wordt slechts op verzoek van de</al><al>ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.</al><al><vet>Artikel 8:9</vet></al><al>Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een
                        publiekrechtelijk college, waarin</al><al>hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn
                        ambt, wordt, indien hij ophoudt</al><al>zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in
                        actieve dienst kan worden hersteld,</al><al>eervol ontslag verleend.</al><al><vet><cursief>Ontslag wegens Pre-VUT</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:10</vet></al><al><vet>1. </vet>Behoudens het bepaalde in het volgende lid wordt aan de
                        ambtenaar op zijn verzoek eervol ontslag verleend,</al><al>indien hij op de datum van zijn ontslag recht heeft op een uitkering
                        ingevolge het bepaalde in artikel 5:2.</al><al><vet>2. </vet>Ontslag wegens pré-vut wordt slechts verleend, indien het
                        bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op</al><al>een desbetreffend verzoek heeft beslist, dat na het te verlenen ontslag
                        recht bestaat op een uitkering op grond</al><al>van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering.</al><al><vet>Artikel 8:10:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:10, tweede lid, gaat eerst
                        in met ingang van de dag waarop het recht op een</al><al>uitkering ingevolge het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering
                        bestaat.</al><al><vet>2. </vet>Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet>3. </vet>Het bepaalde in artikel 8:10, eerste lid, geldt niet ten
                        aanzien van de ambtenaar op wie artikel 9:1:2 van</al><al>toepassing is.</al><al><vet><cursief>Ontslag wegens FPU</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:11</vet></al><al><vet>1. </vet>Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een
                        uitkering op grond van de FPU-regeling</al><al>wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds
                        vrijwillig vervroegd uittreden</al><al>overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op
                        grond van een</al><al>desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht
                        bestaat op een uitkering op</al><al>grond van die regeling.</al><al><vet>2. </vet>Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een
                        gedeelte van de voor de ambtenaar geldende</al><al>formele arbeidsduur per week worden verleend, tenzij de belangen van de
                        dienst zich hiertegen verzetten.</al><al>Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de formele arbeidsduur per
                        week. Het deeltijdontslag</al><al>bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10% van de
                        oorspronkelijke formele arbeidsduur.</al><al><vet>Artikel 8:11:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang
                        van de dag waarop het recht op een uitkering</al><al>ingevolge de FPU-regeling bestaat.</al><al><vet>2. </vet>Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet><cursief>Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke
                                urenuitbreiding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:12</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is
                        van rechtswege ontslagen op de datum</al><al>waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin,
                        het dienstverband feitelijk wordt</al><al>gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de
                        tijdelijke aanstelling geacht voor</al><al>dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is
                        aangegaan, is, voor zover het die</al><al>urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de
                        urenuitbreiding eindigt. Indien na de</al><al>datum, bedoeld in de eerste volzin, de urenuitbreiding feitelijk wordt
                        gehandhaafd zonder dat opnieuw een</al><al>urenuitbreiding is verleend, wordt de tijdelijke urenuitbreiding geacht voor
                        dezelfde tijd te zijn aangegaan.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd
                        kan ontslag worden verleend indien de</al><al>omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd
                        is aangegaan, kan, voor zover het die</al><al>urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid
                        die tot de urenuitbreiding leidde,</al><al>is vervallen.</al><al><vet>5. </vet>Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid
                        kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als</al><al>genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.</al><al><vet>6. </vet>Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit
                        een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd</al><al>nadere regels stellen.</al><al><vet><cursief>Tussentijds ontslag en tijdelijke aanstelling of
                                urenuitbreiding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:12:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid,
                        kan ook ontslag worden verleend op een van de</al><al>andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid,
                        kan ook ontslag worden verleend op een van de</al><al>andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.</al><al><vet><cursief>Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of
                                urenuitbreiding voor onbepaalde tijd</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:12:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde
                        lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:</al><al><vet>a. </vet>van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de</al><al>opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;</al><al><vet>b. </vet>van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling
                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de</al><al>opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf
                        maanden, heeft geduurd;</al><al><vet>c. </vet>van één maand, indien de tijdelijke aanstelling
                        respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de</al><al>opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.</al><al><vet>2. </vet>Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde
                        opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op</al><al>doorbetaling van de bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Ontslag als disciplinaire straf</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:13</vet></al><al>Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend
                        worden.</al><al><vet><cursief>Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en
                                vakorganisaties</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:14</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>wet: Wet op de ondernemingsraden;</al><al><vet>b. </vet>ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de
                        wet;</al><al><vet>c. </vet>ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid,
                        van de wet.</al><al><vet>2. </vet>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:</al><al><vet>a. </vet>wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst
                        als bedoeld in artikel 9 van de wet;</al><al><vet>b. </vet>wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;</al><al><vet>c. </vet>wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel
                        15 van de wet;</al><al><vet>d. </vet>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                        geweest van een ondernemingsraad;</al><al><vet>e. </vet>van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is
                        geweest van een commissie bedoeld in artikel 15</al><al>van de wet.</al><al><vet>3. </vet>Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens
                        het feit dat de ambtenaar door een toegelaten</al><al>organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij
                        aangesloten bond is aangewezen om</al><al>bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn
                        centrale of een daarbij aangesloten</al><al>bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de
                        doelstellingen van zijn centrale van</al><al>overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.</al><al><vet>4. </vet>In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan
                        ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden</al><al>wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.</al><al><vet>5. </vet>Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris
                        heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden</al><al>van overeenkomstige toepassing op die secretaris.</al><al><vet><cursief>Schorsing als ordemaatregel</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 8:15:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar
                        door het college worden geschorst:</al><al><vet>a. </vet>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk
                        ontslag is te kennen gegeven of hem</al><al>van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al><al><vet>b. </vet>wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van
                        het Wetboek van Strafvordering een</al><al>bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer
                        gelegd;</al><al><vet>c. </vet>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                        misdrijf wordt ingesteld;</al><al><vet>d. </vet>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het
                        belang van de dienst.</al><al><vet>2. </vet>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><al><vet>a. </vet>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                        ingaat;</al><al><vet>b. </vet>een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde
                        omstandigheid of omstandigheden welke tot</al><al>de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;</al><al><vet>c. </vet>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de
                        schorsing.</al><al><vet>Artikel 8:15:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid,
                        onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde</al><al>gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een
                        verdere vermindering van</al><al>het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging,
                        plaatsvinden, behoudens het bepaalde in</al><al>het derde lid.</al><al><vet>2. </vet>Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid,
                        onder a, kan tot de in de strafaanzegging of</al><al>-oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel
                        of gedeeltelijk worden</al><al>ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum
                        van het ontslag wordt de</al><al>uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.</al><al><vet>3. </vet>Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan
                        de ambtenaar worden uitgekeerd.</al><al>Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het
                        genot van een bedrag, gelijk aan het</al><al>op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.</al><al><vet>4. </vet>De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt
                        alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet</al><al>door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en
                        in zoverre op andere gronden</al><al>alsnog tot uitbetaling wordt besloten.</al><al><vet>5. </vet>De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt
                        alsnog uitbetaald, indien op de schorsing</al><al>bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.</al><al><cursief>Bevoegdheid tot ontslagverlening</cursief></al><al><vet>Artikel 8:15:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is
                        tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk</al><al>door de ambtenaar vervuld.</al><al><vet>2. </vet>Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift
                        gesteld, met vermelding van de datum van ingang</al><al>van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.</al><al><vet>3. </vet>Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor
                        onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de</al><al>grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar
                        vermeld.</al><al><cursief>Opzegtermijnen</cursief></al><al><vet>Artikel 8:16:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Overlijdensuitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 8:16:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald
                        dan tot en met de dag van het overlijden.</al><al><vet>2. </vet>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt
                        aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerde</al><al>partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van
                        drie maanden vermeerderd met</al><al>de vakantietoelage.</al><al>Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag
                        wordt in aanmerking genomen de</al><al>voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende bezoldiging per
                        maand.</al><al>Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner
                        nalaat, geschiedt de uitkering ten</al><al>behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken
                        ook zodanige kinderen dan</al><al>geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders,
                        meerderjarige kinderen, broeders of</al><al>zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.</al><al><vet>3. </vet>Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede
                        lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door</al><al>het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de
                        betaling van de kosten van de</al><al>laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de
                        overledene voor de betaling van die</al><al>kosten ontoereikend is.</al><al><vet>4. </vet>Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering</al><al>waarop de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens
                        overlijden aanspraak kunnen maken</al><al>krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte of
                        arbeidsongeschiktheid.</al><al><vet>Artikel 8:16:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar
                        plaatsvond en de daarop volgende drie</al><al>maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van de
                        dienstwoning waarin zij met de</al><al>ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het college dat
                        in het belang van de dienst</al><al>noodzakelijk acht.</al><al><vet>2. </vet>Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning
                        een vergoeding verschuldigd was, voldoen</al><al>de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het
                        gebruik van de woning behouden.</al><al><cursief>Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele
                        arbeidsduur</cursief></al><al><vet>Artikel 8:17</vet></al><al>Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt
                        teruggebracht, al dan niet na een</al><al>tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een
                        gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk,</al><al>behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel
                        7:16.</al><al><cursief>Overgangsbepaling</cursief></al><al><vet>Artikel 8:18</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                        de vervulling van zijn betrekking wegens</al><al>ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004
                        zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet</al><al>van toepassing.</al><al><vet>2. </vet>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                        8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006,</al><al>van toepassing.</al><al><vet>3. </vet>Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                        de vervulling van zijn betrekking wegens</al><al>ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen op of na 1 januari
                        2004, maar die op grond van de</al><al>WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet
                        van toepassing.</al><al><vet>4. </vet>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen
                        8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006,</al><al>van toepassing.</al><al><vet>Artikel 8:19</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor
                        de vervulling van zijn betrekking wegens</al><al>ziekte, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen voor 1 juli 2007 is artikel 8:5
                        niet van toepassing.</al><al><vet>2. </vet>Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 8:5,
                        zoals dat gold op 30 juni 2008, van toepassing.</al><al><vet>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</vet></al><al><vet><cursief>Ontslag wegens FLO</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:1</vet></al><al>Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het bepaalde in
                        artikel 8:3, zoals bedoeld</al><al>in artikel 9:15, wordt met ingang van de datum van het ontslag ten laste van
                        de gemeente een maandelijkse</al><al>uitkering toegekend.</al><al><vet>Artikel 9:1:1</vet></al><al>Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan
                        de ambtenaar die aan zijn</al><al>ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering volgens de bepalingen van
                        dit hoofdstuk.</al><al><vet>Artikel 9:1:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De in artikel 8:3:1, eerste lid bedoeld in artikel 9:15:1,
                        bedoelde datum van ingang van ontslag kan op</al><al>verzoek van de ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt
                        voor de duur van ten hoogste</al><al>een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar te verlengen,
                        worden opgeschort, indien dit door</al><al>het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het belang van
                        de dienst wordt geacht en de</al><al>ambtenaar, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk en
                        lichamelijk in staat kan worden</al><al>geacht zijn betrekking te blijven vervullen.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het
                        bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag</al><al>van een geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de
                        verdere vervulling van zijn</al><al>betrekking, kan hem ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van
                        de maand volgende op die</al><al>waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is
                        gebracht.</al><al><vet><cursief>Bedrag en duur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het
                        ontslag 80% van de laatstelijk voor het</al><al>ontslag van de ambtenaar aan diens betrekking verbonden bezoldiging
                        vermeerderd met zoveel - doch ten</al><al>hoogste 10 malen - 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle
                        dienstjaren geldig voor pensioen</al><al>krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30
                        bedraagt. Vervolgens bedraagt</al><al>de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag
                        van de uitkering niet lager</al><al>is dan het bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou
                        hebben indien hij zou zijn</al><al>gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in aanmerking zou
                        zijn genomen de diensttijd</al><al>bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken
                        van de leeftijd van 65 jaar zal</al><al>kunnen aanwijzen.</al><al><vet>2. </vet>Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                        bezoldiging wordt voor de toepassing van</al><al>deze regeling verstaan de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1,
                        vermeerderd met de vakantieuitkering,</al><al>bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand, en de eindejaarsuitkering
                        bedoeld in artikel 3:6, met dien</al><al>verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning
                        slechts geacht worden te behoren</al><al>tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf
                        maanden voorafgaande aan het</al><al>ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan de gewezen
                        ambtenaar is toegekend.</al><al><vet>3. </vet>Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                        verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan</al><al>wegens periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen
                        ambtenaar op deze</al><al>bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum van in werking
                        treden dier wijziging af het aldus</al><al>gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                        verbonden bezoldiging.</al><al><vet>4. </vet>De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend
                        indien de ambtenaar na 1 januari 2006</al><al>gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 9:1:2, eerste lid om de ingang
                        van het ontslag uit te</al><al>stellen. Overschrijdt de uitkering de oude bezoldiging dan wordt het
                        meerdere omgezet in ouderdoms- en</al><al>nabestaandenpensioen.</al><al><vet><cursief>Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector
                        Gemeenten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:3</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit artikel wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector
                        Gemeenten.</al><al><vet>b. </vet>Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel uitmaakt
                        van de LOGA-overeenkomst met betrekking</al><al>tot de financiering van het functioneel leeftijdsontslag.</al><al><vet>2. </vet>De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling
                        bedoelde bijdrage af te dragen aan het</al><al>Vereveningsfonds voor alle bij hun in dienst zijnde personen voor wie premie
                        ten behoeve van de</al><al>FPU-regeling moet worden afgedragen.</al><al><vet>3. </vet>De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft
                        verhaald op de bij de instellingen in dienst zijnde</al><al>personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling wordt
                        afgedragen.</al><al><vet><cursief>Samenloop met FPU</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of
                        ouder gelegen is na 1 april 1997, is deze</al><al>ambtenaar verplicht een uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen.
                        De uitkering als bedoeld</al><al>in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling indien de ambtenaar geen
                        toestemming verleent om de uitkering</al><al>krachtens de FPU-regeling via de werkgever tot uitbetaling te laten
                        komen.</al><al><vet>2. </vet>Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet
                        tijdig de uitkering krachtens de FPU-regeling</al><al>aanvraagt, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de
                        periode waarin hij dientengevolge</al><al>voornoemde uitkering niet of niet volledig ontvangt, voor de toepassing van
                        lid 3 van dit artikel rekening</al><al>gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum zou hebben genoten,
                        indien hij de voornoemde</al><al>uitkering wel tijdig zou hebben aangevraagd.</al><al><vet>3. </vet>De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat,
                        verminderd met het bedrag van de uitkering</al><al>krachtens de FPU-regeling , met dien verstande dat buiten beschouwing blijft
                        dat gedeelte van de uitkering</al><al>krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw
                        krachtens artikel 16.2, 16.3 of 16.4</al><al>van het pensioenreglement.</al><al><vet>4. </vet>Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen
                        door de in het tweede lid bedoelde ambtenaar,</al><al>de uitkering krachtens de FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt
                        verklaard dan wel geheel of</al><al>gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor de toepassing van
                        lid 3 van dit artikel geacht</al><al>onverminderd te zijn genoten.</al><al><vet><cursief>Verrekening inkomsten uit of in verband met
                            arbeid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:4:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op
                        uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet</al><al>of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan
                        een uitkering krachtens de</al><al>WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum
                        waarop zijn ontslag is</al><al>ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze
                        vermindering is gelijk aan het bedrag</al><al>waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering krachtens artikel 9:2
                        samen de laatstelijk genoten</al><al>bezoldiging te boven gaan.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                        onmiddellijk voorafgaande aan het</al><al>ontslag ter zake waarvan hem de uitkering krachtens deze regeling is
                        toegekend.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het
                        eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten</al><al>verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is
                        ten aanzien van die inkomsten of</al><al>hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of
                        hogere inkomsten het gevolg</al><al>zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen ambtenaar
                        aannemelijk maakt dat die inkomsten</al><al>niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken,
                        verband houdende met het</al><al>ontslag.</al><al><vet>4. </vet>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                        verstaan inkomsten verkregen wegens</al><al>overwerk of als gratificatie.</al><al><vet>Artikel 9:4:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de
                        gewezen ambtenaar onverwijld mededeling</al><al>aan het college. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de
                        inkomsten, die hij uit dien hoofde</al><al>zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of
                        blijvend wijziging ondergaan, daarvan</al><al>tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere
                        opgave te doen. Zijn de inkomsten</al><al>niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke
                        uitkeringstermijn opgave van</al><al>de inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds
                        de vorige opgave heeft</al><al>genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden mede dat de inkomsten over
                        een langere termijn moeten</al><al>worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op
                        de uitkering een voorlopige</al><al>vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten,
                        onder voorbehoud van nadere</al><al>verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</al><al>Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of
                        bedrijf en de inkomsten daaruit,</al><al>bedoeld in artikel 9:4:1, tweede en derde lid.</al><al><vet>2. </vet>Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het
                        eerste lid, niet of niet volledig nakomt,</al><al>kan het college bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is,
                        niet of slechts gedeeltelijk wordt</al><al>uitbetaald.</al><al><vet>3. </vet>De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de
                        uitkering er in te bewilligen dat zij die</al><al>daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komen, de
                        inlichtingen verstrekken welke voor de</al><al>uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.</al><al><vet><cursief>Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of
                                ongeval</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:4:3</vet></al><al>Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die
                        na zijn ontslag uit hoofde van</al><al>ziekte of ongeval nog aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit
                        hij is ontslagen heeft of verkrijgt,</al><al>wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken
                        bestaan, verminderd met het bedrag</al><al>daarvan.</al><al><vet><cursief>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd
                        van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid</al><al>die artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige
                        voortzetting van de pensioenopbouw, worden</al><al>de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente, voor
                        zover het pensioenopbouw</al><al>voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het
                        bedrag van de premie dat door</al><al>de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog
                        verplicht pensioen zou</al><al>opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een
                        vrijwillige aanvullende</al><al>deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt,
                        komen volledig ten laste van de</al><al>gewezen ambtenaar. De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor
                        zijn ontslag schriftelijk op de</al><al>hoogte van:</al><al><vet>2. a. </vet>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van
                        62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op</al><al>basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al><al><vet>b. </vet>dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven
                        mogelijkheid gebruik maakt om voor</al><al>de helft pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in
                        vergelijking tot de situatie zoals</al><al>die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar
                        bereikte als gevolg van de</al><al>toepasselijkheid van artikel 9:5 lid 1;</al><al><vet>c. </vet>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen
                        ambtenaar om gebruik te maken van de</al><al>mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                        moet zijn bij het bestuur van</al><al>de Stichting Pensioenfonds ABP;</al><al><vet>d. </vet>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                        de indiening van de aanvraag wordt</al><al>ondersteund door de werkgever.</al><al><vet>3. </vet>De aanschrijving als bedoeld in het eerste lid wordt herhaald
                        in de drie maanden voor het moment dat de</al><al>ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.</al><al><vet><cursief>Geneeskundig onderzoek</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:6:1</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 9:7:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De uitkering vervalt:</al><al><vet>a. </vet>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen
                        ambtenaar is overleden;</al><al><vet>b. </vet>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
                        jaren bereikt.</al><al><vet>2. </vet>De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden
                        verklaard indien de gewezen ambtenaar zich naar het</al><al>oordeel van het college zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst
                        gebleven, zou zijn ontslagen.</al><al><vet><cursief>Overlijdensuitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:8:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar
                        heeft de weduwe, weduwnaar of</al><al>geregistreerde partner die krachtens het pensioenreglement recht heeft op
                        een nabestaandenpensioen, recht</al><al>op een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9:2 over een
                        tijdvak van drie maanden welk</al><al>bedrag in voorkomend geval wordt verminderd met de uitkering bij overlijden
                        krachtens de FPU-regeling.</al><al>Wordt geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner als bedoeld in de
                        vorige volzin nagelaten, dan</al><al>verkrijgen de minderjarige kinderen van de overledene recht op bedoelde
                        uitkering. Ontbreken ook zodanige</al><al>kinderen, dan hebben, indien de overledene kostwinner was van ouders,
                        meerderjarige kinderen, broers of</al><al>zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het
                        eerste lid recht hebben op de uitkeringen als in dat</al><al>lid bedoeld, dan kan dit bedrag door het college geheel of ten dele worden
                        aangewend voor de betaling van</al><al>de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.</al><al><vet><cursief>FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:9:1</vet></al><al>In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald welke leeftijdsgrenzen
                        gelden voor de vervulling van de</al><al>daarbij vermelde betrekkingen.</al><al><vet><cursief>Ingangsdatum ontslag wegens FLO</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:10:1</vet></al><al>Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1 genoemd
                        op het tijdstip van</al><al>inwerkingtreding van deze regeling de leeftijdsgrens als genoemd in dat
                        artikel reeds heeft bereikt, wordt hem</al><al>eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende
                        op die waarin deze regeling in</al><al>werking treedt, tenzij overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan het
                        bepaalde in artikel 9:1:2, eerste lid.</al><al><vet><cursief>Tijdelijke regeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:11</vet></al><al><vet>1. </vet>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die
                        geboren is na 1949 en op de ambtenaar die geboren</al><al>is vóór 1950 maar op 1 april 1997 geen deelnemer was bij het ABP.</al><al><vet>Artikel 9:12</vet></al><al>De ambtenaar die op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag wordt verleend en
                        die recht heeft op een uitkering</al><al>op grond van dit hoofdstuk, heeft totdat het FLO-overgangsrecht is
                        vastgesteld recht op een maandelijkse</al><al>uitkering waarvan het bedrag berekend wordt op basis van de bepalingen van
                        dit hoofdstuk.</al><al><vet><cursief>Slotbepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:13</vet></al><al>Ambtenaren aan wie op of na 1 januari 2006 FLO-ontslag is verleend en die op
                        grond van artikel 9:12 een</al><al>maandelijkse uitkering hebben ontvangen, worden met ingang van 1 juli 2006
                        geacht te zijn ontslagen op grond</al><al>van artikl 8:11 en worden onder de werking van hoofdstuk 9b gebracht.</al><al><vet>Artikel 9:14</vet></al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofdstuk geen
                        uitkering meer verleend worden.</al><al><vet><cursief>Tijdelijke regeling ambtenaren geboren vóór 1950 die werkzaam
                                zijn in een betrekking bij het gemeentelijk</cursief></vet></al><al><vet><cursief>stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3,
                                zoals dat luidde op 31 december 2005,</cursief></vet></al><al><vet><cursief>leeftijdsgrenzen zijn bepaald</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9:15</vet></al><al>Artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, blijft van toepassing op
                        de ambtenaar die werkzaam is in een</al><al>betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college
                        krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde</al><al>op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al><al><vet>Artikel 9:15:1</vet></al><al>Artikel 8:3:1, zoals dat luidde op 31 december 2005, blijft van toepassing
                        op de ambtenaar die werkzaam is</al><al>in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het
                        college krachtens artikel 8:3, zoals dat</al><al>luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al><al><vet>Artikel 9:16</vet></al><al>De artikelen 9:1 tot en met 9:10 blijven van toepassing op de ambtenaar die
                        werkzaam is in een betrekking bij</al><al>het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel
                        8:3, zoals dat luidde op 31 december</al><al>2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al><al><vet>Hoofdstuk 9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn
                            getreden op een bezwarende</vet></al><al><vet>functie</vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:1</vet></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in
                        dienst is getreden op een</al><al>bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3,</al><al>zoals dat luidde op 31 december 2005.</al><al><vet><cursief>Definities</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:2</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door
                        het frequent draaien van piket of het werken</al><al>in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in
                        de uitruk met als gevolg een</al><al>verhoogde kans op gezondheidsklachten;</al><al><vet>b. </vet>de tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van
                        de gemeente of buiten de organisatie van de</al><al>gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende
                        functie en die past bij de richting</al><al>zoals afgesproken is in het loopbaanplan.</al><al><vet><cursief>Medische keuring</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:3</vet></al><al>De ambtenaar ondergaat periodiek een medische keuring conform de richtlijnen
                        voor de Periodiek</al><al>Arbeidsgeneeskundige Monitor.</al><al><vet><cursief>Het loopbaanplan</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een
                        bezwarende functie.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de
                        ambtenaar mogelijk is na maximaal 20</al><al>jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie een tweede loopbaan te
                        beginnen binnen of buiten de</al><al>gemeentelijke dienst.</al><al><vet>Artikel 9a:5</vet></al><al><vet>1. </vet>In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de
                        volgende bepalingen.</al><al><vet>2. </vet>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk
                        loopbaanplan de afspraken vast over de</al><al>loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden, alsmede de in
                        dat kader door de ambtenaar</al><al>te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na
                        maximaal 20 jaar gewerkt te</al><al>hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen. Het
                        loopbaanplan omvat in ieder geval</al><al>die opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de brandweer
                        werkzaam is, in 20 jaar op te</al><al>leiden tot MBO-niveau. Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern
                        erkend worden.</al><al><vet>3. </vet>Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te
                        verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen</al><al>van het loopbaanplan.</al><al><vet>4. </vet>Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding
                        opgesteld.</al><al><vet>5. </vet>Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar
                        geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.</al><al><vet>6. </vet>Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de
                        belangen van het college als met de belangen</al><al>van de ambtenaar.</al><al><vet>7. </vet>In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking
                        tot benodigd verlof en eventuele verdere</al><al>medewerking van het college die de ambtenaar in staat moeten stellen de
                        gemaakte afspraken uit te voeren.</al><al><vet>8. </vet>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                        loopbaanplan opgenomen opleiding en</al><al>activiteiten worden door het college vergoed.</al><al><vet>9. </vet>In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van
                        de activiteiten en de opleiding in ieder geval</al><al>de volgende aspecten vastgelegd:</al><al><vet>a. </vet>het aanspreekpunt binnen de organisatie;</al><al><vet>b. </vet>het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen
                        wordt;</al><al><vet>c. </vet>de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de
                        activiteit plaatsvindt;</al><al><vet>d. </vet>de te maken kosten;</al><al><vet>e. </vet>de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de
                        te volgen scholing;</al><al><vet>f. </vet>de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;</al><al><vet>g. </vet>de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of
                        scholing;</al><al><vet>h. </vet>de planning van vervolgafspraken;</al><al><vet>i. </vet>de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te
                        ondernemen activiteit kan worden</al><al>onderbroken of gestopt;</al><al><vet>j. </vet>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een
                        goede uitvoering van de gemaakte afspraken.</al><al><vet><cursief>Terugbetaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:6</vet></al><al>De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het
                        college biedt, is verplicht de</al><al>kosten, verband houdende met de activiteiten dan wel opleidingen, die door
                        het college zijn vergoed, terug te</al><al>betalen.</al><al><vet><cursief>Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke
                                dienst</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:7</vet></al><al><vet>1. </vet>Plaatsing van een ambtenaar in het kader van de tweede
                        loopbaan binnen of buiten de gemeentelijke dienst</al><al>vindt definitief plaats.</al><al><vet>2. </vet>Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt
                        plaats door aanpassing van de aanstelling.</al><al><vet>3. </vet>Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt
                        plaats door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de</al><al>bezwarende functie.</al><al><vet><cursief>Disciplinaire straf</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:8</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het
                        loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair</al><al>gestraft.</al><al><vet>2. </vet>Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de
                        bezwarende functie door schuld of toedoen</al><al>van de ambtenaar niet begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van
                        artikel 8:13 disciplinair</al><al>ontslag verleend.</al><al><vet><cursief>Gevolgen niet starten tweede loopbaan</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:9</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie
                        werkzaam wanneer:</al><al><vet>a. </vet>de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het college
                        zijn verplichtingen uit het loopbaanplan</al><al>niet nakomt;</al><al><vet>b. </vet>de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en
                        de ambtenaar daar gezamenlijk toe</al><al>besluiten.</al><al>Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende
                        functie door te werken.</al><al><vet>2. </vet>Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan
                        begonnen wordt.</al><al><vet>3. </vet>Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet
                        medisch geschikt is om in de bezwarende</al><al>functie door te werken, geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.</al><al><vet><cursief>Medisch niet meer geschikt;
                            overbruggingsuitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:10</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de
                        bezwarende functie door te werken, ontvangt een</al><al>overbruggingsuitkering.</al><al><vet>2. </vet>De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het
                        aantal jaren dat betrokkene in een bezwarende</al><al>functie werkzaam is geweest.</al><al><vet>3. </vet>Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de
                        overbruggingsuitkering 12/10 maand. De</al><al>maximumduur van de overbruggingsuitkering is 24 maanden.</al><al><vet>4. </vet>Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is
                        vastgesteld, stopt de opbouw van de</al><al>overbruggingsuitkering.</al><al><vet>5. </vet>De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12
                        maanden 100% van het salaris en de</al><al>maanden daarna 80% van het salaris.</al><al><vet>6. </vet>De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering
                        gebracht op de duur van de loondoorbetaling,</al><al>bedoeld in artikel 7:3.</al><al><vet>7. </vet>De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze
                        hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte,</al><al>bedoeld in artikel 7:3.</al><al><vet><cursief>Garantiesalaris en afbouw toelagen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9a:11</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de
                        optelsom van:</al><al><vet>a. </vet>het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub
                        b,</al><al><vet>b. </vet>de vakantieuitkering,</al><al><vet>c. </vet>de eindejaarsuitkering,</al><al><vet>d. </vet>de functioneringstoelage,</al><al><vet>e. </vet>de waarnemingstoelage en</al><al><vet>f. </vet>de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                        toelagen en emolumenten, voor zover die aan</al><al>de ambtenaar zijn toegekend,</al><al>berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het
                        begin van de tweede</al><al>loopbaan.</al><al><vet>2. </vet>Indien een keuze van de ambtenaar leidt tot een wijziging van
                        de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging</al><al>genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging van de
                        feitelijke uitbetaling van de</al><al>bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c door in de oude
                        bezoldiging.</al><al><vet>3. </vet>In afwijking van het tweede lid werkt een verhoging of
                        verlaging van de feitelijke uitbetaling van de</al><al>bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c bij uitruil in
                        het kader van de uitwisseling van</al><al>arbeidsvoorwaarden genoemd in hoofdstuk 4a niet door in de oude
                        bezoldiging.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de
                        tweede loopbaan begint, krijgt een</al><al>garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen het oude en het
                        nieuwe salaris. Het oude salaris</al><al>wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de
                        gemeentelijke sector wordt</al><al>overeengekomen.</al><al><vet>5. </vet>Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                        bedrag waarmee het nieuwe salaris en</al><al>eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen
                        met de garantietoelage de oude</al><al>bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de
                        generieke salarisverhoging, zoals</al><al>deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de
                        organisatie van de gemeente de toelagen</al><al>en vergoedingen verliest, die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt
                        een aflopende afbouwtoelage ter</al><al>hoogte van een percentage van het verschil tussen de oude toelagen en
                        vergoedingen en eventuele toelagen</al><al>en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De afbouwtoelage
                        bedraagt:</al><al><vet>a. </vet>het eerste jaar 100%;</al><al><vet>b. </vet>het tweede jaar 75%;</al><al><vet>c. </vet>het derde jaar 50%;</al><al><vet>d. </vet>het vierde jaar 25%.</al><al>De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging, zoals deze in</al><al>de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.</al><al><vet>7. </vet>Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het
                        bedrag waarmee het nieuwe salaris en</al><al>eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen
                        met de garantietoelage en de</al><al>afbouwtoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet
                        geïndexeerd met de generieke</al><al>salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt
                        overeengekomen.</al><al><vet>8. </vet>De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de
                        organisatie van de gemeente ontvangt een</al><al>afkoopbedrag ter hoogte van 175% van het verschil tussen de oude bezoldiging
                        en het nieuwe jaarsalaris,</al><al>inclusief eventuele toelagen en vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris,
                        inclusief eventuele toelagen en</al><al>vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat voor de ambtenaar bij
                        indiensttreding bij de nieuwe</al><al>werkgever is vastgesteld.</al><al><vet>Hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31
                            december 2005 recht gaf op</vet></al><al><vet>functioneel leeftijdsontslag</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Algemene bepalingen</cursief></vet></al><al><cursief>Werkingssfeer</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op de ambtenaar
                        die:</al><al><vet>a. </vet>op 31 december 2005 werkzaam was bij een gemeentelijk
                        beroepsbrandweerkorps of bij een</al><al>gemeentelijke ambulancedienst; en</al><al><vet>a. </vet>op 31 december 2005 een betrekking vervulde, waarvoor door het
                        college krachtens artikel 8:3, zoals dat</al><al>luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al><al><vet>b. </vet>sinds 31 december 2005 onafgebroken een betrekking heeft
                        vervuld, op grond waarvan krachtens artikel</al><al>8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de
                        leeftijd van 55 jaar of ouder.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de
                        ambtenaar die</al><al><vet>a. </vet>overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of
                        ambulancedienst, of</al><al><vet>b. </vet>overstapt naar een andere gemeentelijk beroepsbrandweerkorps,
                        dan wel naar een andere gemeentelijke</al><al>ambulancedienst</al><al><vet>3. </vet>Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat
                        de functie waarnaar de ambtenaar overstapt</al><al>ook een bezwarende functie is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals
                        dat luidde op 31 december</al><al>2005, ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.</al><al><cursief>Begripsbepalingen</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:2</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>bezoldiging: de optelsom van</al><al><vet>- </vet>i. het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub
                        b,</al><al><vet>- </vet>ii. de vakantieuitkering;</al><al><vet>- </vet>iii. de eindejaarsuitkering;</al><al><vet>- </vet>iv. de functioneringstoelage;</al><al><vet>- </vet>v. de waarnemingstoelage en</al><al><vet>- </vet>vi.de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere
                        toelagen en emolumenten, voor zover die</al><al>aan de ambtenaar zijn toegekend,</al><al>met uitzondering van de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9,
                        berekend over een periode</al><al>van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit
                        de toepassing van artikel</al><al>9b:4, artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel 9b:26, artikel 9b:47
                        en artikel 9b:52. De bezoldiging</al><al>wordt, met uitzondering van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en
                        9b:25, na deze datum geïndexeerd</al><al>met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector
                        wordt overeengekomen. Indien</al><al>verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot een
                        wijziging van de feitelijke</al><al>uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel
                        c, werkt die wijzigiging door in</al><al>de bezoldiging.</al><al><vet>b. </vet>bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door
                        het frequent draaien van piket of het werken</al><al>in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in
                        de uitruk met als gevolg een</al><al>verhoogde kans op gezondheidsklachten;</al><al><vet>c. </vet>dienstjaren voor brandweerpersoneel: de jaren in dienst van
                        een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps,</al><al>de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer,
                        mits dit een functie was, die</al><al>op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag en de jaren als
                        vrijwilliger bij de brandweer, mits</al><al>het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is ingezet
                        en men niet tegelijkertijd</al><al>een aanstelling had als beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal
                        dienstjaren als vrijwilliger dient de</al><al>ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren hij als vrijwilliger is
                        ingezet;</al><al><vet>d. </vet>dienstjaren voor ambulancepersoneel: de jaren werkzaam bij een
                        gemeentelijke ambulancedienst, de jaren</al><al>werkzaam bij een ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een
                        ambulancedienst in de particuliere sector en</al><al>de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer,
                        mits dit een functie was, die op</al><al>dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag;</al><al><vet>e. </vet>FPU-uitkering: de uitkering in het kader van de
                        FPU-regeling;</al><al>niet-bezwarende functie: een functie die niet valt onder de definitie van
                        onderdeel b;</al><al><vet>f. </vet>tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de
                        gemeente of buiten de organisatie van de</al><al>gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende
                        functie;</al><al><vet>g. </vet>onbezoldigd volledig verlof: verlof voor de formele
                        arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                                meer in een bezwarende functie op 1</cursief></vet></al><al><vet><cursief>januari 2006</cursief></vet></al><al><cursief>Werkingssfeer</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:3</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 20</al><al>dienstjaren of meer had in een bezwarende functie.</al><al><cursief>Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20
                            dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een</cursief></al><al><cursief>bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de leeftijd van 55
                        jaar volledig buitengewoon verlof verleend,</al><al>tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.
                        Voor zover het dienstbelang</al><al>het toelaat, kan de ambtenaar vanaf de leeftijd van 55 jaar in plaats van
                        het volledig buitengewoon verlof als</al><al>hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de volgende mogelijkheden:</al><al><vet>a. </vet>100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt een
                        bonus wordt verstrekt van 20% van het</al><al>voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan
                        toekenning van de bonus;</al><al><vet>b. </vet>50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken, tegen
                        doorbetaling van 90% van de voor de</al><al>ambtenaar geldende bezoldiging;</al><al><vet>c. </vet>volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus
                        wordt verstrekt van 100% van het voor de</al><al>ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van
                        de bonus.</al><al>Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de
                        werkgever dit kan aantonen,</al><al>geldt voor ambulancepersoneel als alternatief voor onderdeel b: 60% van een
                        volledige betrekking werken</al><al>tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende
                        bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste
                        lid bedoelde datum het college door middel</al><al>van een verzoek bekend naar welke variant zijn voorkeur uitgaat.</al><al><vet>3. </vet>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum,
                        bedoeld in het eerste lid zoveel later in als</al><al>het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                        op 31 december 2005, voor de</al><al>bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                        jaar.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde
                        onder a en b moet medisch geschikt zijn om in de</al><al>bezwarende functie door te werken.</al><al><vet>5. </vet>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                        inachtneming van het derde lid, de in het</al><al>eerste lid gestelde keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een
                        periode van een jaar. Voorwaarde</al><al>hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de
                        bezwarende functie.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet,
                        met inachtneming van het derde lid, het college</al><al>uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al><vet>7. </vet>De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor
                        zover het dienstbelang dat toelaat, gedurende</al><al>de periode tot het moment, bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met
                        dien verstande dat de bonus van</al><al>artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd
                        die resteert tot de datum, bedoeld</al><al>in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als voorwaarde dat als tweede en
                        eventueel volgende keuze alleen</al><al>een optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de eerdere
                        keuze. Het tweede lid is van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>8. </vet>De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1
                        januari 2011 gebruik maakt van de mogelijkheid,</al><al>bedoeld in de eerste zin van het eerste lid van dit artikel, en direct
                        daaraan voorafgaand een functie</al><al>bekleedde waaraan salarisschaal 6 of lager was verbonden, ontvangt gedurende
                        die periode € 500,- netto per</al><al>kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen volledig kalenderjaar
                        gebruik maakt van de genoemde</al><al>mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato. Deze uitkering wordt eenmaal
                        per kalenderjaar in de maand</al><al>december betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een
                        vergoeding heeft ontvangen,</al><al>wordt alleen het deel van het totaalbedrag, waarop op grond van dit lid
                        recht bestaat, uitbetaald dat hoger is</al><al>dan de reeds ontvangen vergoeding.</al><al><cursief>Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:5</vet></al><al>Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a en c wordt
                        geen pensioen opgebouwd.</al><al><cursief>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:6</vet></al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van
                        vakantie-uren plaats naar rato van het aantal</al><al>uren dat de ambtenaar werkt.</al><al><cursief>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                            vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:7</vet></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin en
                        onder onderdeel a en b, zijn de artikelen</al><al>3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet
                        van toepassing.</al><al><vet>Artikel 9b:8</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                            9b:4</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:9</vet></al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen</al><al>doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen
                        voor de berekening van de</al><al>ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al><cursief>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel
                        9b:4</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:10</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                        9b:4, eerste volzin of onder b, inkomsten</al><al>geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand
                        genomen met ingang van of na</al><al>de datum waarop artikel 9b:4 van kracht is geworden, wordt op de
                        doorbetaling van de bezoldiging</al><al>een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag
                        waarmede de inkomsten en de</al><al>doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven
                        gaan.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                        onmiddellijk voorafgaande aan de</al><al>datum waarop artikel 9b:4 van kracht is geworden.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                        lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt</al><al>uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                        inkomsten of hogere inkomsten</al><al>het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>4. </vet>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                        plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten</al><al>het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                        aannemelijk maakt dat die</al><al>inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                        oorzaken, verband houdende met</al><al>de toepassing van artikel 9b:4.</al><al><vet>5. </vet>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                        verstaan inkomsten verkregen wegens</al><al>overwerk of als gratificatie.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                        aanvaarden van arbeid of het starten van een</al><al>bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al><al><vet>7. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf</al><al>die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de
                        bewijzen te overleggen.</al><al><vet>8. </vet>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                        nakomt, kan het college besluiten een korting</al><al>op de door te betalen bezoldiging toe te passen.</al><al><cursief>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                            20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006</cursief></al><al><cursief>in een bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:11</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid,
                        gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof</al><al>geniet dan wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a
                        of b, wordt vanaf de leeftijd van 59</al><al>jaar onbezoldigd volledig verlof verleend.</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                        verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de</al><al>leeftijd van 60 jaar, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op</al><al>31 december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                        vastgesteld van 60 jaar.</al><al><vet>3. </vet>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                        periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die</al><al>gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is
                        ingegaan.</al><al><vet>4. </vet>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                        wanneer het college op grond van artikel 8:3,</al><al>zoals dat luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van
                        59 of 60 jaar, het onbezoldigd</al><al>volledig verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar.
                        Voorwaarde hierbij is dat de</al><al>ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                        functie.</al><al><vet>5. </vet>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet
                        het college uiterlijk één jaar voor de beoogde</al><al>ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al><cursief>Pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:12</vet></al><al><vet>1. </vet>Gedurende de periode dat de ambtenaar, op wie artikel 9b:21,
                        eerste lid, van toepassing is, tijdens het</al><al>onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, een opname doet van
                        levenslooptegoed, bouwt</al><al>hij, voor zover het Pensioenreglement dat toelaat, voor maximaal drie jaar
                        pensioen op over de volledige</al><al>bezoldiging. Daarna stopt de pensioenopbouw.</al><al><vet>2. </vet>Gedurende de periode dat de ambtenaar, op wie artikel 9b:21,
                        tweede lid van toepassing is, tijdens het</al><al>onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, een opname doet van
                        levenslooptegoed, bouwt hij,</al><al>voor zover het Pensioenreglement dat toelaat, voor maximaal twee jaar
                        pensioen op over de volledige</al><al>bezoldiging. Daarna stopt de pensioenopbouw.</al><al><cursief>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:13</vet></al><al>In plaats van de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in artikel 7:24
                        en artikel 7:25, wordt de</al><al>ambtenaar, zolang het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                        voortduurt, voor de premie van de</al><al>IZA-verzekering als postactief beschouwd.</al><al><cursief>Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:14</vet></al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:11, vindt geen opbouw van</al><al>vakantie-uren plaats.</al><al><vet>Artikel 9b:15</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 9b:16</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:17</vet></al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting</al><al>van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al><cursief>Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:18</vet></al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11,
                        telt niet mee voor de berekening van</al><al>de ambtsjubileumgratificatie.</al><al><cursief>Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50
                            jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met</cursief></al><al><cursief>20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende
                            functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:19</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50
                        jaar valt en die gedeeltelijk of volledig, maar</al><al>niet duurzaam arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:5 niet van
                        toepassing.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld
                        verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4,</al><al>eerste lid.</al><al><vet>3. </vet>De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als
                        het college op 31 december 2005 op grond van</al><al>artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had</al><al>vastgesteld dan 55 jaar.</al><al><vet>4. </vet>Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de
                        datum van herstel, voor zover de medische</al><al>geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:18 van
                        toepassing.</al><al><vet>5. </vet>De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55
                        jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt</al><al>om zijn betrekking te vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat
                        de door deze ambtenaar</al><al>gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische
                        geschiktheid niet meer mogelijk</al><al>is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische
                        geschiktheid nog wel mogelijk is, met</al><al>dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c,
                        berekend wordt naar rato van de tijd die</al><al>resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem blijft
                        artikel 9b:11 van toepassing.</al><al><vet>6. </vet>De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als
                        het college op 31 december 2005 op grond van</al><al>artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had</al><al>vastgesteld dan 55 jaar.</al><al><cursief>Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij
                        ziekte</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:20</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9b:19, die op grond van
                        hoofdstuk 7 binnen de organisatie van de gemeente</al><al>definitief herplaatst wordt, heeft recht op een garantietoelage ter hoogte
                        van het negatieve verschil tussen de</al><al>oude bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het
                        totaalinkomen wordt de nieuwe</al><al>bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met
                        zijn arbeidsongeschiktheid</al><al>ontvangt.</al><al><vet>2. </vet>Wanneer de ambtenaar, bedoeld in artikel 9b:19, op grond van
                        hoofdstuk 7 definitief herplaatst wordt in</al><al>een functie met een lager totaalinkomen buiten de organisatie van de
                        gemeente, maken het college en de</al><al>ambtenaar afspraken over een financiële regeling.</al><al><cursief>Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                            meer op 1 januari 2006 in een</cursief></al><al><cursief>bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:21</vet></al><al>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op
                        31 december 2005 op grond van</al><al>artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een leeftijdsgrens had
                        vastgesteld, is de levensloopregeling</al><al>van hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al><cursief>Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of
                            meer op 1 januari 2006 in een</cursief></al><al><cursief>bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:22</vet></al><al>PM</al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 De ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20
                                dienstjaren in een bezwarende functie op 1</cursief></vet></al><al><vet><cursief>januari 2006</cursief></vet></al><al><cursief>Werkingssfeer</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:23</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en
                        die op 1 januari 2006 minder dan</al><al>20 dienstjaren had in een bezwarende functie.</al><al><cursief>Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede
                            loopbaan gestart wordt</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:24</vet></al><al><vet>1. </vet>Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder
                        toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende</al><al>functie werkzaam tot het moment, bedoeld in artikel 9b:28.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en
                        de ambtenaar in het kader van het loopbaanplan</al><al>hierover andere afspraken maken.</al><al><cursief>Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op
                            1 januari 2006 in een bezwarende</cursief></al><al><cursief>functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:25</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar is tot de leeftijd van 55 jaar hoofdstuk 9a
                        van toepassing, met inachtneming van de</al><al>volgende leden.</al><al><vet>2. </vet>De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als
                        het college op 31 december 2005 op grond van</al><al>artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had</al><al>vastgesteld dan 55 jaar.</al><al><vet>3. </vet>Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede
                        loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie</al><al>binnen de organisatie van de gemeente.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma’s kan via een
                        procedure voor erkenning verworven</al><al>competenties zijn competenties laten erkennen.</al><al><vet>5. </vet>Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede
                        loopbaan heeft de ambtenaar recht op vergoeding</al><al>van de kosten, voor zover redelijk, van een extern loopbaanadvies.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een
                        andere functie aanvaardt binnen de organisatie</al><al>van de gemeente, ontvangt, in afwijking van artikel 9a:11, eerste tot en met
                        vierde lid, een garantietoelage ter</al><al>hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe
                        bezoldiging.</al><al><vet>7. </vet>Het college en de ambtenaar maken in het kader van het
                        loopbaanplan afspraken over een financiële regeling</al><al>wanneer de ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan buiten de
                        organisatie van de gemeente een</al><al>functie aanvaardt met een lagere bezoldiging.</al><al><cursief>Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari
                            2006 in een bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:26</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar gaat met ingang van de leeftijd van 55 jaar 50%
                        van de voor hem geldende formele</al><al>arbeidsduur werken tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar
                        geldende bezoldiging. Indien dit</al><al>voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever
                        dit kan aantonen, geldt voor</al><al>ambulancepersoneel als alternatief 60% van een volledige betrekking werken
                        tegen doorbetaling van 95%</al><al>van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                        bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als</al><al>het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                        op 31 december 2005, voor de</al><al>bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55
                        jaar.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze,
                        bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende</al><al>functie door te werken.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                        bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende</al><al>functie door te werken, wordt ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43, eerste
                        lid, van toepassing.</al><al><vet>5. </vet>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                        inachtneming van het tweede lid, het in het</al><al>eerste lid bedoelde moment later laten ingaan, telkens met een periode van
                        een jaar. Voorwaarde hierbij is</al><al>dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende
                        functie.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet,
                        met inachtneming van het tweede lid, het</al><al>college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe
                        verzoeken.</al><al><cursief>Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:26</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:27</vet></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, bouwt de ambtenaar pensioen op
                        over de volledige bezoldiging.</al><al><cursief>Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en
                            vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:27a</vet></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de artikelen
                        3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel</al><al>19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.</al><al><cursief>Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar
                            geboren na 1949 met minder dan 20</cursief></al><al><cursief>dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:28</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren
                        heeft, wordt vanaf een bepaalde leeftijd</al><al>volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van een bepaald
                        percentage van de voor de</al><al>ambtenaar geldende bezoldiging. De leeftijd en het percentage zijn
                        afhankelijk van het aantal dienstjaren op</al><al>1 januari 2006. De leeftijd vanaf wanneer buitengewoon verlof wordt verleend
                        en het percentage dat vanaf</al><al>dat moment wordt betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006
                        van:</al><al><vet>a. a. </vet>5 tot 10 jaarvanaf de leeftijd van 58 jaar#75%</al><al><vet>b. </vet>10 tot 15 jaar vanaf de leeftijd van 57 jaar#78%</al><al><vet>c. </vet>15 tot 20 jaar#vanaf de leeftijd van 56 jaar 80%</al><al><vet>2. </vet>Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum,
                        bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als</al><al>het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde
                        op 31 december 2005, voor de</al><al>bezwarende functie een hogere leeftijdgrens had vastgesteld dan 55
                        jaar.</al><al><vet>3. </vet>De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die
                        periode, waarmee het moment van de ambtenaar</al><al>die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                        ingegaan.</al><al><cursief>Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:29</vet></al><al>Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar pensioen op
                        over de volledige bezoldiging.</al><al><cursief>Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel
                            9b:28</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:30</vet></al><al>De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig buitengewoon
                        verlof is verleend, tegen</al><al>doorbetaling van 75%, 78% of 80% van de voor de ambtenaar geldende
                        bezoldiging, tellen voor de berekening</al><al>van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.</al><al><cursief>Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                            9b:28</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:31</vet></al><al>Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt
                        opbouw van vakantie-uren plaats naar</al><al>rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt.</al><al><vet>Artikel 9b:32</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 9b:33</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en
                            artikel 9b:28</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:34</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel
                        9b:26 en artikel 9b:28 inkomsten geniet of</al><al>gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met
                        ingang van of na de datum</al><al>waarop artikel 9b:26 van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van de
                        bezoldiging een vermindering</al><al>toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten
                        en de doorbetaalde</al><al>bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                        onmiddellijk voorafgaande aan de</al><al>datum waarop artikel 9b:26 van kracht is geworden.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                        lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt</al><al>uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                        inkomsten of hogere inkomsten</al><al>het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>4. </vet>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                        plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten</al><al>het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                        aannemelijk maakt dat die</al><al>inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                        oorzaken, verband houdende met</al><al>de toepassing van artikel 9b:26.</al><al><vet>5. </vet>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                        verstaan inkomsten verkregen wegens</al><al>overwerk of als gratificatie.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                        aanvaarden van arbeid of het starten van een</al><al>bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al><al><vet>7. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf</al><al>die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de
                        bewijzen te overleggen.</al><al><vet>8. </vet>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                        nakomt, kan het college besluiten een korting</al><al>op de door te betalen bezoldiging toe te passen.</al><al><cursief>Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met
                            minder dan 20 dienstjaren op 1 januari</cursief></al><al><cursief>2006 in een bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:35</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar wordt vanaf de leeftijd van 59 jaar onbezoldigd
                        volledig verlof verleend.</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig
                        verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de</al><al>leeftijd van 60 jaar, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op</al><al>31 december 2005, voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had
                        vastgesteld van 60 jaar.</al><al><vet>3. </vet>Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die
                        periode, waarmee het moment van de ambtenaar,</al><al>die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is
                        ingegaan.</al><al><vet>4. </vet>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar,
                        voor wie het college op 31 december 2005 op</al><al>grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                        bezwarende functie een leeftijdsgrens</al><al>had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later
                        laten ingaan, telkens met een jaar.</al><al>Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken
                        in de bezwarende functie.</al><al><vet>5. </vet>De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet
                        het college uiterlijk één jaar voor de beoogde</al><al>ingangsdatum daartoe verzoeken.</al><al><cursief>Pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:36</vet></al><al><vet>1. </vet>Gedurende de periode dat de ambtenaar, op wie artikel 9b:44,
                        eerste lid, van toepassing is, tijdens het</al><al>onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, een opname doet van
                        levenslooptegoed, bouwt</al><al>hij, voor zover het Pensioenreglement dat toelaat, voor maximaal drie jaar
                        pensioen op over de volledige</al><al>bezoldiging. Daarna stopt de pensioenopbouw.</al><al><vet>2. </vet>Gedurende de periode dat de ambtenaar, op wie artikel 9b:44,
                        tweede lid, van toepassing is, tijdens het</al><al>onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, een opname doet van
                        levenslooptegoed, bouwt hij,</al><al>voor zover het Pensioenreglement dat toelaat, voor maximaal twee jaar
                        pensioen op over de volledige</al><al>bezoldiging. Daarna stopt de pensioenopbouw.</al><al><cursief>Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:37</vet></al><al>In plaats van de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in artikel 7:24
                        en artikel 7:25, wordt de</al><al>ambtenaar, zolang het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                        voortduurt, voor de premie van de</al><al>IZA-verzekering als postactief beschouwd.</al><al><cursief>Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:38</vet></al><al>Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel
                        9b:35, vindt geen opbouw van</al><al>vakantie-uren plaats.</al><al><cursief>Opbouw vakantietoelage tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:39</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Opbouw eindejaarsuitkering tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:40</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:41</vet></al><al>Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting</al><al>van het onbezoldigd volledig verlof.</al><al><cursief>Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig
                            verlof</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:42</vet></al><al>De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35,
                        telt niet mee voor de berekening van</al><al>de ambtsjubileumgratificatie.</al><al><cursief>Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid
                            na de leeftijd van 50 jaar voor de</cursief></al><al><cursief>ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1
                            januari 2006 in een bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:43</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze,
                        bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn</al><al>bezwarende functie door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld
                        in artikel 9b:28.</al><al><vet>2. </vet>Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van
                        50 jaar valt en die gedeeltelijk of volledig,</al><al>maar niet duurzaam arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:5 niet van
                        toepassing.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld
                        verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26,</al><al>eerste lid.</al><al><vet>4. </vet>De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als
                        het college op 31 december 2005 op grond van</al><al>artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de bezwarende
                        functie een hogere leeftijdsgrens had</al><al>vastgesteld dan 55 jaar.</al><al><vet>5. </vet>Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de
                        datum van herstel artikel 9b:26 tot en met</al><al>artikel 9b:42 van toepassing.</al><al><cursief>Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                            januari 2006</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:44</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan
                        het college op 31 december 2005 op</al><al>grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, een
                        leeftijdsgrens had vastgesteld, is de</al><al>levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.</al><al><cursief>Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1
                            januari 2006</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:45</vet></al><al>PM</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 De ambtenaar in een bezwarende functie geboren
                                voor 1950</cursief></vet></al><al><cursief>Werkingssfeer</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:46</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een bezwarende functie,
                        die geboren is voor 1950.</al><al><cursief>Aanvulling op FPU-uitkering voor de ambtenaar geboren voor 1950 in
                            een bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:47</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar wordt onder de voorwaarde dat de ambtenaar een
                        FPU-uitkering aanvraagt en ontvangt op de</al><al>leeftijd van 55 jaar volledig ontslag verleend op grond van artikel
                        8:11.</al><al><vet>2. </vet>De datum van ontslag, bedoeld in het eerste lid, gaat zoveel
                        later in als het college op 31 december 2005</al><al>op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, voor de
                        bezwarende functie een hogere</al><al>leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.</al><al><vet>3. </vet>Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met
                        inachtneming van het tweede lid, verzoeken</al><al>om de datum van ontslag, bedoeld in het eerste lid, later laten ingaan,
                        telkens met een periode van een jaar.</al><al>Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken
                        in de bezwarende functie.</al><al><vet>4. </vet>De FPU-uitkering van de ambtenaar wordt tot de leeftijd van 60
                        jaar aangevuld tot 80% van de bezoldiging.</al><al>Daarna wordt de FPU-uitkering aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al><al><cursief>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:47a</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd
                        van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid</al><al>die artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige
                        voortzetting van de pensioenopbouw, worden</al><al>de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor
                        zover het pensioenopbouw</al><al>voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het
                        bedrag van de premie dat door</al><al>de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog
                        verplicht pensioen zou</al><al>opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een
                        vrijwillige aanvullende</al><al>deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt,
                        komen ten allen tijde volledig</al><al>ten laste van de gewezen ambtenaar.</al><al><vet>2. </vet>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                        ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><al><vet>a. </vet>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62
                        jaar de pensioenopbouw voort te zetten op</al><al>basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al><al><vet>b. </vet>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                        weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om</al><al>voor de helft pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten
                        in vergelijking tot de situatie</al><al>zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar
                        bereikte als gevolg van de</al><al>toepasselijkheid van artikel 9b:47 lid 1;</al><al><vet>c. </vet>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen
                        ambtenaar om gebruik te maken van de</al><al>mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                        moet zijn bij het bestuur van</al><al>de Stichting Pensioenfonds ABP;</al><al><vet>d. </vet>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                        de indiening van de aanvraag wordt</al><al>ondersteund door de werkgever</al><al><vet>3. </vet>De aanschrijving bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie
                        maanden voor het moment dat de ambtenaar de</al><al>leeftijd van 62 jaar bereikt.</al><al><cursief>Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                            9b:47</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:48</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf,</al><al>ter hand genomen met ingang van of na de datum van ontslag, bedoeld in
                        artikel 9b:47, wordt op uitkering,</al><al>bedoeld in artikel 9b:47, vierde lid, een vermindering toegepast. Deze
                        vermindering is gelijk aan het bedrag</al><al>waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten bezoldiging te
                        boven gaan.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                        onmiddellijk voorafgaande aan de</al><al>datum, bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                        lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt</al><al>uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                        inkomsten of hogere inkomsten</al><al>het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>4. </vet>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                        plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten</al><al>het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                        aannemelijk maakt dat die</al><al>inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                        oorzaken, verband houdende met</al><al>het ontslag.</al><al><vet>5. </vet>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                        verstaan inkomsten verkregen wegens</al><al>overwerk of als gratificatie.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                        aanvaarden van arbeid of het starten van een</al><al>bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al><al><vet>7. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf</al><al>die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de
                        bewijzen te overleggen.</al><al><vet>8. </vet>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                        nakomt, kan het college besluiten een korting</al><al>op de door te betalen bezoldiging toe te passen.</al><al><cursief>Ambtenaar, geboren voor 1950 in een bezwarende functie, die niet
                            voldoet aan voorwaarden voor FPU</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:49</vet></al><al>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                        FPU-uitkering:</al><al><vet>a. </vet>zijn de artikelen 9b:3 tot en met 9b:22 van overeenkomstige
                        toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006</al><al>20 dienstjaren of meer had;</al><al><vet>b. </vet>b.#zijn de artikelen 9b:23 tot en met 9b:45 van
                        overeenkomstige toepassing als de ambtenaar op 1 januari</al><al>2006 minder dan 20 dienstjaren had.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 5 De ambtenaar in een niet bezwarende
                                functie</cursief></vet></al><al><cursief>Werkingssfeer</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:50</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende
                        functie.</al><al><cursief>De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1
                            januari 2006, in een niet bezwarende functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:51</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006
                        20 dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder</al><al>jaar dat hij de niet bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het
                        college krachtens artikel 8:3, zoals</al><al>dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een
                        levensloopbijdrage van 2% van het voor</al><al>ambtenaar geldende jaarsalaris over het jaar dat de functie werd
                        bekleed.</al><al><vet>2. </vet>De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die
                        direct voorafgaan aan 1 januari 2006.</al><al><vet>3. </vet>De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend
                        inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g</al><al>van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.</al><al><cursief>De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet bezwarende
                            functie</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:52</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor zover het dienstbelang dit toelaat en onder de voorwaarde
                        dat de ambtenaar een FPU-uitkering</al><al>aanvraagt en ontvangt, maakt de ambtenaar een keuze uit de volgende
                        mogelijkheden:</al><al><vet>a. </vet>volledig ontslag op grond van artikel 8:11, ingaande op de
                        eerste dag van de maand, volgend op die</al><al>waarin de ambtenaar 60 jaar en drie maanden is geworden;</al><al><vet>b. </vet>volledig ontslag op grond van artikel 8:11 op een latere datum
                        dan bedoeld onder a.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde
                        onder b moet medisch geschikt zijn om in de</al><al>bezwarende functie door te werken.</al><al><vet>3. </vet>De FPU-uitkering van de ambtenaar die gekozen heeft voor
                        volledig ontslag, bedoeld in het eerste lid,</al><al>onderdeel a, wordt tot de leeftijd van 62 jaar aangevuld tot 80% van de
                        bezoldiging. Daarna wordt de</al><al>FPU-uitkering aangevuld tot 70% van de bezoldiging.</al><al><vet>4. </vet>Op de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig ontslag,
                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is hoofdstuk</al><al>5a van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>5. </vet>Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een
                        FPU-uitkering is artikel 9b:51 van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al><cursief>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:52a</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de gewezen ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de
                        mogelijkheid van artikel 9b:52 lid 1</al><al>onder a, bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de
                        mogelijkheid die artikel 16.3</al><al>van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de
                        pensioenopbouw, worden de kosten</al><al>van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het
                        pensioenopbouw voor de helft</al><al>betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het bedrag van de
                        premie dat door de werkgever</al><al>afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht
                        pensioen zou opbouwen, voor</al><al>rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige
                        aanvullende deelname waardoor de</al><al>pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt, komen ten allen tijde
                        volledig ten laste van de gewezen</al><al>ambtenaar.</al><al><vet>2. </vet>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                        ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><al><vet>a. </vet>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62
                        jaar de pensioenopbouw voort te zetten op</al><al>basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement;</al><al><vet>b. </vet>het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a
                        weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om</al><al>voor de helft pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten
                        in vergelijking tot de situatie</al><al>zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar
                        bereikte als gevolg van de</al><al>toepasselijkheid van artikel 9b:47 lid 1;</al><al><vet>c. </vet>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen
                        ambtenaar om gebruik te maken van de</al><al>mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                        moet zijn bij het bestuur van</al><al>de Stichting Pensioenfonds ABP;</al><al><vet>d. </vet>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                        de indiening van de aanvraag wordt</al><al>ondersteund door de werkgever.</al><al><vet>3. </vet>De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de
                        drie maanden voor het moment dat de ambtenaar</al><al>de leeftijd van 62 jaar bereikt.</al><al><cursief>Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel
                            9b:52</cursief></al><al><vet>Artikel 9b:53</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten
                        uit of in verband met arbeid of bedrijf,</al><al>ter hand genomen met ingang van of na de datum van ontslag, bedoeld in
                        artikel 9b:52, wordt op uitkering,</al><al>bedoeld in artikel 9b:52, derde en vierde lid, een vermindering toegepast.
                        Deze vermindering is gelijk aan het</al><al>bedrag waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten bezoldiging
                        te boven gaan.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                        onmiddellijk voorafgaande aan de</al><al>datum, bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste
                        lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt</al><al>uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die
                        inkomsten of hogere inkomsten</al><al>het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>4. </vet>De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet
                        plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten</al><al>het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar
                        aannemelijk maakt dat die</al><al>inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere
                        oorzaken, verband houdende met</al><al>het ontslag.</al><al><vet>5. </vet>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                        verstaan inkomsten verkregen wegens</al><al>overwerk of als gratificatie.</al><al><vet>6. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het
                        aanvaarden van arbeid of het starten van een</al><al>bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.</al><al><vet>7. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de
                        inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf</al><al>die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de
                        bewijzen te overleggen.</al><al><vet>8. </vet>Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet
                        nakomt, kan het college besluiten een korting</al><al>op de door te betalen bezoldiging toe te passen.</al><al><vet>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in
                            een betrekking bij het</vet></al><al><vet>gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel
                            8:3, zoals dat luidde op</vet></al><al><vet>31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald</vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9c:1</vet></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar geboren na 1949 die werkzaam
                        is in een betrekking bij het</al><al>gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3,
                        zoals dat luidde op 31 december</al><al>2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald.</al><al><vet>Artikel 9c:2</vet></al><al>Aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 9c:1, wordt met ingang van de datum van
                        het ontslag ten laste van de</al><al>gemeente een maandelijkse uitkering toegekend.</al><al><vet>Artikel 9c:2:1</vet></al><al>Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan
                        de ambtenaar die aan zijn</al><al>ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering volgens de bepalingen van
                        dit hoofdstuk.</al><al><vet>Artikel 9c:2:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De in artikel 8:3:1, eerste lid, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, bedoelde datum van ingang van ontslag</al><al>kan op verzoek van de ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee
                        instemt voor de duur van ten</al><al>hoogste een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar te
                        verlengen, worden opgeschort, indien</al><al>dit door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het
                        belang van de dienst wordt geacht</al><al>en de ambtenaar, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek,
                        geestelijk en lichamelijk in staat kan</al><al>worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het
                        bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag</al><al>van een geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de
                        verdere vervulling van zijn</al><al>betrekking, kan hem ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van
                        de maand volgende op die</al><al>waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is
                        gebracht.</al><al><vet><cursief>Bedrag en duur</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9c:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het
                        ontslag 80% van de laatstelijk voor het</al><al>ontslag van de ambtenaar aan diens betrekking verbonden bezoldiging
                        vermeerderd met zoveel -doch ten</al><al>hoogste 10 malen -0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle
                        dienstjaren geldig voor pensioen</al><al>krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30
                        bedraagt. Vervolgens bedraagt</al><al>de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag
                        van de uitkering niet lager</al><al>is dan het bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou
                        hebben indien hij zou zijn</al><al>gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in aanmerking zou
                        zijn genomen de diensttijd</al><al>bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken
                        van de leeftijd van 65 jaar zal</al><al>kunnen aanwijzen.</al><al><vet>2. </vet>Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden
                        bezoldiging wordt voor de toepassing van</al><al>deze regeling verstaan de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1,
                        vermeerderd met de vakantieuitkering,</al><al>bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand, en de eindejaarsuitkering
                        bedoeld in artikel 3:6, met dien</al><al>verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning
                        slechts geacht worden te behoren</al><al>tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf
                        maanden voorafgaande aan het</al><al>ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan de gewezen
                        ambtenaar is toegekend.</al><al><vet>3. </vet>Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                        verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan</al><al>wegens periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen
                        ambtenaar op deze</al><al>bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum van in werking
                        treden dier wijziging af het aldus</al><al>gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking
                        verbonden bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Verrekening inkomsten uit of in verband met
                            arbeid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9c:3:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op
                        uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet</al><al>of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan
                        een uitkering krachtens de</al><al>WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum
                        waarop zijn ontslag is</al><al>ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze
                        vermindering is gelijk aan het bedrag</al><al>waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering krachtens artikel 9c:3
                        samen de laatstelijk genoten</al><al>bezoldiging te boven gaan.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit,
                        onmiddellijk voorafgaande aan het</al><al>ontslag ter zake waarvan hem de uitkering krachtens deze regeling is
                        toegekend.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het
                        eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten</al><al>verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is
                        ten aanzien van die inkomsten of</al><al>hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of
                        hogere inkomsten het gevolg</al><al>zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen ambtenaar
                        aannemelijk maakt dat die inkomsten</al><al>niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken,
                        verband houdende met het</al><al>ontslag.</al><al><vet>4. </vet>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet
                        verstaan inkomsten verkregen wegens</al><al>overwerk of als gratificatie.</al><al><vet>Artikel 9c:3:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de
                        gewezen ambtenaar onverwijld mededeling</al><al>aan het college. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de
                        inkomsten, die hij uit dien hoofde</al><al>zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of
                        blijvend wijziging ondergaan, daarvan</al><al>tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere
                        opgave te doen. Zijn de inkomsten</al><al>niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke
                        uitkeringstermijn opgave van</al><al>de inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds
                        de vorige opgave heeft</al><al>genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden mede dat de inkomsten over
                        een langere termijn moeten</al><al>worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op
                        de uitkering een voorlopige</al><al>vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten,
                        onder voorbehoud van nadere</al><al>verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.</al><al>Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of
                        bedrijf en de inkomsten daaruit,</al><al>bedoeld in artikel 9c:3:1, tweede en derde lid.</al><al><vet>2. </vet>Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het
                        eerste lid, niet of niet volledig nakomt,</al><al>kan het college bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is,
                        niet of slechts gedeeltelijk wordt</al><al>uitbetaald.</al><al><vet>3. </vet>De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de
                        uitkering er in te bewilligen dat zij die</al><al>daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komen, de
                        inlichtingen verstrekken welke voor de</al><al>uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.</al><al><vet><cursief>Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of
                                ongeval</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9c:3:3</vet></al><al>Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die
                        na zijn ontslag uit hoofde van</al><al>ziekte of ongeval nog aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit
                        hij is ontslagen heeft of verkrijgt,</al><al>wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken
                        bestaan, verminderd met het bedrag</al><al>daarvan.</al><al><vet><cursief>Pensioenopbouw vanaf 62 jaar</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9c:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd
                        van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid</al><al>die artikel 16.1 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige
                        voortzetting van de pensioenopbouw,</al><al>waardoor ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw
                        voor de helft plaats vindt,</al><al>worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente,
                        met dien verstande dat 30%</al><al>van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten
                        worden, indien de gewezen</al><al>ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de
                        gewezen ambtenaar. De kosten</al><al>van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor
                        meer dan de helft plaats vindt,</al><al>komen ten allen tijde volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.</al><al><vet>2. </vet>De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn
                        ontslag schriftelijk op de hoogte van:</al><al><vet>a. </vet>de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62
                        jaar de pensioenopbouw voor de helft</al><al>voort te zetten op basis van artikel 16.1 van het pensioenreglement voor de
                        gewezen ambtenaar als</al><al>bedoeld in het eerste lid;</al><al><vet>b. </vet>dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven
                        mogelijkheid gebruik maakt dit niet leidt</al><al>tot extra kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de
                        gewezen ambtenaar voordat hij de</al><al>leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van het
                        eerste lid;</al><al><vet>c. </vet>de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen
                        ambtenaar om gebruik te maken van de</al><al>mogelijkheid die artikel 16.1 van het pensioenreglement bieden, ingediend
                        moet zijn bij het bestuur van</al><al>de Stichting Pensioenfonds ABP;</al><al><vet>d. </vet>de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij
                        de indiening van de aanvraag wordt</al><al>ondersteund door de werkgever.</al><al><vet>3. </vet>De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de
                        drie maanden voor het moment dat de ambtenaar</al><al>de leeftijd van 62 jaar bereikt.</al><al><vet>Artikel 9c:5:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De uitkering vervalt:</al><al><vet>a. </vet>met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen
                        ambtenaar is overleden;</al><al><vet>b. </vet>op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65
                        jaren bereikt.</al><al><vet>2. </vet>De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden
                        verklaard indien de gewezen ambtenaar zich naar het</al><al>oordeel van het college zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst
                        gebleven, zou zijn ontslagen.</al><al><vet><cursief>Overlijdensuitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 9c:6:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar
                        heeft de weduwe, weduwnaar of</al><al>geregistreerde partner die krachtens het pensioenreglement recht heeft op
                        een nabestaandenpensioen, recht</al><al>op een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9c:3 over een
                        tijdvak van drie maanden. Wordt</al><al>geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner als bedoeld in de vorige
                        volzin nagelaten, dan verkrijgen</al><al>de minderjarige kinderen van de overledene recht op bedoelde uitkering.
                        Ontbreken ook zodanige kinderen,</al><al>dan hebben, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige
                        kinderen, broers of zusters, deze</al><al>betrekkingen recht op bedoelde uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het
                        eerste lid recht hebben op de uitkeringen als in dat</al><al>lid bedoeld, dan kan dit bedrag door het college geheel of ten dele worden
                        aangewend voor de betaling van</al><al>de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.</al><al><vet>9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke
                            beroepsbrandweer en een</vet></al><al><vet>gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949 of die geboren is voor
                            1950, maar die op</vet></al><al><vet>1 april 1997 geen deelnemer was bij het abp en die op 31 december 2005
                            en 1 januari 2006</vet></al><al><vet>werkzaam waren in een functie, waarvoor door het college krachtens
                            artikel 8:3, zoals dat</vet></al><al><vet>luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald</vet></al><al><vet>Artikel 9d:1</vet></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de
                        gemeentelijke beroepsbrandweer of een</al><al>gemeentelijke ambulancedienst, die geboren is na 1949 of die geboren is voor
                        1950, maar die op 1 april 1997</al><al>geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006
                        werkzaam was in een functie,</al><al>waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31
                        december 2005, leeftijdsgrenzen zijn</al><al>bepaald.</al><al><vet>Artikel 9d:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op
                        31 december 2005 voor hem geldende</al><al>regelgeving, op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag zou zijn verleend,
                        wordt buitengewoon verlof verleend</al><al>met behoud van de volledige bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de
                        ambtenaar FLO-ontslag zou zijn verleend.</al><al><vet>3. </vet>Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt
                        tijdelijk totdat het FLO-overgangsrecht is</al><al>vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 9d:3</vet></al><al>Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2
                        buitengewoon verlof verleend is met</al><al>behoud van zijn volledige bezoldiging, worden met ingang van 1 juli 2006
                        onder de werking van hoofdstuk 9b</al><al>gebracht.</al><al><vet>Artikel 9d:4</vet></al><al>Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden op
                        de aanspraken op grond van dit</al><al>hoofdstuk.</al><al><vet>10 Wachtgeld</vet></al><al><vet><cursief>Betrokkene</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:1</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':</al><al><vet>a. </vet>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of
                        artikel 8:5 van deze regeling ontslag is</al><al>verleend uit een betrekking:</al><al><vet>1. </vet>waarin hij vast was aangesteld;</al><al><vet>2. </vet>waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling ten
                        minste vijf jaren heeft geduurd en niet is</al><al>geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;</al><al><vet>b. </vet>de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of
                        artikel 8:8 van deze regeling ontslag is</al><al>verleend, tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6,
                        tweede lid, respectievelijk artikel</al><al>8:8, tweede lid.</al><al><vet>2. </vet>Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar,
                        bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag</al><al>heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van
                        deze regeling ontslag te</al><al>verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.</al><al><vet><cursief>Lichamen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:2</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen':</al><al>Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder
                        rechtspersoonlijkheid die</al><al>met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen
                        van publiekrechtelijke</al><al>rechtspersonen en doelvermogens.</al><al><vet><cursief>Diensttijd</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:3</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                        in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag</al><al>voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                        ambtenaarschap in de zin van de WPA is</al><al>verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in
                        artikel D 2 van de pensioenwet,</al><al>voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al><vet>2. </vet>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                        de tijd doorgebracht in de betrekking</al><al>waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die
                        tijd op grond van de Regeling</al><al>beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet
                        Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het</al><al>ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al><al><vet>3. </vet>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                        blijft buiten beschouwing:</al><al><vet>a. </vet>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                        jaar daarvan wegens verleend ontslag,</al><al>behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde
                        lid;</al><al><vet>b. </vet>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                        van de duur van een eerder toegekend</al><al>wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                        werkloosheid ten laste van de</al><al>overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met
                        vijfde lid;</al><al><vet>c. </vet>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                        van een pensioen krachtens het</al><al>pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van
                        artikel 8:3 van deze</al><al>regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al><al><vet>d. </vet>tijd, bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;</al><al><vet>e. </vet>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking
                        welke de betrokkene had kunnen</al><al>aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                        van de datum waarop het</al><al>wachtgeld ingaat.</al><al><vet>4. </vet>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het
                        wachtgeld in aanmerking is genomen met een</al><al>overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP
                        wordt vergolden, worden de</al><al>duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit
                        pensioen is ingegaan, herberekend,</al><al>waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al><vet><cursief>Dienstbetrekking</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere
                        publiekrechtelijke of privaatrechtelijke</al><al>arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een
                        lichaam werkzaamheden tegen</al><al>bezoldiging of loon worden verricht.</al><al><vet>2. </vet>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                        Werkloosheidswet is van overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al><vet><cursief>Bezoldiging</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:5</vet></al><al><vet>1. </vet>In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                        bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van</al><al>deze regeling, zoals deze laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking was
                        verbonden, vermeerderd met de</al><al>vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                        eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al><al><vet>2. </vet>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                        wegens de vergoeding, bedoeld in artikel</al><al>3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de
                        aan de dag van het ontslag</al><al>voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al><al><vet>3. </vet>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke
                        verhoging wijziging zou zijn gekomen als de</al><al>betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen,
                        geldt met ingang van de dag van in</al><al>werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al><vet>4. </vet>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                        voorafgaande aan de opheffing van de</al><al>betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn
                        geweest, kan de</al><al>bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al><al><vet><cursief>Recht op wachtgeld</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:6</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft
                        recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop het</al><al>ontslag ingaat, tenzij de betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens
                        het bereiken van de pensioengerechtigde</al><al>leeftijd;</al><al><vet>b. </vet>op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid van 80% of</al><al>meer;</al><al><vet>c. </vet>terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als
                        bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling</al><al><vet>2. </vet>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft
                        recht op wachtgeld met ingang van de dag</al><al>waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt
                        vastgesteld dan 80. De hoogte van</al><al>dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.Ter
                        bepaling van de duur van het</al><al>wachtgeld wordt voor de toepassing van:</al><al><vet>a. </vet>artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                        ingang waarvan de mate van</al><al>arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij
                        voor de toepassing van het</al><al>vierde lid tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                        invaliditeitspensioen</al><al>vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in
                        aanmerking wordt</al><al>genomen.</al><al><vet>b. </vet>artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van
                        ontslag.</al><al><vet>3. </vet>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft
                        na afloop van de suppletie, bedoeld in artikel</al><al>11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing
                        laten van het eerste lid, onderdeel</al><al>c, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt
                        is verklaard recht zou hebben</al><al>op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 10:8
                        van dit besluit.</al><al>Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de suppletie
                        op grond van artikel 11a:5,</al><al>onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het wachtgeld
                        dat, te rekenen vanaf de dag</al><al>waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:8,
                        bij het buiten toepassing laten van</al><al>het eerste lid, onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit
                        wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing</al><al>in die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is
                        ingegaan.</al><al><vet><cursief>Duur van het wachtgeld</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
                        waarop het ontslag ingaat.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als</al><al>werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren</al><al>per week werkzaam is geweest of</al><al><vet>b. </vet>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                        uitkering op grond van de WAJONG of de</al><al>WAZ;</al><al>wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:</al><al><vet>- </vet>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al><al><vet>- </vet>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al><al><vet>- </vet>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al><al><vet>- </vet>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al><al><vet>- </vet>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al><al><vet>- </vet>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al><al><vet>- </vet>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar,
                        en</al><al><vet>- </vet>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al><al><vet>3. </vet>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                        vastgesteld door samentelling van:</al><al><vet>a. </vet>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                        het ontslag, waarover de betrokkene</al><al>aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en
                        in dienstbetrekking van 8 of</al><al>meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al><al><vet>b. </vet>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene
                        en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al><al><vet>4. </vet>Perioden, waarin een betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                        van de Wet op de</al><al>arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                        van ten minste 80%;</al><al><vet>b. </vet>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                        het Rijk invaliditeitspensioen was</al><al>verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid</al><al>van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                        overeenkomt met een toelage</al><al>als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer</al><al>bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of
                        zou zijn berekend;</al><al><vet>c. </vet>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening</al><al>militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of
                        een toelage op grond van dat</al><al>hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van</al><al>het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                        berekend;</al><al><vet>d. </vet>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de</al><al>maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al><al><vet>e. </vet>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt
                        met een uitkering bedoeld onder a of d;</al><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of</al><al>meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar,
                        bedoeld in het tweede lid, en</al><al>voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag, bedoeld in het derde lid.</al><al><vet>5. </vet>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
                        voor de perioden gelegen in de vijf jaar,</al><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                        perioden waarin een persoon</al><al>een tot zijn huishouden behorend kind:</al><al><vet>a. </vet>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren</al><al>per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                        het vierde lid volledig, en</al><al><vet>b. </vet>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in</al><al>dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                        uitkering heeft ontvangen als</al><al>bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.</al><al><vet>6. </vet>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                        verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><al><vet>a. </vet>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht</al><al>heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid, of</al><al><vet>b. </vet>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                        vakantie.</al><al><vet>7. </vet>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                        personen zijn als bedoeld in het vijfde lid,</al><al>wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                        beschouwd, degene van deze</al><al>personen die zij als zodanig hebben aangewezen.</al><al>In geval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd
                        een van hen die naar het</al><al>oordeel van het college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
                        zodanig aan te wijzen.</al><al><vet>8. </vet>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                        onder:</al><al><vet>a. </vet>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al><al><vet>b. </vet>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                        onderhouden en opgevoed.</al><al><vet>9. </vet>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                        van de Werkloosheidswet, zijn van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 10:8</vet></al><al><vet>1. </vet>In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
                        langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover</al><al>van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is
                        begrepen, de duur van het wachtgeld</al><al>vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.</al><al><vet>2. </vet>De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
                        vermeerderd voor de betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de</al><al>diensttijd;</al><al><vet>b. </vet>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per</al><al>leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;</al><al><vet>c. </vet>die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
                        gelijk aan 78% van de diensttijd.</al><al><vet>3. </vet>Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
                        voorgaande lid bedoelde diensttijd in het</al><al>genot was van wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste
                        en tweede lid van dit artikel,</al><al>of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8,
                        tweede lid van deze regeling,</al><al>wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het
                        tweede lid mede in aanmerking</al><al>genomen de diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder
                        toegekende wachtgeld of de</al><al>eerder toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende
                        duur wordt de duur van het</al><al>eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering, met
                        uitzondering van de verlenging, bedoeld</al><al>in het volgende lid, in mindering gebracht.</al><al><vet>4. </vet>In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene
                        die ten tijde van het ontslag een diensttijd,</al><al>voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht,
                        wordt indien de som van zijn</al><al>leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt,
                        na afloop van de termijn waarover</al><al>wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere
                        verlenging duurt tot de eerste</al><al>dag van de kalendermaand volgende op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar
                        heeft bereikt.</al><al><vet>5. </vet>De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats
                        in het geval, dat ter zake van een eerder</al><al>toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad,
                        tenzij de betrokkene nadien</al><al>wederom een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien
                        jaar heeft vervuld. In dat geval</al><al>blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere verlenging,
                        buiten aanmerking.</al><al><vet><cursief>Vervolgwachtgeld</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:9</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in
                        artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in</al><al>aansluiting op dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.</al><al><vet>2. </vet>De betrokkene die</al><al><vet>a. </vet>het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste
                        lid, heeft bereikt en</al><al><vet>b. </vet>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede
                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend</al><al>wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                        wachtgeldduur, heeft recht op een</al><al>vervolgwachtgeld.</al><al><vet>3. </vet>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het
                        vervolgwachtgeld een jaar.</al><al><vet>4. </vet>De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de
                        dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is,</al><al>bedraagt drie en een half jaar.</al><al><vet>5. </vet>De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en
                        tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is</al><al>toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede
                        lid, onderdeel a of b, heeft</al><al>aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld
                        eindigt op een tijdstip gelegen</al><al>binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd,
                        wanneer dit zou zijn toegekend</al><al>ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen
                        een jaar na de in de vorige volzin</al><al>bedoelde datum.</al><al><vet>6. </vet>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of
                        ouder is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en</al><al>tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de
                        voorwaarde, bedoeld in artikel</al><al>10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een
                        vervolgwachtgeld indien het toegekende</al><al>wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de
                        datum waarop zijn wachtgeld zou</al><al>zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het
                        vervolgwachtgeld eindigt op het</al><al>tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde
                        datum.</al><al><vet>7. </vet>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van
                        het wachtgeld van overeenkomstige toepassing op</al><al>het vervolgwachtgeld.</al><al><vet><cursief>Bedrag van het wachtgeld</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:10</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie
                        maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging,</al><al>gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van die bezoldiging en
                        vervolgens 67% van die</al><al>bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657)
                        worden de percentages,</al><al>genoemd in de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van
                        het wachtgeld daalt echter niet</al><al>beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben
                        indien hij uit de betrekking</al><al>waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag
                        zou zijn gepensioneerd naar</al><al>de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de berekeningsgrondslag,
                        bedoeld in artikel 6.2 van het</al><al>pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het
                        wachtgeld tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8,</al><al>vierde lid, gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige
                        lid, met dien verstande dat gedurende</al><al>het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van
                        de bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Bedrag van het vervolgwachtgeld</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:11</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het
                        minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit</al><al>meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon
                        verstaan het maandbedrag</al><al>van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet
                        minimumloon en</al><al>minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar
                        betreft, het voor zijn leeftijd</al><al>geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde
                        lid, van genoemde wet, beide</al><al>vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15
                        van die wet.</al><al><vet><cursief>Verplichtingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:12</vet></al><al><vet>1. </vet>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                        bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden</al><al>betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        redelijkerwijs kan worden</al><al>opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik
                        te maken van elke gelegenheid</al><al>die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden
                        geacht.</al><al><vet>2. </vet>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                        bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau</al><al>van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                        werkdag, volgende op die waarop het</al><al>ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.</al><al><vet>3. </vet>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon
                        verblijf houdt in het buitenland dan wel</al><al>nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd
                        van 55 jaar nog niet heeft</al><al>bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een
                        aldaar gevestigde instantie van</al><al>arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel
                        van het college vergelijkbaar is</al><al>met het arbeidsbureau.</al><al><vet>4. </vet>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                        omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde</al><al>betrokkenen of groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet
                        hebben bereikt.</al><al><vet>5. </vet>De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is
                        voorts verplicht zich te gedragen naar de</al><al>voorschriften die hem door het college in het algemeen of voor enig
                        bijzonder geval worden gegeven,</al><al>strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van
                        inkomsten.</al><al><vet>6. </vet>De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen
                        vinden overeenkomstige toepassing voor de</al><al>ambtenaar zodra hem ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is
                        verleend, dan wel het voornemen</al><al>tot zodanig ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.</al><al><vet>7. </vet>Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene
                        geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar</al><al>het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de
                        uitvoering van deze regeling</al><al>noodzakelijke inlichtingen geven.</al><al><vet><cursief>Verplichtingen bij ziekte</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:13</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                        verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht</al><al>daarvan terstond mededeling te doen aan het college.</al><al><vet>2. </vet>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                        de geneeskundige begeleiding van betrokkene</al><al>als bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>3. </vet>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is
                        gesteld van de mogelijkheid van het doen van een</al><al>aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                        de WAO gestelde termijnen</al><al>een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die
                        noodzakelijk is voor het verkrijgen</al><al>van deze uitkering.</al><al><vet>4. </vet>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                        WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan</al><al>worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                        gehouden met de WAO-uitkering</al><al>behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al><vet>5. </vet>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                        handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde</al><al>lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                        geheel of gedeeltelijk wordt</al><al>geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de</al><al>toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn
                        genoten.</al><al><vet><cursief>Verhuiskosten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:14</vet></al><al>Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders
                        arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen,</al><al>door het college een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te
                        bepalen vergoeding in de kosten van een</al><al>daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al><vet><cursief>Vermindering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:15</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband
                        met arbeid, waaronder mede wordt verstaan</al><al>een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op
                        of na de dag waarop hem</al><al>het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het
                        voornemen hem ontslag te verlenen,</al><al>wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die
                        inkomsten en wachtgeld</al><al>samen de bezoldiging te boven gaan.</al><al>Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met
                        inkomsten zoals bedoeld in de</al><al>eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het
                        wachtgeld ingevolge het bepaalde</al><al>in artikel 10:19, eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al><vet>2. </vet>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is
                        toegekend en die wegens ongeschiktheid voor</al><al>de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de
                        betrekking die hij gedurende</al><al>de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij
                        deelnemer was in de zin van het</al><al>pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt
                        verrekend. De inkomsten - ter hand</al><al>genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit de
                        betrekking die door betrokkene</al><al>als wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij
                        betrekking hebben of geacht</al><al>kunnen worden betrekking te hebben.</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening
                        op zodanige wijze dat het</al><al>oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee
                        de WAO-uitkering,</al><al>in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan niet
                        aangevuld met een wachtgeld</al><al>of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of
                        bedrijf met inbegrip van</al><al>het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke bezoldiging
                        overschrijdt. Indien na die</al><al>vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert,
                        wordt het aanvullende wachtgeld of</al><al>de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan
                        overschrijding .</al><al><vet>3. </vet>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                        onmiddellijk voorafgaande aan het</al><al>ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.</al><al><vet>4. </vet>Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste
                        lid, inkomsten of hogere inkomsten</al><al>verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is
                        ten aanzien van die inkomsten</al><al>of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                        toepassing. De hierbedoelde</al><al>vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere
                        inkomsten het gevolg zijn van algemene</al><al>loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten
                        niet het gevolg zijn van</al><al>verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het
                        ontslag.</al><al><vet>5. </vet>Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet
                        verstaan inkomsten, verkregen wegens</al><al>overwerk of als gratificatie.</al><al><vet><cursief>Opgave van inkomsten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:16</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of
                        bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is</al><al>verleend of hem schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, onverwijld</al><al>mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen
                        ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover</al><al>mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal
                        verkrijgen. Tijdelijke of blijvende</al><al>wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het
                        verschijnen van de eerstvolgende</al><al>wachtgeldtermijn op.</al><al><vet>2. </vet>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                        de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór</al><al>het verschijnen van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het
                        ter hand nemen van de arbeid</al><al>of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de
                        aard van de arbeid of het bedrijf,</al><al>ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                        termijn moeten worden berekend,</al><al>welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                        dienovereenkomstig en wordt het</al><al>bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van
                        verrekening aan het einde van</al><al>evenbedoelde termijn.</al><al><vet>3. </vet>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                        een opgave, bedoeld in het tweede lid,</al><al>worden afgeweken.</al><al><vet>4. </vet>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                        toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf</al><al>en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.</al><al><vet><cursief>Verlenging</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:17</vet></al><al>Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het
                        recht op wachtgeld ontleent bij de</al><al>gemeente te wier laste het wachtgeld komt een naar de aard van de
                        werkzaamheden overeenkomstige betrekking</al><al>gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur
                        van die betrekking aan de op grond</al><al>van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld
                        toegevoegd.</al><al><vet><cursief>Opschorting</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:18</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte
                        aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een</al><al>uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in
                        verband met de betrekking waaruit</al><al>hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de
                        wachtgeldregeling vervat in deze</al><al>regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak
                        bestaat.</al><al><vet>2. </vet>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                        dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet</al><al>begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat
                        in deze regeling opschorten tot</al><al>het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al><vet><cursief>Samenloop</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:19</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                        hij met recht op wachtgeld is ontslagen,</al><al>aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met
                        een invaliditeitspensioen,</al><al>berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het
                        geldende bedrag van het</al><al>wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                        percentage verminderd. Deze</al><al>vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van</al><al>65% tot 80%: 80%;</al><al>55% tot 65%: 60%;</al><al>45% tot 55%: 50%;</al><al>35% tot 45%: 40%;</al><al>25% tot 35%: 30%;</al><al>15% tot 25%: 20%;</al><al>minder dan 15%: 0%.</al><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met een</al><al>invaliditeitspensioen, en het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet
                        meer dan het onverminderde</al><al>wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval
                        van overschrijding wordt het</al><al>overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                        WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs</al><al>kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                        gehouden met de WAO-uitkering</al><al>waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al><vet>3. </vet>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                        handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste</al><al>lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze
                        uitkering geheel of gedeeltelijk</al><al>wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt
                        de bedoelde uitkering voor de</al><al>toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al><al><vet>4. </vet>Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een
                        uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de</al><al>Ziektewet, wordt gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het
                        wachtgeld slechts uitbetaald</al><al>voor zover het evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.</al><al><vet><cursief>Betaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:20</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt
                        naar boven tot een volle euro afgerond en in</al><al>dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning
                        van wachtgeld werd genoten.</al><al><vet>2. </vet>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het
                        wachtgeld over langere termijnen geschieden.</al><al><vet><cursief>Afkoop</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:21</vet></al><al>In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een
                        regeling met hem treffen krachtens</al><al>welke het wachtgeld geheel of ten dele wordt vervangen door een
                        afkoopsom.</al><al><vet><cursief>Verval van wachtgeld</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:22</vet></al><al><vet>1. </vet>Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                        verklaard:</al><al><vet>a. </vet>indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16,
                        eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of</al><al>onvolledig doet;</al><al><vet>b. </vet>indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede,
                        derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet</al><al>nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden
                        gemaakt;</al><al><vet>c. </vet>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                        in het buitenland vestigt of geacht moet</al><al>worden aldaar duurzaam te verblijven;</al><al><vet>d. </vet>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                        of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede</al><al>lid zijn gesteld;</al><al><vet>e. </vet>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou
                        zijn verleend als hij in dienst was</al><al>gebleven;</al><al><vet>f. </vet>indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene
                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden</al><al>hebben voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben
                        gevormd hem als</al><al>ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel
                        10:12, eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld</al><al>voor het gedeelte waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane
                        inkomsten, de bezoldiging te</al><al>boven zou zijn gegaan.</al><al><vet>3. </vet>Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van
                        overeenkomstige toepassing op de ambtenaar bedoeld in</al><al>artikel 10;12, zesde lid, aan wie in dat geval een op soortgelijke wijze
                        berekend lager wachtgeld wordt</al><al>toegekend.</al><al><vet>4. </vet>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                        nakomen van voorschriften, het weigeren of geen</al><al>gebruik maken van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting,
                        behoudens het geval dat het naar</al><al>het oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden
                        verricht ter vervanging van</al><al>stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het
                        oog op de openbare veiligheid</al><al>of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare
                        dienst.</al><al><vet>Artikel 10:23</vet></al><al><vet>1. </vet>Het recht op wachtgeld vervalt:</al><al><vet>a. </vet>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op
                        die waarin de betrokkene de leeftijd van</al><al>65 jaar heeft bereikt;</al><al><vet>b. </vet>op de dag na het overlijden van de betrokkene;</al><al><vet>c. </vet>op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde
                        lid, bedoelde inschrijving teniet doet of</al><al>nalaat haar op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie
                        van arbeidsbemiddeling</al><al>bepaalde tijdstippen te doen verlengen;</al><al><vet>d. </vet>op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het
                        arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van</al><al>arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing
                        van die organisatie dan</al><al>wel die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem
                        passend kan worden geacht dan</al><al>wel weigert dergelijk werk te aanvaarden.</al><al><vet>2. </vet>Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop
                        betrokkene recht verkrijgt op een</al><al>WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
                        Artikel 10:6, tweede lid is</al><al>van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit wachtgeld de
                        duur, voor zover deze wordt</al><al>berekend aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                        rekenen vanaf de datum van</al><al>ontslag.</al><al><vet><cursief>Overlijdensuitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:24</vet></al><al><vet>1. </vet>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt
                        aan de nagelaten echtgenoot of</al><al>geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als
                        bedoeld in artikel 10:5, over een</al><al>tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of
                        geregistreerde partner na dan geschiedt</al><al>de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke
                        kinderen dan wel minderjarige</al><al>pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering
                        ten behoeve van ouders, broers,</al><al>zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.</al><al><vet>2. </vet>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                        bedoelde betrekkingen een uitkering wordt</al><al>toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde betrekking, ten
                        gevolge waarvan op het wachtgeld</al><al>een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan het</al><al>verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie maanden.</al><al>Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het
                        onverminderde wachtgeld zou</al><al>zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar het verminderde
                        wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag</al><al>aangevuld.</al><al><vet>3. </vet>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste
                        lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering</al><al>geheel of ten dele worden aangewend voor betaling van de kosten van de
                        laatste ziekte of van de</al><al>lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend
                        is.</al><al><vet>4. </vet>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop de</al><al>nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                        overlijden aanspraak kunnen maken</al><al>uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan
                        wel krachtens enige wettelijk</al><al>voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of
                        onvrijwillige werkloosheid.</al><al><vet><cursief>Overgangsbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:25</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de
                        wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1</al><al>augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen
                        van de wachtgeldregeling</al><al>zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien
                        verstande dat de hoogte, voor de</al><al>reeds vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de
                        wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1</al><al>augustus 1991.</al><al><vet>2. </vet>Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid,
                        die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis</al><al>van de desbetreffende bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt
                        met ingang van 1 augustus 1991,</al><al>de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende
                        wachtgeld langer is dan de</al><al>oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd
                        met het verschil tussen beide.</al><al><vet>3. </vet>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de
                        wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende</al><al>wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld
                        krachtens artikelen 4 en 5 van de</al><al>wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al><vet>4. </vet>Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de
                        wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende</al><al>uitkering tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld
                        krachtens artikelen 4 en 6 van de</al><al>uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.</al><al><vet>Artikel 10:26</vet></al><al><vet>1. </vet>Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld
                        als bedoeld in de toen geldende</al><al>wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel
                        10:25, tweede lid, verstrijkt in</al><al>de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op
                        een overgangsuitkering.</al><al><vet>2. </vet>De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien
                        verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari</al><al>1996 eindigt. De overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van
                        het wachtgeld als bedoeld in het</al><al>eerste lid en wordt in maandelijkse termijnen betaald.</al><al><vet>3. </vet>De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk
                        aan het minimumloon, met dien verstande dat</al><al>dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al><al><vet>4. </vet>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                        verstaan het maandbedrag</al><al>van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet
                        minimumloon en</al><al>minimumvakantiebijslag.</al><al><vet>5. </vet>De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel
                        mogelijk van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 10:27</vet></al><al><vet>1. </vet>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend
                        op basis van de bepalingen van de</al><al>wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de
                        duur doorloopt tot na 31</al><al>december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken
                        zoals deze zijn vastgelegd in</al><al>evengenoemde verordening.</al><al><vet>2. </vet>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                        voor 1 januari 1995 een wachtgeld is</al><al>toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al><vet><cursief>Gevolgen Wet werk en inkomen naar
                            arbeidsvermogen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:28</vet></al><al>Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een
                        uitkering ingevolge de WIA, zijn de</al><al>artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23 van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet><cursief>Slotbepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10:29</vet></al><al><vet>1. </vet>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
                        ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.</al><al><vet>2. </vet>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                        de CAR en/of UWO moet, voor zover niet</al><al>anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals
                        die luidde op 31 december 2000.</al><al><vet>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</vet></al><al><vet><cursief>§ 1 Algemene bepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10a:1</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van de
                        Werkloosheidswet;</al><al><vet>b. </vet>betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is;</al><al><vet>c. </vet>dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, zonder
                        de maximering van het dagloon, als</al><al>bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen jo.
                        artikel 17, eerste lid, van de Wet</al><al>financiering sociale verzekeringen.</al><al><vet>d. </vet>bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de ambtenaar kan
                        ontlenen aan dit hoofdstuk, te</al><al>weten de aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit
                        hoofdstuk en de aansluitende</al><al>uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering
                        van de gemeentelijke</al><al>werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.</al><al><vet>2. </vet>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in
                        acht genomen</al><al><vet><cursief>§ 2 Aanvullende uitkering</cursief></vet></al><al><cursief>Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met
                            suppletie</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene
                        die:</al><al><vet>a. </vet>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en
                        met 21 van de Werkloosheidswet en</al><al><vet>b. </vet>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
                        8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.</al><al><vet>2. </vet>Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot
                        uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake</al><al>van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a
                        van de CAR.</al><al><vet>3. </vet>Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid
                        tot het verrichten van zijn arbeid wegens</al><al>ziekte recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of meer,</al><al>heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de mate van
                        arbeidsongeschiktheid op een</al><al>lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op
                        een uitkering krachtens de</al><al>Werkloosheidswet.</al><al><vet>4. </vet>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is
                        ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt</al><al>het recht op de aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking
                        ter zake waarvan hij betrokkene</al><al>is, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de
                        desbetreffende dienstbetrekkingen.</al><al><cursief>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:3</vet></al><al>De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de
                        dag voorafgaande aan het ontslag</al><al>ter zake waarvan de betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt
                        toegekend, voorzover dat betrekking heeft</al><al>op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering
                        wordt ontleend.</al><al><cursief>Hoogte van de uitkering: indexering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:4</vet></al><al>De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt telkens aangepast
                        aan de voor de sector</al><al>Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.</al><al><cursief>Hoogte van de uitkering: bedrag</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:5</vet></al><al><vet>1. </vet>De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende
                        uitkering bedragen tezamen een percentage</al><al>van de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:</al><al><vet>a. </vet>gedurende de eerste vijftien maanden 80% en</al><al><vet>b. </vet>vervolgens 70%.</al><al><vet>3. </vet>Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43
                        van de Werkloosheidswet schort de termijn</al><al>gedurende welke 80% van de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet
                        op.</al><al><vet>4. </vet>Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als
                        bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt</al><al>uitgegaan van de datum van ontslag</al><al><cursief>Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11
                            augustus 2003 en 1 augustus 2004</cursief></al><al><cursief>werkloos zijn geworden</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:5a</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering,
                        die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1</al><al>augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid
                        jonger is dan 57,5, heeft na</al><al>afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet
                        gedurende twee jaar recht op</al><al>een verlengde uitkering.</al><al><vet>2. </vet>De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering,
                        die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1</al><al>augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5
                        jaar of ouder is, heeft na</al><al>afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet
                        gedurende 3,5 jaar recht op een</al><al>verlengde uitkering.</al><al><vet>3. </vet>De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en
                        tweede lid, is 80% van de</al><al>berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de
                        eerste dag van werkloosheid</al><al>niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.</al><al><vet>4. </vet>Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                        zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk</al><al>van overeenkomstige toepassing .</al><al><vet>5. </vet>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                        130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt</al><al>deze op de verlengde uitkering in mindering gebracht.</al><al><cursief>Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie artikel
                            130h, eerste lid, van de</cursief></al><al><cursief>Werkloosheidswet van toepassing is</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:5b</vet></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene</al><al>op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                        is.</al><al><cursief>Beëindiging van het recht op uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:6</vet></al><al>De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het
                        recht op uitkering, vastgelegd in de</al><al>Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</al><al><cursief>Herleving van het recht op uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:7</vet></al><al>De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van</al><al>toepassing op de aanvullende uitkering.</al><al><cursief>Verlenging van het recht op uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:8</vet></al><al>De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering,
                        vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn</al><al>van toepassing op de aanvullende uitkering.</al><al><cursief>Verplichtingen en sancties</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:9</vet></al><al><vet>1. </vet>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet
                        is van toepassing op de aanvullende</al><al>uitkering, met inachtneming van het in lid 2 gestelde en met dien verstande
                        dat een boete in de zin van de</al><al>Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de
                        aanvullende uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel
                        8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag</al><al>in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan
                        de uitkering krachtens de</al><al>Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een
                        aanvulling op de aanvullende</al><al>uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de
                        aanvullende uitkering tezamen</al><al>een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou
                        hebben gehad indien hij</al><al>niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen
                        komen.</al><al><vet>3. </vet>Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel
                        8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag</al><al>in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan
                        de uitkering krachtens de</al><al>Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een gemeentelijke
                        werkloosheidsuitkering toe, waarvan</al><al>de hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet waarop de betrokkene</al><al>recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor
                        ontslag in aanmerking te willen</al><al>komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de
                        voorwaarden van artikel 10a:2</al><al>wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op deze
                        gemeentelijke werkloosheidsuitkering</al><al>zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de
                        toepassing van dit hoofdstuk wordt de</al><al>gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet.</al><al><cursief>Anticumulatie</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:10</vet></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende
                        uitkering.</al><al><cursief>Scholing</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:11</vet></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de</al><al>Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.</al><al><cursief>Aanvulling op ziekengeld</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:12</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te
                        verrichten en dientengevolge een uitkering</al><al>krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou
                        hebben op een aanvullende</al><al>uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek
                        was geweest, recht op aanvulling van</al><al>dat ziekengeld.</al><al><vet>2. </vet>Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling
                        bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan</al><al>het bedrag dat de betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen
                        wanneer hij niet wegens ziekte</al><al>ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.</al><al><vet>3. </vet>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van
                        toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.</al><al><cursief>Aanvulling op Waz-uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:12a</vet></al><al>De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op
                        een uitkering op grond van de</al><al>Waz, heeft recht op een aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.</al><al><cursief>Aanvulling op REA-uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:12b</vet></al><al><vet>1. </vet>De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en
                        dientengevolge een uitkering krachtens de</al><al>Werkloosheidswet ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe
                        werkgever recht hebben op</al><al>een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie arbeidsgehandicapten.
                        Indien hij recht zou hebben op een</al><al>aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 wanneer hij geen
                        REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou</al><al>hebben gehad, bestaat er ook in dit geval recht op aanvulling.</al><al><vet>2. </vet>De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering
                        bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is</al><al>aan het bedrag dat betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen
                        wanneer hij een WW-uitkering en</al><al>aanvullende uitkering zou ontvangen.</al><al><cursief>Uitkering bij overlijden</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:13</vet></al><al><vet>1. </vet>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                        aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste</al><al>lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat
                        het bedrag van beide uitkeringen</al><al>tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon,
                        berekend over een periode van 13</al><al>weken.</al><al><vet>2. </vet>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop</al><al>de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                        aanspraak kunnen maken uit</al><al>hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling,
                        dan wel krachtens enige wettelijk</al><al>voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of
                        onvrijwillige werkloosheid.</al><al><cursief>Grensarbeiders</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:13a</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als
                        betrokkene buiten Nederland woont en in</al><al>verband met artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71
                        geen recht op een WW-uitkering</al><al>heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid
                        dat hij geen recht op een</al><al>WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten
                        Nederland woont.</al><al><vet>2. </vet>De uitkering op grond van dit artikel:</al><al><vet>a. </vet>eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens
                        ziekte of arbeidsongeschiktheid niet</al><al>beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een
                        uitkering als bedoeld in artikel</al><al>19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn
                        verzekering op grond van de daar</al><al>genoemde wetten is geëindigd;</al><al><vet>b. </vet>is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een
                        WW-uitkering, niet van invloed op</al><al>het recht op bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden is
                        aan dat recht op een</al><al>WW-uitkering.</al><al><vet>3. </vet>De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid
                        recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan</al><al>de WW-uitkering en de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou
                        hebben gehad indien hij in</al><al>Nederland zou hebben gewoond.</al><al><vet>4. </vet>Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een
                        uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling,</al><al>adoptie of pleegzorg naar het recht van zijn woonland, wordt die uitkering
                        voor de toepassing van het derde</al><al>lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de
                        Wet arbeid en zorg. Deze</al><al>gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de maximale duur van de
                        overeenkomstige uitkering op grond</al><al>van de ZW of de Wet arbeid en zorg. Zolang deze gelijkstelling duurt is de
                        uitkering gelijk aan de uitkering</al><al>op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering
                        waarop de betrokkene recht zou</al><al>hebben gehad indien hij in Nederland had gewoond.</al><al><vet>5. </vet>Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid,
                        ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie,</al><al>pleegzorg of arbeidsongeschiktheid naar het recht van zijn woonland
                        ontvangt, wordt deze geheel in</al><al>mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde
                        periode.</al><al><vet>6. </vet>Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een
                        uitkering op grond van dit artikel en een</al><al>WW-uitkering, een ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en
                        zorg, een bovenwettelijke</al><al>uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt,
                        niet zijnde een uitkering naar</al><al>het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het
                        karakter van een aanvulling tot de</al><al>hoogte die de uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop zou
                        hebben. Hierbij wordt de wettelijke</al><al>uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van
                        enige wettelijke bepaling geheel</al><al>of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.</al><al><vet><cursief>§ 3 Aansluitende uitkering</cursief></vet></al><al><cursief>Diensttijd</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:14</vet></al><al><vet>1. </vet>In deze paragraaf wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan
                        het ontslag voorafgaande in overheidsdienst</al><al>doorgebrachte tijd waaraan het deelnemerschap in de zin van het
                        pensioenreglement is verbonden, alsmede</al><al>tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al><vet>2. </vet>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                        de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit</al><al>de werkloosheid is ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling
                        beperking van het zijn van</al><al>overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164)
                        het ambtenaarschap in de zin</al><al>van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al><al><vet>3. </vet>In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid
                        blijft buiten beschouwing:</al><al><vet>a. </vet>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                        jaar;</al><al><vet>b. </vet>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                        van de duur van een eerder toegekend</al><al>wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                        werkloosheid of een</al><al>bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de
                        overheid;</al><al><vet>c. </vet>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                        van een pensioen krachtens het</al><al>pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van
                        artikel 8:3 van deze</al><al>regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al><al><vet>d. </vet>tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het
                        pensioenreglement;</al><al><vet>e. </vet>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking
                        welke de betrokkene had kunnen</al><al>aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van
                        de datum waarop de</al><al>uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingaat.</al><al><cursief>Voorwaarden voor recht op uitkering/ samenloop met
                            suppletie</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:15</vet></al><al><vet>1. </vet>Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene
                        die:</al><al><vet>a. </vet>recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en
                        met 21 van de Werkloosheidswet en</al><al><vet>b. </vet>werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel
                        8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het</al><al>derde lid.</al><al><vet>2. </vet>Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de
                        betrokkene die door het college op basis van artikel</al><al>10a:9 derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.</al><al><vet>3. </vet>In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van
                        artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende</al><al>uitkering indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6,
                        derde lid, laatste volzin biedt.</al><al><vet>4. </vet>Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste
                        dag van de werkloosheid, waarbij de aansluitende</al><al>uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde
                        uitkering krachtens de</al><al>Werkloosheidswet is verstreken.</al><al><vet>5. </vet>Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat
                        het recht op de aansluitende uitkering op de</al><al>eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de
                        geldende uitkeringsduur van de</al><al>verlengde uitkering is verstreken.</al><al><vet>6. </vet>Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de
                        Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op</al><al>de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de
                        aansluitende uitkering ingaat zodra de</al><al>geldende uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is
                        verstreken.</al><al><vet>7. </vet>Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot
                        uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake</al><al>van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a
                        van de CAR.</al><al><vet>8. </vet>De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens
                        ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens</al><al>ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend
                        naar een arbeidsongeschiktheid</al><al>van 80% of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de
                        duur, als bepaald in artikel</al><al>10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op
                        een lager percentage wordt</al><al>vastgesteld dan 80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet.</al><al><vet>9. </vet>Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtste lid, is
                        ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen,</al><al>wordt het recht op de aansluitende uitkering toegerekend aan de
                        dienstbetrekking ter zake waarvan</al><al>hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde
                        van de desbetreffende</al><al>dienstbetrekkingen.</al><al><cursief>Duur van de uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:16</vet></al><al><vet>1. </vet>De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op
                        drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de</al><al>diensttijd;</al><al><vet>b. </vet>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per</al><al>leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%.</al><al><vet>2. </vet>De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:</al><al><vet>a. </vet>de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals
                        deze is vastgesteld op de eerste dag van de</al><al>werkloosheid en</al><al><vet>b. </vet>twee jaar.</al><al><vet>3. </vet>Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor
                        betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste</al><al>lid, wordt uitgegaan van de datum van het ontslag.</al><al><vet>4. </vet>De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van
                        55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op</al><al>een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend
                        op die waarin hij de leeftijd van</al><al>65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet
                        wordt in mindering gebracht</al><al>op de aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen 11
                            augustus 2003 en 1 augustus 2004</cursief></al><al><cursief>werkloos zijn geworden</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:16a</vet></al><al><vet>1. </vet>De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die
                        recht heeft op een aansluitende uitkering,</al><al>die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is
                        geworden, wordt vastgesteld op drie</al><al>maanden, vermeerderd voor de betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
                        heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de</al><al>diensttijd;</al><al><vet>b. </vet>die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
                        19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per</al><al>leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%</al><al>en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens
                        de Werkloosheidswet, zoals</al><al>deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de
                        verlengde uitkering genoemd in</al><al>artikel 10a:5a.</al><al><vet>2. </vet>De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering,
                        die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1</al><al>augustus 2004 werkloos is geworden en die op de eerste dag van werkloosheid
                        de leeftijd van 55 jaren</al><al>of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de
                        eerste dag van de kalendermaand,</al><al>volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een
                        uitkering op basis van de Algemene</al><al>Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>3. </vet>Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor
                        zover toepasbaar, de artikelen van dit</al><al>hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>4. </vet>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                        130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt</al><al>deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al><al><cursief>Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie
                            artikel 130h, eerste lid, van de</cursief></al><al><cursief>Werkloosheidswet van toepassing is</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:16b</vet></al><al>De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004,
                        blijven gelden voor de betrokkene</al><al>op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing
                        is.</al><al><cursief>Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:17</vet></al><al>Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Hoogte van de uitkering: indexering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:18</vet></al><al>Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Hoogte van de uitkering: bedrag</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:19</vet></al><al><vet>1. </vet>De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de
                        berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden</al><al>te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is verstreken en
                        vervolgens 70% van de</al><al>berekeningsgrondslag.</al><al><vet>2. </vet>Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als
                        bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt</al><al>uitgegaan van de datum van ontslag.</al><al><vet>3. </vet>Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel
                        130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt</al><al>deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.</al><al><cursief>Beëindiging van het recht op uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:20</vet></al><al><vet>1. </vet>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of
                        gedeeltelijke beëindiging van het recht op</al><al>vervolguitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                        uitkering.</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op
                        aansluitende uitkering niet in geval van</al><al>ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen
                        aanspraak bestaat op een uitkering</al><al>krachtens de Ziektewet.</al><al><vet>3. </vet>Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het
                        recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1,</al><al>onderdeel e van de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het
                        verstrijken van de uitkeringsduur.</al><al>In dat geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de
                        uitkeringsduur van de aansluitende</al><al>uitkering, berekend overeenkomstig artikel 10a:16.</al><al><cursief>Nawerking Ziektewet en Waz</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:20a</vet></al><al>Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz na aanvang
                        van de aansluitende uitkering</al><al>recht ontstaat op een uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de
                        Waz, wordt deze uitkering in</al><al>mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Herleving van het recht op uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:21</vet></al><al><vet>1. </vet>De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving
                        van het recht op uitkering zijn van</al><al>overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de
                        Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor</al><al>inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met
                        betrekking tot de verlenging van</al><al>het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van
                        overeenkomstige toepassing op de</al><al>aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Verplichtingen en sancties</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:22</vet></al><al><vet>1. </vet>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet
                        is van overeenkomstige toepassing op de</al><al>aansluitende uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de
                        Ziektewet van overeenkomstige toepassing op</al><al>de aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Anticumulatie</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:23</vet></al><al>Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Scholing</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:24</vet></al><al>De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde
                        activiteiten, vastgelegd in de</al><al>Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende
                        uitkering.</al><al><cursief>Uitkering bij overlijden</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:25</vet></al><al><vet>1. </vet>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in
                        onder overeenkomstige toepassing van artikel</al><al>35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend,
                        met dien verstande dat het bedrag</al><al>van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene
                        geldende dagloon, berekend over</al><al>een periode van 13 weken.</al><al><vet>2. </vet>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop</al><al>de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
                        aanspraak kunnen maken uit</al><al>hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling,
                        dan wel krachtens enige wettelijk</al><al>voorgeschreven verzekering tegen ziekte.</al><al><cursief>Grensarbeiders</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:25a</vet></al><al><vet>1. </vet>Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van
                        artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op</al><al>de aansluitende uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in
                        Nederland zou hebben gewoond.</al><al><vet>2. </vet>Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a,
                        tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al><vet><cursief>§ 4 Bovenwettelijke
                        reïntegratiemaatregelen</cursief></vet></al><al><cursief>Regeling tegemoetkoming verhuiskosten</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:26</vet></al><al><vet>1. </vet>Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand
                        gaat nemen en recht heeft of zou krijgen op</al><al>een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou
                        hebben aanvaard of bedrijf</al><al>ter hand zou hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van €
                        2.270,- worden toegekend als</al><al>tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een
                        tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt</al><al>deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering
                        gebracht.</al><al><vet>Artikel 10a:27</vet></al><al><vet>1. </vet>Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel
                        10a:26 in aanmerking te komen dient de</al><al>uitkeringsgerechtigde:</al><al><vet>a. </vet>de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf
                        met tenminste 50% met een minimum van</al><al>vijf uur te verminderen;</al><al><vet>b. </vet>te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de
                        werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden</al><al>voor de oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de
                        uitkeringsperiode;</al><al><vet>c. </vet>arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde
                        tijd met een duur van minimaal een jaar,</al><al>blijkend uit de overlegging van het arbeidscontract;</al><al><vet>d. </vet>zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats
                        van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de</al><al>afstand tussen deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer
                        moet bedragen;</al><al><vet>e. </vet>schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen
                        hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen</al><al>bezwaar heeft als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze
                        melding verifieert en de</al><al>uitvoeringsinstelling vaststelt dat de uitkeringsgerechtigde is
                        verhuisd.</al><al><vet>2. </vet>Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat
                        eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde</al><al>daadwerkelijk is verhuisd.</al><al><cursief>Reïntegratietoeslag</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:28</vet></al><al><vet>1. </vet>Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag
                        indien:</al><al><vet>a. </vet>hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet
                        aanvaardt en</al><al><vet>b. </vet>het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is
                        dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde</al><al>berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede lid.</al><al><vet>2. </vet>De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe
                        dienstbetrekking is aanvaard te worden</al><al>aangevraagd bij het college.</al><al><vet>3. </vet>Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking
                        kleiner is dan de omvang van de oude betrekking,</al><al>heeft betrokkene recht op een reïntegratietoeslag, mits het dagloon
                        omgerekend naar de omvang van de oude</al><al>betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde
                        berekeningsgrondslag.</al><al><vet>4. </vet>Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van
                        tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van</al><al>minimaal een jaar te zijn overeengekomen.</al><al><vet>5. </vet>In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of
                        artikel 10a:32 van de CAR van toepassing is, is er</al><al>geen recht op de in het eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.</al><al><vet>Artikel 10a:29</vet></al><al><vet>1. </vet>De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk
                        vol jaar dat de betrokkene nog recht zou</al><al>hebben op een aanvullende en/of aansluitende uitkering indien betrokkene de
                        nieuwe betrekking niet zou</al><al>hebben verkregen.</al><al><vet>2. </vet>Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op
                        basis van het eerste lid wordt het aantal jaren dat</al><al>de betrokkene nog recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele
                        jaren naar beneden afgerond.</al><al><vet>Artikel 10a:30</vet></al><al><vet>1. </vet>De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:</al><al><vet>a. </vet>indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;</al><al><vet>b. </vet>indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe
                        betrekking;</al><al><vet>c. </vet>indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie
                        maanden het in artikel 10a:31 opgenomen</al><al>niveau van de reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.</al><al><vet>2. </vet>Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid,
                        onderdeel b wordt de situatie verstaan waarin de</al><al>betrokkene die in de nieuwe betrekking per kalenderweek:</al><al><vet>a. </vet>ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                        kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf</al><al>arbeidsuren resteren of</al><al><vet>b. </vet>minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per
                        kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de</al><al>helft van de arbeidsuren resteren.</al><al><vet>3. </vet>Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe
                        betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden</al><al>voor die uren waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag
                        wordt dan naar rato uitgekeerd.</al><al><vet>4. </vet>De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand
                        een overzicht te verschaffen van de inkomsten</al><al>uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis
                        van dit overzicht wordt bepaald</al><al>of er een recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag
                        dient te zijn.</al><al><vet>5. </vet>Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het
                        eerste lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet</al><al>meer herleven.</al><al><vet>Artikel 10a:31</vet></al><al><vet>1. </vet>De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe
                        betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3</al><al>genoemde berekeningsgrondslag.</al><al><vet>2. </vet>Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel
                        10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de</al><al>inkomsten uit de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude
                        betrekking, naar rato aan tot</al><al>90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.</al><al><cursief>Reïntegratiepremie</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:32</vet></al><al><vet>1. </vet>Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden
                        toegekend indien:</al><al><vet>a. </vet>betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens
                        werkloosheid geniet en</al><al><vet>b. </vet>hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf
                        gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid</al><al>volledig wordt opgeheven.</al><al><vet>2. </vet>Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient
                        uiterlijk 10 weken na beëindiging van de</al><al>uitkering op basis van de Werkloosheidswet door betrokkene te worden
                        ingediend.</al><al><vet>3. </vet>Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk
                        indien het verzoek betrekking heeft op de gehele</al><al>bovenwettelijke uitkering.</al><al><vet>4. </vet>Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt
                        toegekend, wordt het recht op een</al><al>maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door het recht op een
                        bedrag ineens vervangen en vervallen</al><al>daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene op een bovenwettelijke
                        uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8</al><al>en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.</al><al><vet>5. </vet>Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende
                        uitkering wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7</al><al>of artikel 10a:21 herleeft voordat een besluit over het verzoek van
                        betrokkene omtrent de toekenning van een</al><al>reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.</al><al><vet>Artikel 10a:33</vet></al><al><vet>1. </vet>De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som
                        van de maandelijkse aanspraken op</al><al>bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog recht zou hebben gehad,
                        indien hij geen nieuwe</al><al>dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende periode
                        waarin hij nog aanspraak zou</al><al>hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn
                        gebleven als dat hij is op de</al><al>dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe werkgever.</al><al><vet>2. </vet>Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan
                        van de berekeningsbasis op grond van het</al><al>eerste lid zoals die op de datum van toekenning van de premie wordt
                        vastgesteld.</al><al><vet>3. </vet>Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben
                        geen invloed op de berekeningsbasis van de</al><al>reïntegratiepremie.</al><al><vet>Artikel 10a:34</vet></al><al>De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde
                        berekeningsgrondslag, met als maximum</al><al>een bedrag van 130 maal het dagloon van de betrokkene.</al><al><vet><cursief>§ 5 Overgangsbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10a:35</vet></al><al>(vervallen)</al><al><cursief>Overige en slotbepalingen</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:36</vet></al><al>Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een
                        algemene neerwaartse wijziging</al><al>ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders
                        overeenkomen, binnen zes</al><al>maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op
                        overeenkomstige wijze ten</al><al>aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in
                        het Staatsblad vermelde</al><al>datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes
                        maanden na de datum van het</al><al>Staatsblad.</al><al><vet>Artikel 10a:37</vet></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.</al><al><cursief>Slotbepaling</cursief></al><al><vet>Artikel 10a:38</vet></al><al><vet>1. </vet>Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of
                        na 1 juli 2008 wordt ontslagen.</al><al><vet>2. </vet>Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en
                        UWO moet, voor zover niet anders is bepaald,</al><al>worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30
                        juni 2008.</al><al><vet>10d Voorzieningen bij werkloosheid</vet></al><al><vet><cursief>Paragraaf 1 Werkingssfeer en
                        begripsbepalingen</cursief></vet></al><al><cursief>Werkingssfeer</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op grond
                        van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen</al><al>worden en de ambtenaren die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8
                        ontslagen zijn.</al><al><vet>2. </vet>In afwijking van het eerste lid is dit hoofdstuk niet van
                        toepassing op het onderwijzend personeelslid</al><al>werkzaam binnen de kunstzinnige vorming dat voor minder dan 5 uur of minder
                        dan de helft van zijn</al><al>formele arbeidsduur ontslagen wordt op grond van artikel 8:3.</al><al><cursief>Begripsbepalingen</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:2</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>aanvullende uitkering: de uitkering tijdens de
                        werkloosheidsuitkering;</al><al><vet>b. </vet>bezoldiging: het gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld in
                        artikel 3:1, berekend over een periode van 12</al><al>maanden direct voorafgaand aan de datum van de reïntegratiefase, vermeerderd
                        met de vakantietoelage en de</al><al>eindejaarsuitkering; deze wordt geïndexeerd met de generieke
                        salarisverhoging in de gemeentelijke sector;</al><al><vet>c. </vet>gemeentelijke sector: de gemeenten en gemeenschappelijke
                        regelingen, die de CAR van toepassing hebben</al><al>verklaard;</al><al><vet>d. </vet>na-wettelijke uitkering: de uitkering na afloop van de
                        werkloosheidsuitkering;</al><al><vet>e. </vet>reïntegratiefase: de fase voorafgaand aan ontslag, waarin door
                        middel van een reïntegratieplan afspraken</al><al>worden gemaakt over de wijze waarop de reïntegratie van de ambtenaar het
                        best tot stand kan komen en</al><al>hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als
                        mogelijk is te voorkomen;</al><al><vet>f. </vet>reïntegratieplan: het plan van aanpak waarin de
                        reïntegratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar</al><al>beschreven staan, die tot doel hebben de reïntegratie van de ambtenaar te
                        bevorderen;</al><al><vet>g. </vet>werkloosheid: werkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet,
                        waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit</al><al>uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente waaruit de
                        werkloosheid plaatsvindt;</al><al><vet>h. </vet>werkloosheidsuitkering: uitkering op grond van de
                        Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de</al><al>aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 2 Samenloop met sociaal statuut en sociaal
                                plan</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 10d:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien lokaal ruimere afspraken gelden, dan die in dit
                        hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en GO of tot</al><al>herziening moet worden overgegaan van deze lokale afspraken.</al><al><vet>2. </vet>Indien lokaal ruimere afspraken gelden, gelden deze lokale
                        afspraken in plaats het gestelde in dit hoofdstuk.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 3 Rechten bij ontslag op grond van artikel
                                8:8</cursief></vet></al><al><cursief>Rechten op grond van artikel 8:8</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen
                        wordt, treft het college een passende regeling.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand
                        door het college gehoord.</al><al><vet>3. </vet>Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de
                        inhoud van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en</al><al>billijk is.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 4 Reintegratiefase</cursief></vet></al><al><cursief>Reintegratiefase voor ontslag</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:5</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:3 of
                        8:6 heeft recht op een reïntegratiefase.</al><al><vet>2. </vet>De reïntegratiefase begint met een besluit tot ontslag op
                        grond van artikel 8:3 of 8:6.</al><al><vet>3. </vet>De reïntegratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending
                        of overhandiging van het besluit tot ontslag.</al><al><vet>4. </vet>De reïntegratiefase is afhankelijk van de duur van het
                        dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag</al><al>plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de
                        datum van indiensttreding bij de</al><al>gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de
                        reïntegratiefase.</al><al><vet>5. </vet>Bij ontslag op grond van artikel 8:3 duurt de reïntegratiefase
                        bij een dienstverband van:</al><al><vet>a. </vet>7 maanden 2 tot 10 jaar</al><al><vet>b. </vet>11 maanden 10 tot 15 jaar</al><al><vet>c. </vet>5 maanden 15 jaar of meer.</al><al><vet>6. </vet>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 duurt de reïntegratiefase
                        bij een dienstverband van:</al><al><vet>a. </vet>4 maanden 2 tot 10 jaar</al><al><vet>b. </vet>8 maanden 10 tot 15 jaar</al><al><vet>c. </vet>12 maanden 15 jaar of meer.</al><al><cursief>Einde reintegratiefase</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:6</vet></al><al><vet>1. </vet>De reïntegratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor
                        de ambtenaar geldende termijn, indien de</al><al>ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere
                        functie binnen of buiten de</al><al>gemeente aanvaardt.</al><al><vet>2. </vet>De reïntegratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van
                        artikel 8:3 of 8:6 gaat direct in, indien de</al><al>ambtenaar zich tijdens de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit
                        het reïntegratieplan. Het college</al><al>neemt hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht.</al><al><vet>3. </vet>Indien de reïntegratiefase eerder eindigt om de in het tweede
                        lid genoemde reden, vervallen de rechten op</al><al>een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering. Het college neemt
                        hierbij de algemene beginselen</al><al>van behoorlijk bestuur in acht.</al><al><cursief>Verlening reintegratiefase bij nalatigheid gemeente</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De reïntegratiefase wordt verlengd wanneer het college zich
                        tijdens de reïntegratiefase niet houdt aan de</al><al>afspraken uit het reïntegratieplan.</al><al><vet>2. </vet>De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft
                        van de oorspronkelijke reïntegratiefase.</al><al><vet>3. </vet>Tijdens de verlengde reïntegratiefase herstelt het college de
                        nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.</al><al><vet>4. </vet>Tijdens de verlengde reïntegratiefase blijven de gemaakte
                        afspraken uit het reïntegratieplan van kracht.</al><al><cursief>Verlenging reintegratiefase door middel van
                        levensloop</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:8</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar kan het college verzoeken de reïntegratiefase met
                        maximaal 12 maanden te verlengen door</al><al>gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in
                        artikel 6:9.</al><al><vet>2. </vet>Het college stemt alleen in met het verzoek indien de
                        ambtenaar tijdens de reïntegratiefase redelijkerwijs niet</al><al>heeft kunnen voldoen aan zijn reïntegratieverplichtingen en indien:</al><al><vet>3. a. </vet>onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige
                        arbeidsduur; en</al><al><vet>b. </vet>de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed
                        opneemt op grond van de gemeentelijke</al><al>levensloopregeling; en</al><al><vet>c. </vet>tijdens de verlengde reïntegratiefase activiteiten worden
                        ondernomen of voortgezet die de reïntegratie</al><al>bevorderen.</al><al><vet>4. </vet>Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de
                        voorwaarden waaronder de inspanningen van</al><al>het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het
                        reïntegratieplan, tijdens de verlenging van de</al><al>reïntegratiefase worden voortgezet.</al><al><vet>5. </vet>Artikel 10d:6 is tijdens de verlenging van de reïntegratiefase
                        van overeenkomstige toepassing.</al><al><cursief>Reintegratieplan</cursief></al><al><vet>Reintegratieplan</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen
                        een maand na aanvang van de reïntegratiefase een</al><al>reïntegratieplan op.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand
                        door het college gehoord.</al><al><vet>3. </vet>In het reïntegratieplan worden afspraken opgenomen over de
                        reïntegratie-inspanningen die van het college en</al><al>de ambtenaar verlangd worden. In het reïntegratieplan staan in ieder geval
                        afspraken over:</al><al><vet>- </vet>verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die
                        neergelegd zijn in het reïntegratieplan;</al><al><vet>- </vet>scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het
                        begin van die scholing, het einde van die</al><al>scholing, de betaling en de te behalen resultaten;</al><al><vet>- </vet>opstellen arbeidsmarktprofiel;</al><al><vet>- </vet>sollicitatieactiviteiten.</al><al><vet>4. </vet>In het reïntegratieplan worden afspraken gemaakt over de
                        kosten voor de verschillende activiteiten uit</al><al>het reïntegratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het
                        reïntegratieplan komen, mits redelijk en billijk,</al><al>volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 5 Aanvullende uitkering</cursief></vet></al><al><cursief>Aanvullende uitkering bij ontslag</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:10</vet></al><al>Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:</al><al><vet>1. a. </vet>op grond van artikel 8:3 of 8:6 is ontslagen;</al><al><vet>b. </vet>de reïntegratiefase heeft doorlopen, zonder toepassing van
                        artikel 10d:6, tweede lid;</al><al><vet>c. </vet>recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en
                        deze ook daadwerkelijk ontvangt.</al><al><vet>2. </vet>Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering
                        is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere</al><al>betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt
                        die van invloed kunnen zijn op</al><al>de hoogte van zijn aanvullende uitkering.</al><al><cursief>Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:11</vet></al><al><vet>1. </vet>De aanvullende uitkering kent twee fases.</al><al><vet>2. </vet>Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende
                        uitkering:</al><al><vet>3. a. </vet>voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van €
                        4.375,= 10% van de bezoldiging naar rato van</al><al>het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al><al><vet>b. </vet>voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een
                        bedrag van € 5.250,= 20% van de</al><al>bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al><al><vet>c. </vet>voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van de
                        bezoldiging naar rato van het aantal</al><al>uren dat de ambtenaar werkloos is.</al><al><vet>4. </vet>Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende
                        uitkering:</al><al><vet>5. a. </vet>voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een
                        bedrag van € 5.250,= 10% van de bezoldiging</al><al>naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al><al><vet>b. </vet>voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een
                        bedrag van € 6.560,= 20% van de bezoldiging</al><al>naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;</al><al><vet>c. </vet>voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van de
                        bezoldiging naar rato van het aantal</al><al>uren dat de ambtenaar werkloos is.</al><al><cursief>Duur aanvullende uitkering bij ontslag</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:12</vet></al><al><vet>1. </vet>De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te
                        rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.</al><al><vet>2. </vet>De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na
                        afloop van de eerste fase en duurt tot het einde</al><al>van de werkloosheidsuitkering.</al><al><cursief>Sancties</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:13</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                        toegepast op de werkloosheidsuitkering,</al><al>wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de
                        sanctie op grond van het eerste lid, een</al><al>sanctiebeleid op.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt
                        toegepast kan het college besluiten om het</al><al>recht op nawettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten
                        vervallen.</al><al><vet>4. </vet>Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere
                        regels op.</al><al><cursief>Einde aanvullende uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:4</vet></al><al>De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 6 Na-wettelijke uitkering</cursief></vet></al><al><cursief>Na-wettelijke uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:15</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft
                        recht op een na-wettelijke uitkering indien:</al><al><vet>2. a. </vet>de werkloosheid direct aansluitend op de
                        werkloosheidsuitkering voortduurt;</al><al><vet>b. </vet>hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de
                        gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op</al><al>de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.</al><al><vet>3. </vet>Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat
                        het ontslag gelegen is in omstandigheden</al><al>binnen de werksfeer.</al><al><cursief>Hoogte na-wettelijke uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:16</vet></al><al><vet>1. </vet>De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of
                        meer heeft de hoogte van de WW-uitkering, als</al><al>deze zou zijn voortgezet.</al><al><vet>2. </vet>Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt
                        het bedrag van de uitkering berekend naar</al><al>rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.</al><al><vet>3. </vet>De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit
                        of in verband met arbeid ontvangt, mag een</al><al>hoogte van 90% van de oude bezoldiging niet overschrijden. Het meerdere
                        wordt gekort op de na-wettelijke</al><al>uitkering.</al><al><cursief>Duur na-wettelijke uitkering</cursief></al><al>De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke
                        sector maal een correctiefactor. De</al><al>correctiefactor is</al><al><vet>a. </vet>1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar</al><al><vet>b. </vet>2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd
                        van 50 jaar</al><al><vet>c. </vet>3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.</al><al><cursief>Einde na-wettelijke uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:18</vet></al><al><vet>1. </vet>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur
                        is verstreken.</al><al><vet>2. </vet>De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid
                        eindigt.</al><al><vet>3. </vet>De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de
                        maand volgend op die waarin de ambtenaar de</al><al>leeftijd van 62 jaar en 9 maanden bereikt heeft.</al><al><cursief>Sancties na-wettelijke uitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:19</vet></al><al>Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden
                        toegepast op de uitbetaling van de</al><al>na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die
                        de ambtenaar heeft om het college te</al><al>informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de
                        na-wettelijke uitkering.</al><al><cursief>Afkoop</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:20</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan eenmalig, aan het begin van de
                        uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar,</al><al>toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de
                        voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt</al><al>wordt.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 7 Bijzondere uitkering bij ontslag ingeval van
                                minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</cursief></vet></al><al><cursief>Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing
                            ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:21</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en
                        die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld</al><al>in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel
                        definitief is herplaatst op grond van</al><al>artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang
                        hij arbeid heeft voor ten minste de</al><al>restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is vastgesteld.</al><al><vet>2. </vet>Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de
                        ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle</al><al>gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte
                        van zijn bijzondere uitkering.</al><al><cursief>Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of
                            definitieve herplaatsing op grond van artikel</cursief></al><al><cursief>7:16</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:22</vet></al><al><vet>1. </vet>De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen
                        het totaalinkomen uit of in verband met arbeid</al><al>en de bezoldiging voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.</al><al><vet>2. </vet>Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in
                        mindering gebracht.</al><al><cursief>Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of
                            definitieve herplaatsing op grond van artikel</cursief></al><al><cursief>7:16</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:23</vet></al><al>De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de
                        nieuwe arbeid.</al><al><vet><cursief>Paragraaf 8 Overgangsrecht</cursief></vet></al><al><cursief>Overgangsuitkering</cursief></al><al><vet>Artikel 10d:24</vet></al><al><vet>1. </vet>In afwijking van artikel 10d:17 heeft de ambtenaar die:</al><al><vet>a. </vet>op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke
                        sector en</al><al><vet>b. </vet>ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008</al><al><vet>2. </vet>recht op een overgangsuitkering.</al><al><vet>3. </vet>De duur van de overgangsuitkering is gelijk aan (0,25 + (0,195
                        + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12</al><al>-2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38.
                        Factor X staat hierbij voor de</al><al>leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de
                        indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.</al><al><vet>11 Uitkeringsregeling ontslag</vet></al><al><vet><cursief>Betrokkene</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:1</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen
                        ambtenaar aan wie ontslag is verleend:</al><al><vet>a. </vet>op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking
                        waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die</al><al>aanstelling minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een
                        betrekking van kennelijk</al><al>tijdelijke aard;</al><al><vet>b. </vet>op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling,
                        met uitzondering van artikel 8:9, mits dat</al><al>ontslag niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan eigen schuld of
                        toedoen is te wijten; en</al><al>die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan
                        ontlenen.</al><al><vet>2. </vet>Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden
                        verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag</al><al>heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot of geregistreerde partner
                        volgt die door geheel buiten hem of</al><al>haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.</al><al><vet><cursief>Lichamen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:2</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en
                        vennootschappen,</al><al>samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen
                        maatschappelijk gelijk kunnen</al><al>worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en
                        doelvermogens.</al><al><vet><cursief>Diensttijd</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:3</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het
                        in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag</al><al>voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het
                        ambtenaarschap in de zin van de Wet</al><al>privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een
                        verzoek, bedoeld in artikel D 2 van</al><al>de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.</al><al><vet>2. </vet>Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan
                        de tijd doorgebracht in de betrekking</al><al>waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 11:1, is verleend, indien aan die
                        tijd op grond van de Regeling</al><al>beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet
                        Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het</al><al>ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.</al><al><vet>3. </vet>In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid
                        blijft buiten beschouwing:</al><al><vet>a. </vet>diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een
                        maand daarvan wegens verleend ontslag;</al><al><vet>b. </vet>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                        van de duur van een eerder toegekend</al><al>wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige
                        werkloosheid ten laste van de</al><al>overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde lid;</al><al><vet>c. </vet>diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening
                        van een pensioen krachtens het</al><al>pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van
                        artikel 8:3 van deze</al><al>regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;</al><al><vet>d. </vet>tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het
                        pensioenreglement;</al><al><vet>e. </vet>tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een
                        betrekking welke de betrokkene had kunnen</al><al>aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang
                        van de datum waarop de</al><al>uitkering ingaat.</al><al><vet>4. </vet>Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een
                        uitkering in aanmerking is genomen, met een</al><al>overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP
                        wordt vergolden, worden de</al><al>duur en het bedrag van de uitkering, met ingang van de dag waarop dit
                        pensioen is ingegaan, herberekend,</al><al>waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.</al><al><vet><cursief>Dienstbetrekking</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere
                        publiekrechtelijke of privaatrechtelijke</al><al>arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een
                        lichaam werkzaamheden tegen</al><al>bezoldiging of loon worden verricht.</al><al><vet>2. </vet>Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de
                        Werkloosheidswet is van overeenkomstige</al><al>toepassing.</al><al><vet><cursief>Bezoldiging</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:5</vet></al><al><vet>1. </vet>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de
                        bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van</al><al>deze regeling zoals deze laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking was
                        verbonden, vermeerderd met de</al><al>vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de
                        eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.</al><al><vet>2. </vet>Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen
                        wegens de vergoeding, bedoeld in artikel</al><al>3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de
                        aan de dag van het ontslag</al><al>voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.</al><al><vet>3. </vet>Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke
                        verhoging wijziging zou zijn gekomen als betrokkene</al><al>de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met
                        ingang van de dag van in werking</al><al>treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.</al><al><vet>4. </vet>Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden
                        voorafgaande aan de opheffing van de</al><al>betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn
                        geweest, kan de</al><al>bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.</al><al><vet><cursief>Recht op uitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden,
                        bestaat behoudens het bepaalde in het zesde lid,</al><al>met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering
                        waarvan de duur wordt vastgesteld:</al><al><vet>a. </vet>voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
                        onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten</al><al>minste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
                        Werkloosheidswet werkzaam is geweest,</al><al>ingevolge artikel 11:7;</al><al><vet>b. </vet>voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste
                        drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het</al><al>ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het bepaalde in artikel
                        11:8, eerste lid, daartoe aanleiding</al><al>geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel
                        11:8, vierde lid.</al><al><vet>2. </vet>Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van
                        perioden waarin de betrokkene ten gevolge van</al><al>arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of
                        werkzaamheden heeft verricht als</al><al>bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van
                        werknemer heeft herkregen, wordt</al><al>de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met
                        de duur van de perioden van de</al><al>bedoelde verhindering.</al><al><vet>3. </vet>De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in
                        aanmerking genomen, voor zover zij betrekking</al><al>hebben op de dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een
                        of meer dienstbetrekkingen</al><al>waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor
                        zover deze niet reeds eerder in</al><al>aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.</al><al><vet>4. </vet>Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden
                        gelijkgesteld weken, waarover de betrokkene zonder te</al><al>werken loon heeft ontvangen.</al><al><vet>5. </vet>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en
                        vierde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>6. </vet>In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer
                        niet aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21,</al><al>tweede of derde lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag
                        waarop de inschrijving bij het</al><al>arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.</al><al><vet>7. </vet>Geen recht op uitkering bestaat:</al><al><vet>a. </vet>indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
                        WAO-uitkering, berekend naar een</al><al>arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;</al><al><vet>b. </vet>indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op
                        suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van</al><al>deze regeling;</al><al><vet>c. </vet>indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van
                        65 jaar heeft bereikt;</al><al><vet>d. </vet>indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
                        wijten;</al><al><vet>e. </vet>indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht
                        moet worden niet te leiden tot onvrijwillige</al><al>werkloosheid;</al><al><vet>f. </vet>voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                        bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld,</al><al>dat hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling een hem
                        aangeboden betrekking,</al><al>welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor
                        hem passend is te achten,</al><al>heeft geweigerd te aanvaarden.</al><al><vet>8. </vet>De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft
                        recht op uitkering met ingang van de dag waarop</al><al>de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
                        dan 80. De hoogte van deze</al><al>uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter
                        bepaling van de duur van de uitkering</al><al>wordt voor de toepassing van:</al><al><vet>a. </vet>artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
                        ingang waarvan de mate van</al><al>arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij
                        voor de toepassing van het</al><al>vierde lid tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een
                        invaliditeitspensioen,</al><al>vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in
                        aanmerking wordt</al><al>genomen.</al><al><vet>b. </vet>artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
                        ontslag.</al><al><vet>9. </vet>Het college beslist over de toekenning van uitkering op
                        aanvraag door de betrokkene.</al><al><vet><cursief>Duur van de uitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop
                        het ontslag ingaat.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag ten minste gedurende 3 jaar als</al><al>werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
                        dienstbetrekking van 8 of meer uren</al><al>per week werkzaam is geweest of</al><al><vet>b. </vet>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een
                        uitkering op grond van de WAJONG of de</al><al>WAZ;</al><al>wordt de duur van de uitkering verlengd met:</al><al><vet>- </vet>3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;</al><al><vet>- </vet>0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;</al><al><vet>- </vet>1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;</al><al><vet>- </vet>1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;</al><al><vet>- </vet>2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;</al><al><vet>- </vet>2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;</al><al><vet>- </vet>3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar,
                        en</al><al><vet>- </vet>4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.</al><al><vet>3. </vet>Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
                        vastgesteld door samentelling van:</al><al><vet>a. </vet>perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
                        het ontslag, waarover de betrokkene</al><al>aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en
                        in dienstbetrekking van 8 of</al><al>meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en</al><al><vet>b. </vet>de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene
                        en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.</al><al><vet>4. </vet>Perioden, waarin een betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond
                        van de Wet op de</al><al>arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
                        van ten minste 80%;</al><al><vet>b. </vet>ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door
                        het rijk invaliditeitspensioen was</al><al>verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar
                        een arbeidsongeschiktheid</al><al>van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking
                        overeenkomt met een toelage</al><al>als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer</al><al>bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of
                        zou zijn berekend;</al><al><vet>c. </vet>een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet
                        arbeidsongeschiktheidsvoorziening</al><al>militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of
                        een toelage op grond van dat</al><al>hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van</al><al>het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
                        berekend;</al><al><vet>d. </vet>na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
                        ontvangt op grond van de Ziektewet over de</al><al>maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;</al><al><vet>e. </vet>een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt
                        met een uitkering bedoeld onder a of d;</al><al>worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen
                        dienstbetrekking van 8 of</al><al>meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar,
                        bedoeld in het tweede lid, en</al><al>voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het
                        ontslag, bedoeld in het derde</al><al>lid.</al><al><vet>5. </vet>Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en
                        voor de perioden gelegen in de vijf jaar,</al><al>onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
                        perioden waarin een persoon</al><al>een tot zijn huishouden behorend kind:</al><al><vet>a. </vet>beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
                        persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren</al><al>per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
                        het vierde lid, volledig, en</al><al><vet>b. </vet>vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12
                        jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in</al><al>dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een
                        uitkering heeft ontvangen als</al><al>bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.</al><al><vet>6. </vet>Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
                        verzorging niet meegeteld de periode waarin:</al><al><vet>a. </vet>de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
                        wettelijke regeling inzake werkloosheid recht</al><al>heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid, of</al><al><vet>b. </vet>de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens
                        vakanties.</al><al><vet>7. </vet>Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
                        personen zijn als bedoeld in het vijfde lid,</al><al>wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
                        beschouwd, degene van deze</al><al>personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende
                        persoon wordt aangewezen, is</al><al>het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college als
                        verzorgende persoon moet worden</al><al>beschouwd, als zodanig aan te wijzen.</al><al><vet>8. </vet>Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
                        onder:</al><al><vet>a. </vet>een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;</al><al><vet>b. </vet>een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
                        onderhouden en opgevoed.</al><al><vet>9. </vet>De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
                        van de Werkloosheidswet, zijn van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Artikel 11:8</vet></al><al><vet>1. </vet>In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt,
                        indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur,</al><al>waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld
                        in het vierde lid van dit artikel</al><al>is begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende
                        leden.</al><al><vet>2. </vet>De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal
                        maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd,</al><al>waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maanden.</al><al><vet>3. </vet>De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten
                        hoogste vastgesteld op 24 maanden.</al><al><vet>4. </vet>Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd
                        van ten minste tien jaren heeft volbracht en de</al><al>som van zijn leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft
                        bereikt, 60 jaren of meer bedraagt,</al><al>wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend
                        aansluitend gedurende een periode van</al><al>zes maanden een bijzondere verlenging verleend.</al><al><vet><cursief>Vervolguitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:9</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in
                        artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in</al><al>aansluiting op die uitkering recht op een vervolguitkering.</al><al><vet>2. </vet>De betrokkene die</al><al><vet>a. </vet>het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7,
                        eerste lid, heeft bereikt, en</al><al><vet>b. </vet>voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede
                        lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend</al><al>wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de
                        uitkeringsduur, heeft recht op een</al><al>vervolguitkering.</al><al><vet>3. </vet>Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de
                        vervolguitkering een jaar.</al><al><vet>4. </vet>De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de
                        dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is,</al><al>bedraagt drie en een half jaar.</al><al><vet>5. </vet>De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is
                        toegekend, heeft aansluitend recht op een</al><al>vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip
                        gelegen binnen een jaar na de datum</al><al>waarop zijn uitkering zou zijn beeindigd, wanneer deze zou zijn toegekend
                        ingevolge artikel 11:7. De</al><al>vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige
                        volzin bedoelde datum.</al><al><vet>6. </vet>De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of
                        ouder is en aan wie ingevolge artikel 11:8 een</al><al>uitkering is toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering
                        indien de toegekende uitkering</al><al>eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum
                        waarop zijn uitkering zou zijn</al><al>beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De
                        vervolguitkering eindigt op het</al><al>tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde
                        datum.</al><al><vet>7. </vet>Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de
                        uitkering van overeenkomstige toepassing op</al><al>de vervolguitkering.</al><al><vet><cursief>Bedrag van de uitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:10</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee
                        maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging,</al><al>gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens 67% van de
                        bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de
                        bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8,</al><al>vierde lid, 67% van de bezoldiging.</al><al><vet>3. </vet>Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984,
                        657) worden de percentages, genoemd in het</al><al>eerste en tweede lid, met 3 procentpunten verhoogd.</al><al><vet><cursief>Bedrag van de vervolguitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:11</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het
                        minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit</al><al>meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon
                        verstaan het maandbedrag</al><al>van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet
                        minimumloon en</al><al>minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar
                        betreft, het voor zijn leeftijd</al><al>geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde
                        lid, van genoemde wet, beide</al><al>vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15
                        van die wet.</al><al><vet><cursief>Verhuiskosten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:12</vet></al><al>Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij
                        elders arbeid of bedrijf ter hand gaat</al><al>nemen, door het college een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te
                        bepalen vergoeding in de kosten</al><al>van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.</al><al><vet><cursief>Vermindering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:13</vet></al><al><vet>1. </vet>Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband
                        met arbeid, waaronder mede wordt verstaan</al><al>een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op
                        of na de dag waarop</al><al>hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van
                        het voornemen hem ontslag te</al><al>verlenen, wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering
                        toegepast tot het bedrag waarmee</al><al>die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te boven gaan.</al><al>Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met
                        inkomsten zoals bedoeld in de</al><al>eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de
                        uitkering ingevolge artikel 11:23,</al><al>eerste lid, niet in aanmerking genomen.</al><al><vet>2. </vet>Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is
                        toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het</al><al>verrichten van zijn betrekking ontslag is verleend uit de betrekking die hij
                        gedurende de met recht op</al><al>uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin
                        van het pensioenreglement,</al><al>worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De
                        inkomsten, ter hand genomen met ingang</al><al>van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond uit de betrekking die door
                        betrokkene gedurende de met</al><al>recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de
                        maand waarop zij betrekking</al><al>hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben.</al><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening
                        op zodanige wijze dat de</al><al>oorspronkelijk toegekende uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee
                        het pensioen al dan niet</al><al>aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit
                        of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering de
                        oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt.</al><al>Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging
                        resteert, wordt het aanvullende</al><al>wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag
                        aan overschrijding.</al><al><vet>3. </vet>Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien
                        van inkomsten uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit,
                        onmiddellijk voorafgaande aan het</al><al>ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.</al><al><vet>4. </vet>Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste
                        lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt</al><al>uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien
                        van die inkomsten of hogere</al><al>inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al>De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten
                        of hogere inkomsten het gevolg</al><al>zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene aannemelijk maakt
                        dat die inkomsten niet het</al><al>gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband
                        houdende met het ontslag.</al><al><vet>5. </vet>Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet
                        verstaan inkomsten, verkregen wegens</al><al>overwerk of gratificatie.</al><al><vet><cursief>Opgave van inkomsten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:14</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of
                        bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is</al><al>verleend of hem schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem
                        ontslag te verlenen, onverwijld</al><al>mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen
                        ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover</al><al>mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die
                        arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen.</al><al>Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij
                        tijdig voor het verschijnen van</al><al>de eerstvolgende uitkeringstermijn op.</al><al><vet>2. </vet>Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door
                        de betrokkene zijn op te geven doet hij voor</al><al>het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het
                        ter hand nemen van de arbeid</al><al>of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de
                        aard van de arbeid of het bedrijf,</al><al>ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere
                        termijn moeten worden berekend,</al><al>welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave
                        dienovereenkomstig en wordt het</al><al>bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van
                        verrekening aan het einde van</al><al>evenbedoelde termijn.</al><al><vet>3. </vet>Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van
                        een opgave, bedoeld in het tweede lid,</al><al>worden afgeweken.</al><al><vet>4. </vet>Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige
                        toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf</al><al>en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde
                        lid.</al><al><vet><cursief>Overlijdensuitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:15</vet></al><al><vet>1. </vet>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene,
                        bedoeld in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten</al><al>echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de
                        bezoldiging als bedoeld in artikel</al><al>11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot
                        of geregistreerde partner</al><al>na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of
                        natuurlijke kinderen dan wel</al><al>minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de
                        uitkering ten behoeve van</al><al>ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene
                        kostwinner was.</al><al><vet>2. </vet>Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid
                        bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend</al><al>uit hoofde van een door de overledene vervulde andere betrekking, ten
                        gevolge waarvan op de uitkering</al><al>een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag
                        uitgekeerd gelijk aan de</al><al>verminderde uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig
                        aangevuld, zodanig dat de som</al><al>van beide bedragen gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>3. </vet>Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste
                        lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering</al><al>geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten van de
                        laatste ziekte of van de</al><al>lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend
                        is.</al><al><vet>4. </vet>Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering
                        gebracht het bedrag van de uitkering waarop de</al><al>nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens
                        overlijden aanspraak kunnen maken</al><al>uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan
                        wel krachtens enig wettelijk</al><al>voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of
                        onvrijwillige werkloosheid.</al><al><vet><cursief>Verplichtingen bij ziekte</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:16</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te
                        verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht</al><al>daarvan terstond mededeling te doen aan het college.</al><al><vet>2. </vet>Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot
                        de geneeskundige begeleiding van betrokkene</al><al>als bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>3. </vet>Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is
                        gesteld van de mogelijkheid van het doen van een</al><al>aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens
                        de WAO gestelde termijnen</al><al>een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die
                        noodzakelijk is voor het verkrijgen</al><al>van deze uitkering.</al><al><vet>4. </vet>Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen
                        WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan</al><al>worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening
                        gehouden met de WAO-uitkering</al><al>behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al><vet>5. </vet>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                        handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde</al><al>lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop
                        geheel of gedeeltelijk wordt</al><al>geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de
                        bedoelde uitkering voor de</al><al>toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn
                        genoten.</al><al><vet><cursief>Uitkering bij ziekte</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:17</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak
                        heeft op een van de uitkeringen bedoeld</al><al>in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop
                        van die termijn wegens ziekte</al><al>verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de
                        vierde dag van die verhindering een</al><al>uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de
                        betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een</al><al>vijfdaagse werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze
                        regeling, zoals dit luidde voor</al><al>1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet><cursief>Samenloop</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:18</vet></al><al>Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste
                        lid, wordt met ingang van de dag</al><al>waarop de verhindering wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de
                        uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot</al><al>en met 11:15, opgeschort.</al><al><vet><cursief>Afkoop</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:19</vet></al><al>Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in
                        artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a</al><al>of b, kan het recht op uitkering geheel of ten dele worden afgekocht.</al><al><vet><cursief>Verval en opnieuw toekennen van het recht op
                                uitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:20</vet></al><al><vet>1. </vet>Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan
                        de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7,</al><al>tweede lid, onderdeel a of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge
                        artikel 11:7, eerste lid, vervalt met</al><al>ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer
                        intredende onvrijwillige werkloosheid</al><al>opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de
                        laatstbedoelde werkloosheid</al><al>ingaat, tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden
                        werkloosheid aanspraak heeft op een</al><al>uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige
                        publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of</al><al>uitkering.</al><al><vet>2. </vet>Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de
                        werkloosheid begrepen:</al><al><vet>a. </vet>het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste
                        dienstbetrekking;</al><al><vet>b. </vet>het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een
                        naar zijn aard tijdelijke</al><al>dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe
                        dienstbetrekking ten minste</al><al>gelijk is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op
                        uitkering bestaat.</al><al><vet>3. </vet>Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende
                        uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog</al><al>onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de
                        betrokkene:</al><al><vet>a. </vet>binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering
                        ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid,</al><al>onder a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en</al><al><vet>b. </vet>in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als
                        werknemer als bedoeld in artikel 3 van de</al><al>Werkloosheidswet.</al><al><vet>4. </vet>Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de
                        betrokkene zonder te werken loon heeft</al><al>ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken.</al><al><vet>5. </vet>De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid,
                        bedraagt zes maanden, verminderd met de resterende</al><al>duur van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet>6. </vet>Het college beslist over het opnieuw toekennen van de
                        uitkering als bedoeld in het eerste lid en op</al><al>toekenning van een uitkering als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door
                        de betrokkene.</al><al><vet>7. </vet>Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende
                        aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel</al><al>11:6, negende lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of
                        het opnieuw ontstaan van dat</al><al>recht bij het college is ingekomen.</al><al><vet><cursief>Verplichtingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:21</vet></al><al><vet>1. </vet>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft
                        bereikt is hij verplicht een hem aangeboden</al><al>betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden
                        redelijkerwijs kan worden</al><al>opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik
                        te maken van elke gelegenheid</al><al>die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden
                        geacht.</al><al><vet>2. </vet>Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft
                        bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau</al><al>van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste
                        werkdag, volgende op die waarop het</al><al>ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van
                        inschrijving als werkzoekende van het</al><al>arbeidsbureau aan het college over te leggen.</al><al><vet>3. </vet>De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon
                        verblijf houdt in het buitenland dan wel</al><al>nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd
                        van 55 jaar nog niet heeft</al><al>bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een
                        aldaar gevestigde instantie van</al><al>arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel
                        van het college vergelijkbaar is</al><al>met het arbeidsbureau.</al><al><vet>4. </vet>Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid
                        omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde</al><al>betrokkenen of groepen van betrokkenen.</al><al><vet>5. </vet>De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht
                        zich te gedragen naar de voorschriften die hem</al><al>door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden
                        gegeven, strekkende tot het verkrijgen</al><al>van een betrekking of andere bron van inkomsten.</al><al><vet>6. </vet>Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene
                        geacht er in toe te stemmen dat zij, die naar</al><al>het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de
                        uitvoering van deze regeling</al><al>noodzakelijke inlichtingen geven.</al><al><vet><cursief>Opschorting</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:22</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte
                        aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft</al><al>of krijgt of een uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in
                        verband met de betrekking waaruit</al><al>hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de
                        uitkeringsregeling vervat in deze</al><al>regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak
                        bestaat.</al><al><vet>2. </vet>Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als
                        dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet</al><al>begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling
                        vervat in deze regeling opschorten tot</al><al>het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.</al><al><vet><cursief>Samenloop</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:23</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit
                        hij met recht op uitkering is ontslagen,</al><al>aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met
                        een invaliditeitspensioen,</al><al>berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het
                        geldende bedrag van de</al><al>uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde
                        percentage verminderd. Deze</al><al>vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van</al><al>65% tot 80%: 80%;</al><al>55% tot 65%: 60%;</al><al>45% tot 55%: 50%;</al><al>35% tot 45%: 40%;</al><al>25% tot 35%: 30%;</al><al>15% tot 25%: 20%;</al><al>minder dan 15%: 0%.</al><al>De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend
                        geval vermeerderd met</al><al>een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering bedraagt voorts niet
                        meer dan de onverminderde</al><al>uitkering die wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval
                        van overschrijding wordt het</al><al>overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen
                        WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs</al><al>kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening
                        gehouden met de WAO-uitkering</al><al>waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.</al><al><vet>3. </vet>Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van
                        handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste</al><al>lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze
                        uitkering geheel of gedeeltelijk</al><al>wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt
                        de bedoelde uitkering voor de</al><al>toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.</al><al><vet>Artikel 11:24</vet></al><al>Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de
                        Werkloosheidswet of de Ziektewet,</al><al>worden gedurende de termijn, waarover die aanspraken bestaan, de op grond
                        van deze regeling toegekende</al><al>uitkeringen niet uitbetaald.</al><al><vet><cursief>Betaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:25</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt
                        naar boven tot een volle euro afgerond en in</al><al>dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning
                        van de uitkering werd genoten.</al><al><vet>2. </vet>Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de
                        uitkering over langere termijnen geschieden.</al><al><vet><cursief>Verval van uitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:26</vet></al><al><vet>1. </vet>De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden
                        verklaard:</al><al><vet>a. </vet>indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave
                        bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid,</al><al>nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet;</al><al><vet>b. </vet>indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel
                        11:21, tweede en derde lid, dan wel</al><al>indien hij zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin hij
                        een uitkering geniet, de in</al><al>evengenoemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze op de
                        door het arbeidsbureau dan</al><al>wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te
                        doen verlengen;</al><al><vet>c. </vet>indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde
                        lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij</al><al>hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien
                        er overigens gegronde reden</al><al>is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;</al><al><vet>d. </vet>indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college
                        in het buitenland vestigt of geacht moet</al><al>worden aldaar duurzaam te verblijven;</al><al><vet>e. </vet>indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij
                        of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede</al><al>lid, zijn gesteld;</al><al><vet>f. </vet>indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag
                        zou zijn verleend als hij in dienst was</al><al>gebleven;</al><al><vet>g. </vet>indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene
                        verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden</al><al>hebben voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben
                        gevormd hem als</al><al>ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te
                        verlenen;</al><al><vet>h. </vet>indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.</al><al><vet>2. </vet>Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige
                        toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel</al><al>11:17.</al><al><vet>3. </vet>Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21,
                        eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als</al><al>ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van
                        arbeidsbemiddeling opzettelijk</al><al>of door nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing
                        van het arbeidsbureau, welke</al><al>kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden</al><al>redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te
                        aanvaarden, vervalt de</al><al>uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of
                        verloren gegane inkomsten, de</al><al>bezoldiging te boven zou zijn gegaan.</al><al><vet>4. </vet>Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet
                        nakomen van voorschriften, het weigeren of geen</al><al>gebruik maken van een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het
                        verkrijgen van inkomsten</al><al>geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het
                        naar het oordeel van het college</al><al>noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van
                        stakers of uitgeslotenen of</al><al>om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare
                        veiligheid of gezondheid of voor de</al><al>regelmatige functionering van de openbare dienst.</al><al><vet><cursief>Einde van het recht op uitkering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:27</vet></al><al><vet>1. </vet>Het recht op uitkering eindigt:</al><al><vet>a. </vet>met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op
                        die waarin de betrokkene de leeftijd van</al><al>65 jaar heeft bereikt;</al><al><vet>b. </vet>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                        overleden;</al><al><vet>c. </vet>indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.</al><al><vet>2. </vet>Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de
                        betrokkene recht verkrijgt op een</al><al>WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.
                        Artikel 11:6, achtste lid, is</al><al>van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de
                        duur, voor zover deze wordt</al><al>bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te
                        rekenen vanaf de datum van</al><al>ontslag.</al><al><vet>3. </vet>De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige
                        toepassing op een uitkering, bedoeld in</al><al>artikel 11:17.</al><al><vet><cursief>Nadere voorschriften</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:28</vet></al><al>Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften
                        geven.</al><al><vet><cursief>Overgangsbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11:29</vet></al><al><vet>1. </vet>Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de
                        uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1</al><al>augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen
                        van de uitkeringsregeling</al><al>zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien
                        verstande dat de hoogte, voor de</al><al>reeds vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de
                        uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1</al><al>augustus 1991.</al><al><vet>2. </vet>Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid,
                        die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis</al><al>van de desbetreffende bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden
                        met ingang van 1 augustus 1991,</al><al>de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende
                        uitkering langer is dan de</al><al>oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd
                        met het verschil tussen beide.</al><al><vet>3. </vet>De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van
                        artikel 11, eerste lid, van de</al><al>uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, en welke als
                        gevolg van beëindiging van de</al><al>werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid
                        genoemde termijn en overeenkomstig</al><al>de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van
                        de uitkering. Artikel 13,</al><al>eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1 augustus 1991,
                        blijft van toepassing op een weder</al><al>toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat
                        de duur van de toegekende</al><al>uitkering wordt herberekend op grond van het tweede lid.</al><al><vet>Artikel 11:30</vet></al><al><vet>1. </vet>Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend
                        op basis van de bepalingen van de</al><al>uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de
                        duur doorloopt tot na 31</al><al>december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de
                        aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in</al><al>evengenoemde verordening.</al><al><vet>2. </vet>Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie
                        voor 1 januari 1995 een uitkering is</al><al>toegekend op basis van dit hoofdstuk.</al><al><vet>Artikel 11:31</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 11:32 Slotbepaling</vet></al><al><vet>1. </vet>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of
                        arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1</al><al>januari 2001 of later.</al><al><vet>2. </vet>Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit
                        de CAR en/of UWO moet, voorzover niet</al><al>anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals
                        deze luidde op 31 december 2000.</al><al><vet>11a Suppletie</vet></al><al><vet><cursief>Begripsomschrijvingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11a:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan
                        onder:</al><al><vet>a. </vet>arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van
                        artikel 18, eerste lid, van de Wet op de</al><al>arbeidsongeschiktheidsverzekering;</al><al><vet>b. </vet>arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke uitkering,
                        toegekend op grond van</al><al>arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van
                        betrokkene;</al><al><vet>c. </vet>WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;</al><al><vet>d. </vet>betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de
                        WPA, aan wie op grond van artikel 8:5</al><al>ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
                        betrekking wegens ziekte, en</al><al>die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met
                        uitzondering van degene die zijn</al><al>resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden
                        betrekkingen;</al><al><vet>e. </vet>bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5, eerste
                        lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te</al><al>verlenen;</al><al><vet>f. </vet>suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;</al><al><vet>g. </vet>dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder</al><al>toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de
                        Coördinatiewet Sociale</al><al>Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in
                        artikel 10 van de Wet</al><al>financiële voorzieningen privatisering ABP, en in voorkomend geval
                        verminderd met bijdragen</al><al>strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene
                        afgesloten particuliere</al><al>ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b,
                        van het Besluit Algemene</al><al>Dagloonregelen WAO;</al><al><vet>h. </vet>berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van
                        betrokkene op de dag voorafgaande aan het</al><al>ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover
                        dat betrekking heeft op het</al><al>inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt
                        ontleend;</al><al><vet>i. </vet>werkloosheidsuitkering: een periodieke uitkering ter zake van
                        ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit</al><al>enig dienstverband van betrokkene.</al><al><vet>2. </vet>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in
                        acht genomen.</al><al><vet><cursief>Recht op suppletie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11a:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan
                        hem ontslag is verleend op grond van</al><al>ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.</al><al><vet>2. </vet>Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid
                        bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat</al><al>de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90
                        maanden onafgebroken heeft</al><al>geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden
                        perioden van ziekte samengeteld</al><al>indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                        opvolgen.</al><al><vet>Artikel 11a:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet
                        is van overeenkomstige toepassing op het</al><al>recht op suppletie.</al><al><vet>2. </vet>Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin
                        van de Werkloosheidswet voor de toepassing</al><al>van de suppletie mede gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid
                        verstaan: alle algemeen</al><al>geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden
                        in staat is.</al><al><vet>Artikel 11a:4</vet></al><al>Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang:</al><al><vet>a. </vet>betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate
                        van arbeidsongeschiktheid van 80% of</al><al>meer;</al><al><vet>b. </vet>betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan
                        ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in</al><al>hoofdstuk 12 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds
                        ABP.</al><al><vet>Artikel 11a:5</vet></al><al>Het recht op suppletie eindigt:</al><al><vet>a. </vet>na ommekomst van de duur van de suppletie;</al><al><vet>b. </vet>met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is
                        overleden;</al><al><vet>c. </vet>met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene
                        de leeftijd van 65 jaar bereikt.</al><al><vet><cursief>Suppletie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11a:6</vet></al><al><vet>1. </vet>De suppletie bedraagt een percentage van de
                        berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al><vet>2. </vet>De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens
                        aangepast aan de voor de sector Gemeenten</al><al>geldende algemene bezoldigingswijziging.</al><al><vet>3. </vet>Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt:</al><al><vet>a. </vet>gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en</al><al><vet>b. </vet>gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.</al><al><vet>Artikel 11a:7</vet></al><al><vet>1. </vet>In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het
                        in artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op</al><al>een latere datum dan het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn betrekking wegens</al><al>ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde
                        lid, genoemde periode verminderd</al><al>met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop
                        genoemde ongeschiktheid</al><al>24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te
                        beginnen met de periode</al><al>gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag
                        van de suppletie.</al><al><vet>2. </vet>Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van
                        24 maanden worden perioden van ziekte</al><al>samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken
                        opvolgen.</al><al><vet>Artikel 11a:8</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                        suppletie, ter zake van de dienstbetrekking</al><al>waaruit dat recht op suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een
                        Waz-uitkering dan wel een</al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde
                        uitkering of uitkeringen in</al><al>mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde
                        betrokkene uit hoofde van twee of</al><al>meer dienst betrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een
                        WAO-uitkering, wordt die uitkering</al><al>voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking
                        ter zake waarvan hem recht</al><al>op suppletie is toegekend, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit
                        hoofde van de desbetreffende</al><al>dienstbetrekkingen.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene recht heeft op een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend</al><al>aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen
                        vóór de datum van ontslag</al><al>uit de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is
                        toegekend, welk recht voortduurt na</al><al>laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate van de
                        arbeidsongeschiktheid</al><al>waardoor het bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt,
                        uitsluitend het bedrag van die</al><al>verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op
                        het bedrag van de suppletie.</al><al>Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen
                        als overheidswerknemer</al><al>recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van
                        de vorige volzin toegerekend</al><al>aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de
                        feitelijk genoten inkomsten uit hoofde</al><al>van de desbetreffende dienstbetrekkingen.</al><al><vet>3. </vet>Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een
                        individueel geval naar het oordeel van het</al><al>bestuursorgaan leidt tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de
                        betrokkene, kan het bestuursorgaan</al><al>ten gunste van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met
                        de strekking van dit artikel</al><al>overeenkomt.</al><al><vet>Artikel 11a:9</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op
                        suppletie inkomsten verwerft uit of in verband</al><al>met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de
                        berekeningsgrondslag van de suppletie</al><al>verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.</al><al><vet>2. </vet>Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf,
                        bedoeld in het eerste lid, worden begrepen</al><al>inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:</al><al><vet>a. </vet>met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake
                        waarvan de betrokkene suppletie is toegekend,</al><al>hem is aangezegd;</al><al><vet>b. </vet>gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk
                        voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan</al><al>de betrokkene suppletie is toegekend;</al><al><vet>c. </vet>voor de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene
                        suppletie is toegekend, anders dan bedoeld</al><al>in onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze
                        arbeid of dit bedrijf na die dag</al><al>inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene, terwijl die
                        inkomsten of die meerdere</al><al>inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde
                        werkzaamheid dan wel verband</al><al>houden met het ontslag.</al><al><vet>3. </vet>In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van
                        betrokkene afwijken van het tweede lid.</al><al><vet>Artikel 11a:10</vet></al><al>Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds
                        geacht onverminderd door betrokkene</al><al>te zijn genoten indien, als gevolg van handelingen of het nalaten van
                        handelingen door betrokkene, een of meer</al><al>werkloosheidsuitkeringen, een Waz-uitkering,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van</al><al>de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met
                        laatstgenoemde uitkeringen,</al><al>waarop betrokkene recht heeft:</al><al><vet>a. </vet>vermindering ondergaan;</al><al><vet>b. </vet>blijvend geheel geweigerd worden;</al><al><vet>c. </vet>tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan
                        wel</al><al><vet>d. </vet>in uitkeringsduur beperkt worden.</al><al><vet>Artikel 11a:11</vet></al><al><vet>1. </vet>Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan
                        wie een suppletie is toegekend, keert het</al><al>bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de
                        suppletie van betrokkene over een</al><al>tijdvak van drie maanden.</al><al><vet>2. </vet>Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:</al><al><vet>a. </vet>aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde
                        partners indien de overledene niet duurzaam van</al><al>de andere echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden leefde;</al><al><vet>b. </vet>bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
                        minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;</al><al><vet>c. </vet>bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
                        degenen ten aanzien van wie de overledene</al><al>grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
                        gezinsverband leefde.</al><al><vet>3. </vet>Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als
                        echtgeno(o)t(en) of geregistreerde partner (s)</al><al>aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die
                        duurzaam een gezamenlijke</al><al>huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap
                        in de eerste of tweede graad</al><al>bestaat.</al><al><vet>4. </vet>Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid,
                        kan slechts sprake zijn indien twee</al><al>ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden
                        een bijdrage leveren in de</al><al>kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging
                        voorzien.</al><al><vet>5. </vet>Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt
                        in mindering gebracht het bedrag van de uitkering</al><al>waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens
                        overlijden aanspraak kunnen maken</al><al>uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op</al><al>grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking
                        overeenkomen met laatstgenoemde</al><al>uitkeringen, waarop betrokkene recht had.</al><al><vet><cursief>Betaling van de suppletie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11a:12</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op
                        suppletie bestaat.</al><al><vet>2. </vet>Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het
                        bestuursorgaan beschikbaar gesteld</al><al>aanvraagformulier.</al><al><vet>3. </vet>Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk
                        uit, doch uiterlijk binnen een maand nadat het</al><al>het recht op die suppletie heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de
                        suppletie in de regel per maand</al><al>achteraf.</al><al><vet>4. </vet>De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is
                        ingevorderd binnen 3 maanden na de dag van</al><al>betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het bestuursorgaan kan in
                        bijzondere gevallen ten gunste van</al><al>betrokkene afwijken van de eerste volzin.</al><al><vet>Artikel 11a:13</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid
                        vast te stellen voorschot op een suppletie indien</al><al>uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent
                        het van de suppletie aan de</al><al>betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als
                        bedoeld in artikel 11a:3.</al><al><vet>2. </vet>Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar
                        redelijkheid vast te stellen voorschot op een</al><al>suppletie betalen indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op
                        suppletie.</al><al><vet>3. </vet>Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt
                        beschouwd als een suppletie.</al><al><vet><cursief>Scholing, opleiding en onbeloonde
                        activiteiten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11a:14</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij
                        die regels aan te geven gevallen en met</al><al>inachtneming van bij die regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd
                        is deel te nemen aan een</al><al>opleiding of scholing in dagonderwijs.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat
                        deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het</al><al>bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het
                        bestuursorgaan te stellen regels</al><al>het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is
                        geëindigd.</al><al><vet>3. </vet>In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in
                        het tweede lid, worden in ieder geval voorschriften</al><al>en beperkingen gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van
                        de in het tweede lid bedoelde</al><al>opleiding of scholing.</al><al><vet>Artikel 11a:15</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is
                        verplicht daarvan mededeling te doen aan het</al><al>bestuursorgaan.</al><al><vet>2. </vet>De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen
                        van onbeloonde activiteiten voorafgaande</al><al>toestemming van het bestuursorgaan nodig.</al><al><vet><cursief>Uitvoeringsvoorschriften</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11a:16</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking
                        tot:</al><al><vet>a. </vet>de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;</al><al><vet>b. </vet>het genieten van vakantie tijdens de duur van de
                        suppletie;</al><al><vet>2. </vet>het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking
                        tot artikel 11a:15.</al><al><vet><cursief>Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering
                                wegens ziekte</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11a:17</vet></al><al><vet>1. </vet>Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit
                        de sector gemeenten recht heeft op een</al><al>herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto
                        artikel K 6 van de Algemene burgerlijke</al><al>pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1
                        januari 1996 nog niet is verstreken,</al><al>heeft recht op suppletie.</al><al><vet>2. </vet>Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij
                        een op 31 december 1995 genoten recht op</al><al>herplaatsingswachtgeld van:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1 maand</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende de eerste 27</al></entry><entry colname="col3"><al>maanden 80%</al></entry><entry colname="col4"><al>vervolgens 33</al></entry><entry colname="col5"><al>maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>26</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>22</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>7 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>8 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>9 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>11 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>12 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>13 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>14 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>17 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>18 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>19 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>20 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>21 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>22 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>23 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>24 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>25 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>26 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>27 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al>33</al></entry><entry colname="col5"><al>70%</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>28 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>gedurende 33 maanden</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>29 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>32</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>30 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>31</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>31 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>32 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>29</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>28</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>34 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>27</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>26</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>36 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>25</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>24</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>38 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>23</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>22</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>40 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>20</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>42 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>44 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>46 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>48 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>50 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>52 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>54 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>55 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>58 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>1</al></entry><entry colname="col3"><al>80%</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>3. </vet>De artikelen 11a:3 tot en met 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7
                        tot en met 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde</al><al>lid tot en met 11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>4. </vet>Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere
                        overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht</al><al>op suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.</al><al><vet>5. </vet>Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing,
                        met dien verstande dat voor de vaststelling van</al><al>de berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon
                        zoals bepaald in artikel 42, derde</al><al>en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van
                        artikel 9, eerste lid, van de</al><al>Coördinatiewet Sociale Verzekering.</al><al><vet>6. </vet>Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover
                        herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze</al><al>periode naar beneden afgerond op een hele maand.</al><al><vet>Artikel 11a:18</vet></al><al>Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari
                        1996 gedurende een</al><al>periode van 52 weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in
                        de zin van artikel 19,</al><al>eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate
                        van zijn algemene invaliditeit</al><al>op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent
                        dan wel de mate van</al><al>arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriele regeling op grond van
                        artikel 8, derde lid, van de Algemene</al><al>Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen
                        een periode van zes maanden is</al><al>aan te merken als betrokkene, geldt voor hem als dag- loon het dagloon zoals
                        bepaald in artikel 39, vierde</al><al>en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van
                        artikel 9, eerste lid, van de</al><al>Coordinatiewet Sociale Verzekering.</al><al><vet><cursief>Overige en slotbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 11a:19</vet></al><al>Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9
                        van de WPA een algemene</al><al>neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de
                        LOGA-partners anders</al><al>overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de
                        maatregel is gepubliceerd, op</al><al>overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in
                        het Staatsblad vermelde datum van</al><al>inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na
                        de datum van het Staatsblad.</al><al><vet>Artikel 11a:20</vet></al><al>Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.</al><al>Dit hoofdstuk niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag van
                        ongeschiktheid, bedoeld in artikel</al><al>8:5, is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op
                        grond van artikel 8:5 is ontslagen, met</al><al>uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een
                        WAO-uitkering. Dit hoofdstuk</al><al>is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag van
                        ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is</al><al>gelegen op of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007
                        op grond van 8:5 is ontslagen en</al><al>volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de ambtenaar die op
                        grond van de WAO recht heeft op een</al><al>WAO-uitkering.</al><al><vet>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</vet></al><al><vet><cursief>Algemene bepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 12:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan
                        onder:</al><al><vet>2. a. </vet>de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor
                        georganiseerd overleg;</al><al><vet>b. </vet>de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve
                        arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers</al><al>die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;</al><al><vet>c. </vet>de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de
                        landelijke verenigingen van</al><al>overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot
                        het centraal overleg met het</al><al>College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</al><al><vet>3. </vet>Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is
                        samengesteld uit een vertegenwoordiging van het</al><al>gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de toegelaten
                        organisaties.</al><al><vet>4. </vet>Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene
                        Centrale van Overheidspersoneel (ACOP), de</al><al>Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de
                        Centrale van Middelbare</al><al>en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen
                        (CMHF), dan wel een van</al><al>de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales,
                        respectievelijk bonden voldoende</al><al>representatief geacht kunnen worden.</al><al><vet>5. </vet>De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting
                        hebben in de commissie namens</al><al>ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun
                        zetels als</al><al>vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden
                        ophouden lid van</al><al>de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal leden
                        namens ACOP dan wel ABVAKABO</al><al>FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling
                        van de samenstelling van de</al><al>commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in
                        overeenstemming gebracht met de hier geldende</al><al>bepalingen.</al><al><vet>6. </vet>Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen
                        toegelaten worden indien ze representatief</al><al>geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd
                        overleg besproken.</al><al><vet>7. </vet>Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn
                        toegelaten, verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij</al><al>niet meer voldoende representatief geacht worden.</al><al><vet><cursief>Samenstelling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 12:1:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de
                        commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst</al><al>het college uit zijn midden een of meer vertegenwoordigers en hun
                        plaatsvervangers aan. De aanwijzing</al><al>geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter
                        vervanging van hen die ophouden</al><al>lid van het college te zijn.</al><al><vet>2. </vet>Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in
                        de commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden</al><al>per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun
                        plaatsvervangers aangewezen. Deze</al><al>aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal
                        ambtenaren tot haar leden tellen.</al><al>Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale,
                        geldt het in de vorige zin bepaalde</al><al>voor deze organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling
                        wordt het bedoelde minimum aantal</al><al>ambtenaren bepaald.</al><al><vet>Artikel 12:1:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie,
                        bedoeld in artikel 12:1:1, tweede lid, aan het college</al><al>opgaaf van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten
                        ambtenaren.</al><al><vet>2. </vet>Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een
                        organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij</al><al>geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de
                        organisatie schriftelijk aan het</al><al>college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of
                        plaatsvervanger is ingetrokken. In deze</al><al>gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.</al><al><vet>Artikel 12:1:3</vet></al><al><vet>1. </vet>Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen
                        vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn</al><al>plaatsvervanger.</al><al><vet>2. </vet>Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de
                        vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris</al><al>van de commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het
                        college verder personeel voor het</al><al>secretariaat ter beschikking.</al><al><vet>3. </vet>De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.</al><al><vet><cursief>Mededeling omtrent CAR en UWO</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 12:1:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de
                        Vereniging van Nederlandse Gemeenten</al><al>en de centrales van overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg
                        waarvan de tekst van de CAR</al><al>wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de commissie voor
                        georganiseerd overleg.</al><al><vet>2. </vet>Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO
                        geldt dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het</al><al>eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de
                        UWO wijzigt, het college daarvan</al><al>mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd overleg.</al><al><vet>Artikel 12:1:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien door het bevoegde bestuursorgaan wordt voorgesteld
                        verandering te brengen in de inrichting van</al><al>enig dienstonderdeel, wijziging in de behoefte aan arbeidskrachten daaronder
                        begrepen, stelt het college het</al><al>overleg als bedoeld in artikel 12:2 hiervan op de hoogte.</al><al><vet>2. </vet>Het college stelt in geval van een ingrijpende verandering in
                        de inrichting van enig dienstonderdeel regels</al><al>vast betreffende:</al><al><vet>a. </vet>de fase waarin ter zake van die verandering het overleg als
                        bedoeld in artikel 12:2 wordt gevoerd;</al><al><vet>b. </vet>de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering
                        betrokken ambtenaren worden gehoord;</al><al><vet>c. </vet>de personele gevolgen van die verandering.</al><al><vet>3. </vet>Over het voornemen al dan niet regels, bedoeld in het vorig
                        lid, vast te stellen wordt overleg gevoerd als</al><al>bedoeld in artikel 12:2.</al><al><vet><cursief>Taak en bevoegdheden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 12:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van
                        algemeen belang voor de rechtstoestand van de</al><al>ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd. De</al><al>commissie kan niet overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het
                        LOGA tussen het College</al><al>voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de
                        centrales van overheidspersoneel.</al><al><vet>2. </vet>Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de
                        commissie voor georganiseerd overleg.</al><al><vet>3. </vet>De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een
                        bepaling hoe moet worden gehandeld indien een</al><al>geschil niet tot overeenstemming leidt.</al><al><vet>Artikel 12:2:1</vet></al><al>Besluiten omtrent de onderwerpen, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid,
                        worden door het college en de</al><al>raad niet genomen, noch voorstellen daaromtrent gedaan, dan nadat de
                        commissie haar gevoelen over de</al><al>concept-besluiten, respectievelijk voorstellen heeft kenbaar gemaakt.</al><al><vet>Artikel 12:2:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de
                        organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2,</al><al>eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het college.</al><al><vet>2. </vet>Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de
                        bevoegdheid van het college, dan neemt het</al><al>college daaromtrent een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid
                        van de raad, dan legt het college</al><al>het voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de
                        raad.</al><al><vet>3. </vet>De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van
                        voorstellen van de commissie, worden meegedeeld</al><al>aan de vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen van de
                        vertegenwoordigde</al><al>organisaties.</al><al><vet>Artikel 12:2:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit
                        door haar aan te wijzen voorzitter en leden,</al><al>indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt
                        geacht.</al><al><vet>2. </vet>De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de
                        subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of</al><al>vervangen door degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter
                        beschikking staan.</al><al><vet>3. </vet>Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet><cursief>Vergaderingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 12:2:4</vet></al><al><vet>1. </vet>De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt
                        op door hem te bepalen tijdstippen.</al><al><vet>2. </vet>Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste
                        drie leden van de commissie hem dit</al><al>schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één
                        maand na ontvangst van het</al><al>verzoek.</al><al><vet>Artikel 12:2:5</vet></al><al><vet>1. </vet>De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren,
                        ter vergadering opgeroepen. De</al><al>oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen onderwerpen.</al><al><vet>2. </vet>Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de
                        vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig</al><al>is en ten minste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer
                        de vertegenwoordiging van het</al><al>gemeentebestuur bestaat uit twee of meer leden van het college kan de
                        vergadering slechts plaatshebben</al><al>indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                        aanwezig is en ten minste de</al><al>helft van de organisaties is vertegenwoordigd.</al><al><vet>3. </vet>Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een
                        vergadering niet kan plaatshebben, worden</al><al>de aan de orde zijnde onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda
                        van een binnen 14 dagen te</al><al>houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval
                        kunnen worden behandeld.</al><al><vet>Artikel 12:2:6</vet></al><al>Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door
                        deze schriftelijk op te geven aan</al><al>de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de
                        eerstvolgende vergadering aan de orde.</al><al><vet>Artikel 12:2:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De vergaderingen zijn niet openbaar.</al><al><vet>2. </vet>De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de
                        vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan</al><al>de besprekingen deelnemen.</al><al><vet>3. </vet>De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten
                        bijstaan door een vertegenwoordiger van</al><al>het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen
                        van de agenda binnen de</al><al>grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan
                        voorbespreking in eigen kring te</al><al>onderwerpen.</al><al><vet>4. </vet>De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en
                        omtrent de inhoud van aan de commissie</al><al>overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet
                        ten opzichte van het college</al><al>en van de raad, alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de
                        vertegenwoordigende organisaties.</al><al><vet>Artikel 12:2:8</vet></al><al>De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij
                        dit nodig acht, de vergadering</al><al>schorsen voor een door hem te bepalen tijd.</al><al><vet>Artikel 12:2:9</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke
                        vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1,</al><al>tweede lid, een stem uit.</al><al><vet>2. </vet>De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur
                        wordt bepaald door hoofdelijke stemming van</al><al>de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij staking van stemmen
                        beslist de stem van de voorzitter.</al><al><vet>3. </vet>De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt
                        bepaald door stemming per</al><al>vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie zoveel
                        stemmen worden uitgebracht als</al><al>ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar,
                        met dien verstande dat voor</al><al>een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal
                        stemmen dat door de andere</al><al>organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de
                        vertegenwoordiging geacht</al><al>tegen te hebben gestemd.</al><al><vet>4. </vet>Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt
                        vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het</al><al>derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.</al><al><vet>Artikel 12:2:10</vet></al><al>Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen,
                        welke zo spoedig mogelijk in</al><al>afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in
                        artikel 12:2:11, anders is bepaald.</al><al><vet>Artikel 12:2:11</vet></al><al>Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt
                        vastgesteld, behoeft dit de</al><al>goedkeuring van het college.</al><al><vet><cursief>Advies- en arbitragecommissie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 12:3:1</vet></al><al>De artikelen 12:3:2 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die
                        gemeenten die zijn aangesloten bij de</al><al>advies- en arbitragecommissie.</al><al><vet>Artikel 12:3:2</vet></al><al>Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 wordt verstaan
                        onder:</al><al><vet>a. </vet>deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het
                        gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van</al><al>de organisaties genoemd in artikel 12:1, derde lid;</al><al><vet>b. </vet>advies- en arbitragecommissie: de advies- en
                        arbitragecommissie ingesteld door het College voor</al><al>Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</al><al><vet>Artikel 12:3:3</vet></al><al>De artikelen 12:3:4 tot en met 12:3:8 zijn slechts van toepassing op
                        geschillen inzake aangelegenheden,</al><al>bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden
                        uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren</al><al>betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het
                        personeelsbeleid zal worden gevoerd.</al><al><vet>Artikel 12:3:4</vet></al><al>Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot
                        het oordeel komen dat dit overleg</al><al>niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan
                        het overleg zal hebben, brengen zij</al><al>dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben
                        gegeven, schriftelijk ter kennis van</al><al>de overige deelnemers aan het overleg.</al><al><vet>Artikel 12:3:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel
                        12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit</al><al>van de commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden
                        gehouden binnen zeven dagen</al><al>nadat deze is uitgeschreven.</al><al><vet>2. </vet>Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt
                        besloten het overleg voort te zetten dan wel te</al><al>beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over
                        de vraag wat het onderwerp</al><al>en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal
                        worden gezocht door middel van</al><al>voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies-
                        en arbitragecommissie dan wel</al><al>door onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die
                        commissie.</al><al><vet>3. </vet>Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de
                        vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een</al><al>meerderheid van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1,
                        derde en vierde lid, bevoegd.</al><al><vet>4. </vet>Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is
                        overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging</al><al>van het gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in
                        artikel 12:1, derde en vierde lid. Het</al><al>bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.</al><al><vet>Artikel 12:3:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5,
                        wordt het verzoek om advies ter kennis</al><al>gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie.</al><al>Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich
                        voor inwinning van het advies</al><al>hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het
                        geschil.</al><al>Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is
                        bereikt tussen alle deelnemers</al><al>aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil
                        is, brengen de overige</al><al>deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het
                        geschil eveneens binnen zes</al><al>dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de
                        advies- en arbitragecommissie.</al><al><vet>2. </vet>Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5
                        wordt het verzoek om arbitrage ter kennis</al><al>gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek
                        daartoe wordt ondertekend</al><al>door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:</al><al><vet>a. </vet>het onderwerp en de inhoud van het geschil;</al><al><vet>b. </vet>de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent
                        onderwerp en inhoud van het geschil.</al><al><vet>Artikel 12:3:7</vet></al><al>Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het
                        geschil voortgezet.</al><al><vet>Artikel 12:3:8</vet></al><al>De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende
                        kracht.</al><al><vet>Artikel 12:3:9</vet></al><al>In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na
                        overleg met de commissie van</al><al>georganiseerd overleg.</al><al><vet>13 Overgangs-en slotbepaling CAR</vet></al><al><vet>Artikel 13:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Deze regeling treedt in werking per ..... <vet>[1]</vet></al><al><vet>2. </vet>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking
                        treedt, vervallen de bepalingen van het geldende</al><al>algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel
                        dan wel materieel gelijkluidend</al><al>zijn aan de bepalingen van deze regeling.</al><al><vet>3. </vet>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                        bepalingen uit het geldende algemeen</al><al>ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van individuele
                        ambtenaren in neerwaartse of</al><al>opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen
                        daarvan.</al><al><vet>4. </vet>In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid
                        hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15, eerste en</al><al>tweede lid, 10:19, 10:23, tweede lid, 11:1, 11:6, zevende en achtste lid,
                        11:13, eerste en tweede lid, 11:23,</al><al>11:24 en artikel 11:27, tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1
                        augustus 1993.</al><al><vet>Artikel 13:2</vet></al><al>Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige betrekking
                        bekleedt, geldt dat de omvang van</al><al>deze betrekking per 1 januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij
                        betrokkene heeft verzocht om handhaving</al><al>van het aantal uren van de betrekking per 31 december 1996 en dit verzoek
                        niet is afgewezen.</al><al><vet>Artikel 13:3</vet></al><al>Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen
                        ingevolge hoofdstuk 11 die</al><al>voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid,
                        10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid,</al><al>terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.</al><al><vet>14 Medezeggenschap</vet></al><al><vet>Artikel 14:1</vet></al><al>Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en
                        de (centrale) ondernemingsraad</al><al>een convenant over de benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie
                        daarvoor en het (maximum) aantal</al><al>zittingstermijnen.</al><al><vet><cursief>Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50
                                werknemers</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 14:1:1</vet></al><al>Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de
                        ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor</al><al>hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR,
                        verplicht een ondernemingsraad</al><al>in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35
                        personen werkzaam zijn als bedoeld in</al><al>artikel 1, tweede en derde lid , van de WOR.</al><al><vet>15 Overige rechten en verplichtingen</vet></al><al><vet><cursief>Verplichtingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1</vet></al><al>De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen
                        en zich ook overigens te gedragen</al><al>zoals een goed ambtenaar betaamt.</al><al><vet><cursief>Verbod op aandeelhouderschap e.d.</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:9</vet></al><al> (vervallen)</al><al><vet><cursief>Plicht tot aanvaarden andere betrekking</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:10</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht - nadat hij is gehoord - een andere
                        betrekking te aanvaarden voor de vervulling</al><al>waarvan hij in het belang van de dienst is aangewezen, indien deze
                        betrekking hem redelijkerwijs in verband</al><al>met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande
                        vooruitzichten kan worden</al><al>opgedragen.</al><al><vet>2. </vet>Indien het college dit in het dienstbelang nodig acht, is de
                        ambtenaar verplicht om:</al><al><vet>a. </vet>tijdelijk niet tot zijn betrekking behorende werkzaamheden te
                        verrichten, dan wel tijdelijk een andere</al><al>betrekking waar te nemen;</al><al><vet>b. </vet>tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem
                        vastgestelde werktijden;</al><al><vet>c. </vet>zich buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden
                        ter beschikking te houden. Voor het gedurende</al><al>onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt
                        de ambtenaar schriftelijk</al><al>aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig
                        kalenderdagen in een periode van</al><al>twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke
                        aanwijzing moet blijken.</al><al><vet>3. </vet>Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn
                        persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede</al><al>lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden
                        gevergd, geeft hij - onverminderd</al><al>zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen - daarvan door
                        tussenkomst van het hoofd</al><al>van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een
                        beslissing ter zake neemt.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig
                        particulier werkgever een staking is uitgebroken</al><al>of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen
                        werkzaamheden te verrichten</al><al>of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn,
                        tenzij naar het oordeel van het</al><al>college zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de
                        regelmatige functionering van</al><al>de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is.</al><al><vet>5. </vet>Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het vierde lid
                        wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in</al><al>de commissie, bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.</al><al><vet><cursief>Aanvaarden andere werkzaamheden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:11</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens
                        het college wordt aangewezen, in tijden van</al><al>oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere
                        werkzaamheden te verrichten dan die</al><al>welke hij gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter
                        uitvoering van de taak die de gemeente</al><al>in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en
                        ongestoord mogelijke uitvoering van</al><al>die taak te verzekeren.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college
                        wordt aangewezen, taken te verrichten in het</al><al>kader van de Wet rampen en zware ongevallen..</al><al><vet>3. </vet>In geval van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in artikel
                        1, sub b, Wet rampen en zware ongevallen, is</al><al>de ambtenaar die is aangewezen op grond van het tweede lid van dit artikel
                        verplicht de taken in het kader</al><al>van de Wet rampen en zware ongevallen te verrichten onder leiding en
                        toezicht van het college waar de ramp</al><al>of het zware ongeval plaatsvindt.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid
                        aangewezen, is te allen tijde verplicht lessen te volgen</al><al>en deel te nemen aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid
                        aangeduide taak.</al><al><vet>5. </vet>De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt
                        slechts, indien de persoonlijke omstandigheden</al><al>van de ambtenaar zulks redelijkerwijs toelaten.</al><al><vet><cursief>Vergoeding van schade</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:12</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke
                        vergoeding van door de gemeente geleden</al><al>schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al><al><vet>2. </vet>Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding
                        daarvan op zijn bezoldiging worden</al><al>niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich
                        schriftelijk of mondeling te</al><al>verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te
                        maken.</al><al><vet><cursief>Plichten rekenplichtige ambtenaar</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:13</vet></al><al><vet>1. </vet>De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot
                        aanzuivering van een tekort geheel of</al><al>gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de
                        nodige voorzorgen heeft</al><al>genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.</al><al><vet>2. </vet>Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort
                        uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt</al><al>personeel dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de
                        handelingen van dat personeel</al><al>deugdelijk toezicht heeft gehouden.</al><al><vet>3. </vet>De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid
                        ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte</al><al>of wettige afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien
                        gedurende die tijd zijn betrekking</al><al>wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.</al><al><vet><cursief>Klachten van derden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:14</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet><cursief>Beoordeling van de ambtenaar</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:15</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het
                        college te stellen regelen over de ambtenaar</al><al>periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn
                        betrekking vervult en omtrent</al><al>zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.</al><al><vet>2. </vet>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de
                        ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de</al><al>uitoefening van zijn betrekking of de wijze waarop hij zijn betrekking
                        vervult, voor zover deze aanleiding</al><al>geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de
                        wijze waarop het gedrag of de</al><al>wijze waarop hij zijn betrekking vervult naar het oordeel van het college
                        verbeterd kan worden.</al><al><vet><cursief>Dragen van uniform of dienstkleding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:16</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn
                        betrekking de door het college voor die betrekking of</al><al>voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en
                        onderscheidingstekenen te dragen.</al><al><vet>2. </vet>Het deelnemen aan betogingen en optochten in het
                        voorgeschreven uniform is de ambtenaar slechts</al><al>toegestaan, indien daarvoor door of namens het college toestemming is
                        gegeven.</al><al><vet>3. </vet>Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform
                        insignes of andere onderscheidingstekens of in</al><al>dienst uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet van
                        gemeentewege zijn verstrekt of</al><al>voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is
                        verleend. Dit verbod is niet van</al><al>toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan
                        door het hoger bestuursorgaan</al><al>verlof is verleend.</al><al><vet>4. </vet>Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld
                        betreffende de verstrekking, reiniging en</al><al>herstelling van de in het eerste lid bedoelde kleding.</al><al><cursief>Standplaats</cursief></al><al><vet>Artikel 15:1:17</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de
                        verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn</al><al>standplaats te gaan wonen.</al><al><vet>2. </vet>Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het
                        met name genoemde gedeelte van de</al><al>gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.</al><al><vet>3. </vet>Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid
                        bepaalde nadere regels stellen.</al><al><cursief>Dienstwoning</cursief></al><al><vet>Artikel 15:1:18</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een
                        dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken</al><al>en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de
                        voorschriften die daaromtrent zijn</al><al>gesteld.</al><al><vet>2. </vet>Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het
                        plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening</al><al>van de huurder zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is
                        vastgesteld.</al><al><cursief>Verbod betreden arbeidsterrein</cursief></al><al><vet>Artikel 15:1:19</vet></al><al>Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren,
                        werkplaatsen of andere</al><al>arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.</al><al><cursief>Infectieziekten</cursief></al><al><vet>Artikel 15:1:20</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan
                        heeft met een persoon, die een ziekte heeft,</al><al>waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektenwet bepaalde een
                        nominatieve aangifteplicht geldt, mag</al><al>zijn betrekking niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen,
                        -lokalen en -terreinen voor</al><al>zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de
                        volksgezondheid niet heeft verklaard,</al><al>dat hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar
                        dat hij verdacht moet worden te</al><al>lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven
                        situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste</al><al>kennis te geven aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de
                        door of vanwege het college</al><al>gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een
                        geneeskundig onderzoek.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem
                        overeenkomstig het bepaalde in dit artikel</al><al>verboden is zijn betrekking te vervullen, zijn volledige bezoldiging.</al><al><vet>Artikel 15:1:21</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet><cursief>Reis- en verblijfkosten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:22</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en
                        verblijfkosten ter zake van reizen in het belang van de</al><al>dienst.</al><al><vet>2. </vet>Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig
                        de daarvoor door het college gestelde</al><al>regelen.</al><al><vet><cursief>Vergoeden van schade</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:23</vet></al><al><vet>1. </vet>Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding
                        en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin</al><al>van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed
                        welke hij buiten zijn schuld of</al><al>nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, voor
                        zover die schade niet bestaat uit de</al><al>normale slijtage dier goederen.</al><al><vet>2. </vet>Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem
                        toebehorend motorrijtuig in de zin van de</al><al>Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge
                        van de vervulling van zijn</al><al>betrekking, tenzij:</al><al><vet>a. </vet>die schade bestaat uit de normale slijtage of</al><al><vet>b. </vet>er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende
                        verwijtbaarheid of</al><al><vet>c. </vet>de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar
                        rijdt ten behoeve van de dienst en per</al><al>kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije
                        bedrag per kilometer.</al><al><vet><cursief>Gebruik motorrijtuig</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:24</vet></al><al>Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in
                        de zin van de Wet</al><al>Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn
                        betrekking te gebruiken, indien en</al><al>voor zover hem daartoe door of namens het college toestemming is verleend.
                        Aan deze toestemming kunnen</al><al>bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al><vet>Artikel 15:1:25</vet></al><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                        schadeloosstelling en vergoeding van kosten</al><al>zullen worden verleend.</al><al><vet><cursief>Volgen van een opleiding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:26</vet></al><al>De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het
                        volgen van een bijzondere vakopleiding</al><al>beschikbaar te stellen of enig ander door het college nader aan te duiden
                        onderwijs te volgen. De aan het volgen</al><al>van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste
                        van de gemeente.</al><al><vet>Artikel 15:1:27</vet></al><al>Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst
                        en voor zolang de belangen</al><al>van de dienst zich daartegen niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag
                        per week verlof met behoud van</al><al>bezoldiging verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor
                        voortgezet, herhalings- of vakonderwijs</al><al>en vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd.</al><al><vet><cursief>Bijzondere prestaties</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:28</vet></al><al>Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de
                        betrekking kan aan de ambtenaar,</al><al>naast een tevredenheidsbetuiging, een bijzondere beloning worden toegekend
                        in de vorm van:</al><al><vet>a. </vet>extra verlof;</al><al><vet>b. </vet>gratificatie.</al><al><vet>Artikel 15:1:29</vet></al><al>Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen
                        worden geacht de ambtenaar</al><al>bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen
                        toegebracht.</al><al><vet><cursief>Borstvoeding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1:30</vet></al><al>Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten
                        hoogste 1 jaar na de geboorte van</al><al>het kind de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding
                        te kolven.</al><al><cursief>Voorkomen benadeling lid Georganiseerd Overleg</cursief></al><al><vet>Artikel 15:1:31</vet></al><al>De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als
                        plaatsvervangend lid door een organisatie is</al><al>aangewezen voor de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel
                        activiteiten vervult waarvoor hij</al><al>krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde
                        van zijn lidmaatschap of activiteiten</al><al>wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.</al><al><vet>Artikel 15:1a</vet></al><al>De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is</al><al>voorgeschreven.</al><al><vet><cursief>Persoonlijk gebruik van goederen of
                        diensten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1b</vet></al><al>Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens
                        het college in bijzondere</al><al>gevallen, ten eigen bate:</al><al><vet>a. </vet>diensten te laten verrichten door personen in
                        gemeentedienst;</al><al><vet>b. </vet>aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;</al><al><vet>c. </vet>gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn
                        betrekking ter kennis is gekomen.</al><al><vet><cursief>Aannemen van geschenken en gelden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1c</vet></al><al>Het is de ambtenaar verboden:</al><al><vet>a. </vet>in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen,
                        giften of beloften van derden te vorderen, te</al><al>verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;</al><al><vet>b. </vet>steekpenningen aan te nemen.</al><al><vet>Artikel 15:1d</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen
                        van orde die ten aanzien van het verblijf in</al><al>de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn
                        vastgesteld.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te
                        vervullen, is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede</al><al>te delen of te doen mededelen.</al><al><vet><cursief>Nevenwerkzaamheden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1e</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit
                        orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de</al><al>nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die
                        de belangen van de dienst,</al><al>voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen
                        raken.</al><al><vet>2. </vet>Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het
                        eerste lid gedane opgaven.</al><al><vet>3. </vet>Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten
                        waardoor de goede vervulling van</al><al>zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover
                        deze in verband staat met zijn</al><al>functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit
                        verbod kunnen nadere regels worden</al><al>gesteld.</al><al><vet>4. </vet>Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid
                        bedoelde nevenwerkzaamheden van</al><al>de gemeentesecretaris en directeuren van gemeentelijke diensten en
                        bedrijven, alsmede van andere</al><al>ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                        integriteit van de openbare dienst</al><al>openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.</al><al><vet>Artikel 15:1:7</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet><cursief>Melding financiële belangen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1f</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een
                        functie waaraan in het bijzonder het risico</al><al>van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik
                        van koersgevoelige informatie</al><al>verbonden is.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college,
                        op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn</al><al>financiële belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten,
                        die de belangen van de dienst, voor</al><al>zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.</al><al><vet>3. </vet>Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in
                        het tweede lid.</al><al><vet>4. </vet>Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben,
                        effecten te bezitten en transacties in effecten te</al><al>verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede
                        functionering van de openbare dienst,</al><al>voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in
                        redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent</al><al>dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.</al><al><vet><cursief>Aanneming en levering ten behoeve van de openbare
                                dienst</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:1g</vet></al><al><vet>1. </vet>Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel
                        te nemen aan aannemingen en leveringen ten</al><al>behoeve van de openbare dienst.</al><al><vet>2. </vet>Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van
                        de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan</al><al>aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.</al><al><vet><cursief>Klokkenluiders</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 15:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met
                        vermoedens van misstanden.</al><al><vet>2. </vet>Ambtenaren en door het college aangewezen interne
                        vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te</al><al>stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden
                        ontslagen of anderszins in hun positie</al><al>binnen de gemeente benadeeld worden.</al><al><vet>16 Disciplinaire straffen</vet></al><al><vet><cursief>Plichtsverzuim</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 16:1:1</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt
                        of zich overigens aan plichtsverzuim</al><al>schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te
                        zijnen aanzien van maatregelen van</al><al>inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de
                        Ambtenarenwet, kan deswege disciplinair</al><al>worden gestraft.</al><al><vet>2. </vet>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift
                        als het doen of nalaten van iets dat een goed</al><al>ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.</al><al><vet><cursief>Disciplinaire straffen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 16:1:2</vet></al><al><vet>1. </vet>Naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen de
                        volgende disciplinaire straffen worden toegepast:</al><al><vet>a. </vet>schriftelijke berisping;</al><al><vet>b. </vet>arbeid buiten de voor de betrekking van de ambtenaar
                        vastgestelde werktijden zonder vergoeding of tegen</al><al>een lagere dan de normale vergoeding voor ten hoogste zes uren met een
                        maximum van drie uren per dag</al><al>en met dien verstande dat deze arbeid niet kan worden opgelegd op zondag en
                        op de voor de ambtenaar</al><al>geldende kerkelijke feestdagen;</al><al><vet>c. </vet>vermindering van vakantie met ten hoogste 1/3 van het aantal
                        uren waarop de ambtenaar voor het</al><al>desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft;</al><al><vet>d. </vet>geldboete tot ten hoogste 1% van het bedrag van het salaris
                        per jaar;</al><al><vet>e. </vet>niet-betaling van het salaris, doch ten hoogste tot een bedrag
                        overeenkomende met het salaris over een</al><al>halve maand;</al><al><vet>f. </vet>stilstand van verhoging van salaris, met uitzondering van
                        verhogingen als gevolg van algemene</al><al>loonmaatregelen, een herwaardering van de betrekking daaronder begrepen,
                        voor ten hoogste vier jaren;</al><al><vet>g. </vet>vermindering van salaris met ten hoogste het bedrag van de
                        laatste twee periodieke verhogingen, of,</al><al>indien aan de door de ambtenaar beklede betrekking geen schaal is verbonden,
                        vermindering van het</al><al>salaris met ten hoogste 5%, een en ander voor de tijd van niet langer dan
                        twee jaren;</al><al><vet>h. </vet>plaatsing in een andere betrekking, al of niet in een ander
                        onderdeel van de dienst, voor bepaalde of</al><al>onbepaalde tijd en met of zonder vermindering van bezoldiging;</al><al><vet>i. </vet>schorsing voor een bepaalde tijd zonder of met gedeeltelijk
                        genot van bezoldiging.</al><al><vet>2. </vet>De straffen genoemd in het eerste lid, onder a t/m g, worden
                        opgelegd door het college; de straffen genoemd</al><al>onder h en i, alsmede de straf genoemd in artikel 8:13, worden opgelegd door
                        het bestuursorgaan dat</al><al>bevoegd is tot aanstelling in de laatstelijk door de ambtenaar vervulde
                        betrekking.</al><al><vet>3. </vet>Bij het opleggen van een straf kan worden bepaald, dat zij
                        niet ten uitvoer zal worden gelegd indien de</al><al>betrokken ambtenaar zich gedurende de bij het opleggen van de straf te
                        bepalen termijn niet schuldig</al><al>maakt aan soortgelijk plichtsverzuim als waarvoor de bestraffing
                        plaatsvindt, noch aan enig ander ernstig</al><al>plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel te
                        stellen bijzondere voorwaarden.</al><al><vet><cursief>Verantwoording</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 16:1:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De verantwoording door de ambtenaar geschiedt, indien deze
                        niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van</al><al>het college of ten overstaan van een door het college aangewezen
                        vertegenwoordiger. De verantwoording</al><al>vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats.
                        Op verzoek van de ambtenaar kan</al><al>van deze termijn worden afgeweken.</al><al><vet>2. </vet>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan
                        binnen 36 uur proces-verbaal opgemaakt,</al><al>dat na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de
                        verantwoording plaats heeft en door de</al><al>ambtenaar. Weigert de ambtenaar de ondertekening, dan wordt daarvan in het
                        proces-verbaal, zo mogelijk</al><al>met vermelding van de redenen, melding gemaakt. Een afschrift van het
                        proces-verbaal wordt de ambtenaar</al><al>uitgereikt.</al><al><vet>3. </vet>Indien de ambtenaar zulks verlangt, worden hij en zijn
                        raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen</al><al>van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste
                        gelegde feiten betrekking</al><al>hebben.</al><al><vet>Artikel 16:1:4</vet></al><al>De ambtenaar verstrekt het college een bewijs van ontvangst van het
                        schriftelijk besluit tot strafoplegging.</al><al><vet>Artikel 16:1:5</vet></al><al>De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer
                        gelegd zolang zij niet onherroepelijk is</al><al>geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is
                        bevolen.</al><al><vet>Hoofdstuk 17 Opleiding en ontwikkeling</vet></al><al><vet>17:1:1 Persoonlijk ontwikkelingsplan</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk
                        ontwikkelingsplan de afspraken vast over de</al><al>loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden van de ambtenaar,
                        alsmede een in dat kader</al><al>door hem te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten.</al><al><vet>2. </vet>Het persoonlijk ontwikkelingsplan wordt ten minste een keer
                        per drie jaar opgesteld en door het college</al><al>vastgesteld.</al><al><vet>3. </vet>Een te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten
                        passen in de doelstellingen, criteria en budgettaire</al><al>voorwaarden van het gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals neergelegd in het
                        door het college vastgestelde</al><al>opleidingsplan.</al><al><vet>4. </vet>De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het
                        persoonlijk ontwikkelingsplan opgenomen</al><al>opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.</al><al><vet>5. </vet>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                        vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en</al><al>eventuele verdere medewerking van de zijde van de werkgever die de ambtenaar
                        in staat moeten stellen de</al><al>gemaakte afspraken uit te voeren.</al><al><vet>6. </vet>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken
                        vastgelegd met betrekking tot een of meer van de</al><al>volgende onderwerpen:</al><al><vet>- </vet>de keuze van opleidingsvorm of instituut, alsmede de
                        redelijkerwijs te maken kosten;</al><al><vet>- </vet>de periode gedurende welke een studie gevolgd zal worden;</al><al><vet>- </vet>de minimaal te behalen resultaten en te maken voortgang;</al><al><vet>- </vet>de omstandigheden onder welke een te volgen studie kan worden
                        onderbroken of gestopt;</al><al><vet>- </vet>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                        vergoeding bij het voortijdig afbreken van een</al><al>studie door de ambtenaar;</al><al><vet>- </vet>de gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de genoten
                        vergoeding bij het verlaten van de gemeentelijke</al><al>dienst binnen een te bepalen periode na afronding van de studie;</al><al><vet>- </vet>eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede
                        uitvoering van de gemaakte afspraken.</al><al><vet><cursief>Loopbaanadvies</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 17:2</vet></al><al>De ambtenaar heeft na elke periode van vijf jaar recht op loopbaanadvies bij
                        een door het college aangewezen</al><al>interne of externe deskundige.</al><al><vet>Hoofdstuk18 Verplaatsingskosten</vet></al><al><vet><cursief>Begripsomschrijvingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan
                        onder:</al><al><vet>a. </vet>betrokkene: de ambtenaar of gewezen ambtenaar in de zin van de
                        CAR;</al><al><vet>b. </vet>woongebied: een door het college aan te wijzen gebied
                        aansluitend aan het grondgebied van de gemeente;</al><al><vet>c. </vet>standplaats: de gemeente of het met name genoemde deel
                        daarvan, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn</al><al>werkzaamheden verricht;</al><al><vet>d. </vet>gezinsleden: de echtgenoot, geregistreerde partner van de
                        betrokkene en de kinderen, stief- en</al><al>pleegkinderen van de betrokkene en/of van de echtgenoot, geregistreerde
                        partner voor zover zij</al><al>samenwonen;</al><al><vet>e. </vet>eigen huishouding voeren: het zelfstandig en voor eigen
                        rekening bewonen van woonruimte, voorzien van</al><al>eigen meubilair en stoffering, een en ander ter beoordeling van het bevoegde
                        gezag;</al><al><vet>f. </vet>berekeningsbasis: het twaalfvoud van de bezoldiging - in de
                        zin van artikel 3:1, dan wel hetgeen</al><al>daarmede overeenkomt ingeval dat artikel niet op hem van toepassing is - die
                        betrokkene geniet op het</al><al>berekeningstijdstip, vermeerderd met de aanspraak op de vakantie-uitkering
                        en in voorkomende gevallen</al><al>vermeerderd met:</al><al><vet>1. </vet>genoten wachtgeld of uitkering krachtens hoofdstuk 10 of 11 of
                        een genoten werkloosheidsuitkering</al><al>krachtens de WW en eventueel hoofdstuk 10a;</al><al><vet>2. </vet>genoten uitkering krachtens dan wel overeenkomstig hoofdstuk 9
                        of het FPU-reglement basis- en</al><al>aanvullende uitkering;</al><al><vet>3. </vet>genoten herplaatsingstoelage krachtens hoofdstuk 12 van het
                        pensioenreglement;</al><al><vet>g. </vet>berekeningstijdstip:</al><al><vet>- </vet>1e datum waarop de betrokkene verhuist;</al><al><vet>- </vet>2e indien de betrokkene verhuist voor de datum dat de functie
                        feitelijk wordt vervuld, de datum van</al><al>ingang van de functievervulling;</al><al><vet>- </vet>3e bij het overlijden of ontslag van de betrokkene, de datum
                        waarop laatstelijk bezoldiging werd</al><al>genoten;</al><al><vet>h. </vet>verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk
                        verandering van de standplaats van de</al><al>betrokkene in opdracht van het bestuursorgaan;</al><al><vet>i. </vet>verplaatsingskostenvergoeding: tegemoetkoming in de kosten van
                        een verplaatsing, danwel van</al><al>een verhuizing voortvloeiende uit indiensttreding of ontslag, ofwel een
                        tegemoetkoming in reis- en</al><al>pensionkosten voor de periode dat de verhuizing nog niet heeft
                        plaatsgevonden;</al><al><vet>j. </vet>dienstwoning: de door het bevoegde gezag aan de betrokkene in
                        verband met de uitoefening van zijn</al><al>functie aangewezen woning;</al><al><vet>2. </vet>Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in
                        acht genomen.</al><al><vet><cursief>Tegemoetkoming verhuiskosten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene, die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                        opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats</al><al>te gaan wonen, als bedoeld in artikel 15:1:17, tweede lid, wordt een
                        tegemoetkoming in verhuiskosten</al><al>verleend.</al><al><vet>2. </vet>De betrokkene, die in verband met een indiensttreding is
                        verhuisd en aan wie binnen twee jaar na verhuizing</al><al>ontslag op verzoek wordt verleend of die ten gevolge van aan hem te wijten
                        feiten of omstandigheden binnen</al><al>twee jaren na de verhuizing wordt ontslagen, dient de hem toegekende
                        tegemoetkoming in verhuiskosten</al><al>terug te betalen.</al><al>Overgang zonder onderbreking naar een andere tak van dienst van dezelfde
                        gemeente of naar een van haar</al><al>bedrijven of instellingen wordt niet als ontslag op verzoek beschouwd.</al><al><vet>3. </vet>De tegemoetkoming in verhuiskosten wordt aan de betrokkene,
                        die in verband met een indiensttreding dient</al><al>te verhuizen, slechts verleend, indien hij schriftelijk heeft verklaard dat
                        een verplichting tot terugbetalen als</al><al>bedoeld in het vorige lid hem bekend is.</al><al><vet>Artikel 18:1:3</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene, die in opdracht van het bevoegde gezag, anders
                        dan in verband met een verplaatsing of</al><al>indiensttreding, een dienstwoning betrekt of verlaat, wordt een
                        tegemoetkoming in verhuiskosten verleend.</al><al><vet>2. </vet>Indien het verlaten van een dienstwoning samenhangt met een
                        ontslag op verzoek anders dan een ontslag op</al><al>verzoek met recht op uitkering voor vervroegd uittreden, of met een ontslag
                        als gevolg van aan betrokkene</al><al>te wijten feiten of omstandigheden en het ontslag niet ingaat binnen twee
                        jaren nadat de dienstwoning is</al><al>betrokken, kan een gedeeltelijke tegemoetkoming in verhuiskosten worden
                        verleend.</al><al><vet>3. </vet>Indien het verlaten van een dienstwoning verband houdt met het
                        overlijden van de betrokkene, wordt een</al><al>tegemoetkoming in verhuiskosten verleend aan de nagelaten gezinsleden.</al><al><vet>4. </vet>Bij toepassing van het tweede en derde lid wordt een
                        vergoeding in de verhuiskosten, bedoeld in artikel</al><al>18:1:5, eerste lid, verleend, met dien verstande dat deze vergoeding niet
                        meer bedraagt dan die waarop</al><al>aanspraak zou bestaan bij verhuizing binnen het woongebied.</al><al><vet>Artikel 18:1:4</vet></al><al>Geen tegemoetkoming in verhuiskosten ingevolge de artikelen 18:1:2 en 18:1:3
                        wordt verleend, indien de</al><al>verhuizing niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaar nadat de verplichting
                        tot verhuizen is opgelegd dan wel</al><al>na de datum van het ontslag, het overlijden of de verplaatsing.</al><al><vet>Artikel 18:1:5</vet></al><al><vet>1. </vet>De tegemoetkoming in verhuiskosten kan slechts bestaan
                        uit:</al><al><vet>a. </vet>een bedrag voor de kosten van transport van de bagage en van
                        de inboedel van de betrokkene en zijn</al><al>gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in-
                        en uitpakken van</al><al>breekbare zaken;</al><al><vet>b. </vet>een bedrag voor dubbele woonkosten, gelijk aan de noodzakelijk
                        te maken kosten, met dien verstande</al><al>dat de tegemoetkoming ten hoogste een ingevolge artikel 18:1:7a nader vast
                        te stellen bedrag per maand</al><al>bedraagt en over een termijn van maximaal vier maanden wordt verleend;</al><al><vet>c. </vet>een bedrag voor alle andere direct uit de verhuizing
                        voortvloeiende kosten.</al><al><vet>2. </vet>Indien de betrokkene op de dag van de verhuizing een eigen
                        huishouding voert, wordt het bedrag bedoeld</al><al>in het eerste lid, onderdeel c, voor zover bij of krachtens dit artikel niet
                        anders is bepaald, gesteld op een</al><al>tegemoetkoming van 3% van de berekeningsbasis voor ieder woon- of
                        slaapvertrek, tot een maximum van</al><al>vier van deze vertrekken, die de achtergelaten woning telt, met dien
                        verstande dat het bedrag een ingevolge</al><al>artikel 18:1:7a nader vast te stellen maximum niet mag overschrijden.</al><al><vet>3. </vet>Indien het betreft een verhuizing van een gezin, waarin de
                        echtgenoten, geregistreerde partners beide</al><al>betrokkene zijn in de zin van dit hoofdstuk en afzonderlijk opdracht hebben
                        om te verhuizen of zijn</al><al>verplaatst, wordt voor beide betrokkenen de berekeningsbasis vastgesteld.
                        Ingeval beide betrokkenen een</al><al>deeltijdbetrekking hebben en niet tevens een deeltijdbetrekking bij een
                        andere werkgever die aanspraak geeft</al><al>op een tegemoetkoming in verhuiskosten, wordt de berekeningsbasis
                        vastgesteld als ware er sprake van een</al><al>voltijdbetrekking. De tegemoetkoming wordt toegekend op grond van de hoogste
                        berekeningsbasis.</al><al><vet>4. </vet>Indien de betrokkene geen eigen huishouding voert, wordt geen
                        tegemoetkoming als bedoeld in het eerste</al><al>lid, onder c, verleend. Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding
                        geven, kan voor deze kosten</al><al>niettemin een tegemoetkoming worden verleend van 3% van de
                        berekeningsbasis.</al><al><vet><cursief>Tegemoetkoming woon -werkverkeer</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:6</vet></al><al><vet>1. </vet>De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
                        opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats</al><al>te gaan wonen, zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle
                        pogingen daartoe, niet slaagt heeft</al><al>aanspraak op een vergoeding van de kosten voor het dagelijks reizen tussen
                        de woning en de plaats van</al><al>tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in aanmerking zou kunnen komen
                        voor een tegemoetkoming in</al><al>de verhuiskosten.</al><al><vet>2. </vet>Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het
                        oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen</al><al>en weer kan reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen
                        betaling in huisvesting wordt voorzien,</al><al>aanspraak op een tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een
                        pension in of nabij het gebied</al><al>als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens een tegemoetkoming voor ten hoogste
                        eenmaal per week in de</al><al>reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd is.</al><al><vet>3. </vet>Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                        naar het oordeel van het bevoegde gezag niet</al><al>alles, wat redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo
                        spoedig mogelijk te verhuizen,</al><al>komt hij niet langer in aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het
                        eerste en tweede lid.</al><al><vet>4. </vet>Een betrokkene die een funktie voor betrekkelijk korte duur
                        bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders</al><al>is geplaatst en als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een
                        tegemoetkoming in de reiskosten als</al><al>bedoeld in het eerste lid worden verleend, dan wel een tegemoetkoming
                        overeenkomstig het tweede lid,</al><al>indien de betrokkene naar het oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks
                        heen en weer kan reizen.</al><al><vet><cursief>Hoogte tegemoetkoming</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6,
                        eerste en vierde lid, is gelijk aan de gemaakte</al><al>kosten van het openbaar vervoer op basis van het tarief van de tweede
                        klasse.</al><al><vet>2. </vet>De vergoeding die plaatsvindt op basis van het eerste lid is
                        gemaximeerd voor dat deel dat gebruik wordt</al><al>gemaakt van de trein tot een nader volgens artikel 18:1:7a vast te stellen
                        bedrag.</al><al><vet>3. </vet>De betrokkene die met de trein reist en van de woning of het
                        pension met het ander (aansluitend) openbaar</al><al>vervoer naar het eerst mogelijke Station kan reizen maar van dit openbaar
                        vervoer geen gebruik maakt en</al><al>in plaats daarvan met eigen vervoer naar dat Station reist, ontvangt een
                        nader volgens artikel 18:1:7a vast te</al><al>stellen tegemoetkoming op jaarbasis.</al><al><vet>4. </vet>De tegemoetkoming in reiskosten bedoeld in artikel 18:1:6,
                        eerste en vierde lid, is, indien het college de</al><al>plaats van tewerkstelling van een betrokkene heeft aangewezen als een plaats
                        van tewerkstelling die niet</al><al>door openbaar vervoer is te bereiken, of indien de betrokkene behoort tot
                        een aangewezen groep voor wie de</al><al>plaats van tewerkstelling vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar
                        vervoer is te bereiken, een</al><al>nader volgens artikel 18:1:7a vast te stellen maandelijkse
                        tegemoetkoming.</al><al><vet>5. </vet>De betrokkene, die naar het oordeel van het college de plaats
                        van tewerkstelling met het openbaar vervoer</al><al>kan bereiken maar daarvan geen gebruik maakt, heeft aanspraak op een
                        tegemoetkoming van 25% van de</al><al>tegemoetkoming bedoeld in het vierde lid.</al><al><vet>Artikel 18:1:7a</vet></al><al>Voor de tegemoetkoming in verhuiskosten zoals bedoeld in artikel 18:1:5,
                        eerste lid, onder b, en het tweede lid,</al><al>en voor de tegemoetkoming in reiskosten zoals bedoeld in artikel 18:1:7,
                        geldt dat deze bedragen dan wel de</al><al>genoemde maxima overeenkomen met de bedragen zoals deze worden vastgesteld
                        in het LOGA.</al><al><vet><cursief>Niet verhuisplichtig, toch een tegemoetkoming
                                woon-werkverkeer</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:8</vet></al><al>Indien het bevoegde gezag de plaats van tewerkstelling van een betrokkene
                        die niet conform artikel 15:1:17</al><al>verhuisplichtig is, heeft aangewezen als een plaats van tewerkstelling die
                        niet met het openbaar vervoer is te</al><al>bereiken, of indien de betrokkene behoort tot een aangewezen groep voor wie
                        de plaats van tewerkstelling</al><al>vanwege de opgedragen werktijden niet per openbaar vervoer is te bereiken,
                        wordt aan de betrokkene voor</al><al>de gehele duur van het dienstverband een vergoeding per afgelegde kilometer
                        verstrekt. De hoogte van deze</al><al>vergoeding wordt vastgesteld door het bevoegde gezag.</al><al><vet><cursief>Pensionkosten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:9</vet></al><al><vet>1. </vet>De tegemoetkoming in pensionkosten als bedoeld in artikel
                        18:1:6, tweede lid, bedraagt voor de betrokkene</al><al>die gewoonlijk met gezinsleden samenwoont 90% en voor de overige betrokkenen
                        60% van de betaalde</al><al>pensionkosten, voor zover deze kosten niet uitgaan boven de door het
                        bestuursorgaan redelijk geoordeelde</al><al>pensionkosten.</al><al><vet>2. </vet>De tegemoetkoming in reiskosten voor gezinsbezoek dan wel voor
                        het bezoeken van de plaats waar</al><al>betrokkene nog is gehuisvest is gelijk aan de kosten van het gebruik van het
                        openbaar vervoer en wel naar</al><al>het tarief van de laagste klasse.</al><al><vet><cursief>Duur tegemoetkoming reis- en
                        pensionkosten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:10</vet></al><al><vet>1. </vet>De tegemoetkoming ingevolge het bepaalde in de artikelen
                        18:1:7 en 18:1:9 wordt voor de eerste keer voor</al><al>niet langer dan zes maanden verleend. Het bevoegde gezag kan deze termijn op
                        verzoek van betrokkene</al><al>telkens voor niet langer dan zes maanden verlengen.</al><al><vet>2. </vet>Geen aanspraak op tegemoetkoming in reis- en/of verblijfkosten
                        bestaat indien de declaratie van de in een</al><al>kalendermaand gemaakte kosten conform artikel 18:1:7, eerste lid, en artikel
                        18:1:14, in geval wordt gekozen</al><al>voor het vergoedingssysteem zoals dat gold vóór 1 juli 2004, niet binnen
                        drie maanden na die kalendermaand</al><al>bij het bevoegde gezag is ingediend.</al><al><vet>3. </vet>Het bevoegd gezag is bevoegd te bepalen dat de
                        tegemoetkomingen vastgesteld op basis van artikel 18:1:7,</al><al>eerste lid, en artikel 18:1:14 maandelijks zonder declaratie worden
                        uitbetaald met inachtneming van een</al><al>korting op de bedragen van 6%.</al><al><vet><cursief>Procedure tegemoetkoming verhuiskosten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:11</vet></al><al><vet>1. </vet>De aanvraag voor een tegemoetkoming in verhuiskosten dient
                        voor de datum van de verhuizing bij het</al><al>bevoegde gezag te zijn ingediend.</al><al><vet>2. </vet>Zo spoedig mogelijk na de verhuizing doch in ieder geval
                        binnen zes maanden daarna doet de betrokkene bij</al><al>het bevoegde gezag opgave van de kosten als bedoeld in artikel 18:1:5,
                        eerste lid, onder b.</al><al><vet><cursief>Voorschot</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:12</vet></al><al>Het bevoegde gezag kan ter zake van de in dit hoofdstuk bedoelde
                        tegemoetkomingen een voorschot verlenen.</al><al><vet><cursief>Slotbepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:13</vet></al><al>Het college kan voor zover nodig in afwijking van de bij of krachtens dit
                        hoofdstuk gestelde regels beslissen</al><al>in individuele gevallen, waarin deze regelen naar het oordeel van het
                        college niet of niet naar redelijkheid</al><al>voorzien.</al><al><vet><cursief>Overgangsrecht</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 18:1:14</vet></al><al>De betrokkene aan wie voor 1 juli 2004 een tegemoetkoming woon-werkverkeer
                        op grond van artikel 18:1:7,</al><al>vierde lid, zoals dat luidde voor 1 juli 2004, is toegekend, heeft gedurende
                        de periode van maximaal twee jaar,</al><al>welke ingaat op het moment van toekenning, recht op een tegemoetkoming
                        woon-werkverkeer conform de</al><al>vergoedingssystematiek zoals die gold voor 1 juli 2004. Indien de
                        vergoedingssystematiek zoals die geldt vanaf</al><al>1 juli 2004 financieel voordeliger is voor deze betrokkene, dan heeft hij
                        recht op een tegemoetkoming conform</al><al>de laatstgenoemde vergoedingssystematiek. Indien de medewerker gehoor heeft
                        gegeven aan de verhuisplicht,</al><al>dan vervalt de tegemoetkoming woon-werkverkeer.</al><al><vet>19 Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer</vet></al><al><vet><cursief>Begripsomschrijvingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:1</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><al><vet>a. </vet>vrijwilliger: degene die zich beschikbaar heeft gesteld voor
                        de gemeentelijke brandweer en als zodanig door</al><al>het college is aangesteld om in de openbare dienst werkzaam te zijn;</al><al><vet>b. </vet>zich beschikbaar stellen: het oproepbaar zijn om in
                        voorkomende gevallen werkzaamheden te verrichten</al><al>welke vallen binnen het takenpakket van de gemeentelijke brandweer.</al><al><vet>Artikel 19:1:2</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt niet als vrijwilliger beschouwd:
                        degene met wie een</al><al>arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.</al><al><vet><cursief>Overleg met vakorganisaties</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:3</vet></al><al>Het overleg aangaande aangelegenheden van algemeen belang voor de
                        rechtstoestand van de vrijwilliger, met</al><al>inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal
                        worden gevoerd, vindt plaats in de</al><al>op grond van artikel 12:1, tweede lid, voor het gemeentepersoneel ingestelde
                        commissie voor georganiseerd</al><al>overleg.</al><al><vet><cursief>Uitreiking van rechtspositieregelingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Op verzoek ontvangt de vrijwilliger kosteloos een exemplaar
                        van dit hoofdstuk, van de wijzigingen daarvan</al><al>en van alle andere regelen welke ter uitvoering van artikel 125
                        Ambtenarenwet voor de vrijwilligers zijn of</al><al>worden getroffen en alle wijzigingen daarvan.</al><al><vet>2. </vet>Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de
                        in het vorige lid bedoelde stukken:</al><al><vet>a. </vet>de centrales van overheidspersoneel welke deelnemen aan het in
                        artikel 19:1:3 bedoelde georganiseerde</al><al>overleg;</al><al><vet>b. </vet>ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in
                        aanmerking komt.</al><al><vet>Artikel 19:1:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Op verzoek ontvangt de vrijwilliger kosteloos een exemplaar
                        van de voor hem geldende schriftelijke regelen</al><al>welke zijn vastgesteld ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van
                        dit hoofdstuk of welke hij bij de</al><al>vervulling van zijn betrekking heeft na te leven tenzij de bedoelde regelen
                        op een voor hem gemakkelijk</al><al>toegankelijke plaats ter inzage liggen.</al><al><vet>2. </vet>Wanneer de vrijwilliger niet-schriftelijk vastgestelde
                        regelen, zoals bedoeld in het eerste lid, heeft na te</al><al>leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.</al><al><vet><cursief>Aanstelling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.</al><al><vet>2. </vet>Tijdelijke aanstelling geschiedt voor bepaalde tijd en kan
                        slechts plaatshebben bij wijze van proef.</al><al><vet>3. </vet>De tijdelijke aanstelling duurt ten hoogste twee jaar, welke
                        termijn in bijzondere gevallen met ten hoogste</al><al>een jaar kan worden verlengd tenzij deze met toepassing van dit hoofdstuk
                        voor het aflopen van genoemde</al><al>termijn beëindigd is.</al><al><vet>4. </vet>Zodra de termijn die overeenkomstig het vorige lid voor de
                        tijdelijke aanstelling geldt, is verstreken, wordt</al><al>een vaste aanstelling verleend, tenzij daartegen uit anderen hoofde bezwaren
                        bestaan.</al><al><vet>Artikel 19:1:7</vet></al><al>Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen degene die voldoet aan het
                        gestelde in artikel 6, lid 1 van het</al><al>Besluit brandweerpersoneel (Stb. 1991, 276) en:</al><al><vet>a. </vet>geacht kan worden de voor de brandweerdienst vereiste
                        karaktereigenschappen te bezitten; en</al><al><vet>b. </vet>door de aard en de plaats van zijn dagelijkse werkzaamheden en
                        de ligging van zijn woning geacht kan</al><al>worden in staat te zijn zijn taak bij de gemeentelijke brandweer naar
                        behoren te vervullen; en</al><al><vet>c. </vet>de leeftijd van ten minste 18 jaar heeft bereikt.</al><al><vet><cursief>Bericht van aanstelling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:8</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bericht van aanstelling dat de vrijwilliger voor de
                        indiensttreding kosteloos ontvangt, vermeldt:</al><al><vet>a. </vet>de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de
                        vrijwilliger;</al><al><vet>b. </vet>of de vrijwilliger vast of tijdelijk wordt aangesteld;</al><al><vet>c. </vet>de dag met ingang waarvan de vrijwilliger is aangesteld dan
                        wel een omschrijving of aanduiding van die</al><al>dag;</al><al><vet>d. </vet>de rang en de vergoeding welke de vrijwilliger worden
                        toegekend;</al><al><vet>e. </vet>indien de aanstelling tijdelijk is, een zo nauwkeurig
                        mogelijke aanduiding van die tijd.</al><al><vet>2. </vet>Alle wijzigingen in de punten vermeld in het eerste lid, sub b
                        t/m e, worden de vrijwilliger ten spoedigste</al><al>kosteloos medegedeeld.</al><al><vet><cursief>Vergoeding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:9</vet></al><al>Aan de vrijwilliger wordt een vergoeding toegekend krachtens bijlage VI,
                        tenzij een andere regeling is</al><al>overeengekomen.</al><al><vet><cursief>Militaire dienst</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:10</vet></al><al><vet>1. </vet>De vrijwilliger die ingevolge wettelijke verplichting in
                        werkelijke militaire dienst is, wordt geacht niet</al><al>beschikbaar te zijn.</al><al><vet>2. </vet>Indien en voor zover de periode van werkelijke militaire
                        dienst van de vrijwilliger meer dan twee maanden</al><al>is, heeft hij gedurende deze periode geen recht op de aan zijn rang
                        verbonden vaste vergoeding.</al><al><vet>3. </vet>Indien de in het vorige lid bedoelde vrijwilliger uit dien
                        hoofde deelnemer is in de zin van het</al><al>pensioenreglement, geniet hij gedurende de in dat lid bedoelde periode de
                        aan zijn rang verbonden vaste</al><al>vergoeding tot een bedrag dat gelijk is aan het op hem te verhalen gedeelte
                        van de pensioenpremie.</al><al><vet><cursief>Bevordering</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:11</vet></al><al>De bevordering conform het Besluit brandweerpersoneel (Stb. 1991, 276)
                        geschiedt door het college. In het</al><al>bevorderingsbesluit dienen in ieder geval de nieuwe rang en de daaraan
                        verbonden vergoeding te worden</al><al>vermeld.</al><al><vet><cursief>Aanspraken bij ongeval</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:12</vet></al><al><vet>1. </vet>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder
                        ongeval en arbeidsongeschiktheid, hetgeen</al><al>daaronder wordt verstaan in de door de gemeente ter zake gesloten
                        ongevallenverzekering.</al><al><vet>2. </vet>De vrijwilliger wordt bij indiensttreding in kennis gesteld
                        van de bepalingen van de door de gemeente te</al><al>zijnen behoeve gesloten ongevallenverzekering.</al><al><vet>3. </vet>Wijzigingen in de in het tweede lid bedoelde bepalingen worden
                        tijdig vóór de inwerkingtreding aan de</al><al>vrijwilliger medegedeeld.</al><al><vet>Artikel 19:1:13</vet></al><al><vet>1. </vet>De vrijwilliger die arbeidsongeschikt is, welke ongeschiktheid
                        blijkens een geneeskundig onderzoek het</al><al>gevolg is van een ongeval ontstaan in verband met de vervulling van zijn
                        betrekking, heeft aanspraak op een</al><al>uitkering indien en voor zover de in artikel 19:1:12, tweede lid, bedoelde
                        verzekering dit regelt.</al><al><vet>2. </vet>De in artikel 19:1:12, tweede lid, bedoelde verzekering bevat
                        in ieder geval de volgende bepalingen:</al><al><vet>a. </vet>bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid
                        wordt de eventuele restcapaciteit gedurende de</al><al>eerste twee jaar buiten beschouwing gelaten;</al><al><vet>b. </vet>bij blijvende arbeidsongeschiktheid bestaat aanspraak op een
                        uitkering ineens.</al><al><vet>3. </vet>De vrijwilliger heeft behoudens artikel 19:1:15 geen aanspraak
                        op enige vergoeding ten laste van de</al><al>gemeente ter zake van een ongeval.</al><al><vet>Artikel 19:1:14</vet></al><al>Indien een vrijwilliger ten gevolge van een ongeval, ontstaan in verband met
                        de vervulling van zijn betrekking,</al><al>komt te overlijden, hebben diens nagelaten betrekkingen aanspraak op een
                        uitkering volgens de bepalingen van</al><al>de door de gemeente ter zake gesloten ongevallenverzekering.</al><al><vet>Artikel 19:1:15</vet></al><al><vet>1. </vet>In geval van een ongeval, ontstaan in verband met de
                        vervulling van zijn betrekking, worden de</al><al>vrijwilliger de te zijnen laste blijvende naar het oordeel van het college
                        noodzakelijk gemaakte kosten van</al><al>geneeskundige behandeling of verzorging vergoed tot ten hoogste het bedrag
                        waarvoor de gemeente zich ter</al><al>zake heeft verzekerd.</al><al><vet>2. </vet>Het college kan in de gevallen, waarin de in het eerste lid
                        bedoelde kosten het bedrag waarvoor de gemeente</al><al>zich ter zake heeft verzekerd te boven gaan, een tegemoetkoming in de hogere
                        kosten verlenen.</al><al><vet>Artikel 19:1:16</vet></al><al>Indien geen sprake is van een ongeval doch wel van een ziekte welke is
                        ontstaan of verergerd in verband met de</al><al>vervulling van de betrekking, stelt het college ter zake een uitkering vast
                        voor zover de verzekering daar niet in</al><al>voorziet.</al><al><vet>Artikel 19:1:17</vet></al><al>Onder vrijwilliger, bedoeld in de artikelen 19:1:14 tot en met 19:1:16 wordt
                        mede begrepen de gewezen</al><al>vrijwilliger, voor zover deze de leeftijd zoals bedoeld in artikel 19:1:38,
                        tweede lid, sub b, nog niet heeft</al><al>bereikt. Artikel 19:1:13 is eveneens van toepassing op de gewezen
                        vrijwilliger tot het in artikel 19:1:38, tweede</al><al>lid, sub b genoemde tijdstip indien hij blijvend arbeidsongeschikt is.</al><al><vet><cursief>Overige rechten en verplichtingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:18</vet></al><al>De vrijwilliger is gehouden zijn werkzaamheden nauwgezet en ijverig te
                        verrichten en zich ook overigens te</al><al>gedragen zoals een goed vrijwilliger betaamt.</al><al><vet>Artikel 19:1:19</vet></al><al>De vrijwilliger is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij
                        instructie of bij besluit van het college is</al><al>voorgeschreven.</al><al><vet>Artikel 19:1:20</vet></al><al><vet>1. </vet>De vrijwilliger is verplicht:</al><al><vet>a. </vet>deel te nemen aan oefeningen, bijeenkomsten en cursussen;</al><al><vet>b. </vet>wacht-, consignatie- en bewakingsdiensten te verrichten.</al><al><vet>2. </vet>De kosten verbonden aan het volgen van cursussen, het
                        deelnemen aan examens, het bijwonen van</al><al>bijeenkomsten gericht op de beroepsuitoefening, alle voor zover betrekking
                        hebbend op het vervullen van de</al><al>brandweertaak, komen ten laste van de gemeente.</al><al><vet>Artikel 19:1:21</vet></al><al>Het is de vrijwilliger verboden, behoudens toestemming verleend door of
                        namens het college in bijzondere</al><al>gevallen, ten eigen bate aan de gemeente toebehorende eigendommen te
                        gebruiken.</al><al><vet>Artikel 19:1:22</vet></al><al>Het is aan de vrijwilliger verboden:</al><al><vet>a. </vet>vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te
                        vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders</al><al>dan met toestemming van het college;</al><al><vet>b. </vet>steekpenningen aan te nemen.</al><al><vet>Artikel 19:1:23</vet></al><al>Indien de vrijwilliger niet beschikbaar kan zijn, is hij verplicht daarvan,
                        onder opgave van redenen, zo tijdig</al><al>mogelijk mededeling te doen aan de commandant.</al><al><vet>Artikel 19:1:24</vet></al><al><vet>1. </vet>De vrijwilliger is verplicht tijdens zijn werkzaamheden de
                        door of namens het college voorgeschreven</al><al>dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen.</al><al><vet>2. </vet>De dienstkleding en uitrustingsstukken worden van gemeentewege
                        kosteloos in bruikleen verstrekt aan de</al><al>vrijwilliger, die bij ontslag verplicht is deze bij de commandant in te
                        leveren.</al><al><vet>3. </vet>De vrijwilliger draagt zorg voor het onderhoud van de hem in
                        bruikleen verstrekte dienstkleding en</al><al>uitrustingsstukken en hij is verplicht deze te doen onderwerpen aan de
                        inspectie en controle door of namens</al><al>de commandant.</al><al><vet>4. </vet>Reparatie aan de dienstkleding en uitrustingsstukken geschiedt
                        van gemeentewege.</al><al><vet>5. </vet>Als uitgaansuniformkleding van de vrijwilligers bij de
                        gemeentelijke brandweer geldt de voor het</al><al>rijksbrandweerpersoneel voorgeschreven uitgaansuniformkleding.</al><al><vet>Artikel 19:1:25</vet></al><al>Het is de vrijwilliger verboden:</al><al><vet>1. </vet>de dienstkleding en uitrustingsstukken te dragen wanneer hij
                        geen werkzaamheden als vrijwilliger verricht,</al><al>behalve in de gevallen waarin het college daarvoor toestemming heeft
                        verleend;</al><al><vet>2. </vet>de dienstkleding en uitrustingsstukken aan derden ten gebruike
                        te geven;</al><al><vet>3. </vet>dienstkleding te dragen voorzien van:</al><al><vet>a. </vet>andere rangonderscheidingstekenen dan die verbonden aan de
                        rang welke betrokkene bekleedt;</al><al><vet>b. </vet>insignes en andere onderscheidingstekenen, tenzij tot het
                        dragen daarvan hetzij van regeringswege, hetzij</al><al>door het college, toestemming is verleend.</al><al><vet><cursief>Gebruik motorrijtuig</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:26</vet></al><al>Het is de vrijwilliger slechts toegestaan een motorrijtuig in de zin van de
                        Wet aansprakelijkheidsverzekering</al><al>motorrijtuigen te gebruiken ten behoeve van zijn werkzaamheden als
                        vrijwilliger, indien en voor zover hem</al><al>daartoe door of namens het college toestemming is verleend.</al><al>Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.</al><al><vet><cursief>Schadevergoeding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:27</vet></al><al><vet>1. </vet>De vrijwilliger kan worden verplicht tot gehele of
                        gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden</al><al>schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.</al><al><vet>2. </vet>De vrijwilliger wordt in de gelegenheid gesteld ten aanzien
                        van de wijze van inhouding van de</al><al>schadevergoeding op zijn vergoeding zijn wensen kenbaar te maken.</al><al><vet>Artikel 19:1:28</vet></al><al>Aan de vrijwilliger wordt de schade van aan hem toebehorende kleding en
                        uitrusting vergoed, welke hij buiten</al><al>zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de door hem verrichte
                        werkzaamheden, voor zover de schade</al><al>niet bestaat uit normale slijtage van die goederen.</al><al><vet>Artikel 19:1:29</vet></al><al>Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen
                        schadeloosstelling en vergoeding van kosten</al><al>zullen worden verleend.</al><al><vet><cursief>Disciplinaire maatregelen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:30</vet></al><al><vet>1. </vet>De vrijwilliger die de hem opgelegde verplichtingen niet
                        nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim</al><al>schuldig maakt, kan deswege disciplinair worden gestraft.</al><al><vet>2. </vet>Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift
                        als het doen of nalaten van iets, hetwelk een</al><al>goed vrijwilliger in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te
                        doen.</al><al><vet>Artikel 19:1:31</vet></al><al><vet>1. </vet>De disciplinaire straffen welke kunnen worden toegepast,
                        zijn:</al><al><vet>a. </vet>schriftelijke berisping;</al><al><vet>b. </vet>inhouding van een deel der vaste vergoeding als bedoeld in
                        bijlage VI;</al><al><vet>c. </vet>schorsing al dan niet met inhouding van de vergoeding;</al><al><vet>d. </vet>ongevraagd ontslag.</al><al><vet>2. </vet>De straffen worden door het college opgelegd.</al><al><vet>Artikel 19:1:32</vet></al><al><vet>1. </vet>De verantwoording door de vrijwilliger geschiedt, indien deze
                        niet schriftelijk plaatsvindt, ten overstaan van</al><al>het college of ten overstaan van een door het college aangewezen
                        vertegenwoordiger. De verantwoording</al><al>vindt niet eerder dan 6 maal 24 uur en niet later dan 12 maal 24 uur plaats.
                        Op verzoek van de vrijwilliger</al><al>kan van deze termijnen worden afgeweken.</al><al><vet>2. </vet>Geschiedt de verantwoording mondeling, dan wordt daarvan
                        binnen 36 uur proces verbaal opgemaakt, dat</al><al>na voorlezing wordt getekend door hem te wiens overstaan de verantwoording
                        heeft plaatsgehad en door de</al><al>vrijwilliger. Weigert de vrijwilliger de ondertekening, dan wordt daarvan in
                        het proces-verbaal, zo mogelijk</al><al>met vermelding der redenen melding gemaakt. Een afschrift van het
                        proces-verbaal wordt de vrijwilliger</al><al>uitgereikt.</al><al><vet>3. </vet>Indien de vrijwilliger zulks verlangt, worden hij en zijn
                        raadsman in de gelegenheid gesteld kennis te nemen</al><al>van de ambtelijke rapporten of andere bescheiden welke op de hem ten laste
                        gelegde feiten betrekking</al><al>hebben.</al><al><vet>Artikel 19:1:33</vet></al><al>De vrijwilliger verstrekt het college een ontvangstbewijs van het besluit
                        tot strafoplegging.</al><al><vet>Artikel 19:1:34</vet></al><al>De straf bedoeld in artikel 19:1:31, eerste lid, onder b tot en met d, wordt
                        niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet</al><al>onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke
                        tenuitvoerlegging is bevolen.</al><al><vet><cursief>Schorsing en ontslag</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:35</vet></al><al><vet>1. </vet>Onverminderd het bepaalde in artikel 19:1:30 kan de
                        vrijwilliger door het college worden geschorst:</al><al><vet>a. </vet>wanneer hem het voornemen tot bestraffing met ongevraagd
                        ontslag is te kennen gegeven of hem van de</al><al>oplegging van deze straf mededeling is gedaan;</al><al><vet>b. </vet>wanneer tegen hem volgens de ter zake geldende bepalingen van
                        het Wetboek van Strafvordering een</al><al>bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis ten uitvoer wordt
                        gelegd;</al><al><vet>c. </vet>wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens
                        misdrijf wordt ingesteld;</al><al><vet>d. </vet>in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het
                        belang van de dienst.</al><al><vet>2. </vet>Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:</al><al><vet>a. </vet>een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing
                        ingaat;</al><al><vet>b. </vet>een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur der
                        schorsing.</al><al><vet>Artikel 19:1:36</vet></al><al>Het besluit van het college tot het verlenen van ontslag vermeldt de datum
                        van ingang van het ontslag dan wel</al><al>een omschrijving of aanduiding van die datum.</al><al><vet>Artikel 19:1:37</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien de vrijwilliger ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol
                        verleend.</al><al><vet>2. </vet>Dit ontslag wordt niet verleend met ingang van een datum
                        gelegen binnen een maand dan wel later dan drie</al><al>maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.</al><al><vet>3. </vet>Indien de vrijwilliger dit verzoekt, kan van het bepaalde in
                        het tweede lid worden afgeweken.</al><al><vet>4. </vet>Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de vrijwilliger
                        aanhangig is, of indien overwogen wordt hem</al><al>in aanmerking te brengen voor een disciplinaire straf, kan het nemen van een
                        beslissing op een verzoek om</al><al>ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de
                        beslissing inzake de disciplinaire</al><al>straf onherroepelijk is geworden.</al><al><vet>Artikel 19:1:38</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college verleent de vrijwilliger ongevraagd eervol ontslag
                        op grond van het bereikt hebben van de</al><al>55-jarige leeftijd. Dit ontslag gaat in op de eerste dag van de maand
                        volgende op die waarin de leeftijd van</al><al>55 jaar is bereikt.</al><al><vet>2. </vet>De ingangsdatum van het in het vorige lid bedoelde ontslag kan
                        telkens met een periode van één jaar worden</al><al>opgeschort, indien zulks door het college in het belang van de dienst wordt
                        geacht en:</al><al><vet>a. </vet>de vrijwilliger zulks heeft verzocht of daarmede instemt;
                        en</al><al><vet>b. </vet>de vrijwilliger blijkens het ingewonnen advies van een door
                        het college aangewezen geneeskundige,</al><al>lichamelijk en psychisch in staat kan worden geacht zijn werkzaamheden te
                        blijven verrichten.</al><al>Bedoelde opschorting eindigt in ieder geval op de eerste dag van de maand
                        volgende op die waarin de</al><al>leeftijd van 60 jaar is bereikt.</al><al><vet>3. </vet>Niettemin kan het college aan de vrijwilliger die tussentijds
                        blijkens het advies van een door het college</al><al>aangewezen geneeskundige ongeschikt is geworden voor het verder verrichten
                        van werkzaamheden, eervol</al><al>ontslag verlenen met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die
                        waarin bedoeld advies door het</al><al>college ter kennis van de vrijwilliger is gebracht.</al><al><vet>Artikel 19:1:39</vet></al><al><vet>1. </vet>Het college kan de vrijwilliger ongevraagd ontslag verlenen op
                        grond van:</al><al><vet>a. </vet>het eindigen van de noodzaak tot beschikbaarstelling of wegens
                        verandering in de organisatie van de</al><al>gemeentelijke brandweer;</al><al><vet>b. </vet>ondercuratelestelling;</al><al><vet>c. </vet>toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens
                        onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;</al><al><vet>d. </vet>onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens
                        misdrijf;</al><al><vet>e. </vet>de omstandigheid dat hij wegens de aard of de plaats van zijn
                        dagelijkse werkzaamheden dan wel de</al><al>ligging van zijn woning geacht moet worden niet langer in staat te zijn zijn
                        taak bij de brandweer te</al><al>vervullen;</al><al><vet>f. </vet>onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                        werkzaamheden op grond van ziekten of</al><al>gebreken;</al><al><vet>g. </vet>onbekwaamheid of ongeschiktheid tot het verrichten van zijn
                        werkzaamheden anders dan op grond van</al><al>ziekten of gebreken.</al><al><vet>2. </vet>In de in het eerste lid genoemde gevallen wordt, met
                        uitzondering van het geval bedoeld onder d, het ontslag</al><al>steeds eervol verleend.</al><al><vet><cursief>Overgangs-en slotbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19:1:40</vet></al><al><vet>1. </vet>De vrijwilliger die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd
                        is van rechtswege ontslagen op de datum</al><al>waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin,
                        het dienstverband feitelijk wordt</al><al>gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de
                        vrijwilliger geacht met ingang van</al><al>bedoelde datum een vaste aanstelling te hebben ontvangen.</al><al><vet>2. </vet>Ontslag op een der gronden genoemd in dit hoofdstuk kan aan de
                        vrijwilliger als bedoeld in het vorige lid,</al><al>worden verleend met ingang van een datum gelegen vóór de datum waarop hij
                        van rechtswege zou zijn</al><al>ontslagen.</al><al><vet>Artikel 19:1:41</vet></al><al>De beslissingen ter uitvoering van dit hoofdstuk worden schriftelijk aan de
                        betrokkene medegedeeld.</al><al><vet>19A Rechtspositie Ambulancepersoneel</vet></al><al><vet><cursief>Begripsbepalingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:1</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :</al><al><vet>a. </vet>ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld,
                        respectievelijk hij met wie een</al><al>arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan, om in openbare
                        dienst werkzaam te zijn</al><al>als ambulancechauffeur, ambulanceverpleegkundige, CPA-verpleegkundig
                        centralist, of CPA-niet</al><al>verpleegkundig centralist;</al><al><vet>b. </vet>schaal: de voor een functie, ter bepaling van het salaris,
                        opklimmende reeks van bedragen opgenomen in</al><al>bijlage II en bijlage IIa;</al><al><vet>c. </vet>eindschaal: de schaal waarop een functie gewaardeerd is;</al><al><vet>d. </vet>inconveniëntentoelage: een toelage voor het verrichten van
                        zware, onaangename of gevaarlijke arbeid, niet</al><al>zijnde een toelage voor onregelmatige dienst, overwerk, piket of
                        bereikbaarheidsdienst;</al><al><vet>e. </vet>overwerk: de uren die de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd van
                        36 uur, berekend over de periode van het</al><al>geldende dienstrooster, te boven gaat;</al><al><vet>f. </vet>feestdag: nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag,
                        tweede pinksterdag, de verjaardag van de</al><al>koningin, de beide kerstdagen en andere kerkelijke of nationale, landelijke,
                        regionale of plaatselijk erkende</al><al>feestdagen die door het college zijn aangewezen als dagen waarop de openbare
                        dienst van de gemeente is</al><al>gesloten.</al><al><vet><cursief>Inschaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:2</vet></al><al><vet>1. </vet>De functie van ambulancechauffeur is gewaardeerd op schaal
                        7.</al><al><vet>2. </vet>De functie van ambulanceverpleegkundige is gewaardeerd op
                        schaal 9.</al><al><vet>3. </vet>De functie van CPA-verpleegkundig centralist is gewaardeerd op
                        schaal 9.</al><al><vet>4. </vet>De functie van CPA- niet verpleegkundig centralist is
                        gewaardeerd op schaal 7.</al><al><vet>Artikel 19a:3</vet></al><al>De schalen genoemd in artikel 19a:2 zijn eindschalen.</al><al><vet>Artikel 19a:4</vet></al><al><vet>1. </vet>Inschaling in de eindschaal vindt plaats indien de medewerker
                        voldoende functioneert en voldoet aan de door</al><al>de werkgever gestelde opleidings- en functie-eisen.</al><al><vet>2. </vet>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan inschaling in
                        een aanloopschaal plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 19a:5</vet></al><al><vet>1. </vet>Lokaal beleid ten aanzien van uitloopschalen is niet van
                        toepassing op ambtenaren bedoeld in dit hoofdstuk.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar heeft geen aanspraak op een arbeidsmarkttoelage,
                        een inconveniëntentoelage of andere</al><al>toelagen in verband met de aard van de functie.</al><al><vet><cursief>Uitvoering en vergoeding GHOR-taken</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:6</vet></al><al><vet>1. </vet>Werkzaamheden in het kader van de uitvoering van GHOR-taken
                        worden geacht onderdeel uit te maken van</al><al>de functie van de ambtenaar.</al><al><vet>2. </vet>Het college stelt een vergoedingsregeling vast voor de
                        werkzaamheden bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet><cursief>Aanwezigheidsvergoeding</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:7</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar ontvangt een vergoeding in tijd voor uren die
                        doorgebracht worden in een</al><al>aanwezigheidsdienst.</al><al><vet>2. </vet>De vergoeding bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op
                        100% van de tijd doorgebracht in een</al><al>aanwezigheidsdienst tussen 08.00 en 23.00 uur en 30% van de tijd
                        doorgebracht in een aanwezigheidsdienst</al><al>tussen 23.00 en 08.00 uur.</al><al><vet>3. </vet>Indien de ambtenaar gedurende de aanwezigheidsdienst arbeid
                        verricht, vervalt over die tijd de aanspraak op</al><al>de aanwezigheidsvergoeding.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar heeft over de aanwezigheidsvergoeding recht op
                        een onregelmatigheidstoeslag</al><al>overeenkomstig artikel 19a:8 voor zover er daadwerkelijk sprake is van
                        gerealiseerde onregelmatige uren.</al><al><vet><cursief>Onregelmatigheidstoeslag</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:8</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op een toeslag voor arbeid verricht
                        tijdens onregelmatige uren. Deze toeslag wordt</al><al>vastgesteld conform de bedragen die zijn opgenomen in bijlage VIIa.</al><al><vet>2. </vet>De vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 wordt geacht te zijn
                        inbegrepen in de onregelmatigheidstoeslag.</al><al><vet>3. </vet>Over uren waarvoor een onregelmatigheidstoeslag wordt
                        verstrekt bestaat geen aanspraak op een vergoeding</al><al>voor overwerk.</al><al><vet><cursief>Overwerktoeslag</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:9</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op een overwerkvergoeding indien hem
                        door of namens het college opgedragen is</al><al>overwerk te verrichten.</al><al><vet>2. </vet>De vergoeding bedoeld in het eerste lid bestaat uit verlof
                        gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk,</al><al>alsmede uit een toeslag in geld te berekenen overeenkomstig de percentages
                        genoemd in het zesde lid.</al><al><vet>3. </vet>Het verlof bedoeld in het tweede lid wordt verleend op een zo
                        vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de</al><al>ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de
                        andere ambtenaren dit toelaten</al><al>kan het verlof verleend worden op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.</al><al><vet>4. </vet>Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen
                        verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding</al><al>voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar,
                        worden omgezet in vakantie</al><al>als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige
                        volzin en het aantal vakantie-uren</al><al>bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uren bedragen.
                        Voor de ambtenaar die is</al><al>aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een
                        naar evenredigheid lager aantal</al><al>uren als maximum.</al><al><vet>5. </vet>Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming het in het
                        derde lid bepaalde, dan bestaat de in het</al><al>eerste lid bedoelde vergoeding uitsluitend uit een vergoeding in geld, welke
                        wordt berekend overeenkomstig</al><al>de percentages in het zesde lid vermeerderd met 100.</al><al><vet>6. </vet>De overwerktoeslag bedraagt:</al><al><vet>- </vet>25% voor overwerk verricht tussen 06.00 en 22.00 uur op
                        werkdagen;</al><al><vet>- </vet>50% voor overwerk verricht tussen 22.00 en 06.00 uur op
                        werkdagen;</al><al><vet>- </vet>75% voor overwerk verricht op zaterdag tussen 00.00 en 18.00
                        uur;</al><al><vet>- </vet>100% voor overwerk verricht op zaterdag vanaf 18.00 uur, op
                        zon- en feestdagen tussen 00.00 en 24.00</al><al>uur en op 24 en 31 december tussen 18.00 en 24.00 uur.</al><al><vet>7. </vet>Bij berekening van de overwerktoeslag geldt dat binnen een uur
                        dat er overwerk wordt verricht:</al><al><vet>- </vet>bij 0 tot 15 minuten geen sprake is van overwerk;</al><al><vet>- </vet>bij 15 tot 45 minuten sprake is van een half uur overwerk;</al><al><vet>- </vet>bij 45 tot 60 minuten sprake is van een uur overwerk.</al><al><vet>8. </vet>Voor de ambtenaar die volgens rooster in plaats van een
                        zondag, een feestdag of een zaterdag, een andere</al><al>vrije dag is aangewezen, wordt overwerk op die vrije dag beschouwd als
                        overwerk verricht op een zondag,</al><al>respectievelijk een feestdag of een zaterdag.</al><al><vet>9. </vet>Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit
                        uit één van de in artikel 15:1:11 bedoelde</al><al>verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig
                        overwerk.</al><al><vet><cursief>Bereikbaarheidsdienst</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:10</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor verrichtte
                        bereikbaarheidsheidsdiensten. Deze vergoeding</al><al>wordt vastgesteld conform de bedragen die zijn opgenomen in bijlage
                        VIIb.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar gedurende de bereikbaarheidsdienst arbeid
                        verricht, vervalt over die tijd de aanspraak</al><al>op de vergoeding.</al><al><vet><cursief>Overige vergoedingen</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:11</vet></al><al>De ambtenaar heeft uit hoofde van de inroostering van zijn werktijden geen
                        aanspraak op andere vergoedingen</al><al>dan genoemd in dit hoofdstuk.</al><al><vet><cursief>Berekening bezoldiging bij ziekte en zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:12</vet></al><al><vet>1. </vet>Het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 7:3, eerste
                        lid, wordt vastgesteld door het salaris te</al><al>vermeerderen met het bedrag dat de ambtenaar gemiddeld over een periode van
                        13 weken voorafgaande</al><al>aan de eerste ziektedag ontvangen heeft aan financiële vergoeding voor
                        overuren, overwerktoeslag,</al><al>bereikbaarheidsvergoeding en onregelmatigheidstoeslag.</al><al><vet>2. </vet>Het bedrag van de bezoldiging bedoeld in artikel 6:7, eerste
                        lid, wordt vastgesteld door het salaris te</al><al>vermeerderen met het bedrag dat de vrouwelijke ambtenaar gemiddeld over een
                        periode van 13 weken</al><al>voorafgaande aan de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                        ontvangen heeft aan financiële</al><al>vergoeding voor overuren, overwerktoeslag, bereikbaarheidsvergoeding en
                        onregelmatigheidstoeslag.</al><al><vet>3. </vet>Voor berekening van het bedrag bedoeld in het eerste en tweede
                        lid kunnen maximaal 15 overuren per week</al><al>meegeteld worden.</al><al><vet>4. </vet>Indien het bepaalde in het eerste lid of tweede lid leidt tot
                        een onredelijke uitkomst kan het college besluiten</al><al>de referteperiode vast te stellen op 52 weken te rekenen vanaf de eerste
                        ziektedag.</al><al><vet><cursief>Werktijdenregeling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:13</vet></al><al>Het college stelt voor de ambtenaren bedoeld in dit hoofdstuk een
                        werktijdenregeling vast met inachtneming</al><al>van het bepaalde in de artikelen 19a:14 tot en met 19a:22.</al><al><vet>Artikel 19a:14</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien voor de ambtenaar wisselende werktijden gelden wordt
                        daarvan een rooster opgesteld.</al><al><vet>2. </vet>De werktijden worden tenminste een maand voor aanvang bekend
                        gemaakt aan de ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Zondagsarbeid</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:15</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht arbeid op zondag te verrichten
                        indien het college dit in het belang van de dienst</al><al>noodzakelijk acht.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar heeft aanspraak op tenminste 13 vrije zondagen
                        per 52 weken.</al><al><vet><cursief>Arbeidstijden</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:16</vet></al><al>De arbeidsduur per dag bedraagt ten hoogste 10 uren, over een periode van
                        vier weken ten hoogste gemiddeld</al><al>50 uren per week, en over een periode van13 weken ten hoogste gemiddeld 45
                        uren per week.</al><al><vet><cursief>Nachtdiensten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:17</vet></al><al><vet>1. </vet>De arbeidsduur bedraagt per nachtdienst ten hoogste 9 uren; in
                        een periode van 13 achtereenvolgende weken</al><al>bedraagt de arbeidsduur ten hoogste gemiddeld 40 uur per week.</al><al><vet>2. </vet>De minimale rusttijd na een nachtdienst bedraagt 14 uur; deze
                        rusttijd mag eenmaal per periode van 7 x 24</al><al>uur, ingekort worden tot 8 uur.</al><al><vet>3. </vet>In een periode van 13 achtereenvolgende weken worden aan de
                        ambtenaar ten hoogste 35 nachtdiensten</al><al>opgedragen.</al><al><vet>4. </vet>Indien de nachtdiensten vóór of op 02.00 uur eindigen mag, in
                        afwijking het derde lid, het aantal</al><al>nachtdiensten in een periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste 52
                        bedragen.</al><al><vet><cursief>Overwerk</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:18</vet></al><al><vet>1. </vet>Indien er sprake is van overwerk bedraagt de arbeidsduur per
                        dienst ten hoogste 12 uren, per week ten</al><al>hoogste 60 uren, en per 13 achtereenvolgende weken ten hoogste gemiddeld 48
                        uren per week.</al><al><vet>2. </vet>Indien er sprake is van nachtdiensten waarbij overwerk wordt
                        verricht bedraagt de arbeidsduur per</al><al>nachtdienst ten hoogste 10 uur, en ten hoogste gemiddeld 40 uur per week
                        over een periode van 13</al><al>achtereenvolgende weken.</al><al><vet><cursief>Pauze</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:19</vet></al><al>De ambtenaar heeft, indien hij langer dan 5,5 uur aaneengesloten werkt, een
                        pauze van tenminste een halfuur,</al><al>welke opgesplitst kan worden in 2 keer 15 minuten.</al><al><vet><cursief>Consignatiediensten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:20</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht consignatiediensten te verrichten,
                        indien het college dit noodzakelijk acht in het</al><al>belang van de dienst.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar kan verplicht worden de pauze, waarin hij
                        geconsigneerd is, op de arbeidsplaats door te</al><al>brengen.</al><al><vet><cursief>Aanwezigheidsdiensten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:21</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht aanwezigheidsdiensten te verrichten
                        indien het college dit in het belang van de</al><al>dienst noodzakelijk acht.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar verricht ten hoogste 3 aanwezigheidsdiensten van
                        maximaal 24 uur in elke aaneengesloten</al><al>tijdruimte van 7 maal 24 uur, en ten hoogste 26 aanwezigheidsdiensten in een
                        periode van 13</al><al>achtereenvolgende weken.</al><al><vet>3. </vet>De ambtenaar heeft voor en na een aanwezigheidsdienst een
                        onafgebroken rusttijd van tenminste 11 uren,</al><al>welke rusttijd in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uur mag
                        worden ingekort tot eenmaal ten</al><al>minste 10 uren en eenmaal ten minste 8 uren.</al><al><vet>4. </vet>De ambtenaar heeft tijdens een aanwezigheidsdienst na een
                        arbeidstijd van ten hoogste 10 uren, een</al><al>onafgebroken rusttijd van tenminste 6 uren.</al><al><vet>5. </vet>Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing in de
                        tijdruimte gelegen tussen vrijdag 18.00 uur en de</al><al>daaropvolgende maandag 08.00 uur.</al><al><vet>6. </vet>Ingeval van overwerk bedraagt de arbeidstijd bedoeld in het
                        derde lid ten hoogste 12 uren.</al><al><vet>7. </vet>In afwijking van het tweede en vijfde lid verricht de
                        ambtenaar maximaal 5 aanwezigheidsdiensten van</al><al>ten hoogste 12 uren in een periode van 7 maal 24 uren, en 26
                        aanwezigheidsdiensten in een periode van 13</al><al>weken, voor zover de ambtenaar in deze periode ten hoogste 5 uren arbeid
                        verricht.</al><al><vet><cursief>Bereikbaarheidsdiensten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:22</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar is verplicht bereikbaarheidsdiensten te
                        verrichten indien het college dit in het belang van de</al><al>dienst noodzakelijk acht.</al><al><vet>2. </vet>De ambtenaar wordt in elke tijdruimte van 7 maal 24 uren ten
                        hoogste 3 maal een bereikbaarheidsdienst</al><al>opgelegd en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken ten hoogste 37
                        maal.</al><al><vet><cursief>Overgangsrecht</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Inschaling zittende medewerkers</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:23</vet></al><al><vet>1. </vet>De medewerker die op 1 februari 2002 werkzaam is in één van de
                        functies genoemd in artikel 19a:2 wordt</al><al>per die datum ingeschaald in de schaal behorende bij zijn functie, voor
                        zover hij voldoende functioneert en</al><al>voldoet aan de door de werkgever gestelde opleidings- en functie-eisen.</al><al><vet>2. </vet>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op de
                        medewerker die op 31 januari 2002 ingeschaald is</al><al>in een aanloopschaal. De medewerker in een aanloopschaal zal per 1 februari
                        2002 ingeschaald worden in</al><al>een door de werkgever nieuw vast te stellen aanloopschaal.</al><al><vet>Artikel 19a:24</vet></al><al><vet>1. </vet>Inschaling vindt plaats in de periodiek van de eindschaal
                        onderscheidenlijk de aanloopschaal, waarvan het</al><al>bedrag overeenkomt met het bruto salaris dat de medewerker op 31 januari
                        2002 ontving, vermeerderd met</al><al>de toegekende bruto arbeidsmarkttoelage, inconveniëntentoelage of andere
                        toelage op grond van de aard van</al><al>de functie.</al><al><vet>2. </vet>Indien de uitkomst van de nieuwe salarisberekening op grond
                        van het eerste lid niet overeenkomt met een</al><al>periodiek in de nieuwe schaal wordt de medewerker ingeschaald op het naast
                        hogere bedrag.</al><al><vet>3. </vet>Indien de uitkomst van de nieuwe salarisberekening op grond
                        van het eerste lid het maximumsalaris</al><al>behorende bij de eindschaal van de functie tot maximaal € 10,- overschrijdt
                        dan vindt inschaling in het</al><al>maximum van de eindschaal plaats</al><al><vet>4. </vet>In de situatie bedoeld in het derde lid ontvangt de ambtenaar
                        zijn bezoldiging zoals vastgesteld op 31 januari</al><al>2002 overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, tot de datum dat het
                        maximumsalaris behorende bij</al><al>de eindschaal van de functie, door salarismutaties voor de sector gemeenten
                        zoals in het LOGA worden</al><al>overeengekomen, de bezoldiging vastgesteld op 31 januari 2002 te boven
                        gaat.</al><al><vet><cursief>Inkomensgarantie</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:25</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op een inkomensgarantie indien de som
                        van:</al><al><vet>- </vet>het schaalbedrag op 31 januari 2002, en</al><al><vet>- </vet>de arbeidsmarkttoelage en/of de inconveniëntentoelage en/of
                        andere toelagen die zijn toegekend op grond</al><al>van de aard van de functie waarop de ambtenaar op 31 januari 2002 aanspraak
                        had, en</al><al><vet>- </vet>de periodieke verhoging(en), op grond van de lokale
                        bezoldigingsverordening, binnen de schaal die voor</al><al>de ambtenaar gold op 31 januari 2002, in de periode van 1 februari 2002 tot
                        1 februari 2005 op enig</al><al>moment het maximum van de eindschaal behorende bij de functie van de
                        ambtenaar met meer dan € 10,-</al><al>overschrijdt. Het verschil wordt toegekend in de vorm van een persoonlijke
                        toelage, welke toelage wordt</al><al>aangepast telkens wanneer de uitkomst van de berekening bedoeld in de vorige
                        volzin wijzigt.</al><al><vet>2. </vet>De persoonlijke toelage bedoeld in het eerste lid wordt op 1
                        februari 2005 gefixeerd op het bedrag waarop de</al><al>ambtenaar op dat moment recht heeft. De algemene salarismutaties voor de
                        sector gemeenten zoals die in het</al><al>LOGA worden overeengekomen zijn wat betreft het percentage en de
                        ingangsdatum van overeenkomstige</al><al>toepassing op deze persoonlijke toelage. De persoonlijke toelage komt te
                        vervallen op het moment dat de</al><al>ambtenaar van functie verandert.</al><al><vet>3. </vet>Indien de formele arbeidsduur van de ambtenaar wordt
                        verminderd, wordt de persoonlijke toelage van de</al><al>ambtenaar naar evenredigheid verminderd.</al><al><vet>4. </vet>Bij (her) berekening van de persoonlijke toelage bedoeld in
                        het eerste lid wordt gebruik gemaakt van de</al><al>salaristabellen die zijn aangepast aan de in het LOGA overeengekomen
                        salarismutaties voor de sector</al><al>gemeenten.</al><al><vet>Artikel 19a:26</vet></al><al><vet>1. </vet>Lokaal toegekende arbeidsmarkttoelagen, inconveniëntentoelagen
                        of andere toelagen die zijn toegekend op</al><al>grond van de aard van de functie vervallen met ingang van 1 februari
                        2002.</al><al><vet>2. </vet>Onder andere toelagen die zijn toegekend op grond van de aard
                        van de functie als bedoeld in het eerste lid</al><al>worden niet begrepen de persoonlijke toelagen of taaktoelagen zoals die er
                        zijn voor specifieke aanvullende</al><al>functies of taken.</al><al><vet><cursief>Garantietoelage voor overwerk en
                                bereikbaarheidsdiensten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:27</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op een garantietoelage indien de
                        vergoedingsregeling voor overwerk en</al><al>bereikbaarheidsdiensten op grond van dit hoofdstuk minder aanspraken biedt
                        dan de regeling zoals die op 31</al><al>januari 2002 voor de ambtenaar gold.</al><al><vet>2. </vet>Teneinde de omvang van de garantietoelage te bepalen wordt een
                        berekening gemaakt van de</al><al>bruto-vergoeding voor overwerk en bereikbaarheidsdienst die de ambtenaar
                        gemiddeld per maand ontvangen</al><al>heeft in de periode van 1 februari 2002 tot aan de datum van herberekening
                        van zijn salaris wegens</al><al>inwerkingtreding van dit hoofdstuk. Tevens wordt een berekening gemaakt van
                        de bruto-vergoeding voor</al><al>overwerk en bereikbaarheidsdienst die de ambtenaar in deze periode gemiddeld
                        per maand ontvangen zou</al><al>hebben op grond van dit hoofdstuk. Het verschil tussen de bedragen vormt de
                        basis voor de berekening van</al><al>de garantietoelage, onverminderd het bepaalde in het eerste lid.</al><al><vet>3. </vet>De garantietoelage bedraagt een percentage van het verschil
                        zoals beschreven in het tweede lid. Dit</al><al>percentage bedraagt:</al><al><vet>- </vet>100% gedurende de periode 1 februari 2002 tot 1 maart
                        2003;</al><al><vet>- </vet>75% gedurende de periode van 1 maart tot 1 september 2003;</al><al><vet>- </vet>50% gedurende de periode van 1 september 2003 tot 1 maart
                        2004;</al><al><vet>- </vet>25% gedurende de periode van 1 maart 2004 tot 1 september
                        2004.</al><al><vet>4. </vet>De garantietoelage vervalt met ingang van de dag dat de
                        ambtenaar van functie wijzigt.</al><al><vet>5. </vet>Indien de formele arbeidsduur van de ambtenaar vermindert,
                        wordt de garantietoelage naar evenredigheid</al><al>verminderd.</al><al><vet><cursief>Afbouwtoelage en garantietoelage voor onregelmatige
                                diensten</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:28</vet></al><al><vet>1. </vet>De ambtenaar heeft recht op een afbouwtoelage of een
                        garantietoelage indien de vergoedingregeling voor</al><al>onregelmatige dienst op grond van dit hoofdstuk minder aanspraken biedt dan
                        de regeling zoals die op 31</al><al>januari 2002 voor de ambtenaar gold.</al><al><vet>2. </vet>Indien de ambtenaar op basis van de vergoedingsregeling voor
                        onregelmatige dienst zoals die voor hem</al><al>gold op 31 januari 2002 recht had op een variabele toelage dan wordt de
                        toelage onregelmatige dienst</al><al>meegenomen in de berekening bedoeld in artikel 19a:27.</al><al><vet>3. </vet>Indien de ambtenaar op basis van de vergoedingsregeling voor
                        onregelmatige dienst zoals die voor hem gold</al><al>op 31 januari 2002 recht had op vaste toelage dan wordt het niveau van deze
                        toelage gegarandeerd op een</al><al>wijze zoals omschreven in het vierde lid van dit artikel.</al><al><vet>4. </vet>Teneinde de omvang van de toelage te bepalen wordt een
                        berekening gemaakt van het bruto-bedrag dat</al><al>de ambtenaar gemiddeld per maand ontvangen heeft als toelage voor
                        onregelmatige dienst, inclusief de</al><al>vakantietoelage over dit bedrag, in de periode van 1 februari 2002 tot aan
                        de datum van herberekening van</al><al>zijn salaris wegens inwerkingtreding van dit hoofdstuk. Tevens wordt een
                        berekening gemaakt van het</al><al>bruto-bedrag dat de ambtenaar in deze periode gemiddeld per maand ontvangen
                        zou hebben als toelage voor</al><al>onregelmatige dienst, inclusief vakantietoelage, op grond van dit hoofdstuk.
                        Indien de uitkomst van het</al><al>laatste bedrag het laagste is wordt het verschil toegekend als
                        garantietoelage.</al><al><vet>5. </vet>De algemene salarismutaties voor de sector gemeenten zoals die
                        in het LOGA worden overeengekomen</al><al>zijn wat betreft het percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige
                        toepassing op de garantietoelage</al><al>bedoeld in dit artikel.</al><al><vet>6. </vet>De garantietoelage vervalt met ingang van de dag dat de
                        ambtenaar van functie wijzigt.</al><al><vet>7. </vet>Indien de formele arbeidsduur van de ambtenaar vermindert, dan
                        wordt de garantietoelage naar</al><al>evenredigheid verminderd.</al><al><vet><cursief>Slotbepaling</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 19a:29</vet></al><al><vet>1. </vet>De artikelen 3:1 lid 2 sub a, 3:2. 3:2:1, 3:3, 3:3:1, 3:4,
                        3:4:1, 3:7:8, 4:1, 4:2, 4:2:1, 4:2:2, en 15:1:10 lid 2 sub</al><al>c zijn niet van toepassing op de ambtenaar bedoeld in dit hoofdstuk.</al><al><vet>2. </vet>In geval van verschil of tegenstrijdigheid tussen de
                        bepalingen in dit hoofdstuk en de lokale</al><al>bezoldigingsverordening, zijn de bepalingen uit dit hoofdstuk van
                        toepassing.</al><al><vet>20 Vergoeding piketdienst beroepsbrandweer</vet></al><al><vet>Artikel 20:1:1</vet></al><al>De ambtenaar, op wie de verplichting rust zich buiten de voor hem geldende
                        werktijden ter beschikking te</al><al>houden ten behoeve van de brandweerdienst, heeft aanspraak op een
                        vergoeding.</al><al><vet>Artikel 20:1:2</vet></al><al>Deze vergoeding bestaat uit verlof, dat door de commandant wordt verleend zo
                        spoedig mogelijk - in de regel</al><al>binnen zes kalenderweken - na het tijdvak waarin de ambtenaar zich ter
                        beschikking moest houden. Het verlof</al><al>bedraagt 16% van het aantal uren, waarin hij zich ter beschikking moest
                        houden, voor zover deze vielen op</al><al>zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag,
                        de beide Kerstdagen, de dag</al><al>waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag, die
                        daarboven door het college wordt</al><al>aangewezen en 10% van het aantal uren waarin hij zich ter beschikking moest
                        houden, indien deze uren vielen</al><al>op andere dagen.</al><al><vet>Artikel 20:1:3</vet></al><al>Indien naar het oordeel van de commandant het dienstbelang zich verzet tegen
                        het toekennen van verlof,</al><al>wordt een vergoeding in geld gegeven. De vergoeding bedraagt 16% van het
                        1/156 gedeelte van het salaris per</al><al>maand voor elk uur, waarin de ambtenaar zich ter beschikking moet houden,
                        voor zover deze uren vielen op</al><al>zondag, nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag,
                        de beide Kerstdagen, de dag</al><al>waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd en iedere andere dag die
                        daarboven door het college wordt</al><al>aangewezen en 10% van dat salarisgedeelte voor elk uur, waarin hij zich ter
                        beschikking moest houden, indien</al><al>deze uren vielen op andere dagen. De uitbetaling heeft zo spoedig mogelijk
                        plaats.</al><al><vet>21 De rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</vet></al><al><vet><cursief>Begripsomschrijving</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 21:1:1</vet></al><al>Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder levenspartner verstaan: een
                        persoon met wie de niet-gehuwde</al><al>ambtenaar samenwoont en - met het oogmerk duurzaam samen te leven - een
                        gemeenschappelijke huishouding</al><al>voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens
                        door het college nader te stellen regels.</al><al>Tegelijkertijd kan slechts één persoon als levenspartner worden
                        aangemerkt.</al><al><vet><cursief>Gelijkstelling levenspartner met
                        echtgenoot</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 21:1:2</vet></al><al>De bepalingen die gelden voor de gehuwde ambtenaar, zijn op overeenkomstige
                        wijze van toepassing op de</al><al>ambtenaar met een levenspartner. Waar in deze bepalingen staat 'echtgenoot'
                        moet tevens worden gelezen</al><al>'levenspartner'.</al><al><vet>Artikel 21:1:3</vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet>Artikel 21:1:4</vet></al><al>In gevallen waarin dit hoofdstuk niet of niet naar redelijkheid voorziet,
                        treft het college een passende</al><al>voorziening.</al><al><vet>22 Overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 22:1:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Deze regeling treedt uiterlijk in werking op 1 januari
                        1998.</al><al><vet>2. </vet>Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking
                        treedt, danwel gedeelten daarvan in werking</al><al>treden, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen
                        ambtenarenreglement dan wel van die</al><al>verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de
                        bepalingen van deze regeling.</al><al><vet>3. </vet>Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat
                        bepalingen uit het geldende algemeen</al><al>ambtenarenreglement dan wel uit verordeningen vervallen, waardoor aanspraken
                        van individuele ambtenaren</al><al>in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over
                        de gevolgen daarvan.</al><al><vet>Bijlagen</vet></al><al><vet><cursief>Bijlage I Salarisverhoging</cursief></vet></al><al>In de bijlage van de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde
                        bezoldigingsregeling worden met ingang van 1 april</al><al>1993 de daarin opgenomen schaalbedragen verhoogd met 2%. Met ingang van 1
                        januari 1995 worden de</al><al>schaalbedragen verhoogd met 0,5%. Met ingang van 1 augustus 1995 worden de
                        schaalbedragen verhoogd</al><al>met 1,25%, behoudens de schaalbedragen van personeel werkzaam bij
                        gemeentelijke zorginstellingen. Ten</al><al>aanzien van personeel dat op of na 1 augustus 1995 werkzaam is bij
                        gemeentelijke ziekenhuizen, gemeentelijke</al><al>verpleegtehuizen of gemeentelijke psychiatrische ziekenhuizen, geldt dat zij
                        in januari 1996 een eenmalige</al><al>uitkering ontvangen ter grootte van 1,25% van de grondslag. De grondslag
                        bestaat uit de over de maanden</al><al>augustus tot en met december 1995 genoten bezoldiging, vermeerderd met 8%
                        vakantietoeslag. Deze uitkering</al><al>wordt niet verstrekt aan personeel dat voor 1 januari 1996 uit dienst is
                        getreden en in de periode van 1 augustus</al><al>tot en met 31 december 1995 minder dan 100 uur bij één instelling heeft
                        gewerkt.</al><al>Met ingang van 1 januari 1996 is de gemeentelijke salarismutatie ook op
                        personeel van zorginstellingen van</al><al>toepassing.</al><al>Met ingang van 1 augustus 1996 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,25%.
                        Vanaf 1997 wordt een</al><al>structurele eindejaarsuitkering uitgekeerd van 0,3% van het
                        jaarsalaris.</al><al>Per 1 juni 1997 worden de schaalbedragen met 3,0% verhoogd.</al><al>In december 1997 wordt, naast de al bestaande eindejaarsuitkering van 0,3%,
                        een eenmalige uitkering verstrekt</al><al>van 0,7% van het jaarsalaris met dien verstande dat die uitkering minimaal
                        fl 350,- bedraagt. De uitkering werkt</al><al>door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 april 1998 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        2,25%.</al><al>In december 1998 wordt de bestaande eindejaarsuitkering van 0,3% met 0,5%
                        van het jaarsalarisverhoogd tot</al><al>0,8% met dien verstande dat uitkering minimaal fl 400,- bedraagt. De
                        uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 april 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,0%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 1999 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,0%. In
                        december 1999 wordt de</al><al>bestaande eindejaarsuitkering van 0,3% structureel met 0,5% van het
                        jaarsalaris verhoogd tot 0,8% structureel</al><al>van het jaarsalaris, met dien verstande dat de uitkering minimaal fl 400,-
                        bedraagt. De uitkering werkt door</al><al>naar de postactieven. Degenen die op 1 december 1999 in dienst zijn van de
                        gemeente krijgen in die maand een</al><al>eenmalige uitkering van fl 350,- bruto bij een volledige betrekking. Bij een
                        deeltijdbetrekking wordt dit bedrag</al><al>naar rato vastgesteld. De uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Degenen die op 1 april 2000 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van</al><al>fl 350,- bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking
                        wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De</al><al>uitkering werkt door naar de postactieven.</al><al>Met ingang van 1 augustus 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2000 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        1,5%.</al><al>In 2000 wordt de structurele eindejaarsuitkering van 0,8% eenmalig verhoogd
                        met 0,5% onder een gelijktijdige</al><al>eenmalige verhoging van het minimale bedrag met fl 250,-. Dit resulteert
                        voor 2000 in een eindejaarsuitkering</al><al>van 1,3% met een minimaal bedrag van fl 650,-.</al><al>Met ingang van 1 januari 2001 worden de schaalbedragen gebruteerd met 1,9%
                        met een maximum van fl</al><al>1.745,-.</al><al>Met ingang van 1 mei 2001 worden de schaalbedragen verhoogd met 3,3%.</al><al>Vanaf 2001 wordt de eindejaarsuitkering met 0,95% (0,2% + 0,75%) structureel
                        verhoogd naar 1,75%. Tevens</al><al>wordt vanaf 2001 het minimale bedrag verhoogd van fl 400,- naar fl 1.125,-
                        bruto. In 2001 wordt deze minimale</al><al>uitkering eenmalig opgehoogd met fl 50,- naar fl 1.175,- bruto.</al><al>Vanaf 2002 bedraagt de eindejaarsuitkering 1,75% met een minimaal bedrag van
                        euro 511,-.</al><al>Met ingang van 1 februari 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 3
                        %.</al><al>Met ingang van 1 oktober 2002 worden de schaalbedragen verhoogd met 0,5
                        %.</al><al>Vanaf 2002 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 1 % verhoogd naar
                        2,75 %. Tevens wordt vanaf 2002</al><al>het minimale bedrag verhoogd van euro 511,-- naar euro 611,-- bruto. Vanaf
                        2002 is de grondslag van de</al><al>eindejaarsuitkering het jaarsalaris.</al><al>Met ingang van 1 april 2003 worden de schaalbedragen verhoogd met 2 %.</al><al>Vanaf 2003 wordt de eindejaarsuitkering structureel met 0,25 procentpunt
                        verhoogd naar 3 %. Tevens wordt</al><al>vanaf 2003 het minimale bedrag verhoogd van euro 611,-- naar euro 836,--
                        bruto.</al><al>Degenen die op 1 oktober 2003 in dienst zijn van de gemeente krijgen in die
                        maand een eenmalige uitkering van</al><al>euro 200 bruto bij een volledige betrekking. Bij een deeltijdbetrekking
                        wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.</al><al>De uitkering werkt niet door naar de pensioenen en de uitkeringen in verband
                        met ontslag en werkloosheid,</al><al>zowel wat betreft opbouw als indexatie.</al><al>Met ingang van 1 juni 2005 worden de schaalbedragen verhoogd met 1 %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2006 worden de schaalbedragen verhoogd met 1,6
                        %.</al><al>Met ingang van 1 februari 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met
                        0,8%.</al><al>Met ingang van 1 juni 2007 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%</al><al>Met ingang van 1 juni 2008 worden de schaalbedragen verhoogd met 2,2%.</al><al><vet><cursief>Bijlage II Schaalindeling</cursief></vet></al><al>Deze bijlage bevat de schaalindeling, als onderdeel van de
                        bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1, eerste</al><al>lid.</al><al><vet><cursief>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 februari 2006, oude
                                structuur</cursief></vet></al><al>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 juni 2007, oude structuur</al><al>Inpassingstabel betreffende de gemeentelijke garantiebedragen per 1 februari
                        2006</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Regelnummer</al></entry><entry colname="col2"><al>Garantieschalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>2962</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>3072</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>3180</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>3279</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>3382</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>3489</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>3603</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>3714</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>3820</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al>3927</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53</al></entry><entry colname="col2"><al>4030</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>4245</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>4347</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61</al></entry><entry colname="col2"><al>4454</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>63</al></entry><entry colname="col2"><al>4574</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>67</al></entry><entry colname="col2"><al>4841</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>69</al></entry><entry colname="col2"><al>4975</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>73</al></entry><entry colname="col2"><al>5240</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>5374</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>77</al></entry><entry colname="col2"><al>5528</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>79</al></entry><entry colname="col2"><al>5677</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>81</al></entry><entry colname="col2"><al>5828</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>83</al></entry><entry colname="col2"><al>5992</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>85</al></entry><entry colname="col2"><al>6168</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>87</al></entry><entry colname="col2"><al>6345</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>89</al></entry><entry colname="col2"><al>6522</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>91</al></entry><entry colname="col2"><al>6699</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>93</al></entry><entry colname="col2"><al>6876</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>95</al></entry><entry colname="col2"><al>7055</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Inpassingstabel betreffende de gemeentelijke garantiebedragen per 1 juni
                        2007</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Regelnummer</al></entry><entry colname="col2"><al>Garantieschalen</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>33</al></entry><entry colname="col2"><al>2986</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>35</al></entry><entry colname="col2"><al>3096</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>37</al></entry><entry colname="col2"><al>3206</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>39</al></entry><entry colname="col2"><al>3305</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>41</al></entry><entry colname="col2"><al>3409</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>43</al></entry><entry colname="col2"><al>3517</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>45</al></entry><entry colname="col2"><al>3632</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>47</al></entry><entry colname="col2"><al>3744</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>49</al></entry><entry colname="col2"><al>3851</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>51</al></entry><entry colname="col2"><al>3959</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>53</al></entry><entry colname="col2"><al>4062</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>57</al></entry><entry colname="col2"><al>4279</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>59</al></entry><entry colname="col2"><al>4382</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>61</al></entry><entry colname="col2"><al>4490</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>63</al></entry><entry colname="col2"><al>4611</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>67</al></entry><entry colname="col2"><al>4880</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>69</al></entry><entry colname="col2"><al>5015</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>73</al></entry><entry colname="col2"><al>5282</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>75</al></entry><entry colname="col2"><al>5417</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>77</al></entry><entry colname="col2"><al>5572</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>79</al></entry><entry colname="col2"><al>5723</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>81</al></entry><entry colname="col2"><al>5875</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>83</al></entry><entry colname="col2"><al>6040</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>85</al></entry><entry colname="col2"><al>6217</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>87</al></entry><entry colname="col2"><al>6395</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>89</al></entry><entry colname="col2"><al>6575</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>91</al></entry><entry colname="col2"><al>6753</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>93</al></entry><entry colname="col2"><al>6931</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>95</al></entry><entry colname="col2"><al>7112</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>Bijlage IIa</cursief></vet></al><al>Salaristabel gemeenteambtenaren per 1 februari 2006, nieuwe structuur</al><al><vet><cursief>Bijlage III Hoorbepaling</cursief></vet></al><al>Deze tekst bevat een alternatieve tekst voor hoofdstuk 12, bestemd voor
                        gemeenten waar geen commissie voor</al><al>georganiseerd overleg is ingesteld.</al><al><vet>Artikel 12:1</vet></al><al><vet>1. </vet>Met de organisaties waarbij de ambtenaren zijn aangesloten
                        vindt overleg plaats aangaande aangelegenheden</al><al>van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip
                        van de algemene regels</al><al>volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, voor zover daarin
                        niet wordt voorzien door het</al><al>LOGA-overleg tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van
                        Nederlandse Gemeenten en de</al><al>centrales van overheidspersoneel.</al><al><vet>2. </vet>Als organisaties bedoeld in het vorige lid worden aangemerkt
                        de landelijke verenigingen van</al><al>overheidspersoneel aangesloten bij de centrales van overheidspersoneel,
                        toegelaten tot het overleg in het</al><al>vorige lid bedoeld.</al><al><vet>3. </vet>Het overleg wordt gevoerd door aan een organisatie een ontwerp
                        van het voorgenomen besluit met</al><al>toelichting toe te zenden, met het verzoek binnen een daarbij te stellen
                        termijn, welke niet korter dan veertien</al><al>dagen zal zijn, het college schriftelijk haar gevoelen kenbaar te maken.
                        Indien de organisatie dit verlangt</al><al>wordt zij tot mondelinge toelichting toegelaten.</al><al><vet>4. </vet>Aan de bepaling van het eerste lid wordt geacht te zijn
                        voldaan, indien de organisatie in gebreke is gebleven</al><al>binnen de in het vorige lid bedoelde termijn van haar gevoelen te doen
                        blijken.</al><al><vet>5. </vet>Behoort het nemen van het in het derde lid bedoelde besluit
                        tot de bevoegdheid van de raad, dan vermeldt het</al><al>college bij het ontwerp van het besluit tevens het gevoelen van de
                        organisaties terzake.</al><al><vet>6. </vet>Het college zendt een afschrift van zijn besluiten en een
                        eventueel besluit van de raad binnen veertien dagen</al><al>nadat deze zijn genomen aan de organisaties.</al><al><vet><cursief>Bijlage IV Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar
                                behorend tot het onderwijzend personeel in</cursief></vet></al><al><vet><cursief>de Kunstzinnige vorming</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 1</cursief></al><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>docent: de ambtenaar die een van de
                        functies bedoeld in artikel 3, sub I, van het reglement</al><al>Benoembaarheidseisen Kunstzinnige vorming uitoefent;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>consulent: de ambtenaar die (een van) de
                        functie(s) bedoeld in artikel 3, sub II, van het reglement</al><al>Benoembaarheidseisen Kunstzinnige vorming uitoefent;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>balletbegeleider: de ambtenaar die de
                        functie bedoeld in artikel 3, sub III van het reglement</al><al>Benoembaarheidseisen Kunstzinnige vorming uitoefent;</al><al><vet><cursief>d. </cursief></vet>de ambtenaar: de ambtenaar behorende tot
                        het onderwijzend personeel in de Kunstzinnige vorming genoemd</al><al>onder a, b of c;</al><al><vet><cursief>e. </cursief></vet>steunfunctie Kunstzinnige vorming: de
                        begeleiding gericht op ontwikkeling en vernieuwing van beleid en</al><al>uitvoering, alsmede op verbetering van kwaliteit van activiteiten op het
                        terrein van kunstzinnige vorming;</al><al>onder steunfunctie wordt mede begrepen de begeleiding die is gericht op
                        samenwerking of integratie van</al><al>activiteiten op het terrein van de kunstzinnige vorming met andere
                        activiteiten op het terrein van zorg,</al><al>educatie of recreatie;</al><al><vet><cursief>f. </cursief></vet>kunstzinnige vorming: lessen, cursussen of
                        projecten, alsmede elementen van de steunfunctie op het terrein</al><al>van de audiovisuele beeldende dansante, dramatische of muzikale
                        vorming;</al><al><vet><cursief>g. </cursief></vet>instelling voor de Kunstzinnige vorming:
                        een in Nederland gevestigde publiekrechtelijke rechtspersoon die</al><al>uitsluitend of mede ten doel heeft het zonder winstoogmerk uitvoeren van
                        activiteiten op het terrein van de</al><al>kunstzinnige vorming en/of het uitoefenen van de steunfunctie kunstzinnige
                        vorming;</al><al><vet><cursief>h. </cursief></vet>klokuur les: 60 minuten les;</al><al><vet><cursief>i. </cursief></vet>taakuur: een taakeenheid, wat omvang
                        betreft gelijk aan een klokuur les, aan een docent of een consulent</al><al>toegewezen voor het verrichten van bijzondere werkzaamheden die niet behoren
                        tot of rechtstreeks verband</al><al>houden met het les geven;</al><al><vet><cursief>j. </cursief></vet>klassikale les: les aan 10 of meer
                        leerlingen;</al><al><vet><cursief>k. </cursief></vet>groepsles: les aan een groep van ten minste
                        drie en ten hoogste negen leerlingen;</al><al><vet><cursief>l. </cursief></vet>individuele les: les aan een of twee
                        leerlingen;</al><al><vet><cursief>m. </cursief></vet>bevoegd zijn: voldoen aan de voor een
                        functie vastgestelde benoembaarheidseisen dan wel in het bezit van</al><al>een benoembaarheidsverklaring.</al><al><cursief>Artikel 2</cursief></al><al>In aanvulling op artikel 2:4 CAR geldt voor de ambtenaar dat een tijdelijke
                        aanstelling tevens slechts kan</al><al>plaats vinden indien de ambtenaar niet voldoet aan de eisen vermeld in het
                        Reglement Benoembaarheidseisen</al><al>Kunstzinnige vorming.</al><al><cursief>Artikel 3</cursief></al><al>Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, CAR, kan
                        worden afgeweken. Voor de</al><al>ambtenaar dient in dat geval de bezoldiging te worden vastgesteld
                        overeenkomstig de Uitvoeringsregeling</al><al>salariëring behorende bij deze bijlage. In het salaris van de ambtenaar is
                        begrepen het verrichten van algemene</al><al>werkzaamheden die verband houden met het lesgeven, voor zover naar hun aard
                        en omvang redelijkerwijs te</al><al>begrijpen binnen een normale onderwijstaak.</al><al><cursief>Artikel 4</cursief></al><al>In aanvulling op artikel 4:2 CAR is de verhouding lesgebonden - niet
                        lesgebonden bepaald op maximaal 26 uur</al><al>lesgebonden en de overige niet lesgebonden uren.</al><al><cursief>Artikel 5</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>In afwijking van artikel 4:2 CAR kunnen de
                        werktijden van de ambtenaar door het college worden</al><al>vastgesteld met inachtneming van de eisen die door de normale gang van de
                        werkzaamheden of door het</al><al>optreden van bijzondere omstandigheden worden gesteld.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>De regeling van werktijden of roosters
                        wordt door het college ten minste 7 etmalen voor de aanvang van de</al><al>periode waarop zij betrekking hebben ter kennis van de betrokken werknemers
                        gebracht.</al><al><cursief>Artikel 6</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Indien de ambtenaar belast wordt met
                        bijzondere taken, die niet behoren tot of rechtstreeks verband</al><al>houden met het lesgeven wordt hem daarvoor een zodanig aantal taakuren
                        toegewezen dat de opgedragen</al><al>werkzaamheden met inachtneming van de specifieke omstandigheden
                        redelijkerwijs in die tijd kunnen</al><al>worden verricht.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Het salaris per taakuur is gelijk aan het
                        salaris per klokuur les voor individuele lessen volgens de hoogste op</al><al>de docent of consulent van toepassing zijnde bevoegdheid.</al><al><cursief>Artikel 7</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>De ambtenaar heeft recht op vakantie met
                        behoud van salaris gedurende de schoolvakanties, met dien</al><al>verstande dat de ambtenaar in elk geval recht heeft op vakantie gedurende
                        vier aaneengesloten weken.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>De ambtenaar houdt zich op verzoek van het
                        college zo nodig gedurende enkele dagen, doch ten hoogste</al><al>gedurende een week van het vakantieverlof, beschikbaar voor werkzaamheden
                        van schoolorganisatorische</al><al>aard.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>In bijzondere gevallen van dringende aard
                        kan aan een ambtenaar op diens verzoek na omzetting van de</al><al>dienst op andere dan de in het eerste lid bedoelde tijdstippen
                        vakantieverlof worden verleend.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Onder schoolvakanties in dit artikel wordt
                        verstaan de vakantie van de instelling voor de Kunstzinnige</al><al>vorming.</al><al><cursief>Artikel 8</cursief></al><al>Aan een bevoegd ambtenaar kunnen onder bijzondere omstandigheden met zijn
                        instemming lessen worden</al><al>opgedragen, waarvoor hij niet bevoegd is, zulks tot ten hoogste 25% van het
                        aantal klokuren les of taakuren,</al><al>waarmee hij in het desbetreffende schooljaar is of zal worden belast en
                        waarvoor hij wel bevoegd is, mits voor</al><al>het geven van deze lessen een ontheffing van de benoembaarheidseisen is
                        gegeven.</al><al><cursief>Artikel 9</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Uiterlijk in de tiende week van elk
                        cursusjaar komt het college met de ambtenaar schriftelijk overeen met</al><al>welk (gemiddeld) aantal klokuren les of taakuren de ambtenaar dat schooljaar
                        zal worden belast.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Indien het totaal aantal klokuren les of
                        taakuren voor een bepaalde discipline afneemt als gevolg van een</al><al>autonome vermindering van het aantal inschrijvingen, waarbij het beleid van
                        de instelling voor Kunstzinnige</al><al>Vorming ongewijzigd is, kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend op
                        grond van artikel 8:4, na</al><al>toepassing van het afvloeiingsreglement als vermeld in artikel 11.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid
                        kan ook gedeeltelijk worden verleend.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Het ontslag als bedoeld in het tweede lid
                        wordt niet verleend aan de ambtenaar die 60 jaar is en die op 1</al><al>januari 2001 55 jaar of ouder was.</al><al>Garantie-uitkering KV</al><al><cursief>Artikel 10</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Recht op een garantie-uitkering KV heeft de
                        ambtenaar die:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>gedeeltelijk werkloos is als gevolg van een
                        ontslag op grond van artikel 8:4;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>in de 39 weken onmiddellijk voorafgaand aan
                        het ontslag in tenminste 26 weken als werknemer als</al><al>bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>aantoont dat hij in de periode van vijf
                        kalenderjaren onmiddellijk voorafgaand aan het jaar waarin zijn</al><al>eerste werkloosheidsdag is gelegen, in tenminste vier kalenderjaren over 52
                        of meer dagen per jaar loon</al><al>heeft ontvangen, en</al><al><vet><cursief>d. </cursief></vet>niet in aanmerking komt voor een uitkering
                        krachtens de Werkloosheidswet omdat het arbeidsurenverlies</al><al>minder dan vijf uur of minder dan de helft van de aanstelling bedraagt.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>De duur van de garantie-uitkering KV is
                        afhankelijk van de lengte van het dienstverband bij de instelling. Bij</al><al>een dienstverband van:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>ten minste één jaar is de duur van de
                        uitkering 6 maanden;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>ten minste twee jaar is de duur van de
                        uitkering 12 maanden;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>ten minste drie jaar is de duur van de
                        uitkering 18 maanden;</al><al><vet><cursief>d. </cursief></vet>ten minste vier jaar is de duur van de
                        uitkering 24 maanden.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>De garantie-uitkering KV bedraagt:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>gedurende de eerste twaalf maanden 70% van
                        het uurloon op de dag voorafgaand aan het ontslag,</al><al>vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren, en</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>vervolgens 70% van het minimum-uurloon,
                        vermenigvuldigd met het aantal verloren arbeidsuren.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>In afwijking van het eerste tot en met het
                        derde lid heeft de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarde in</al><al>het eerste lid onder c, maar wel aan de overige voorwaarden in het eerste
                        lid, recht op een garantie-uitkering</al><al>KV gedurende 6 maanden. Deze uitkering bedraagt 70% van het minimum-uurloon
                        vermenigvuldigd met het</al><al>aantal verloren arbeidsuren.</al><al><vet><cursief>5. </cursief></vet>De ambtenaar aan wie een garantie-uitkering
                        KV is toegekend, is verplicht zich in te schrijven als</al><al>werkzoekende bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats en zich beschikbaar
                        te stellen voor het aannemen</al><al>van passende werkzaamheden. Daarnaast dient hij alle informatie te
                        verstrekken die voor de uitvoering van</al><al>deze regeling noodzakelijk is. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen
                        kan het college besluiten de</al><al>garantie-uitkering (gedeeltelijk) te beëindigen.</al><al><vet><cursief>6. </cursief></vet>Indien de ambtenaar, aan wie een
                        garantie-uitkering KV is toegekend, na zijn ontslag nieuwe</al><al>werkzaamheden ter hand neemt, wordt de garantie-uitkering KV beëindigd met
                        het aantal uren dat de nieuwe</al><al>werkzaamheden omvat.</al><al><vet><cursief>7. </cursief></vet>Indien het recht op een garantie-uitkering
                        KV op grond van het zesde lid geheel of gedeeltelijk is beëindigd,</al><al>en vervolgens de werkzaamheden die tot dat eindigen hebben geleid, hebben
                        opgehouden te bestaan, herleeft</al><al>het recht op de garantieuitkering KV voor zover er geen nieuwe rechten op
                        enige uitkering uit hoofde van</al><al>deze werkzaamheden zijn ontstaan.</al><al><vet><cursief>8. </cursief></vet>Het recht op de garantie-uitkering KV
                        eindigt volledig:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>indien op basis van het arbeidsurenverlies,
                        die tot het toekennen van een garantieuitkering hebben geleid,</al><al>alsnog enige andere uitkering wordt toegekend;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>met ingang van de eerste dag van de
                        kalendermaand volgende op die waarin de ambtenaar de leeftijd van</al><al>65 jaar heeft bereikt;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>met ingang van de eerste dag van de
                        kalendermaand volgende op die waarin de ambtenaar volledig</al><al>gebruik maakt van de FPU-regeling;</al><al><vet><cursief>d. </cursief></vet>op de dag na het overlijden van de
                        ambtenaar;</al><al><vet><cursief>e. </cursief></vet>met ingang van de dag waarop de ambtenaar
                        recht krijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een</al><al>arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.</al><al><vet><cursief>9. </cursief></vet>De garantie-uitkering KV vervangt alle
                        regelingen, vastgesteld voor 1 september 2001, die ten doel hebben</al><al>een inkomstenderving als gevolg van het verlies van klokuren les of taakuren
                        op te vangen.</al><al><vet><cursief>10.</cursief></vet>In aansluiting op het negende lid, kan
                        overgangsrecht worden vastgesteld voor ambtenaren op wie een</al><al>regeling als bedoeld in het negende lid reeds van toepassing was.</al><al><cursief>Artikel 11</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Het college stelt na overleg met de
                        (organisaties van) bij hem in dienst zijnde ambtenaren een regeling
                        vast</al><al>met betrekking tot de rangorde waarin de ambtenaren in aanmerking komen voor
                        ontslag op grond van</al><al>artikel 9 van deze bijlage.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>In de onder lid 1 genoemde regeling dient
                        te worden uitgegaan van de onderstaande volgorde:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>zij die de bovengenoemde urenverdeling dan
                        wel bovengenoemd ontslag wensen;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>zij die meer dan 32 klokuren les aan een
                        instelling of meer instellingen tezamen;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>zij die tussen 26 en 32 klokuren les geven
                        aan een instelling of aan meer instellingen tezamen;</al><al><vet><cursief>d. </cursief></vet>het sub b en c bepaalde is van
                        overeenkomstige toepassing indien de hier bedoelde ambtenaar werkzaam</al><al>is in een volledige of gedeeltelijke aanstelling/ betrekking elders, anders
                        dan bij/aan een instelling;</al><al><vet><cursief>e. </cursief></vet>zij die andere klokuren les geven.</al><al><vet><cursief>Bijlage IVa Uitvoeringsregeling
                        salariëring</cursief></vet></al><al>Algemene bepalingen inzake salarisvaststelling</al><al><cursief>Artikel 1</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Het salaris van de ambtenaar wordt
                        vastgesteld volgens de bij zijn functie behorende salarisschaal.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Het salaris van de ambtenaar die een
                        deeltijd dienstverband heeft, dan wel wiens dienstverband een gedeelte</al><al>van de maand heeft geduurd, wordt vastgesteld naar evenredigheid van de
                        overeengekomen arbeidsduur</al><al>ten opzichte van een volledige betrekking, dan wel naar evenredigheid van de
                        in de desbetreffende maand</al><al>gewerkte tijd.</al><al>Inschaling op basis van ervaring</al><al><cursief>Artikel 2</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Inschaling in de schaal vindt plaats bij
                        indiensttreding en bij overgang naar een andere functie bij dezelfde</al><al>gemeente.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Inschaling in de schaal vindt plaats op
                        basis van ervaring in dezelfde of een vergelijkbare functie.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Ervaring die niet een vol jaar bedraagt,
                        moet toch als ervaringsjaar worden geteld indien de ambtenaar</al><al>de helft of meer van het aantal weken in een jaar waarin de instelling
                        reguliere cursussen verzorgt een</al><al>vergelijkbare functie binnen de instelling heeft vervuld.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Ervaring opgedaan als uitzendkracht in een
                        vergelijkbare functie bij de werkgever telt volledig mee als</al><al>ervaring opgedaan binnen de instelling/bij die werkgever.</al><al><vet><cursief>5. </cursief></vet>Vroeger opgedane ervaring bij de werkgever
                        telt mee indien deze is opgedaan in een vergelijkbare functie en</al><al>er tussen het moment van uittreden en weer intreden bij de werkgever niet
                        meer dan vier jaar verlopen zijn.</al><al>Inschaling bij indiensttreding</al><al><cursief>Artikel 3</cursief></al><al>In welke mate elders opgedane ervaring wordt meegeteld bij de inschaling, is
                        in beginsel zaak van overleg</al><al>tussen het college en de ambtenaar bij de indiensttreding. Echter het totaal
                        van de ervaringsjaren in dezelfde of</al><al>een vergelijkbare functie bij een andere werkgever telt mee bij de
                        inschaling van de ambtenaar.</al><al>Periodieke verhoging</al><al><cursief>Artikel 4</cursief></al><al>De werknemer heeft, zolang hij het maximum van de voor zijn functie geldende
                        functieschaal nog niet heeft</al><al>bereikt, aanspraak op een periodieke verhoging van één regelnummer. De
                        verhoging vindt één keer per jaar</al><al>plaats, totdat de werknemer het hoogste regelnummer van het functiedeel van
                        de schaal heeft bereikt. Vanaf</al><al>dat moment vindt de verhoging één keer per twee jaar plaats, totdat het
                        hoogste regelnummer van de schaal is</al><al>bereikt.</al><al>Overgangs- en garantiebepalingen</al><al><cursief>Artikel 5</cursief></al><al>De overgangs- en garantiebepalingen zijn alleen van toepassing op ambtenaren
                        die op 31 december 1997 in</al><al>dienst waren van de gemeente en voor wie de bepalingen van bijlage IV van
                        toepassing zijn.</al><al><cursief>Artikel 6</cursief></al><al>Het college dient de op 31 december 1997 in dienst zijnde ambtenaar per 1
                        januari 1998 een functie toe</al><al>te kennen en opnieuw in te schalen op basis van een omschrijving van de door
                        de ambtenaar ingevolge de</al><al>geldende afspraken met het college te verrichten werkzaamheden. De in de
                        voorgaande volzin bedoelde</al><al>herinschaling geschiedt op basis van de bepalingen van deze
                        uitvoeringsregeling.</al><al>Overgang naar de nieuwe functiebeschrijvingen -structuur/-groepindeling</al><al><cursief>Artikel 7</cursief></al><al>Het college stuurt aan iedere individuele ambtenaar een brief waarin de
                        volgende punten dienen te zijn</al><al>vastgelegd:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>het voorgenomen besluit van het college
                        terzake van de functie van betrokkene in het kader van de nieuwe</al><al>functiestructuur, functiebeschrijvingen en functiegroepindeling;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>het voor de ambtenaar geldende
                        brutosalarisniveau op fulltime basis, alsmede het bruto salarisperspectief
                        (op</al><al>fulltime basis).</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Als ijkmoment voor het vaststellen van het
                        brutosalarisniveau en het brutosalarisperspectief is de</al><al>salaristoestand op 31 december 1997 bepalend.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Het bruto salarisperspectief wordt
                        vastgesteld door in ogenschouw te nemen het soort uren dat de</al><al>ambtenaar binnen de A-, B-, dan wel Z-schaal draait (individueel, groeps en
                        klassikaal), de verhouding</al><al>tussen deze uren vast te stellen en vervolgens op basis van deze verhouding
                        een berekening te maken aan</al><al>de hand van de maximum regelnummerbedragen (per 31 december 1997) van de van
                        toepassing zijnde</al><al>salarislijnen individueel, groeps en klassikaal.</al><al>Horizontale overgang/Salarisgarantie</al><al><cursief>Artikel 8</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>De ambtenaar wordt ingeschaald in de nieuwe
                        salarisschaal behorende bij de functie en wel op het</al><al>regelnummer waarvan het bedrag overeenkomt met zijn op grond van artikel 7
                        vastgestelde salaris per 31</al><al>december 1997.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Indien het bedrag van zijn salaris niet
                        exact hetzelfde is als de bedragen van de regelnummers, wordt de</al><al>ambtenaar het regelnummer toegekend waarin het naasthogere bedrag van zijn
                        salaris voorkomt.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Indien de functie van de ambtenaar
                        ingedeeld wordt in een salarisschaal met een lager eindbedrag dan</al><al>het voor de ambtenaar op grond van artikel 7 vastgestelde salaris per 31
                        december 1997, dan behoudt de</al><al>ambtenaar het recht op dat salaris.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Toepassing van het onder lid 3 genoemde
                        verkregen recht geschiedt als volgt. Het salaris van de ambtenaar</al><al>wordt vastgesteld op het regelnummer in een hogere schaal, waarvan het
                        bedrag overeenkomt met dan wel</al><al>naast hoger is dan zijn salaris.</al><al>Salarisperspectief</al><al><cursief>Artikel 9</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Het voor de ambtenaar op grond van artikel
                        7 vastgestelde salarisperspectief wordt nader vastgesteld op een</al><al>regelnummer van een van de nieuwe salarisschalen.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Het salarisperspectief wordt zo mogelijk
                        vastgesteld op een regelnummer van de voor zijn functie geldende</al><al>schaal.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Indien het bedrag van zijn
                        salarisperspectief niet exact hetzelfde is als de bedragen van de
                        regelnummers,</al><al>wordt de ambtenaar het regelnummer toegekend waarin het naasthogere bedrag
                        van zijn salarisperspectief</al><al>voorkomt.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Indien het salarisperspectief van de
                        ambtenaar hoger ligt dan het eindbedrag van de voor zijn functie</al><al>geldende schaal, wordt zijn salarisperspectief vastgesteld overeenkomstig
                        een regelnummer in de</al><al>naasthogere schaal waarvan het bedrag exact hetzelfde is, dan wel het
                        naasthogere van zijn perspectief.</al><al>Salarisperspectiefgarantie</al><al><cursief>Artikel 10</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Indien het nader vastgestelde
                        salarisperspectief van de ambtenaar lager is dan het maximum van de</al><al>nieuwe schaal, dan heeft de ambtenaar recht op het bereiken van het maximum
                        van de nieuwe schaal, met</al><al>inachtneming van de overgangsregeling in het volgende artikel.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Indien het nader vastgestelde
                        salarisperspectief van de ambtenaar hoger is dan het maximum van de
                        nieuwe</al><al>schaal, dan heeft de ambtenaar recht op het bereiken van zijn
                        salarisperspectief, met inachtneming van de</al><al>overgangsregeling in het volgende artikel.</al><al>Overgangsregeling (vertraagde) doorgroei voor zittende ambtenaren</al><al><cursief>Artikel 11</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Deze overgangsregeling is van toepassing
                        tot en met het cursusjaar 2002/2003.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Het college mag ten gunste van de ambtenaar
                        van deze regeling afwijken.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>De ambtenaar genoemd in artikel 10, lid 1,
                        groeit naar zijn salarisperspectief toe met een jaarlijks periodiek</al><al>van één regelnummer. Na het bereiken van dit perspectief heeft hij eerst
                        recht op verdere doorgroei naar het</al><al>maximum van de nieuwe schaal, indien zijn ervaringsjaren bij de gemeente in
                        aantal overeenkomen met het</al><al>regelnummer van de schaal. Deze doorgroei geschiedt door een periodieke
                        verhoging van één regelnummer</al><al>per twee jaar tot en met het moment dat de ambtenaar het hoogste regelnummer
                        van het functiedeel van de</al><al>schaal heeft bereikt. Vervolgens is op hem de gewone periodiekregeling van
                        het uitloopdeel van toepassing.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>De ambtenaar genoemd in artikel 10, lid 2,
                        groeit naar het maximum van de schaal met een periodiek van één</al><al>regelnummer per jaar. Vervolgens groeit de ambtenaar door naar zijn
                        salarisperspectief met een periodieke</al><al>verhoging van één regelnummer per twee jaar.</al><al>Bezoldigingsverordening</al><al><cursief>Artikel 12</cursief></al><al>Daar waar in deze regeling niet is voorzien, is de lokale
                        bezoldigingsregeling van toepassing.</al><al><vet><cursief>Salarisschalen kunstzinnige vorming per 1 juni
                            2008</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Bijlage IVb Reglement benoembaarheidseisen kunstzinnige
                                vorming</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 1</cursief></al><al>Ambtenaren, die aan een instelling een van de in artikel 3 vermelde functies
                        uitoefenen, zijn in dienst op basis</al><al>van een schriftelijke aanstelling en voldoen, onverminderd het bepaalde in
                        artikel 5, aan een van de achter de</al><al>desbetreffende functie vermelde benoembaarheidseisen.</al><al><cursief>Artikel 2</cursief></al><al>Voor hetgeen hieronder is bepaald worden als één type instrument
                        beschouwd:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>koperen blaasinstrumenten, voor wat betreft
                        het type:</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>trompet: de trompet, de cornet/piston en de
                        bugel;</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>hoorn: de hoorn, de waldhoorn, de cor
                        (stellahoorn), de althoorn en de mellofoon;</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>trombone: de schuiftrombone;</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>tuba: de bastuba, de bariton-/tenortuba en
                        de ventieltrombone;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>houten blaasinstrumenten, voor wat betreft
                        het type:</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>fluit: de piccolo, de dwarsfluit, de
                        altfluit en de basfluit;</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>blokfluit: de sopranino, de
                        sopraan-blokfluit, de alt-, de tenor-, de bas- en de dubbelbasfluit;</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>hobo: de hobo, de hobo d'amore, de althobo
                        (Engelse hoorn);</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>klarinet: de es-klarinet, de bas-, de a- en
                        de c-klarinet, de altklarinet, de bassethoorn, de basklarinet en de</al><al>contrabasklarinet;</al><al><vet><cursief>5. </cursief></vet>saxofoon: de sopranino, de sopraan-, de
                        alt-, de tenor-, de bariton- en de bassaxifoon;</al><al><vet><cursief>6. </cursief></vet>fagot: de fagot en de contrafagot</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>slaginstrumenten, voor wat betreft het type
                        slagwerk: alle slaginstrumenten.</al><al><cursief>Artikel 3</cursief></al><al>De in artikel 1 bedoelde functies, respectievelijk benoembaarheidseisen zijn
                        de volgende:</al><al><cursief>I Docenten</cursief></al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>docent algemene muzikale vorming (ook in
                        samenhang met voorbereidend instrumentaal</al><al>onderwijs)kinderkoor, Akte muziekonderwijs A, algemene muzikale vorming, of
                        akte muziekonderwijs B,</al><al>schoolmuziek, behaald via een van rijkswege erkende muziekvakopleiding of
                        via een staatsexamen.</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>docent gespecialiseerde
                        instrumentale/vocale vorming</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>Les geven in een type van instrumenten,
                        tevens het leiden van homogene leerensembles aansluitend bij de</al><al>instrumentale vakgebieden waarin men benoembaar is</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Diploma's C1 of C2, akte muziekonderwijs A
                        of B, of diploma Docerend Musicus (instrumentaal of</al><al>vocaal), behaald via een van rijkswege erkende muziek-vakopleiding of via
                        een staatsexamen.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Diploma solospel/solozang of orkestspel met
                        aantekening onderwijsbevoegdheid, of diploma</al><al>Uitvoerend Musicus (instrumentaal of vocaal) met aantekening
                        onderwijsbevoegdheid, behaald via een</al><al>van rijkswege erkende muziekvakopleiding of via een staatsexamen.</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>Les en leiding geven aan heterogene
                        ensembles in de beginfase van het instrumentaal onderwijs (indicatie:</al><al>leerjaren 1, 2 en 3)</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>3 Eén van de onder a genoemde diploma's,
                        aangevuld met een via een van rijkswege erkende</al><al>muziek-vakopleiding afgeronde studiemodule leiding heterogeen samenspel voor
                        de beginfase</al><al>instrumentaal onderwijs of een applicatiecursus volgens een door de
                        inspectie aanvaarde opzet van</al><al>leerplan, eindtoets en docenten.</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>Les en leiding geven aan heterogene
                        ensembles in de vervolgfasen van het instrumentaal onderwijs</al><al>(indicatie: vanaf leerjaar 4)</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>4 Ensembles bestaande uit blaasinstrumenten
                        en slagwerk:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>einddiploma orkestdirectie of einddiploma
                        harmonie- en fanfaredirectie</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>één van de onder a. genoemde diploma's voor
                        een blaasinstrument of slagwerk- of het diploma</al><al>schoolmuziek, mits gecombineerd met het praktijkdiploma harmonie- en
                        fanfaredirectie of een</al><al>afgeronde applicatiecursus volgens door inspectie aanvaarde opzet van
                        leerplan, eindtoets en</al><al>docenten.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>5 Ensembles met strijkers, blazers en
                        slagwerk, eventueel aangevuld met andere instrumenten:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>einddiploma orkestdirectie</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>één van de onder a. genoemde diploma's voor
                        strijkinstrument, blaasinstrument of slagwerk of het</al><al>diploma schoolmuziek, mits gecombineerd met het praktijkdiploma
                        orkestdirectie of een afgeronde</al><al>applicatiecursus volgens door inspectie aanvaarde opzet van leerplan,
                        eindtoets en docenten.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>6 Ensembles/workshops pop en jazz:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>één van de onder a. genoemde diploma's voor
                        een instrumentaal hoofdvak in de lichte muziek</al><al>inclusief de studiemodule leiding ensemble/workshop pop/jazz of een
                        afgeronde applicatiecursus</al><al>volgens door inspectie aanvaarde opzet van leerplan, eindtoets en
                        docenten,</al><al><vet><cursief>d. </cursief></vet>Les en leiding geven aan vocale
                        ensembles</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>7 Einddiploma koordirectie of een van de
                        onder A en onder B ad a genoemde diploma's voor algemene</al><al>muzikale vorming, schoolmuziek of solozang, mits gecombineerd met het
                        praktijkdiploma koordirectie</al><al>of een afgeronde applicatiecursus volgens door inspectie aanvaarde opzet van
                        leerplan, eindtoets en</al><al>docenten.</al><al>AANVULLINGEN BENOEMBAARBEIDSEISEN DOCENTEN MUZIEK</al><al>Wereldmuziek</al><al>Diploma Docerend Musicus via een van rijkswege erkende muziekvakopleiding of
                        het certificaat van de door</al><al>de inspectie aanvaarde applicatiecursus pedagogisch-didactische bijscholing
                        wereldmuziekdocent. Bij toelating</al><al>tot deze cursus dient men een voldoende professioneel speelniveau aan te
                        tonen (vergelijkbaar met niveau</al><al>DM/musicus 1e fase).</al><al>Keyboards</al><al>In het belang van kwalitatief verantwoord keyboardonderwijs komt per 1
                        augustus 1996 de regeling van</al><al>beperkte ontheffing voor het geven van keyboardlessen door benoembare
                        piano-, orgel-, accordeon- en</al><al>elektrisch orgeldocenten te vervallen; deze beperkte ontheffing betrof het
                        lesgeven gedurende de eerste 2</al><al>leerjaren van de opleiding op het zogenaamde homekeyboard. Per 1 augustus
                        1996 treedt de volgende regeling</al><al>met betrekking tot de benoembaarheid van docenten keyboard in werking:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>Een docent is benoembaar indien hij het
                        diploma DM voor het vakgebied keyboard heeft behaald of de</al><al>volledige bijscholingscursus keyboard met goed gevolg heeft afgesloten.</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>Benoembare piano-, orgel-, accordeon- en
                        elektrisch orgeldocenten die hun lespraktijk keyboard gedurende</al><al>de eerste 2 leerjaren van de opleiding willen voortzetten maar niet zijn
                        afgestudeerd op dit vakgebied, zijn</al><al>in principe verplicht tot een door de inspectie goedgekeurde korte en
                        specifiek op deze beginfase gerichte</al><al>bijscholing.</al><al>Met als peildatum 1 augustus 1996 worden daarbij de volgende
                        leeftijdscriteria gehanteerd:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De leeftijdsgroep tot 35 jaar dient alsnog
                        de volledige vakopleiding te doen.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De leeftijdsgroep van 35 tot 50 jaar is
                        verplicht de door de inspectie goedgekeurde korte bijscholingscursus</al><al>te volgen en af te sluiten met het behalen van het certificaat; dit
                        certificaat leidt tot beperkte benoembaarheid</al><al>(beginfase keyboardonderwijs).</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De leeftijdsgroep van 50 jaar en ouder kan
                        in aanmerking komen voor een permanente ontheffing met</al><al>betrekking tot het lesgeven in de beginfase van de keyboardopleiding mits
                        aan de volgende voorwaarden</al><al>wordt voldaan:</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>De directeur van de muziekschool geeft een
                        positieve en ondersteunende verklaring af met betrekking tot</al><al>de vakbekwaamheid van de betreffende docent ten aanzien van het vakgebied
                        keyboard.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Binnen de docentenformatie van de
                        muziekschool is een volledig benoembare (dus vakopgeleide) docent</al><al>keyboard aanwezig, die verantwoordelijk is voor de coaching van de
                        betreffende docent voor kwalitatief</al><al>verantwoord keyboardonderwijs.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Er wordt gewerkt volgens een in het
                        vakwerkplan keyboard uitgewerkte methodische opzet voor de</al><al>beginfase van de keyboardopleiding.</al><al>Klassieke muziek - lichte muziek</al><al>Aangezien in de beginfase 'genrevrij' instrumentaal onderwijs wordt beoogd
                        (NB: de leerling maakt kennis met</al><al>de verschillende genres van muziekbeoefening) is iedere docent in de A-fase
                        benoembaar voor zowel klassieke</al><al>als lichte muziek; in dit verband is voor de zittende docenten bijscholing
                        (bijvoorbeeld: Methodiek voor</al><al>auditieve basisvorming) zeer wenselijk, indien de muzikale toepassing van
                        het instrument hiertoe aanleiding</al><al>geeft.</al><al>Voor de vervolgfase en de gevorderde niveaus (B-, C- en D-fase) is sprake
                        van een door de</al><al>muziek-vakopleiding gespecialiseerde docent klassieke of lichte muziek. Bij
                        solozang en typische</al><al>pop/jazz-instrumenten (bijvoorbeeld elektrische gitaar) wordt dit
                        onderscheid vanaf de beginfase gemaakt.</al><al>Overige applicatiecursussen</al><al>Een applicatiecursus is altijd aanvullend op een voltooide
                        muziek-vakopleiding (diploma's AMV,</al><al>schoolmuziek, DM, UM, Cl of C2, onderwijsakte A of B, solospel/ solozang,
                        orkestspel); de beoogde</al><al>verbreding van lesmogelijkheden van de docent wordt door de inspectie
                        goedgekeurd na aanvaarding van</al><al>leerplan, eindtoets en docenten van de betreffende applicatiecursus
                        (bijvoorbeeld de cursus Muziek op schoot).</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>c benoembaarheidseisen docenten dans</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Diploma pedagoog op het gebied van de
                        danskunst, behaald via de staatsexamens voor de danskunst.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Een diploma danspedagoog van een van
                        rijkswege erkende instelling voor dansvakonderwijs, mits</al><al>afgegeven voor 1 augustus 1968.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Diploma docent dans van een van rijkswege
                        erkende instelling voor dansvakonderwijs mits afgegeven na</al><al>1 augustus 1968.</al><al>Alle bovengenoemde diploma's leiden alleen tot benoembaarheid voor de
                        vakgebieden waarin men zich tijdens</al><al>de opleiding heeft gespecialiseerd.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>docent beeldende kunst funderende
                        activiteiten</al><al>Voor een kunstenaar-docent die funderende activiteiten verzorgt geldt naast
                        de onder E-1 en E-2 genoemde</al><al>eis dat diegene inzichten verbaal over moet kunnen dragen. Een diploma van
                        een door de LSK erkende</al><al>pedagogisch/didactische scholing is voor kunstenaar-docenten die funderende
                        activiteiten geven noodzakelijk;</al><al>hiervan wordt alleen afgeweken als er reeds gelijkwaardige leservaring is
                        opgebouwd en werkplannen gemaakt</al><al>zijn.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>e docent gespecialiseerde activiteiten
                        beeldende kunst</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Diploma van een academie voor beeldende
                        kunsten aangevuld met een diploma van een door</al><al>de LSK erkende pedagogisch/didactische scholing. De activiteiten moeten
                        samenhangen met de</al><al>kunstenaarspraktijk van de afgelopen vijf jaar c.q. met de vakrichting op
                        het diploma.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Akte MO B-tekenen, staatsdiploma
                        handvaardigheid B, het diploma van dele graadsopleiding tekenen,</al><al>handvaardigheid of textiele werkvormen. De activiteiten moeten samenhangen
                        met de kunstenaarspraktijk</al><al>van de afgelopen vijf jaar c.q. met de vakrichting op het diploma.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Computervormgeving gerelateerd aan
                        beeldende middelen valt onder de beeldende discipline. Vereist is</al><al>een diploma van het kunstvakonderwijs aan een academie die vermeld staat op
                        de actuele lijst van door</al><al>de inspectie kv/ak voor het werkveld en het betreffende vakgebied erkende
                        afdeling, aangevuld met een</al><al>diploma van een door de LSK erkende pedagogisch/didactische scholing.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Voor vakgebieden die ook buiten het
                        kunstvakonderwijs gegeven worden zoals architectuur, stedebouw,</al><al>tuin- en landschapsarchitectuur is een vakopleiding op minimaal hbo-niveau
                        vereist waarin de</al><al>vormgevingskant de belangrijkste component is, aangevuld met een diploma van
                        een door de LSK</al><al>erkende pedagogisch/didactische scholing.</al><al><vet><cursief>5. </cursief></vet>Receptieve vorming op het gebied van
                        kunstgeschiedenis en kunstbeschouwing: Doctoraal examen</al><al>kunstgeschiedenis met bewijs van pedagogisch-didactische voorbereiding of
                        een eerstegraads</al><al>docentenopleiding beeldend.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>f docent audiovisuele media, funderende
                        activiteiten</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Voor een kunstenaar-docent die funderende
                        activiteiten verzorgt, geldt naast de onder G-1 genoemde eis</al><al>dat de diegene de verschillende vakgebieden in de opleiding minimaal twee
                        jaar moet hebben gevolgd.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>g docent audiovisuele media,
                        gespecialiseerde activiteiten</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Diploma van een kunstvakopleiding die
                        vermeld staat op de actuele lijst van door de inspectie kv/ak</al><al>voor het werkveld en het betreffende vakgebied erkende afdeling, aangevuld
                        met het diploma van een</al><al>door de LSK erkende pedagogisch/didactische scholing AV. Voor de
                        docentenvariant van de Filmen</al><al>Televisieacademie te Amsterdam geldt deze eis niet. De activiteiten moeten
                        samenhangen met de beroepsc.</al><al>q.kunstenaarspraktijk qua medium en genre c.q. met de afstudeerrichting op
                        het diploma.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Computervormgeving gerelateerd aan
                        audiovisuele middelen valt onder de audiovisuele discipline.</al><al>Vereist is een diploma van een kunstvakopleiding die vermeld staat op de
                        actuele lijst van door de</al><al>inspectie kv/ak voor het werkveld en het betreffende vakgebied erkende
                        afdeling. Computervormgeving</al><al>vanuit de fotografie kan via een adequate bijscholing na een
                        kunstvakopleiding zoals genoemd in G-1 tot</al><al>een vakbekwaamheid leiden. Voor beide vakgebieden geldt: aangevuld met een
                        diploma van een door de</al><al>LSK erkende pedagogisch/didactische scholing. De activiteiten moeten
                        bovendien samenhangen met de</al><al>beroeps- c.q. kunstenaarspraktijk c.q. met de afstudeerrichting op het
                        diploma.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Doctoraal examen in een relevant vak met
                        als bijvak film plus bewijs van pedagogisch-didactische</al><al>voorbereiding leidt tot een benoembaarheid uitsluitend voor de receptieve
                        filmvorming.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Voor mixed media dient de kunstenaar-docent
                        een uitvoerende kunstpraktijk met mixed-media te hebben</al><al>naast een afgeronde kunstvakopleiding in een van de gebruikte disciplines.
                        Daarnaast is een diploma van</al><al>een door de LSK erkende pedagogisch/didactische scholing AV vereist.</al><al>Lijst 1994 van erkende afdelingen van kunstvakopleidingen voor het
                        werkveld</al><al>fotografie</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de Rietveldacademie in Amsterdam,
                        afstudeerrichting fotografie</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Academie St. ]oost in Breda,
                        afstudeerrichting fotografie</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Film- en Televisieacademie in Amsterdam,
                        docentenvariant</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Academie voor beeldende kunst in Tilburg,
                        afstudeerrichting av met als specialisatie fotografie of mixed</al><al>media waarin fotografie één van de media is.</al><al>video</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Film- en Televisieacademie in Amsterdam</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Rietveldacademie in Amsterdam,
                        afstudeerrichting film</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Academie St. Joost in Breda,
                        afstudeerrichting programmamaker computervormgeving</al><al>Faculteit Kunst, Media en Technologie in Hilversum</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>h docent drama</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Diploma docent drama van een van rijkswege
                        erkende opleiding tot docent drama in het Hoger Sociaal</al><al>Agogisch onderwijs.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Diploma Toneelschool voordrachtkunst, mits
                        afgegeven voor 1 augustus 1968, met bewijs van</al><al>pedagogisch-didactische voorbereiding.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Diploma docent drama van het
                        Theateronderwijs als onderdeel van het kunstvakonderwijs.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Diploma docent mime van het
                        Theateronderwijs als onderdeel van het kunstvakonderwijs.</al><al><vet><cursief>5. </cursief></vet>Doctoraal examen dramaturgie met bewijs van
                        pedagogisch-didactische voorbereiding (alleen voor de</al><al>receptieve vorming).</al><al><vet><cursief>6. </cursief></vet>Doctoraal examen in een andere
                        studierichting met als bijvak dramaturgie met bewijs van</al><al>pedagogisch-didactische voorbereiding (alleen voor de receptieve
                        vorming).</al><al>Alle bovengenoemde diploma's leiden alleen tot benoembaarheid voor de
                        vakgebieden waarin men zich tijdens</al><al>de opleiding heeft gespecialiseerd.</al><al>Toelichting bij 1, 3 en 4</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>1 Hogeschool Eindhoven, studierichting
                        docent drama; Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, opleiding</al><al>docent drama; Christelijke Hogeschool voor de Kunsten Constantijn Huygens
                        Kampen, opleiding docent</al><al>drama.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>3 Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten,
                        Theaterschool, studierichting docent drama; Hogeschool</al><al>voor de kunsten Arnhem, studierichting docent drama; Rijkshogeschool
                        Maastricht, Toneelacademie,</al><al>studierichting docent drama; Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, faculteit
                        Theater, studierichting docent</al><al>drama.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>4 Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten,
                        Theaterschool, studierichting docent mime.</al><al><cursief>I docent literaire vorming</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>voor taaldrukken</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>benoembaar als docent drama met certificaat
                        bijscholing taaldrukken;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>benoembaar als docent binnen het beeldende
                        gebied met certificaat bijscholing taaldrukken;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>docent tweede graads Nederlands (minimaal)
                        met certificaat bijscholing taaldrukken.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>voor taalexpressie</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>tweede graads Nederlands (minimaal) met
                        pedagogisch-didactische aantekening.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>voor schrijven</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>tweede graads Nederlands (minimaal) met
                        pedagogisch-didactische aantekening en een bewijs van</al><al>vaardigheid in eigen produktie. Bewijzen voor de vaardigheid in eigen
                        produktie dienen ter beoordeling</al><al>voorgelegd te worden aan de inspectie.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>voor leesbevordering</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>eerste graads Nederlands met
                        pedagogisch-didactische aantekening.</al><al><vet><cursief>5. </cursief></vet>voor literatuurbeschouwing</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>eerste graads Nederlands met
                        pedagogisch-didactische aantekening;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>eerste graads algemene literatuurwetenschap
                        met pedagogisch-didactische aantekening;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>eerste graads letterkunde in één der moderne
                        talen met pedagogisch-didactische aantekening;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>eerste graads literaire specialisatie binnen
                        Algemene Letteren met pedagogisch-didactische aantekening.</al><al><cursief>II Consulent die de steunfunctie uitoefent</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Voor de uitoefening van de steunfunctie op
                        het gebied van de muzikale vorming: een van de onder IA of</al><al>IB genoemde benoembaarheidseisen plus een ervaring van een jaar in de
                        desbetreffende discipline met een</al><al>minimum van 100 klokuren les. Binnen het kader van de steunverlening dienen
                        de werkzaamheden van de</al><al>bezitter van de onderwijsakte Algemene Muzikale Vorming beperkt te blijven
                        tot het basisonderwijs. De</al><al>steunverlening moet zoveel mogelijk samenhangen met het vak of het
                        onderdeel, waarin men zich tijdens de</al><al>opleiding heeft gespecialiseerd, respectievelijk het staatsexamen heeft
                        behaald.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Voor de uitoefening van de steunfunctie op
                        het gebied van de dansante, beeldende, audiovisuele of</al><al>dramatische vorming: een van de onder IC, ID, IE, IF of IG genoemde
                        benoembaarheidseisen, plus een</al><al>ervaring van twee jaar in een instelling voor kunstzinnige vorming (minimaal
                        100 klokuren leservaring) in</al><al>de desbetreffende discipline, plus kennis van het te ondersteunen werkveld
                        (bij voorkeur opgedaan via een</al><al>ervaring van 100 klokuren).</al><al>Binnen het kader van de steunverlening op het beeldende gebied is de docent,
                        die voldoet aan een van de onder</al><al>D2 genoemde eisen beperkt tot het basisonderwijs. De steunverlening moet
                        zoveel mogelijk samenhangen met</al><al>het vak of onderdeel, waarin men zich tijdens de opleiding heeft
                        gespecialiseerd.</al><al><cursief>III Balletbegeleider</cursief></al><al>Instrumentaal begeleiden van lessen, cursussen en projecten, alsmede van
                        elementen van de steunfunctie op het</al><al>terrein van de dans.</al><al><cursief>IV Directie</cursief></al><al>De inhoudelijke leiding moet per discipline geregeld zijn. Zij kan worden
                        ondergebracht op verschillende</al><al>functieniveaus zoals directie-, adjunctdirectie en
                        afdelingshoofdniveau.</al><al><cursief>Artikel 4</cursief></al><al>Van de docenten, bedoeld in artikel 3, onder IA, IB en IC zijn:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>A-bevoegd: degene die in het bezit is van
                        het A-diploma;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>B-bevoegd: degene die in het bezit is van
                        het diploma uitvoerend musicus;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>Z-bevoegd: degene die in het bezit is van
                        het diploma docerend musicus.</al><al><cursief>Artikel 5</cursief></al><al>Indien aan te trekken docenten niet aan de benoembaarheidseisen voldoen,
                        maar kwalitatief wel een adequaat</al><al>niveau bereikt hebben, moeten zij bij de Stichting een
                        benoembaarheidsverklaring aanvragen. De inspecteur</al><al>wiens/wier discipline het betreft, beoordeelt het niveau van de aan te
                        trekken docent en brengt hierover advies</al><al>uit aan het bestuur van de Stichting, dat de beslissing neemt.</al><al>Het bestuur zal daarna een benoembaarheidsverklaring verlenen of de aanvraag
                        afwijzen. De aanvrager krijgt</al><al>binnen vier weken na de beoordeling bericht over de beslissing.</al><al>In het geval van afwijzing kan de aanvrager binnen een maand in beroep gaan
                        bij de commissie beroepszaken</al><al>van de Landelijke Stichting Kwaliteitsbewaking.</al><al><vet><cursief>Bijlage V Aanvullende rechtspositieregeling voor de ambtenaar
                                behorend tot het onderwijzend personeel in</cursief></vet></al><al><vet><cursief>de Kunstzinnige vorming</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 1</cursief></al><al>In aanvulling op artikel 2.4.1 kan in de gevallen bedoeld in artikel 2 van
                        bijlage IV van de CAR, de tijdelijke</al><al>aanstelling duren ten hoogste tot de eerste dag waarop de feitelijke
                        grondslag van de tijdelijke aanstelling komt</al><al>te vervallen.</al><al><cursief>Artikel 2</cursief></al><al>In aanvulling op artikel 15:1:6 is de ambtenaar verplicht de omvang van zijn
                        gehonoreerde nevenfuncties en</al><al>gehonoreerde nevenwerkzaamheden, alsmede de wijzigingen daarin aan het
                        college te melden.</al><al><vet><cursief>Bijlage Va Afvloeiingsreglement ten behoeve van docenten,
                                consulenten en balletbegeleiders werkzaam in de</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Kunstzinnige Vorming</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 1</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>In dit afvloeiingsreglement wordt verstaan
                        onder:</al><al>Afvloeiing: urenvermindering danwel ontslag;</al><al>Vakgebied:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de discipline waarin de ambtenaar zijn/haar
                        werkzaamheden verricht, danwel</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>de discipline waarin
                        steunfunctie-activiteiten worden verzorgd en</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>werkveld waarop de
                        steunfunctie-activiteiten zich richten.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Voor de overige gehanteerde begrippen is
                        artikel 1:1 van de CAR van toepassing.</al><al><cursief>Artikel 2</cursief></al><al>Indien binnen een vakgebied minder klokuren les en/of taakuren beschikbaar
                        zijn dan in het voorafgaande</al><al>cursusjaar wordt de volgorde bij het doen verminderen van de functie-omvang
                        danwel ontslag vastgesteld</al><al>binnen het betreffende vakgebied, met inachtneming van het hierna
                        bepaalde.</al><al><cursief>Artikel 3</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>De afvloeiing van ambtenaren die een
                        aanstelling voor onbepaalde tijd hebben, vindt slechts plaats voorzover</al><al>de overtolligheid niet kan worden opgeheven door aanstellingen voor bepaalde
                        tijd niet te verlengen.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Afvloeiing vindt in de onderstaande
                        volgorde plaats:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>klokuren les en/of taakuren die uitgaan
                        boven 32 klokuren met dien verstande dat het bepaald in artikel 11</al><al>van bijlage IV van de CAR van overeenkomstige toepassing is;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>klokuren les en/of taakuren tussen 26 en 32
                        klokuren, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 11</al><al>van bijlage IV van de CAR van overeenkomstige toepassing is;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>overige klokuren en/of taakuren.</al><al><cursief>Artikel 4</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Binnen de in artikel 3, leden 1 en 2
                        genoemde categorieën wordt de volgorde van afvloeiing bepaald door</al><al>de diensttijd die de desbetreffende ambtenaren hebben doorgebracht in een
                        betrekking bij de overheid. De</al><al>ambtenaar met de minste diensttijd gaat voor in de afvloeiing.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Bij samenloop van binnen de diensttijd
                        vallende betrekkingen telt de daarin doorgebrachte diensttijd slechts</al><al>eenmaal mee. De omvang van de betrekking is niet relevant voor het bepalen
                        van de diensttijd.</al><al><cursief>Artikel 5</cursief></al><al>Indien in het vakgebied afvloeiing noodzakelijk is, wordt van de volgorde
                        als bedoeld in de artikelen 3 en</al><al>4 afgeweken indien een of meer betrokken ambtenaren voor afvloeiing van
                        klokuren les en/of taakuren in</al><al>aanmerking wensen te komen. Daarbij gaan ouderen voor jongeren.</al><al><cursief>Artikel 6</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Wanneer het in het belang van het
                        dienstonderdeel kennelijk is vereist, kan het bestuursorgaan van de</al><al>hiervoor aangegeven volgorde afwijken.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Een afwijking als bedoeld in lid 1 is
                        slechts mogelijk op basis van een plan; over een zodanig plan wordt</al><al>overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid van de
                        CAR. Daarna wordt het aan de</al><al>betrokken ambtenaren meegedeeld.</al><al><cursief>Artikel 7</cursief></al><al>Dit reglement kan alleen gewijzigd of ingetrokken worden na overleg met de
                        commissie bedoeld in artikel 12:1,</al><al>tweede lid van de CAR.</al><al><vet><cursief>Bijlage VI Vergoedingsregeling vrijwilligers bij de
                                gemeentelijke brandweer</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 1</cursief></al><al>Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder 'vrijwilliger':
                        vrijwilliger in de zin van de</al><al>Rechtspositieregeling vrijwilligers bij de gemeentelijke brandweer.</al><al><cursief>Artikel 2</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>De vrijwilliger geniet per kalenderjaar een
                        vaste vergoeding, welke na afloop van elk kalenderjaar zo spoedig</al><al>mogelijk wordt uitbetaald.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>De vaste vergoeding wordt vastgesteld op
                        het bedrag, dat in tabel 1 is vermeld achter de door de vrijwilliger</al><al>beklede rang.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>In de vaste vergoeding is een bedrag
                        begrepen ter vergoeding van onkosten die worden gemaakt in verband</al><al>met de beroepsuitoefening. Deze vergoeding bedraagt € 136,-[1] per
                        jaar.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>In de vergoeding ten behoeve van officieren
                        is tevens een onkostenvergoeding begrepen van € 2,- [2] per</al><al>in het kader van de beroepsuitoefening verrichte activiteit, niet zijnde een
                        activiteit als bedoeld in artikel 3,</al><al>tweede lid.</al><al><cursief>Artikel 3</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>De vrijwilliger beneden de rang van
                        adjunct-hoofdbrandmeester - met uitzondering van de brandmeester die</al><al>tevens ondercommandant is - die, na een door of vanwege de burgemeester
                        ontvangen oproep, deelneemt aan</al><al>de oefening, of die de lessen van een voor zijn betrekking voorgeschreven
                        cursus volgt, heeft recht op een</al><al>vergoeding.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>De vrijwilliger die na daartoe te zijn
                        opgeroepen, werkelijke dienst verricht in verband met brandbestrijding</al><al>of andere hulpverleningen, heeft recht op een vergoeding.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>De vergoeding, bedoeld in het eerste lid
                        onderscheidenlijk de vergoeding bedoeld in het tweede lid wordt</al><al>vastgesteld op het per uur uitgedrukt bedrag, dat in kolom 2
                        onderscheidenlijk in kolom 3 van tabel 1 is</al><al>vermeld achter de door de vrijwilliger beklede rang.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>In de vergoeding bedoeld in dit artikel is
                        een onkostenvergoeding begrepen van € 2,- [2] per in het kader van</al><al>de beroepsuitoefening verrichte activiteit.</al><al><cursief>Artikel 4</cursief></al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>De algemene salarismutaties voor de sector
                        gemeenten zoals die in het LOGA worden overeengekomen zijn</al><al>wat betreft het percentage en de ingangsdatum van overeenkomstige toepassing
                        op de bedragen genoemd in</al><al>artikel 2, tweede lid en artikel 3, derde lid.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>De overeenkomstig het vorige lid berekende
                        vaste vergoedingen worden afgerond op het dichtstbijzijnde</al><al>veelvoud van vijf euro en de uurvergoedingen op het dichtstbijzijnde
                        veelvoud van vijf eurocent.</al><al><cursief>Artikel 5</cursief></al><al>Het college kan een vergoedingsregeling vaststellen voor het verrichten van
                        wacht-, consignatie- en</al><al>bewakingsdiensten door de vrijwilliger.</al><al><cursief>Artikel 6</cursief></al><al>Het college kan in bijzondere gevallen aan de vrijwilliger een vergoeding
                        voor derving van loon of inkomsten</al><al>toekennen wegens het verrichten van de in artikel 3, eerste en tweede lid,
                        bedoelde brandweerdienst.</al><al><cursief>Artikel 7</cursief></al><al>Indien de vrijwilliger met toepassing van deze regeling een lagere vaste
                        vergoeding zou ontvangen dan hij</al><al>ontving op grond van de oude verordening, blijft het laatstbedoelde bedrag
                        voor hem van toepassing.</al><al><cursief>Vergoedingentabel betreffende de vrijwilligers bij de gemeentelijke
                            brandweer per 1 juni 2008</cursief></al><al>In deze bijlage is de tabel opgenomen die uitsluitend geldt voor de zeer
                        beperkte categorie vrijwilligers</al><al>bij de brandweer voor wie de vergoedingen tot het inkomen in de zin van het
                        Pensioenreglement worden</al><al>gerekend. Het gaat hierbij om personen die vóór 1 januari 1980 een
                        aanstelling hadden als vrijwilliger bij</al><al>de gemeentelijke brandweer. Onder bepaalde voorwaarden vielen zij onder de
                        werking van de Algemene</al><al>Burgerlijke Pensioenwet (ABP-wet). Op 1 januari 1980 is de regeling op dit
                        punt gewijzigd en zijn vrijwilligers</al><al>bij de gemeentelijke brandweer uitgesloten van het ambtenaarschap in de zin
                        van de ABP. Bij de wijziging in</al><al>1980 is een overgangsmaatregel getroffen. Deze hield in dat vrijwilligers
                        die op 31 december 1979 al ambtenaar</al><al>waren, het ambtenaarschap behielden zolang zij in dezelfde dienstverhouding
                        werkzaam bleven. Op grond van</al><al>deze overgangsbepaling zijn er nu nog vrijwilligers bij de brandweer die
                        overheidswerknemer zijn en pensioen</al><al>opbouwen bij het ABP. Degenen die na 1 januari 1980 zijn aangesteld, zijn
                        per definitie geen ABP-deelnemer.</al><al>Voor hen is deze bijlage niet van belang, maar geldt de “Vergoedingentabel
                        betreffende de vrijwilligers bij de</al><al>gemeentelijke brandweer per 1 februari 2007”. <vet>[1]</vet></al><al><vet><cursief>bijlage VIIa</cursief></vet></al><al>Tabel betreffende toelage onregelmatige dienst ambulancepersoneel per 1 juni
                        2008</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Tijdstip</al></entry><entry colname="col2"><al>vergoeding per uur</al><al>(euro's)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>maandag t/m vrijdag</al><al>tussen 06.00 en 08.00</al><al>uur, mits de dienst voor</al><al>07.00 uur aanvangt</al></entry><entry colname="col2"><al>3,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>maandag t/m vrijdag</al><al>tussen 18.00 en 22.00</al><al>uur, mits de dienst wordt</al><al>beëindigd na 19.00 uur</al></entry><entry colname="col2"><al>3,24</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>maandag t/m vrijdag</al><al>tussen 22.00 en 06.00 uur</al></entry><entry colname="col2"><al>6,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zaterdag tussen</al><al>00.00-24.00 uur</al></entry><entry colname="col2"><al>6,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zondag of feestdag tussen</al><al>00.00-24.00 uur</al></entry><entry colname="col2"><al>10,54</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De vergoedingsbedragen zijn inclusief vakantietoeslag.</al><al><vet><cursief>bijlage VIIb, Vergoedingentabel betreffende
                                bereikbaarheidsdienst ambulancepersoneel per 1 februari
                                2002</cursief></vet></al><al>Vergoedingentabel betreffende bereikbaarheidsdienst ambulancepersoneel per 1
                        juni 2008</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Tijdstip</al></entry><entry colname="col2"><al>vergoeding per uur</al><al>(euro's)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>maandag t/m vrijdag van</al><al>17.00 tot 08.00 uur</al></entry><entry colname="col2"><al>1,54</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zaterdag, zondag of</al><al>feestdag</al></entry><entry colname="col2"><al>2,98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Vergoedingentabel betreffende bereikbaarheidsdienst ambulancepersoneel per 1
                        februari 2007</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Tijdstip</al></entry><entry colname="col2"><al>vergoeding per uur</al><al>(euro's)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>maandag t/m vrijdag van</al><al>17.00 tot 08.00 uur</al></entry><entry colname="col2"><al>1,48</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>zaterdag, zondag of</al><al>feestdag</al></entry><entry colname="col2"><al>2,86</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet><cursief>Toelichting op de CAR/UWO</cursief></vet></al><al>Deze toelichting is nog niet aangepast aan de laatste wijzigingen.</al><al><vet>1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 1:1</cursief></vet></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Het eerste lid geeft onder a een begripsomschrijving van de term
                        'ambtenaar', zoals deze voor de toepassing van</al><al>de CAR/UWO geldt. Uit de gekozen terminologie blijkt dat er aansluiting is
                        gezocht bij artikel 1, lid 1, van de</al><al>Ambtenarenwet. Toegevoegd aan het begrip ambtenaar volgens de Ambtenarenwet
                        zijn de woorden 'door of</al><al>vanwege de gemeente'.</al><al>Hoewel de burgemeester ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet is de
                        CAR/UWO niet op hem van</al><al>toepassing. Een burgemeester wordt immers benoemd door de Kroon en dus niet
                        door of vanwege de gemeente.</al><al>De rechtspositie van de burgemeester is geregeld in het Rechtspositiebesluit
                        burgemeesters 1994 (KB. van 15</al><al>juni 1994, Stb. 462).</al><al>De wethouder is geen ambtenaar in de zin van de CAR/UWO of de Ambtenarenwet.
                        Behalve in de</al><al>Gemeentewet is zijn rechtspositie geregeld in de Algemene pensioenwet
                        politieke ambtsdragers en in het</al><al>Rechtspositiebesluit wethouders (KB van 22 maart 1994, Stb. 243). Omdat er
                        tussen de wethouder en de</al><al>gemeente geen gezagsverhouding werkgever/werknemer bestaat, is er geen
                        sprake van een dienstbetrekking.</al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Hoewel de pensioenwet per 1 januari 1996 is vervallen en vervangen door een
                        privaat pensioenreglement, blijft</al><al>niettemin de vermelding van de pensioenwet noodzakelijk. Dit met het oog op
                        bijvoorbeeld de vaststelling van</al><al>voor pensioengeldige tijd in het kader van de wachtgeldregeling (hoofdstuk
                        10 van de CAR).</al><al><cursief>Onderdeel g en h</cursief></al><al>De feitelijke arbeidsduur per week kan gelijk zijn aan de formele
                        arbeidsduur per week, maar kan daar ook van</al><al>afwijken, indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die in artikel 4:1
                        (bandbreedte) is vastgelegd.</al><al><cursief>Onderdeel j en k</cursief></al><al>Een volledige betrekking heeft een arbeidsduur van ten hoogste 1836 uur per
                        jaar. In deze berekening zijn</al><al>meegenomen het aantal werkdagen verminderd met het aantal, niet jaarlijks op
                        zaterdag of zondag vallende,</al><al>feestdagen per jaar, gecorrigeerd met de kans dat zij periodiek op een
                        zaterdag of zondag vallen. Het gaat hier</al><al>gemiddeld om 5 6/7 dag per jaar. De in aanmerking genomen feestdagen zijn
                        Nieuwjaarsdag (gemiddeld per</al><al>jaar 5/7 dag), 2e paasdag (7/7), Koninginnedag (5/7), Hemelvaartsdag (7/7),
                        2e pinksterdag (7/7) en de beide</al><al>kerstdagen (10/7).</al><al>De berekening is dan als volgt: 365,25 dagen x 5/7 - 5 6/7 = 255 dagen. 255
                        x 7,2 uren (= 36 uren : 5) = 1836</al><al>uren.</al><al>Indien lokaal nog andere feestdagen zijn aangewezen (zoals bijvoorbeeld
                        bevrijdingsdag, goede vrijdag, 1 mei,</al><al>maar ook andere dagen zoals de biddag voor het gewas, carnavalsmaandag en/of
                        dinsdag, vrije dagen voor de</al><al>plaatselijke kermis etc.) moeten deze, op overeenkomstige wijze, in
                        mindering worden gebracht op de in dit lid</al><al>genoemde maximale arbeidsduur. De vermindering bedraagt 5/7 vermenigvuldigd
                        met 7,2 uur bij een feestdag</al><al>die elk jaar op een andere dag van de week valt en 7,2 uur bij een feestdag
                        die elk jaar op dezelfde dag van de</al><al>week valt, niet zijnde een zaterdag of zondag.</al><al>Een volledige betrekking kent een formele arbeidsduur van 36 uur per week.
                        Door gebruik te maken van de</al><al>mogelijkheden van het nieuwe artikel 4:1 (bandbreedte) kan de feitelijke
                        arbeidsduur in een bepaalde week</al><al>afwijken van de formele arbeidsduur.</al><al><cursief>Onderdeel n</cursief></al><al>De arbeidsduur kan in de vorm van werktijden zowel geheel worden vastgelegd
                        als ook gedeeltelijk. Indien de</al><al>werktijden gedeeltelijk zijn vastgelegd, spreekt men bijvoorbeeld van
                        bloktijden.</al><al><cursief>Onderdeel o</cursief></al><al>Als gevolg van de invoering van de 36-urige werkweek wordt het uurloon
                        gewijzigd van 1/165 gedeelte van het</al><al>salaris naar 1/156 gedeelte van het salaris. De berekening hiervoor luidt
                        als volgt:</al><al>36 x 52 weken : 12 maanden = 156 uur per maand.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:2</cursief></vet></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Niet als ambtenaar in de zin van CAR/UWO wordt beschouwd de vrijwilliger bij
                        de gemeentelijke brandweer.</al><al>De rechtspositie voor deze categorie is geregeld in hoofdstuk 19 van de UWO.
                        Het personeel van de</al><al>beroepsbrandweer is wel ambtenaar in de zin van CAR/UWO.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>De rechtspositie van het onderwijzend personeel bij een inrichting van
                        openbaar onderwijs is onder andere</al><al>geregeld in het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel. Grondslag voor dit
                        besluit ligt in de diverse</al><al>onderwijswetten.</al><al>Onderwijzend personeel bij het bijzonder onderwijs is op arbeidsovereenkomst
                        werkzaam bij die instellingen en</al><al>dus daarom al is de CAR/UWO niet op hen van toepassing. De gemeente treedt
                        hier immers niet als werkgever</al><al>op.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Het onderwijsondersteunend personeel is belanghebbende in de zin van het
                        Rechtspositiebesluit</al><al>onderwijspersoneel als het rechtstreeks bij de school is aangesteld. Wanneer
                        bijvoorbeeld een</al><al>schoolschoonmaker bij de gemeente is aangesteld, is de CAR/UWO onverkort van
                        toepassing.</al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Ook de ambtenaar van de burgerlijke stand, die als zodanig optreedt, is geen
                        ambtenaar in de zin van het CAR.</al><al>Wanneer het gaat om een ambtenaar die in hoofdfunctie bij de gemeente
                        werkzaam is, geldt de uitzondering</al><al>dus uitsluitend indien de ambtenaar - in nevenfunctie - functioneert in de
                        hoedanigheid van ambtenaar van de</al><al>burgerlijke stand.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:2:2</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2004 – 2005 hebben LOGA-partijen afspraken
                        gemaakt over de aanpak</al><al>van jeugdwerkloosheid. Door middel van het bieden van scholing en het laten
                        opdoen van werkervaring in</al><al>de gemeentelijke sector willen partijen zich inzetten om de
                        arbeidsmarktpositie van jonge werkzoekenden te</al><al>verbeteren. Eén van de mogelijkheden om jongeren te ondersteunen bij het
                        vinden van betaald werk is het</al><al>aanbieden van een leer-werkbaan. Dit artikel regelt de rechtspositionele
                        aspecten van een leer-werkbaan.</al><al><cursief>Leden 1 tot en met 3</cursief></al><al>Voor een leer-werkbaan komen jongeren tussen de 16 en 25 jaar in aanmerking.
                        De jongere moet tenminste</al><al>drie maanden ingeschreven staan als werkzoekend bij het CWI. De duur van de
                        uitkering of de periode van</al><al>werkloosheid is niet doorslaggevend maar bepalend is de termijn dat een
                        jongere is ingeschreven bij het CWI.</al><al>De eerste fase van een leer-werkbaan duurt drie tot zes maanden. De
                        werkzoekende is in deze periode niet</al><al>aangesteld bij de gemeente, maar kan door middel van een werkstage bij de
                        gemeentelijke organisatie</al><al>werkzaamheden verrichten.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Wanneer beide partijen vinden dat de eerste periode in de leer-werkbaan goed
                        verlopen is kan het college</al><al>besluiten de werkzoekende een tijdelijke aanstelling te geven. De beslissing
                        hierover ligt bij het college;</al><al>overwegingen kunnen, onder meer, zijn de mogelijkheden die er binnen de
                        gemeente zijn om de werkzoekende</al><al>te begeleiden en de beschikbaarheid van voldoende relevante werkzaamheden.
                        De werkzoekende vervult</al><al>geen reguliere betrekking. Als voorwaarde voor een tijdelijke aanstelling
                        kan dus niet de beschikbaarheid van</al><al>vacatureruimte gelden. De werkzoekende in tijdelijke dienst wordt
                        ingeschaald in schaal 1. Hiermee wordt ook</al><al>aangeduid dat het niet een reguliere betrekking betreft maar een baan om
                        werkervaring op te doen.</al><al>Goede begeleiding en scholing zijn belangrijk; de werkzoekende komt primair
                        om te leren. Gedurende de</al><al>tijdelijke aanstelling zorgt het college voor de juiste begeleiding van de
                        werkzoekende. Afhankelijk van de</al><al>individuele situatie kan het college na overleg met de werkzoekende
                        besluiten scholing aan te bieden. Deze</al><al>scholing vindt plaats op kosten van de gemeente.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:2:3</cursief></vet></al><al>Het instapplan is bedoeld voor jongeren die op de arbeidsmarkt komen met een
                        adequate startkwalificatie. Om</al><al>hen meer kans te bieden op een baan wordt hen door middel van een tijdelijke
                        aanstelling de mogelijkheid</al><al>geboden werkervaring op te doen binnen de gemeentelijke organisatie.
                        Aanbieding van scholing of opleiding is</al><al>mogelijk. Omdat het hier werkzoekenden met een startkwalificatie betreft is
                        opleiding of scholing niet verplicht</al><al>gekoppeld aan een instapplan.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid de CAR/UWO of delen van deze regeling, om
                        bijzondere redenen, uit te</al><al>zonderen voor ambtenaren of groepen ambtenaren.</al><al>Voor het uitzonderen van de CAR/UWO, of van gedeelten daarvan, is een
                        collegebesluit nodig. Omdat het hier</al><al>een aangelegenheid betreft die de rechtspositie van ambtenaren aangaat,
                        dient het voornemen een categorie</al><al>ambtenaren van de werking van CAR/UWO uit te sluiten, eerst in het lokale
                        georganiseerd overleg aan de orde</al><al>te zijn geweest. Vervolgens kan een collegebesluit niet genomen worden dan
                        nadat partijen in het Landelijk</al><al>Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden (LOGA) van dit voornemen in kennis
                        zijn gesteld. Immers,</al><al>het is niet de bedoeling dat op grote schaal groepen werknemers van de
                        werking van de CAR/UWO worden</al><al>uitgesloten. Op deze wijze kan namelijk afbreuk worden gedaan aan de
                        bindende werking van de CAR/UWO.</al><al>Indien LOGA-partijen van mening zijn dat het niet wenselijk is (een groep)
                        ambtenaren van de werking van</al><al>de CAR/UWO - of gedeelten daarvan - uit te zonderen, wordt besloten tot een
                        verdere procedure. Het is de</al><al>bedoeling dat een afvaardiging van het LOGA in contact treedt met het lokale
                        bestuur om de motieven voor het</al><al>voorgenomen besluit door te spreken. Vervolgens kunnen LOGA-partijen
                        oordelen dat tegen de uitzondering</al><al>geen bezwaren bestaan. Ingeval het LOGA zijn bezwaren handhaaft, kan het
                        LOGA een procedure in gang</al><al>zetten, die ertoe leidt dat het betreffend besluit onverbindend wordt
                        verklaard.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Bij de invoering van de CAR/UWO is gebleken dat de rechtspositieregelingen
                        voor ambtenaren werkzaam als</al><al>onderwijzend personeel in de kunstzinnige vorming niet zonder meer in de
                        CAR/UWO zijn in te passen. Het</al><al>LOGA heeft ervoor gekozen de noodzakelijke afwijkende regelingen op te nemen
                        in een bijlage die toegevoegd</al><al>kan worden aan de CAR/UWO. Vaststellen van de bijlage is immers alleen
                        zinvol voor die gemeenten, waarvan</al><al>een instelling van kunstzinnige vorming onderdeel uitmaakt van de
                        organisatie. Dit artikellid legt de juridische</al><al>basis voor het al dan niet vaststellen van de betreffende bijlagen.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:3a</cursief></vet></al><al>Dit artikel heeft de volgende functies:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>het maakt zichtbaar dat de raad bevoegd
                        gezag is ten aanzien van de griffier en diens ambtenaren;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>het maakt duidelijk dat de CAR-UWO van
                        toepassing is op de griffier en diens ambtenaren;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>het biedt een kapstok voor besluiten van de
                        raad ten aanzien van de rechtspositie van de griffier.</al><al>Ten aanzien van de toepassing van de CAR-UWO op de griffier en de
                        griffiemedewerkers wordt het volgende</al><al>opgemerkt. De griffier valt onder de begripsomschrijving in artikel 1:1,
                        eerste lid onder a van de CAR.</al><al>In de memorie van antwoord op de Wet dualisering gemeentebestuur is gesteld
                        dat de rechtspositie van het</al><al>griffiepersoneel gelijk zal zijn aan die van het overige gemeentepersoneel,
                        omdat ook deze ambtenaren vallen</al><al>onder de algemene afspraken die de VNG met de bonden voor de sector
                        gemeenten heeft gemaakt. Dit geldt</al><al>zowel voor de CAR als voor de UWO. Het LOGA heeft in de ledenbrief van 30
                        mei 2002 geadviseerd om de</al><al>lokale gemeentelijke rechtspositie en de toekomstige wijzigingen daarin van
                        toepassing te laten verklaren op</al><al>de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren. Dit dient door de raad
                        te gebeuren omdat de raad bevoegd</al><al>gezag is ten aanzien van de griffie.</al><al>Delegatie uitvoering rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van de
                        griffie Omdat de raad bevoegd gezag</al><al>is, is ook de uitvoering van rechtspositionele bevoegdheden ten aanzien van
                        de griffie een zaak van de raad.</al><al>In de CAR-UWO wordt in nagenoeg alle bepalingen uitgegaan van of gesproken
                        over het college als bevoegd</al><al>gezag. Voor de uitvoering van deze bepalingen op de griffie dient dus voor
                        'het college' te worden gelezen: de</al><al>raad.</al><al>De raad zal moeten bepalen hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk
                        wordt uitgeoefend. Het zal</al><al>niet wenselijk geacht worden om de raad zelf met de gehele uitvoering van de
                        rechtspositie te belasten. Het</al><al>uitvoeren van de CAR-UWO en de lokale rechtspositieregeling ten aanzien van
                        de griffier en de op de griffie</al><al>werkzame ambtenaren, kan door de raad gedelegeerd worden aan het college.
                        Zoals gebruikelijk binnen de</al><al>ambtelijke organisatie, zal het college op zijn beurt een groot aantal
                        bevoegdheden hebben gemandateerd aan</al><al>zijn ambtenaren, volgens het in de gemeente geldende delegatie- en
                        mandaatbesluit.</al><al>De bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie, aanstelling,
                        schorsing en ontslag leent zich in het kader</al><al>van het dualisme minder goed voor delegatie.</al><al>Daarnaast is er een categorie personele bevoegdheden die in het algemeen aan
                        diensthoofden is gemandateerd.</al><al>Voor wat betreft het griffiepersoneel is het wenselijk dat deze door of
                        namens de raad uitgevoerd worden,</al><al>omdat deze in verband staan met de aansturing van de griffie. Gedacht kan
                        worden aan beloningsbeslissingen,</al><al>opdracht tot overwerk, verlofverlening, het verplichten tot aanvaarding van
                        een andere betrekking, het</al><al>beoordelen, het verplichten tot het volgen van een opleiding, het opleggen
                        van een disciplinaire maatregel en het</al><al>vaststellen van een persoonlijk ontwikkelingsplan.</al><al>In het delegatiebesluit dient bepaald te worden welke bevoegdheden door of
                        namens de raad uitgevoerd worden,</al><al>en dus niet gedelegeerd worden aan het college.</al><al>Tevens dient bepaald te worden wie namens de raad de van delegatie
                        uitgezonderde personele bevoegdheden</al><al>uitoefent. Ten aanzien van de griffiemedewerkers zal de griffier
                        gemandateerd worden.</al><al>Ten aanzien van de griffier zelf kan dat het seniorenconvent, het
                        raadspresidium, een raadscommissie of de</al><al>burgemeester zijn.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:3:1</cursief></vet></al><al>Dit artikel is alleen van belang voor gemeenten die instellingen voor
                        kunstzinnige vorming instandhouden.</al><al>De in dit artikel genoemde bijlage V bevat aanvullingen in de rechtspositie
                        voor de ambtenaar behorend tot het</al><al>onderwijzend personeel in de kunstzinnige vorming. Het betreft nadere regels
                        op UWO-niveau als uitvoering</al><al>van bijlage IV waarin de aanvullende rechtspositionele bepalingen op
                        CAR-niveau staan voor het onderwijzend</al><al>personeel in de kunstzinnige vorming. Deze bijlage V kan alleen van
                        toepassing worden verklaard wanneer</al><al>eerst of tegelijkertijd op grond van artikel 1:3, derde lid, bijlage IV van
                        toepassing is verklaard.</al><al>Over de aanvullende rechtspositionele bepalingen in de bijlage dient in het
                        GO overeenstemming te bestaan.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:4:1</cursief></vet></al><al>Bij de in dit artikel bedoelde voorschriften en instructies kan gedacht
                        worden aan uitvoeringsregelingen van de</al><al>UWO of daarmee vergelijkbare lokale regelingen. Voorbeelden daarvan zijn een
                        uitvoeringsregeling onbetaald</al><al>verlof, de bijzonderverlofregeling of de verplaatsingskostenregeling.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:4:2</cursief></vet></al><al>De verstrekking kan ook plaatsvinden door een elektronische tekstdrager,
                        bijvoorbeeld een diskette, of door</al><al>terbeschikkingstelling via een intern netwerk.</al><al>Bij het tweede lid, onder d, kan onder meer gedacht worden aan de
                        ondernemingsraad. Op grond van artikel</al><al>28 van de Wet op de ondernemingsraden heeft deze immers tot taak toe te zien
                        op de naleving van de</al><al>rechtspositieregeling.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:4:3</cursief></vet></al><al>Hetgeen in artikel 1:4:3 is bepaald ten aanzien van de UWO, geldt ook voor
                        de lokale (uitvoerings)regels.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:4:4</cursief></vet></al><al>Voor de volledigheid: voor iedere ambtenaar, ook de gemeentesecretaris, is
                        het bevoegd bestuursorgaan het</al><al>college. Dit geldt niet voor de griffier en de griffiemedewerkers. Zij
                        dienen hun belangen bij de gemeenteraad</al><al>voor te dragen.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:5</cursief></vet></al><al>Bij het berekenen van de nieuwe deeltijdbetrekking als gevolg van de
                        invoering van de adv maar ook bij het</al><al>berekenen van verlof zullen uren uitgerekend worden tot meerdere decimalen
                        achter de komma. Op grond</al><al>van het bepaalde in artikel 1:5 moeten uren aan het einde van de berekening
                        worden afgerond tot op twee</al><al>decimalen achter de komma. Hiermee wordt voorkomen dat afrondingsverschillen
                        ontstaan die ongewenste</al><al>salarisverschillen met zich kunnen brengen. Op jaarbasis kan het hierbij
                        gaan om tientallen euro's.</al><al>Onder de gangbare afbreekregel wordt verstaan dat tot en met vier wordt
                        afgerond naar beneden en vanaf vijf</al><al>wordt afgerond naar boven.</al><al><vet><cursief>Artikel 1:6</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid voor hogere functies van artikel 2:4 af te
                        wijken. Dit betekent dat noch de</al><al>termijn van 36 maanden geldt, noch de restrictie dat de termijn van 36
                        maanden alleen maar mag worden</al><al>overschreden wanneer een aanstelling is aangegaan voor een project met een
                        eenmalig en uniek karakter. Ook</al><al>geldt voor de hier bedoelde hogere functies niet het principe dat de vierde
                        aanstelling een vaste aanstelling</al><al>is. Daarbij kan ook worden bepaald dat voor de nader aan te wijzen hogere
                        functies wordt afgeweken van</al><al>de salaristabel. Tevens kunnen in de nadere regeling bepalingen worden
                        opgenomen die inhouden dat</al><al>degene die een functie bekleedt waarbij afwijkende afspraken worden gemaakt,
                        niet behoort tot de kring</al><al>van rechthebbenden op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering krachtens
                        hoofdstuk 10a. Voordat een</al><al>dergelijke regeling kan worden opgesteld, dient overeenstemming te zijn
                        bereikt in het georganiseerd overleg</al><al>over de criteria aan de hand waarvan de functies worden aangewezen en over
                        de functies zelf.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Behalve voor hogere functies kan ook voor projectmedewerkers en andere
                        tijdelijke functionarissen de</al><al>algemene vrijstelling worden toegepast, uiteraard onder de procedurele
                        voorwaarden die in het eerste lid</al><al>zijn aangewezen. Deze mogelijkheid maakt het aantrekken van
                        interim-personeel in gemeentelijke dienst</al><al>gemakkelijker. Behalve van de salaristabel kan ook van de beperkte
                        ontslaggronden uit hoofdstuk 8 en van de</al><al>bovenwettelijke uitkeringen ex hoofdstuk 10a worden afgeweken. Uiteraard
                        dient elke afwijking van de CAR</al><al>in ieder individueel geval bij de aanstelling te worden vastgelegd, evenals
                        de criteria op grond waarvan de te</al><al>verrichten prestatie wordt beoordeeld en de voorwaarden waaronder deze dient
                        te worden verricht.</al><al><vet>2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 2:1</cursief></vet></al><al>De gemeentesecretaris en de overige ambtenaren die werkzaam zijn voor het
                        college, worden benoemd door het</al><al>college. De griffier en de griffiemedewerkers worden benoemd door de
                        gemeenteraad.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:2</cursief></vet></al><al>Slechts diegenen kunnen als ambtenaar worden aangesteld van wie mag worden
                        aangenomen dat zij voldoen</al><al>aan de voor de functie te stellen bekwaamheids- en geschiktheidseisen. Deze
                        bepaling vormt als het ware de</al><al>keerzijde van artikel 8:6 en artikel 8:7, onderdeel a. Hoe duidelijker de
                        bekwaamheids- en geschiktheidseisen</al><al>zijn geformuleerd, des te beter zal men de artikelen 8:6 en 8:7, onderdeel
                        a, kunnen omgaan. Wanneer personeel</al><al>van gemeenten of rechtspositievolgers van gemeenten werkzaamheden verrichten
                        die een risico geven op</al><al>besmetting met hepatitis B, dan moet aan de werknemers, die dit risico lopen
                        een inenting tegen hepatitis B</al><al>aangeboden worden. Het gaat om bij operaties betrokken personeel. In het
                        geval dat vaccinatie om principiële</al><al>redenen wordt geweigerd of vaccinatie niet leidt tot de gewenste
                        bescherming, moet de medewerker wel</al><al>toestaan dat hij enkele malen per jaar gecontroleerd wordt.</al><al>Medewerkers mogen niet gedwongen worden zich te laten inenten.</al><al>Meer informatie is op te vragen bij de Commissie Preventie Iatrogene
                        Hepatitis B, Postbus 16119, 2500 BC</al><al>Den Haag.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:3</cursief></vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat de aanstellingskeuring geen regel is, maar
                        uitzondering. Slechts in een beperkt aantal</al><al>gevallen is het mogelijk een aanstellingskeuring op te leggen. Deze gevallen
                        doen zich voor als er aan de</al><al>vervulling van de betrekking bijzondere eisen op het punt van de medische
                        geschiktheid moeten worden gesteld.</al><al>Deze bepaling vloeit voort uit de Wet op de medische keuringen, die sinds 1
                        januari 1998 van kracht is en ook</al><al>voor de overheid van toepassing is.</al><al>De functies waarvoor een aanstellingskeuring wenselijk is, dienen in overleg
                        met de Arbo-dienst</al><al>geïnventariseerd te worden. In de regel zullen deze functies in een lijst
                        worden opgenomen. Wanneer een</al><al>regeling wordt opgesteld, waarin criteria zijn opgenomen aan de hand waarvan
                        bepaald wordt of voor een</al><al>functie en aanstellingskeuring wenselijk is, heeft de ondernemingsraad (OR)
                        op grond van artikel 27, eerste lid,</al><al>onderdeel f, van de Wet op de ondernemingsraden instemmingsrecht omtrent
                        deze regeling.</al><al>De lijst van functies die uit deze lijst voortvloeit hoeft in dat geval niet
                        aan de OR te worden voorgelegd.</al><al>Wanneer er voor gekozen wordt om niet eerst een regeling te ontwerpen, maar
                        direct een lijst op te stellen, heeft</al><al>de OR instemmingsrecht wat betreft deze lijst. Het verdient aanbeveling de
                        lijst met functies waarvoor een</al><al>aanstellingskeuring geldt openbaar te maken en in sollicitatieprocedures met
                        betrekking tot dergelijke functies</al><al>al in het beginstadium aan te geven dat de keuring deel uitmaakt van de
                        sollicitatieprocedure.</al><al>Het ligt voor de hand dat de aanstellingskeuring wordt uitgevoerd door de
                        geneeskundigen van de Arbo-dienst</al><al>waarbij de gemeente is aangesloten.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:4</cursief></vet></al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt de basis gelegd voor een vaste of
                        tijdelijke aanstelling.</al><al>De tijdelijke aanstelling kan voor bepaalde of onbepaalde tijd
                        plaatsvinden.</al><al>In tegenstelling tot voor 1 juli 2001 is er geen limitatieve opsomming van
                        aanstellingsgronden meer.</al><al>Iedere grond mag gebruikt worden. Alleen bij een tijdelijke aanstelling voor
                        onbepaalde tijd móet een</al><al>aanstellingsgrond genoemd worden (zie artikel 2:4:1). Het niet langer
                        aanwezig zijn van de aanstellingsgrond is</al><al>de reden dat uit die aanstelling voor onbepaalde tijd ontslag verleend kan
                        worden (zie ook artikel 8:12). Bij een</al><al>tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd is het niet nodig om een
                        aanstellingsgrond te noemen. Het verstrijken</al><al>van de termijn van aanstelling is de reden van beëindiging van die
                        aanstelling (zie artikel 8:12).</al><al>In dit artikel worden voorts de maximale termijnen voor tijdelijke
                        aanstellingen bepaald, alsmede het maximum</al><al>aantal tijdelijke aanstellingen dat mag worden gegeven alvorens deze
                        tijdelijke aanstelling wordt omgezet in een</al><al>vaste aanstelling. Voor deze termijnen en het maximum aantal aanstellingen
                        is aangesloten bij de systematiek</al><al>van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Stb. 1998, 300).</al><al>Deze restricties gelden niet voor een aanstelling voor een project met een
                        eenmalig én uniek karakter. Hierbij</al><al>mag, mits dit bij aanvang van de tijdelijke aanstelling is aangegeven, de
                        termijn van 36 maanden worden</al><al>overschreden zonder dat de tijdelijke aanstelling wordt omgezet in een vaste
                        aanstelling. Bij de toepassing</al><al>van het derde lid moet aan beide criteria worden voldaan. Er moet dus sprake
                        zijn van een project met een</al><al>eenmalig en uniek karakter. Een groot bouwproject valt daar bijvoorbeeld
                        niet onder, aangezien dat weliswaar</al><al>een eenmalig iets kan zijn, maar zeker niet uniek. Een dergelijk project zal
                        meerdere keren voorkomen.</al><al>Ook voor een aanstelling bij wijze van proef gelden andere, zij het
                        beperktere, regels. Deze aanstelling mag</al><al>namelijk maximaal (inclusief eventuele verlengingen) 24 maanden duren,
                        voordat omzetting in een vaste</al><al>aanstelling plaatsvindt. Overigens geldt dit artikel ook voor
                        arbeidsovereenkomsten (zie artikel 2:5:1).</al><al><vet><cursief>Artikel 2:4:1</cursief></vet></al><al>Dit artikel bevat welke gegevens een aanstelingsbesluit moet bevatten. De
                        Wet van 2 december 1993 tot</al><al>uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenteschappen
                        betreffende informatie van de</al><al>werknemer over zijn arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding (Stb. 1993,
                        635) stelt regels terzake. In deze</al><al>wet wordt bepaald dat de overheidswerkgever verplicht is de werknemer een
                        schriftelijke opgave te doen van:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de identiteit van de werkgever;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de naam en woonplaats van de werknemer;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de functie van de werknemer;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de datum van indiensttreding;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de duur van de aanstelling of de
                        arbeidsovereenkomst, indien deze voor bepaalde duur wordt aangegaan;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de aanspraak op vakantie of de wijze van
                        berekening van deze aanspraak;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de duur van de door de werkgever en de
                        werknemer in acht te nemen ontslag- respectievelijk</al><al>opzegtermijnen;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het salaris en de termijn van
                        uitbetaling;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de gemiddelde wekelijkse of dagelijkse
                        arbeidsduur;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het toepasselijk algemeen verbindend
                        verklaarde voorschrift, houdende regelen inzake de algemene</al><al>arbeidsvoorwaarden en het salaris.</al><al>De LOGA-brief van 17 februari 1994 (kenmerk ARZ/401235) informeert hierover.
                        Het derde lid verwijst naar</al><al>een artikel uit genoemde wet, waarin is bepaald dat wijziging van salaris of
                        gemiddelde arbeidsduur kosteloos</al><al>aan de werknemer wordt medegedeeld.</al><al>De elementen die een aanstellingsbesluit moet bevatten staan in het algemeen
                        een aanstelling in algemene dienst</al><al>niet in de weg. Gedetailleerde functiebeschrijvingen vormen hiertoe
                        overigens wel een belemmering.</al><al>In het bericht van de aanstelling moet worden opgenomen wat de grond van
                        aanstelling is indien de tijdelijke</al><al>aanstelling voor onbepaalde tijd is aangegaan. Het vervallen van deze grond
                        (dit is de reden van aanstelling) is</al><al>namelijk de reden om tot beëindiging van die aanstelling over te gaan (zie
                        ook artikel 8:12). De reden dat de</al><al>overige gronden in artikel 2:4:1, eerste lid, onder c, in het
                        aanstellingsbesluit genoemd moeten worden is dat</al><al>voor deze categorie medewerkers bepaalde artikelen en hoofdstukken van de
                        CAR niet van toepassing zijn. Het</al><al>aanstellen op deze gronden heeft dus gevolgen voor de rechtspositie van deze
                        medewerkers. Zie ook artikel</al><al>1:2:1.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:5</cursief></vet></al><al>De CAR heeft als uitgangspunt dat de aanstelling als ambtenaar (in vaste of
                        tijdelijke dienst) regel is</al><al>en het aangaan van een arbeidsovereenkomst uitzondering. Daarom is het
                        slechts mogelijk om een</al><al>arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aan te gaan in het geval van
                        oproepkrachten.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:5:1</cursief></vet></al><al>De belangrijkste consequentie van de bepaling dat artikel 2:1 tot en met
                        2:4:2 van overeenkomstige toepassing</al><al>zijn, is dat hierdoor de termijnen uit artikel 2:4 ook voor
                        arbeidsovereenkomsten gelden. Dit betekent onder</al><al>meer dat het bij de termijnen van artikel 2:4 niet uitmaakt of sprake is
                        geweest van een opeenvolging van</al><al>slechts arbeidsovereenkomsten of aanstellingen dan wel van een combinatie
                        daarvan.</al><al>De verwijzing naar artikel 1:2:1, derde tot en met vijfde lid, voorziet erin
                        dat ook de beperkingen die hierin</al><al>worden genoemd, van overeenkomstige toepassing kunnen zijn op
                        arbeidscontractanten. Het betreft ambtenaren</al><al>die in dienst zijn genomen:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>hoofdzakelijk ten behoeve van een
                        wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming,</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>als vakantiekracht of</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>voor het verrichten van werkzaamheden in het
                        kader van een door de overheid getroffen regeling, die het</al><al>karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het
                        arbeidsproces te bevorderen van</al><al>personen die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:5:2</cursief></vet></al><al>In dit artikel wordt de minimumomvang van de oproep gegarandeerd, alsmede de
                        minimum salarisgarantie</al><al>per maand. Het aantal te werken uren wordt per kwartaal bepaald, zodat
                        eventueel te veel gewerkte uren in</al><al>één maand ertoe kunnen leiden dat in de volgende maand (binnen datzelfde
                        kwartaal) minder dan 15 uur hoeft</al><al>te worden gewerkt. Zowel over de maand dat meer dan 15 uur is gewerkt als
                        over de dan minder dan 15 uur</al><al>is gewerkt hoeft slechts 15 uur te worden uitbetaald. Slechts wanneer over
                        een kwartaal meer dan 15 uur per</al><al>maand gemiddeld is gewerkt, moet een nabetaling plaatsvinden. Zie ook de
                        LOGA-brief van 6 mei 1994,</al><al>kenmerk ARZ/403483.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:5:3</cursief></vet></al><al>Dit artikel bevat enkele afspraken die de arbeidsovereenkomst tussen de
                        werkgever en de oproepkracht moet</al><al>bevatten. In de overeenkomst kan naar dit artikel worden verwezen. Het gaat
                        hier - naast de tweezijdigheid - om</al><al>de andere essenties die de arbeidsrelatie tussen werkgever en werknemer
                        maken tot een arbeidsovereenkomst.</al><al>Beide partijen nemen verplichtingen op zich en verkrijgen rechten ten
                        opzichte van elkaar. In onderdeel</al><al>f is aangegeven dat ingeval de oproepkracht herhaalde malen weigert aan een
                        oproep door de werkgever</al><al>gehoor te geven, terwijl er geen sprake is van ziekte, dit kan leiden tot
                        ontslag op grond van artikel 8:13</al><al>(disciplinair ontslag). Daarbij is het wel noodzakelijk dat het aantal malen
                        dat de oproepkracht gedurende een</al><al>bepaald tijdvak een oproep kan weigeren in de overeenkomst is vastgelegd.
                        Wederzijds is dus geen sprake van</al><al>vrijblijvendheid.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:5:4</cursief></vet></al><al>Met de oproepcontractant wordt een contract aangegaan voor minimaal 15 uur
                        per maand. Voor die uren bestaat</al><al>er dan ook een loonbetalingsverplichting, ook als de oproepcontractant ziek
                        is. Aangezien hoofdstuk 7 per</al><al>definitie van toepassing is (de CAR/UWO is namelijk van toepassing), hoeft
                        deze loondoorbetalingsverplichting</al><al>tijdens ziekte niet meer expliciet te worden opgenomen.</al><al>De berekeningsbasis van de ziekte-uitkering wordt gevormd door het inkomen
                        dat de oproepkracht gedurende</al><al>het laatste kwartaal genoot.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:6</cursief></vet></al><al>Uit dit artikel blijkt dat het nieuwe hoofdstuk 2 pas gaat gelden voor
                        tijdelijke aanstellingen die ná 1 juli</al><al>2001 zijn aangegaan. Voor oproepcontracten die zijn aangegaan voor 1 mei
                        1994, de datum waarop de</al><al>2-uur-per-oproep-bepaling en de 15-uursgarantie zijn ingevoerd, wordt een
                        uitzondering gemaakt voor artikel</al><al>2:5:2.</al><al>Uit het tweede lid blijkt dat de aanstelling die volgt op de aanstelling die
                        reeds voor 1 juli 2001 is aangegaan en</al><al>die na 1 juli 2001 nog doorloopt, onder de nieuwe regels valt.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:7</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet aanpassing arbeidsduur van 1
                        juli 2000 (Stb. 2000, 114) wordt</al><al>het voor werknemers mogelijk om een verzoek in te dienen voor meer of minder
                        uren werken binnen de huidige</al><al>functie. De werkgever kan een verzoek van de werknemer afwijzen op basis van
                        zwaarwegend bedrijfs- of</al><al>dienstbelang.</al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>In het eerste lid worden hiermee in ieder geval problemen bedoeld die
                        ontstaan ten aanzien van de</al><al>bedrijfsvoering bij de herbezetting van de vrijgekomen uren, op het gebied
                        van de veiligheid, of van</al><al>roostertechnische aard. In het tweede lid worden in ieder geval bedoeld
                        problemen van financiële of</al><al>organisatorische aard, het niet voorhanden zijn van voldoende werk, of omdat
                        de vastgestelde formatieruimte of</al><al>personeelsbegroting ontoereikend is. In de wet zijn enkele nadere
                        voorwaarden opgenomen, waaronder:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de werknemer moet minimaal één jaar in
                        dienst zijn voorafgaand aan het beoogde tijdstip</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>van ingang van de aanpassing van de
                        arbeidsduur;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het verzoek om aanpassing moet ten minste
                        vier maanden voor het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk</al><al>worden ingediend met daarin vermeld de gewenste omvang en spreiding over de
                        week;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de werkgever is verplicht overleg te plegen
                        met de werknemer;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de werkgever dient een beslissing te hebben
                        genomen ten minste één maand voor het beoogde tijdstip van</al><al>inwerkingtreding en dit schriftelijk aan de werknemer mee te delen. Wanneer
                        de werkgever dit nalaat, kan</al><al>het verzoek door de werknemer als ingewilligd worden beschouwd;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de werknemer kan maximaal eenmaal per twee
                        jaar een verzoek indienen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De Wet aanpassing arbeidsduur geeft aan op welke gronden een verzoek om meer
                        of minder te gaan werken kan</al><al>worden afgewezen.</al><al>Bij in- en doorstroombanen is sprake van een ernstig financieel probleem
                        indien het verzoek meer uren te gaan</al><al>werken leidt tot het verlies van subsidie ervoor. Een tekortschietende
                        subsidie wordt gelijk gesteld met een</al><al>ernstig financieel probleem en vormt een grond voor afwijzing.</al><al>Er zijn echter gevallen denkbaar waarin een verzoek om meer te gaan werken
                        niet zou leiden tot het verlies van</al><al>subsidie. Dat hangt namelijk af van de wijze waarop een gemeente het totale
                        aantal in het kader van het Besluit</al><al>in- en doorstroombanen (Stb. 1999, 591) beschikbare uren over de betreffende
                        medewerkers heeft verdeeld.</al><al>Daarnaast biedt het Besluit (arikel 13, zesde en zevende lid) nog
                        mogelijkheden voor compensatie.</al><al>Een verzoek kan pas gemotiveerd afgewezen worden indien over het verlies van
                        de subsidie zekerheid bestaat.</al><al><vet><cursief>Artikel 2:7a</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het college kan tijdelijk, voor een vooraf vast te stellen periode de
                        formele arbeidsduur per week van een</al><al>ambtenaar van 36 naar maximaal 40 uur uitbreiden. Instemming van de
                        ambtenaar is hierbij vereist. De periode</al><al>waarin de arbeidsduur wordt uitgebreid kan na afloop eventueel worden
                        verlengd.</al><al>Uitgangspunt is dat de formele arbeidsduur ook voor de betreffende functies
                        structureel op 1836 uur per jaar en</al><al>gemiddeld 36 uur per week blijft liggen. Hierop wordt voor de betreffende
                        medewerker in het jaar waarin de</al><al>uitbreiding zich voordoet, een uitzondering gemaakt. Het gaat dus om een
                        tijdelijke uitbreiding van gemiddeld</al><al>maximaal 4 uur, die na afloop van de vastgestelde periode weer van
                        rechtswege ophoudt (zie artikel 8:12,</al><al>tweede lid). De regeling betekent niet dat de aanstelling zelf verandert.
                        Als de betrekkingsomvang na de</al><al>bepaalde periode teruggaat naar 36 uur behoudt de betrokkene derhalve een
                        volledige betrekking en wordt hij</al><al>geen deeltijder.</al><al>Deze systematiek brengt met zich dat salaris, toeslagen, premies,
                        inkomensafhankelijke bijdragen en</al><al>vergoedingen op grond van de Zvw, afdracht loonbelasting, pensioenopbouw en
                        vakantie-aanspraken evenredig</al><al>worden aangepast gedurende de uitbreiding van de arbeidsduur.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Naast de afspraak van een tijdelijke uitbreiding van de arbeidsduur kunnen
                        niet gelijktijdig via het</al><al>cafetariamodel vakantie-uren worden gekocht.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Artikel 2:7a is bindend en komt als zodanig niet ter discussie in de OR. Wel
                        moet een plan dat ten grondslag ligt</al><al>aan de uitvoering van de uitbreidingsmogelijkheid naar 40 uur in de OR
                        worden besproken.</al><al>Hierop is wettelijk gezien noch het adviesrecht, noch het instemmingsrecht
                        van de OR van toepassing. De</al><al>bespreking van het uitvoeringsplan met de OR is echter van méér dan
                        procedurele aard.</al><al><vet>3 Salaris en vergoedingsregelingen</vet></al><al><vet><cursief>Inleiding</cursief></vet></al><al>In artikel 3:1 wordt melding gemaakt van een bezoldigingsregeling. Tevens
                        wordt in verschillende artikelen</al><al>de formulering gehanteerd waarbij vermeld wordt dat zaken in een nader vast
                        te stellen regeling worden</al><al>uitgewerkt.</al><al>In aansluiting op het regime van de Gemeentewet is ervoor gekozen
                        uitsluitend de term regeling te gebruiken in</al><al>die gevallen waarbij het om een algemene regeling gaat, zoals een
                        bezoldigings- of een werktijdenregeling. In</al><al>dit verband wordt nog opgemerkt dat de term regeling uitsluitend een
                        modernisering inhoudt ten opzichte van</al><al>de term verordening en dat hiermee geen inhoudelijke wijziging wordt
                        beoogd.</al><al>In dit verband is het van belang te wijzen op het onderscheid tussen de
                        verplichting danwel de mogelijkheid</al><al>nadere regels te stellen. In dit hoofdstuk wordt in de artikelen 3:2 tot en
                        met 3:4 bepaald wat ten minste de</al><al>inhoud dient te zijn van de nader vast te stellen regeling waarin
                        voorschriften staan omtrent het aanspraak</al><al>maken op bijvoorbeeld een overwerkvergoeding of een toelage onregelmatige
                        dienst. In deze gevallen dient een</al><al>nadere regeling te worden vastgesteld.</al><al>Op twee andere plaatsen in de CAR, artikel 6:5 en 8:3, wordt bepaald dat een
                        nadere regeling kan worden</al><al>vastgesteld. Het gaat hierbij om een regeling betaald ouderschapsverlof
                        (artikel 6:5) of een regeling die</al><al>functies bevat waarvoor een functioneel leeftijdsontslag (FLO) geldt. Deze
                        bepalingen houden daarmee geen</al><al>verplichting in om een regeling betaald ouderschapsverlof tot stand te
                        brengen of functies als FLO-functies aan</al><al>te wijzen.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:1</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995/1997 is overeengekomen dat een nieuwe
                        salarisstructuur wordt</al><al>ingevoerd. In deze structuur worden onder meer de aanvangssalarissen
                        verlaagd, de schaalmaxima verhoogd</al><al>en vervallen de wachtjaren in de schalen 1 tot en met 5. Inzake de wijze van
                        conversie van de oude naar de</al><al>nieuwe structuur is afgesproken dat het zittende personeel geen nadelige
                        gevolgen ondervindt van de nieuwe</al><al>inschaling en dat degenen die op het maximum van hun schaal staan per 31
                        maart 1997 overgaan naar het</al><al>nieuw vastgestelde schaalmaximum. Het gevolg van deze afspraken is dat
                        gedurende een aantal jaren binnen</al><al>een gemeente twee salaristabellen naast elkaar gebruikt worden. In dit
                        verband wordt verwezen naar de brief</al><al>van het LOGA van 20 december 1995, kenmerk ARZ/509414, met als onderwerp de
                        formalisering van het</al><al>arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997, wat betreft de onderdelen van het
                        akkoord die per 1 april 1996 ingaan.</al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat de
                        artikelen 3:3 en 3:3:1 niet van toepassing</al><al>zijn op de oproepkracht, en dat hoofdstuk 3 niet van toepassing is op de
                        ambtenaar die is aangesteld</al><al>hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding
                        of vorming, de vakantiekracht en</al><al>de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het
                        kader van een door de overheid</al><al>getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                        tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te</al><al>bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van
                        werklozen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid beoogt de lokale bezoldigingsregeling in zoverre te
                        uniformeren dat de kernbegrippen van de</al><al>bezoldigingsregeling eensluidend zijn.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In het derde lid wordt bepaald dat bijlage II (de 'oude' salarisstructuur)
                        en bijlage IIa (de salarisstructuur</al><al>per 1 april 1996) van de CAR met de schaalindeling - de salaristabellen -
                        onderdeel uitmaakt van de</al><al>bezoldigingsregeling. Per 1 april 1996 is bijlage II van toepassing op de
                        ambtenaar die reeds op 31 maart 1996</al><al>een salaris genoot op grond van bijlage II (de lopende gevallen). Bijlage
                        IIa is van toepassing op de ambtenaar</al><al>die op of na 1 april 1996 een betrekking gaat vervullen in de zin van de
                        CAR, zonder dat betrokkene daaraan</al><al>voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR heeft vervuld. Bijlage IIa
                        is ook van toepassing op degene</al><al>die aansluitend aan een betrekking waaraan een salaris was verbonden, een
                        nieuwe betrekking gaat vervullen</al><al>waaraan een beter salarisperspectief is verbonden (de nieuwe gevallen).</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het vierde lid bepaalt dat in de bezoldigingsregeling nadere regels worden
                        gesteld inzake de wijze waarop de</al><al>inschaling in de nieuwe salaristabel (tabel IIa) plaatsvindt van degenen die
                        op 31 maart 1996 op basis van de</al><al>oude salaristabel (tabel II) zijn ingeschaald. Bij deze regels moet het
                        gestelde in artikel 3:1, derde en vijfde lid,</al><al>in acht worden genomen.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Het vijfde lid bepaalt dat:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>degene die voor 1 april 1997 het maximum van
                        de geldende salarisschaal heeft bereikt en geen perspectief</al><al>heeft op een hogere salarisschaal, pas per 1 april 1997 een salaris ontvangt
                        op basis van het maximum van</al><al>dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>degene met een salaris op grond van bijlage
                        II die op of na 1 april 1997 het maximum van zijn schaal</al><al>ontvangt en geen perspectief heeft op een hogere schaal binnen zijn functie,
                        op het moment dat het maximum</al><al>is bereikt, een salaris ontvangt op basis van het maximum van dezelfde
                        schaal ingevolge bijlage IIa.</al><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid dat een ambtenaar in het kader van
                        seniorenbeleid de laatste jaren van de</al><al>loopbaan een rustiger functie kan aanvaarden en op die wijze de loopbaan kan
                        afbouwen. De werkgever wordt</al><al>de mogelijkheid geboden het salaris op het niveau van de nieuwe functie uit
                        te betalen. Deze teruggang in</al><al>salaris als gevolg van 'een stapje terug' heeft geen gevolgen voor de
                        pensioenopbouw. Dit is geregeld in artikel</al><al>5a:9.</al><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>In artikel 7:16, tweede lid, is de grondslag opgenomen voor definitieve
                        herplaatsing na 24 maanden van ziekte</al><al>in de eigen of een passende functie. Bij herplaatsing zal het salaris
                        aangepast moeten worden aan de gewijzigde</al><al>functie.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:1:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In dit artikel wordt geregeld dat het salaris wordt bepaald op grond van
                        functiewaardering (de aard van de</al><al>betrekking) en beoordeling (de wijze van functievervulling). Tevens kan uit
                        dit artikellid worden afgeleid, maar</al><al>dit dient in de bezoldigingsverordening nader te worden uitgewerkt, dat de
                        ambtenaar niet vanzelfsprekend</al><al>in het minimum van de desbetreffende schaal dient te worden ingepast. Het
                        college (respectievelijk de</al><al>gemeenteraad in het geval dat het de griffier en de griffiemedewerkers
                        betreft) kan hiervan afwijken,</al><al>bijvoorbeeld als de aan te stellen ambtenaar in zijn vorige betrekking reeds
                        een hogere bezoldiging genoot</al><al>of als de situatie op de arbeidsmarkt daartoe aanleiding geeft (andere
                        bekwaamheid en geschiktheid, leeftijd,</al><al>dienstjaren).</al><al>In de regel wordt bij aanstelling ingepast op het minimum van de voor de
                        functie geldende schaal.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De in dit artikellid genoemde nadere regels kunnen bijvoorbeeld betrekking
                        hebben op de datum waarop de</al><al>uitbetaling plaatsvindt en de wijze hoe hiermee wordt omgegaan ingeval deze
                        datum in het weekeinde of op een</al><al>feestdag valt.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Op grond van dit artikellid wordt de bezoldiging ingehouden als een
                        ambtenaar zijn betrekking niet vervult.</al><al>Bijvoorbeeld: als een ambtenaar zijn functie niet vervult vanwege het
                        deelnemen aan een collectieve actie,</al><al>kan worden overwogen om zijn bezoldiging over de vrijwillig nietgewerkte
                        tijd in te houden. (Zie hierover</al><al>onze ledenbrief van 27 mei 1997, kenmerk ARZ/703071.) Dit is evenwel géén
                        disciplinaire straf! (Zie hiervoor</al><al>hoofdstuk 16.) De opzet om het werk niet te verrichten moet worden
                        vastgesteld. Dit zal in veel gevallen</al><al>niet moeilijk zijn, maar er kunnen zich situaties voordoen waarin twijfel
                        kan rijzen of de ambtenaar wel</al><al>verantwoordelijk kan worden gesteld voor zijn nalatigheid, gelet op zijn
                        fysieke en/of psychische gesteldheid.</al><al>Dit zal dan nader moeten worden uitgezocht.</al><al>Voor de volledigheid verwijzen wij hier naar artikel 7:13:1 en 7:13:2.
                        Hierin staan de situaties waarin geen</al><al>aanspraak op doorbetaling van de bezoldiging bestaat dan wel de doorbetaling
                        van de bezoldiging wordt</al><al>gestaakt.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:1:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Ingevolge dit lid ontvangt de ambtenaar die een andere betrekking 'volledig'
                        waarneemt een vergoeding indien</al><al>voor die betrekking een hogere schaal geldt. Het is vaak moeilijk vast te
                        stellen of een waarneming 'volledig' is.</al><al>In de praktijk verdient het aanbeveling om met een globale benadering te
                        volstaan. Echter: zie ook het vijfde lid</al><al>van dit artikel.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De waarnemingstoelage bedraagt 8% van het eigen salaris gedurende de periode
                        van waarneming. Niet alle</al><al>ambtenaren die krachtens een daartoe door het college verstrekte opdracht
                        een betrekking waarnemen waarvoor</al><al>een hogere schaal geldt, kunnen aanspraak maken op een waarnemingstoelage.
                        Vanaf een bepaalde salarisschaal</al><al>moet de waarneming ten minste 20 volle werkdagen, in zes aaneengesloten
                        weken, hebben geduurd. Het college</al><al>dient een besluit te nemen voor wélke salarisschaal dit geldt. In de
                        praktijk is dit vaak vanaf schaal 9.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Een bijzondere regeling kan bijvoorbeeld gelden voor de functie van
                        waarnemend hoofd. Uit de aard van de</al><al>functie volgt dat de persoon die deze functie vervult, het hoofd vervangt
                        bij afwezigheid. In voorkomend geval</al><al>ontvangt het waarnemend hoofd uit dit voorbeeld geen
                        waarnemingstoelage.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie waarin de ambtenaar
                        de functie niet volledig</al><al>waarneemt. Het college kan voor een dergelijke situatie een vergoeding
                        toekennen.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:2</cursief></vet></al><al>De artikelen 3:2 tot en met 3:5 kennen eenzelfde terminologie, in die zin
                        dat wordt bepaald dat in een nader vast</al><al>te stellen regeling zaken omtrent het recht op bijvoorbeeld een
                        overwerkvergoeding worden uitgewerkt. Om</al><al>bij hetzelfde voorbeeld te blijven, het recht op een overwerkvergoeding
                        (artikel 3:2) vormt het uitgangspunt, in</al><al>een nadere regeling - in veel gevallen is dit de Uitwerkingsovereenkomst
                        (UWO) - wordt bepaald hoe hoog de</al><al>vergoeding is en/of in welke gevallen een uitzondering geldt.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:2:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het omzetten van de verlofuren die het gevolg zijn van de overwerkvergoeding
                        in vakantie als bedoeld in artikel</al><al>6:2, eerste lid, dient op hetzelfde moment plaats te vinden als de keuze
                        voor de opbouw van extra vakantie-uren</al><al>als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid. Afhankelijk van de vraag of gebruik
                        wordt gemaakt van de opbouw van</al><al>extra vakantie-uren als bedoeld in artikel 6:2 en zo ja voor hoeveel uren,
                        kan een inschatting worden gemaakt</al><al>hoeveel uren overwerkvergoeding kunnen worden omgezet in vakantie-uren.</al><al><cursief>Lid 5, onderdeel a</cursief></al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><al>Een ambtenaar werkt in één week in totaal 10 uur over. De verdeling is:</al><al>maandag van 19.00 tot 21.00 uur (twee uur);</al><al>dinsdag van 17.00 tot 20.00 uur (drie uur);</al><al>zaterdag van 9.00 tot 12.00 uur (drie uur);</al><al>zondag van 9.00 tot 11.00 uur (twee uur).</al><al>De ambtenaar heeft aanspraak op een vergoeding bestaande uit verlof en een
                        bedrag. De vergoeding in verlof</al><al>is gelijk aan het aantal uren overwerk en bedraagt dus 10 uur. Het bedrag
                        van de vergoeding wordt als volgt</al><al>bepaald:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>maandag: 1 uur à 25%</al><al>1 uur à 50%</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>dinsdag: 3 uur à 25%</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>zaterdag: 3 uur à 75%</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>zondag: 2 uur à 100%</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief></al><al>Een ambtenaar die vanwege deeltijdwerk nooit op woensdag werkt, maar op een
                        woensdag van 11:00 tot 16:00</al><al>moet overwerken, krijgt voor de op die woensdag gewerkte overuren een
                        overwerkvergoeding van 25%.</al><al><cursief>Lid 5, onderdeel c</cursief></al><al>Indien een ambtenaar volgens rooster moet werken op een zondag of een
                        daarmee gelijkgestelde vrije dag</al><al>(nadrukkelijk wordt géén lokale feestdag bedoeld), en vervolgens ook nog
                        overwerkt op die dag, dan is in</al><al>principe de normale overwerkvergoeding van toepassing. Het college heeft de
                        bevoegdheid om in plaats van</al><al>bedoelde vergoedingsregeling een vergoedingspercentage van 80 toe te kennen,
                        ongeacht de uren waarop</al><al>overwerk werd verricht.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Dit artikellid ziet op de mogelijkheid dat het college een regeling treft
                        waardoor ambtenaren vanaf een bepaalde</al><al>salarisschaal niet meer in aanmerking komen voor overwerkvergoeding. In de
                        praktijk is dit vaak salarisschaal</al><al>11.</al><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>De overwerkregeling is niet van toepassing bij indienstroeping vanwege
                        oorlog, oorlogsgevaar of andere</al><al>bijzondere omstandigheden, of bij toepassing van de Rampenwet. Het college
                        kan op een andere wijze de</al><al>vergoeding voor dergelijke werkzaamheden regelen.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:3</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De artikelen 3:2 tot en met 3:5 kennen eenzelfde terminologie, in die zin
                        dat wordt bepaald dat in een nader vast</al><al>te stellen regeling zaken omtrent het recht op bijvoorbeeld een
                        overwerkvergoeding worden uitgewerkt. Om</al><al>bij hetzelfde voorbeeld te blijven, het recht op een overwerkvergoeding
                        (artikel 3:2) vormt het uitgangspunt, in</al><al>een nadere regeling - in veel gevallen is dit de Uitwerkingsovereenkomst
                        (UWO) - wordt bepaald hoe hoog de</al><al>vergoeding is en/of in welke gevallen een uitzondering geldt.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De regeling toelage onregelmatige dienst (TOD), die herzien is met ingang
                        van 1 januari 1997, kent als</al><al>hoofdregel dat aanspraak op TOD gemaakt kan worden over vastgestelde
                        werktijden die als onregelmatig</al><al>kunnen worden beschouwd. Onregelmatig zijn werktijden die vallen op
                        tijdstippen buiten de periode van</al><al>8.00 uur tot en met 18.00 uur op maandag tot en met vrijdag. De hoogte van
                        de vergoeding is een lokale</al><al>aangelegenheid.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In afwijking van de hoofdregel wordt, indien slechts eenmaal per week
                        werktijd wordt aangewezen in één</al><al>aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur die tussen 18.00 uur en 08.00
                        uur op maandag tot en met vrijdag</al><al>of op zaterdag valt, deze niet als onregelmatig beschouwd. Er bestaat in dat
                        geval dan ook geen recht op een</al><al>toelage. Indien meer werktijd wordt aangewezen (al dan niet aansluitend aan
                        de genoemde periode van ten</al><al>hoogste 3 uur), die valt buiten de regelmatige uren is er recht op een
                        vergoeding (dus ook over de periode van</al><al>ten hoogste 3 uur).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid geeft een garantie voor degenen voor wie al voor 1 januari
                        1997 in de regel werktijd op zaterdag</al><al>werd vastgesteld. Ook na 1 januari 1997 behouden zij recht op een toelage,
                        ook indien het slechts een periode</al><al>van 3 uur (of minder) betreft. Gewezen wordt nog op het bepaalde in artikel
                        4:2, tweede lid onder d, dat beoogt</al><al>ontwijken van de hier neergelegde garantie te voorkomen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Geeft de mogelijkheid om nader te regelen in welke gevallen geen aanspraak
                        op vergoeding bestaat. Hiervan is</al><al>bijvoorbeeld in artikel 3:3:1 gebruikgemaakt.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:3:1</cursief></vet></al><al>Met dit artikel wordt duidelijk dat voor de beschikbaarheidsdiensten een
                        afzonderlijke vergoedingsregeling</al><al>door het college wordt vastgesteld. Voor beschikbaarheidsdiensten geldt dus
                        niet automatisch een toelage</al><al>onregelmatige dienst.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:4:1</cursief></vet></al><al>Er ontstaat recht op een verschuivingsvergoeding indien de vooraf feitelijk
                        vastgestelde arbeidsduur en/of de</al><al>vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, worden
                        verschoven binnen een aangegeven</al><al>tijdsbestek. Indien de verschuiving plaatsvindt binnen 72 uur voor aanvang,
                        ontstaat er altijd recht op de</al><al>verschuivingsvergoeding. Als de verschuiving tussen een maand en 72 uur voor
                        aanvang plaatsvindt, ontstaat</al><al>er alleen recht op de verschuivingsvergoeding als de verschuiving
                        plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit</al><al>vereist. Bijvoorbeeld: de ambtenaar is in week 14 voor 36 uur en in week 15
                        voor 38 uur ingeroosterd. Binnen</al><al>72 uur voor aanvang, dus bijvoorbeeld op zaterdag, wordt de arbeidsduur voor
                        deze weken verschoven week 14</al><al>wordt 40 uur en week 15 wordt 34 uur. De ambtenaar heeft dan recht op een
                        verschuivingsvergoeding over de</al><al>4 uur die in week 14 zijn verschoven (in feite verschoven van week 15 naar
                        week 14). In deze situatie is er geen</al><al>sprake van overwerk.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:5:1</cursief></vet></al><al>Voor het bepalen van de datum van een ambtsjubileum komt in aanmerking de al
                        of niet aansluitende tijd,</al><al>doorgebracht in een betrekking bij de overheid (voltijd en/of deeltijd). Het
                        maakt daarbij niet uit of het een</al><al>aanstelling of een arbeidsovereenkomst is. De nadere vaststelling van het
                        begrip 'overheid' kan geschieden in de</al><al>vorm van een regeling. In de praktijk zoeken veel gemeenten aansluiting bij
                        de terzake geldende rijksregeling,</al><al>zoals opgenomen in de ministeriële regeling van 9 november 1989, Stcrt. 223.
                        De tijd doorgebracht als</al><al>vrijwilliger bij de brandweer telt dan bijvoorbeeld niet mee, evenmin
                        onbezoldigde baantjes of stages. Militaire</al><al>diensttijd telt wél mee.</al><al>Overigens is een ambtsjubileumgratificatie niet in alle gevallen onbelast;
                        het is derhalve raadzaam dit bij de</al><al>Belastingdienst te controleren.</al><al>NB: er zijn lokale regelingen waarin een ambtsjubileumgratificatie bij een
                        12 1/2-jarig overheidsdienstverband</al><al>wordt toegekend. Een dergelijke uitkering is altijd belast.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een proportionele ambtsjubileumgratificatie wordt alleen verstrekt bij
                        reorganisatieontslag, bij ontslag op grond</al><al>van arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer en bij ontslag wegens pré-VUT en
                        FPU, voor zover dit volledig</al><al>ontslag betreft. Van deze ontslaggronden is alleen ontslag op grond van
                        artikel 8:4 gedeeltelijk mogelijk. Alleen</al><al>in deze situatie kan het dus voorkomen dat een proportionele
                        ambtsjubileumgratificatie verstrekt moet worden</al><al>naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag is verleend.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:6</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De hoogte van de structurele eindejaarsuitkering bedraagt: 0,0275 x het
                        salaris op jaarbasis. Voor degenen</al><al>met een deeltijdaanstelling of arbeidsovereenkomst wordt de
                        eindejaarsuitkering conform het salaris</al><al>vermenigvuldigd met de deeltijdfactor.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De eindejaarsuitkering van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf januari van
                        dat jaar opgebouwde aanspraken</al><al>per maand. Aan ambtenaren die niet een geheel kalenderjaar in dienst zijn,
                        wordt een eindejaarsuitkering</al><al>betaald over dat gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband
                        werkzaam zijn geweest.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:7:1 t/m 3:7:7</cursief></vet></al><al>De militaire dienstplicht in Nederland bestaat nog steeds. Dit is geregeld
                        in de Kaderwet Dienstplicht. De</al><al>bepalingen die in deze wet zijn opgenomen over “oproeping voor opleiding en
                        oefening” zijn echter opgeschort.</al><al>Dat betekent dat – op dit moment – de “opkomstplicht” niet bestaat. Dat de
                        dienstplicht nog bestaat, betekent</al><al>dat ambtenaren opgeroepen kunnen worden te voldoen aan hun dienstplicht. In
                        dat geval zal toepassing gegeven</al><al>moeten worden aan de artikelen 3:7:1 tot en met 3:7:7.</al><al><vet><cursief>Artikel 3:7:8</cursief></vet></al><al>Dit artikel regelt de functioneringstoelage op grond van buitengewone
                        bekwaamheid, geschiktheid en ijver,</al><al>wanneer de ambtenaar het maximum van zijn functieschaal/uitloopschaal heeft
                        bereikt. Deze toelage draagt een</al><al>structureel karakter. Er is sprake van een koppeling tussen het
                        maximumsalaris en de uitoefening van de functie.</al><al>Wanneer deze koppeling wegvalt (bijvoorbeeld: er vindt een fuwa-ronde plaats
                        als gevolg waarvan de functie</al><al>hoger wordt gewaardeerd), dan vervalt ook de functioneringstoelage.</al><al>Deze toelage wordt door het college toegekend, ook in het geval dat de
                        toelage voor de gemeentesecretaris is</al><al>bestemd.</al><al><vet>4 Arbeidsduur en werktijden</vet></al><al><vet><cursief>Inleiding</cursief></vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt een onderscheid gemaakt tussen arbeidsduur en
                        werktijden. Arbeidsduur heeft te maken</al><al>met de omvang van de betrekking, bij een volledige betrekking is deze 36 uur
                        per week. Bij de arbeidsduur</al><al>wordt een onderscheid gemaakt tussen de formele en de feitelijke
                        arbeidsduur. Zie hiervoor de toelichting bij</al><al>artikel 1:1.</al><al>Naast de arbeidsduur wordt in dit hoofdstuk gesproken over de werktijd.
                        Onder werktijd wordt verstaan de</al><al>periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar
                        arbeid moet worden verricht. De</al><al>werktijd kan geheel of gedeeltelijk worden vastgelegd. Indien de werktijden
                        gedeeltelijk zijn vastgelegd, spreekt</al><al>men bijvoorbeeld van bloktijden.</al><al><vet><cursief>Artikel 4:1</cursief></vet></al><al>De mogelijkheid wordt gecreëerd om lokaal van een feitelijke wekelijkse
                        arbeidsduur gebruik te maken die zich</al><al>beweegt binnen bepaalde marges ten opzichte van de formele arbeidsduur per
                        week (bandbreedte).</al><al>Voor voltijders (36 uur) is deze bandbreedte zes uur, zodat de feitelijke
                        arbeidsduur per week tussen de 30 en 42</al><al>uur kan worden vastgesteld. Deeltijders die een formele arbeidsduur per week
                        hebben waarvan de omvang ligt</al><al>tussen 24 en 36 uur, kennen eveneens een bandbreedte van zes uur. Voor
                        deeltijders die een formele arbeidsduur</al><al>per week hebben waarvan de omvang ligt tussen 12 uur en 24 uur, is een
                        bandbreedte vastgesteld op vier uur.</al><al>Voor deeltijders met een aanstelling voor minder dan 12 uur per week, geldt
                        een bandbreedte van twee uur.</al><al>Met deze bandbreedte wordt een instrument geboden om flexibel met de
                        wekelijkse arbeidsduur om te gaan. De</al><al>bandbreedte maakt het mogelijk dat in drukke perioden langer wordt gewerkt
                        dan de formele arbeidsduur per</al><al>week en in minder drukke tijden minder. Op jaarbasis dient men uit te komen
                        op de maximale arbeidsduur per</al><al>jaar die hoort bij de omvang van de betrekking (voltijders maximaal 1836
                        uur). De ambtenaar die in de loop van</al><al>een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft een maximale
                        arbeidsduur die naar rato van het aantal</al><al>te werken maanden wordt berekend (lid 3). Indien voor deze ambtenaar gebruik
                        wordt of is gemaakt van de</al><al>bandbreedte, zal rekening gehouden moeten worden met de voor hem geldende
                        maximale arbeidsduur.</al><al><cursief>Bijvoorbeeld:</cursief></al><al>Een ambtenaar verzoekt op 1 augustus ontslag met ingang van 1 oktober.
                        Indien deze ambtenaar gedurende het</al><al>hele jaar werkzaam zou zijn, zou zijn arbeidsduur 1836 uur bedragen. In
                        verband met zijn ontslag met ingang</al><al>van 1 oktober moet zijn arbeidsduur naar rato van het aantal maanden dat hij
                        werkt, worden berekend, 1836 x</al><al>9/12 = 1377 uur. Het rooster tot 1 augustus zag er als volgt uit:</al><al>twee weken van 42 uur, vier weken van 40 uur, twee weken van 38 uur, twee
                        weken van 28 uur (i.v.m.</al><al>feestdagen) en de overige 20 weken 36 uur. Dit resulteert in een feitelijke
                        arbeidsduur van 1096 uur. Gedurende</al><al>zijn opzegtermijn (9 weken) moet deze ambtenaar nog 1377 - 1096 = 281 uur
                        volmaken. Deze uren kunnen</al><al>bijvoorbeeld als volgt worden verdeeld: drie weken van 30 uur, een week van
                        31 uur en vijf weken van 32 uur.</al><al>De laatste volzin maakt het mogelijk dat in twee gevallen kan worden
                        afgeweken van de arbeidsduur op</al><al>jaarbasis (1836 uur bij een volledige betrekking), namelijk in verband
                        met:</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>de verruiming van de arbeidsduur op grond
                        van artikel 2:7a;</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>de opbouw van extra vakantie-uren als
                        bedoeld in artikel 6:2, tweede lid.</al><al>Voor voltijders van wie de formele arbeidsduur per week op grond van artikel
                        2:7a (tijdelijk) is vastgesteld</al><al>op 40 uur blijft de bandbreedte 6 uur. De feitelijke arbeidsduur per week
                        kan daarmee tijdelijk op 46 worden</al><al>vastgesteld. De formele arbeidsduur per week van ambtenaren die gebruik
                        maken van de mogelijkheid van</al><al>artikel 6:2 wordt niet aangepast; de feitelijke arbeidsduur kan met
                        toepassing van de bandbreedte maximaal 42</al><al>uur bedragen. Daar bovenop kan de ambtenaar nog extra uren werken in verband
                        met de toepassing van artikel</al><al>6:2 lid 2. In alle gevallen dient rekening gehouden te worden met de
                        bepalingen uit de arbeidstijdenwetgeving.</al><al><vet><cursief>Artikel 4:2</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Op grond van de bepalingen in artikel 4:1 moet de arbeidsduur, indien deze
                        afwijkt van de formele arbeidsduur</al><al>per week, ruim van te voren (ten minste één maand voor aanvang) aan de
                        ambtenaar worden bekend gemaakt.</al><al>Op grond van de bepalingen in artikel 4:2 kunnen de werktijden worden
                        vastgesteld. Indien aan de ambtenaar</al><al>wisselende werktijden worden opgedragen, moeten de werktijden in een rooster
                        worden vastgesteld. De</al><al>werktijden moeten dan ruim van te voren (eveneens tenminste één maand) aan
                        de ambtenaar bekend gemaakt</al><al>worden. Beide bepalingen noodzaken een goede planning.</al><al>Bij het vaststellen van de werktijden hoort rekening te worden gehouden met
                        de bepalingen van de</al><al>Arbeidstijdenwet (ATW).</al><al><cursief>Lid 2, onder d</cursief></al><al>Het hier bepaalde moet in nadrukkelijke samenhang gezien worden met het
                        bepaalde in artikel 3:3, derde lid.</al><al>Dit onderdeel beoogt slechts te voorkomen dat personen die al vóór 1 januari
                        1997 in de regel op zaterdag</al><al>werkten - en die dus krachtens artikel 3:3, derde lid recht zouden hebben op
                        een toelage - tegen hun zin</al><al>vervangen worden door personen die vóór 1 januari 1997 niet in de regel op
                        zaterdag werkten - en dus volgens</al><al>de regels van artikel 3:3, tweede lid geen recht op een toelage hebben.</al><al><vet><cursief>Artikel 4:2:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Als in het belang van de dienst op een zondag/feestdag arbeid moet worden
                        verricht, moet de ambtenaar zo</al><al>veel mogelijk in de gelegenheid worden gesteld de kerk te bezoeken en dient
                        de arbeid zo beperkt mogelijk</al><al>te worden gehouden. Hoe moet worden omgegaan met degene die tot een
                        kerkgenootschap behoort dat de</al><al>wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, is geregeld in het
                        vijfde lid van dit artikel.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het verrichten van arbeid op de genoemde feestdagen wordt voor dit artikel
                        gelijkgesteld aan het verrichten van</al><al>arbeid op zondag.</al><al>In de berekening voor het vaststellen van de arbeidsduur per jaar wordt
                        rekening gehouden met de feestdagen.</al><al>Indien bijvoorbeeld op tweede paasdag toch gewerkt moet worden en de
                        werktijd wordt ingeroosterd, ontstaat er</al><al>geen overwerk. Derhalve komt deze tijd ook niet voor een overwerkvergoeding
                        in aanmerking. De gewerkte tijd</al><al>telt wel mee voor de berekening van de arbeidsduur op jaarbasis.</al><al>Moet de ambtenaar buiten de voor hem vastgestelde werktijd arbeid
                        verrichten, dan is er wel sprake van</al><al>overwerk. Voor de bepaling van de hoogte van de overwerkvergoeding voor
                        gewerkte tijd op tweede paasdag</al><al>geldt dat - op grond van artikel 3:2:1, vijfde lid, onder b, van de UWO -
                        deze feestdag gelijk wordt gesteld aan</al><al>een zondag. Voor een berekeningsvoorbeeld van de overwerkvergoeding wordt
                        verwezen naar de toelichting bij</al><al>artikel 3:2:1, vijfde lid, onder a, van de UWO.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Dit artikellid bepaalt dat lokale feestdagen voor de regeling van de
                        werktijd beschouwd worden als een zondag.</al><al>Dat betekent dat in principe op een lokale feestdag niet gewerkt wordt.
                        Gelijkstelling met een zondag betekent</al><al>echter niet dat overwerk op een lokale feestdag als overwerk op zondag moet
                        worden gezien. Dat is immers niet</al><al>in dit artikel geregeld, maar in artikel 3:2:1.</al><al>Dergelijke aangewezen dagen moeten in de berekening van de arbeidsduur op
                        jaarbasis worden meegenomen.</al><al>Voorbeelden van bovengenoemde door het college aangewezen feestdagen zijn de
                        carnavalsmaandag, maar</al><al>ook de 5-meiviering. Met betrekking tot 5 mei wordt het volgende opgemerkt.
                        5 mei is een algemeen erkende</al><al>feestdag in het kader van de Algemene Termijnenwet en in 1990 is de dag
                        erkend als een jaarlijkse nationale</al><al>feestdag (Koninklijk Besluit 24 september 1990).</al><al>Vaak wordt er gedacht dat 5 mei eens in de vijf jaar een nationaal erkende
                        dag en dus een doorbetaalde</al><al>vrije dag is. Dit berust op een misverstand. Vóór 1990 was 5 mei eens in de
                        vijf jaar een erkende nationale</al><al>feestdag. In 1990 meende het kabinet dat de dag inmiddels voldoende
                        verankerd was in de samenleving, dat</al><al>het gerechtvaardigd was om het als nationale feestdag aan te wijzen. Ook in
                        lustrumjaren is 5 mei echter geen</al><al>vrije dag voor gemeenteambtenaren; sociale partners in de gemeentelijke
                        sector hebben hierover immers geen</al><al>afspraken gemaakt.</al><al>Bevrijdingsdag, 5 mei, is dus niet een feestdag als bedoeld in het derde
                        lid. Voor gemeenteambtenaren is 5 mei</al><al>dan ook een gewone werkdag, tenzij lokaal anders is geregeld. In dat geval
                        is artikel 4:2:1, lid 4, van toepassing.</al><al><vet><cursief>Artikel 4:3</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Vanaf 1 april 2006 is niet meer mogelijk om extra uren te werken en deze
                        uren te sparen. De medewerker die</al><al>deelnam aan de verlofspaarregeling behoudt zijn reeds opgebouwde
                        verloftegoed. Werkgever en werknemer</al><al>bepalen in onderling overleg hoe het opgebouwde spaartegoed wordt aangewend.
                        Er zijn hierbij twee scenario's</al><al>denkbaar. In het eerste scenario behoudt de medewerker zijn reeds opgebouwde
                        verloftegoed en werkgever en</al><al>medewerker bepalen in onderling overleg wanneer dat verlof wordt genoten. In
                        het tweede scenario wordt het</al><al>verloftegoed van de medewerker gekapitaliseerd en gestort in de
                        levensloopregeling.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot 1 april 2006 had de ambtenaar de mogelijkheid om gedurende een
                        afgesproken spaarperiode ten hoogste</al><al>gemiddeld 1/9 deel van de voor die spaarperiode geldende formele arbeidsduur
                        per week aan spaaruren op te</al><al>bouwen. Vanaf 1 april 2006 vindt geen opbouw van spaarverlof meer
                        plaats.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Wanneer het opgebouwde verloftegoed wordt behouden, dienen ambtenaar en
                        college overeen te komen</al><al>wanneer dit verlof wordt genoten. Dit verlof kan op elk willekeurig moment
                        worden genoten, ook voorafgaand</al><al>aan pensionering en een periode van levensloopverlof. Voor het toekennen van
                        het reeds opgebouwde</al><al>spaarverlof gelden de normale regels zoals die gelden bij het toekennen van
                        vakantieverlof. De medewerker</al><al>geeft aan op welk moment hij het verlof wil genieten en tenzij de belangen
                        van de dienst zich hiertegen</al><al>verzetten, wordt het verlof verleend.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Werkgever en medewerker kunnen in onderling overleg besluiten het opgebouwde
                        verloftegoed om te zetten in</al><al>een geldbedrag (kapitaliseren van verlof) en dit bedrag te storten op de
                        levenslooprekening van de medewerker.</al><al>De werkgever is niet verplicht om in te stemmen met een verzoek tot
                        kapitalisatie van het verlof. Ook wanneer</al><al>een medewerker zijn verlofspaartegoed niet wenst te kapitaliseren kan hij
                        hiertoe niet worden verplicht.</al><al>Wanneer zowel werkgever als medewerker besluiten tot het kapitaliseren van
                        verlof kan dit enkel binnen</al><al>de randvoorwaarden zoals die worden gesteld in hoofdstuk 6a De gemeentelijke
                        levensloopregeling en</al><al>in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Dit houdt in dat
                        enkel tot kapitalisatie van</al><al>het verloftegoed kan worden overgegaan wanneer het levensloopsaldo van een
                        medewerker aan het</al><al>begin van het kalenderjaar minder bedraagt dan 210% van het loon over het
                        voorgaande kalenderjaar. De</al><al>wettelijke levensloopregeling bepaalt dat een medewerker niet meer mag
                        sparen wanneer het saldo op de</al><al>levenslooprekening meer bedraagt dan 210% van het loon over het voorgaande
                        kalenderjaar. Ook geldt de</al><al>voorwaarde dat jaarlijks maximaal 12% van het loon in het kalenderjaar mag
                        worden ingelegd. Met het loon in</al><al>een kalenderjaar wordt het belastbare loon in de zin van de Wet op de
                        loonbelasting 1964 bedoeld, m.a.w. het</al><al>loon voor de loonheffing, kolom 6 (veelal zal dit het brutoloon zijn dat
                        vermeld staat op de loonstrook van de</al><al>medewerker).</al><al>Voor medewerkers geboren na 1949 en voor 1955 geldt dit laatste maximum van
                        12% van het loon in het</al><al>kalenderjaar niet. Zie artikel 61 e lid 1 Uitvoeringsregeling loonbelasting
                        2001.</al><al>Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment
                        van uitbetalen geldende uurloon</al><al>van de ambtenaar. Omdat dit bedrag wordt gestort op de levenslooprekening
                        van de medewerker worden op dit</al><al>bedrag geen loonbelasting en premies volksverzekeringen ingehouden, wel
                        premies werknemersverzekering en</al><al>pensioenpremie. De inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage wordt niet over
                        dit bedrag ingehouden.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><al>Een medewerker die is geboren in 1970 heeft een verlofspaartegoed van 352
                        uur. Zijn salaris (schaalbedrag)</al><al>bedraagt € 2000. Zijn jaarinkomen is € 28.000. Hij heeft nog geen tegoed op
                        zijn levenslooprekening.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>-#De waarde van een verlofuur moet worden
                        berekend. Dit is het schaalbedrag * 1/156 (artikel 1:1, eerste lid</al><al>onder o) = 2000/156 = € 12,82.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>-#De totale waarde van zijn verloftegoed
                        bedraagt € 12,82 * 352 = € 4512,64.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>-#Op basis van zijn jaarinkomen mag hij
                        maximaal 12 % van € 28.000 = € 3360 sparen op zijn</al><al>levenslooprekening.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>-#Er kan dit jaar dus maximaal 262 uur (=
                        3360/12,82 afgerond) worden gekapitaliseerd. Dit komt overeen</al><al>met een bedrag van € 3359. De overige uren (352-262 = 90) blijven staan als
                        verlof en kunnen eventueel in</al><al>een volgend jaar worden gekapitaliseerd.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief></al><al>Een medewerker die is geboren in 1951 heeft een verlofspaartegoed van 300
                        uur. Zijn salaris (schaalbedrag) is €</al><al>3250.Zijn jaarinkomen bedraagt € 45.000. Hij heeft een saldo van € 90.000 op
                        zijn levenslooprekening.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Omdat deze persoon al een tegoed heeft op
                        zijn levenslooprekening wordt eerst bekeken of hij nog verder</al><al>mag sparen. Het saldo mag niet meer bedragen dan 210% van zijn jaarinkomen.
                        In dit voorbeeld mag het</al><al>saldo dus niet meer bedragen dan 210% * € 45.000 = € 94.500. Dit jaar mag er
                        nog € 4.500 (94.500 - 90.000)</al><al>worden gespaard. De bepaling dat jaarlijks maximaal 12% van zijn jaarinkomen
                        mag worden ingelegd is niet</al><al>van toepassing op deze ambtenaar omdat hij is geboren na 1949 en voor
                        1955.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De waarde van een verlofuur bedraagt €
                        3250/156 = € 20,83.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De totale waarde van zijn verloftegoed
                        bedraagt € 20,83 * 300 = € 6249. Dit is meer dan het maximale dat</al><al>nog kan worden gespaard.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Er kan dit jaar dus maximaal 216 uur (=
                        4500/20,83) worden gekapitaliseerd. Dit komt overeen met een</al><al>bedrag van € 4499. De overige uren (300-216 = 84) blijven staan als verlof
                        en kunnen eventueel in een</al><al>volgend jaar worden gekapitaliseerd indien dit binnen de gestelde
                        voorwaarden mogelijk is.</al><al>De medewerker en werkgever kunnen indien zij besluiten over te gaan tot
                        kapitalisatie van het</al><al>verlofspaartegoed dit op elk gewenst moment doen. Wanneer dit jaar niet
                        wordt overgegaan tot kapitalisatie van</al><al>het verlof kan in een volgend jaar alsnog worden besloten dit wel te doen.
                        Wanneer dit jaar wordt overgegaan</al><al>tot de kapitalisatie van een deel van het opgebouwde verloftegoed kan
                        eventueel in een volgend jaar het</al><al>resterende verloftegoed worden gekapitaliseerd. De ambtenaar dient hiertoe
                        een verzoek in en het college beslist</al><al>of aan dit verzoek kan worden voldaan.</al><al><cursief>Lid 4 t/m 9</cursief></al><al>In het vierde tot en met negende lid is vastgelegd hoe er moet worden
                        omgegaan met het opgebouwde</al><al>verloftegoed in geval van ontslag of in geval van overlijden van de
                        ambtenaar.</al><al>Wanneer een ambtenaar ontslag wordt verleend, gelden de volgende regels met
                        betrekking tot het verloftegoed.</al><al>Bij ontslag op verzoek (artikel 8:1 CAR) worden de verlofuren zoveel
                        mogelijk voor de ontslagdatum</al><al>opgenomen. In overeenstemming met de medewerker kan hiervoor de maximale
                        opzegtermijn zonodig worden</al><al>verlengd. Wanneer dit niet mogelijk is in verband met het aanvaarden van een
                        andere betrekking worden de</al><al>verlofuren die nog resteren aan de ambtenaar uitbetaald.</al><al>Als een ambtenaar wordt ontslagen wegens reorganisatie ( artikel 8:4 CAR),
                        onbekwaamheid of ongeschiktheid</al><al>(artikel 8:6 CAR), Pré-vut (artikel 8:10 CAR), FPU (artikel 8:11 CAR) of op
                        overige ontslaggronden (artikel</al><al>8:7, 8:8 CAR) wordt de medewerker in de gelegenheid gesteld om voorafgaand
                        aan het ontslag de verlofuren</al><al>die nog resteren op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet
                        opgenomen verloftegoed uitbetaald.</al><al>Wanneer een medewerker wordt ontslagen in verband met het niet nakomen van
                        bepaalde verplichtingen bij</al><al>ziekte (artikel 8:5a CAR) of als disciplinaire straf (artikel 8:13 CAR) is
                        de ambtenaar verplicht het resterende</al><al>opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen
                        tot ontslag aan de medewerker</al><al>is meegedeeld. Het ontslag gaat in na de eerste dag na afloop van de opname
                        van het opgebouwde verloftegoed.</al><al>In geval van ontslag wegens arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5 CAR) of
                        ontslag aansluitend op politiek verlof</al><al>(artikel 8:9 CAR) wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald.
                        Wanneer de ambtenaar overlijdt,</al><al>wordt aan de nabestaanden het resterende opgebouwde verloftegoed
                        uitbetaald.</al><al>Als het ontslag zoals hierboven beschreven gedeeltelijk ontslag betreft,
                        worden tussen de ambtenaar en</al><al>werkgever nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende
                        opgebouwde verloftegoed.</al><al><cursief>Lid 10</cursief></al><al>De ambtenaar ontvangt voor ieder verlofuur een bedrag dat gelijk staat aan
                        het geldende uurloon van de</al><al>ambtenaar op het moment van uitbetalen. Op het uitgekeerde moet niet alleen
                        loonbelasting en sociale premies</al><al>worden ingehouden maar ook de inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage
                        (6,5%) en de pensioenpremie.</al><al>Wanneer dit bedrag wordt gestort op de levenslooprekening van de medewerker
                        worden over dit bedrag geen</al><al>loonbelasting en premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke
                        ziektekostenbijdrage ingehouden, wel</al><al>premies werknemersverzekering en pensioenpremie.</al><al><vet>4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden</vet></al><al>Het uitwisselen van vrije tijd tegen geld en omgekeerd is een van de
                        elementen van een cafetariamodel of CAO</al><al>a la carte. Artikel 4a:1 maakt het mogelijk om vakantie-uren te verkopen en
                        artikel 4a:2 maakt het mogelijk</al><al>om extra vakantie-uren te kopen. Artikel 4a:3 maakt het mogelijk om een
                        lokale regeling te treffen met fiscaal</al><al>gunstige personeelsvoorzieningen.</al><al><vet><cursief>Artikel 4a:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2 en 3</cursief></al><al>Het maximum aantal uren dat per jaar mag worden verkocht is 72 uur. Bij een
                        volledige betrekking moet na</al><al>verkoop van vakantie-uren, 144 verlofuren resteren (tweede lid). Het minimum
                        aantal uren is ontleend aan</al><al>artikel 634 van boek 7, titel 10 van het BW, waarin is bepaald dat de
                        werknemer ten minste recht heeft op vier</al><al>maal de overeengekomen arbeidsduur per week. Bij een volledige formele
                        arbeidsduur gaat het dus om 4 x</al><al>36 uur = 144 uur. Hoewel formeel het BW niet van toepassing is, hebben
                        LOGA-partijen afgesproken op dit</al><al>punt het BW te volgen. Bij een volledige formele arbeidsduur is het aantal
                        vakantie-uren op grond van artikel</al><al>6:2, eerste lid, 158,4 uren per kalenderjaar. Echter op basis van het tweede
                        lid van artikel 6:2 kan dit aantal</al><al>uren worden verhoogd met maximaal 50,4 uren (voor voltijders) door in een
                        kalenderjaar 50,4 uur meer te</al><al>werken dan de arbeidsduur per jaar. Op deze wijze wordt het aantal
                        vakantie-uren verhoogd tot 208,8 uur en</al><al>kan maximaal 64,8 uur worden verkocht. Het verkopen van het maximale aantal
                        vakantie-uren (72 uur) is</al><al>uitsluitend mogelijk voor werknemers die verlofuren van het vorige jaar
                        hebben meegenomen.</al><al>Verder is het mogelijk om op grond van artikel 3:2:1 verlofuren die het
                        gevolg zijn van de vergoeding van</al><al>overwerk om te zetten in vakantie-uren. Overigens is dit omzetten niet
                        onbeperkt. De som van het aantal uren</al><al>op grond van artikel 3:2:1, tweede lid, en het aantal uren op grond van
                        artikel 6:2, tweede lid is maximaal 50,4</al><al>uren.</al><al>Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren naar rato van de
                        deeltijdfactor. Voor medewerkers die van de</al><al>seniorenmaatregel gebruikmaken geldt hetzelfde principe (zie ook artikel
                        6:2:1, zesde lid).</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De werkgever wijst een verzoek toe tenzij zwaarwegende bedrijfs- of
                        dienstbelangen zich daartegen verzetten.</al><al>Van zo'n belang is in ieder geval sprake indien toekenning van de aanvraag
                        leidt tot ernstige problemen:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>van financiële en organisatorische
                        aard;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>wegens het niet voorhanden zijn van
                        voldoende werk, of</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>omdat de vastgestelde formatieruimte of
                        personeelsbegroting daartoe geen ruimte biedt.</al><al>De werkgever rapporteert de toegewezen verzoeken met betrekking tot vakantie
                        voor geld en omgekeerd aan</al><al>de OR, zodat deze zicht heeft op het totale gebruik van de mogelijkheden.
                        Dit is een uitvloeisel van artikel</al><al>28 van de Wet op de ondernemingsraden, waarin is geregeld dat de OR de
                        naleving bevordert van de voor de</al><al>onderneming geldende voorschriften op het gebied van
                        arbeidsvoorwaarden.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Indien een medewerker vakantie-uren verkoopt, ontvangt hij per vakantie-uur
                        een vergoeding van een</al><al>(bruto) uursalaris bovenop zijn normale (bruto) salaris. Dit is zijn eigen
                        uursalaris, tenzij lokaal anders is</al><al>overeengekomen. Door het verkopen van vakantie-uren worden de grondslagen
                        voor WAO/WIA-premie,</al><al>pseudo-premie WW, UFO-premie, Zorgverzekeringswet, loonheffing en
                        inkomstenbelasting verhoogd. De</al><al>uitkeringen (op basis van de WAO, WIA, WW en ZW) en suppletie worden tevens
                        verhoogd. Het verkopen</al><al>van vakantie-uren heeft geen gevolgen voor de hoogte van de
                        eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en</al><al>levensloopbijdrage. Het verkopen van vakantie-uren is op basis van het
                        Pensioenreglement pensioengevend.</al><al>Het ABP hanteert echter de peildatumsystematiek waardoor de
                        pensioengrondslag gedurende een jaar niet kan</al><al>worden gewijzigd. De verhoging van het pensioengevend inkomen vanwege het
                        verkopen van vakantie-uren</al><al>kan in het pensioengevend inkomen van het volgende jaar worden
                        verwerkt.</al><al>De opbrengst van de verkoop van uren kan worden ingezet voor de
                        gemeentelijke levensloopregeling zoals</al><al>vastgelegd in hoofdstuk 6a. De tegenwaarde van de uren wordt dan gestort op
                        de levenslooprekening van de</al><al>medewerker.</al><al><vet><cursief>Artikel 4a:2</cursief></vet></al><al>Dit artikel is de tegenhanger van artikel 4a:1. Door middel van dit artikel
                        kan de ambtenaar geld uitwisselen</al><al>voor vrije uren. Een werknemer met een formele arbeidsduur van 36 uur kan
                        maximaal 72 vakantie-uren in een</al><al>kalenderjaar kopen. Voor de deeltijder geldt dit naar rato. Verrekening
                        geschiedt door middel van inhouding</al><al>van een geldbedrag.</al><al>Door het kopen van vakantie-uren worden de grondslagen voor WAO/WIA-premie,
                        pseudo-premie WW,</al><al>UFO-premie, Zorgverzekeringswet, loonheffing en inkomstenbelasting lager. In
                        tegenstelling tot bij het</al><al>verkopen van uren blijven de uitkeringen (op basis van de WAO, WIA, WW en
                        ZW) en suppletie onveranderd.</al><al>De eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en levensloopbijdrage blijven ook
                        onveranderd. Het pensioengevend</al><al>inkomen als genoemd in artikel 3.1 van het Pensioenreglement wijzigt bij de
                        aankoop van vakantie-uren niet</al><al>mits wordt voldaan aan de voorwaarden van het besluit van 22 februari 2002,
                        CPP2001/3047M.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zoals vermeld in lid 3 is in
                        ieder geval sprake indien toewijzing</al><al>van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting
                        van de vrijgekomen uren;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>op het gebied van veiligheid, of</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>van roostertechnische aard.</al><al><vet><cursief>Artikel 4a:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel lid biedt de mogelijkheid om de bezoldiging,
                        eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering of de</al><al>vergoeding voor extra te werken uren te verlagen in ruil voor andere
                        bestedingsmogelijkheden. Te denken</al><al>valt aan zaken als PC-privé-projecten, fiets-privé-projecten, etc. Dit kan
                        een fiscaal voordeel opleveren</al><al>voor de ambtenaar, als aan de fiscale voorwaarden wordt voldaan. In ieder
                        geval wordt door deze bepaling</al><al>aan de voorwaarde van de fiscus voldaan dat er een basis in de
                        arbeidsvoorwaardenregeling is gelegd voor</al><al>het inleveren van bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantie-uitkering en
                        vergoeding voor de verkoop van</al><al>vakantie-uren. De vergoeding voor extra te werken uren, als bedoeld in
                        artikel 4a:1, vijfde lid, kan pas per 1</al><al>januari 2000 worden verlaagd of ingeleverd ten behoeve van een
                        PC-privé-regeling, omdat de eerste vergoeding</al><al>pas in het kalenderjaar 2000 kan worden verstrekt.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In een lokaal te treffen PC-privé-regeling, fiets-privé-regeling etc. kunnen
                        de voorschriften en de voorwaarden</al><al>worden vastgelegd, rekening houdend met de fiscale randvoorwaarden.</al><al>De lokale bezoldigingsverordening mag een dergelijke tijdelijke verlaging
                        van de bezoldiging niet in de weg</al><al>staan.</al><al><vet>5 Seniorenmaatregelen</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 5:1</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Artikel 5:1 voorziet in de mogelijkheid voor degene die de leeftijd van 56
                        jaar heeft bereikt en aan bepaalde</al><al>voorwaarden voldoet, op verzoek de geldende werktijd terug te brengen met
                        een vijfde deel. Ook degene die in</al><al>deeltijd werkt, heeft dus de mogelijkheid van de seniorenregeling gebruik te
                        maken. De enige restrictie is dat na</al><al>vermindering een werktijd van acht uur resteert. De bezoldiging van de
                        'senior' wordt voor 90% uitbetaald. Ten</al><al>aanzien van de lopende gevallen - degenen die op 1 april 1996 reeds
                        gebruikmaken van de seniorenregeling -</al><al>geldt dat zij de volledige bezoldiging behouden.</al><al>De bepaling bevat in het eerste lid, onderdeel b, een voorbehoud wat betreft
                        het dienstbelang. Wanneer de</al><al>'senior' binnen de gemeentelijke organisatie een sleutelfunctie bekleedt
                        waarbij een voltijdse aanwezigheid</al><al>vereist is en vervanging tot problemen leidt, bestaat de mogelijkheid het
                        verzoek tot terugbrengen van de</al><al>werktijd af te wijzen. Partijen kunnen overeenstemming bereiken over een
                        andere oplossing. Het seniorenverlof</al><al>kan bijvoorbeeld worden gespreid over de werkweek en in de vorm van enkele
                        uren per dag worden</al><al>opgenomen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Indien een ambtenaar gebruikmaakt van de 56-jarigenregeling, waardoor de
                        seniorenarbeidsduur met een vijfde</al><al>wordt teruggebracht, moet voor het hanteren van de bandbreedte worden
                        uitgegaan van de teruggebrachte</al><al>arbeidsduur. Bijvoorbeeld, voor een ambtenaar wordt de formele arbeidsduur
                        teruggebracht van 36 naar 28,8</al><al>uur. De bandbreedte wijzigt hierdoor niet. Echter, wordt voor een ambtenaar
                        de seniorenarbeid teruggebracht</al><al>van 25 naar 20 uur, dan wijzigt de bandbreedte wel, namelijk van +/- 6 uur
                        naar +/- 4 uur.</al><al><vet><cursief>Artikel 5:2</cursief></vet></al><al>Het gaat hier om de mogelijkheid vervroegd uit te treden vanaf het moment
                        dat de werknemer de leeftijd van 60</al><al>jaar heeft bereikt. De duur van deze regeling is één jaar. Deze
                        gemeentelijke pré-VUT-regeling is geënt op de</al><al>VUT-regeling zoals die laatstelijk luidde voor 1 april 1987. Dit betekent
                        dat aan de betrokkene - op grond van</al><al>het bepaalde in artikel 8:10 - ontslag wordt verleend.</al><al>De uitkering eindigt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op
                        die waarop betrokkene de leeftijd</al><al>van 61 jaar heeft bereikt. Vanaf dat moment kan betrokkene een FPU-uitkering
                        aanvragen.</al><al>Het recht op een pré-VUT-uitkering ontstaat op de dag waarop hij de leeftijd
                        van 60 jaar bereikt. De uitkering</al><al>wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag
                        waarop hij 60 jaar is geworden.</al><al>Een voorbeeld: een ambtenaar wordt op 15 juni 60 jaar en wil gebruikmaken
                        van de pré-VUT. Het recht op de</al><al>pré-VUT-uitkering ontstaat per 15 juni, de betaling van de uitkering begint
                        echter op 1 juli (de eerste dag van</al><al>de volgende maand). Om de bezoldiging naadloos te laten overgaan in de
                        pré-VUT-uitkering is het raadzaam</al><al>betrokkene per 30 juni pré-VUT-ontslag te verlenen.</al><al>Het derde lid bepaalt dat de ambtenaar die ervoor gekozen heeft gebruik te
                        maken van de 56jarigen- of</al><al>60-jarigenregeling, niet vervroegd kan uittreden op grond van de
                        pre-VUT-regeling.</al><al><vet><cursief>Artikel 5:3</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Dit artikel voorziet in de mogelijkheid voor de ambtenaar die de leeftijd
                        van 60 jaar heeft bereikt, de werktijd</al><al>tot de helft terug te brengen waarbij de bezoldiging gedurende een jaar voor
                        95% wordt uitbetaald.</al><al>Als nadere voorwaarde geldt dat betrokkene ten minste 14,4 uur per week
                        werkzaam is en een ononderbroken</al><al>diensttijd heeft van tien jaar. Daarbij geldt het vereiste dat het verzoek
                        van werkgevers- of van werknemerszijde</al><al>tot vermindering van de werktijd is ingewilligd.</al><al>Het verzoek van de ambtenaar gebruik te kunnen maken van de
                        60-jarigenregeling kan vanuit werkgeverszijde</al><al>worden geweigerd wanneer er sprake is van een organisatorisch belang.
                        Wanneer de werkgever de ambtenaar</al><al>verzoekt gebruik te maken van de 60-jarigenregeling, kan de ambtenaar om
                        redenen die voor hem van belang</al><al>zijn weigeren op dit verzoek in te gaan.</al><al>Wanneer het verzoek tot arbeidsduurvermindering is gehonoreerd, wordt de
                        bezoldiging voor 95% uitbetaald</al><al>waarbij de arbeidsduur met de helft wordt teruggebracht. Betrokkene krijgt
                        de bezoldiging voor 95%</al><al>doorbetaald tot het moment dat de leeftijd van 61 jaar is bereikt. Let wel,
                        het gaat hier uitsluitend om het</al><al>bereiken van de leeftijd van 61 jaar. Dit betekent dat degene die reeds 40
                        dienstjaren heeft voordat de leeftijd</al><al>van 61 jaar wordt bereikt of op het moment dat betrokkene 60 jaar wordt,
                        niettemin 95% van de bezoldiging</al><al>behoudt tot het moment van bereiken van de leeftijd van 61 jaar. De
                        ambtenaar met 40 dienstjaren kan op deze</al><al>wijze gedurende een jaar van de 60-jarigenregeling gebruikmaken.</al><al>Indien de ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen
                        gebruikmaakt van de mogelijkheid van</al><al>FPU dan wel niet volledig uittreedt maar slechts voor een deel
                        (deeltijd-FPU), ontstaat de volgende situatie:</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>geen FPU-ontslag De formele arbeidsduur
                        blijft gehandhaafd op 100%, de verminderde seniorenarbeidsduur</al><al>blijft gehandhaafd op 50%; de doorbetaling van de bezoldiging wordt in
                        overeenstemming gebracht met</al><al>de omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur en komt daarmee op 50% van
                        de oorspronkelijke</al><al>bezoldiging.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>gedeeltelijk FPU-ontslag Van de ambtenaar
                        die voor 50% of minder van de oorspronkelijke</al><al>betrekkingsomvang uittreedt, wordt de formele arbeidsduur dienovereenkomstig
                        aangepast. De verminderde</al><al>seniorenarbeidsduur wordt echter gehandhaafd op 50% van de oorsrponkelijke
                        formele arbeidsduur. De</al><al>doorbetaling van de bezoldiging wordt in overeenstemming gebracht met de
                        omvang van de verminderde</al><al>seniorenarbeidsduur. Van de ambtenaar die voor meer dan 50% uittreedt,
                        worden de formele en de</al><al>seniorenarbeidsduur teruggebracht met eenzelfde percentage. De doorbetaling
                        van de bezoldiging komt</al><al>overeen met de betrekkingsomvang die resteert.</al><al>Dat levert voor een ambtenaar met een aanstelling van 36 uur per week het
                        volgende beeld op:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Indien er geen sprake is van FPU-ontslag bij
                        het bereiken van de leeftijd van 61 jaar; De formele arbeidsduur</al><al>blijft gehandhaafd op 36 uur, de seniorenarbeidsduur op 18; de bezoldiging
                        wordt voor 50% doorbetaald en</al><al>dus gebaseerd op 18 uur.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Indien er sprake is van 50% FPU-ontslag bij
                        61 jaar: Als gevolg van 50% FPU-ontslag, wordt de formele</al><al>arbeidsduur teruggebracht tot 18 uur, de seniorenarbeidsduur wordt
                        gehandhaafd op 18 uur. De bezoldiging</al><al>wordt voor dat gedeelte doorbetaald dat gelijk is aan de omvang van de
                        seniorenarbeidsduur en dus</al><al>gebaseerd op 18 uur. Voor het 'FPU-deel' ontvangt de ambtenaar een
                        FPU-uitkering.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Indien er sprake is van 30% FPU-ontslag bij
                        61 jaar: Wanneer de ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd</al><al>van 61 jaar voor 30% uittreedt, wordt de formele arbeidsduur
                        dienovereenkomstig aangepast. Er resteert dan</al><al>een formele arbeidsduur van 70% van de oorspronkelijke. De
                        seniorenarbeidsduur wordt echter gehandhaafd</al><al>op 18 uur. De bezoldinging wordt voor dat gedeelte doorbetaald dat
                        overeenkomstig met de omvang van</al><al>de seniorenarbeidsduur en dus gebaseerd op 18 uur. De ambtenaar krijgt dus
                        geen 70% maar 50% van zijn</al><al>oorspronkelijke bezoldiging doorbetaald. Voor het 'FPU-deel' ontvangt de
                        ambtenaar een FPU-uitkering.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Indien er sprake is van 70% FPU-ontslag bij
                        61 jaar: De formele arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur</al><al>en de bezoldiging worden dienovereenkomstig aangepast. Dat betekent dat de
                        formele arbeidsduur van</al><al>deze ambtenaar wordt gesteld op 30% van de oorspronkelijke; zijn bezoldiging
                        bedraagt ook 30% van de</al><al>oorspronkelijke bezoldiging. Voor het 'FPU-deel' ontvangt de ambtenaar een
                        FPU-uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid regelt de situatie van degene die reeds gebruikmaakt van de
                        56-jarigenregeling en vervolgens</al><al>voor de 60-jarigenregeling in aanmerking wenst te komen. Er zijn twee
                        categorieën te onderscheiden, te weten</al><al>degenen die voor 1 april reeds gebruikmaken van de 56jarigenregeling en
                        degenen die vanaf 1 april 1996 van</al><al>deze mogelijkheid gebruik gaan maken.</al><al>Degenen die voor 1 april reeds hun seniorenarbeidsduur met een vijfde deel
                        hebben teruggebracht, krijgen</al><al>tot 1 mei 1996 de mogelijkheid kenbaar te maken dat zij van de
                        60jarigenregeling gebruik wensen te maken.</al><al>Wanneer het verzoek gebruik te maken van de 60jarigenregeling wordt
                        ingewilligd, wordt de bezoldiging per</al><al>1 mei 1996 voor 90% uitbetaald. Bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd,
                        wordt de bezoldiging voor 82,5%</al><al>uitbetaald.</al><al>T.a.v. degenen die vanaf 1 april 1996 gebruikmaken van de
                        56-jarigenregeling, geldt dat de bezoldiging voor</al><al>90% wordt uitbetaald vanaf het moment dat de seniorenarbeidsduur met een
                        vijfde deel wordt teruggebracht.</al><al>Wanneer vervolgens bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar de
                        seniorenarbeidsduur tot de helft wordt</al><al>teruggebracht, wordt de bezoldiging voor 82,5 uitbetaald. Dit geldt dus
                        uitsluitend voor degenen die reeds van</al><al>de 56-jarigenregeling gebruikmaken op het moment dat zij de
                        seniorenarbeidsduur verder terugbrengen. Hierbij</al><al>wordt nog opgemerkt dat bij het tot de helft terugbrengen van de
                        seniorenarbeidsduur, die reeds met een vijfde</al><al>deel was teruggebracht, wordt uitgegaan van de oorspronkelijke
                        betrekkingsomvang. Het is dus niet zo dat de</al><al>seniorenarbeidsduur van degene die van de 56jarigenregeling gebruikmaakt bij
                        het bereiken van de leeftijd van</al><al>60 jaar tot 0,4 van de oorspronkelijke betrekkingsomvang wordt
                        teruggebracht.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij de 60-jarigenregeling geldt dezelfde bepaling als bij de
                        56-jarigenregeling. Zie hiervoor de toelichting bij</al><al>artikel 5:1, derde lid.</al><al><cursief>Lid 5 e.v.</cursief></al><al>Het vijfde lid en verder bepalen de wijze van verrekenen van neveninkomsten.
                        Deze worden op de bezoldiging</al><al>in mindering gebracht, met dien verstande dat in alle gevallen 50% van de
                        bezoldiging resteert. Onder</al><al>neveninkomsten wordt niet verstaan een uitkering op grond van de
                        FPU-regeling.</al><al>Als laatste wordt ingegaan op een relevant onderscheid tussen de 56- en de
                        60-jarigenregeling enerzijds</al><al>en het sectorale preVut-regime anderzijds. Bij de 56- en 60-jarigenregeling
                        wordt betrokkene geen ontslag</al><al>verleend, enkel de werktijd wordt teruggebracht. De bezoldiging blijft
                        gehandhaafd, deze wordt slechts</al><al>gedeeltelijk uitbetaald. Het gebruikmaken van de 56- of de
                        60-jarigenregeling heeft evenmin gevolgen voor de</al><al>pensioenopbouw.</al><al><vet>Overzicht mogelijkheden en gevolgen bij 61 jaar na gebruik van de
                            60-jarigenregeling</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>situatie bij 61 jaar</al></entry><entry colname="col2"><al>formele arbeidsduur (1)</al></entry><entry colname="col3"><al>bezoldiging (2)</al></entry><entry colname="col4"><al>FPU-uitkering (3)</al></entry><entry colname="col5"><al>verminderde arbeidsduur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbeeld 1 geen</al><al>FPU-ontslag</al></entry><entry colname="col2"><al>blijft 100%</al></entry><entry colname="col3"><al>blijft 100%</al></entry><entry colname="col4"><al>geen</al></entry><entry colname="col5"><al>blijft</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbeeld 2 50%</al><al>FPU-ontslag</al></entry><entry colname="col2"><al>wordt 50%</al></entry><entry colname="col3"><al>wordt 50%</al></entry><entry colname="col4"><al>gebaseerd op 50% ontslag</al></entry><entry colname="col5"><al>blijft</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbeeld 3 30%</al><al>FPU-ontslag (6)</al></entry><entry colname="col2"><al>wordt 70%</al></entry><entry colname="col3"><al>wordt 70%</al></entry><entry colname="col4"><al>gebaseerd op 30% ontslag</al></entry><entry colname="col5"><al>blijft</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voorbeeld 4 70 %</al><al>FPU-ontslag (7)</al></entry><entry colname="col2"><al>wordt 30%</al></entry><entry colname="col3"><al>wordt 30%</al></entry><entry colname="col4"><al>gebaseerd op 70 %</al><al>ontslag</al></entry><entry colname="col5"><al>wordt</al><al>verminderde arbeidsduur</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Het betreft hier de formele arbeidsduur -
                        dit is de arbeidsduur volgens de aanstelling - zoals deze was</al><al>voor het gebruik van de 60-jarigenregeling. Het percentage in de kolom duidt
                        dus niet op een volledige of</al><al>deeltijdaanstelling maar is een percentage van de oorspronkelijke
                        arbeidsduur.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>De bezoldiging is altijd in overeenstemming
                        met de formele arbeidsduur, maar de doorbetaling kan</al><al>verminderd zijn; zie daarvoor de laatste kolom.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Het in deze kolom genoemde percentage is
                        het percentage van het oorspronkelijke dienstverband waarover</al><al>FPU-ontslag is verleend en derhalve een FPU-uitkering wordt gegeven. Het
                        zegt echter niets over de hoogte</al><al>van de uitkering.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>De verminderde seniorenarbeidsduur is
                        uitgedrukt in een percentage van de oorsrponkelijke formele</al><al>arbeidsduur.</al><al><vet><cursief>5. </cursief></vet>Na 61 jaar is de doorbetaling van de
                        bezoldiging altijd in overeenstemming met de verminderde</al><al>seniorenarbeidsduur.</al><al><vet><cursief>6. </cursief></vet>Dit voorbeeld is bij een ander percentage
                        FPU-ontslag op gelijke wijze van toepassing zolang het percentage</al><al>niet meer bedraagt dan 50.</al><al><vet><cursief>7. </cursief></vet>Dit voorbeeld is bij een ander percentage
                        FPU-ontslag op gelijke wijze van toepassing zolang het percentage</al><al>niet meer bedraagt dan 50.</al><al><vet><cursief>Artikel 5:4</cursief></vet></al><al>In dit artikel wordt, in navolging van hetgeen is bepaald in het
                        FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering,</al><al>onderscheid gemaakt tussen het tijdstip waarop het recht ontstaat gebruik te
                        maken van een onderdeel van het</al><al>seniorenbeleid (de 56-jarigen- of de 60-jarigenregeling) en het tijdstip van
                        vermindering van de werktijd en de</al><al>bezoldiging danwel het tijdstip van vervroegd uittreden.</al><al><vet><cursief>Artikel 5:6</cursief></vet></al><al>In dit artikel is samen met artikel 5a:1, tweede lid, het overgangsrecht
                        geregeld met betrekking tot het gebruik</al><al>van de seniorenregelingen uit hoofdstuk 5. Wanneer een ambtenaar gebruik
                        heeft gemaakt van de FPU</al><al>Gemeenten, kan hij niet deelnemen aan een seniorenregeling uit hoofdstuk 5.
                        Bovendien is het recht op het</al><al>gebruik van de seniorenregelingen uit hoofdstuk 5 beperkt tot diegenen die
                        vóór 1 januari 1945 geboren zijn.</al><al><vet>5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 5a:1</cursief></vet></al><al>In dit artikel wordt gesproken over de Aanvulling werkgever.Dit is een
                        aanvullende uitkering op de</al><al>FPU-uitkering.Deze Aanvulling werkgever vormt samen met de FPU-uitkering de
                        gemeentelijke FPU-uitkering.</al><al>De Aanvulling werkgever komt volledig voor rekening van de werkgever.</al><al>In dit artikel staan de voorwaarden voor een Aanvulling werkgever.</al><al>Ten eerste moet ontslag zijn verleend op grond van artikel 8:11
                        (FPU-ontslag).Dit is het geval zodra het bestuur</al><al>van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel en
                        het bestuur van de Stichting</al><al>pensioenfonds Abp hebben vastgesteld dat er recht bestaat op een uitkering
                        op grond van de desbetreffende</al><al>regeling (basis- en aanvullende uitkering, respectievelijk de
                        FPU-uitkering). Om voor een dergelijke uitkering</al><al>in aanmerking te komen moet er een ononderbroken diensttijd zijn van ten
                        minste 10 jaar, direct voorafgaande</al><al>aan het tijdstip van vervroegde uittreding,bij een of meer werkgevers die
                        zijn aangesloten bij het Abp.Voltijd of</al><al>deeltijd maakt daarbij geen verschil. Een onderbreking van twee maanden is
                        toegestaan. Wel geldt dat in de zes</al><al>maanden direct voorafgaande aan de FPU, de ambtenaar werknemer moet zijn
                        geweest bij een werkgever die</al><al>aangesloten is bij het Abp.</al><al>De tweede voorwaarde is dat de ambtenaar niet reeds gebruikmaakt of heeft
                        gemaakt van de op 1 januari 2000</al><al>bestaande seniorenregelingen (de 56-jarigenregeling, de pré-VUT en de
                        60-jarigen-regeling). Een ambtenaar</al><al>die op 1 januari 2000 deelneemt aan een van de genoemde regelingen,kan deze
                        deelname gewoon voortzetten.</al><al>Een ambtenaar die op de genoemde datum tussen 55 en 65 jaar oud is,kan
                        kiezen tussen de oude regelingen en</al><al>de nieuwe gemeentelijke FPU. Een keuze voor het een betekent dat geen recht
                        meer bestaat op het ander. De</al><al>ambtenaar die op de genoemde datum jonger is dan 55 jaar, heeft geen keuze
                        en kan uitsluitend gebruikmaken</al><al>van de FPU Gemeenten (dit is niet in dit artikel opgenomen,maar in artikel
                        5:6).</al><al>De derde voorwaarde is dat een ambtenaar die een 'FLO-functie ' vervult,geen
                        gebruik kan maken van de FPU</al><al>Gemeenten.</al><al>Bij deelname aan de FPU Gemeenten vervallen de leeftijdsverlofdagen. Dit is
                        geregeld in artikel 6:2:1, zevende</al><al>lid.</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanpassing van de berekeningsgrondslag aan de salarisontwikkeling
                        (=indexatie) vindt plaats op een</al><al>overeenkomstige wijze en op hetzelfde moment als de indexatie van de FPU
                        uitkering. Concreet betekent dit dat</al><al>de salarisontwikkeling in de sector gemeenten niet rechtstreeks doorwerkt in
                        de berekeningsgrondslag, maar via</al><al>het gewogen gemiddelde van de salarisontwikkeling van alle
                        overheidssectoren. Op grond van de uitkomst van</al><al>dit gewogen gemiddelde indexeert het ABP jaarlijks - in beginsel per 1
                        januari - de FPU-uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Uit de definitie van berekeningsgrondslag volgt dat de berekeningsgrondslag
                        voor een voltijder even hoog is</al><al>als voor een deeltijder. Om te bereiken dat de toeslag voor een deeltijder
                        een naar rato percentage bedraagt</al><al>van de toeslag van een voltijder is in het tweede lid geregeld dat de
                        toeslag bij een deeltijdbetrekking wordt</al><al>vermenigvuldigd met de desbetreffende deeltijdfactor.</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Anders dan bij de FPU-uitkering is de Aanvulling werkgever niet afhankelijk
                        van de mate van uittreden. Dit</al><al>betekent dat wanneer een ambtenaar in stapjes uittreedt de Aanvulling
                        werkgever op het moment van het eerste</al><al>deeltijdontslag wordt vastgesteld en nadien niet meer wijzigt (er vindt wel
                        een indexatie plaats: zie artikel 5a:2).</al><al>Per 1 juli 2006 zijn dit de percentages ‘Aanvulling werkgever’. Partijen
                        hebben hierover overeenstemming</al><al>bereikt in de CAO 2005-2007. Voor de hoogte van de Aanvulling is de leeftijd
                        van de ambtenaar op 31</al><al>december 2005 én het moment van uittreden belangrijk. Het in de tabel
                        genoemde aanvullingspercentage is</al><al>de Aanvulling bij uittreden op spilleeftijd. Later of eerder uittreden leidt
                        tot een hogere respectievelijk lagere</al><al>uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikel regelt de in de wetgeving inzake VUT, prepensioen en levensloop
                        voorgeschreven actuariële</al><al>herrekening van een uitkering bij later uittreden (Wet aanpassing fiscale
                        behandeling VUT/prepensioen en</al><al>introductie levensloopregeling). Ook bij eerdere uittreding is afgesproken
                        de uitkering actuarieel te herrekenen.</al><al>Uitgangspunt is de uitkering op de spilleeftijd (deze uitkering is
                        afhankelijk van de leeftijd van betrokkene op</al><al>31 december 2005).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De spilleeftijd van de ambtenaar is de spilleeftijd zoals bedoeld in het
                        'hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing</al><al>ABP-regelingen aan VPL-wetgeving' (zie ledenbrief ) 18 juli 2005,
                        MARZ/CvA/U200515077).</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:4</cursief></vet></al><al>Per 1 januari 2006 is de fiscale wetgeving voor vroegpensioenregelingen
                        (waaronder de FPU Gemeenten)</al><al>gewijzigd. Onderdeel van deze wijziging is dat bij uittreding na de
                        spilleeftijd de uitkering geheel ten goede</al><al>moet komen aan de ambtenaar. Aftopping op 100% is mogelijk, maar het
                        meerdere wordt doorgeschoven naar</al><al>het ouderdomspensioen van de ambtenaar. Wanneer men uittreedt vóór het
                        bereiken van de spilleeftijd dan kan</al><al>er nog wel sprake zijn van aftopping op 90%.</al><al>Op ieder moment dat er sprake is van uittreding (bij deeltijduittreden dus
                        op meerdere momenten) wordt</al><al>bepaald of het uittreden vóór of ná de spilleeftijd is. Voorbeeld: een
                        ambtenaar gaat vóór zijn spilleeftijd 10%</al><al>met FPU. Dan kan er sprake zijn van een aftopping op 90%. Gaat hij
                        vervolgens ná zijn spilleeftijd voor nog</al><al>50% met FPU, dan is er geen sprake meer van een aftopping op 90%, maar wordt
                        er afgetopt op 100% en wordt</al><al>het meerdere doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf
                        65 jaar. Het feit dat er bij de</al><al>eerste deeltijduitdiensttreding wel aftopping plaatsvond tot 90% is niet
                        meer van belang.</al><al>De spilleeftijd van de ambtenaar is de spilleeftijd zoals bedoeld in het
                        ‘hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing</al><al>ABP-regelingen aan VPL-wetgeving’ (zie ledenbrief ) 18 juli 2005,
                        MARZ/CvA/U200515077). Tot vóór</al><al>1 juli 2006 kende de FPU Gemeenten een afwijkende spilleeftijd ten opzichte
                        van de spilleeftijd in het</al><al>hoofdlijnenakkoord. In de CAO 2005-2007 is invulling gegeven aan het
                        overgangsrecht FPU Gemeenten.</al><al>Hierbij is onder andere aangesloten bij de spilleeftijd in het
                        hoofdlijnenakkoord.</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:4</cursief></vet></al><al>Per 1 januari 2006 is de fiscale wetgeving voor vroegpensioenregelingen
                        (waaronder de FPU Gemeenten)</al><al>gewijzigd. Onderdeel van deze wijziging is dat bij uittreding na de
                        spilleeftijd de uitkering geheel ten goede</al><al>moet komen aan de ambtenaar. Aftopping op 100% is mogelijk, maar het
                        meerdere wordt doorgeschoven naar</al><al>het ouderdomspensioen van de ambtenaar. Wanneer men uittreedt vóór het
                        bereiken van de spilleeftijd dan kan</al><al>er nog wel sprake zijn van aftopping op 90%.</al><al>Op ieder moment dat er sprake is van uittreding (bij deeltijduittreden dus
                        op meerdere momenten) wordt</al><al>bepaald of het uittreden vóór of ná de spilleeftijd is. Voorbeeld: een
                        ambtenaar gaat vóór zijn spilleeftijd 10%</al><al>met FPU. Dan kan er sprake zijn van een aftopping op 90%. Gaat hij
                        vervolgens ná zijn spilleeftijd voor nog</al><al>50% met FPU, dan is er geen sprake meer van een aftopping op 90%, maar wordt
                        er afgetopt op 100% en wordt</al><al>het meerdere doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf
                        65 jaar. Het feit dat er bij de</al><al>eerste deeltijduitdiensttreding wel aftopping plaatsvond tot 90% is niet
                        meer van belang.</al><al>De spilleeftijd van de ambtenaar is de spilleeftijd zoals bedoeld in het
                        ‘hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing</al><al>ABP-regelingen aan VPL-wetgeving’ (zie ledenbrief ) 18 juli 2005,
                        MARZ/CvA/U200515077). Tot vóór</al><al>1 juli 2006 kende de FPU Gemeenten een afwijkende spilleeftijd ten opzichte
                        van de spilleeftijd in het</al><al>hoofdlijnenakkoord. In de CAO 2005-2007 is invulling gegeven aan het
                        overgangsrecht FPU Gemeenten.</al><al>Hierbij is onder andere aangesloten bij de spilleeftijd in het
                        hoofdlijnenakkoord.</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:4a</cursief></vet></al><al>Dit artikel regelt de aftopping. Het af te toppen bedrag wordt voor het
                        eerst vastgesteld bij het eerste</al><al>FPU-ontslag en vervolgens telkens bij een nieuw FPU-ontslag. Als het
                        totaalinkomen boven 90% van de</al><al>berekeningsgrondslag uitkomt, wordt het meerdere in mindering gebracht op de
                        Aanvulling werkgever. Een</al><al>voorbeeld kan dit verduidelijken:</al><al>Een ambtenaar gaat op 56-jarige leeftijd met deeltijd-FPU-ontslag voor 20%.
                        Hij ontvangt dan 80%</al><al>bezoldiging, een FPU-uitkering van 4,6% (willekeurig percentage; dit moet
                        bij het Abp worden opgevraagd) en</al><al>een Aanvulling werkgever van 8,9% (uit de tabel). Totaal: 93,5%. Er vindt
                        dan een aftopping plaats tot 90%. De</al><al>aftopping van 3,5% wordt in mindering gebracht op de Aanvulling werkgever
                        van 8,9% zodat een Aanvulling</al><al>werkgever resteert van 5,4%. In totaal bedraagt dan het inkomen: 80%
                        (bezoldiging) en 4,6% (FPU-uitkering)</al><al>en 5,4% (Aanvulling werkgever). Totaal: 90%.</al><al>Bij een volgend ontslag op grond van artikel 8:11 wordt opnieuw beoordeeld
                        of en welke aftopping aan de orde</al><al>is.</al><al>In het vierde lid is geregeld dat een individueel bijverzekerde
                        FPU-uitkering niet wordt betrokken bij de</al><al>aftopping.</al><al>In het vijfde lid is geregeld dat inkomsten die op of na het FPU-ontslag
                        worden verkregen uit verhoogde</al><al>werkzaamheid (bijvoorbeeld een nieuwe baan) of nog voortvloeien uit ziekte,
                        in de betrekking voor het</al><al>FPU-ontslag niet van invloed zijn op de hoogte van de Aanvulling werkgever.
                        Dergelijke inkomsten kunnen</al><al>krachtens het FPU-reglement leiden tot een vermindering van de
                        FPU-uitkering. Zonder lid 5 zou de situatie</al><al>kunnen optreden dat deze vermindering van de FPU-uitkering wordt
                        gecompenseerd door een hogere</al><al>Aanvulling werkgever.</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:5</cursief></vet></al><al>Bij een ontslag om een andere reden dan FPU vervallen de
                        (resterende)aanspraken op de Aanvulling werkgever.</al><al>Dit betekent dat als een ambtenaar enige tijd gebruik heeft gemaakt van de
                        FPU Gemeenten en vervolgens</al><al>ontslag neemt of krijgt (bijvoorbeeld vanwege een andere baan of
                        arbeidsongeschiktheid), er geen beroep kan</al><al>worden gedaan op uitbetaling van de resterende FPU-toeslagen.</al><al>De Aanvulling werkgever is gekoppeld aan het recht op FPU.Dit betekent dat
                        op het moment dat er geen recht</al><al>meer bestaat op de FPU (bij ouderdomspensioen of overlijden), de Aanvulling
                        werkgever stopt.</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:6</cursief></vet></al><al>Bij de invoering van de FPU Gemeenten is overeengekomen dat deelnemers aan
                        de regeling over de periode dat</al><al>gebruik wordt gemaakt van de regeling, pensioenopbouw moeten kunnen hebben.
                        Deze pensioenopbouw moet</al><al>uiteindelijk tegen doorsneepremie en met de gebruikelijke premieverdeling
                        tussen werkgever en werknemer</al><al>worden gerealiseerd. Op dit moment laat het Abp-pensioenreglement dit niet
                        toe. Tot het moment waarop</al><al>dit wél mogelijk is, heeft de werkgever aan de ambtenaar die gebruikmaakt
                        van de regeling recht op een</al><al>Vergoeding pensioenpremie, ten laste van de werkgever, die overeenkomt met
                        de werkgeversbijdrage in de</al><al>Abp-doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw over de FPU
                        gedurende de periode dat van de</al><al>regeling gebruik wordt gemaakt. De Vergoeding pensioenpremie kan door de
                        werknemer worden gebruikt</al><al>om zélf,op basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement, pensioenopbouw
                        te verzekeren. Op grond van</al><al>artikel 16.3 van het pensioenreglement kan de ambtenaar vier jaar lang 50%
                        pensioenopbouw vrijwillig</al><al>verzekeren. De premie hiervoor komt volledig voor rekening van de werknemer
                        (waarbij de eerdergenoemde</al><al>werkgeversbijdrage op de volledige premie in mindering kan worden gebracht).
                        De werknemer is niet</al><al>verplicht om de werkgeversbijdrage te besteden aan een pensioenvoorziening
                        op grond van artikel 16.3 van het</al><al>pensioenreglement. Hij kan ook kiezen voor een andere
                        verzekeringsmaatschappij of een ander bestedingsdoel.</al><al>Een voorbeeld. Een ambtenaar treedt op 60-jarige leeftijd volledig uit op
                        grond van de FPU. Dit betekent dat</al><al>er dan gedurende vijf jaar een volledige FPU-uitkering is, samen met een
                        Aanvulling werkgever. Op grond</al><al>van dit artikel is er een werkgeverbijdrage in de pensioenopbouw gedurende
                        die vijf jaar die overeenkomt met</al><al>de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie bij 20% pensioenopbouw over die
                        periode. Omdat de verdeling</al><al>werkgever – werknemer in de doorsneepremie 70% -30% is, komt dus 70% van de
                        benodigde premie voor</al><al>rekening van de werkgever. Bij een doorsneepremie van bijvoorbeeld 12% zou
                        de werkgeversbijdrage in dit</al><al>geval dus 12% x 20% x 70% bedragen, derhalve 1,68%. In de situatie dat er
                        sprake is van deeltijd-FPU-ontslag,</al><al>is de werkgeversbijdrage voor pensioenopbouw over het FPU-deel, uiteraard
                        naar rato van het percentage</al><al>FPU-ontslag. Bij een FPU-ontslag van 30% en een doorsneepremie van
                        bijvoorbeeld 12% bedraagt de</al><al>werkgeversbijdrage in het kader van deze regeling dan 0,504% (12% x 20% x
                        70% x 30%).</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:7</cursief></vet></al><al>Gebruik maken van de FPU Gemeenten is een recht voor de ambtenaar. Op lokaal
                        niveau kan de werkgever</al><al>het gebruik beïnvloeden door op maat gesneden faciliteiten aan te bieden die
                        een werknemer kan stimuleren</al><al>dan wel weerhouden om een beroep op de regeling te doen.Te denken valt aan
                        enerzijds scholingsfaciliteiten,</al><al>taakverlichting en extra verlof of anderzijds een extra financiële prikkel
                        tot FPU-ontslag. Hiervoor is op lokaal</al><al>niveau 0,1% van de loonsom beschikbaar. Op lokaal niveau wordt een regeling
                        opgesteld op welke wijze de</al><al>werkgever dit budget kan inzetten. Hierover dient overeenstemming te bestaan
                        in het georganiseerd overleg dan</al><al>wel de ondernemingsraad.</al><al><vet><cursief>Artikel 5a:9</cursief></vet></al><al>Dit artikel is de basis voor artikel 3.5 van het pensioenreglement. Het
                        artikel regelt dat bij teruggang in salaris</al><al>na de leeftijd van 55 jaar de pensioenopbouw gebaseerd blijft op de oude
                        inschaling. Op de oude salarisschaal,</al><al>die voor de pensioenopbouw van de ambtenaar blijft gelden, wordt de in de
                        CAO afgesproken salarisverhoging</al><al>toegepast.</al><al>Teruggang in functieschaal en mogelijk ook teruggang in salaris bij afbouw
                        van de loopbaan vanaf 55 jaar</al><al>wordt, slechts in overleg met de ambtenaar, mogelijk gemaakt door artikel
                        3:1, lid 7.</al><al>Wanneer een ambtenaar van 55 jaar of ouder in een andere gemeente een
                        functie met een lagere functieschaal</al><al>betrekt en hierdoor teruggaat in salaris, blijft de grondslag voor de
                        pensioenopbouw slechts dan ongewijzigd als</al><al>de wisseling van functie voortkomt uit het seniorenbeleid van de oude
                        werkgever.</al><al>Wanneer een ambtenaar in het kader van seniorenbeleid naast het accepteren
                        van een lagere functie ook een</al><al>(kleinere) deeltijdfactor accepteert, dan wordt de pensioenopbouw naar rato
                        gecontinueerd op basis van de oude</al><al>salarisschaal.</al><al>Is sprake van afbouw van de loopbaan door vermindering van de formele
                        arbeidsduur, zonder dat sprake</al><al>is van een nieuwe functie, dan blijft de pensioengrondslag ongewijzigd,
                        omdat voor de ambtenaar geen</al><al>lagere functieschaal gaat gelden. Artikel 5a:9 is in dat geval niet van
                        toepassing. De gevolgen voor de reeds</al><al>opgebouwde pensioenrechten zijn in deze situatie niet aanwezig. De
                        pensioengrondslag wijzigt namelijk niet;</al><al>op de pensioenberekening wordt slechts - voor de laatste jaren - een
                        deeltijdfactor losgelaten.</al><al><vet>6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en
                            bevallings)verlof</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 6:1:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikellid heeft als uitgangspunt dat vakantie op verzoek van de
                        ambtenaar wordt verleend. Anders dan</al><al>hetgeen in het BW is bepaald, vervallen de aanspraken op niet opgenomen
                        vakantiedagen niet.</al><al>Mede ter voorkoming van verlofstuwmeren kan het college in de algemene
                        regels met betrekking tot de duur</al><al>van de vakantie (artikel 6:2:1, eerste lid) ook aangeven welke gedragslijnen
                        worden gehanteerd wanneer het</al><al>vakantieverlof van enig jaar niet in zijn geheel is genoten. De mogelijkheid
                        om niet-genoten verlofuren door</al><al>te schuiven naar een volgend jaar zijn beperkt tot die gevallen zoals
                        genoemd in de artikelen 6:2:4, eerste lid</al><al>en 6:2:6 UWO. In het geval dat het dienstbelang zich tegen het verlenen van
                        vakantie verzet en hierdoor de</al><al>vakantie in dat kalenderjaar geheel of gedeeltelijk niet is toegekend, wordt
                        de niet-genoten vakantie zo veel</al><al>mogelijk in het eerstvolgend kalenderjaar verleend (artikel 6:2:4, eerste
                        lid). Wanneer vakantie niet is verleend</al><al>op gronden genoemd in artikel 6:2:6 (op verzoek, wegens ziekte of
                        herhalingsoefening militaire dienst), wordt</al><al>de niet-genoten vakantie in principe toegekend in het volgend kalenderjaar.
                        Op verzoek van de ambtenaar</al><al>kunnen over het tijdstip van opname ook andere afspraken worden gemaakt</al><al><vet><cursief>Artikel 6:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het aantal vakantiedagen is vermenigvuldigd met de factor 7,2.</al><al>Indien de ambtenaar is ingeroosterd voor meer of minder dan 7,2 uur per dag,
                        zal het verlof met het aantal</al><al>ingeroosterde uren waarop de ambtenaar verlof wil genieten, worden
                        verminderd.</al><al>De situatie kan zich voordoen dat een ambtenaar gedurende de weken dat hij
                        voor 42 uren is ingeroosterd,</al><al>verlof wil. Dit kost de ambtenaar relatief veel verlofuren. Daar tegenover
                        staat dat, als de ambtenaar verlof</al><al>wil in weken waarbij zijn feitelijke arbeidsduur slechts 30 uur bedraagt,
                        het verlof slechts met relatief minder</al><al>uren wordt verminderd. Indien, als gevolg van verlof in weken met een
                        feitelijke arbeidsduur van 42 uur,</al><al>de ambtenaar bijvoorbeeld slechts weinig verlofuren resteert, kan het de
                        ambtenaar worden toegestaan om</al><al>gedurende de weken dat hem een feitelijke arbeidsduur van minder dan 36 uur
                        is opgedragen, deze arbeidsduur</al><al>te realiseren over minder dan vijf dagen waardoor de ambtenaar
                        aaneengesloten vrije tijd kan creëren.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een ambtenaar kan verzoeken in enig jaar maximaal 50,4 uur op jaarbasis (bij
                        een volledige betrekking) meer</al><al>te werken dan de maximale arbeidsduur van 1836 uur die uit artikel 4:1
                        voortvloeit. Voor een deeltijder geldt</al><al>een naar evenredigheid aantal uren als maximum. Toekenning van dit verzoek
                        geeft de ambtenaar recht op een</al><al>gelijk aantal extra vakantie-uren. Dit verzoek dient betrokkene in vóór 1
                        november (tenzij anders geregeld) in</al><al>het jaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarvoor het verzoek geldt. Niet
                        voor niets is hiervoor de zelfde</al><al>formulering gekozen als in de artikelen 4a:1, eerste lid, en artikel 4a:2,
                        eerste lid (het verzoek tot verkoop</al><al>dan wel koop van vakantie-uren). Gelet op de samenhang met het
                        cafetariamodel ligt het voor de hand dat het</al><al>college bij de toewijzing van de verzoeken rekening houdt met alle mutaties
                        van het verlof, te weten:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>extra vakantie-uren op basis van dit
                        artikel;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>verkoop van vakantie-uren op basis van
                        artikel 4a:1;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>koop van vakantie-uren op basis van artikel
                        4a:2.</al><al>Op basis van het totaal-beeld van de effecten van alle verzoeken kan worden
                        bezien in hoeverre sprake is van</al><al>ernstige problemen van organisatorische dan wel roostertechnische aard.</al><al>Verder is het ook mogelijk om verlofuren die op grond van artikel 3:2:1 het
                        gevolg zijn van de vergoeding van</al><al>overwerk om te zetten in vakantie-uren. Overigens is dit omzetten niet
                        onbeperkt. De som van het aantal uren</al><al>op grond van artikel 3:2:1, tweede lid, en het aantal uren op grond van
                        artikel 6:2, tweede lid is maximaal 50,4</al><al>uren. Voor deeltijders geldt steeds een aantal uren naar rato van de
                        deeltijdfactor.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Van zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zoals vermeld in het derde lid
                        is in ieder geval sprake indien</al><al>toekenning van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>van organisatorische aard;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>van roostertechnische aard.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:2:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In dit artikellid is aangegeven dat de basisverlofduur voor deeltijders naar
                        rato moet worden vastgesteld.</al><al>Uitgangspunt hierbij vormt de formele arbeidsduur op jaarbasis. Dit is de
                        arbeidsduur overeenkomstig de</al><al>aanstelling. De minimale duur van de vakantie voor ambtenaren met een
                        volledige betrekking is vastgelegd</al><al>in artikel 6:2 CAR. Dit betekent dat voor een deeltijder met een formele
                        arbeidsduur van 24 uur per week het</al><al>aantal verlofuren ten minste 24/36 x 158,4 = 105,6 uur per kalenderjaar
                        bedraagt.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Door middel van een lokale regeling voorziet het college ten aanzien van
                        (een groep) ambtenaren in een</al><al>vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd, bereikte
                        leeftijd dan wel beide. Per extra</al><al>verlofdag dient het basisverlof voor een voltijder met 7,2 uur te worden
                        vermeerderd. Een werknemer met</al><al>bijvoorbeeld drie leeftijdverlofdagen heeft derhalve 21,6 uur verlof bovenop
                        het basisverlof van ten minste</al><al>158,4 uur per kalenderjaar. Bij een deeltijder wordt het extra aantal
                        verlofdagen naar rato vastgesteld.</al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 1995-1997 (kenmerk ARZ/507630) is het
                        lokale overleg geadviseerd</al><al>om twee leeftijdverlofdagen voor nieuw indiensttredend personeel te laten
                        vervallen. Ook in het geval dat</al><al>iemand de ene gemeentelijke werkgever verruilt voor een andere gemeentelijke
                        werkgever vervallen deze</al><al>leeftijdverlofdagen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Dit artikellid bepaalt dat ambtenaren die op onregelmatige tijdstippen
                        werken en ambtenaren die zich buiten</al><al>de voor hun betrekking vastgestelde werktijden ter beschikking houden,
                        aanspraak hebben op extra verlof.</al><al>Voorwaarde hierbij is wel dat het onregelmatige arbeidspatroon van de
                        ambtenaar dan wel de evengenoemde</al><al>plicht zich beschikbaar te houden, regelmatig en in belangrijke mate
                        geldt.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Dit artikellid geldt voor ambtenaren waarbij de seniorenarbeidsduur is
                        teruggebracht op grond van artikel</al><al>5:1 en 5:3 CAR. Bij gebruikmaking van de 56- of 60-jarigenregeling wordt de
                        duur van het basisverlof naar</al><al>evenredigheid verminderd. Een ambtenaar die gebruikmaakt van de
                        56-jarigenregeling heeft derhalve aanspraak</al><al>op 4/5 van het basisverlof en een ambtenaar die gebruikmaakt van de
                        60-jarigenregeling heeft aanspraak op de</al><al>helft van het basisverlof. Bij beide seniorenregelingen komen alle leeftijd-
                        en diensttijdverlofdagen te vervallen.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:2:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Ten aanzien van de mogelijkheid die de tweede volzin van dit aan de
                        ambtenaar geeft om voor bepaalde</al><al>gelegenheden verlof op te nemen, mag van de ambtenaar redelijkerwijs worden
                        verwacht dat de werkgever zo</al><al>vroeg mogelijk op de hoogte wordt gesteld van het voornemen om verlof op
                        deze gronden op te nemen.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:2:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikellid bepaalt de duur van de vakantie indien de ambtenaar in de
                        loop van een kalenderjaar wordt</al><al>aangesteld of ontslagen. Bij deze berekening dient te worden uitgegaan van
                        de volle maanden gedurende welke</al><al>de ambtenaar zijn betrekking vervult. Een werknemer die bijvoorbeeld op 15
                        maart in dienst treedt, heeft</al><al>derhalve 9/12 x 158,4 = 118,8 uur vakantieverlof.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikellid richt zich op ambtenaren die niet gedurende het gehele jaar
                        een betrekking vervullen, bijvoorbeeld</al><al>ten gevolge van non-activiteit, (on)betaald verlof of schorsing.
                        Vermindering van de duur van de vakantie vindt</al><al>plaats over het lopende kalenderjaar en eventueel over een volgend
                        kalenderjaar. Ingeval van ziekte en militaire</al><al>dienst geldt lid 3 van dit artikel.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Onder a wordt bepaald dat bij afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling
                        of ziekte die niet aan schuld of</al><al>nalatigheid van de ambtenaar is te wijten, geen vermindering wordt toegepast
                        gedurende de laatste zes maanden</al><al>van de periode van afwezigheid. Of er een vermindering plaatsvindt, kan pas
                        na afloop van de periode van</al><al>afwezigheid worden vastgesteld.</al><al>Indien de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem vastgestelde
                        werktijd wegens ziekte verhinderd</al><al>is zijn betrekking te vervullen (ofwel voor 45% of meer arbeidsgeschikt),
                        dan vindt de vermindering niet</al><al>plaats. Indien betrokkene gebruikmaakt van een seniorenregeling, moet dit
                        percentage genomen worden van de</al><al>werktijd zoals die voor hem geldt na toepassing van de seniorenregeling. Dit
                        betekent dat voor een zieke senior</al><al>wordt uitgegaan van de seniorenarbeidsduur.</al><al>Tijdvakken gedurende welke hieraan wordt voldaan, blijven derhalve buiten
                        beschouwing voor de</al><al>vermindering. Bovendien wordt bepaald dat de periode van zes maanden opnieuw
                        gaat tellen na een periode van</al><al>volledig herstel gedurende ten minste vier weken.</al><al>Geadviseerd wordt om de beperking van de vakantieopbouw tijdens ziekte
                        omwille van de eenvoud zodanig toe</al><al>te passen dat deze vermindering wordt uitgedrukt in maanden. Enkele
                        voorbeelden ter illustratie:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>indien betrokkene zeven maanden volledig
                        ziek is, vindt er gedurende zes maanden vakantieopbouw plaats,</al><al>1/12 van het aantal verlofuren wordt gekort;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>bij een ziekte van vijf maanden, gevolgd
                        door een periode van vijf maanden gedurende welke sprake is van</al><al>de arbeidsgeschiktheid van 50%, vindt gedurende de gehele periode de
                        volledige vakantieopbouw plaats;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>indien de ziekte negen maanden duurt waarbij
                        gedurende twee maanden sprake is van arbeidsongeschiktheid</al><al>van 50%, wordt het aantal vakantiedagen met 1/12 gekort;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>bij een ziekte van twee maanden, gevolgd
                        door een periode van volledig herstel gedurende vijf weken</al><al>waarna een periode van ziekte volgt van zeven maanden, wordt het aantal
                        vakantiedagen met 1/12 gekort.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Indien een ambtenaar wegens ziekte slechts gedeeltelijk werkt, bijvoorbeeld
                        voor halve dagen, en hij in deze</al><al>periode vakantiedagen wil opnemen, dan gelden deze dagen als volle
                        vakantiedagen, met andere woorden: er</al><al>dient dan het aantal uren van zijn vakantietegoed te worden afgeschreven
                        alsof de ambtenaar volledig werkt.</al><al>Onder het gedeeltelijk hervatten van werk wordt niet het werken op
                        therapeutische basis verstaan. Therapeutisch</al><al>werk wordt namelijk gelijkgesteld met ziekte. Indien betrokkene bij
                        therapeutisch werk vakantie wil opnemen,</al><al>dan behoeft derhalve geen verlof van de verlofkaart te worden
                        afgeschreven.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Voor vakantie-uren die niet zijn opgenomen bij ontslag krijgt de ambtenaar
                        een vergoeding. Het uurloon</al><al>bedraagt 1/156 van het - voor deeltijders naar een volledige betrekking
                        herberekend - salaris van de ambtenaar</al><al>per maand (artikel 1:1, eerste lid, sub o van de CAR). Het salaris is het
                        bedrag van de schaal welke aan de</al><al>ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt,
                        dit bedrag (zie artikel 3:1, tweede</al><al>lid onder b CAR).</al><al>Op de vergoedingen worden naast sociale zekerheidspremies, Zvw-bijdragen en
                        loonheffing ook ABP-premies</al><al>ingehouden.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:2:4</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikellid regelt dat de toekenning van de niet-verleende vakantie om
                        redenen van dienstbelang niet op de</al><al>lange baan wordt geschoven. De vakantie dient uiterlijk voor het einde van
                        het tweede volgend kalenderjaar te</al><al>worden verleend. Dit betekent echter niet dat de vakantie na twee jaar is
                        verjaard.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:2:5</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikellid bepaalt dat indien op een bepaalde werkdag slechts
                        gedeeltelijk vakantie wordt genoten omdat de</al><al>verleende vakantie wordt ingetrokken, de genoten vakantie-uren als niet
                        verleend worden beschouwd.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Alleen de geldelijke schade ten gevolge van het intrekken van vakantie wordt
                        vergoed, er vindt derhalve geen</al><al>vergoeding plaats van immateriële schade.</al><al>Bij geldelijke schade kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de huur van een
                        vakantiehuisje dat niet betrokken</al><al>kan worden of de kosten van vliegtickets waar geen gebruik van gemaakt kan
                        worden.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:2:6</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het op een van de in dit lid genoemde gronden niet genoten verlof wordt in
                        een volgend kalenderjaar verleend,</al><al>tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich
                        daartegen verzetten. Doet zich de</al><al>situatie niet of niet langer voor, dan kan het nog niet genoten verlof
                        worden geëffectueerd met inachtneming van</al><al>de beperking zoals verwoord in lid 3.</al><al>Deze bepaling geeft overigens niet de bevoegdheid niet opgenomen verlof-uren
                        te schrappen (met uitzondering</al><al>van het bepaalde in artikel 6:2:3, tweede lid).</al><al>Het is mogelijk dat een ambtenaar gedurende zijn ziekte een bepaalde tijd
                        doorbrengt buiten zijn woonplaats,</al><al>zonder dat daartegen uit medisch oogpunt bezwaren bestaan of omdat men
                        daarvan verwacht dat dit een</al><al>heilzame uitwerking zal hebben.</al><al>Als voorwaarde kan worden gesteld dat de ambtenaar moet kunnen aantonen,
                        bijvoorbeeld door middel van een</al><al>verklaring van de behandelend of controlerend arts, dat hij gedurende die
                        periode nog niet genezen was en dat</al><al>er uit medisch oogpunt geen bezwaren bestonden tegen zijn afwezigheid dan
                        wel dat er een heilzame uitwerking</al><al>werd verwacht.</al><al>Er wordt tijdens deze periode geen verlof opgenomen. Gedurende ziekte geniet
                        de ambtenaar namelijk</al><al>ziekteverlof gedurende welke niet nog eens verlof uit andere hoofde kan
                        worden opgenomen.</al><al>Indien de ambtenaar wegens ziekte slechts een gedeelte van zijn arbeid kan
                        verrichten en vakantie opneemt,</al><al>geldt artikel 6:2:3, vierde lid.</al><al>Indien het aantal naar een volgend kalenderjaar over te boeken verlofuren
                        slechts een gering aantal betreft - het</al><al>college dient dan in een besluit te bepalen hoeveel - kan een verzoek tot
                        overboeking achterwege blijven. Het</al><al>overboeken geschiedt dan automatisch. Daarbij kan het college tevens
                        stipuleren dat dit aantal verlofdagen vóór</al><al>een bepaalde datum moet worden opgenomen. Het spreekt vanzelf dat over een
                        dergelijke nadere regelgeving</al><al>plaatselijk overleg dient te worden gevoerd.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikellid heeft betrekking op situaties dat de ambtenaar ziek wordt
                        tijdens zijn vakantie. Het aannemelijk</al><al>maken kan bestaan uit het overleggen van een verklaring van een arts of van
                        een op verleende geneeskundige</al><al>hulp betrekking hebbende rekening. De ambtenaar moet zich zo spoedig
                        mogelijk ziek melden. Indien het</al><al>onmogelijk is dit bij aanvang van de ziekte te doen, is het voldoende dat
                        hij achteraf aantoont dat hij ziek was.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit artikellid vormt een beperking op de mogelijkheid van het opnemen van
                        het op grond van lid 1 naar</al><al>een volgend kalenderjaar overgeboekt vakantieverlof. Een ambtenaar met
                        bijvoorbeeld recht op 187,2 uren</al><al>vakantieverlof kan, wanneer op zijn verzoek dit verlof in zijn geheel wordt
                        overgeboekt naar een volgend</al><al>kalenderjaar, nooit meer dan 1,5 x 187,2 = 280,8 uur verlof opnemen (tenzij
                        op verzoek van de ambtenaar</al><al>uitdrukkelijk anders is beslist). De dan nog resterende verlofuren worden
                        vervolgens naar het volgende</al><al>kalenderjaar doorgeschoven.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de ambtenaar geen aanspraak heeft op
                        vakantietoelage gedurende de periode dat</al><al>betrokkene geen aanspraak heeft op bezoldiging (bijvoorbeeld tijdens een
                        periode van non-activiteit). Voor de</al><al>berekening van een evenredig deel van de vakantietoelage wordt de maand
                        gesteld op 30 dagen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid wordt bepaald dat de vakantietoelage per kalendermaand
                        wordt berekend over de in die maand</al><al>geldende bezoldiging. De omschrijving van het begrip bezoldiging in artikel
                        3:1, tweede lid, onderdeel c, leidt</al><al>ertoe dat ook over de in de bezoldigingsregeling genoemde toelagen
                        vakantietoelage berekend dient te worden.</al><al>Een onkostenvergoeding wordt niet gerekend tot de toelagen.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:3:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit artikellid bepaalt onder andere dat indien een deel van de bezoldiging
                        wordt ingehouden in geval van een</al><al>disciplinaire maatregel of een schorsing, over deze periode geen
                        vakantietoeslag wordt uitbetaald. Voorwaarde</al><al>is wel dat dit expliciet bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Is
                        dat niet dat geval, dan ontvangt</al><al>betrokkene een vakantietoeslag over dat deel van de bezoldiging dat niet is
                        ingehouden.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:4</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                        2001, 567) en is van toepassing</al><al>op werknemers en ambtenaren. Het doel van de Waz is werknemers en ambtenaren
                        in de gelegenheid te</al><al>stellen betaald werk te combineren met zorgtaken. In de Waz zijn daarom
                        regels gesteld omtrent diverse</al><al>vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kortverzuimverlof, zwangerschaps-
                        en bevallingsverlof, verlof bij</al><al>adoptie en pleegzorg, kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend
                        zorgverlof. De bepalingen van de Waz</al><al>zijn niet opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet
                        rechtstreeks van toepassing is op</al><al>gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die aangelegenheden
                        geregeld die afwijken van de wet</al><al>of aanvullende aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid
                        van de regeling een bepaling uit</al><al>de Waz overgenomen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het eerste lid is, onder verwijzing naar de Waz, geregeld dat de
                        ambtenaar die calamiteiten-, ander kort</al><al>verzuim- of kraamverlof geniet, aanspraak heeft op doorbetaling van zijn
                        bezoldiging.</al><al><cursief>Calamiteiten- en ander kortverzuimverlof</cursief></al><al>De ambtenaar heeft op grond van de Waz recht op calamiteiten- en ander kort
                        verzuimverlof wanneer hij zijn</al><al>arbeid niet kan verrichten wegens:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>zeer bijzondere persoonlijke
                        omstandigheden;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>een door wet of overheid, zonder geldelijke
                        vergoeding, opgelegde verplichting, waarvan de invulling niet in</al><al>zijn vrije tijd kon plaatsvinden;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>de uitoefening van het actief
                        kiesrecht.</al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>In de Waz is bepaald dat onder zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden
                        in elk geval begrepen worden:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de bevalling van de echtgenote, de
                        geregistreerde partner of de persoon met wie de werknemer ongehuwd</al><al>samenwoont;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het overlijden en de lijkbezorging van een
                        van zijn huisgenoten of een van zijn bloed- en aanverwanten in de</al><al>rechte lijn en in de tweede graad van de zijlijn.</al><al>Deze opsomming is niet limitatief. Dit betekent dat onder zeer bijzondere
                        persoonlijke omstandigheden ook</al><al>andere gebeurtenissen kunnen worden begrepen. Een voorbeeld hiervan is
                        plotselinge ziekte van kinderen.</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>Hierbij kan worden gedacht aan het doen van aangifte van geboorte of
                        overlijden.</al><al><cursief>Kraamverlof</cursief></al><al>De ambtenaar heeft op grond van de Waz na de bevalling van de echtgenote, de
                        geregistreerde partner, de</al><al>persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind
                        erkent, recht op twee dagen verlof</al><al>op dagen waarop hij gewoonlijk arbeid pleegt te verrichten. Het recht op
                        verlof bestaat gedurende een tijdvak</al><al>van vier weken. Dit tijdvak gaat in vanaf de eerste dag dat het kind
                        feitelijk op hetzelfde adres als de moeder</al><al>woont. De twee dagen kraamverlof hoeven niet aaneensluitend opgenomen te
                        worden.</al><al><cursief>Meldingsprocedure</cursief></al><al>In de Waz is een regeling getroffen inzake de meldingsverplichting van de
                        ambtenaar bij opname van</al><al>calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof. De ambtenaar moet
                        voordat hij calamiteiten- en ander</al><al>kort verzuimverlof of kraamverlof wil opnemen de werkgever melden dát hij
                        verlof wil opnemen en waarom</al><al>hij verlof wil opnemen. In geval van acute noodsituaties zal dit niet altijd
                        mogelijk zijn; in die gevallen meldt</al><al>de werknemer het opnemen van het verlof zo spoedig mogelijk aan de
                        werkgever, onder opgave van redenen.</al><al>De werkgever mag achteraf van de ambtenaar verlangen dat hij aannemelijk
                        maakt dat hij zijn arbeid niet heeft</al><al>kunnen verrichten vanwege een calamiteit of een situatie die noodzaakte tot
                        kort verzuim of het opnemen van</al><al>kraamverlof.</al><al><cursief>Samenloop van calamiteiten- en kort verzuimverlof met
                            kraamverlof</cursief></al><al>De bevalling van de partner levert een grond op om kort verzuimverlof op te
                        nemen. In beginsel zal het verlof</al><al>dan één dag bedragen. De ambtenaar kan dan eventueel aansluitend twee dagen
                        kraamverlof opnemen.</al><al><cursief>Samenloop van calamiteiten- en kort verzuimverlof met kortdurend
                            zorgverlof</cursief></al><al>De Waz regelt niet precies de duur van het calamiteiten - en ander kort
                        verzuimverlof, maar bepaalt dat het</al><al>gaat om een korte naar billijkheid te berekenen tijd. Daarom heeft de
                        wetgever het noodzakelijk geacht om</al><al>een regeling te treffen over samenloop tussen de diverse verlofvormen. Het
                        is immers mogelijk dat een situatie</al><al>zowel voldoet aan de voorwaarden voor calamiteitenverlof als aan de
                        voorwaarden voor kortdurend zorgverlof.</al><al>In dat geval zou het voor de ambtenaar aantrekkelijk kunnen zijn om voor
                        calamiteitenverlof te kiezen omdat dit</al><al>verlof verleend wordt met behoud van de volledige bezoldiging. In artikel
                        5:8 Waz is daarom bepaald dat indien</al><al>zowel is voldaan aan de voorwaarden voor het calamiteitenverlof, als aan de
                        voorwaarden voor het kortdurend</al><al>zorgverlof, het calamiteitenverlof na één dag eindigt.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat een nadere regeling vastgesteld dient te worden,
                        inzake de mogelijkheid in andere</al><al>dan in het eerde lid genoemde gevallen buitengewoon verlof met behoud van
                        bezoldiging te verlenen. De UWO</al><al>bevat een dergelijke regeling (artikel 6:4:1).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid stelt dat er ook een regeling getroffen dient te worden die
                        aanspraak op vakbondsverlof regelt</al><al>(artikel 6:4:2).</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>In het geval er tijdens non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is
                        het verhaal van de VUT-fonds-premie</al><al>zowel het werkgevers- als het werknemersaandeel. Omdat er elders pensioen
                        wordt opgebouwd, vindt er géén</al><al>verhaal plaats van ABP-ouderdoms- en ABP-nabestaandenpensioenpremie. Omdat
                        betrokkene verzekerd</al><al>blijft voor de bovenwettelijke IP-regeling, blijft de volledige
                        invaliditeitspensioenpremie verschuldigd. Bij het</al><al>verhaal van deze premie wordt er van uitgegaan alsof er géén verlof is.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:4:1</cursief></vet></al><al>Onder huwelijksdag wordt verstaan de dag dat het burgerlijk huwelijk wordt
                        voltrokken.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:4:1a</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Op 1 juni 2005 is de Wet arbeid en zorg gewijzigd in verband met het tot
                        stand brengen van een recht op</al><al>langdurend zorgverlof (Stb. 2005, 275). De Waz is van toepassing op
                        werknemers en op ambtenaren.</al><al>De ambtenaar heeft recht op langdurend zorgverlof voor de verzorging van de
                        volgende naasten:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>de echtgenoot, de geregistreerde partner,
                        of de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>het eigen kind, een kind van de onder a
                        genoemde personen, een pleegkind als bedoeld in 5:1 lid 1, onderdeel</al><al>d van de Waz;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>een bloedverwant in de eerste graad van de
                        ambtenaar.</al><al>Er is recht op langdurig zorgverlof ingeval de naaste voor wie gezorgd wordt
                        levensbedreigend ziek is.</al><al>Hieronder wordt verstaan dat het leven van de naaste op korte termijn
                        ernstig in gevaar is.</al><al>Het recht op langdurend zorgverlof bedraagt in elke achtereenvolgende
                        periode van 12 kalendermaanden</al><al>maximaal zes maal de arbeidsduur per week. De standaardvorm voor langdurend
                        zorgverlof is dat de</al><al>werknemer gedurende 12 weken verlof opneemt voor de helft van zijn
                        betrekking. De ambtenaar kan de</al><al>werkgever verzoeken om meer verlof per week op te nemen gedurende minder dan
                        12 weken. Ook is spreiding</al><al>van het verlof over meer weken mogelijk; hieraan is een maximum verbonden
                        van 18 weken.</al><al>De Waz bepaalt dat de aanvraag voor het verlof tenminste twee weken voor de
                        beoogde ingangsdatum</al><al>schriftelijk ingediend moet worden. De ambtenaar geeft hierbij aan wat de
                        reden van het verzoek om verlof is</al><al>en voor wie gezorgd zal gaan worden. Bij de verlofaanvraag geeft de
                        ambtenaar ook aan hoe hij het verlof wil</al><al>opnemen en wat de ingangsdatum is.</al><al>De werkgever moet uiterlijk een week voor de beoogde ingangsdatum van het
                        verlof op het verzoek beslissen;</al><al>laat de werkgever dit na dan gaat het verlof in op de door de ambtenaar
                        aangevraagde wijze. De werkgever kan</al><al>het langdurend zorgverlof weigeren ingeval van zodanig zwaarwegend bedrijfs-
                        of dienstbelang dat het belang</al><al>van de ambenaar daarvoor op grond van redelijkheid en billijkheid moet
                        wijken. Zo die situatie zich voordoet</al><al>moet de werkgever in overleg treden met de ambtenaar; zodoende kan bezien
                        worden of een andere invulling</al><al>van het langdurig zorgverlof tot de mogelijkheden behoort.</al><al>Het verlof eindigt door het verstrijken van de periode waarvoor het verlof
                        is verleend. Indien de naaste tijdens</al><al>het verlof overlijdt of niet meer levensbedreigend ziek is, eindigt het
                        verlof de dag volgend op de dag waarop</al><al>deze omstandigheid zich heeft voorgedaan.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het wettelijk recht op langdurend zorgverlof is onbetaald. In dit lid is
                        geregeld dat de ambtenaar recht heeft op</al><al>doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging over de uren dat hij langdurend
                        zorverlof geniet.</al><al><cursief>Leden 2 tot en met 7</cursief></al><al>Ten aanzien van de opbouw van vakantie-uren en vakantietoelage geldt een
                        vergelijkbare regeling als bij het</al><al>ouderschapsverlof. Ziekte schort het langdurend zorgverlof niet op. Ingeval
                        van samenloop tussen langdurend</al><al>zorgverlof en ziekte heeft de ambtenaar na 7 kalenderdagen ziekte aanspraak
                        op zijn volledige bezoldiging,</al><al>wordt de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd en vindt de
                        opbouw van de vakantietoelage weer</al><al>plaats op basis van de volledige bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:4:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Zie lid 5 ten aanzien van het maximum van het verlof.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit artikel biedt de mogelijkheid om aan 'kaderleden' van de vakverenigingen
                        van ambtenaren verloffaciliteiten</al><al>te verlenen. De vakverenigingen zelf bepalen wie er kaderlid is. Om van de
                        verloffaciliteiten gebruik te kunnen</al><al>maken, is het dus noodzakelijk dat de ambtenaar door de bond waarbij hij is
                        aangesloten aangewezen is als</al><al>kaderlid. De werkgever kan verlangen dat door middel van verslagen of
                        uitnodigingen verantwoording wordt</al><al>afgelegd over het verlof. Er is een maximum verbonden aan het verlof, zie
                        ook lid 4 en 5.</al><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Er wordt alleen verlof verleend voor de voorvergadering en de vergadering
                        zelf. Voor de voorbereiding van de</al><al>vergadering en werkzaamheden ten gevolge van de vergadering wordt geen
                        verlof verleend.</al><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>Aangezien het hier een regeling betreft met maximumaanspraken, zal het nodig
                        zijn dat in goed overleg</al><al>met de vakorganisaties plaatselijk in de uitvoeringsregeling inhoud wordt
                        gegeven aan het verlenen van het</al><al>bijzonder verlof. Hierbij ligt het in de rede dat rekening wordt gehouden
                        met de lokale omstandigheden, zoals</al><al>de gemeentegrootte, de personeelsbezetting, het aantal in de vakorganisaties
                        actieve leden etc. Een nadere</al><al>regeling kan bijvoorbeeld voorkomen dat steeds (terecht of onterecht)
                        bijzonder verlof wordt geweigerd op</al><al>grond van het dienstbelang.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:4:3</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                        2001, 567) en is van toepassing</al><al>op werknemers en ambtenaren. Het doel van de Waz is werknemers en ambtenaren
                        in de gelegenheid te</al><al>stellen betaald werk te combineren met zorgtaken. In de Waz zijn daarom
                        regels gesteld omtrent diverse</al><al>vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kortverzuimverlof, zwangerschaps-
                        en bevallingsverlof, verlof bij</al><al>adoptie en pleegzorg, kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend
                        zorgverlof. De bepalingen van de Waz</al><al>zijn niet opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet
                        rechtstreeks van toepassing is op</al><al>gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die aangelegenheden
                        geregeld die afwijken van de wet</al><al>of aanvullende aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid
                        van de regeling een bepaling uit</al><al>de Waz overgenomen.</al><al>De ambtenaar heeft op grond van de Waz recht op kortdurend zorgverlof
                        wanneer hij genoodzaakt is om voor</al><al>een zieke naaste te zorgen. Recht op kortdurend zorgverlof bestaat voor de
                        volgende personen:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de echtgenoot, de geregistreerde partner of
                        de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>een inwonend kind tot wie de ambtenaar als
                        ouder in een familierechtelijke betrekking staat;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>een inwonend kind van de echtgenoot, de
                        geregistreerde partner of de persoon met wie de partner ongehuwd</al><al>samenwoont;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>een pleegkind dat blijkens verklaringen uit
                        de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres woont</al><al>als de ambtenaar en door hem in diens gezin duurzaam wordt verzorgd en
                        opgevoed op basis van een</al><al>pleegcontract als bedoeld in artikel 39 van de Wet op de
                        jeugdhulpverlening;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>een bloedverwant in de eerste graad, niet
                        zijnde een kind.</al><al><cursief>Meldingprocedure</cursief></al><al>In de Waz is een regeling getroffen inzake de meldingsverplichting van de
                        ambtenaar bij opname van</al><al>kortdurend zorgverlof. De ambtenaar moet voordat hij kortdurend zorgverlof
                        wil opnemen de werkgever</al><al>melden dát hij verlof wil opnemen en waarom hij verlof wil opnemen. In geval
                        van acute noodsituaties zal dit</al><al>niet altijd mogelijk zijn; in die gevallen meldt de werknemer het opnemen
                        van het verlof zo spoedig mogelijk</al><al>aan de werkgever, onder opgave van redenen. De werkgever mag achteraf van de
                        ambtenaar verlangen dat hij</al><al>aannemelijk maakt dat hij zijn arbeid niet heeft kunnen verrichten in
                        verband met de noodzakelijke verzorging</al><al>van een persoon genoemd in de Waz.</al><al>Op grond van de Waz kunnen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen voor de
                        werkgever reden zijn om</al><al>het kortdurend zorgverlof te beëindigen of niet te doen aanvangen. Een
                        werkgever mag dit argument niet</al><al>lichtvaardig gebruiken. Het dienstbelang van de werkgever dient zodanig
                        zwaarwegend te zijn dat het belang</al><al>van de ambtenaar daarvoor naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid
                        dient te wijken.</al><al><cursief>Samenloop met andere verlofvormen</cursief></al><al>De wetgever heeft het noodzakelijk geacht om een regeling te treffen over
                        samenloop tussen de</al><al>diverse verlofvormen. Het is immers mogelijk dat een situatie zowel voldoet
                        aan de voorwaarden voor</al><al>calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor kortdurend zorgverlof. In
                        dat geval zou het voor de ambtenaar</al><al>aantrekkelijk kunnen zijn om voor calamiteitenverlof te kiezen omdat dit
                        verlof verleend wordt met behoud van</al><al>de volledige bezoldiging. In artikel 5:8 Waz is daarom bepaald dat indien
                        zowel is voldaan aan de voorwaarden</al><al>voor het calamiteitenverlof, als aan de voorwaarden voor het kortdurend
                        zorgverlof, het calamiteitenverlof na</al><al>één dag eindigt.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het eerste lid is bepaald dat een ambtenaar met een volledige betrekking
                        ten hoogste 72 uur zorgverlof per</al><al>jaar kan opnemen. Dit betekent dat ook de ambtenaar wiens aanstelling op
                        grond van artikel 2:7a verruimd is</al><al>naar maximaal 40 uur per week maximaal 72 uur per kalenderjaar zorgverlof
                        kan opnemen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid is bepaald dat het recht op kortdurend zorgverlof van de
                        ambtenaar met een</al><al>betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week, naar evenredigheid wordt
                        verminderd.</al><al><cursief>Lid 3 en 4</cursief></al><al>In de leden 3 en 4 is geregeld dat het kortdurend zorgverlof voor de helft
                        voor rekening van de ambtenaar en</al><al>voor de helft voor rekening van de werkgever komt. Voor de verrekening van
                        het verlof kan worden gedacht</al><al>aan de inlevering van regulier verlof, verlof in verband met de toepassing
                        van het cafetariamodel en verlof dat is</al><al>opgebouwd in het kader van de verlofspaarregeling. Ook kan de mogelijkheid
                        worden geboden om het verlof op</al><al>een later moment in te halen. In geval van ernstige ziekte is artikel 6:4:1
                        eerste lid, onderdeel b van toepassing.</al><al>Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar hoe de verrekening van het
                        verlof zal plaatsvinden.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:4:4</cursief></vet></al><al>Ten aanzien van afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof
                        zoals bedoeld in dit artikellid wordt</al><al>verwezen naar de toelichting bij artikel 6:4, vierde lid, van de CAR.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:4:5</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het is aan de gemeente om invulling te geven aan dit artikel. Het kan
                        bijvoorbeeld gaan om verlof wanneer</al><al>het langdurend zorgverlof niet toereikend blijkt te zijn (zie daarvoor ook
                        artikel 6:4:1a) of om verlof om het</al><al>overlijden van een verwant te verwerken (rouwverlof).</al><al>Het verlof kan met behoud van gehele of gedeeltelijke bezoldiging worden
                        verleend. Wanneer er sprake is van</al><al>een gedeeltelijke doorbetaling van de bezoldiging kan het inkomen worden
                        aangevuld met het opgebouwde</al><al>spaartegoed uit de levensloopregeling. De voorwaarden hiervoor zijn
                        opgenomen in hoofdstuk 6a.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:4:5a</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Ten aanzien van de afdracht van pensioen- en vutpremies tijdens het verlof
                        zoals bedoeld in het eerste lid wordt</al><al>verwezen naar de toelichting bij artikel 6:10, vierde lid.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:5</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2005-2007 hebben LOGA-partijen nieuwe
                        afspraken gemaakt</al><al>over doorbetaling van de bezoldiging over de uren waarop de ambtenaar
                        ouderschapsverlof geniet. De</al><al>doorbetaling bedraagt het in het tweede lid aangegeven percentage van de
                        bezoldiging minus het bedrag</al><al>van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingsdienst waarop de ambtenaar
                        aanspraak kan maken. Met</al><al>deze fiscale tegemoetkoming wordt de zogeheten ouderschapsverlofkorting
                        bedoeld. De aanspraak op</al><al>ouderschapsverlofkorting kan alleen geëffectueerd worden indien de ambtenaar
                        gebruikmaakt van een</al><al>levensloopregeling. Deelname aan een levensloopregeling kan niet verplicht
                        worden gesteld. Bij het</al><al>vaststellen van het bedrag dat de werkgever moet doorbetalen over de uren
                        ouderschapsverlof wordt ervan</al><al>uitgegaan dat de ambtenaar de maximale fiscale ouderschapsverlofkorting
                        geniet. Het inkomen gedurende de</al><al>ouderschapsverlofperiode kan worden aangevuld met het opgebouwde spaartegoed
                        uit de levensloopregeling.</al><al>De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in hoofdstuk 6a.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Een medewerker werkt fulltime (36 uur), heeft maandelijks recht op een
                        bezoldiging van € 2500 en is</al><al>ingeschaald in schaal 9. Deze medewerker neemt gedurende een periode van één
                        jaar, 7,2 uur per week</al><al>ouderschapsverlof op.</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Ouderschapsverlofkorting</al><al>Deze medewerker neemt 52 weken x 7,2 uur = 374,40 uur ouderschapsverlof op.
                        Per uur ouderschapsverlof</al><al>ontvangt deze medewerker maximaal € 3,68 ouderschapsverlofkorting. Van de
                        Belastingdienst ontvangt deze</al><al>medewerker dus maximaal 374,40 uur x € 3,68 = € 1377,79 op jaarbasis. Dit is
                        € 114,82 per maand.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Bezoldiging</al><al>Deze medewerker ontvangt van zijn werkgever:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>80% (28,8 uur) van € 2500 = € 2000</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>20% (7,2 uur ouderschapsverlof) van € 2500 =
                        € 500</al><al>Over de dag ouderschapsverlof krijgt deze medewerker de helft doorbetaald
                        omdat hij is ingeschaald in</al><al>schaal 9. Dit betekent dat de medewerker voor deze dag maximaal € 250
                        ontvangt. Hiervan ontvangt de</al><al>medewerker van zijn werkgever: € 250 - € 114,82 (ouderschapsverlofkorting) =
                        € 135,18.</al><al>In totaal ontvangt deze medewerker van zijn werkgever: € 2000 + € 135,18 = €
                        2135,18. Wanneer deze</al><al>medewerker ook de maximale ouderschapsverlofkorting van de Belastingdienst
                        krijgt, ontvangt hij in totaal: €</al><al>2135,18 + € 114,82 = € 2250.</al><al>De berekening in dit voorbeeld is gebaseerd op het bedrag van de
                        ouderschapsverlofkorting zoals dat geldt op 1</al><al>januari 2006. Dit bedrag en daarmee de berekening in dit voorbeeld kan aan
                        verandering onderhevig zijn door</al><al>een wijziging van de fiscale regelgeving.</al><al><cursief>Werkingssfeer</cursief></al><al>Op grond van de Waz hebben ouders recht op ouderschapsverlof voor kinderen
                        onder de leeftijd van acht jaar</al><al>tot wie zij in een familierechtelijke betrekking staan of die zij als hun
                        eigen kind opvoeden en verzorgen en dat</al><al>blijkens een verklaring uit het bevolkingsregister op hetzelfde adres als de
                        ambtenaar woont.</al><al>Voor de bepaling of de werknemer op hetzelfde adres woont als het kind geldt
                        het moment van ingang van</al><al>het verlof (artikel 6:1, lid 2, Waz). Ingeval bijvoorbeeld de werknemer
                        gedurende de verlofperiode verhuist</al><al>en daardoor niet meer op hetzelfde adres als het kind woont, heeft dit geen
                        consequenties voor het resterende</al><al>verlofrecht: het verlof loopt dan gewoon door.</al><al>Indien het kind door gescheiden ouders gezamenlijk, maar apart, wordt
                        opgevoed, bestaat er eveneens recht op</al><al>ouderschapsverlof. Beide ouders staan immers in een familierechtelijke
                        betrekking tot het kind.</al><al>De vereiste dat het verlof dient te zijn genoten voor het kind de leeftijd
                        van acht jaar heeft bereikt, heeft</al><al>betrekking op de gehele verlofperiode. Indien het kind op het moment van
                        ingang van het verlof bijvoorbeeld</al><al>zeven jaar en negen maanden is, kan slechts drie maanden verlof worden
                        genoten. Het verlof vervalt dan zodra</al><al>het kind acht jaar is geworden (artikel 6:4 Waz).</al><al>Voordat de ambtenaar ouderschapsverlof kan opnemen, moet hij tenminste een
                        jaar in dienst zijn bij de</al><al>gemeente (artikel 6:3 lid 1 Waz). Heeft de ambtenaar verschillende keren op
                        tijdelijke basis bij dezelfde</al><al>gemeente gewerkt, dan worden deze perioden bij elkaar opgeteld, voorzover
                        zij elkaar met onderbrekingen</al><al>van niet meer dan drie maanden opvolgen. Hetzelfde geldt indien de ambtenaar
                        voorafgaande aan zijn</al><al>indiensttreding voor dezelfde gemeente op uitzend- of detacheringsbasis
                        gewerkt heeft; deze perioden worden</al><al>meegeteld voor de berekening van de periode van 1 jaar, voorzover er geen
                        sprake is van een onderbreking van</al><al>meer dan drie maanden.</al><al><cursief>Standaard vormgeving</cursief></al><al>De hoofdregel is dat het aantal uren verlof waar de ambtenaar ten hoogste
                        recht op heeft dertien maal de</al><al>arbeidsduur per week bedraagt (artikel 6:2 lid 1 Waz). Het verlof wordt per
                        week opgenomen gedurende een</al><al>aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden, waarbij het aantal uur
                        verlof per week ten hoogste de</al><al>helft van de arbeidsduur per week bedraagt (artikel 6:2 lid 2 en 3
                        Waz).</al><al><cursief>Afwijkende vormgeving</cursief></al><al>De ambtenaar kan verzoeken het ouderschapsverlof op een afwijkende manier op
                        te nemen. Er zijn hierbij drie</al><al>mogelijkheden (artikel 6:2 lid 4 Waz):</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het verlof wordt uitgesmeerd over een
                        langere periode dan zes maanden;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het verlof wordt opgedeeld in ten hoogste
                        drie perioden waarbij iedere periode tenminste een maand</al><al>bedraagt;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het verlof bedraagt meer uren per week dan
                        de helft van de arbeidsduur per week.</al><al>De totale periode van ouderschapsverlof wordt hierdoor korter. Als de
                        ambtenaar ervoor kiest om het verlof op</al><al>te knippen in drie perioden dan zal hij telkens drie maanden van te voren
                        moeten melden dat hij weer een deel</al><al>van zijn verlof wenst op te nemen.</al><al><cursief>Bezwaar werkgever</cursief></al><al>Als de ambtenaar ouderschapsverlof opneemt volgens de "standaard
                        vormgeving", dat wil zeggen gedurende</al><al>zes maanden voor de helft van de werktijd, dan mag het bevoegd gezag zo'n
                        verzoek niet afwijzen. Wel kan</al><al>het bevoegd gezag tot uiterlijk vier weken voor de ingangsdatum van het
                        verlof bezwaar maken tegen het</al><al>voorgestelde rooster. Het college mag de voorgestelde spreiding van
                        verlofuren over de week echter alleen op</al><al>grond van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang wijzigen.</al><al>Als de ambtenaar verzoekt om ouderschapsverlof volgens de "afwijkende
                        vormgeving" dan mag het college</al><al>zo'n verzoek afwijzen. Het verzoek om het ouderschapsverlof te splitsen in
                        drie perioden van een maand</al><al>fulltime verlof hoeft het college dus bijvoorbeeld niet perse te honoreren.
                        Wel geldt dat het college in een</al><al>dergelijk geval moet aantonen dat een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang
                        zich tegen inwilliging van het</al><al>verzoek verzet.</al><al><cursief>Intrekking of wijziging aanvraag</cursief></al><al>Een ambtenaar kan verzoeken het aangevraagde ouderschapsverlof niet op te
                        nemen dan wel niet voort te zetten</al><al>(artikel 6:6 Waz). Het college kan een dergelijk verzoek afwijzen als
                        zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang</al><al>zich hiertegen verzet. Aan een dergelijk verzoek hoeft niet eerder gevolg te
                        worden gegeven dan vier weken na</al><al>het verzoek. Als het ouderschapsverlof is opgedeeld in meerdere perioden dan
                        geldt dit voor elke afzonderlijke</al><al>periode.</al><al>De CAR/UWO regelt echter expliciet dat er bij ziekte geen sprake is van
                        opschorting van het ouderschapsverlof</al><al>(artikel 6:5:3, eerste lid). De aanvraag van de ambtenaar om wijziging van
                        de aanvraag om die reden, kan</al><al>worden afgewezen.</al><al><cursief>Nieuwe werkgever</cursief></al><al>In de situatie dat een werknemer bij de oude werkgever het ouderschapsverlof
                        heeft gesplitst en de</al><al>arbeidsverhouding wordt beëindigd voordat het totale verlof is genoten,
                        heeft de werknemer, als hij een nieuwe</al><al>arbeidsovereenkomst of aanstelling aangaat, tegenover de nieuwe werkgever
                        aanspraak op het resterende deel</al><al>van het verlof dat hij nog niet heeft genoten bij zijn vorige werkgever. Het
                        komt erop neer dat indien de oude</al><al>werkgever heeft ingestemd met een splitsing van het verlof en de nieuwe
                        werkgever daaraan is gebonden.</al><al>Wanneer een medewerker van werkgever verandert moet hij eerst een jaar in
                        dienst zijn alvorens hij aanspraak</al><al>kan maken op het resterende deel van het ouderschapsverlof (artikel 6:3 lid
                        1 Waz).</al><al><vet><cursief>Artikel 6:5a</cursief></vet></al><al>In het arbeidsvoorwaardenakkoord 2005-2007 hebben LOGA-partijen nieuwe
                        afspraken gemaakt over</al><al>doorbetaling van de uren waarop de ambtenaar ouderschapsverlof geniet.
                        Onderdeel van deze afspraken is</al><al>een overgangsregeling. Deze overgangsregeling is bedoeld voor ambtenaren die
                        op 31 december 2005 ten</al><al>minste één jaar in dienst zijn van de gemeente en die op die datum één of
                        meer kinderen hebben die jonger</al><al>zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof genoten is. De
                        overgangsregeling is inhoudelijk</al><al>een voortzetting van de 'oude' regeling. De ambtenaar die gebruikmaakt van
                        de overgangsregeling betaald</al><al>ouderschapsverlof komt in principe ook in aanmerking voor de fiscale
                        tegemoetkoming van de Belastingdienst,</al><al>de zogeheten ouderschapsverlofkorting, indien hij gebruikmaakt van de
                        levensloopregeling.</al><al>In 2006 wordt bij de vaststelling van het bedrag dat de werkgever moet
                        doorbetalen over de uren waarop de</al><al>ambtenaar ouderschapsverlof geniet geen rekening gehouden met de
                        ouderschapsverlofkorting. Vanaf 2007 is</al><al>dit wel het geval. De ambtenaar ontvangt dan over de uren dat hij
                        ouderschapsverlof geniet het percentage van</al><al>de bezoldiging zoals bepaald in het tweede en derde lid minus de maximale
                        ouderschapsverlofkorting.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:5:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid schrijft voor dat de ambtenaar de wens tot het opnemen van
                        het verlof tijdig aan de werkgever</al><al>kenbaar moet maken; minimaal drie maanden voor de geplande ingangsdatum. De
                        ambtenaar kan het verlof</al><al>pas genieten nadat drie maanden na de voorgeschreven melding zijn
                        verstreken. Gelet op de aan de melding</al><al>verbonden gevolgen, is bepaald dat zij schriftelijk via een
                        aanvraagformulier dient te geschieden. Deze</al><al>meldingsprocedure is opgenomen met het oog op het goed functioneren van de
                        arbeidsorganisatie. De gemeente</al><al>heeft op deze wijze de gelegenheid tijdig de nodige voorzieningen te treffen
                        in verband met de tijdelijke</al><al>gedeeltelijke afwezigheid van de ambtenaar. Als de ambtenaar het
                        ouderschapsverlof wil koppelen aan het einde</al><al>van het bevallingsverlof, dan mag de precieze ingangsdatum in het midden
                        gelaten worden, totdat duidelijkheid</al><al>bestaat over het moment dat het bevallingsverlof eindigt.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:5:2</cursief></vet></al><al>Bij twee- of meerlingen bestaat slechts voor één kind aanspraak op betaald
                        ouderschapsverlof. Voor de overige</al><al>kinderen van de twee- of meerling geldt wel het recht op ouderschapsverlof
                        volgens de Waz, doch zonder</al><al>doorbetaling van de bezoldiging. Voor het ouderschapsverlof van de overige
                        kinderen zijn de bepalingen uit</al><al>artikel 6:5:1, 6:5:3, 6:5:4, 6:5:6 en 6:5:7 van overeenkomstige
                        toepassing.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:5:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikellid bepaalt dat bij ziekte geen opschorting van het betaalde
                        ouderschapsverlof plaatsvindt. Hierbij</al><al>wordt geen onderscheid gemaakt tussen gehele of gedeeltelijke ziekte.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikel heeft enkel betrekking op de betaling van bezoldiging in geval
                        van ziekte. Indien de ambtenaar</al><al>langdurig ziek is, wordt de korting van de bezoldiging vanaf de vijftiende
                        kalenderdag beëindigd. Hierbij wordt</al><al>geen onderscheid gemaakt tussen gehele of gedeeltelijke ziekte. Het
                        ouderschapsverlof schort echter niet op (zie</al><al>lid 1).</al><al><vet><cursief>Artikel 6:5:4</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>De korting van vakantieverlof vindt gedurende het ouderschapsverlof plaats
                        overeenkomstig de omvang en</al><al>de duur van dit verlof. Geniet de ambtenaar bijvoorbeeld ouderschapsverlof
                        gedurende zes maanden voor de</al><al>helft van zijn arbeidsduur en loopt het verlof van 1 mei tot 1 november, dan
                        heeft betrokkene tot en met april</al><al>recht op volledig verlof (4/12 x verlofaanspraak op jaarbasis), van mei tot
                        november een halve verlofopbouw</al><al>(6/12 x verlofaanspraak op jaarbasis x 0,5) en in november en december weer
                        een gehele verlofopbouw (2/12 x</al><al>verlofaanspraak op jaarbasis).</al><al>Een uitzondering wordt gemaakt voor die gevallen dat het ouderschapsverlof
                        wordt genoten en de ambtenaar</al><al>ziek wordt. Indien deze ziekteperiode langer duurt dan 14 kalenderdagen,
                        wordt de korting van het</al><al>vakantieverlof beëindigd en vindt derhalve vanaf de vijftiende kalenderdag
                        weer volledige opbouw van het</al><al>vakantieverlof plaats (artikel 6:5:4, tweede lid).</al><al><cursief>Lid 3 en 4</cursief></al><al>Dit lid bepaalt dat de opbouw van de vakantietoelage plaatsvindt op basis
                        van de gekorte bezoldiging. Een</al><al>uitzondering wordt gemaakt voor die gevallen dat het ouderschapsverlof wordt
                        genoten en de ambtenaar ziek</al><al>wordt. Indien deze ziekteperiode langer duurt dan 14 kalenderdagen, wordt de
                        korting van de bezoldiging</al><al>beeindigd en vindt derhalve vanaf de vijftiende kalenderdag weer opbouw van
                        de vakantietoelage plaats over de</al><al>gehele bezoldiging (artikel 6:5:4, vierde lid).</al><al><vet><cursief>Artikel 6:5:5</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De terugbetaling van de bezoldiging betreft de bezoldiging die is betaald
                        over de uren dat de ambtenaar het</al><al>betaald ouderschapsverlof heeft genoten. Dit geldt alleen bij ontslag op
                        grond van artikel 8:1 (ontslag op</al><al>verzoek) en artikel 8:13 (ontslag als disciplinaire straf).</al><al>Als een ambtenaar het ouderschapsverlof opdeelt in meerdere perioden moet
                        voor de toepassing van artikel</al><al>6:5:5 eerste lid, elke periode worden beschouwd als een afzonderlijk
                        deel.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>De ambtenaar heeft het ouderschapsverlof opgedeeld. Van 1-01-2001 tot
                        1-04-2001 heeft hij ouderschapsverlof</al><al>opgenomen voor de helft van zijn betrekking. Van 1-01-2002 tot 1-04-2002
                        heeft hij nogmaals</al><al>ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn betrekking. Op 1-05-2002
                        wordt hij op eigen verzoek</al><al>ontslagen. De terugbetalingsverplichting geldt dan niet voor de eerste
                        periode van ouderschapsverlof maar wel</al><al>voor de tweede periode van ouderschapsverlof.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een uitzondering op de regel van terugbetaling bij ontslag op verzoek, geldt
                        indien de ambtenaar bij een andere</al><al>gemeente gaat werken of indien er recht bestaat op een uitkering wegens het
                        volgen van de echtgenoot die door</al><al>geheel buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats
                        moet veranderen.</al><al>Onder het regime van de Werkloosheidswet is het mogelijk dat een uitkering
                        wordt verstrekt bij werkloosheid</al><al>die ontstaan is doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de
                        echtgenoot of geregistreerde partner</al><al>volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van
                        standplaats moet wijzigen. Als dit het</al><al>geval is en een WW-uitkering wordt verstrekt, wordt geen terugbetaling van
                        het ouderschapsverlof gevorderd.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Onder het aanvaarden van een betrekking voor minder uren dan hij direct
                        voorafgaande aan het</al><al>ouderschapsverlof vervulde, wordt mede begrepen een verzoek om vermindering
                        van arbeidsduur. Sinds 1</al><al>januari 2001 moet dit worden vormgegeven door middel van een besluit tot
                        gedeeltelijk ontslag. Een en ander is</al><al>geregeld in artikel 8:1, tweede lid, en in artikel 8:17.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Een werknemer heeft ouderschapsverlof opgenomen voor de helft van zijn
                        betrekking. Zijn aanstelling bedraagt</al><al>36 uur en zijn feitelijke arbeidsduur bedraagt gedurende het
                        ouderschapsverlof 18 uur.</al><al>De werknemer verzoekt binnen drie maanden na afloop van het
                        ouderschapsverlof om zes uur per week minder</al><al>te mogen werken. Zijn aanstelling wordt daarop teruggebracht tot 30 uur per
                        week. Betrokkene zal, voor die</al><al>uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, de bezoldiging die hij
                        genoot over de arbeidsduur waarvoor</al><al>het ouderschapsverlof gold, dienen terug te betalen. In dit voorbeeld
                        betekent dit dat betrokkene over zes uur</al><al>deze bezoldiging dient terug te betalen; dus 6 uur x 26 weken x 75%
                        bezoldiging.</al><al>Indien er ouderschapsverlof wordt opgenomen voor vier uur per week en de
                        aanstelling wordt binnen drie</al><al>maanden na afloop van het ouderschapsverlof op verzoek van de betrokkene met
                        zes uur verminderd, geldt dat</al><al>de bezoldiging die hij genoot over de vier uur ouderschapsverlof
                        terugbetaald dient te worden; dus 4 uur x 26</al><al>weken x 75% bezoldiging.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Ingevolge het bepaalde in dit lid dient de ambtenaar die ouderschapsverlof
                        gaat genieten, zich schriftelijk</al><al>akkoord te verklaren met de terugbetalingsverplichting in de gevallen zoals
                        deze in de vorige leden zijn</al><al>genoemd.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:6</cursief></vet></al><al>[Vervallen]</al><al><vet><cursief>Artikel 6:7</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                        2001, 567) en is van toepassing</al><al>op werknemers en ambtenaren. Het doel van de Waz is werknemers en ambtenaren
                        in de gelegenheid te</al><al>stellen betaald werk te combineren met zorgtaken. In de Waz zijn daarom
                        regels gesteld omtrent diverse</al><al>vormen van verlof, zoals calamiteiten- en kortverzuimverlof, zwangerschaps-
                        en bevallingsverlof, verlof bij</al><al>adoptie en pleegzorg, kraamverlof, ouderschapsverlof en kortdurend
                        zorgverlof. De bepalingen van de Waz</al><al>zijn niet opgenomen in de CAR en de UWO; dit is niet nodig omdat de wet
                        rechtstreeks van toepassing is op</al><al>gemeenteambtenaren. In de CAR en de UWO zijn alleen die aangelegenheden
                        geregeld die afwijken van de wet</al><al>of aanvullende aanspraken bieden. Incidenteel is omwille van de leesbaarheid
                        van de regeling een bepaling uit</al><al>de Waz overgenomen.</al><al>In dit artikel is opgenomen dat een vrouwelijke ambtenaar recht heeft op
                        doorbetaling van de bezoldiging als</al><al>zij zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet op grond van de Waz. De
                        bepalingen van Waz gelden voor zover</al><al>daarvan niet is afgeweken in artikel 6:7.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft gedurende minimaal 16 weken recht op
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof.</al><al>Het recht op zwangerschapsverlof bestaat vanaf zes weken voor de dag van de
                        vermoedelijke datum van</al><al>bevalling, zoals aangegeven in een aan de werkgever overlegde schriftelijke
                        verklaring van een arts of</al><al>verloskundige, tot en met de dag na de vermoedelijke datum van de bevalling
                        ( artikel 3:1 lid 2 Waz). De</al><al>vrouwelijke ambtenaar meldt aan de werkgever de dag met ingang waarvan zij
                        het zwangerschapsverlof</al><al>opneemt uiterlijk drie weken voor de dag dat het zwangerschapsverlof
                        aanvangt. Het zwangerschapsverlof gaat</al><al>in uiterlijk vier weken voor de dag na de vermoedelijke datum van de
                        bevalling ( artikel 3:1 lid 2 Waz).</al><al>De vrouwelijke ambtenaar meldt haar bevalling uiterlijk op de tweede dag
                        volgend op die van de bevalling (</al><al>artikel 3:3 lid 1 en 2 Waz).</al><al>Het bevallingsverlof gaat in op de dag na de bevalling en bedraagt tien
                        aaneengesloten weken vermeerderd met</al><al>het aantal dagen dat het zwangerschapsverlof tot en met de vermoedelijke
                        datum van de bevalling, minder dan</al><al>zes weken heeft bedragen ( artikel 3:1 lid 3 Waz). De duur van het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof samen is</al><al>langer dan 16 weken als de bevalling later heeft plaatsgevonden dan op de
                        uitgerekende datum.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet mag worden</al><al>aangemerkt als ziekte. In dit artikel is geregeld dat de vrouwelijke
                        ambtenaar tijdens haar zwangerschaps- en</al><al>bevallingsverlof recht heeft op doorbetaling van haar volledige
                        bezoldiging.</al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft recht op volledige doorbetaling van de
                        volledige bezoldiging.</al><al>Vrouwelijke ambtenaren hebben gedurende de periode van het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof aanspraak</al><al>op een uitkering (artikel 3:7 lid 1 Waz). De hoogte van de uitkering in
                        geval van zwangerschap en bevalling</al><al>bedraagt 100% van het voor de ambtenaar geldende dagloon met een vastgesteld
                        maximum (artikel 3:13 Waz).</al><al>Het bedrag van deze uitkering wordt in mindering gebracht op de bezoldiging,
                        waarop de betrokken ambtenaar</al><al>recht heeft.</al><al><cursief>Lid 3 en 4</cursief></al><al>De werkgever dient ten tijde van het zwangerschaps- en bevallingsverlof de
                        bezoldiging door te betalen. De</al><al>vrouwelijke ambtenaar moet bij de werkgever de informatie overleggen die de
                        werkgever nodig heeft voor het</al><al>ontvangen van de uitkering op grond van de Waz (artikel 3:11 lid 1
                        Waz).</al><al>Deze informatie dient uiterlijk twee weken voor de datum van de ingang van
                        het zwangerschapsverlof aan de</al><al>werkgever te zijn gemeld (artikel 3:11 lid 2 Waz).</al><al>De informatie betreft:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>de vermoedelijke datum van de bevalling,
                        onder overlegging van de verklaring van een arts of van een</al><al>verloskundige waarin die datum is aangegeven;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>de datum waarop het zwangerschapsverlof
                        ingaat.</al><al>Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen uitkering wordt
                        verstrekt kan dit geheel of gedeeltelijk</al><al>in mindering worden gebracht op de bezoldiging.</al><al>Er wordt dan een fictieve uitkering ter hoogte van 100% van het dagloon in
                        mindering gebracht.</al><al>Om verrekening van de bezoldiging met de uitkering wegens zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof praktisch</al><al>mogelijk te maken, is de ambtenaar verplicht mee te werken aan de
                        uitbetaling van de Waz-uitkering door het</al><al>UWV aan de gemeentelijke werkgever.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Het tijdvak waarover zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten,
                        schort de termijn van 18 maanden van</al><al>artikel 7:3 gedurende welk het termijn recht bestaat op doorbetaling van de
                        volledige bezoldiging niet op. Dit</al><al>betekent dat indien een ambtenaar ziek is en tijdens de ziekte
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof geniet, het</al><al>verlof onderdeel uitmaakt van de 18 maanden termijn.</al><al><cursief>Ziekte voor zwangerschapsverlof</cursief></al><al>Er kan sprake zijn van een situatie dat de vrouwelijke ambtenaar een
                        bepaalde periode voor ingang van haar</al><al>zwangerschapsverlof haar werkzaamheden niet kan verrichten wegens gehele of
                        gedeeltelijke ziekte. Voor</al><al>zover deze ziekte plaatsvindt vanaf zes weken voor de vermoedelijke
                        bevallingsdatum, wordt deze ziekte</al><al>aangemerkt als zwangerschapsverlof, ongeacht de keuze van de vrouwelijke
                        ambtenaar ten aanzien van de duur</al><al>van het zwangerschapsverlof (artikel 3:1 lid 4 Waz). Dit kan betekenen dat
                        het zwangerschapsverlof langer</al><al>duurt dan van tevoren was gekozen. De periode van het bevallingsverlof wordt
                        in dat geval evenredig verkort.</al><al>Bij deze samenloop van zwangerschapsverlof en ziekte doet het niet ter zake
                        of een medewerker geheel of</al><al>gedeeltelijk ziek is. Ook bij gedeeltelijke ziekte wordt het
                        zwangerschapsverlof geacht in te gaan. Duidelijk</al><al>is dan wel dat de vrouwelijke ambtenaar, die gedeeltelijk ziek is, vanaf zes
                        weken voor de vermoedelijke</al><al>bevallingsdatum niet meer hoeft te werken.</al><al>Hier zijn enkele voorbeelden ter verduidelijking.</al><al>Een vrouw kiest ervoor vier weken voor de bevalling met zwangerschapsverlof
                        te gaan en dus 12 weken</al><al>bevallingsverlof te genieten. Zes weken voor de vermoedelijke
                        bevallingsdatum wordt zij volledig ziek. Op</al><al>dit moment gaat haar zwangerschaps- en bevallingsverlof in. In principe
                        heeft zij dus recht op zes weken</al><al>zwangerschapsverlof (er worden twee weken bij de gemaakte keuze opgeteld) en
                        tien weken bevallingsverlof</al><al>(er vindt een korting van twee weken plaats ten opzichte van de keuze).</al><al>A Vijf weken voor de uitgerekende datum vindt de bevalling plaats. Haar
                        zwangerschapsverlof heeft slechts 1</al><al>week geduurd. De vijf resterende weken worden bij het bevallingsverlof
                        opgeteld. Zij heeft dus nog recht op 15</al><al>weken bevallingsverlof. In totaal is betrokkene 16 weken afwezig wegens haar
                        zwangerschap en bevalling.</al><al>B De bevalling vindt plaats drie weken na de uitgerekende datum. Dit
                        betekent dat de betrokken ambtenaar 9</al><al>zwangerschapsverlof heeft gehad. Vervolgens heeft zij nog recht op 10 weken
                        bevallingsverlof. In totaal is de</al><al>betrokken ambtenaar 19 weken afwezig (negen weken zwangerschapsverlof en 10
                        weken bevallingsverlof).</al><al>Een vrouw kiest ervoor vier weken voor de bevalling met zwangerschapsverlof
                        te gaan. Op het moment dat ze</al><al>vijf maanden zwanger is, werkt zij wegens ziekte halve dagen.</al><al>C Het zwangerschaps- en bevallingsverlof gaat zes weken voor de
                        vermoedelijke bevallingsdatum in. In</al><al>principe heeft zij dus recht op zes weken zwangerschapsverlof en 10 weken
                        bevallingsverlof. De datum van de</al><al>bevalling bepaalt hoe lang het zwangerschapsverlof en het bevallingsverlof
                        uiteindelijk duurt (zie voorbeelden</al><al>A en B hiervoor).</al><al><vet><cursief>Artikel 6:8</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De Wet arbeid en zorg (Waz) is per 1 december 2001 in werking getreden (Stb.
                        2001, 567) en is van toepassing</al><al>op werknemers en ambtenaren. Een onderdeel van deze wet is het recht op
                        adoptie- en pleegzorgverlof. Het</al><al>doel van de Waz is werknemers en ambtenaren in de gelegenheid te stellen
                        betaald werk te combineren met</al><al>zorgtaken. In de Waz zijn daarom regels gesteld omtrent diverse vormen van
                        verlof, zoals calamiteitenen</al><al>kortverzuimverlof, zwangerschaps- en bevallingsverlof, verlof bij adoptie en
                        pleegzorg, kraamverlof,</al><al>ouderschapsverlof en kortdurend zorgverlof. De bepalingen van de Waz zijn
                        niet opgenomen in de CAR en</al><al>de UWO; dit is niet nodig omdat de wet rechtstreeks van toepassing is op
                        gemeenteambtenaren. In de CAR en</al><al>de UWO zijn alleen die aangelegenheden geregeld die afwijken van de wet of
                        aanvullende aanspraken bieden.</al><al>Incidenteel is omwille van de leesbaarheid van de regeling een bepaling uit
                        de Waz overgenomen.</al><al>Het recht op adoptie- en pleegzorgverlof bestaat gedurende een tijdvak van
                        18 weken en bedraagt ten hoogste 4</al><al>aaneengesloten weken. Het recht bestaat vanaf 2 weken vóór de eerste dag dat
                        de feitelijke opneming ter adoptie</al><al>of pleegzorg een aanvang heeft genomen of zal nemen, zoals die dag is
                        aangeduid in een door de ambtenaar</al><al>aan het bevoegd gezag overlegd document waaruit blijkt dat een kind ter
                        adoptie of pleegzorg is of zal worden</al><al>opgenomen (artikel 3:2 lid 2 Waz).</al><al>Indien als gevolg van adoptie- of pleegzorg tegelijkertijd meerdere kinderen
                        worden opgenomen, bestaat het</al><al>recht op verlof slechts ten aanzien van één van die kinderen (artikel 3:2
                        lid 3 Waz).</al><al>De ambtenaar meldt aan de werkgever het opnemen van het verlof in verband
                        met adoptie of pleegzorg zo</al><al>mogelijk uiterlijk drie weken voor de dag van ingang van het verlof onder
                        opgave van de omvang van het</al><al>verlof. Bij de melding worden documenten gevoegd waaruit blijkt dat een kind
                        ter adoptie of pleegzorg is of zal</al><al>worden opgenomen (artikel 3:3 lid 2 Waz).</al><al><cursief>Lid 2, 3 en 4</cursief></al><al>Er bestaat aanspraak op volledige loondoorbetaling, daarom wordt de
                        uitkering aangevraagd via de werkgever.</al><al>De werkgever vraagt uiterlijk twee weken voor de datum van ingang van het
                        verlof een uitkering bij het UWV</al><al>aan (artikel 3:11 lid 2). De uitkering wordt gestort op rekening van de
                        werkgever en de werkgever betaalt de</al><al>volledige bezoldiging door. De ambtenaar verleent op verzoek van de
                        werkgever alle medewerking aan het via</al><al>de werkgever tot uitbetaling laten komen van de uitkering ter zake het
                        adoptie- en pleegzorgverlof. Wanneer een</al><al>ambtenaar geen volledige medewerking verleent ten aanzien van de aanvraag
                        van de uitkering kan dit leiden tot</al><al>een korting op de bezoldiging.</al><al><cursief>Samenloop adoptie- en pleegzorgverlof met zwangerschaps- en
                            bevallingsverlof</cursief></al><al>Wanneer een vrouw over dezelfde periode zowel recht heeft op een uitkering
                        in verband met zwangerschap</al><al>en bevallingsverlof als op een uitkering in verband met adoptie of
                        pleegzorg, vervalt de uitkering voor adoptie</al><al>of pleegzorg. Wanneer een werknemer in een zelfde periode zowel recht heeft
                        op een uitkering in verband</al><al>met adoptie als op een uitkering in verband met pleegzorg krijgt de
                        werknemer de uitkering in verband</al><al>met pleegzorg evenmin uitbetaald. Er is dus in de wet een hiërarchie
                        aangebracht tussen de verschillende</al><al>uitkeringsrechten in het geval zij samenlopen (artikel 3:29 Waz).</al><al><vet><cursief>Artikel 6:9</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De periode van verlof voor een ambtenaar bedraagt minimaal 1 maand en
                        maximaal 18 maanden. Voor de</al><al>maximale duur van het verlof is aansluiting gezocht bij de sociale
                        zekerheidswetgeving. In deze wetgeving</al><al>is bepaald dat het normale voor ingang van het verlof geldende
                        arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de</al><al>vaststelling van het recht op een uitkering, mits het verlof niet langer
                        duurt dan 18 maanden.</al><al>Indien de ambtenaar heeft deelgenomen aan de levensloopregeling van
                        hoofdstuk 6a CAR kan hij gedurende</al><al>deze periode van onbetaald verlof beschikken over zijn levenslooptegoed.
                        Voor meer informatie over de</al><al>opname van het levenslooptegoed wordt verwezen naar artikel 6a:9 CAR en de
                        toelichting op dit artikel.</al><al>Na afloop van het verlof keert de ambtenaar terug in de functie die hij voor
                        aanvang van dat verlof vervulde</al><al>tenzij er zwaarwegende omstandigheden zijn aan te voeren die terugkeer naar
                        deze functie belemmeren.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als college en ambtenaar beiden wensen af te wijken van de voorwaarden zoals
                        die worden genoemd in het</al><al>eerste en tweede lid, is dat op basis van dit artikellid mogelijk. Er kan
                        hierbij bijvoorbeeld worden gedacht aan</al><al>het toekennen van verlof dat korter dan een maand duurt.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De termijn van drie maanden sluit aan bij de termijn die geldt voor het
                        beschikken over het levenslooptegoed</al><al>(artikel 6a:9, tweede lid CAR). De aanvraag voor het gebruik maken van het
                        levenslooptegoed en het</al><al>verzoek om onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan
                        uiteindelijk slechts tot uitkering van het</al><al>levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof wordt toegekend.</al><al>Het verzoek van de ambtenaar wordt ingewilligd tenzij dienstbelang zich
                        daartegen verzet. Hiervan is onder</al><al>meer sprake indien honorering van het verzoek zou leiden tot een dusdanige
                        kleine aanstelling dat dit leidt tot</al><al>bijvoorbeeld roostertechnische problemen.</al><al>Indien het verzoek van de ambtenaar niet ingewilligd kan worden, komen
                        partijen in onderling overleg tot een</al><al>oplossing die zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van de
                        ambtenaar.</al><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Dit artikellid houdt niet in dat het college het verlof automatisch intrekt
                        wanneer een ambtenaar betaalde arbeid</al><al>verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet. Het biedt het college
                        enkel de mogelijkheid. In sommige</al><al>gevallen is het denkbaar dat ook de werkgever een belang heeft bij of geen
                        nadeel ondervindt van betaalde</al><al>activiteiten van de ambtenaar.</al><al><cursief>Lid 9</cursief></al><al>Onbetaald verlof ten behoeve van vervroegde uittreding van een periode van
                        drie jaar direct voorafgaand aan</al><al>pensionering kan slechts worden geweigerd als een zwaarwegend bedrijfs- of
                        dienstbelang zich daartegen</al><al>verzet. Het college mag dit argument niet lichtvaardig gebruiken. Het
                        dienstbelang van de werkgever dient</al><al>zodanig zwaarwegend te zijn dat het belang van de ambtenaar daarvoor naar de
                        maatstaven van redelijkheid</al><al>en billijkheid dient te wijken. Van een zwaarwegend bedrijfs- of
                        dienstbelang is in ieder geval sprake indien</al><al>toewijzing van het verzoek leidt tot ernstige problemen:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>voor de bedrijfsvoering bij de herbezetting
                        van de vrijgekomen uren;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>op het gebied van veiligheid, of</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>van roostertechnische aard.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:10</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het eerste lid is geregeld dat over de opgenomen uren van onbetaald
                        verlof geen opbouw van vakantie-uren</al><al>plaatsvindt.</al><al>Omdat een eventuele maandelijkse uitkering van het levenslooptegoed van
                        artikel 6a:9 CAR niet kan worden</al><al>aangemerkt als salaris noch als bezoldiging vindt over de opgenomen uren van
                        onbetaald verlof ook geen</al><al>opbouw van de vakantietoelage, levensloopbijdrage en eindejaarsuitkering
                        plaats.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De ambtenaar heeft gedurende de periode van verlof geen recht op
                        uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen,</al><al>toelagen en (kosten)vergoedingen. Hierbij moet ook gedacht worden aan een
                        kinderopvangvergoeding,</al><al>kostenvergoeding en een verstrekking in natura zoals bijvoorbeeld een
                        telefoon. Het college draagt zorg voor de</al><al>aanpassing van de lokale regelingen op dit punt.</al><al>Opname van het onbetaalde verlof heeft geen gevolgen voor de
                        uitkeringsrechten van de ambtenaar na de</al><al>periode van verlof. In de sociale zekerheidswetgeving is immers bepaald dat
                        het normale voor ingang van het</al><al>verlof geldende arbeidspatroon uitgangspunt blijft voor de vaststelling van
                        het recht op een uitkering, mits het</al><al>verlof niet langer duurt dan 18 maanden.</al><al>Dit artikellid bepaalt dat de ambtenaar geen recht heeft op uitkeringen,
                        tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen</al><al>en (kosten)vergoedingen. Echter wanneer het college gedurende de periode van
                        onbetaald verlof van de</al><al>ambtenaar een vergoeding voor bijvoorbeeld het volgen van een studie of een
                        opleiding wil verstrekken dan</al><al>sluit dit artikellid dat niet uit.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het vierde lid regelt dat de ambtenaar de pensioen- en FPU-premies in de
                        situatie van onbetaald verlof voor</al><al>zijn eigen rekening neemt. De ambtenaar betaalt zowel het werkgeversdeel als
                        het werknemersdeel. Het college</al><al>draagt zorg voor de afdracht van de premies maar verhaalt deze afdracht
                        gedurende de gehele periode van verlof</al><al>op de ambtenaar. Enkel wanneer het verlof slechts een periode van maximaal
                        drie maanden behelst geldt dit</al><al>niet. Dan betaalt de ambtenaar enkel het werknemersdeel, het werkgeversdeel
                        wordt bij verlof van maximaal</al><al>drie maanden door het college betaald. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal
                        naar rato vastgesteld.</al><al>Op grond van artikel 3.4 , lid 2 van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP wordt de</al><al>pensioenopbouw gedurende het verlof gebaseerd op het daadwerkelijk genoten
                        inkomen. Bij het opnemen</al><al>van onbetaald verlof is dit inkomen nihil. Indien de ambtenaar zijn
                        levenslooptegoed als bedoeld in artikel</al><al>6a:9 CAR opneemt gedurende de periode van onbetaald verlof, wordt deze
                        opname als inkomen gezien.</al><al>Pensioenopbouw vindt daarom plaats over de periodieke uitkering van het
                        levenslooptegoed. Indien het</al><al>inkomen – lees opname van het levenslooptegoed - hoger is dan 70% van het
                        inkomen dat zou zijn genoten als</al><al>de ambtenaar niet met verlof zou zijn gegaan, wordt de pensioenopbouw
                        gebaseerd op zijn reguliere inkomen.</al><al>Na de periode van een jaar verlof is het college gedurende de resterende
                        periode van verlof alleen de</al><al>ANW-premie, de IP-premie en de VUT-fondspremie verschuldigd aan het ABP.
                        Deze premies worden</al><al>vervolgens verhaald op de werknemer. Indien de ambtenaar na één jaar verlof
                        nog ouderdoms- en</al><al>nabestaandenpensioen wil opbouwen dan kan dat tegen een individuele
                        premie.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:11</cursief></vet></al><al>Tijdens de opnameperiode van volledig verlof is men in beginsel niet
                        verzekerd voor de Ziektewet, de Wet</al><al>werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de
                        arbeidsongeschiktheidsverzekering aangezien er in</al><al>die periode geen loon en daardoor ook geen sociale zekerheidspremies worden
                        betaald. Door de Wet onbetaald</al><al>verlof en sociale verzekeringen zal de werknemer na afloop van de
                        afgesproken verlofperiode echter geen</al><al>nadeel ondervinden voor de Ziektewet, de Wet werk en inkomen naar
                        arbeidsvermogen en de Wet op de</al><al>arbeidsongeschiktheidsverzekering.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Bij gedeeltelijk verlof stopt de periode van verlof bij ziekte na twee
                        weken. Op grond van de wet geldt als eerste</al><al>ziektedag de dag dat de ambtenaar zijn dienstbetrekking niet meer kan
                        vervullen wegen ziekte.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Indien er sprake is van volledig verlof kan het college bij ziekte van de
                        ambtenaar die langer dan 14</al><al>kalenderdagen duurt, besluiten om in schrijnende gevallen de periode van
                        verlof te beëindigen. Hiervan kan</al><al>enkel sprake zijn wanneer een ambtenaar tussentijds verlof geniet, d.w.z.
                        verlof dat niet voorafgaand aan</al><al>pensionering wordt genoten. Uitgangspunt echter bij volledig verlof is dat
                        de periode van verlof niet stopt bij</al><al>ziekte. Op grond van de wet geldt als eerste ziektedag bij volledig verlof
                        de dag dat de ambtenaar zijn arbeid</al><al>weer zou kunnen gaan vervullen na de periode van verlof als hij niet ziek
                        zou zijn geweest.</al><al><vet><cursief>Artikel 6:12</cursief></vet></al><al>Op grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeid en zorg bestaat een onaantastbaar
                        recht op zwangerschaps- en</al><al>bevallingsverlof. In verband met het bijzondere karakter van dat verlof is
                        bepaald dat het onbetaalde verlof</al><al>eindigt bij samenloop van dat verlof. Indien de ambtenaar gedurende de
                        periode van het verlof een uitkering</al><al>geniet uit zijn levenslooptegoed zoals bedoeld in artikel 6a:9 CAR wordt
                        deze uitkering bij aanvang van het</al><al>zwangerschaps- of bevallingsverlof stopgezet. De reden hiervoor is dat het
                        levenslooptegoed op grond van</al><al>artikel 61h Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 niet mag worden opgenomen
                        voor zover de uitkering uit</al><al>dit tegoed samen met het daarnaast van de werkgever genoten loon uitgaat
                        boven het laatstgenoten loon. Aan</al><al>de ambtenaar die met zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt op grond van
                        artikel 6:6 CAR de volledige</al><al>bezoldiging doorbetaald zodat deze grens wordt overschreden.</al><al><vet>6a De gemeentelijke levensloopregeling</vet></al><al><vet><cursief>Algemeen</cursief></vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>De levensloopregeling zoals die is opgenomen in artikel 19g van de Wet op de
                        loonbelasting 1964 en</al><al>hoofdstuk 7 van de Wet arbeid en zorg is per 1 januari 2006 in werking
                        getreden. In de Uitvoeringsregeling</al><al>loonbelasting 2001 is een nieuw hoofdstuk 5A opgenomen waarin nadere
                        uitvoeringsbepalingen met</al><al>betrekking tot de levensloopregeling zijn gegeven. Daarin is onder meer
                        verplicht gesteld dat de werkgever</al><al>een schriftelijk vastgelegde levensloopregeling heeft. Aan deze wettelijke
                        verplichting is door het LOGA</al><al>uitvoering gegeven met de invoering van hoofdstuk 6a CAR. Tevens is in
                        artikel 6a:7 CAR de zogenaamde</al><al>levensloopbijdrage opgenomen, een werkgeversbijdrage die de ambtenaar kan
                        sparen in het kader van de</al><al>gemeentelijke levensloopregeling.</al><al>De wettelijke bepalingen over de levensloopregeling zijn niet opgenomen in
                        de CAR. Dit is niet nodig omdat de</al><al>wettelijke bepalingen over de levensloopregeling rechtstreeks van toepassing
                        zijn op gemeenteambtenaren. In</al><al>de CAR zijn alleen die aangelegenheden geregeld die wettelijk verplicht zijn
                        of aanvullende afspraken bieden.</al><al>Van dit principe wordt enkel afgeweken wanneer dat ten goede komt van de
                        leesbaarheid en begrijpelijkheid</al><al>van de regeling. Hieronder een globaal overzicht van de levensloopregeling
                        zoals die is vastgelegd in de</al><al>bovenstaande wettelijke regelingen.</al><al><cursief>Hoofdlijnen levensloopregeling</cursief></al><al>Het doel van de wettelijke levensloopregeling is werknemers de mogelijkheid
                        te bieden om op individuele basis</al><al>een voorziening op te bouwen - het levenslooptegoed - om eerder met pensioen
                        te gaan of (meerdere) periodes</al><al>van onbetaald verlof te financieren. Elke vorm van onbetaald verlof is
                        toegestaan. De voorziening kan bestaan</al><al>uit een saldo op een bankrekening of een afgesloten
                        levensloopverzekering.</al><al>Het wettelijke recht om deel te nemen aan de levensloopregeling is opgenomen
                        in de Wet arbeid en zorg.</al><al>Het recht op deelname aan de regeling houdt overigens niet automatisch in
                        dat er recht op verlof bestaat.</al><al>De werkgever zal toestemming voor het verlof moeten geven in overeenstemming
                        met de bestaande</al><al>rechtspositieregeling en met inachtneming van de bestaande wettelijke
                        regelingen inzake verlof zoals de Wet</al><al>arbeid en zorg. In hoofdstuk 6 van de CAR-UWO is opgenomen wanneer en onder
                        welke voorwaarden de</al><al>ambtenaar recht heeft op onbetaald verlof. In artikel 6:9 CAR is het recht
                        op niet doelgebonden onbetaald verlof</al><al>opgenomen.</al><al><cursief>Maximum levenslooptegoed</cursief></al><al>De hoogte van het levenslooptegoed is gebonden aan een wettelijk maximum. De
                        ambtenaar mag maximaal</al><al>210% van zijn bruto jaarloon sparen. Zolang dit maximum nog niet is bereikt
                        mag de werknemer jaarlijks</al><al>maximaal 12% sparen van het bruto jaarloon dat in dat jaar door hem wordt
                        verdiend. Zelfs als het tegoed</al><al>daardoor in de loop van het jaar uitstijgt boven 210% van het bruto
                        jaarloon. Bepalend is de hoogte van het</al><al>levenslooptegoed per 1 januari.</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 1</cursief></al><al>Ambtenaar A heeft een volledige aanstelling en een bruto jaarloon van €
                        25.000. Op 1 januari van jaar x</al><al>bedraagt zijn levenslooptegoed, inclusief de daarop gekweekte inkomsten en
                        behaalde vermogenswinsten, €</al><al>52.000. Dit is minder dan 210% van het bruto jaarloon in jaar x-/-1. Daarom
                        mag A in jaar x nog 12% van zijn</al><al>jaarloon in jaar x sparen binnen de levensloopregeling. In jaar x spaart A €
                        3.000 (12% * € 25.000).</al><al><cursief>Rekenvoorbeeld 2</cursief></al><al>Per 31 december van jaar x bedraagt het levenslooptegoed van ambtenaar A €
                        52.000 + (stel 4% rente) € 2.080</al><al>+ € 3.000 (spaarbedrag jaar x)= € 57.080. Dit tegoed is hoger dan 210% van
                        het jaarloon zoals A dat in jaar x</al><al>genoot. A mag in jaar x+1 daarom geen additionele bedragen meer sparen. Ook
                        niet als hij een salarisverhoging</al><al>ontvangt in jaar x+1. Nadat het maximum is bereikt mogen – totdat het
                        levenslooptegoed weer lager is dan</al><al>het maximum – geen stortingen meer plaatsvinden. Het maximum mag in die
                        periode wel verder worden</al><al>overschreden door oprenting of toename van de waarde van de
                        levensloopverzekering.</al><al><cursief>Let op: uitzondering in het geval van demotie</cursief></al><al>Als in het voorafgaande kalenderjaar een salarisvermindering heeft
                        plaatsgevonden mag op grond van de wet</al><al>bij de beoordeling of nog kan worden doorgespaard van het niet verminderde
                        salaris worden uitgegaan, mits</al><al>die salarisvermindering het gevolg is van het aanvaarden van een
                        deeltijdfunctie of het terugtreden naar een</al><al>lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt 10 jaar direct voor
                        de ingangsdatum van het pensioen.</al><al>Daarbij geldt als extra eis dat het dienstverband na het aanvaarden van een
                        deeltijdfunctie niet minder mag zijn</al><al>dan 50% van de omvang van het dienstverband op de laatste dag voor de dag
                        die 10 jaar voor de pensioendatum</al><al>ligt.</al><al><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                        spaarperiode</cursief></al><al>De werkgever houdt bij deelname van de werknemer aan de levensloopregeling
                        maximaal 12% in op</al><al>het brutoloon van de werknemer. Dit bedrag wordt door de werkgever gestort
                        op een geblokkeerde</al><al>levenslooprekening of levensloopverzekering naar keuze en op naam van de
                        ambtenaar. Over deze stortingen</al><al>is geen loonheffing (loonbelasting en premies volksverzekeringen)
                        verschuldigd. Bij de levensloopregeling</al><al>is namelijk de omkeerregel van toepassing. Deze houdt in dat over de
                        bedragen die worden gespaard</al><al>geen loonheffing verschuldigd is en dat heffing pas plaatsvindt op het
                        moment dat deze bijdragen tot</al><al>uitkering komen. Ook is over deze bedragen geen inkomensafhankelijke
                        ziektekostenbijdrage verschuldigd</al><al>zoals bedoeld in artikel 41 Zorgverzekeringswet. Over de stortingen zijn wel
                        de gebruikelijke premies</al><al>werknemersverzekeringen verschuldigd.</al><al><cursief>Loonbelasting en premie aspecten gedurende
                        verlofperiode</cursief></al><al>Zoals gezegd kan het levenslooptegoed worden gebruikt om eerder met pensioen
                        te gaan of om periodes van</al><al>onbetaald verlof te financieren. Op dat moment maakt de instelling waar het
                        levenslooptegoed is ondergebracht</al><al>het tegoed (periodiek) over naar de werkgever. De werkgever houdt de
                        verschuldigde loonheffing en de</al><al>inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage in en maakt het resterende tegoed
                        (periodiek) aan de werknemer</al><al>over. De werkgever is op grond van de wet verplicht de inkomensafhankelijke
                        ziektekostenbijdrage te</al><al>vergoeden aan de werknemer.</al><al>Bij opname van het levenslooptegoed voor verlof bestaat recht op een
                        heffingskorting van € 183 (2006) per</al><al>gespaard jaar. Een werknemer die bijvoorbeeld 10 jaar heeft gespaard, heeft
                        bij opname van het tegoed recht</al><al>op een bedrag van € 1.830 aan levensloopverlofkorting. De
                        levensloopverlofkorting moet door de werkgever in</al><al>mindering worden gebracht op de verschuldigde loonheffing. De korting is
                        nooit hoger dan het bedrag dat wordt</al><al>opgenomen van het levenslooptegoed. De werknemer heeft alleen recht op de
                        korting bij opname van verlof.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:1</cursief></vet></al><al>Verzekeraars, banken, dochters van pensioenfondsen of
                        pensioenuitvoeringsbedrijven en beleggingsinstellingen</al><al>mogen de levensloopregeling uitvoeren. De ambtenaar bepaalt zelf bij welke
                        instelling hij de</al><al>levenslooprekening (of –verzekering) wil onderbrengen.</al><al>Onder levenslooptegoed valt niet alleen het levenslooptegoed dat de
                        ambtenaar in zijn ambtelijke</al><al>dienstbetrekking opbouwt maar ook elk ander levenslooptegoed opgebouwd bij
                        een andere inhoudingsplichtige.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikel regelt dat wanneer de ambtenaar deel wil nemen aan de
                        gemeentelijke levensloopregeling hij dit bij</al><al>het college meldt. Het college kan de deelname enkel weigeren als niet wordt
                        voldaan aan de eisen zoals die zijn</al><al>gesteld in artikel 6a:4 CAR.</al><al>Indien het college gevolg geeft aan de melding blijft de ambtenaar deelnemen
                        aan de gemeentelijke</al><al>levensloopregeling tot dat de deelname wordt beëindigd op grond van artikel
                        6a:8 CAR. Het college heeft wel</al><al>de wettelijke mogelijkheid om inhoudingen op het loon ten behoeve van de
                        levensloopregeling te corrigeren als</al><al>blijkt dat de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964
                        worden overschreden.</al><al>De termijn genoemd in dit lid is wettelijk voorgeschreven op grond van
                        artikel 7:2 van de Wet arbeid en zorg.</al><al>Op grond van de Wet arbeid en zorg kan de werknemer slechts een keer per
                        jaar melden aan de werkgever dat</al><al>hij wil deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:4</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikel regelt dat de ambtenaar schriftelijk moet verklaren aan het
                        college of hij bij een of meer gewezen</al><al>werkgevers/inhoudingsplichtigen een levenslooptegoed heeft opgebouwd. Indien
                        de ambtenaar meerdere</al><al>dienstbetrekkingen tegelijkertijd vervult, hoeft hij het levenslooptegoed
                        dat wordt opgebouwd bij andere</al><al>inhoudingsplichtigen niet door te geven aan het college.</al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De werkgever bij wie het levenslooptegoed is opgebouwd, is ook
                        inhoudingsplichtig met betrekking tot</al><al>de over het levenslooptegoed verschuldigde loonheffing en
                        inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage</al><al>op grond van artikel 41 Zorgverzekeringswet. Dit geldt in beginsel ook
                        indien de werknemer niet meer in</al><al>dienst is bij deze inhoudingsplichtige. Echter, indien de werknemer een
                        nieuwe dienstbetrekking aanvaardt,</al><al>wordt het levenslooptegoed geacht te zijn opgebouwd bij de nieuwe werkgever.
                        Met andere woorden, de</al><al>nieuwe werkgever wordt ook inhoudingsplichtig ten aanzien van het bij de
                        oude werkgever opgebouwde</al><al>levenslooptegoed.</al><al>Dit is slechts anders indien:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de werknemer niet gaat deelnemen aan de
                        levensloopregeling van de nieuwe werkgever; of,</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het levenslooptegoed al wordt geacht te zijn
                        opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de</al><al>werknemer op dat moment in dienstbetrekking staat. Dit kan het geval zijn
                        als de werknemer al in dienst is</al><al>bij een andere werkgever.</al><al>De inhoudingsplichtige moet toetsen of het levenslooptegoed van de werknemer
                        binnen de 210% grens blijft.</al><al>Hierbij telt ook het levenslooptegoed mee waarvoor hij geacht wordt
                        inhoudingsplichtig te zijn. Indien de</al><al>werknemer aan de levensloopregeling van meerdere werkgevers tegelijk
                        deelneemt, geldt de 210% grens per</al><al>dienstbetrekking.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><al>Ambtenaar X heeft bij werkgever A een levenslooptegoed opgebouwd van €
                        30.000. Hij neemt ontslag bij</al><al>werkgever A en aanvaardt een nieuwe dienstbetrekking bij werkgever B.
                        Ambtenaar X neemt geen deel</al><al>aan de levensloopregeling bij werkgever B. Werkgever A blijft
                        inhoudingsplichtig ten aanzien van het</al><al>levenslooptegoed van € 30.000. In dit geval is overigens uitsluitend een
                        uitkering ineens toegestaan zoals bij</al><al>afkoop het geval is (zie artikel 6a:9 derde lid CAR). Immers, werkgever A
                        kan de ambtenaar geen verlof meer</al><al>verlenen.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief></al><al>Ambtenaar X neemt ontslag bij werkgever A en aanvaardt een nieuwe
                        dienstbetrekking bij werkgever B.</al><al>Ambtenaar X gaat ook bij de nieuwe werkgever deelnemen aan de
                        levensloopregeling. Het levenslooptegoed</al><al>van € 30.000 wordt nu geacht te zijn opgebouwd bij werkgever B. Werkgever B
                        is inhoudingsplichtig ten</al><al>aanzien van dit levenslooptegoed en moet toetsen of het totale
                        levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de</al><al>210% grens blijft. Het levenslooptegoed kan blijven staan bij de eerder
                        gekozen levensloopinstelling waar het is</al><al>opgebouwd.</al><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief></al><al>Ambtenaar X gaat naast zijn dienstbetrekking met werkgever B een tweede
                        dienstbetrekking aan met werkgever</al><al>C.Ook bij deze werkgever gaat de ambtenaar deelnemen aan de
                        levensloopregeling. Omdat werkgever B al</al><al>inhoudingsplichtig is ten aanzien van het levenslooptegoed van € 30.000
                        hoeft werkgever C geen rekening</al><al>te houden met dit levenslooptegoed. De ambtenaar hoeft werkgever C ook niet
                        te informeren over dit</al><al>levenslooptegoed.</al><al><cursief>Voorbeeld 4</cursief></al><al>Ambtenaar X neemt deel aan zowel de levensloopregeling van werkgever B als
                        werkgever C. Zijn inkomen van</al><al>werkgever B bedraagt € 15.000, zijn inkomen bij werkgever C bedraagt €
                        20.000. Beide werkgevers moeten</al><al>ieder kalenderjaar toetsen of het maximum is bereikt om te bepalen of de
                        werknemer nog mag sparen in het</al><al>betreffende kalenderjaar. Bij werkgever B bedraagt het levenslooptegoed op 1
                        januari € 30.000. Dit is minder</al><al>dan 210% van het bruto jaarloon zijnde € 15.000. Daarom mag X in het
                        aankomende kalenderjaar nog 12% van</al><al>€ 15.000 sparen binnen de levensloopregeling bij werkgever B. Bij werkgever
                        C heeft de ambtenaar nog geen</al><al>levenslooptegoed opgebouwd. Bij werkgever C mag de ambtenaar daarom in het
                        aankomende kalenderjaar 12%</al><al>van € 20.000 sparen binnen de levensloopregeling.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Om een relatie met de levensloopinstelling te waarborgen dient de instelling
                        na afloop van elk kalenderjaar een</al><al>overzicht van het levenslooptegoed van de ambtenaar te verstrekken aan het
                        college. De reden hiervoor is dat</al><al>het college moet toetsen of het levenslooptegoed van de ambtenaar binnen de
                        210% grens blijft. De verklaring</al><al>geldt niet voor levenslooptegoed waarvoor het college niet
                        inhoudingsplichtig is. Hiervan kan bijvoorbeeld</al><al>sprake zijn als de ambtenaar bij meerdere werkgevers tegelijk deelneemt aan
                        een levensloopregeling.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:5</cursief></vet></al><al>Ambtenaren mogen op grond van de wet maximaal 12% per jaar van hun brutoloon
                        sparen. Hierbij mag worden</al><al>uitgegaan van het fiscale loon zoals vermeld op de jaaropgave. Als de
                        werknemer meerdere dienstbetrekkingen</al><al>naast elkaar heeft, geldt het maximum per dienstbetrekking. Het wettelijke
                        maximum van 12% geldt niet voor</al><al>de ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 jaar maar niet de
                        leeftijd van 56 jaar heeft bereikt.</al><al>De inleg wordt door het college gestort op de levenslooprekening dan wel
                        overgemaakt als premie voor de</al><al>levensloopverzekering, zoveel mogelijk in de maand waarin de door de
                        ambtenaar aangewezen bronnen zouden</al><al>zijn uitbetaald.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:6</cursief></vet></al><al>Dit artikel somt de bronnen op die de ambtenaar kan inzetten. Ter beperking
                        van de uitvoeringslast zijn niet alle</al><al>bestanddelen die onder het fiscale loon vallen als bron aangewezen.</al><al>Het opgebouwde verloftegoed van artikel 4.3 zoals dat luidde voor 1 april
                        2006 kan alleen worden ingezet</al><al>indien het college in samenspraak met de ambtenaar tot het besluit is
                        gekomen dat het verloftegoed wordt</al><al>omgezet in een geldbedrag.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:7</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Alle ambtenaren zoals genoemd in het eerste lid hebben recht op de
                        levensloopbijdrage, ongeacht of er wordt</al><al>deelgenomen aan de gemeentelijke levensloopregeling. De ambtenaar kan er
                        voor kiezen om de bijdrage niet</al><al>voor de levensloopregeling aan te wenden. De bijdrage wordt in dat geval, na
                        inhouding van de verschuldigde</al><al>loonheffing, premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke
                        ziektekostenbijdrage, uitbetaald</al><al>tegelijk met het salaris.</al><al>De hoogte van de levensloopbijdrage bedraagt 1,5% x het salaris op
                        jaarbasis. Voor degenen met een</al><al>deeltijdaanstelling of arbeidsovereenkomst wordt de levensloopbijdrage
                        conform het salaris vermenigvuldigd</al><al>met de deeltijdfactor.</al><al>De levensloopbijdrage wordt niet aangemerkt als bezoldiging en behoort
                        daarom niet tot de grondslag voor</al><al>de berekening van de vakantietoelage en de ziektekostenvergoeding zoals
                        bedoeld in artikel 7:24 CAR. Ook</al><al>behoort de bijdrage niet tot de grondslag voor de eindejaarsuitkering omdat
                        de uitkering niet kan worden</al><al>aangemerkt als salaris zoals bedoeld in artikel 3:1, lid 2, sub b.</al><al>De werkgeversbijdrage voor de levensloop geldt als vervanging van de FPU
                        Gemeenten. De ambtenaar die in</al><al>2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan heeft recht op
                        de FPU Gemeenten en blijft dit</al><al>recht houden. Daarom hebben zij geen recht op de werkgeversbijdrage voor de
                        levensloop.</al><al><cursief>Lid 2 en 3</cursief></al><al>Deze leden gelden voor de ambtenaar die op of na 1 januari 2006 in dienst is
                        getreden op een bezwarende</al><al>functie, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag
                        op grond van artikel 8:3, zoals dat</al><al>luidde op 31 december 2005.</al><al>Wanneer de ambtenaar binnen 20 jaar een andere, niet bezwarende, functie
                        aanvaardt, is hoofdstuk 9a niet meer</al><al>van toepassing en valt deze ambtenaar onder de reguliere levensloopbijdrage
                        van 1,5%.</al><al>De levensloopbijdrage van 2,5% eindigt in ieder geval na 20 jaar.</al><al>Wanneer het college en de ambtenaar gezamenlijk besluiten dat de tweede
                        loopbaan na 20 jaar nog niet</al><al>begonnen wordt (conform artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b), kan de
                        levensloopbijdrage van 2,5% worden</al><al>voortgezet.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De levensloopbijdrage van enig jaar wordt gebaseerd op de vanaf augustus van
                        dat jaar opgebouwde aanspraken</al><al>per maand. Aan ambtenaren die niet het gehele kalenderjaar in dienst zijn,
                        wordt een levensloopbijdrage betaald</al><al>over dat gedeelte van het kalenderjaar dat zij in dienstverband werkzaam
                        zijn geweest.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>In artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP is opgenomen</al><al>dat de werkgeversbijdrage voor levensloop van 0,8% van het salaris ingevolge
                        het Hoofdlijnenakkoord</al><al>van 5 juli 2005 niet pensioengevend is, tenzij de sector anders besluit. Als
                        de werkgeversbijdrage in de</al><al>levensloop de 0,8% te boven gaat is het meerdere wel pensioengevend, tenzij
                        de sector anders besluit. In het</al><al>CAO-onderhandelaarsakkoord 2005-2007 heeft het LOGA ten aanzien van
                        ambtenaren in niet-bezwarende</al><al>functies afgesproken dat de 0,8% ook pensioengevend is. Voor de sector
                        Gemeenten geldt dus voor ambtenaren</al><al>in niet-bezwarende functies dat de gehele levensloopbijdrage in de
                        levensloopregeling tot de pensioengrondslag</al><al>behoort en hierover pensioen wordt opgebouwd. Of de medewerker deze bijdrage
                        daadwerkelijk laat inleggen in</al><al>zijn individuele levensloopregeling of laat uitbetalen door de werkgever is
                        hierbij niet relevant.</al><al>Voor ambtenaren die op of na 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een
                        bezwarende functie, die op</al><al>31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op</al><al>31 december 2005, is – in het tweede lid - een afwijkende levensloopbijdrage
                        vastgesteld. Hiervan is dat</al><al>percentage pensioengevend, dat ambtenaren in niet-bezwarende functies
                        ontvangen.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:8</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel regelt op welke wijze de ambtenaar zijn deelname aan de
                        gemeentelijke levensloopregeling kan</al><al>beëindigen. Wil de ambtenaar na verloop van tijd weer verder sparen dan moet
                        hij dit opnieuw melden (zie</al><al>artikel 6a:3 CAR). De ambtenaar kan op grond van de wet slechts eenmaal per
                        jaar een melden dat hij wil</al><al>deelnemen aan de levensloopregeling.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikel geeft aan wanneer deelname aan de gemeentelijke
                        levensloopregeling in ieder geval beëindigd wordt.</al><al>In artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964 is opgenomen dat een werknemer
                        slechts kan sparen ingevolge de</al><al>levensloopregeling tot het bereiken van de 65-ste verjaardag, de dag waarop
                        het recht op een AOW-pensioen</al><al>ingaat. Als de ambtenaar het levenslooptegoed nog niet heeft opgenomen voor
                        die datum, keert het college het</al><al>tegoed uit onder inhouding van de verschuldigde loonheffing en
                        inkomensafhankelijke ziektekostenbijdrage.</al><al>Zie ook de toelichting op artikel 6a:9 CAR.</al><al>De deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling wordt tevens beëindigd
                        als de bronnen die de ambtenaar</al><al>kan inzetten niet meer toereikend zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn
                        indien er beslag wordt gelegd op de</al><al>bezoldiging van de ambtenaar of indien een wettelijke
                        schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard</al><al>op de ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:9</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In dit artikel is geregeld dat het levenslooptegoed alleen mag worden
                        opgenomen als er echt sprake is van</al><al>verlof van de ambtenaar (dus niet van bijvoorbeeld de partner). Het is niet
                        mogelijk dat het spaarsaldo wordt</al><al>opgenomen als aanvulling op het reguliere salaris, ook niet indien er sprake
                        is van een teruggang in inkomen</al><al>zoals bij bijvoorbeeld demotie en ziekte het geval is.</al><al>Verder is in dit artikel geregeld op welke wijze het levenslooptegoed geheel
                        of gedeeltelijk kan worden</al><al>aangewend voor extra pensioen. Omzetting van (een deel van) het
                        levenslooptegoed in extra pensioen kan op</al><al>elk willekeurig moment plaatsvinden zolang na die omzetting de totale
                        pensioenaanspraken binnen de grenzen</al><al>van hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 blijft. De omzetting
                        mag bijvoorbeeld niet leiden tot</al><al>een ouderdomspensioen dat hoger is dan 100% van het pensioengevend loon dat
                        geldt op het tijdstip waarop dat</al><al>ouderdomspensioen ingaat.</al><al>Op het moment dat een ambtenaar met pensioen gaat en nog een
                        levenslooptegoed heeft, biedt de wet twee</al><al>mogelijkheden. In de eerste plaats kan het levenslooptegoed contant worden
                        opgenomen door de ambtenaar</al><al>onder inhouding van de verschuldigde loonheffing en inkomensafhankelijke
                        ziektekostenbijdrage (als loon uit</al><al>vroegere dienstbetrekking). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om het tegoed
                        te besteden aan het verbeteren van</al><al>het ouderdomspensioen, mits hiervoor nog fiscale ruimte is zoals bedoeld in
                        dit artikel.</al><al>De hoogte van de uitkering bij overlijden, hangt af van de voorwaarden die
                        de instelling hanteert waarbij het</al><al>levenslooptegoed is ondergebracht.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet op verzoek van de ambtenaar het levenslooptegoed
                        (periodiek) uitkeren aan de ambtenaar</al><al>gedurende een periode van verlof dan wel het tegoed omzetten in een extra
                        pensioenaanspraak. Op de uitkering</al><al>bij verlof wordt de eventueel verschuldigde loonheffing, de
                        inkomensafhankelijke bijdrage, pensioenpremies en</al><al>premies aan de geselecteerde zorgverzekeraar op grond van artikel 7:25b CAR
                        ingehouden.</al><al>De ambtenaar meldt het college drie maanden voor de gewenste ingangsdatum
                        dat hij over (een deel van) zijn</al><al>levenslooptegoed wil beschikken. Deze termijn sluit aan bij de termijn die
                        geldt voor de aanvraag van onbetaald</al><al>verlof (artikel 6:9, vijfde lid CAR). De aanvraag voor het gebruik maken van
                        het levenslooptegoed en het</al><al>verzoek om onbetaald verlof kan tegelijkertijd plaatsvinden. Er kan
                        uiteindelijk slechts tot uitkering van het</al><al>levenslooptegoed worden overgegaan wanneer het verlof wordt toegekend.</al><al>De instelling waar het levenslooptegoed is ondergebracht maakt het tegoed
                        alleen over naar het college</al><al>voorzover het college en de ambtenaar samen daarvoor toestemming hebben
                        verleend.</al><al>Aan de hoeveelheid levenslooptegoed die een werknemer per maand kan opnemen
                        is een limiet gesteld. Het</al><al>opgenomen bedrag mag niet meer zijn dan het loon dat de werknemer direct
                        voorafgaand aan de verlofperiode</al><al>per maand ontving. Dus: een werknemer die in juli € 1.000 verdiende, mag in
                        augustus niet meer dan € 1.000</al><al>aan levenslooptegoed opnemen voor de financiering van 1 maand onbetaald
                        verlof. Er moet daarbij ook</al><al>rekening worden gehouden met een eventuele loondoorbetaling door de
                        werkgever. Krijgt deze werknemer</al><al>tijdens het verlof al € 500 van zijn werkgever, dan mag hij nog maar € 500
                        van zijn levenslooptegoed opnemen.</al><al>Het laatstgenoten loon is het reguliere loon dat voorafgaand aan de
                        verlofperiode van de werkgever werd</al><al>ontvangen. Hierbij mag rekening gehouden worden met inmiddels opgetreden
                        algemene salarisstijgingen. Bij de</al><al>toetsing of niet meer wordt opgenomen dat het laatstgenoten loon hoeft op
                        grond van de wet geen rekening te</al><al>worden gehouden met genoten loon van een andere inhoudingsplichtige.</al><al>De opname van het levenslooptegoed kan niet worden aangemerkt als
                        bezoldiging. Daarom behoort de</al><al>opname van het levenslooptegoed niet tot de grondslag voor de berekening van
                        de vakantietoelage en de</al><al>ziektekostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:24 CAR. Ook behoort de
                        opname niet tot de grondslag voor</al><al>de eindejaarsuitkering omdat de uitkering niet kan worden aangemerkt als
                        salaris zoals bedoeld in artikel 3:1,</al><al>lid 2, sub b CAR.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De werkgever mag op grond van de wet geheel of gedeeltelijke afkoop wel
                        toestaan bij het beëindigen van</al><al>de dienstbetrekking. Indien de ambtenaar hiervoor kiest wordt het
                        levenslooptegoed door het college op dat</al><al>moment ineens uitgekeerd aan de ambtenaar (als loon uit vroegere
                        dienstbetrekking). Bij afkoop van het</al><al>levenslooptegoed heeft de ambtenaar geen recht op de
                        levensloopverlofkorting.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het opnemen van dit artikel is wettelijk voorgeschreven. Indien het
                        levenslooptegoed op enigerlei wijze</al><al>geheel of gedeeltelijk voor een ander doel zou kunnen worden ingezet dan als
                        genoemd in lid 1, is de</al><al>levensloopregeling in strijd met de wet en kan geen gebruik worden gemaakt
                        van de fiscale faciliteit. De enige</al><al>uitzondering die is gemaakt is voor de verpanding als bedoeld in artikel 61k
                        Uitvoeringsregeling loonbelasting</al><al>2001 ten behoeve van buitenlandse aanbieders die door de fiscus zijn
                        aangewezen als instelling in de zin van</al><al>artikel 19g Wet op de loonbelasting 1964.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:10</cursief></vet></al><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaren die vallen onder
                        hoofdstuk 9 en 9b. Voor zover hier van</al><al>belang, wordt hoofdstuk 9 (Uitkering functioneel leeftijdsontslag) tot 1
                        juli 2006 nog toegepast op de ambtenaar</al><al>die op grond van artikel 9:11 buitengewoon verlof wordt verleend, dan wel
                        FLO-ontslag wordt verleend.</al><al>Omdat voor deze ambtenaren in het kader van het overgangsrecht personeel in
                        bezwarende functies afwijkende</al><al>afspraken zijn gemaakt, hebben zij geen recht op de levensloopbijdrage van
                        1,5%.</al><al>Hoofdstuk 9b (overgangsrecht) is van toepassing op de ambtenaar die:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>op 31 december 2005 werkzaam was bij een
                        beroepsbrandweerkorps of bij een ambulancedienst; en</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>op 31 december 2005 een betrekking vervulde,
                        waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat</al><al>luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald; en</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>sinds 31 december 2005 onafgebroken een
                        betrekking heeft vervuld, op grond waarvan krachtens artikel 8:3,</al><al>zoals dat luidde op 31 december 2005, ontslag werd verleend op de leeftijd
                        van 55 jaar of ouder.</al><al>Voor deze ambtenaren is een afwijkende levensloopbijdrage afgesproken. Zij
                        hebben dus geen recht op de</al><al>levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al>De ambtenaar die onder paragraaf 5 van hoofdstuk 9b valt (dat is de
                        ambtenaar die op 31 december 2005 een</al><al>functie vervulde, waarvoor een leeftijdsgrens was bepaald, maar die
                        feitelijk niet bezwarend was), valt wel</al><al>onder hoofdstuk 6a.</al><al><vet><cursief>Artikel 6a:11</cursief></vet></al><al>In de CAO 2005-2007 is afgesproken dat nog onderhandeld zal worden over de
                        hervorming van het functioneel</al><al>leeftijdsontslag voor ambtenaren werkzaam bij het gemeentelijk stadsvervoer.
                        In de CAO-tekst 2005-2007 staat</al><al>hierover het volgende: Tot het moment dat partijen overeenstemming hebben
                        bereikt over een nieuwe regeling,</al><al>blijft de huidige FLO-regeling 60 van kracht. Bij de onderhandelingen zullen
                        onder meer de levensloopregeling</al><al>en de werkgeversbijdrage daarin betrokken worden. Deze onderhandelingen zijn
                        nog niet afgerond. Later in</al><al>2006 zal hier meer duidelijkheid over verschaft worden.</al><al>Zolang de onderhandelingen over deze groep ambtenaren nog niet zijn
                        afgerond, vallen zij niet onder de</al><al>reguliere levensloopregeling.</al><al><vet>7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 7:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1, Sub a</cursief></al><al>De definitie van passende arbeid komt overeen met de definitie die sinds de
                        invoering van de Wet Verbetering</al><al>Poortwachter in artikel 658a van boek 7, titel 10, van het Burgerlijk
                        Wetboek is opgenomen.</al><al>In zijn algemeenheid dient de vraag wat passende arbeid is in elk concreet
                        geval aan de hand van de</al><al>omstandigheden te worden beantwoord. Als leidraad geldt dat het bij passende
                        arbeid moet gaan om arbeid</al><al>die in redelijkheid aan de ambtenaar kan worden opgedragen, gelet op onder
                        meer het arbeidsverleden, de</al><al>opleiding, de gezondheidstoestand, de afstand tot het werk, de bezoldiging
                        en hetgeen waartoe de ambtenaar</al><al>nog in staat is. Hierbij geldt dat naarmate de arbeidsongeschiktheid langer
                        duurt, een bredere oriëntatie</al><al>ten aanzien van de te verrichten arbeid mag worden verwacht. Naarmate de
                        duur van de gedeeltelijke</al><al>arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar worden verlangd dat
                        hij concessies doet met betrekking</al><al>tot de door hem te verrichten werkzaamheden, als reïntegratie in de eigen
                        functie niet tot de mogelijkheden</al><al>behoort. Dit leidt ertoe dat arbeid die in eerste instantie niet als passend
                        moet worden aangemerkt, op een later</al><al>moment – door wijziging van de omstandigheden - wel als passend kan worden
                        aangemerkt.</al><al>Eerst dient te worden nagegaan of de eigen arbeid, al dan niet met
                        aanpassingen, of een andere organisatie</al><al>van het werk, naar verwachting nog zal kunnen worden verricht. Als dat het
                        geval is, dan ligt het in de rede</al><al>dat werkgever en ambtenaar hun inspanningen daarop richten. Dit sluit niet
                        uit dat de ambtenaar tijdelijk</al><al>ander werk kan verrichten, mits hij daartoe in staat is en dit niet
                        belemmerend is voor het herstelproces en</al><al>voor zover dit werk ook overigens in redelijkheid aan de ambtenaar kan
                        worden opgedragen, gelet op onder</al><al>meer diens arbeidsverleden en werkervaring. Behoort terugkeer naar de eigen
                        werkplek niet meer tot de reële</al><al>mogelijkheden, is een bredere oriëntatie nodig. Hierbij moet in eerste
                        instantie zo dicht mogelijk worden</al><al>aangesloten bij de laatst overeengekomen functie. Als (binnen een redelijke
                        termijn) dergelijke arbeid noch bij</al><al>de eigen werkgever, noch bij een derde voorhanden is, mag van de ambtenaar
                        worden verlangd, dat hij zich wat</al><al>betreft door hem te aanvaarden arbeid ruimer opstelt. In de jurisprudentie
                        is dit betreffende het begrip passende</al><al>arbeid een algemeen aanvaard uitgangspunt.</al><al>De vraag welke arbeid als passend kan worden beschouwd, is in eerste
                        instantie ter beoordeling van</al><al>de werkgever, die de eigen bedrijfsarts kan raadplegen om te kunnen
                        beoordelen wat (gegeven de</al><al>gezondheidssituatie) van een ambtenaar mag worden gevraagd. Als de werkgever
                        twijfelt over de vraag</al><al>of de arbeid die hij voornemens is aan te bieden wel als passend kan worden
                        aangemerkt, kan hij daarover</al><al>ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI, een oordeel
                        vragen aan het UWV, als onafhankelijke</al><al>deskundige. Ook de ambtenaar heeft deze mogelijkheid. Voor de
                        rechtsbescherming van de werknemer is</al><al>relevant dat wanneer de werkgever besluit op grond van artikel 7:14, tweede
                        lid, onder b, de bezoldiging niet uit</al><al>te betalen, de bezoldiging alsnog aan de ambtenaar moet worden uitbetaald
                        als de ambtenaar op grond van de</al><al>second opinion ingevolge artikel 30, eerste lid, onderdeel f, van de SUWI in
                        het gelijk wordt gesteld.</al><al>Het begrip passende arbeid speelt een rol in de verplichting van de
                        werkgever – als de ambtenaar ziek is – te</al><al>zoeken naar passende arbeid (artikel 7:9). Daarnaast is de ambtenaar
                        verplicht passende arbeid te aanvaarden,</al><al>wanneer deze wordt aangeboden (artikel 7:11). Artikel 7:14 en 8:5a maken het
                        mogelijk de weigering van een</al><al>ambtenaar passende arbeid te aanvaarden te sanctioneren.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte werkzaamheden verricht met oog op
                        terugkeer in zijn eigen of passende</al><al>arbeid, heeft over die uren ingevolge artikel 7:3, zesde lid, onder c, recht
                        op 100% doorbetaling van zijn</al><al>bezoldiging. Deze werkzaamheden kunnen lager bezoldigd zijn dan de eigen
                        arbeid. Over de invulling van deze</al><al>werkzaamheden maakt de werkgever heldere afspraken met de ambtenaar. De
                        werkgever laat zich bijstaan door</al><al>een ter zake deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de
                        arbo-dienst. Bij het maken van de afspraken</al><al>tussen de werkgever en ambtenaar kan worden gedacht aan het aantal uren dat
                        een ambtenaar op bepaalde dagen</al><al>moet gaan werken, wat de aanvangs- en vertrektijden zijn, welke taken de
                        ambtenaar moet gaan uitvoeren en</al><al>wie zijn werkzaamheden aanstuurt. De afspraken worden vastgelegd in het plan
                        van aanpak bedoeld in artikel</al><al>7:9.</al><al>De ambtenaar is verplicht deze werkzaamheden te aanvaarden, wanneer deze
                        worden aangeboden (artikel 7:11).</al><al>Artikel 7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering van een ambtenaar
                        werkzaamheden in het kader van de</al><al>reïntegratie te aanvaarden te sanctioneren.</al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>De ambtenaar die tijdens zijn ziekte scholing volgt met het oog op terugkeer
                        in zijn eigen of passende arbeid,</al><al>heeft ingevolge artikel 7:3, zesde lid, onder d, over deze uren recht op de
                        doorbetaling van zijn volledige</al><al>bezoldiging. Gedacht kan worden aan scholing die het mogelijk maakt dat de
                        ambtenaar op een andere wijze</al><al>zijn eigen functie weer volledig kan verrichten. Ook kan scholing worden
                        gezocht die de ambtenaar in staat stelt</al><al>een passende functie uit te kunnen oefenen. Over de specifieke scholing
                        moeten de ambtenaar en de werkgever</al><al>afspraken maken. De werkgever laat zich bijstaan door een ter zake
                        deskundige, bijvoorbeeld de bedrijfsarts of</al><al>door de arbo-dienst. De afspraken worden vastgelegd in het plan van aanpak
                        bedoeld in artikel 7:9.</al><al>De ambtenaar verplicht de scholing te aanvaarden, wanneer deze wordt
                        aangeboden (artikel 7:11). Artikel</al><al>7:14 en 8:5a maken het mogelijk de weigering van een ambtenaar scholing in
                        het kader van de reïntegratie te</al><al>aanvaarden te sanctioneren.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat artikel
                        7:24, 7:25, 7:25:1, 7:25:2, 7:25:3</al><al>en 7:25:4 niet van toepassing zijn op de ambtenaar met wie een
                        arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is</al><al>aangegaan.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:2</cursief></vet></al><al>Artikel 7:2 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp
                        bedrijfsgeneeskundige begeleiding en</al><al>geneeskundig onderzoek nader regelen. Dat betekent dat voor UWO-gemeenten de
                        bedrijfsgeneeskundige</al><al>begeleiding in de artikelen 7:2:1 tot en met 7:2:7 inhoudelijk volledig is
                        uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen</al><al>derhalve weliswaar geen nadere regels aan deze UWO-artikelen toevoegen, wel
                        kunnen UWO-gemeenten</al><al>nadere uitvoeringsregels vaststellen ter uitvoering van de UWO-artikelen
                        voor zover noodzakelijk. Voor alle</al><al>gemeenten is in artikel 7:12 het geneeskundig onderzoek nader
                        uitgewerkt.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:2:1</cursief></vet></al><al>Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de gemeente verplicht om zich
                        bij de begeleiding van</al><al>werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten te
                        laten bijstaan door een deskundige</al><al>die gecertificeerd is op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde
                        of een arbo-dienst. Dit houdt</al><al>onder andere in dat de gemeente bij de uitvoering van de
                        reintegratieverplichtingen ingevolge de WIA de</al><al>bovengenoemde deskundige of de arbo-dienst na 6 weken van ziekte moet vragen
                        om een probleemanalyse en</al><al>een advies, die de basis vormen van het plan van aanpak, dat na 8 weken
                        ziekte opgesteld moet zijn.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:2:5</cursief></vet></al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid de ambtenaar te onderwerpen aan
                        een geneeskundig onderzoek.</al><al>Deze bevoegdheid kan van belang zijn wanneer bijvoorbeeld het gedrag van een
                        ambtenaar op de werkplek</al><al>aanleiding vormt voor de werkgever zich af te vragen of betrokkene een goede
                        gezondheid geniet. Het kan voor</al><al>de werkgever ook van belang zijn te weten of de ongeschiktheid voor een
                        functie een medische oorzaak heeft.</al><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 7:12 is de ambtenaar verplicht zich aan
                        een dergelijk onderzoek te</al><al>onderwerpen, in artikel 7:13:2 is de sanctie neergelegd indien de ambtenaar
                        weigert zich te onderwerpen aan</al><al>een dergelijk onderzoek.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:2:7</cursief></vet></al><al>Artikel 7:2:7 heeft betrekking op subsidies die de gemeente kan aanvragen,
                        bijvoorbeeld in het kader</al><al>van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten. De brochure 'Slim
                        omgaan met subsidies voor</al><al>arbeidsgehandicapten' van het A+Ofonds geeft hierover uitgebreide
                        informatie.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:3</cursief></vet></al><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al>Voor een omschrijving van het begrip ziekte wordt aangesloten bij de
                        jurisprudentie zoals die door de Centrale</al><al>Raad van Beroep is gevormd op basis van artikel 19 van de Ziektewet. Voor
                        een recht op ziekengeld moet een</al><al>verzekerde ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid wegens
                        ziekte. Onder het begrip ‘ongeschiktheid</al><al>tot werken’ verstaat de Centrale Raad het op medische gronden naar
                        objectieve maatstaven gemeten niet kunnen</al><al>of mogen verrichten van de in aanmerking komende arbeid. Vervolgens hanteert
                        de Centrale Raad een medisch</al><al>ziektebegrip. Er moet, naar het oordeel van de Centrale Raad, sprake zijn
                        van een ‘de gezondheidstoestand</al><al>ongunstig beïnvloedend procesmatig gebeuren’.</al><al><cursief>Lid 1, 2, 3 en 4</cursief></al><al>In het eerste tot en met het vierde lid wordt de hoofdlijn van het regime
                        van de hoogte van de loondoorbetaling</al><al>tijdens ziekte weergegeven. Met ingang van de eerste ziektedag wordt de
                        bezoldiging gedurende zes maanden</al><al>volledig doorbetaald. Hierna heeft de ambtenaar gedurende de zevende maand
                        tot en met de twaalfde maand</al><al>recht op 90% van zijn bezoldiging. Na twaalf maanden van ziekte heeft de
                        ambtenaar recht op 75% van zijn</al><al>bezoldiging. Na 24 maanden van ziekte heeft de ambtenaar recht op 70% van
                        zijn bezoldiging tot het einde van</al><al>zijn dienstverband.</al><al>Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet mag worden</al><al>aangemerkt als ziekte. De leden 1, 2, 3 en 4, die de hoogte van de
                        doorbetaling van de bezoldiging bepalen</al><al>tijdens ziekte zijn hier niet van toepassing. In artikel 6:7 is geregeld dat
                        de vrouwelijke ambtenaar tijdens haar</al><al>zwangerschaps- en bevallingsverlof recht heeft op de doorbetaling van haar
                        volledige bezoldiging. Dit geldt ook</al><al>als de ambtenaar ziek is tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>heeft met andere woorden voorrang boven de financiële aanspraken die gelden
                        tijdens ziekte.</al><al>Op grond van artikel 29a van de Ziektewet heeft de medewerkster recht op
                        ziekengeld ter hoogte van 100% van</al><al>haar dagloon over de perioden van zwangerschapsgerelateerde ziekte
                        voorafgaand aan het zwangerschaps- en</al><al>bevallingsverlof en daarna.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>De definities met betrekking tot passende arbeid, werkzaamheden en scholing
                        in het kader van de reïntegratie</al><al>zijn opgenomen in artikel 7:1, eerste lid, onderdelen a, b en c.</al><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Wanneer de ziekte is veroorzaakt door een dienstongeval blijft aanspraak
                        bestaan op de gehele bezoldiging.</al><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>De ambtenaar die voor ten minste 50% van zijn arbeidsduur werkzaamheden
                        verricht of scholing volgt als</al><al>genoemd in het zesde lid, heeft recht op een bonus van 5%, berekend over de
                        bezoldiging waarop hij recht heeft</al><al>ingevolge dit artikel. Deze bonus geeft naast de betaling van 100% over de
                        gewerkte uren en uren van scholing</al><al>in het kader van de reïntegratie een extra reïntegratiestimulans voor de
                        ambtenaar.</al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Een ambtenaar verdient per maand € 1000. De ambtenaar wordt ziek. Zeven
                        maanden na de eerste ziektedag</al><al>heeft de ambtenaar voor 60% zijn eigen betrekking hervat. De ambtenaar heeft
                        recht op 100% loondoorbetaling</al><al>over de gewerkte uren (100% x 60% x € 1000= € 600) en recht op 90% over de
                        niet-gewerkte uren (90% x 40%</al><al>x € 1000= € 360). Aangezien de ambtenaar voor ten minste 50% van zijn
                        arbeidsduur werkt, heeft hij recht op</al><al>een bonus van 5% boven op zijn loondoorbetaling. Het totale inkomen bedraagt
                        dan € 960 + 5% = € 1008. Als</al><al>maximum geldt de eigen bezoldiging, de ambtenaar heeft recht op € 1000.</al><al><cursief>Lid 10</cursief></al><al>Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt (CRvB 25 februari
                        2005, vindplaats: LJN AS9294,</al><al>02/3044 AW) dat uit het recht op gelijke behandeling tussen mannen en
                        vrouwen voortvloeit dat de periode</al><al>vanaf het begin van de zwangerschap tot aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof waarin de zwangerschap</al><al>gepaard gaat met stoornissen en complicaties niet meegeteld mag worden voor
                        de berekening van de termijn</al><al>als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid. Indien dat wel het
                        geval zou zijn, zou de medewerkster die</al><al>zwangerschapsgerelateerd ziek is, eerder geconfronteerd worden met een
                        verlaging van haar bezoldiging. Deze</al><al>verlaging kan alleen vrouwen treffen en is daarom strijdig met het gelijke
                        behandelingsrecht. In het tiende lid is</al><al>daarom geregeld dat de periode van de zwangerschapsgerelateerde ziekte de
                        termijnen als bedoeld in het eerste</al><al>tot en met het vierde lid opschort. Dit houdt in dat het langer duurt
                        voordat de bezoldiging van betrokkene op</al><al>een lager niveau gesteld wordt.</al><al>Hieronder is een voorbeeld opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Een medewerkster is met ingang van 1 februari 2006 ziek vanwege een hernia.
                        Zij wordt hersteld verklaard op</al><al>1 mei 2006 (zij is dan 3 maanden ziek). Op 15 mei 2006 valt zij uit wegens
                        zwangerschapsklachten (minder</al><al>dan 4 weken van herstel) en herstelt hiervan met ingang van 15 juni 2006 (1
                        maand ziek). Met ingang van 1</al><al>juli 2006 valt zij voor 4 maanden uit wegens een hernia (minder dan 4 weken
                        van herstel). Als gevolg van de</al><al>samentelregeling uit het elfde lid, worden ziekteperioden samengeteld als er
                        minder dan 4 weken van herstel</al><al>tussenligt. Ingevolge lid 2 zou de medewerkster dan met ingang van 1
                        september 2006 (dan zijn in totaal – de</al><al>korte periodes van herstel niet meegerekend – 6 maanden van ziekte
                        verstreken), recht hebben op 90% van</al><al>haar bezoldiging. De periode van zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de
                        periode van de hoogte van de</al><al>loondoorbetaling echter op. De medewerkster is 1 maand
                        zwangerschapsgerelateerd ziek geweest. Als gevolg</al><al>hiervan wordt haar bezoldiging met ingang van 1 oktober 2006 naar 90%
                        bijgesteld.</al><al>Let wel, het tiende lid ziet alleen op een opschorting van de periode
                        bedoeld in het eerste tot en met het vierde</al><al>lid. Als een medewerker 7 maanden ziek is en na 3 weken herstel
                        zwangerschapsgerelateerd ziek wordt, dan</al><al>heeft zij op grond van het tweede lid van dit artikel recht op 90%
                        doorbetaling van haar bezoldiging tijdens de</al><al>zwangerschapsgerelateerde ziekte. De periode van de
                        zwangerschapsgerelateerde ziekte schort de berekening</al><al>van de periode waarover de hoogte van de loondoorbetaling wordt bepaald, op.
                        Ingevolge artikel 29a van de</al><al>Ziektewet heeft de vrouwelijke ambtenaar over de periode van
                        zwangerschapsgerelateerde ziekte recht op</al><al>ziekengeld ter hoogte van 100% van haar dagloon. In artikel 7:19 is de
                        samenloop van bezoldiging bij ziekte</al><al>met het ziekengeld geregeld.</al><al><cursief>Lid 11</cursief></al><al>Volgens het elfde lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                        een onderbreking van minder</al><al>dan vier weken opvolgen. Uit het gelijke behandelingsrecht vloeit voort dat
                        de periode van zwangerschapsen</al><al>bevallingsverlof niet aangemerkt mag worden als ziekte. Dit heeft tot gevolg
                        dat ziekteperioden die</al><al>onderbroken worden door het zwangerschaps- en bevallingsverlof in principe
                        niet mogen worden samengeteld</al><al>aangezien er door het verlof een onderbreking van vier weken of meer
                        plaatsvindt tussen de ziekteperioden.</al><al>Indien de ziekte echter direct voorafgaat aan en direct aansluit op het
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>én de ziekte moet redelijkerwijs worden geacht voort te vloeien uit dezelfde
                        oorzaak, worden deze perioden</al><al>samengeteld.</al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief></al><al>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt
                        zij, waarna zij op 29 maart 2006</al><al>(na 2 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd
                        dan 4 weken. Daardoor geldt 1</al><al>januari 2006 als eerste ziektedag. Dit betekent dat de bezoldiging op 15
                        juli 2006 (dit is zes maanden + 2</al><al>weken na 1 januari 2006) wordt teruggebracht naar 90%. Op 15 januari 2007
                        wordt de bezoldiging vervolgens</al><al>teruggebracht naar 75 % en per 15 januari 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief></al><al>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt
                        zij, waarna zij op 26 april 2006 (na</al><al>6 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4
                        weken. Daardoor geldt 26 april</al><al>2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor terugbrengen van de
                        bezoldiging begint te lopen. Dit betekent</al><al>dat de bezoldiging op 26 oktober 2006 (dit is 6 maanden na 26 april 2006)
                        wordt teruggebracht naar 90%. Op</al><al>26 april 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar 75% en per
                        26 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief></al><al>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt
                        zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met</al><al>zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij zou op 19 juli 2006 weer moeten gaan
                        werken. Op dat moment is zij</al><al>echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet ziek was,</al><al>geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als onderbreking van 4 weken of
                        meer. Daardoor geldt 19 juli</al><al>2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor het terugbrengen van de
                        bezoldiging begint te lopen. Dit</al><al>betekent dat op 19 januari 2007 (dit is 6 maanden na 20 juli 2006) de
                        bezoldiging wordt teruggebracht tot 90%.</al><al>Op 19 juli 2007 wordt de bezoldiging vervolgens teruggebracht naar 75% en
                        per 19 juli 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief></al><al>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 1 mei 2006 gaat zij met
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>tot en met 20 augustus 2006. Op 21 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan
                        werken. Echter, zij is op dat</al><al>moment nog ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief></al><al>De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak
                        als de ziekte voor dat verlof. In dit</al><al>geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                        terugbrengen van de bezoldiging begint</al><al>te lopen. Dit betekent dat de bezoldiging op 21 oktober 2006 (dit is 6
                        maanden + 16 weken na 1 januari 2006)</al><al>wordt teruggebracht naar 90%. Op 21 april 2007 wordt de bezoldiging
                        vervolgens teruggebracht naar 75% en</al><al>per 21 april 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief></al><al>De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een andere oorzaak
                        dan de ziekte voor dat verlof.</al><al>In dit geval geldt 21 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn
                        voor het terugbrengen van de</al><al>bezoldiging begint te lopen. Dit betekent dat op 21 februari 2007 (dit is 6
                        maanden na 21 augustus 2006) de</al><al>bezoldiging wordt teruggebracht tot 90%. Op 21 augustus 2007 wordt de
                        bezoldiging vervolgens teruggebracht</al><al>naar 75% en per 21 augustus 2008 naar 70%.</al><al><cursief>Lid 12</cursief></al><al>Indien de ambtenaar na 24 maanden van ziekte definitief wordt herplaatst in
                        een andere betrekking door middel</al><al>van een wijziging van de aanstelling (artikel 7:16, tweede lid), ontstaat op
                        de ingangsdatum van de wijziging</al><al>van de aanstelling een nieuwe situatie. Als de ambtenaar weer ziek wordt in
                        deze aanstelling beginnen de</al><al>termijnen van dit artikel opnieuw te lopen.</al><al><cursief>Lid 13</cursief></al><al>Het dertiende lid geeft de basis voor artikelen die het onderwerp recht op
                        bezoldiging nader regelen. In de</al><al>artikelen 7:8 tot en met 7:8:3 is hieraan uitdrukking gegeven. Ook de
                        artikelen 7:13:1, 7:13:2, 7:14 en 7:15:1</al><al>bevatten bepalingen met betrekking tot het niet uitbetalen van en het
                        tussentijds stopzetten van de bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:5</cursief></vet></al><al>Dit artikel voorziet in een aanvullende uitkering wanneer de
                        arbeidsongeschiktheid in overwegende mate</al><al>haar oorzaak vindt in een dienstongeval en dit ongeval niet verwijtbaar is
                        aan betrokkene. De WGA- of</al><al>IVA-uitkering, eventueel aangevuld met een bovenwettelijke aanvulling op
                        grond van het pensioenreglement</al><al>van het ABP, wordt aangevuld tot een bepaald percentage van de bezoldiging,
                        genoten in het jaar voorafgaand</al><al>aan het ontslag. De percentages zijn afhankelijk van de mate van
                        arbeidsongeschiktheid.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:6</cursief></vet></al><al>Dit artikel voorziet in een overlijdensuitkering in de vorm van een
                        aanvulling op het nabestaandenpensioen.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:8:1</cursief></vet></al><al>Volgens dit artikel dient het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor
                        de vaststelling van de gemiddelde</al><al>hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage
                        onregelmatige dienst, alsmede de</al><al>prestatiebeloning in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt. Het
                        ligt voor de hand om dit in de lokale</al><al>bezoldigingsverordening te regelen.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:8:2</cursief></vet></al><al>Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient volgens dit
                        artikel in een lokale regeling</al><al>nader te worden uitgewerkt. Gelet op de aard van het onderwerp ligt het voor
                        de hand om hiervoor de lokale</al><al>bezoldigingsverordening te gebruiken.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:8:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Als een ambtenaar van de seniorenregeling uit hoofdstuk 5 gebruik maakt en
                        op grond daarvan zijn feitelijke</al><al>arbeidstijd is teruggebracht, kan hij niet verplicht worden tot aanvaarding
                        van een functie met zijn oude</al><al>betrekkingsomvang. De ambtenaar wiens arbeidstijd is teruggebracht, kan dus
                        alleen verplicht worden een baan</al><al>te accepteren voor die verminderde betrekkingsomvang.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als een ambtenaar met toepassing van artikel 2:7a tijdelijk (maximaal) 40
                        uur werkt, kan hij verplicht worden</al><al>tot aanvaarding van een functie voor (maximaal) 40 uur, voor zover en zolang
                        artikel 2:7a op hem van</al><al>toepassing is. Na afloop van deze periode kan de ambtenaar verplicht worden
                        een functie te accepteren voor de</al><al>formele arbeidsduur van 36 uur. Na afloop van deze periode wordt de
                        bezoldiging ook teruggebracht naar een</al><al>bezoldiging voor 36 uur.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:9</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>Onder het treffen van maatregelen moeten ook het verrichten van
                        werkzaamheden in het kader van de</al><al>reïntegratie en het volgen van noodzakelijke scholing in het kader van de
                        reïntegratie, bedoeld in artikel 7:1,</al><al>eerste lid, onder b en c, worden begrepen. Doel van deze maatregelen is
                        terugkeer in de eigen arbeid dan wel</al><al>plaatsing in een passende functie.</al><al>Op grond van de Wet verbetering poortwachter is in artikel 7:9 voor de
                        werkgever de verplichting opgenomen</al><al>om er, zover als mogelijk, voor te zorgen dat de ambtenaar bij de eigen
                        organisatie arbeid kan verrichten (eerste</al><al>spoor). Als bij de eigen organisatie geen passende arbeid te vinden is, moet
                        de werkgever (laten) zoeken naar</al><al>passende arbeid bij een andere werkgever (tweede spoor). De tekst van
                        artikel 7:9 komt overeen met de tekst</al><al>van artikel 658a van boek 7, titel 10 van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het is mogelijk dat de werkgever en de werknemer van mening verschillen over
                        de aanwezigheid van passende</al><al>arbeid. Artikel 30, eerste lid, onder f, van de Wet structuur
                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen bepaalt dat</al><al>de werknemer of de werkgever UWV kan verzoeken een onderzoek in te stellen
                        naar en een oordeel te geven</al><al>over de aanwezigheid van passende arbeid, die de zieke werknemer voor de
                        werkgever in staat is te verrichten.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In de WIA zijn, naast de aanspraken van de werknemers, ook verplichtingen
                        voor werkgever en werknemer</al><al>opgenomen. Een van de verplichtingen betreft het opstellen van een plan van
                        aanpak, dat opgesteld moet</al><al>worden op het moment dat sprake is van dreigend langdurig ziekteverzuim. Dit
                        plan van aanpak moet volgen op</al><al>een probleemanalyse en advies van de arbo-dienst, dat na 6 weken ziekte moet
                        worden opgesteld. Binnen twee</al><al>weken daarna moet het plan van aanpak zijn opgesteld. Hierin moet worden
                        opgenomen welke maatregelen in</al><al>het kader van het herstel van de ambtenaar getroffen worden.</al><al>Afspraken over de te verrichten werkzaamheden en de te volgen scholing
                        moeten worden neergelegd in het</al><al>plan van aanpak. De werkgever laat zich bij het maken van de afspraken
                        bijstaan door een ter zake deskundige,</al><al>bijvoorbeeld de bedrijfsarts of door de arbo-dienst.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>In de CAO 2002-2003 is de verplichting opgenomen dat de werkgever een
                        verzuimprotocol vaststelt. In</al><al>diezelfde CAO zijn enkele verplichte elementen van dat verzuimprotocol
                        vastgesteld. In de ledenbrief van 26</al><al>november 2002, Lbr. 02/167 is een handreiking gedaan voor een
                        verzuimprotocol. De verplichte elementen</al><al>maken daar onderdeel van uit.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:10</cursief></vet></al><al>Het niet naleven van artikel 7:10 kan leiden tot staking van de bezoldiging.
                        Dit is bepaald in artikel 7:13:2,</al><al>eerste lid, onder i.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:11</cursief></vet></al><al>In artikel 7:11 zijn de algemene verplichtingen opgenomen, die in het kader
                        van ziekteverzuim en reïntegratie</al><al>voor de werknemer gelden. Op overtreding van deze verplichtingen staat een
                        sanctie. Deze sancties zijn</al><al>opgenomen in artikel 7:14 (inhouding bezoldiging) en artikel 8:5a (ontslag
                        is in nader gespecificeerde situaties</al><al>ook mogelijk binnen 24 maanden na ziekte).</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het kader van de Wet verbetering poortwachter is in het eerste lid,
                        onderdeel a en b, voor de werknemer de</al><al>verplichting opgenomen medewerking te verlenen aan zijn reïntegratie. Dit
                        artikel is opgenomen in de CAR om</al><al>hiermee uitdrukking te geven aan de nieuwe en strengere regelgeving in het
                        kader van preventie ziekteverzuim</al><al>en reïntegratie en de invoering van de Wet verbetering poortwachter, die op
                        1 april 2002 in werking is getreden.</al><al>De tekst van het eerste lid komt overeen met artikel 660a, boek 7, titel 10,
                        van het Burgerlijk Wetboek.</al><al>Het eerste lid is ook de tegenhanger van de verplichtingen die in het kader
                        van preventie ziekteverzuim en</al><al>reïntegratie aan de werkgever worden opgelegd (zie artikel 7:9). Het artikel
                        verplicht de ambtenaar actief mee</al><al>te werken aan het reïntegratieproces, zowel in het eerste begin van de
                        ziekte als lopende het reïntegratietraject.</al><al>Onder de maatregelen waaraan de ambtenaar gevolg moet geven moeten onder
                        andere werkzaamheden en</al><al>scholing in het kader van de reïntegratie worden verstaan (zie artikel 7:9,
                        tweede lid).</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De ambtenaar is verplicht om aangeboden passende arbeid te aanvaarden. De
                        sanctie op het zonder deugdelijke</al><al>grond niet aanvaarden van deze arbeid is neergelegd in artikel 7:14
                        (inhouding bezoldiging) en artikel 8:5a</al><al>(ontslag binnen dan wel na 24 maanden na de eerste ziektedag bij het zonder
                        deugdelijke grond niet aanvaarden</al><al>van passende arbeid).</al><al>Artikel 30, eerste lid, onder f, SUWI bepaalt dat werkgever of werknemer UWV
                        kan verzoeken een onderzoek</al><al>in te stellen naar dan wel een oordeel te geven over de aanwezigheid van
                        passende arbeid, die de zieke</al><al>werknemer voor de werkgever in staat is te verrichten.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:12</cursief></vet></al><al>De ambtenaar dient mee te werken aan een medisch onderzoek door of vanwege
                        de bedrijfsgezondheidsdienst</al><al>om bepaalde in het eerste lid omschreven vragen te kunnen beantwoorden. De
                        geneeskundige die het medisch</al><al>onderzoek verricht, deelt de uitkomst daarvan schriftelijk mee aan
                        betrokkene en aan het college.</al><al>Op overtreding van deze verplichting staat een sanctie, evenals wanneer het
                        onderzoek wel heeft</al><al>plaatsgevonden, maar daaruit blijkt van verwijtbaar gedrag van de ambtenaar.
                        De sancties zijn opgenomen in</al><al>artikel 7:13:1 en 7:13:2.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:13:1</cursief></vet></al><al>Artikel 7:13:1 bepaalt in welke gevallen geen recht bestaat op doorbetaling
                        van de bezoldiging. Het gaat hierbij</al><al>om situaties waarin al vrij snel na de eerste ziektedag bekend is dat:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de ambtenaar de verhindering tot het
                        vervullen van de betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt en dit gedrag</al><al>betrokkene verwijtbaar is;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de ziekte zich voordoet binnen een halfjaar
                        na de geneeskundige keuring, waarbij blijkt dat de ambtenaar</al><al>willens en wetens onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft
                        verstrekt, zodanig dat de</al><al>verklaring dat tegen de vervulling van de betrekking geen medische bezwaren
                        bestaan, niet afgegeven zou</al><al>zijn.</al><al>De in dit artikel beschreven situaties zijn geen situaties die hersteld
                        kunnen worden. Als de situatie zoals</al><al>beschreven zich voordoet, bestaat er vanaf de eerste dag van ziekte geen
                        recht op doorbetaling van de</al><al>bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:13:2</cursief></vet></al><al>Zowel artikel 7:13:2 als artikel 7:14 bevatten de sancties op overtreding
                        van de verplichtingen als genoemd in</al><al>artikel 7:10, 7:11 en 7:12, alsmede de conclusies die uit het onderzoek als
                        bedoeld in artikel 7:12 getrokken</al><al>kunnen worden.</al><al>De in deze artikelen beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt
                        in dat artikel 7:13:2 en 7:14 ook</al><al>tussentijds kunnen worden toegepast. Wanneer de situatie weer hersteld is,
                        wordt de betaling van de bezoldiging</al><al>weer gestart.</al><al>Artikel 7:13:2 ziet op de verplichtingen die aan de ambtenaar zijn opgelegd
                        in artikel 7:10 en 7:12. Artikel 7:14</al><al>ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de ambtenaar
                        zijn opgelegd.</al><al>Artikel 7:13:2 sanctioneert allereerst de weigering de benodigde informatie
                        te verstrekken. De andere sancties</al><al>van artikel 7:13:2 betreffen gedrag van de ambtenaar, waarbij de arbo-dienst
                        een rol speelt in de beoordeling</al><al>van dat gedrag.</al><al>De sancties op de overtredingen die genoemd zijn, zijn imperatief: de
                        doorbetaling van de bezoldiging wordt</al><al>gestaakt wanneer bijvoorbeeld de ambtenaar nalaat zich onder geneeskundige
                        behandeling te stellen of zich niet</al><al>houdt aan voorschriften van behandelende geneeskundigen.</al><al>Als van het gedrag van de ambtenaar geen verwijt gemaakt kan worden op grond
                        van zijn geestelijke toestand,</al><al>vindt doorbetaling van de bezoldiging wel plaats. De gemeente moet zich voor
                        het besluit om de bezoldiging te</al><al>staken dus vergewissen van de geestestoestand van de ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:14</cursief></vet></al><al>De in dit artikel beschreven situaties kunnen tijdelijk zijn. Dit houdt in
                        dat artikel 7:14 ook tussentijds kan</al><al>worden toegepast. Wanneer de situatie weer hersteld is, wordt de betaling
                        van de bezoldiging weer gestart.</al><al>Artikel 7:14 ziet op de verplichtingen die op grond van artikel 7:11 aan de
                        ambtenaar zijn opgelegd.</al><al>UWO-gemeenten worden verwezen naar artikel 7:13:2 en de toelichting
                        daarop.</al><al>Artikel 7:14 sanctioneert de ambtenaar die zich niet houdt aan de volgende
                        verplichtingen, te weten:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het niet naleven van het
                        ziekteverzuimprotocol;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het niet naleven van de voorschriften en
                        maatregelen (zoals het verrichten van werkzaamheden en scholing</al><al>in het kader van de reïntegratie als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid,
                        onderdelen b en c) die door het college</al><al>gesteld kunnen worden;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het niet meewerken aan het plan van aanpak
                        en</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het weigeren van passende arbeid.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In de CAO 2002-2003 is overeengekomen dat overtreding van de regels uit het
                        verzuimprotocol uiteindelijk</al><al>kan leiden tot zware disciplinaire maatregelen. Dit is uitgewerkt in de zin
                        dat overtreding van de regels uit het</al><al>verzuimprotocol als plichtsverzuim wordt aangemerkt en via de procedure van
                        hoofdstuk 16 gesanctioneerd kan</al><al>worden. De op te leggen sanctie moet overeenkomen met de ernst van de
                        gedraging. Ook de verwijtbaarheid</al><al>van de gedragingen maakt deel uit van de afwegingen, die leiden tot de keuze
                        voor de sanctie.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De ambtenaar die zonder deugdelijke grond weigert zich te houden aan de
                        voorschriften en maatregelen, die</al><al>door de gemeente zijn gesteld, weigert passende arbeid te verrichten of die
                        weigert medewerking te verlenen</al><al>aan de totstandkoming, evaluatie en – eventueel – bijstelling van het plan
                        van aanpak, kan bestraft worden</al><al>met inhouding van de bezoldiging. Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid van
                        bestraffing met ontslag na 24</al><al>maanden dan wel binnen 24 maanden na de eerste ziektedag (artikel
                        8:5a).</al><al>De sanctie op het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan de opstelling,
                        evaluatie en - eventueel -</al><al>bijstelling van het plan van aanpak en de sanctie op het weigeren van
                        passende of gangbare arbeid is gelijk aan</al><al>de sanctie die sinds de inwerkingtreding van de Wet verbetering poortwachter
                        in artikel 629, boek 7, titel 10,</al><al>van het Burgerlijk wetboek is opgenomen.</al><al>De sancties op de overtredingen die in het tweede lid genoemd zijn, zijn
                        imperatief: de doorbetaling van de</al><al>bezoldiging wordt gestaakt wanneer de ambtenaar het beschreven gedrag
                        betoont.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als van het gedrag van de ambtenaar, als genoemd in het tweede lid, geen
                        verwijt gemaakt kan worden op</al><al>grond van zijn geestelijke toestand, vindt doorbetaling van de bezoldiging
                        wel plaats. De gemeente moet zich</al><al>voor het besluit om de bezoldiging te staken dus vergewissen van de
                        geestestoestand van de ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:15:1</cursief></vet></al><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid de op grond van artikel 7:13:1, 7:13:2
                        of 7:14 niet-uitbetaalde bezoldiging</al><al>aan anderen dan aan de ambtenaar te betalen. Het kan hierbij gaan om
                        betalingen die aan familieleden worden</al><al>gedaan.</al><al>Ingevolge het tweede lid wordt de niet-uitbetaalde bezoldiging alsnog
                        uitbetaald wanneer de ambtenaar na een</al><al>door hem aangevraagde second opinion door het UWV in het gelijk gesteld
                        wordt.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:16</cursief></vet></al><al>Bij het opdragen van passende arbeid kunnen twee situaties worden
                        onderscheiden:</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>de situatie waarin de aanstelling in de
                        oude betrekking gehandhaafd blijft, maar waarbij de ambtenaar</al><al>tijdelijk andere arbeid wordt opgedragen;</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>de situatie waarin de aanstelling na 24
                        maanden van ziekte wordt gewijzigd; de oude betrekking van de</al><al>ambtenaar komt te vervallen en deze krijgt een nieuwe betrekking in passende
                        arbeid.</al><al><cursief>ad 1</cursief></al><al>De situatie beschreven onder 1) zal zich vooral voordoen in die gevallen
                        waarbij:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>terugkeer in de oude betrekking nog mogelijk
                        wordt geacht en de betrokkene bijvoorbeeld passende arbeid</al><al>verricht,</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>(volledige) terugkeer in de oude betrekking
                        niet mogelijk wordt geacht en de betrokkene tijdelijk een andere</al><al>betrekking vervult, bijvoorbeeld bij wijze van proef voorafgaand aan een
                        definitieve herplaatsing.</al><al>Door schriftelijk vast te leggen op welke wijze passende arbeid, ook zonder
                        aanpassing van de aanstelling, aan</al><al>de ambtenaar wordt opgedragen, wordt voor de ambtenaar en de werkgever
                        inzichtelijk wat van de ambtenaar</al><al>verlangd wordt. Hierna kan een wijziging van de aanstelling plaatsvinden.
                        Ook is het mogelijk dat de ambtenaar</al><al>terugkeert in zijn eigenlijke functie.</al><al>Over de uren dat de ambtenaar deze werkzaamheden verricht, heeft hij recht
                        op de doorbetaling van zijn</al><al>bezoldiging (artikel 7:3, zesde lid, onderdeel b).</al><al><cursief>ad 2</cursief></al><al>Voordat de medewerker aanspraak kan maken op een uitkering ingevolge de WIA,
                        geldt voor hem een wachttijd</al><al>van 104 weken (de wachttijd voor een WAO-uitkering bedroeg 52 weken). Indien
                        het mogelijk zou zijn de</al><al>zieke medewerker definitief te herplaatsen binnen twee jaar in een passende
                        functie, zou de situatie ontstaan</al><al>dat hij naast zijn nieuwe inkomen geen recht heeft op een uitkering op grond
                        van de WIA. De betrokken</al><al>medewerker is voor zijn nieuwe functie namelijk niet ziek. In het BW is
                        daarnaast geregeld dat de werknemer</al><al>in de eerste twee jaar van ziekte kan terugvallen op de arbeidsovereenkomst
                        van de eigen werkgever bij het</al><al>verrichten van passende arbeid. Deze twee wijzigingen zijn de reden geweest
                        om artikel 7:16 op punt van de</al><al>definitieve herplaatsing te wijzigen. Als gevolg hiervan kan een wijziging
                        van de aanstelling pas plaatsvinden</al><al>nadat er twee jaren van ziekte zijn verstreken.</al><al>De situatie beschreven onder 2) zal zich voordoen indien na 24 maanden van
                        ziekte duidelijk is dat de</al><al>betrokkene niet kan terugkeren in zijn oude betrekking. De herplaatsing kan
                        eventueel vooraf worden gegaan</al><al>door een herplaatsing bij wijze van proef. Een belangrijk verschil met de
                        situatie onder 1) is dat bij een</al><al>definitieve herplaatsing door middel van een wijziging in de aanstelling de
                        bezoldiging van de ambtenaar wordt</al><al>aangepast aan het niveau en de omvang van de nieuwe betrekking. Dit is
                        mogelijk op grond van artikel 3:1,</al><al>achtste lid.</al><al>Indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere betrekking
                        door middel van een wijziging van</al><al>de aanstelling, ontstaat op de ingangsdatum van de wijziging van de
                        aanstelling een nieuwe situatie. Als de</al><al>ambtenaar ziek wordt in deze functie beginnen de termijnen ingevolge artikel
                        7:3 opnieuw te lopen. Indien de</al><al>ambtenaar definitief is herplaatst, wordt voor wat betreft de doorbetaling
                        van de bezoldiging altijd uitgegaan</al><al>van de bezoldiging die geldt voor die nieuwe betrekking.</al><al>Het spreekt voor zich dat naarmate de arbeidsongeschiktheid langer duurt,
                        een bredere oriëntatie ten</al><al>aanzien van de te verrichten passende arbeid mag worden verwacht. Naarmate
                        de duur van de gedeeltelijke</al><al>arbeidsongeschiktheid langer is, kan van de ambtenaar worden verlangd dat
                        deze concessies doet met</al><al>betrekking tot door hem te verrichten passende arbeid als reïntegratie in de
                        eigen arbeid niet tot de</al><al>mogelijkheden behoort. Artikel 7:14 biedt de mogelijkheid om de bezoldiging
                        te staken, wanneer de ambtenaar</al><al>zonder deugdelijke grond de aangeboden passende arbeid weigert. Bij de
                        beoordeling van de ‘deugdelijkheid’</al><al>van de weigeringgrond zal worden meegewogen of de arbeid wel voldoet aan het
                        criterium ‘passend’. De</al><al>ultieme sanctie op het zonder deugdelijke reden weigeren van passende arbeid
                        is ontslag. Dit kan ook binnen 24</al><al>maanden plaatsvinden. Sinds 1 januari 2003 biedt artikel 8:5a daartoe de
                        mogelijkheid.</al><al><cursief>Situationele arbeidsongeschiktheid</cursief></al><al>In het geval de ambtenaar situationeel arbeidsongeschikt is, zal in de regel
                        geen sprake zijn van verminderde</al><al>arbeidsgeschiktheid in de zin van de WIA. Als de ambtenaar arbeid wordt
                        aangeboden, die gelijk of nagenoeg</al><al>gelijk is aan de functie die hij bekleedde, zij het bij een ander
                        organisatieonderdeel, dan zal de ambtenaar deze</al><al>arbeid in principe niet mogen weigeren. De oorzaak van de uitval, de
                        situatie waarin de ambtenaar zijn werk</al><al>moest verrichten, is dan immers weggenomen. Weigert de ambtenaar deze arbeid
                        wel, dan kan besloten worden</al><al>tot toepassing van artikel 7:14 en kan de bezoldiging gestaakt worden.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:18</cursief></vet></al><al>Artikel 7:18 geeft de basis aan voor UWO-artikelen die het onderwerp het in
                        mindering brengen van inkomsten</al><al>uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de
                        bezoldiging nader regelen.</al><al>Dat betekent dat voor UWO-gemeenten het in mindering brengen van inkomsten
                        uit passende arbeid of</al><al>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging inhoudelijk
                        in artikel 7:18:1 volledig is</al><al>uitgewerkt. UWO-gemeenten kunnen derhalve weliswaar geen nadere regels aan
                        dit UWO-artikel toevoegen,</al><al>wel kunnen UWO-gemeenten nadere uitvoeringsregels vaststellen ter uitvoering
                        van een UWO-artikelen voor</al><al>zover noodzakelijk.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:18:1</cursief></vet></al><al>Als de zieke ambtenaar in het belang van zijn genezing, reïntegratie of
                        herplaatsing werkzaamheden verricht</al><al>voor zichzelf of voor derden (bijvoorbeeld bij een andere werkgever), moeten
                        de verkregen inkomsten in</al><al>mindering gebracht worden op de bezoldiging waarop hij ingevolge artikel 7:3
                        aanspraak op heeft. Deze</al><al>verrekening vindt als volgt plaats. In overleg met de ambtenaar wordt
                        vastgesteld hoeveel uren hij besteedt aan</al><al>de betreffende werkzaamheden. Op basis hiervan wordt de hoogte van de
                        loondoorbetaling, bedoeld in artikel</al><al>7:3, vastgesteld. De inkomsten die de ambtenaar verwerft, worden op de
                        bezoldiging in mindering gebracht.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:19</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De Ziektewet bepaalt wanneer recht op ziekengeld bestaat. De hoofdregel is
                        dat er geen recht op ziekengeld</al><al>bestaat wanneer er aanspraak gemaakt kan worden op een loondoorbetaling.
                        Hierin voorziet artikel 7:3 CAR. In</al><al>de ZW wordt evenwel een uitzondering gemaakt voor de volgende categorieën
                        werknemers in actieve dienst:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>vrouwelijke ambtenaren die op basis van
                        artikel 29a ZW recht op een uitkering hebben;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>medewerkers die wegens orgaandonatie
                        ongeschikt zijn hun betrekking te vervullen;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>arbeidsgehandicapten in de zin van de Wet
                        REA, die in de eerste vijf jaren na aanvang van de</al><al>dienstbetrekking ongeschikt worden hun betrekking te vervullen.</al><al>Deze categorieen actieve werknemers krijgen dus wel recht op een ziekengeld
                        krachtens de Ziektewet. Artikel</al><al>7:19 CAR bepaalt dat de ZW-uitkering in mindering gebracht wordt op de
                        bezoldiging, waarop de betrokken</al><al>ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft.</al><al>De vrouwelijke ambtenaar heeft rond de periode van zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof recht op een uitkering</al><al>krachtens artikel 29A ZW indien:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>zij voorafgaand aan de dag waarop zij recht
                        heeft op een uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid, van de</al><al>Waz (dus voor de ingang van het zwangerschapsverlof) ongeschikt wordt tot
                        het verrichten van haar arbeid</al><al>en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de zwangerschap;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>zij in de periode waarin zij recht had
                        kunnen hebben op een uitkering op grond van artikel 3:7, eerste lid,</al><al>van de Waz, doch die uitkering nog niet is aangevangen, wegens ziekte
                        ongeschikt is tot het verrichten van</al><al>haar arbeid. Dit betreft de periode tussen de zes en vier weken voor de
                        vermoedelijke bevallingsdatum.</al><al>Indien de ingang van het zwangerschapsverlof bepaald is op bijvoorbeeld vier
                        weken voor de vermoedelijke</al><al>bevallingsdatum en zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum wordt de
                        vrouwelijke ambtenaar ziek</al><al>(ongeacht of deze ziekte te maken heeft met de zwangerschap), dan gaat het
                        verlof op basis van de Waz in</al><al>vanaf die zes weken. Tijdens de periode van zes tot vier weken voor de
                        vermoedelijke bevallingsdatum heeft</al><al>de vrouwelijke ambtenaar recht op een ZW-uitkering. Daarna heeft de
                        vrouwelijke ambtenaar gedurende</al><al>veertien weken recht op een Waz-uitkering;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>zij nadat het recht op een uitkering op
                        grond van artikel 3:7, eerste lid, van de Waz is geëindigd (dus na</al><al>de afloop van het bevallingsverlof), aansluitend ongeschikt is tot het
                        verrichten van haar arbeid en die</al><al>ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande
                        zwangerschap.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als vanwege schuld of toedoen van de ambtenaar geen ZW-uitkering wordt
                        verstrekt, wordt in het kader van</al><al>de vermindering als bedoeld in het eerste lid gehandeld alsof de ambtenaar
                        wel een volledige ZW uitkering</al><al>ontvangt. Er wordt dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het
                        dagloon in mindering gebracht</al><al>in geval van arbeidsgehandicapten en orgaandonoren en 100% van het dagloon
                        in geval van vrouwelijke</al><al>ambtenaren die op basis van 29a ZW recht op een uitkering hebben.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Wanneer de ZW-uitkering door schuld of toedoen van de ambtenaar vermindering
                        ondergaat, geheel of</al><al>gedeeltelijk geweigerd wordt of aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd,
                        wordt in het kader van de</al><al>vermindering als bedoeld in het eerste lid gehandeld alsof de ambtenaar wel
                        een volledige uitkering ontvangt.</al><al>Er wordt dan een fictieve uitkering ter hoogte van 70% van het dagloon in
                        mindering gebracht. Sancties en</al><al>boetes die in het kader van de ZW aan de ambtenaar worden opgelegd, leiden
                        niet tot aanpassing van de</al><al>vermindering. Sancties en boetes in het kader van de ZW worden dus niet
                        gecompenseerd.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Om verrekening van de bezoldiging met de ZW-uitkering praktisch mogelijk te
                        maken, moet de ambtenaar de</al><al>ZW-uitkering cederen aan de gemeentelijke werkgever.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De medewerker die zwangerschapsgerelateerde ziek is, heeft ingevolge de
                        Ziektewet recht op een uitkering.</al><al>De uitkering is gecedeerd aan de werkgever ingevolge het vierde lid. Als het
                        bedrag van de uitkering hoger ligt</al><al>dan het bedrag waar de ambtenaar recht op heeft op grond van artikel 7:3,
                        wordt het meerdere uitbetaald aan de</al><al>ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:20</cursief></vet></al><al>Wanneer de ambtenaar gedeeltelijk arbeidsongeschikt is én 6 (voor
                        ziektegevallen van voor 1 januari 2004</al><al>moet hier 18 maanden gelezen worden) maanden na de eerste ziektedag
                        verstreken zijn, kan het zijn dat de</al><al>Werkloosheidswet (WW) op grond van urenverlies én verlies van loon recht
                        geeft recht op een uitkering.</al><al>Wanneer dat het geval is, heeft de ambtenaar het recht een WW-uitkering aan
                        te vragen. Indien hij een</al><al>WW-uitkering aanvraagt, wordt deze uitkering in mindering gebracht op de
                        bezoldiging, waarop de betrokken</al><al>ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft. Hiermee wordt voorkomen dat
                        een medewerker dubbele</al><al>inkomsten ontvangt.</al><al>Om de werknemer niet te veel te belasten wordt deze op grond van de CAR/UWO
                        niet verplicht een</al><al>WW-uitkering aan te vragen. Het is echter wel mogelijk dat deze verplichting
                        uit de WW voortvloeit. Eventuele</al><al>kortingen op de WW-uitkering worden echter niet in mindering gebracht op de
                        doorbetaling van de bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:21</cursief></vet></al><al>In artikel 76a van de Ziektewet is bepaald dat de wachttijd voor een
                        uitkering ingevolge de WIA in drie</al><al>gevallen kan worden verlengd en wel:</al><al><vet><cursief>a. </cursief></vet>met de duur van de vertraging indien de
                        werkgever de aangifte, bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de ZW,</al><al>later doet dan op grond van dat artikel is voorgeschreven;</al><al><vet><cursief>b. </cursief></vet>met de duur van de verlenging van het
                        tijdvak waarin recht bestaat op bezoldiging op grond van artikel 24,</al><al>eerste lid, van de WIA;</al><al><vet><cursief>c. </cursief></vet>met de duur van het tijdvak dat het UWV op
                        grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.</al><al><cursief>ad a</cursief></al><al>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                        dag nadat de ziekte 13 weken heeft</al><al>geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te
                        laat doet, wordt de wachttijd voor</al><al>de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas
                        later in.</al><al><cursief>ad b</cursief></al><al>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de WIA-wachttijd op
                        verzoek van werkgever en werknemer</al><al>gezamenlijk verlengd kan worden.</al><al><cursief>ad c</cursief></al><al>Bij de aanvraag van een WIA-uitkering moet een reïntegratieverslag worden
                        ingediend. Als het UWV van</al><al>mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen niet
                        is nagekomen of onvoldoende</al><al>reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn gedurende
                        welke de werkgever het loon</al><al>moet doorbetalen verlengen. Dit komt neer op een verlenging van de
                        WIA-wachttijd. De termijn van de</al><al>verlenging is maximaal 52 weken en wordt afhankelijk gesteld van de aard en
                        ernst van het verzuim. Deze</al><al>sanctiebevoegdheid is neergelegd in artikel 25, negende lid, van de
                        WIA.</al><al>Als om de drie hiervoor genoemde redenen de uitkering op grond van de WIA
                        pas op een later tijdstip</al><al>ingaat dan na 104 weken ziekte, kan op de door te betalen bezoldiging na 104
                        weken ziekte geen WGA- of</al><al>IVA-uitkering in mindering worden gebracht. Dit betekent dat de werkgever
                        feitelijk na 104 weken ziekte een</al><al>zwaardere financiële last draagt. In het geval genoemd onder b hiervoor is
                        sprake van een bewuste keuze. Deze</al><al>keuze kan voor werkgever én werknemer gunstig zijn als reïntegratie
                        aanstaande is. De werknemer krijgt dan</al><al>niet te maken met een uitkering op grond van de WIA; de werkgever heeft als
                        voordeel dat de Pemba-premie</al><al>niet verhoogd wordt als gevolg van het feit dat een medewerker een uitkering
                        op grond van de WIA heeft. In de</al><al>gevallen a en c hiervoor kan dit worden beschouwd als een sanctie voor de
                        werkgever voor het niet naleven van</al><al>de reïntegratieverplichtingen.</al><al>De medewerker merkt financieel dus niets van de verlenging van de wachttijd
                        op grond van de hiervoor</al><al>genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden
                        ziekte recht op 70% van zijn</al><al>bezoldiging.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de aanspraak op een WGA- of IVA-uitkering in
                        mindering wordt gebracht op de</al><al>doorbetaling van bezoldiging.</al><al>Let op: de WGA- of IVA-uitkering wordt alleen in mindering gebracht op de
                        door te betalen bezoldiging indien</al><al>deze kan worden toegerekend aan één en dezelfde betrekking. In het geval de
                        betrokkene ondertussen definitief</al><al>is herplaatst in een andere functie door middel van een wijziging van de
                        aanstelling wordt de WGA-uitkering,</al><al>voor zover die voortvloeit uit die oude betrekking, niet in mindering
                        gebracht op de door te betalen bezoldiging</al><al>tijdens ziekte.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bevat een bepaling voor de situatie waarin sprake is van een
                        zieke ambtenaar die meer dan één</al><al>baan heeft. Indien betrokkene voor beide betrekkingen arbeidsongeschikt
                        wordt, zal slechts één uitkering op</al><al>grond van de WIA worden toegekend die betrekking heeft op beide banen. Op
                        doorbetaling van bezoldiging</al><al>voor één van die functies zal de werkgever uitsluitend dat deel van de
                        uitkering ingevolge de WIA in mindering</al><al>moeten brengen dat verband houdt met de arbeidsongeschiktheid uit die
                        functie. Dit dient naar rato van de</al><al>bezoldiging uit de beide betrekkingen te worden bepaald.</al><al><cursief>Lid 3 t/m 5</cursief></al><al>In het derde tot en met vijfde lid wordt geregeld dat bij samenloop van een
                        uitkering op grond van de WIA en</al><al>doorbetaling van bezoldiging tijdens ziekte wordt uitgegaan van een WGA- of
                        een IVA-uitkering, als sprake</al><al>is van gedrag dat verwijtbaar is aan betrokkene. Hiermee wordt voorkomen dat
                        de ontstane meerlasten kunnen</al><al>worden afgewenteld op de werkgever die immers een hoger bedrag aan
                        bezoldiging dient door te betalen</al><al>ingeval de WGA- of IVA-uitkering niet of niet volledig tot uitbetaling komt
                        en dit betrokkene te verwijten is.</al><al>Omdat dit gevolg ongewenst is, geven genoemde leden de werkgever de
                        mogelijkheid in dergelijke gevallen</al><al>toch een korting op de bezoldiging toe te passen.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:22</cursief></vet></al><al>Indien betrokkene recht heeft op een aanvulling op de WIA-uitkering op grond
                        van het pensioenreglement van</al><al>het ABP, wordt deze aanvulling verrekend met de loondoorbetaling op grond
                        van artikel 7:3.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:24</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De tegemoetkoming in ziektekosten is een onkostenvergoeding en maakt daarom
                        geen onderdeel uit van de</al><al>bezoldiging.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De tegemoetkoming wordt gedurende het kalenderjaar uitbetaald. Dit betekent
                        dat de tegemoetkoming voor</al><al>bijvoorbeeld 2007 wordt uitbetaald in februari 2007.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Indien een ambtenaar op bijvoorbeeld 1 september 2006 in dienst treedt,
                        ontvangt hij in februari 2007 een</al><al>tegemoetkoming in zijn ziektekosten evenredig aan de 4 maanden (september
                        tot en met december) die hij</al><al>in dienst is geweest in 2006. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar een
                        basis- en aanvullende verzekering</al><al>heeft afgesloten met de geselecteerde zorgverzekeraar. In februari 2007
                        ontvangt de ambtenaar tevens de</al><al>tegemoetkoming voor het kalenderjaar 2007.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Omdat de tegemoetkoming voor het gehele kalenderjaar in de maand februari
                        wordt uitbetaald, moet (een deel</al><al>van) de tegemoetkoming worden terugbetaald op het moment dat de ambtenaar
                        uit dienst treedt. Indien de</al><al>ambtenaar bijvoorbeeld uit dienst treedt op 1 april 2006 dan moet de
                        tegemoetkoming evenredig aan 9 maanden</al><al>(april tot en met december) aan de gemeente worden terugbetaald.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:25</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te bepalen of de bezoldiging lager of gelijk is aan het maximum van
                        schaal 6 wordt geen onderscheid</al><al>gemaakt in de omvang van het dienstverband. Met andere woorden, iemand in
                        schaal 8 met een klein</al><al>dienstverband kan een bezoldiging hebben die lager of gelijk is aan het
                        maximum van schaal 6.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Bij de vaststelling van de hoogte voor de tegemoetkoming voor een bepaald
                        kalenderjaar wordt gekeken naar</al><al>de daadwerkelijk ontvangen bezoldiging over het voorgaande kalenderjaar.
                        Voorbeeld, of de ambtenaar in 2006</al><al>recht heeft op een tegemoetkoming op grond van lid 1 of 2 is afhankelijk van
                        de door hem in 2005 genoten</al><al>bezoldiging.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij de bepaling van het maximum bedrag van schaal 6 wordt uitgegaan van de
                        daadwerkelijk vastgestelde</al><al>bedragen per maand zoals die golden in het voorafgaande kalenderjaar.
                        Voorbeeld, of de ambtenaar in 2006</al><al>recht heeft op een tegemoetkoming op grond van lid 1 of 2 is afhankelijk van
                        de maximum (maand) bedragen</al><al>van schaal 6 zoals die golden in 2005.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:25b</cursief></vet></al><al>De premies voor de basis- en/of aanvullende verzekering worden door de
                        gemeente in beginsel ingehouden op</al><al>de netto bezoldiging. De geselecteerde zorgverzekeraar voorziet de gemeenten
                        van de benodigde informatie.</al><al>Indien de ambtenaar bezwaar aantekent tegen de inhouding van de premies op
                        zijn salaris kan de ambtenaar</al><al>verwachten dat hij een aantal voordelen kwijtraakt van het collectieve
                        arrangement met de geselecteerde</al><al>zorgverzekeraar. Hij kan dan geconfronteerd worden met zaken als het door de
                        zorgverzekeraar in rekening</al><al>brengen van extra kosten voor de premieheffing en eisen als premiebetaling
                        vooraf. Ook in het geval de netto</al><al>bezoldiging lager is dan de som van de af te dragen premies (zoals het geval
                        kan zijn bij kleine deeltijders) hoeft</al><al>de werkgever de premies niet in te houden op het salaris.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:26</cursief></vet></al><al>Ten aanzien van sommige lopende gevallen (op 31 december 2000 én 1 januari
                        2001 ziek) is bepaald dat</al><al>de ZW met terugwerkende kracht ingaat. Dit geldt voor ambtenaren wier
                        vastgestelde zwangerschaps- en</al><al>bevallingsverlof eindigt ná 31 januari 2001 en de zieken die op 15 februari
                        2001 nog ziek zijn (ziekte in verband</al><al>met zwangerschap en/of bevalling daaronder begrepen).</al><al>Hierbij is voorts bepaald dat als een ziekte eindigt en binnen vier weken
                        weer herleeft, dit als een nieuw</al><al>ziektegeval wordt beschouwd. Wanneer de ZW niet van toepassing wordt of de
                        ZW niet tot uitkering komt,</al><al>moet gegarandeerd worden dat de op 1 januari 2001 lopende uitkering blijft
                        bestaan en dat de bepalingen van</al><al>hoofdstuk 7, zoals dat gold op 31 december 2001, blijven gelden. Met het
                        eerste lid van artikel 7:26 wordt dit</al><al>gerealiseerd.</al><al>Bij sommige lopende gevallen die met terugwerkende kracht onder de ZW
                        vallen, komt de ZW ook</al><al>daadwerkelijk tot uitbetaling. De uitkeringen op grond van hoofdstuk 7 (van
                        voor 1 januari 2001) zijn dan</al><al>onverschuldigd betaald. Lid 2 van artikel 7:26 voorziet in een terugbetaling
                        daarvan.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:27</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Door de invoering van de WW kan de ambtenaar die verminderd
                        arbeidsongeschikt raakt en geen aanvullende</al><al>werkzaamheden krijgt aangeboden - en derhalve werkloos wordt - in
                        tegenstelling tot de situatie voor 1</al><al>januari 2001 aanspraak maken op een WW-uitkering. Derhalve is de
                        garantie-uitkering overbodig geworden</al><al>voor nieuwe gevallen die optreden na 1 januari 2001. Door wijziging van het
                        eerste lid blijven de bestaande</al><al>garantie-uitkeringen gegarandeerd. De algemene opmerkingen en de voorbeelden
                        die hierna zijn opgenomen</al><al>gelden voor de uitkeringen, die voor 1 januari 2001 zijn ingegaan.</al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Dit artikel biedt een inkomensvoorziening voor de gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte ambtenaar die na definitief</al><al>herplaatst te zijn in een nieuwe betrekking wordt afgeschat en zijn
                        toegenomen restverdiencapaciteit niet</al><al>volledig kan benutten, omdat hem geen aanvullende werkzaamheden worden
                        aangeboden.</al><al>Definitieve herplaatsing van de gedeeltelijk arbeidsongeschikte dient op
                        grond van artikel 7:16, lid 1, onder</al><al>c plaats te vinden door middel van een wijziging van de aanstelling.
                        Herplaatsing gaat met andere woorden</al><al>niet gepaard met ontslag, maar slechts met een wijzigingsbesluit. Niet
                        alleen artikel 7:16 sluit ontslag uit,</al><al>maar ook artikel 8:5, dat expliciet bepaalt dat
                        arbeidsongeschiktheidsontslag alleen dan kan plaats vinden,</al><al>indien het niet mogelijk is om de betrokkene te herplaatsen in
                        passende/gangbare arbeid. Omdat geen ontslag</al><al>plaatsvindt, heeft de betrokkene ook geen recht op een uitkering gebaseerd
                        op die oorspronkelijke betrekking,</al><al>een suppletie-uitkering, waar gedeeltelijk arbeidsongeschikte ambtenaren die
                        niet herplaatst kunnen worden</al><al>wel recht op hebben. Dit gemis aan uitkering kan in de situatie dat een
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte wordt</al><al>afgeschat, maar hem geen aanvullende arbeid kan worden aangeboden (en
                        waardoor de betrokkene in feite</al><al>gedeeltelijk werkloos raakt), vervelende inkomensgevolgen hebben, waardoor
                        de betrokkene in een slechtere</al><al>situatie zou kunnen komen dan de ambtenaar die niet herplaatst wordt en
                        suppletie krijgt. De garantie-uitkering</al><al>biedt een inkomensvoorziening in deze gevallen van werkloosheid en zorgt er
                        voor dat een ambtenaar die mee</al><al>werkt aan reïntegratie een vergelijkbare inkomenssituatie kent als iemand
                        die niet kan worden herplaatst.</al><al>Bij afschatting van de arbeidsongeschiktheidsklasse en dus verlaging van de
                        WAO-uitkering kan een</al><al>WW-uitkering aangevraagd worden.</al><al><cursief>Situatieschets</cursief></al><al>Een ambtenaar met een bezoldiging van € 2.500,- wordt op 1 januari 1998
                        ziek. Op 1 januari 1999 wordt</al><al>hem een WAO-uitkering toegekend gebaseerd op een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering van 45 tot 55%. Na</al><al>14 maanden, op 1 maart 1999, wordt hij definitief herplaatst in een
                        betrekking waarin hij zijn volledige</al><al>restverdiencapaciteit benut. De bezoldiging in de nieuwe betrekking bedraagt
                        € 1.250,-. Omdat hij zijn volledige</al><al>restverdiencapaciteit benut, heeft hij tevens recht op herplaatsingstoelage
                        (HPT).</al><al>Het totale inkomen van de ambtenaar ziet er als volgt uit:</al><lijst><li nr="-"><al>bezoldiging uit nieuwe betrekking € 2.500,-</al></li><li nr="-"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 875,-(35% van €
                                2.500,-)</al></li><li nr="-"><al>herplaatsingstoelage € 375,-</al></li></lijst><al>Totaal € 1.250,-</al><al>De ambtenaar wordt op 1 januari 2000 afgeschat, zijn
                        arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld op</al><al>15 tot 25%. De werkgever is niet in staat om de ambtenaar aanvullende
                        werkzaamheden te bieden, waardoor</al><al>de ambtenaar zijn toegenomen restverdiencapaciteit kan benutten. Hierdoor
                        krijgt de ambtenaar niet alleen te</al><al>maken met een lagere arbeidsongeschiktheidsuitkering, maar wordt hij ook
                        geconfronteerd met het verlies van</al><al>zijn herplaatsingstoelage.</al><al>Zonder garantie-uitkering ziet het totale inkomen van de ambtenaar er als
                        volgt uit:</al><lijst><li nr="-"><al>bezoldiging uit de nieuwe betrekking € 1.250,-</al></li><li nr="-"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering € 350,- (14% van € 2.500,-)</al></li></lijst><al>Totaal € 1.600,-</al><al>Artikel 7:27 bepaalt dat er in deze gevallen recht bestaat op een
                        garantie-uitkering waardoor de</al><al>inkomensgevolgen veel beperkter blijven. Op grond van het pensioenreglement
                        van het ABP vindt over deze</al><al>garantie-uitkering volledige pensioenopbouw plaats.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Op grond van artikel 7:27, lid 1, heeft de ambtenaar die wordt afgeschat,
                        nadat hij is herplaatst op grond van</al><al>artikel 7:6, lid 2, onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, recht op
                        een garantie-uitkering indien hem</al><al>geen aanvullende arbeid wordt aangeboden van een zodanige omvang dat hij in
                        staat is om zijn toegenomen</al><al>restverdiencapaciteit volledig te benutten en daardoor zijn
                        herplaatsingstoelage verliest.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Lid 2 bepaalt de termijn en de hoogte van de uitkering. Bij de bepaling van
                        de termijn en de fasering in de</al><al>percentages wordt uitgegaan van de begindatum van de ziekte in de
                        oorspronkelijke betrekking. Verder is de</al><al>hoogte van de garantie-uitkering gebaseerd op de bezoldiging in de
                        oorspronkelijke betrekking.</al><al>Toegepast op de bovenstaande situatieschets zou de betrokkene met ingang van
                        1 januari 2000 recht krijgt</al><al>op een garantie-uitkering, tot uiterlijk 7,5 jaar na aanvang ziekte in de
                        oorspronkelijke betrekking (1 januari</al><al>1998), dus tot uiterlijk 1 juli 2005. De hoogte bedraagt € 2.000,- (80% van
                        de oorspronkelijke bezoldiging van</al><al>€ 2.500,-) in de periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002. In de periode 1
                        oktober 2002 tot 1 juli 2005 bedraagt</al><al>de uitkering € 1.750,- (70% van € 2.500,-).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Lid 3 bepaalt dat op de garantie-uitkering de bezoldiging uit de betrekking
                        waarin de ambtenaar is herplaatst,</al><al>de WAO-uitkering, het invaliditeitspensioen en de herplaatsingstoelage in
                        mindering worden gebracht. Ook</al><al>nieuwe inkomsten verworven op of na de datum dat de ambtenaar is afgeschat
                        worden op de garantie-uitkering</al><al>in mindering gebracht.</al><al>Toegepast op de bovenstaande situatie zou dat bijvoorbeeld betekenen dit het
                        volgende betekenen.</al><al>Voorbeeld 1</al><al>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</al><lijst><li nr="-"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking € 1.250,-</al></li><li nr="-"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 350,-</al></li><li nr="-"><al>garantie-uitkering € 400,-(2000-1250-350=400)</al></li></lijst><al>Totaal € 2.000,-</al><al>Periode 1 oktober 2002 tot 1 juli 2005</al><lijst><li nr="-"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking € 1.250,-</al></li><li nr="-"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 350,-</al></li><li nr="-"><al>garantie-uitkering € 150,-(1750-1250-350=150)</al></li></lijst><al>Totaal € 1.750,-</al><al>Voorbeeld 2</al><al>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid krijgt aangeboden ter
                        waarde van € 300,- zou dit ter</al><al>illustratie leiden tot de volgende situatie (alleen de situatie tot 1
                        oktober 2002 wordt weergegeven).</al><al>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</al><lijst><li nr="-"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking € 1.250,-</al></li><li nr="-"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe betrekking € 300,-</al></li><li nr="-"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 350,-</al></li><li nr="-"><al>garantie-uitkering € 100,-(2000-1250-350-300=100)</al></li></lijst><al>Totaal € 2.000,-</al><al>Voorbeeld 3</al><al>Indien de ambtenaar naderhand aanvullende arbeid zou zijn aangeboden ter
                        waarde van € 750,- (en daardoor</al><al>zijn volledige restverdiencapaciteit weer kan benutten zou dit tot de
                        volgende situatie leiden (alleen de situatie</al><al>tot 1 oktober 2002 wordt weergegeven).</al><al>Periode 1 januari 2000 tot 1 oktober 2002</al><lijst><li nr="-"><al>inkomen uit de nieuwe betrekking € 1.250,-</al></li><li nr="-"><al>aanvullend inkomen uit nieuwe betrekking € 750,-</al></li><li nr="-"><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO + IP) € 350,-</al></li><li nr="-"><al>herplaatsingstoelage € 150,-</al></li><li nr="-"><al>garantie-uitkering € 0,- (2500-1250-750-350-150=0)</al></li></lijst><al>Totaal € 2.500,-</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Lid 4 bepaalt de sanctie indien de ambtenaar gangbare arbeid weigert,
                        verloren laat gaan of geen gebruik maakt</al><al>van gelegenheden tot het verkrijgen daarvan. De sanctie is gelijk aan de
                        omvang van de inkomsten die de</al><al>ambtenaar uit deze gangbare arbeid had kunnen krijgen. Indien de werkgever
                        de ambtenaar bijvoorbeeld arbeid</al><al>aanbiedt ter waarde van bijvoorbeeld € 500,- en de ambtenaar weigert deze
                        arbeid, dan wordt dit bedrag van €</al><al>500,- toch in mindering gebracht op de garantie-uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 7:28</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>Het overgangsartikel heeft de volgende strekking. De artikelen gelden met
                        ingang van 1 januari 2006 en zijn</al><al>van toepassing op de lopende ziektegevallen van op of na 1 januari 2004. Dit
                        betekent niet dat de artikelen</al><al>terugwerken tot 1 januari 2004. Er wordt door middel van dit artikel een
                        onderverdeling gemaakt in twee</al><al>groepen van ziektegevallen. De groep van wie de ziekte ligt voor 1 januari
                        2004, hiervoor gelden de bepalingen</al><al>genoemd in artikel 7:28 zoals die golden op 31 december 2005. De groep van
                        wie de eerste ziektedag lag op of</al><al>na 1 januari 2004 valt met ingang van 1 januari 2006 onder de huidige
                        bepalingen.</al><al><cursief>Lid 3 en 4</cursief></al><al>De WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na beeindiging van de
                        verzekering of het recht op</al><al>uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op een uitkering ingevolge de
                        WAO bestaat. De wetgever heeft</al><al>ervoor gekozen bij de invoering van de WIA het recht op een WAO-uitkering
                        voor deze personen in stand</al><al>te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt
                        zijn eerste ziektedag op grond van</al><al>de CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking kan komen voor een
                        WAO-uitkering in plaats van</al><al>een uitkering op grond van de WIA. De leden 3 en 4 voorzien in een
                        overgangsbepaling voor deze groep</al><al>medewerkers. De belangrijkste hiervan is de bepaling die ziet op definitieve
                        herplaatsing in passende of</al><al>gangbare arbeid voordat 2 jaar van ziekte zijn verstreken en de bepalingen
                        die zien op verrekening van een</al><al>WAO-uitkering met de loondoorbetaling tijdens de periode van ziekte.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De hoogte van de loondoorbetaling als bedoeld in de leden een tot en met
                        vier van artikel 7:3 gelden vanaf 1</al><al>januari 2006 voor medewerkers die op of na 1 januari 2004 ziek zijn
                        geworden. Voor de ambtenaar van wie</al><al>de eerste ziektedag lag voor 1 januari 2004, vangt een nieuwe ziekteperiode
                        ingevolge artikel 7:3, vierde lid</al><al>(zoals dat artikel gold op 31 december) aan, als sprake is geweest van een
                        onderbreking in 2004 van 4 weken of</al><al>langer. Er is sprake van een nieuwe ziekteperiode die is aangevangen na 1
                        januari 2004. Hetzelfde geldt voor de</al><al>zieke medewerker van voor 1 januari 2004, die in 2004 definitief is
                        herplaatst op grond van artikel 7:16, eerste</al><al>lid, onder c (zoals dat artikel gold op 31 december 2005 ). Als de
                        medewerker in de gewijzigde aanstelling</al><al>opnieuw ziek wordt, is sprake van een ziekteperiode die is aangevangen na 1
                        januari 2004.</al><al>Dit betekent voor een medewerker van wie bijvoorbeeld de eerste ziektedag
                        lag op 1 maart 2005, dat hij op 1</al><al>januari 2006 10 maanden ziek is. Op grond van artikel 7:3, tweede lid, heeft
                        hij met ingang van 1 januari 2006</al><al>recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging. Met ingang van 1 maart
                        2006 is de ambtenaar 12 maanden</al><al>ziek en heeft hij ingevolge artikel 7:3, derde lid, recht op doorbetaling
                        van 75% van zijn bezoldiging.</al><al>Op doorlopende ziektegevallen van voor 1 januari 2004 blijven de percentages
                        van de loondoorbetaling gelden,</al><al>die zijn opgenomen in artikel 7:3, zoals die bepaling gold op 31 december
                        2005 (eerste 18 maanden 100%,</al><al>daarna 80% van de bezoldiging).</al><al><vet><cursief>Artikel 7:28:1</cursief></vet></al><al>Voor de strekking van dit overgangsartikel zij verwezen naar de toelichting
                        bij artikel 7:28, eerste en tweede lid.</al><al><vet>8 Ontslag</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 8:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De formele eenzijdigheid van de aanstelling brengt met zich mee dat de
                        ambtenaar geen ontslag kan nemen.</al><al>Hem moet dat verleend worden. Behoudens andersluidend voorschrift dient een
                        verzoek om ontslag ingewilligd</al><al>te worden.</al><al>Het verzoek om ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Indien
                        een ambtenaar op een dergelijk</al><al>verzoek wenst terug te komen, en het college heeft nog niet beslist, dan kan
                        de betrokken ambtenaar volstaan</al><al>met de schriftelijke mededeling dat men het desbetreffende verzoek als niet
                        gedaan dient te beschouwen.</al><al>Indien echter het college reeds een ontslagbesluit heeft genomen, is het
                        college niet verplicht op dat besluit</al><al>terug te komen. Het college heeft wel die bevoegdheid. Een en ander kan
                        afhankelijk zijn van bepaalde factoren</al><al>zoals de stand van zaken in de vacaturevoorziening en het tijdstip waarop de
                        ambtenaar het verzoek intrekt. Het</al><al>belang van betrokkene dient zorgvuldig tegen dat van de organisatie
                        afgewogen te worden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat als een ambtenaar zélf een
                        verzoek om ontslag indient omdat</al><al>strafontslag dreigt, hem dit ontslag eervol zou moeten worden verleend.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:1:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikellid bepaalt dat de opzegtermijn bij ontslag op eigen verzoek
                        tussen een en drie maanden ligt. Deze</al><al>open periode betekent dat de medewerker niet koste wat kost vast mag houden
                        aan één maand en de werkgever</al><al>niet aan drie maanden. Na overleg zal de ontslagdatum vastgesteld worden
                        door de werkgever. Hierbij moet</al><al>zowel het belang van de medewerker als het belang van de gemeente worden
                        afgewogen.</al><al>Overigens is de gemeente niet gehouden aan een opzegtermijn per de eerste
                        dag van de maand. Opzegging kan</al><al>ook tegen andere dagen plaatsvinden.</al><al>Een werknemer die ondanks de vastgestelde opzegtermijn toch eerder weg gaat,
                        handelt opzettelijk in strijd met</al><al>zijn verplichtingen zijn betrekking nauwgezet te vervullen (artikel 3:1:1,
                        vierde lid).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het bepaalde in dit artikellid biedt de mogelijkheid om een ontslagverzoek
                        vooralsnog niet in te willigen</al><al>wanneer een strafrechtelijke vervolging aanhangig is of een disciplinaire
                        straf wordt overwogen en het niet</al><al>wenselijk is om deze procedure te moeten staken omdat de ambtenaar inmiddels
                        ontslag heeft genomen.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dient de ambtenaar
                        eervol ontslag te worden verleend. Het</al><al>ontslag gaat in op de eerste van de maand volgend op die waarin betrokkene
                        65 jaar is geworden.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In bijzondere situaties, bijvoorbeeld tijdens een herindeling, kan het
                        wenselijk zijn dat een bepaalde ambtenaar</al><al>nà zijn 65-jarige leeftijd tijdelijk doorwerkt. Als betrokkene hiermee
                        instemt, wordt hem op een latere datum</al><al>eervol ontslag verleend. Een tweede mogelijkheid is betrokkene na zijn
                        ontslag een nieuwe aanstelling te</al><al>verlenen op grond van artikel 2:4.</al><al>Overigens zal betrokkene in het eerste geval, op grond van het
                        pensioenreglement, ook langer pensioen</al><al>opbouwen: inhouding van pensioenpremie op zijn bezoldiging is derhalve dan
                        ook aan de orde. In het tweede</al><al>geval, waarbij een nieuw dienstverband wordt aangegaan na de 65-jarige
                        leeftijd, heeft de ambteanaar de keuze</al><al>of er verder pensioenopbouw plaatsvindt. Dit is geregeld in artikel 16.1 van
                        het pensioenreglement.</al><al>Indien ervoor wordt gekozen de pensioenopbouw niet voort te zetten, is
                        premie-inhouding niet aan de orde.</al><al>Indien ervoor wordt gekozen de pensioenopbouw wel voort te zetten, stelt het
                        ABP een individuele premie vast</al><al>die volledig voor rekening komt van de medewerker.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:2a</cursief></vet></al><al>Op twee manieren kunnen mensen na de leeftijd van 65 jaar in dienst zijn van
                        de gemeente. De eerste</al><al>mogelijkheid is dat iemand na de leeftijd van 65 jaar in dienst treedt van
                        de gemeente. Dit is mogelijk op</al><al>grond van artikel 2:4. De tweede mogelijkheid is dat iemand al in dienst is,
                        maar dat zijn aanstelling of</al><al>arbeidsovereenkomst door toepassing van artikel 8:2, tweede lid, na het
                        bereiken van de leeftijd van 65 jaar is</al><al>voortgezet.</al><al>Bij dit soort aanstellingen is de wens van een van de partijen voldoende om
                        de aanstelling te beëindigen.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:3</cursief></vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet><cursief>Artikel 8:3:1</cursief></vet></al><al> (Vervallen)</al><al><vet><cursief>Artikel 8:4</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In dit lid worden drie ontslaggronden genoemd: wegens opheffing van de
                        betrekking, wegens verandering in de</al><al>inrichting van het dienstonderdeel danwel wegens een verminderde behoefte
                        aan arbeidskrachten.</al><al>De opgenomen zinsnede 'of van andere dienstonderdelen' impliceert dat
                        ontslag in principe ook mogelijk is bij</al><al>een reorganisatie van een ander dienstonderdeel dan dat waar de ambtenaar
                        werkzaam is. Afgezien van de vraag</al><al>of zulks niet in strijd is met de redelijkheid, zal ontslag niet vaak
                        mogelijk zijn. De reden voor het ontslag moet</al><al>immers zijn de overbodigheid en niet slechts het feit van de
                        reorganisatie.</al><al>Uit de jurisprudentie komt naar voren dat aan het besluit tot opheffing van
                        een betrekking of tot reorganisatie</al><al>zakelijke motieven ten grondslag dienen te liggen en niet de wens voor een
                        bepaalde ambtenaar een</al><al>ontslaggrond te creëren.</al><al>Indien niet duidelijk is welk van de genoemde drie ontslaggronden in een
                        voorkomend geval gehanteerd moet</al><al>worden, heeft men in principe de vrije keus, mits rekening is gehouden met
                        de belangen van de ambtenaar.</al><al>Alvorens tot ontslag over te gaan, vereist het beginsel der zorgvuldigheid
                        dat eerst wordt nagegaan of er</al><al>een andere functie is waarin betrokkene kan worden geplaatst. Als dit niet
                        is gebeurd, kan namelijk het</al><al>ontslagbesluit nietig worden verklaard.</al><al>Na dit reorganisatieontslag heeft betrokkene aanspraak op wachtgeld
                        respectievelijk een uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens
                        de Werkloosheidswet het</al><al>urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar de ontslaggrond
                        wél bepalend is voor het recht op</al><al>een aanvullende dan wel aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden
                        voorzien in de mogelijkheid tot</al><al>gedeeltelijk ontslag.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het plan van afvloeiing moet op grond van artikel 12:2 met vakorganisaties
                        worden besproken en vooraf aan de</al><al>betrokken ambtenaren bekend worden gemaakt.</al><al>Het maken van een dergelijk plan is reeds noodzakelijk wanneer het gaat om
                        het ontslag van meer dan één</al><al>ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:4:1</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Artikel 8:5</cursief></vet></al><al>Aan de ambtenaar die ongeschikt is voor de eigen arbeid kan ontslag worden
                        verleend op grond van die</al><al>ongeschiktheid, zodra die ongeschiktheid ten minste 24 maanden heeft
                        geduurd. Eerder kan ontslag op deze</al><al>grond niet plaatsvinden. Ontslag op andere gronden dan wegens ziekte kan
                        binnen die termijn wel worden</al><al>verleend. Met deze termijn van twee jaar wordt aangesloten bij de situatie
                        in de marktsector, waar ook een</al><al>dergelijke ontslagbescherming geldt.</al><al>Ontslagverlening wegens ziekte is slechts mogelijk wanneer voldaan wordt aan
                        de drie voorwaarden genoemd</al><al>in artikel 8:5, tweede lid. Het college betrekt hierbij de uitkomst van de
                        claimbeoordeling op grond van de WIA.</al><al>Deze voorwaarden komen namelijk aan bod tijdens de claimbeoordeling voor de
                        aanvraag van een uitkering op</al><al>grond van de WIA.</al><al>De claimbeoordeling op grond van de WIA start in week 87 (21e maand) als UWV
                        de ambtenaar een</al><al>aanvraagformulier voor de WIA-uitkering toestuurt en UWV bij de werkgever
                        gegevens opvraagt voor</al><al>de vaststelling van de uitkering. De werkgever kan vanaf dit moment zijn
                        voornemen tot ontslag wegens</al><al>arbeidsongeschiktheid schriftelijk aan de ambtenaar kenbaar maken. De
                        aanzegging van het college dat een</al><al>ontslagprocedure op grond van arbeidsongeschiktheid zal worden opgestart en
                        dat hierbij de claimbeoordeling</al><al>op grond van de WIA betrokken wordt, is geen besluit in de zin van de Awb en
                        daarmee geen besluit dat</al><al>vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het feitelijk ontslagbesluit is uiteraard
                        wel een besluit dat vatbaar is voor</al><al>bezwaar en beroep.</al><al>Tussen week 87 en 91 stellen de werkgever en de ambtenaar gezamenlijk in
                        overleg met de bedrijfsarts of de</al><al>arbodienst het reïntegratieverslag op. Het door UWV (als onderdeel van de
                        WIA-beschikking) beoordeelde</al><al>reïntegratieverslag is basis voor de oordeel van de werkgever of het
                        mogelijk is de ambtenaar binnen de</al><al>openbare dienst van de gemeente passende arbeid op te dragen (onderdeel c).
                        In week 91 stuurt de ambtenaar</al><al>het aanvraagformulier WIA-uitkering op, tezamen met het reïntegratieverslag.
                        UWV beoordeelt eerst de</al><al>reïntegratie-inspanningen van de werkgever en de ambtenaar. Indien de
                        reïntegratie-inspanningen van de</al><al>werkgever onvoldoende zijn geweest wordt de ontslagtermijn verlengd (zie lid
                        12, onder c).</al><al>Indien de reïntegratie-inspanningen van de werkgever als voldoende zijn
                        beoordeeld, volgt de verdere</al><al>claimbeoordeling. UWV beoordeelt in dit kader de arbeidsgeschiktheid van de
                        ambtenaar. Het oordeel</al><al>van UWV terzake (als onderdeel van de WIA-beschikking) is basis voor het
                        oordeel van de werkgever of</al><al>voldaan is aan de voorwaarden die zijn genoemd in lid 2 onder a en b
                        (ongeschikt voor de vervulling van de</al><al>betrekking wegens ziekte en herstel is niet binnen een periode van 6 maanden
                        na de periode van 24 maanden te</al><al>verwachten).</al><al>Na de claimbeoordeling volgt de beschikking van UWV op grond van de WIA. Het
                        ontslagbesluit moet binnen</al><al>één jaar na de datum van de WIA-beschikking zijn genomen. Het college moet
                        in zijn ontslagbesluit naar</al><al>deze WIA-beschikking verwijzen. Mocht de ambtenaar een negatieve beschikking
                        van UWV ontvangen</al><al>wegens onvoldoende medewerking, verwijst het college naar deze maatregel in
                        zijn ontslagbesluit. In de</al><al>gevallen waarin de ambtenaar het niet eens is met het ontslag of als de
                        ambtenaar bezwaar indient tegen het</al><al>ontslagbesluit, kan het college een deskundigenoordeel aanvragen bij UWV op
                        grond van artikel 30 SUWI.</al><al>UWV geeft een oordeel over de vragen of de medewerker ziek is voor de
                        vervulling van zijn betrekking en of er</al><al>binnen de openbare dienst van de gemeente een passende functie voorhanden is
                        (zie lid 2 onder a en c).</al><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>Op grond van jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie inzake gelijke
                        behandeling van man en vrouw,</al><al>mag voor de berekening van de ontslagtermijn wegens ziekte de periode van
                        ziekte tijdens de zwangerschap</al><al>als gevolg van de zwangerschap en het zwangerschaps- en bevallingsverlof
                        zelf, niet worden meegeteld.</al><al>Het Europees Hof heeft in zijn jurisprudentie een onderscheid aangebracht
                        tussen enerzijds ziekte tijdens de</al><al>zwangerschap die verband houdt met zwangerschap en zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof, en anderzijds</al><al>ziekte die verband houdt met de zwangerschap en de bevalling na het
                        bevallingsverlof. Deze laatste periode</al><al>kan gewoon meegeteld worden voor de berekening van de ontslagtermijn van 24
                        maanden. Hetzelfde geldt</al><al>voor ziekte tijdens de zwangerschap die niet veroorzaakt wordt door de
                        zwangerschap; ook deze periode mag</al><al>meegerekend worden voor de ontslagtermijn van 24 maanden.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Een medewerkster van de gemeente valt tijdens haar zwangerschap uit wegens
                        zwangerschapsgerelateerde</al><al>klachten. Zij blijft ziek tot de ingangsdatum van het zwangerschapsverlof.
                        Aansluitend op het bevallingsverlof</al><al>meldt zij zich ziek wegens bekkeninstabiliteit, veroorzaakt door de
                        zwangerschap. Voor berekening van</al><al>de ontslagtermijn van 24 maanden mag niet meegeteld worden de periode dat de
                        medewerkster tijdens de</al><al>zwangerschap ziek is wegens zwangerschapsgerelateerde klachten; hetzelfde
                        geldt voor de periode van het</al><al>zwangerschaps- en bevallingsverlof. Perioden van arbeidsongeschiktheid
                        aansluitend op het bevallingsverlof</al><al>mogen wel meegerekend worden voor de ontslagtermijn, onafhankelijk van de
                        vraag of deze veroorzaakt zijn</al><al>door de zwangerschap of de bevalling. De ontslagtermijn van 24 maanden start
                        in dit voorbeeld dus op de dag</al><al>aansluitend op de laatste dag van het bevallingsverlof.</al><al><cursief>Lid 9</cursief></al><al>Volgens het negende lid worden ziekteperioden samengeteld als zij elkaar met
                        een onderbreking van minder</al><al>dan vier weken opvolgen. Uit het achtste lid vloeit voort dat de periode van
                        zwangerschapsgerelateerde ziekte</al><al>en het zwangerschaps- en bevallingsverlof niet meegeteld worden voor de
                        berekening van de 24 maanden</al><al>termijn. Dit heeft tot gevolg dat ziekteperioden die worden onderbroken door
                        zwangerschapsgerelateerde</al><al>ziekte die langer 4 weken of langer duurt of door het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof, in principe niet</al><al>mogen worden samengeteld aangezien sprake is van een onderbreking van vier
                        weken of langer. Indien de</al><al>ziekte (die zijn oorzaak niet vindt in de zwangerschap zelf) echter direct
                        voorafgaat aan en direct aansluit op</al><al>het zwangerschaps- en bevallingsverlof én de ziekte wordt geacht
                        redelijkerwijs voort te vloeien uit dezelfde</al><al>oorzaak, mogen de perioden worden samengeteld voor de berekening van de
                        ontslagtermijn.</al><al>Hieronder zijn een aantal voorbeelden opgenomen.</al><al><cursief>Voorbeeld I</cursief></al><al>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt hij,
                        waarna hij op 29 maart 2006 (na</al><al>2 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft korter geduurd dan 4
                        weken. Daardoor geldt 1 januari</al><al>2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen.
                        Dit betekent dat de medewerker op 14</al><al>januari 2008 (dit is 24 maanden + 2 weken na 1 januari 2006) kan worden
                        ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld II</cursief></al><al>Een medewerker is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt hij,
                        waarna hij op 26 april 2006 (na</al><al>6 weken) weer ziek wordt. De periode van herstel heeft langer geduurd dan 4
                        weken. Daardoor geldt 27 april</al><al>2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen.
                        Dit betekent dat de medewerker op 27</al><al>april 2008 (dit is 24 maanden na 27 april 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld III</cursief></al><al>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006 herstelt
                        zij. Op 29 maart 2006 gaat zij met</al><al>zwangerschaps- en bevallingsverlof. Zij zou op 20 juli 2006 weer moeten gaan
                        werken. Op dat moment is zij</al><al>echter ziek. Omdat de medewerkster voorafgaand aan het zwangerschaps- en
                        bevallingsverlof niet ziek was,</al><al>geldt het zwangerschaps- en bevallingsverlof als onderbreking van meer dan 4
                        weken. Daardoor geldt 20 juli</al><al>2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen.
                        Dit betekent dat de medewerkster op</al><al>20 juli 2008 (dit is 24 maanden na 20 juli 2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld IV</cursief></al><al>Een medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 1 mei 2006 gaat zij met
                        zwangerschaps- en bevallingsverlof</al><al>tot 21 augustus 2006. Op 22 augustus 2006 zou zij weer moeten gaan werken.
                        Echter, zij is op dat moment nog</al><al>ziek. Er zijn twee mogelijkheden.</al><al><cursief>Mogelijkheid A</cursief></al><al>De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft dezelfde oorzaak
                        als de ziekte voor dat verlof. In dit</al><al>geval geldt 1 januari 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn voor
                        ontslag begint te lopen. Dit betekent dat</al><al>de medewerkster op 23 april 2008 (dit is 24 maanden + 16 weken na 1 januari
                        2006) kan worden ontslagen.</al><al><cursief>Mogelijkheid B</cursief></al><al>De ziekte na het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft een andere oorzaak
                        dan de ziekte voor dat verlof.</al><al>In dit geval geldt 22 augustus 2006 als eerste ziektedag, waarop de termijn
                        voor ontslag begint te lopen. Dit</al><al>betekent dat de medewerkster op 22 augustus 2008 (dit is 24 maanden na 22
                        augustus 2006) kan worden</al><al>ontslagen.</al><al><cursief>Voorbeeld V</cursief></al><al>Een zwangere medewerkster is ziek vanaf 1 januari 2006. Op 15 maart 2006
                        krijgt zij</al><al>zwangerschapsgerelateerde klachten, die duren tot 26 april 2006 (6 weken).
                        Daarna stoppen de</al><al>zwangerschapsgerelateerde klachten en wordt zij weer gewoon ziek. Deze
                        ziekte duurt voort. De</al><al>zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft langer geduurd dan 4 weken. Daardoor
                        geldt 27 april 2006 als eerste</al><al>ziektedag, waarop de termijn voor ontslag begint te lopen. Dit betekent dat
                        de medewerkster op 18 augustus</al><al>2008 (dit is 24 maanden + 16 weken na 27 april 2006) kan worden
                        ontslagen.</al><al><cursief>Lid 10</cursief></al><al>In het tiende lid is artikel 76a, zesde lid, van de Ziektewet opgenomen. Dit
                        artikel regelt dat de termijn van de</al><al>verplichte loondoorbetaling van twee jaar wordt verlengd met de verlenging
                        van de wachttijd voor een uitkering</al><al>ingevolge de WIA. Deze bepaling geldt ook in het BW bij het bepalen van de
                        ontslagtermijn wegens ziekte.</al><al>De ontslagtermijn in artikel 8:5 wordt verlengd in drie gevallen.</al><al><cursief>Ad a</cursief></al><al>Artikel 38 ZW legt een werkgever de verplichting op uiterlijk op de eerste
                        dat nadat de ziekte 13 weken heeft</al><al>geduurd de ziekte te melden bij het UWV. Als de werkgever deze melding te
                        laat doet, wordt de wachttijd voor</al><al>de WIA met de duur van de vertraging verlengd. De WIA-uitkering gaat dan pas
                        later in.</al><al><cursief>Ad b</cursief></al><al>In artikel 24, eerste lid, van de WIA is bepaald dat de wachttijd op verzoek
                        van werkgever en werknemer</al><al>gezamenlijk verlengd kan worden.</al><al><cursief>Ad c</cursief></al><al>Bij de aanvraag van een uitkering ingevolge de WIA moet een
                        reïntegratieverslag worden ingediend. Als het</al><al>UWV van mening is dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn
                        verplichtingen niet is nagekomen of</al><al>onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht, kan het UWV de termijn
                        gedurende de werkgever het</al><al>loon moet doorbetalen verlengen. De termijn van de verlenging is maximaal 52
                        weken en wordt afhankelijk</al><al>gesteld van de aard en ernst van het verzuim. Deze sanctiebevoegdheid is
                        neergelegd in artikel 25, negende lid,</al><al>van de WIA.</al><al>De medewerker merkt financieel niets van de verlenging van de ontslagtermijn
                        op grond van de hiervoor</al><al>genoemde redenen. Op grond van artikel 7:3 heeft de medewerker na 24 maanden
                        ziekte recht op 70% van zijn</al><al>bezoldiging.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:5a</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Artikel 8:5a betekent dat een ambtenaar, die wegens ziekte ongeschikt is
                        zijn betrekking te vervullen,</al><al>ook binnen 24 maanden na de eerste ziektedag kan worden ontslagen, wanneer
                        hij niet meewerkt aan zijn</al><al>reïntegratie. Concreet uitgewerkt gaat het erom dat zowel binnen als na 24
                        maanden ontslag gegeven kan</al><al>worden, indien de ambtenaar:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>zich zonder goede reden niet houdt aan
                        redelijke voorschriften en maatregelen (zoals het verrichten van</al><al>werkzaamheden in het kader van de reïntegratie en het volgen van scholing in
                        het kader van de reïntegratie</al><al>als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, onderdeel b en c) die hem in het
                        kader van zijn reïntegratie worden</al><al>opgedragen;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>zonder goede reden passende arbeid bij de
                        eigen werkgever dan wel een andere werkgever weigert te</al><al>aanvaarden;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>zonder goede reden niet meewerkt aan de
                        opstelling, evaluatie en bijstelling van het plan van aanpak;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>zonder goede reden geen aanvraag op grond
                        van de WIA indient.</al><al>Deze – ultieme – sanctie is gelijk aan de sanctie die sinds de
                        inwerkingtreding van de Wet verbetering</al><al>poortwachter in artikel 670b, boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek
                        is opgenomen.</al><al>Als de ambtenaar zonder goede reden geen aanvraag op grond van de WIA
                        indient, kan de claimbeoordeling</al><al>voor de WIA niet plaatsvinden en kan de werkgever het resultaat van deze
                        claimbeoordeling niet bij het</al><al>ontslagbesluit betrekken, terwijl dit verplicht is op grond van het tweede
                        lid van artikel 8:5. Als dit de reden is</al><al>dat geen ontslag op grond van artikel 8:5 kan plaatsvinden, mag het college
                        de ambtenaar ontslag verlenen op</al><al>grond van artikel 8:5a.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Alvorens tot ontslag over te gaan, moet het UWV toetsen of van de situatie
                        als hiervoor bedoeld sprake is.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:6</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Concrete feiten en omstandigheden dienen te worden genoemd die de conclusie
                        wettigen dat de ambtenaar</al><al>zodanige eigenschappen van karakter, geest of gemoed vertoont
                        (ongeschiktheid) dan wel een zodanig gebrek</al><al>aan kennis, vaardigheden, niveau heeft (onbekwaamheid) dat hij
                        redelijkerwijs niet in zijn functie kan worden</al><al>gehandhaafd. Vage aanduidingen als 'past niet in het team' zijn niet
                        voldoende. Voorts is niet slechts de</al><al>eigenschap die een bepaald gedrag tot gevolg heeft voldoende, maar dient er
                        ook een relatie te zijn tussen dat</al><al>gedrag en de door de ambtenaar uit te oefenen betrekking.Overigens kan,
                        ondanks gebleken ongeschiktheid,</al><al>naar het oordeel van de Centrale raad van beroep de ontslagbevoegdheid
                        beperking ondergaan wanneer het</al><al>disfunctioneren van de betrokken ambtenaar (mede) zijn oorzaak vindt in
                        omstandigheden tot het ontstaan en</al><al>voortbestaan waaraan de gemeente zelf heeft bijgedragen. Tolereert men
                        bijvoorbeeld gedurende langere tijd</al><al>bepaalde gedragingen zonder van afkeuring te doen blijken, dan kan men niet
                        van de een op de andere dag dat</al><al>gedrag aangrijpen voor een ongeschiktheidsontslag. Vanzelfsprekend dient de
                        betrokken ambtenaar er op te</al><al>worden gewezen dat een dergelijk gedrag in de toekomst niet meer wordt
                        getolereerd.</al><al>In de praktijk is het onderscheid tussen ongeschiktheid en onbekwaamheid
                        vaak moeilijk te maken en kan</al><al>men een keuze vaak beter vermijden. Zoals reeds vermeld verwacht de
                        administratieve rechter een dossier</al><al>(beoordelingen, gespreksverslagen, vastlegging van afspraken, verslagen,
                        brieven met klachten; alles wat als</al><al>bewijs kan dienen).</al><al>De ongeschiktheid mag haar oorzaak niet vinden in of het gevolg zijn van
                        ziekten of gebreken. Of dat al dan</al><al>niet het geval is, kan soms alleen maar worden vastgesteld via een
                        voorafgaand medisch onderzoek. Voor een</al><al>dergelijk onderzoek moet een gerede aanleiding zijn. (Zie voor een eventuele
                        aanspraak op wachtgeld artikel</al><al>10:1).</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens
                        de Werkloosheidswet het</al><al>urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar de ontslaggrond
                        wél bepalend is voor het recht op</al><al>een aanvullende dan wel aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden
                        voorzien in de mogelijkheid tot</al><al>gedeeltelijk ontslag.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Na ontslag op grond van artikel 8:6, eerste of tweede lid, bestaat, indien
                        recht bestaat op een uitkering krachtens</al><al>de Werkloosheidswet, aanspraak op een aanvullende uitkering als bedoeld in
                        hoofdstuk 10a. De betrokken</al><al>ambtenaar komt daarna alleen dán in aanmerking voor een aansluitende
                        uitkering, als dat expliciet bij het</al><al>ontslag is besloten. Dit is tevens neergelegd in artikel 10a:15, derde lid.
                        De reden om een aansluitende uitkering</al><al>te verstrekken moet gelegen zijn in de werksfeer. Hierbij moet gedacht
                        worden aan de situatie waarin de schuld</al><al>voor de ontslaggrond in grote mate bij de werkgever ligt. Persoonlijke
                        omstandigheden van de betrokken</al><al>ambtenaar spelen daarbij geen rol.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:7</cursief></vet></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Deze bepaling vindt zelden toepassing. Het is moeilijk aan te geven wanneer
                        een vereiste alleen bij het</al><al>aanvaarden van de betrekking geldt. De geneeskundige verklaring, genoemd in
                        artikel 2:3, en de verklaring</al><al>omtrent gedrag, artikel 2:2 het derde lid, zijn hier voorbeelden van. Een
                        voorbeeld van een blijvend vereiste</al><al>is het bezit van de rijbevoegdheid voor een chauffeur. Het is echter geen
                        automatisme dat, als deze chauffeur</al><al>tijdelijk zijn rijbevoegdheid verliest, ontslag op grond van het bepaalde in
                        dit artikel wordt gegeven. Ontslag</al><al>kán worden gegeven, getoetst kán dus worden of een ontslagbesluit in
                        redelijkheid kon worden genomen.</al><al>In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                        aanspraak op een uitkering conform</al><al>hoofdstuk 11.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Onder 'zwagerschap' wordt hier 'aanverwantschap' bedoeld die door huwelijk
                        ontstaat. Het woord 'aangaan'</al><al>duidt op een actieve betrokkenheid; de ambtenaar die het huwelijk aangaat
                        waardoor de verboden</al><al>aanverwantschap ontstaat, kan in aanmerking komen voor ontslag.</al><al>Over deze ontslaggrond is geen jurisprudentie bekend.</al><al><cursief>Onderdeel c</cursief></al><al>Ook hierover zijn geen gevallen uit de praktijk bekend.</al><al>In het geval betrokkene een vaste aanstelling had, bestaat er na het ontslag
                        aanspraak op een uitkering conform</al><al>hoofdstuk 11.</al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>Bedoeld wordt gijzeling. Ook deze ontslaggrond wordt in de praktijk niet
                        gebruikt.</al><al><cursief>Onderdeel e</cursief></al><al>Ook een voorwaardelijke veroordeling tot vrijheidsstraf valt in principe
                        onder deze bepaling.</al><al>Ontslag zal, vanwege de ernst, veelal op zijn plaats zijn maar er mag geen
                        sprake zijn van een automatisme. Het</al><al>is geen strafontslag. Er moet een zorgvuldige afweging van belangen
                        plaatsvinden; volgens de Centrale raad van</al><al>beroep in dezelfde mate als bij besluiten tot ontslag van ambtenaren in het
                        algemeen. In een dergelijke afweging</al><al>van belangen moeten bijvoorbeeld naast de ernst van het begane misdrijf
                        worden betrokken het verband van</al><al>dat misdrijf met het ambtenaarschap van betrokkene en met de aard van zijn
                        werkzaamheden, de wijze waarop</al><al>hij in zijn betrekking heeft gefunctioneerd en met name de vraag of, en zo
                        ja welke, bezwaren zouden zijn</al><al>verbonden aan voortzetting van het dienstverband, hetzij in de oude
                        betrekking, voor zover die na het ondergaan</al><al>van de straf nog bestaat, hetzij in een andere betrekking.</al><al><cursief>Onderdeel f</cursief></al><al>Ontslag kan worden verleend als tijdens de medische keuring onjuiste
                        gegevens zijn verstrekt dan wel relevante</al><al>gegevens zijn verzwegen. Deze gegevens moeten relevant zijn in die zin dat
                        betrokkene niet zou zijn aangesteld</al><al>als die gegevens volledig bekend zouden zijn geweest. Van een en ander moet
                        betrokkene redelijkerwijs een</al><al>verwijt kunnen worden gemaakt.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:8</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel wordt veelal gebruikt als er sprake is van een zodanig
                        verschillende persoonlijkheidsstructuur tussen</al><al>twee mensen die gezien hun taak nauw met elkaar moeten samenwerken, dat een
                        vruchtbare samenwerking</al><al>tussen hen niet mogelijk blijkt, terwijl zij met een ander wel zouden kunnen
                        samenwerken (onverenigbaarheid</al><al>van karakter of incompatibilite d'humeur). Het bestuursorgaan is vrij in de
                        keuze wie van beiden ontslagen dient</al><al>te worden, als het ten minste in redelijkheid van oordeel kan zijn dat het
                        ontslag voor de gerezen moeilijkheden</al><al>een afdoende oplossing biedt en degene die niet ontslagen wordt wel met een
                        ander zal kunnen samenwerken.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De raad kan ten aanzien van het te voeren financiële beleid bij de
                        uitoefening van de werkgeverstaak bij de</al><al>begroting aan het college een budgettaire ruimte toekennen om aan
                        medewerkers waarvan om bijzondere</al><al>redenen de aanstelling wordt beëindigd een uitkering te verstrekken. De raad
                        kan daarover ook beleidsafspraken</al><al>maken. Immers, ook in het dualistisch stelsel is het vaststellen van een
                        uitkering die afwijkt van de normale</al><al>aanspraken of een vaststellingsovereenkomst, een besluit waarop de raad
                        invloed zal moeten kunnen uitoefenen.</al><al>Achteraf wordt bij de jaarrekening gerapporteerd over de feitelijke
                        consequenties daarvan.</al><al>Voorts geldt een actieve inlichtingenplicht van het college naar de raad.
                        Het college moet op grond van artikel</al><al>169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle inlichtingen geven die de raad voor de
                        uitoefening van zijn taak nodig</al><al>heeft. Daarnaast kan de raad, als zich een incident voordoet of dreigt voor
                        te doen het college met de aan de raad</al><al>ten dienste staande middelen ter verantwoording roepen.</al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                        opgemerkt. In sommige gevallen</al><al>zal buiten kijf staan dat het college de raad inlicht over een voornemen tot
                        ontslag en uitkering op grond van</al><al>artikel 8:8. Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de
                        bijzondere financiële consequenties. Is er</al><al>sprake van een overeenkomst met de betrokken ambtenaar, dan geldt bovendien
                        het vierde lid van artikel 169</al><al>Gemeentewet. Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht
                        over een besluit tot privaatrechtelijk</al><al>handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente.</al><al>In 'lichtere' gevallen, of indien een voorgenomen besluit past binnen
                        gemaakte beleidsafspraken, zal het</al><al>college tot de afweging kunnen komen dat het niet nodig is de raad te
                        informeren. De concrete invulling van</al><al>de inlichtingenplicht zal dus variëren afhankelijk van de feitelijke
                        omstandigheden. Raad en college kunnen</al><al>daarover zelf afspraken maken.</al><al>Indien het nodig zou kunnen zijn om de raad te informeren over het
                        voorgenomen besluit, dient dit tijdig</al><al>kenbaar gemaakt te worden door middel van een voorbehoud.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:9</cursief></vet></al><al>Een ambtenaar die een openbare functie bekleedt, maakt gebruik van de
                        non-activiteitsregeling. Op grond van</al><al>dit artikel kan een ambtenaar die na afloop van de non-activiteit, ondanks
                        de inspanningen van de werkgever om</al><al>een passende functie aan te bieden, niet terug kan keren naar een passende
                        functie binnen de gemeente, eervol</al><al>worden ontslagen.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:10</cursief></vet></al><al>Een ambtenaar die met de Vut gaat krijgt eervol ontslag mits het bestuur van
                        het Abp heeft beslist dat na het</al><al>ontslag recht bestaat op een uitkering op basis van de Vut-wet. Het ontslag
                        gaat in met ingang van de dag</al><al>waarop het recht op een Vut-uitkering bestaat.</al><al>Een ambtenaar die met de pre-VUT gaat, krijgt eervol ontslag mits het
                        bestuur van het Vutfonds heeft beslist</al><al>dat na het ontslag recht bestaat op een uitkering op basis van het
                        FPUreglement basis- en aanvullende uitkering.</al><al>Het ontslag gaat in principe in met ingang van de dag waarop het recht op de
                        uitkering bestaat. Omdat de</al><al>uitkering pas ingaat op de eerste dag van de maand volgend op die waarin het
                        recht op de uitkering ontstaat, kan</al><al>worden overwogen om het ontslag uit te stellen tot het moment waarop de
                        uitkering ingaat.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:11</cursief></vet></al><al>Per 1 januari 2006 is de FPU-regeling van het ABP komen te vervallen. Een
                        bepaalde groep medewerkers kan</al><al>nog gebruik maken van een aangepaste FPU-regeling. Dit zijn degenen die
                        geboren zijn vóór 1950 én op 1 april</al><al>1997 deelnemer waren bij het ABP én dat sindsdien zijn gebleven. Voor hen
                        geldt dat zij nog kunnen worden</al><al>ontslagen op grond van dit artikel en nog recht hebben op een aanvulling van
                        de FPU volgens hoofdstuk 5a.</al><al>Voor degenen die niet onder het overgangsrecht van de FPU vallen, geldt dat
                        zij (onder voorwaarden) extra</al><al>ouderdomspensioen opbouwen hetgeen zij eerder kunnen laten ingaan dan op 65
                        jaar. Ontslag vindt dan plaats</al><al>op grond van 8:2. Gemeenten zijn over de afschaffing van de FPU en het
                        overgangsrecht geïnformeerd middels</al><al>de ledenbrief van 18 juli 2005, Lbr. 05/74.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:12</cursief></vet></al><al>Het is van belang dat de werkgever de einddatum van de tijdelijke
                        aanstelling voor bepaalde tijd in de gaten</al><al>houdt. Immers, als er niet tijdig onderkend wordt dat de tijdelijke
                        aanstelling moet eindigen en betrokkene</al><al>blijft op de datum waarop de tijdelijke aanstelling eindigt en daarna
                        feitelijk zijn werk verrichten, dan wordt hij</al><al>geacht met ingang van die datum te zijn aangesteld voor een gelijke periode.
                        Na afloop van deze periode kan de</al><al>aanstelling wederom van rechtswege beëindigd worden. Uiteraard moeten
                        hierbij de voorwaarden uit artikel 2:4</al><al>wel in de gaten gehouden worden. Als een tijdelijke aanstelling voor
                        bepaalde tijd zonder mededeling zo vaak</al><al>verlengd wordt, dat de termijn van 36 maanden wordt overschreden, mag het
                        ontslag niet meer plaatsvinden.</al><al>Ditzelfde geldt als voor de tijdelijke aanstelling voor de vierde maal
                        verlengd wordt. Dit is in het nieuwe vijfde</al><al>lid van artikel 8:12 verwoord.</al><al>Ook is in artikel 8:12 opgenomen wanneer een tijdelijke aanstelling voor
                        onbepaalde tijd kan worden beëindigd.</al><al>Dit is het geval, wanneer de grond voor het aangaan van de tijdelijke
                        aanstelling voor onbepaalde tijd is komen</al><al>te vervallen.</al><al>Artikel 8:12 bevat ook de redenen en wijze van beëindiging van de tijdelijke
                        urenuitbreiding. Wanneer er</al><al>sprake is van een tijdelijke urenuitbreiding voor bepaalde tijd, gelden
                        gelijke regels als voor de tijdelijke</al><al>aanstelling voor bepaalde tijd. Dit betekent dus ook dat overschrijding van
                        de termijn, zonder dat een nieuwe</al><al>tijdelijke urenuitbreiding is afgesproken, leidt tot een nieuwe
                        urenuitbreiding met dezelfde duur als de eerste</al><al>urenuitbreiding. Is er sprake van een tijdelijke urenuitbreiding voor
                        onbepaalde tijd, dan gelden de regels voor</al><al>beëindiging van de tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd. Door deze
                        bepalingen is tevens bepaald dat het</al><al>ook aangaan van een tijdelijke urenuitbreiding voor bepaalde dan wel
                        onbepaalde tijd kan plaatsvinden. Bij een</al><al>urenuitbreiding voor bepaalde tijd hoeft geen reden te worden genoemd;
                        verstrijken van de termijn is reden voor</al><al>beëindiging van de tijdelijke urenuitbreiding. Bij een urenuitbreiding voor
                        onbepaalde tijd moet wel een grond</al><al>worden aangegeven, aangezien het vervallen van die reden tegelijkertijd de
                        reden van beëindiging is.</al><al>Tot slot geldt dat ook bij een urenuitbreiding de termijnen van artikel 2:4
                        in de gaten moeten worden gehouden.</al><al>Wordt een termijn van 36 maanden overschreden of wordt voor de vierde maal
                        een tijdelijke urenuitbreiding</al><al>aangegaan, dan geldt deze urenuitbreiding als een vaste aanstelling.</al><al>Voor de aanspraak op een eventuele aanvullende uitkering: zie hoofdstuk
                        10a.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:12:1</cursief></vet></al><al>In artikel 8:12:1 is expliciet opgenomen dat een ambtenaar met een
                        tijdelijke aanstelling voor bepaalde of</al><al>onbepaalde tijd dan wel een tijdelijke urenuitbreiding voor bepaalde of
                        onbepaalde tijd ook ontslag verleend</al><al>kan worden op grond van een van de andere bepalingen van hoofdstuk 8. Dit
                        ontslag zal dan uiteraard in het</al><al>algemeen plaatsvinden voor de beëindiging conform artikel 8:12. Wanneer de
                        einddatum reeds genaderd is,</al><al>lijkt het praktischer om de einddatum af te wachten en de tijdelijke
                        aanstelling van rechtswege te beeindigen. In</al><al>een eventuele procedure zal deze vorm van beëindiging namelijk veel
                        terughoudender worden getoetst dan een</al><al>ontslag op basis van een andere ontslaggrond.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:12:2</cursief></vet></al><al>In dit artikel staan de opzegtermijnen voor een tijdelijke aanstelling voor
                        onbepaalde tijd, dan wel een</al><al>tijdelijke urenuitbreiding voor onbepaalde tijd. Bij de formulering van de
                        opzegtermijnen wordt gesproken van</al><al>'maanden': dit hoeven dus geen kalendermaanden te zijn.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:13</cursief></vet></al><al>Er dient sprake te zijn van evenredigheid tussen de opgelegde straf en het
                        geconstateerde plichtsverzuim.</al><al>Criteria voor wat wel of niet als evenredig valt aan te merken, zijn niet te
                        geven. De Centrale raad van beroep</al><al>komt niet verder dan overwegingen in de zin dat de opgelegde straf naar zijn
                        oordeel in overeenstemming</al><al>is met het gepleegde plichtsverzuim, of dat de disciplinaire straf in
                        overeenstemming is met de ernst van het</al><al>geconstateerde plichtsverzuim. UWV beoordeelt of recht bestaat op een
                        WW-uitkering. Bij ontslag op grond</al><al>van artikel 8:13 wordt niet voldaan aan de voorwaarden om voor een uitkering
                        op grond van hoofdstuk 10a in</al><al>aanmerking te komen. Zie artikel 10a:2.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:14</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit lid regelt de ontslagbescherming voor (kandidaat- en oud-) OR-leden en
                        -commissieleden. Bedoelde</al><al>ontslagbescherming dient in de rechtspositie te worden opgenomen omdat de
                        Wet op de ondernemingsraden</al><al>alleen voorziet in ontslagbescherming voor bedoelde werknemers met een
                        arbeidsovereenkomst. De</al><al>bescherming voor werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling dient in
                        de rechtspositieregeling te worden</al><al>opgenomen. De bescherming in dit artikellid is overigens gelijk aan die
                        welke voor werknemers met een</al><al>arbeidsovereenkomst geldt op grond van artikel 21, tweede tot en met vijfde
                        lid, van de WOR.</al><al>Alhoewel in de CAR sprake is van een gesloten ontslagsysteem, biedt artikel
                        8:8 de mogelijkheid andere</al><al>ontslaggronden te gebruiken dan in de overige artikelen genoemd. De in
                        artikel 8:14, tweede lid, aangegeven</al><al>ontslagbescherming brengt met zich dat er slechts van ontslagbescherming
                        sprake is in het geval er een causaal</al><al>verband bestaat tussen het ontslag en de omstandigheden hier genoemd. Als er
                        geen verband is tussen het</al><al>'OR-werk' en het ontslag, is ontslag op een van de gronden zoals genoemd in
                        de CAR, wél mogelijk.</al><al>De bescherming tegen benadeling als bedoeld in het eerste lid van genoemd
                        wetsartikel, is weer wél van</al><al>toepassing op werknemers met een publiekrechtelijke aanstelling.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Hierin wordt geregeld dat ambtenaren niet kunnen worden ontslagen op grond
                        van het feit dat zij activiteiten als</al><al>vakbondskaderlid uitoefenen.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als gevolg van de inwerkingtreding van de wet van 14 februari 1998, Stb.
                        1998, 107, tot wijziging van de</al><al>Wet op de ondernemingsraden en titel 7.10 (arbeidsovereenkomst) van het
                        nieuw Burgerlijk Wetboek, is de</al><al>ontslagbescherming voor kandidaat-, oud en zittende OR-leden en
                        overeenkomstige leden van OR-commissies</al><al>ook van toepassing geworden op de eventueel aan de OR toegevoegde
                        (ambtelijke) secretaris. Aangezien de</al><al>artikelleden 2 t/m 5 van artikel 21 van de WOR geen rechtstreekse werking
                        hebben naar de overheid, is deze</al><al>ontslagbescherming voor de sector gemeenten geregeld in de CAR. Het nieuwe
                        vijfde lid van artikel 8:14</al><al>voorziet in een overeenkomstige ontslagbescherming voor de ambtelijk
                        secretaris. Het eerste lid van artikel 21</al><al>WOR, ter zake van benadeling, heeft wel rechtstreekse werking.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:15:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De schorsing in dit artikel is een ordemaatregel, bijvoorbeeld om de
                        organisatie de gelegenheid te geven</al><al>eventuele interne onderzoeken te (doen) houden, of om rust binnen de
                        organisatie te krijgen. Het besluit om</al><al>een ambtenaar van zijn werkplek te verwijderen dient te berusten op een
                        behoorlijke afweging van de daarvoor</al><al>in aanmerking komende belangen. (Zie TAR 1991/184, TAR 1995/236, TAR
                        1994/195). De hier bedoelde</al><al>schorsing kan gevolgd worden door een schorsing zoals bedoeld in 16:1:2: de
                        disciplinaire straf.</al><al>Een besluit tot schorsing is een besluit in de zin van de Awb: de ambtenaar
                        dient derhalve vooraf gehoord te</al><al>worden.</al><al>In onderdeel d wordt gesproken over 'het belang van de dienst': de rechter
                        zal zich hierover een oordeel moeten</al><al>vormen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In dit lid zijn een aantal vormvereisten van het schorsingsbesluit
                        geformuleerd. De woorden in onderdeel c -</al><al>'zo nauwkeurig mogelijke aanduiding' - impliceren reeds dat een exact
                        aangeven van de duur van de schorsing</al><al>vaak niet mogelijk is. De duur van de schorsing kan dan ook worden verlengd.
                        De schorsing kan uiteraard door</al><al>ontslag of anderszins binnen de gestelde duur worden opgeheven. Schorsing
                        ontslaat de ambtenaar niet van</al><al>zijn ambtelijke verplichtingen. Zo zal hij dus bijvoorbeeld moeten meewerken
                        aan een tijdens de schorsing te</al><al>houden geneeskundig onderzoek.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:15:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Uit dit artikellid volgt dat het niet automatisch zo is dat als er niet
                        gewerkt wordt, er geen bezoldiging wordt</al><al>uitbetaald: hiervoor is een apart besluit nodig. Dit betekent dus dat als er
                        geen besluit wordt genomen, de</al><al>bezoldiging normaal wordt doorbetaald. De ambtenaar behoudt in ieder geval
                        het op hem te verhalen deel van</al><al>de pensioen- en ziektekostenpremie (zie het derde lid).</al><al>Er kan géén inhouding van de bezoldiging plaatsvinden wanneer er sprake is
                        van een schorsing op grond van</al><al>het dienstbelang.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Bij een schorsing op grond van het voornemen van onvoorwaardelijk
                        strafontslag is meteen inhouding van meer</al><al>dan eenderde deel mogelijk. Echter, de ambtenaar behoudt in ieder geval het
                        op hem te verhalen deel van de</al><al>pensioen- en ziektekostenpremie (zie het derde lid).</al><al>In principe dient bij de inhouding van bezoldiging te worden aangesloten bij
                        titel II van de Ambtenarenwet. Het</al><al>is gebruikelijk een zodanige inhouding op de bezoldiging toe te passen dat
                        de ambtenaar ten minste een bedrag</al><al>behoudt dat overeenkomt met 90% van een uitkering ingevolge de Algemene
                        bijstandswet.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Tijdens de schorsing kan de niet-ingehouden bezoldiging aan anderen worden
                        uitbetaald. Onder 'anderen'</al><al>dienen in dit verband te worden verstaan de personen die door de ambtenaar
                        geheel of gedeeltelijk in hun</al><al>levensonderhoud worden voorzien.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:15:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling, is eveneens bevoegd tot
                        ontslag.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het schriftelijk vastleggen en het (doen) uitreiken van het ontslagbesluit
                        zijn uitvoeringshandelingen. Ten</al><al>aanzien van het ontslagbesluit is in dit artikellid geregeld dat de
                        (omschrijving van de) ingangsdatum van het</al><al>ontslag in ieder geval in dit ontslagbesluit dient te worden vermeld. Uit de
                        andere artikelen van dit hoofdstuk is</al><al>voorts af te leiden dat de volgende aspecten in het ontslagbesluit (kunnen)
                        staan:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de grond van het ontslag (bij ontslag op
                        grond van artikel 8:8 en ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor</al><al>onbepaalde tijd, gebeurt dit slechts op verzoek van betrokkene);</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>ontslagdatum;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>of er eervol ontslag wordt verleend (of
                        niet);</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>welke uitkering betrokkene na het ontslag
                        ontvangt: een FLO-uitkering, een pensioenuitkering, een</al><al>wachtgeld, etc.;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het ontslagbesluit is een besluit in de zin
                        van de Awb; betrokkene kan binnen zes weken bezwaar</al><al>aantekenen.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:16:2</cursief></vet></al><al>Hier wordt nadrukkelijk van 'bezoldiging' gesproken en niet van salaris. Dit
                        betekent dat eventuele toelagen</al><al>moeten worden meegenomen in het uit te keren bedrag.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:16:3</cursief></vet></al><al>Het feit dat een huis 'dienstwoning' wordt genoemd, betekent nog niet dat
                        dit huis ook een dienstwoning in de</al><al>zin van dit artikel is. Slechts als het voor een goede vervulling van zijn
                        werkzaamheden noodzakelijk is dat</al><al>de ambtenaar in een bepaald huis woont, is er sprake van een dienstwoning in
                        eigenlijke zin. Te denken valt</al><al>aan een portierswoning of een conciërgewoning. Beëindiging van het
                        dienstverband brengt dan de verplichting</al><al>met zich mee de dienstwoning te verlaten. De woning die door een gemeente
                        aan de ambtenaar ter beschikking</al><al>wordt gesteld zonder dat tussen de werkzaamheden die de ambtenaar moet
                        verrichten en het gebruik van de</al><al>woning een duidelijk verband bestaat, wordt in het spraakgebruik ook wel
                        dienstwoning genoemd, maar is</al><al>in feite een normale huurwoning. Einde van het dienstverband betekent dan
                        niet automatisch einde van de</al><al>huurovereenkomst. In die gevallen geldt de normale huurbescherming.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:17</cursief></vet></al><al>Doordat voor de beoordeling of aanspraak bestaat op een uitkering krachtens
                        de Werkloosheidswet het</al><al>urenverlies en niet meer de ontslaggrond bepalend is, maar de ontslaggrond
                        wél bepalend is voor het recht op</al><al>een aanvullende dan wel aansluitende uitkering, moet ook in de CAR worden
                        voorzien in de mogelijkheid tot</al><al>gedeeltelijk ontslag.</al><al>Bij een aanpassing van de aanstelling op basis van artikel 7:16 kan sprake
                        zijn van vermindering van de omvang</al><al>van de betrekking. In deze situatie is echter een formeel gedeeltelijk
                        ontslag niet toegestaan, maar dient de</al><al>vermindering van de omvang van de betrekking te worden vormgegeven door
                        middel van een wijziging van de</al><al>aanstelling. Dit omdat bij een formeel ontslag recht ontstaat op suppletie
                        krachtens hoofdstuk 11a. Conform de</al><al>oorspronkelijke doelstelling van de suppletieregeling heeft een ambtenaar
                        alleen recht op suppletie indien hij in</al><al>het geheel niet herplaatst kan worden bij zijn werkgever en derhalve
                        volledig ontslagen is.</al><al><vet><cursief>Artikel 8:18</cursief></vet></al><al><cursief>Leden 1 en 2</cursief></al><al>Dit artikel is van toepassing op de medewerker van wie de eerste ziektedag
                        lag voor 1 januari 2004. Deze</al><al>medewerkers kunnen in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de
                        WAO. De oude artikelen 8:5 en</al><al>8:5a, zoals dat gold op 30 juni 2006, is op hen van toepassing.</al><al><cursief>Leden 3 en 4</cursief></al><al>Daarnaast kent de WAO kent een aantal bepalingen op grond waarvan na
                        beëindiging van de verzekering of het</al><al>recht op uitkering alsnog, dan wel opnieuw aanspraak op een uitkering
                        ingevolge de WAO bestaat. De wetgever</al><al>heeft ervoor gekozen bij de invoering van de WIA het recht op een
                        WAO-uitkering voor deze personen in stand</al><al>te laten. Dit betekent dat wanneer de betreffende medewerker, ook al ligt
                        zijn eerste ziektedag op grond van</al><al>de CAR-UWO op of na 1 januari 2004, in aanmerking kan komen voor een
                        WAO-uitkering in plaats van een</al><al>uitkering op grond van de WIA. De oude artikelen 8:5 en 8:5a zoals die
                        golden op 30 juni 2006, is op hen van</al><al>toepassing.</al><al><vet>9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag</vet></al><al><vet><cursief>Inleiding</cursief></vet></al><al>Voor een aantal functies binnen de gemeenten kunnen leeftijdsgrenzen zijn
                        vastgesteld. Deze leeftijdsgrenzen</al><al>worden door de raad vastgesteld omdat men van oordeel is dat deze functies
                        dermate belastend zijn dat</al><al>een beëindiging vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
                        wenselijk is. Vaak wordt deze</al><al>leeftijdsgrens op 55 jaar of 60 jaar gesteld. Met ingang van de eerste dag
                        van de maand volgend op die waarin</al><al>die leeftijdsgrens is bereikt, krijgt betrokkene FLO-ontslag en recht op een
                        FLO-uitkering. Het kan bijvoorbeeld</al><al>gaan om brandweerpersoneel, ambulancepersoneel en de huisvuilbeladers. De
                        uitkering komt ten laste van de</al><al>gemeente en loopt door tot het bereiken van de pensioengerechtigde
                        leeftijd.</al><al><vet><cursief>Artikel 9:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De FLO-uitkering bedraagt gedurende de eerste 60 maanden minimaal 80% van de
                        laatstelijk genoten</al><al>bezoldiging. Dit percentage kan oplopen, als het aantal pensioengeldige
                        jaren ten minste meer dan 30 bedraagt,</al><al>tot maximaal 85%. Na deze 60 maanden bedraagt de uitkering 70% van de
                        laatstgenoten bezoldiging, tot aan de</al><al>pensioendatum.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor de bezoldiging tellen, overeenkomstig artikel 3:1, de vaste toelagen
                        mee waarbij de toelage onregelmatige</al><al>dienst en de prestatiebeloning worden vastgesteld op basis van de gemiddelde
                        vergoeding per maand, berekend</al><al>over de laatste 12 maanden voorafgaand aan het ontslag.</al><al><vet><cursief>Artikel 9:3</cursief></vet></al><al>Er is tussen LOGA-partijen een akkoord gesloten over de financiering van het
                        functioneel leeftijdsontslag. Dit</al><al>akkoord voorziet in een tijdelijke en een structurele voorziening. De
                        tijdelijke voorziening geldt uitsluitend</al><al>voor FLO'ers die met 55 jaar ontslag krijgen, niet onder FPU-regeling vallen
                        en op of vóór 1 april 1997 zijn</al><al>ontslagen. De kosten daarvan worden door werkgevers en werknemers
                        gezamenlijk gedragen in de vorm van</al><al>een opslag op de FPU-premie (de VSG-premie). De verplichting om deze premie
                        te betalen is in artikel 9:3</al><al>geformaliseerd.</al><al><vet><cursief>Artikel 9:4</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Dit artikel regelt de samenloop van een FLO-uitkering met een
                        FPU-uitkering.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De ambtenaar van 55 jaar en ouder die FLO-ontslag krijgt na 1 april 1997 is
                        verplicht een FPU-uitkering aan</al><al>te vragen. Tevens moet hij toestemming verlenen om deze FPU-uitkering via de
                        werkgever te laten uitbetalen.</al><al>Indien hij geen toestemming verleent, komt de FLO-uitkering niet tot
                        uitbetaling.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Indien de ambtenaar als bedoeld in het eerste lid de FPU-uitkering
                        verwijtbaar niet of te laat aanvraagt wordt</al><al>voor de periode waarin hij geen FPU-uitkering ontvangt wel rekening gehouden
                        met de FPU-uitkering die</al><al>hij had ontvangen als hij de FPU-uitkering wel tijdig had aangevraagt. Het
                        bedrag aan FPU-uitkering dat de</al><al>betrokkene had kunnen ontvangen wordt dus met in achtneming van het derde
                        lid wel in mindering gebracht op</al><al>de FLO-uitkering.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Op grond van het derde lid wordt het bedrag van de FPU-uitkering in
                        mindering gebracht op de FLO-uitkering.</al><al>Indien de FPU-uitkering is verminderd in verband met de samenloop met
                        inkomsten uit of in verband met</al><al>arbeid wordt niet de totale FPU-uitkering, maar deze verminderde
                        FPU-uitkering in mindering gebracht op de</al><al>FLOuitkering. Let op:Indien de ambtenaar op vrijwillige basis met
                        gebruikmaking van artikel 16.2, 16.3 of</al><al>16.4 een hogere FPU-uitkering ontvangt dan hij normaliter ontvangen zou
                        hebben wordt dit op vrijwillige basis</al><al>bijeengespaarde bedrag aan FPU-uitkering niet in mindering gebracht op de
                        FLO-uitkering.</al><al><cursief>Voorbeelden</cursief></al><al>Voorbeeld 1</al><al>Situatie: Een ambtenaar krijgt FLO-ontslag wegens het bereiken van de
                        leeftijd van 55 jaar. Op de ontslagdatum</al><al>heeft de betrokkene een diensttijd geldig voor pensioen van 33 jaar.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene
                        bij 33 pensioenjaren recht op een</al><al>uitkering van 81,5% van zijn laatste bezoldiging. De bezoldiging van de
                        betrokkene, vermeerderd met de</al><al>vakantietoelage, bedraagt € 3.000,- per maand.</al><al>De betrokkene wordt in dit voorbeeld ontslagen op een datum gelegen na 1 mei
                        1997 en heeft tevens recht</al><al>op een FPU-uitkering, in dit voorbeeld bestaande uit twee componenten: een
                        basisuitkering en een flexibel</al><al>pensioen. De betrokkene heeft in dit voorbeeld geen recht op een mogelijk
                        derde component, de aanvullende</al><al>uitkering. De uitkering op grond van de regeling FPU bedraagt € 605,- per
                        maand, te weten € 331,50</al><al>basisuitkering en € 273,50 flexibel pensioen (fictieve bedragen).</al><al>De betrokkene heeft geen inkomsten uit arbeid.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene
                        recht op een FLO-uitkering van €</al><al>2.445,-.</al><al>Dit bedrag van € 2.445,- moet op grond van artikel 9:4, derde lid, worden
                        verminderd met de uitkering</al><al>krachtens de regeling FPU, te weten € 605,- (€ 331,50 plus € 273,50),
                        waardoor voor de betrokkene een bedrag</al><al>aan FLO-uitkering resteert van € 1.840,-.</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 2.445,-:</al><al>FLO € 1.840,- FPU € 605,- (€ 331,50 basisuitkering + € 273,50 flexibel
                        pensioen)</al><al>Voorbeeld 2</al><al>Als in voorbeeld 1, maar nu is € 50,- van de totale FPU-uitkering van €
                        605,- op vrijwillige basis bijeengespaard</al><al>met gebruikmaking van artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van het
                        pensioenreglement.</al><al>Op grond van 9:1 in combinatie met 9:2 heeft de betrokkene recht op een
                        FLO-uitkering van € 2.445,-. Dit</al><al>bedrag van € 2.445,- moet op grond van artikel 9:4, derde lid, worden
                        verminderd met € 555,-, waardoor voor</al><al>de betrokkene een bedrag aan FLO-uitkering resteert van € 1.890,-.</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 2.495,-:</al><al>FLO € 1.890,-</al><al>FPU € 605,- (€ 331,50 basisuitkering + € 273,50 flexibel pensioen + € 50,-
                        vrijwillige opbouw)</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Indien de FPU-uitkering van een ambtenaar geheel of gedeeltelijk vervallen
                        is verklaard, een sanctie als</al><al>gevolg van eigen schuld of toedoen, wordt desalniettemin de FLO-uitkering
                        verminderd met het bedrag van</al><al>de FPU-uitkering dat de betrokken ambtenaar had kunnen ontvangen indien er
                        geen sprake was geweest van</al><al>schuld of toedoen. Het is immers niet de bedoeling dat dergelijk verwijtbaar
                        gedrag van de ambtenaar wordt</al><al>gecompenseerd door de werkgever door een hoger bedrag aan
                        FLO-uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 9:4:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid regelt de vermindering van de uitkering in verband met inkomsten uit
                        of in verband met arbeid ter hand</al><al>genomen op of na de dag van ontslag.</al><al>Benadrukt zij dat voor de berekening van het bedrag van de vermindering
                        wordt uitgegaan van de</al><al>onverminderde FLO-uitkering, dus het bedrag van de FLO-uitkering voordat dit
                        in voorkomend geval reeds is</al><al>verminderd in verband met samenloop met een FPU-uitkering (artikel 9:4). Het
                        bedrag van de vermindering</al><al>dat op die wijze wordt verkregen door toepassing van lid 1 van artikel 9:4:1
                        wordt vervolgens in mindering</al><al>gebracht op het bedrag van de FLO-uitkering dat resteert na toepassing van
                        artikel 9:4.</al><al>Hoewel inkomsten uit of in verband met arbeid in principe ook in mindering
                        worden gebracht op enkele</al><al>onderdelen van de FPU-uitkering, leidt de in dit artikel neergelegde
                        samenloopbepaling niet tot een dubbele</al><al>verrekening van inkomsten uit of in verband met arbeid. Immers, een
                        verlaagde FPU-uitkering als gevolg van</al><al>inkomsten uit of in verband met arbeid leidt, door de redactie van artikel
                        9:4, derde lid, weer tot een navenant</al><al>hogere FLO-uitkering. Onderstaande rekenvoorbeelden zijn ook vermeld in
                        bijlage 6 bij de LOGA-brief van 17</al><al>januari 1997, kenmerk LOGA 96/36.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><al>Situatie</al><al>Een ambtenaar krijgt FLO-ontslag wegens het bereiken van de leeftijd van 55
                        jaar. Op de ontslagdatum heeft de</al><al>betrokkene een diensttijd geldig voor pensioen van 33 jaar.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene
                        bij 33 pensioenjaren recht op een</al><al>uitkering van 81,5% van zijn laatste bezoldiging. De bezoldiging van de
                        betrokkene, vermeerderd met de</al><al>vakantietoelage, bedraagt 3000 euro per maand.</al><al>De betrokkene wordt in dit voorbeeld ontslagen op een datum gelegen na 1 mei
                        1997 en heeft tevens recht</al><al>op een FPU-uitkering, in dit voorbeeld bestaande uit twee componenten: een
                        basisuitkering en een flexibel</al><al>pensioen. De betrokkene heeft in dit voorbeeld geen recht op een mogelijk
                        derde component, de aanvullende</al><al>uitkering.</al><al>De uitkering op grond van de regeling FPU bedraagt € 605,- per maand, te
                        weten € 331,50 basisuitkering en €</al><al>273,50 flexibel pensioen (fictieve bedragen).</al><al>De betrokkene heeft inkomsten uit arbeid ter grootte van € 1.500,- per
                        maand.</al><al>Op grond van de regeling FPU wordt het bedrag van de basisuitkering
                        verminderd met het bedrag waarmee</al><al>de inkomsten uit arbeid, de basisuitkering, de aanvullende uitkering en het
                        flexibel pensioen tezamen het oude</al><al>inkomen van de betrokkene te boven gaan.</al><al>In het onderhavige geval is de som van de inkomsten uit arbeid en de totale
                        uitkering FPU lager dan de oude</al><al>bezoldiging, waardoor het bedrag van de basisuitkering niet wordt
                        verminderd.</al><al>Dientengevolge bedraagt de totale uitkering op grond van de regeling FPU €
                        605,- per maand, te weten € 331,50</al><al>basisuitkering en € 273,50 flexibel pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene
                        recht op een FLOuitkering van €</al><al>2.445,-.</al><al>Op grond van artikel 9:4, derde lid moet dit bedrag van € 2.445,- worden
                        verminderd met het bedrag van de</al><al>uitkering krachtens de regeling FPU, te weten € 605,- (€ 331,50 plus €
                        273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid, moet eveneens toepassing worden
                        gegeven aan artikel 9:4:1, eerste</al><al>lid. Vermindering vindt dan plaats voorzover de inkomsten en de
                        onverminderde uitkering samen de laatstelijk</al><al>genoten bezoldiging te boven gaat.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid leidt tot de volgende
                        vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit arbeid
                        - oude bezoldiging</al><al>In cijfers:</al><al>bedrag vermindering = € 2.445,- + € 1.500,- - € 3.000,-</al><al>bedrag vermindering = € 945,-</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot een uit
                        te keren bedrag aan FLO van € 895,-</al><al>(2445 - 605 - 945 = 895)</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.000,-:</al><al>FLO € 895,-</al><al>FPU € 605,-</al><al>Inkomsten uit arbeid € 1.500,-</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief></al><al>Als voorbeeld 1, maar nu heeft de betrokkene inkomsten uit arbeid ter
                        grootte van € 2.500,- per maand.</al><al>Op grond van het Reglement FPU wordt het bedrag van de basisuitkering
                        verminderd met het bedrag waarmee</al><al>de inkomsten uit arbeid, de basisuitkering, de aanvullende uitkering en het
                        flexibel pensioen tezamen het oude</al><al>inkomen van de betrokkene te boven gaan.</al><al>In het onderhavige geval bedraagt de som van de inkomsten uit arbeid en de
                        totale uitkering FPU € 3.105,-,</al><al>waarmee de oude bezoldiging met € 105,- wordt overschreden en welk bedrag
                        dientengevolge in mindering</al><al>wordt gebracht op de basisuitkering.</al><al>Dientengevolge bedraagt de totale uitkering op grond van de regeling € 500,-
                        per maand, te weten € 226,50</al><al>basisuitkering (€ 331,50 - € 105,- = € 226,50) en € 273,50 flexibel
                        pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene
                        recht op een FLOuitkering van €</al><al>2.445,-.</al><al>Op grond van artikel 9:4, derde lid moet dit bedrag van € 2.445,- worden
                        verminderd met het bedrag van de</al><al>uitkering krachtens de regeling FPU, te weten € 500,- (€ 226,50 plus €
                        273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid moet eveneens toepassing worden
                        gegeven aan artikel 9:4:1, eerste</al><al>lid.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid leidt tot de volgende
                        vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit arbeid
                        - oude bezoldiging</al><al>In cijfers:</al><al>bedrag vermindering = € 2.445,- + € 2.500,- - € 3.000,-</al><al>bedrag vermindering = € 1.945,-</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot een uit
                        te keren bedrag aan FLO van € 0,-</al><al>(2.445 - 500 - 1.945 = 0)</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.000,-:</al><al>FLO € 0,-</al><al>FPU € 500,-</al><al>Inkomsten uit arbeid € 2.500,-</al><al><cursief>Voorbeeld 3</cursief></al><al>Als voorbeeld 1, maar nu heeft de betrokkene inkomsten uit arbeid ter
                        grootte van € 3.000,- per maand.</al><al>Op grond van het Reglement FPU wordt het bedrag van de basisuitkering
                        verminderd met het bedrag waarmee</al><al>de inkomsten uit arbeid, de basisuitkering, de aanvullende uitkering en het
                        flexibel pensioen tezamen het oude</al><al>inkomen van de betrokkene te boven gaan.</al><al>In het onderhavige geval bedraagt de som van de inkomsten uit arbeid en de
                        totale uitkering FPU € 3.605,- ,</al><al>waarmee de oude bezoldiging met € 605,- wordt overschreden en welk bedrag in
                        principe geheel in mindering</al><al>wordt gebracht op de basisuitkering. Daar de basisuitkering slechts € 331,50
                        bedraagt, kan deze echter met</al><al>maximaal € 331,50 worden verminderd.</al><al>Dientengevolge bedraagt de totale uitkering op grond van de regeling FPU €
                        273,50 per maand, te weten € 0,-</al><al>basisuitkering (€ 331,50 - € 331,50 = € 0,-) en € 273,50 flexibel
                        pensioen.</al><al>Op grond van artikel 9:1 in combinatie met artikel 9:2 heeft de betrokkene
                        recht op een FLO-uitkering van €</al><al>2.445,-.</al><al>Op grond van artikel 9:4, derde lid moet dit bedrag van € 2.445,- worden
                        verminderd met het bedrag van de</al><al>uitkering krachtens de regeling FPU, te weten € 273,50 (€ 0,- plus €
                        273,50).</al><al>Omdat er sprake is van inkomsten uit arbeid, moet eveneens toepassing worden
                        gegeven aan artikel 9:4:1, eerste</al><al>lid.</al><al>Toepassing van artikel 9:4:1, eerste lid leidt tot de volgende
                        vermindering:</al><al>bedrag vermindering = bedrag onverminderde uitkering + inkomsten uit arbeid
                        - oude bezoldiging</al><al>In cijfers:</al><al>bedrag vermindering = € 2.445,- + € 3.000,- - € 3.000,-</al><al>bedrag vermindering = € 2.445,-</al><al>Samenvattend leidt de toepassing van de artikelen 9:4 en 9:4:1 tot een uit
                        te keren bedrag aan FLO van € 0,-</al><al>(2.445 - 227,50 - 2.445).</al><al>Per saldo heeft de betrokkene daardoor een inkomen van € 3.273,50:</al><al>FLO € 0,-</al><al>FPU € 273,50</al><al>Inkomsten uit arbeid € 3.000,-</al><al><vet><cursief>Artikel 9:5</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Op grond van artikel 16.1 van het pensioenreglement kan, na afloop van de
                        periode van verplichte opbouw, de</al><al>ambtenaar op eigen kosten en tegen een individueel vast te stellen premie
                        zijn pensioenopbouw op vrijwillige</al><al>basis gedurende een bepaalde periode voortzetten. Voor de ambtenaar die op 1
                        april 1997 jonger dan 50 is,</al><al>bepaalt lid 1 dat de kosten van deze individuele premie voor zover zij 30%
                        van de doorsneepremie (de premie</al><al>die geldt bij verplichte pensioenopbouw) te boven gaan, worden gedragen door
                        de gemeente. Hiermee wordt</al><al>feitelijk geregeld dat de ambtenaar die FLO-ontslag heeft gekregen ook
                        tussen zijn 62-ste en 65-ste levensjaar</al><al>pensioen kan opbouwen tegen dezelfde kosten als die hij zou hebben gehad
                        indien hij nog verplicht pensioen</al><al>zou opbouwen. De ambtenaar die op 1 april 1997 50 jaar of ouder is wordt
                        geacht gebruik te maken van artikel</al><al>16.5 van het pensioenreglement, zie ook lid 2 van artikel 9:5.</al><al>Artikel 16.1 geeft ook de mogelijkheid tot een aanvullende pensioenopbouw
                        (100% i.p.v. 50%). De kosten van</al><al>deze aanvullende pensioenopbouw komen te allen tijde volledig ten laste van
                        de werknemer.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Op grond van artikel 16.5 van het pensioenreglement kan, na afloop van de
                        periode van verplichte opbouw,</al><al>de ambtenaar die op 1 april 1997 50 jaar of ouder is op eigen kosten en
                        tegen de normale premie zijn</al><al>pensioenopbouw op vrijwillige basis gedurende een bepaalde periode voor de
                        helft voortzetten. In dit artikel</al><al>wordt geregeld dat de werkgever 70% van de kosten daarvan voor zijn rekening
                        neemt. Hiermee wordt feitelijk</al><al>geregeld dat de ambtenaar die FLO-ontslag heeft gekregen ook tussen zijn
                        62-ste en 65-ste levensjaar pensioen</al><al>kan opbouwen tegen dezelfde kosten als die hij zou hebben gehad indien hij
                        nog verplicht pensioen zou</al><al>opbouwen.</al><al><vet><cursief>Artikel 9:11</cursief></vet></al><al>LOGA-partijen zijn op 6 december 2005 overeengekomen om het functioneel
                        leeftijdsontslag per 1 januari</al><al>2006 af te schaffen en een nieuw stelsel in te voeren, inclusief
                        overgangsrecht. Artikel 9:11 is een tijdelijke</al><al>regeling die ertoe dient om de periode waarin het overgangsrecht nog niet
                        door LOGA-partijen is vastgesteld te</al><al>overbruggen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Aangezien het overgangsrecht op 1 juli 2006 van kracht is geworden, kan
                        artikel 9:11 vanaf 1 juli 2006 niet</al><al>meer worden toegepast.</al><al><vet><cursief>Artikel 9:12</cursief></vet></al><al>Aangezien het overgangsrecht op 1 juli 2006 van kracht is geworden, kan
                        artikel 9:12 vanaf 1 juli 2006 niet</al><al>meer worden toegepast.</al><al><vet><cursief>Artikel 9:13</cursief></vet></al><al>In de CAO 2005-2007 is de FLO afgeschaft en is overgangsrecht afgesproken
                        voor mensen die op 31</al><al>december 2005 al in een bezwarende functie bij de brandweer of ambulance
                        bekleedden. Per 1 juli 2006 is het</al><al>overeengekomen overgangsrecht in CAR-tekst omgezet. Omdat het kon voorkomen
                        dat mensen tussen 1 januari</al><al>2006 en 1 juli 2006 op grond van de CAO bepaalde rechten hadden, die op dat
                        moment nog niet in regelgeving</al><al>was omgezet, is in artikel 9:11 en 9:12 een tijdelijke voorziening
                        getroffen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Artikel 9:11 was van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 van toepassing op mensen
                        die</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>geboren zijn na 1949 of die geboren zijn
                        voor 1950, maar die op 1 april 1997 geen deelnemer waren van het</al><al>ABP én</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>die in die periode de leeftijd bereikten
                        waarop zij FLO-ontslag gekregen zouden hebben, wanneer– in de</al><al>CAO 2005-2007 - de FLO niet was afgeschaft en er geen overgangsrecht was
                        afgesproken.</al><al>Per 1 juli 2006 moeten deze mensen onder de werking van hoofdstuk 9b worden
                        gebracht. In de praktijk</al><al>betekent dit dat deze ambtenaren onder een van de paragrafen van hoofdstuk
                        9b gebracht moeten worden.</al><al>Welke paragraaf van toepassing is, is afhankelijk van:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de geboortedatum van de ambtenaar en het al
                        dan niet voldoen aan het criterium dat de ambtenaar op 1 april</al><al>1997 deelnemer was van het ABP;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het aantal dienstjaren in een bezwarende
                        functie op 1 januari 2006;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de vraag of de functie bezwarend was volgens
                        de definitie van bezwarende functie in artikel 9b:2.</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Was de ambtenaar geboren na 1949, was de
                        functie bezwarend en had de ambtenaar op 1 januari 2006 20</al><al>dienstjaren of meer in een bezwarende functie, dan is paragraaf 2 van
                        toepassing.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Was de ambtenaar geboren na 1949, was de
                        functie bezwarend en had de ambtenaar op 1 januari 2006</al><al>minder dan 20 dienstjaren in een bezwarende functie, dan is paragraaf 3 van
                        toepassing.</al><al><vet><cursief>3. </cursief></vet>Was de ambtenaar geboren voor 1950, maar
                        was hij op 1 april 1997 geen deelnemer van het ABP, was de</al><al>functie bezwarend en had de ambtenaar op 1 januari 2006 minder dan 20
                        dienstjaren in een bezwarende</al><al>functie, dan is paragraaf 4 van toepassing.</al><al><vet><cursief>4. </cursief></vet>Was de functie niet bezwarend en had de
                        ambtenaar op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer, dan is</al><al>paragraaf 5 van toepassing.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Artikel 9:12 regelde een aanvullende uitkering voor ambtenaren die tussen 1
                        januari 2006 en 1 juli 2006 –</al><al>ondanks de afschaffing van de FLO en het in de CAO 2005-2007 overeengekomen
                        overgangsrecht – nog</al><al>FLO-ontslag konden krijgen op grond van artikel 8:3. Dit gold – gezien de
                        redactie van artikel 8:3 per 1 januari</al><al>2006 – alleen nog voor mensen die voor 1950 waren geboren en die op 1 april
                        1997 deelnemer waren van</al><al>het ABP. Vanaf 1 juli 2006 moeten de ontslaggrond voor deze ambtenaren
                        gewijzigd worden in een ontslag</al><al>op grond van artikel 8:11. Zij moeten dus een gewijzigd ontslagbesluit
                        krijgen. Vervolgens moeten zij onder</al><al>specifieke bepalingen van hoofdstuk 9b gebracht moeten worden. Welke
                        bepalingen van toepassing zijn, is</al><al>afhankelijk van de vraag of de functie bezwarend was volgens de definitie
                        van bezwarende functie in artikel</al><al>9b:2.</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Was de functie bezwarend, dan zijn de
                        artikelen 9b:47 en 9b:48 van toepassing.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Was de functie niet bezwarend, dan zijn de
                        artikelen 9b:52 en 9b:53 van toepassing.</al><al><vet>Hoofdstuk 9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn
                            getreden op een bezwarende</vet></al><al><vet>functie</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 9a:2</cursief></vet></al><al>De functie, waarop de ambtenaar uiteindelijk geplaatst wordt, moet
                        aansluiten bij de richting die in het</al><al>loopbaanplan is afgesproken. Bij het bepalen van die richting worden de
                        interesses en competenties van de</al><al>ambtenaar betrokken (artikel 9a:5, lid 9, onderdeel b).</al><al>De ambtenaar mag een aangeboden functie weigeren, wanneer deze meer dan 2
                        salarisschalen verschilt van</al><al>het salaris van de functie die de ambtenaar vervulde, tenzij deze functie
                        met medeweten van de ambtenaar is</al><al>gezocht en hierover in het kader van het loopbaanplan afspraken zijn
                        gemaakt.</al><al>Wanneer de ambtenaar een betrekking aanvaardt met een lager inkomen dan het
                        inkomen dat hij met de</al><al>bezwarende functie verdiende, heeft hij op grond van artikel 9a:11 recht op
                        een salarisgarantie.</al><al><vet><cursief>Artikel 9a:3</cursief></vet></al><al>De verplichte onafhankelijke Periodiek Arbeidsgeneeskundige Monitor (PAM)
                        houdt de ontwikkeling van de</al><al>fysieke en psychische belastbaarheid van ambtenaren bij. Met dit instrument
                        wordt periodiek de belastbaarheid</al><al>ten aanzien van de specifieke taken die bij de functie horen gemeten en
                        worden voorspellingen gedaan over</al><al>de ontwikkeling van de belastbaarheid in de toekomst. De keuring vindt
                        periodiek plaats. Hoe vaak de keuring</al><al>plaatsvindt, zal afhankelijk zijn van de leeftijd van de ambtenaar en
                        zwaarte van de functie. Dit wordt nader</al><al>uitgewerkt in de PAM. <vet>[x]</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 9a:5</cursief></vet></al><al>Het loopbaangesprek kan onderdeel uitmaken van het functioneringsgesprek of
                        het beoordelingsgesprek. De</al><al>gemeentelijke werkgever kan er ook voor kiezen om het loopbaantraject
                        afzonderlijk te benaderen. Welke</al><al>keuze ook gemaakt wordt, er moet een goed dossier zijn van de afspraken, de
                        voortgang en de resultaten. Ook</al><al>moet duidelijk zijn wie het aanspreekpunt is. Dit kan de direct
                        leidinggevende zijn, maar kan ook een andere</al><al>functionaris zijn.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Brandweermedewerkers in bezwarende functies moeten worden opgeleid tot
                        MBO-niveau voor zover ze</al><al>dit nog niet hebben. Daarbij moet het gaan om extern erkende opleidingen. De
                        reden van deze opleiding tot</al><al>MBO-niveau is dat het gewenst is dat ambtenaren uiteindelijk zo breed
                        mogelijk inzetbaar zijn. Een brede</al><al>opleiding vergroot de kansen van ambtenaren in bezwarende functies op de
                        arbeidsmarkt.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze belangen zijn onder andere het arbeidsmarktperspectief van de opleiding
                        die gewenst is. Ook de</al><al>capaciteiten van de ambtenaar spelen een rol in de opleiding die hij wenst.
                        De opleiding moet derhalve</al><al>aansluiten bij de capaciteiten van de ambtenaar. Verder kan ook de Periodiek
                        Arbeidsgeneeskundige Monitor</al><al>(PAM) een rol spelen bij de belangen van de gemeentelijke werkgever en
                        ambtenaar. Als de PAM uitwijst dat</al><al>bepaalde aspecten van de bezwarende functie niet meer uitgeoefend kunnen
                        worden, kan dat van invloed zijn op</al><al>de tweede loopbaan na afloop van het uitoefenen van de bezwarende
                        functie.</al><al><cursief>Lid 9 onderdeel b</cursief></al><al>Vastgelegd moet worden in welke richting de tweede loopbaan gezocht wordt.
                        Dit is namelijk medebepalend</al><al>voor de activiteiten en opleidingen die gedaan, respectievelijk gevolgd
                        moeten worden. Bij het bepalen van de</al><al>richting van de tweede loopbaan wordt rekening gehouden met de competenties
                        en interesses van de ambtenaar.</al><al><vet><cursief>Artikel 9a:6</cursief></vet></al><al>Bij het afbreken van de opleiding zonder geldige reden kan sprake zijn van
                        evident misbruik.</al><al>De ambtenaar moet er op het moment dat de loopbaanfaciliteiten bekostigd
                        worden op gewezen worden dat hij</al><al>bij evident misbruik de kosten moet terugbetalen.</al><al><vet><cursief>Artikel 9a:8</cursief></vet></al><al>Als de ambtenaar zich niet houdt aan de verplichtingen uit het loopbaanplan,
                        wordt een disciplinaire straf</al><al>opgelegd. Hierbij gelden de bepalingen van hoofdstuk 16. De zwaarte van de
                        straf moet overeenkomen met de</al><al>ernst van de gedragingen.</al><al>Van de voortgang van het loopbaanplan moet een dossier bijgehouden worden.
                        Hiermee kan beoordeeld worden</al><al>of het niet kunnen starten van de tweede loopbaan van de medewerker aan het
                        einde van het loopbaantraject aan</al><al>de medewerker te wijten is.</al><al><vet><cursief>Artikel 9a:9</cursief></vet></al><al>Wanneer het college zijn inspanningen uit het loopbaanplan niet nakomt en de
                        tweede loopbaan om die reden</al><al>niet begonnen kan worden, blijft de ambtenaar in de bezwarende functie
                        doorwerken. De tweede reden dat</al><al>de ambtenaar werkzaam kan blijven in de bezwarende functie is als het
                        college en de ambtenaar gezamenlijk</al><al>daartoe besluiten.</al><al>Uiteraard moet de ambtenaar medisch geschikt zijn om in de functie te kunnen
                        doorwerken. Of de</al><al>ambtenaar medisch geschikt is, kan blijken uit de PAM, maar kan ook aan de
                        orde worden gesteld door de</al><al>ambtenaar zelf die zich heeft ziek gemeld. Op dat moment wordt hoofdstuk 7
                        van toepassing en geldt het</al><al>ziekteverzuimprotocol. Ook kan het college op grond van hoofdstuk 7
                        besluiten de ambtenaar aan een medisch</al><al>onderzoek te onderwerpen, wanneer getwijfeld wordt aan de medische
                        geschiktheid om de functie uit te</al><al>oefenen.</al><al>Het feit dat de tweede loopbaan na 20 jaar nog niet gestart heeft kunnen
                        worden, betekent niet dat van een</al><al>tweede loopbaan helemaal geen sprake meer is. Het loopbaanplan wordt
                        voortgezet. Feitelijk betekent dit dus</al><al>dat de termijn van 20 jaar wordt opgerekt.</al><al><vet><cursief>Artikel 9a:10</cursief></vet></al><al>Vanaf het moment van ziekmelding begint de normale procedure te lopen, die
                        voor een zieke medewerker</al><al>geldt. Hoofdstuk 7 CAR is dus gewoon van toepassing. Vanaf het eerste moment
                        van ziekte moeten college</al><al>en ambtenaar werken aan reïntegratie. Dat de medewerker niet meer geschikt
                        is om in zijn bezwarende functie</al><al>door te werken betekent dus dat gezocht moet worden naar ander werk binnen
                        dan wel buiten de gemeentelijke</al><al>dienst.</al><al>Dat hoofdstuk 7 van toepassing is, betekent ook dat de ambtenaar na verloop
                        van tijd minder hoge eisen mag</al><al>stellen aan de nieuwe functie. Zie verder de toelichting bij hoofdstuk
                        7.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het feit dat gekozen is voor de terminologie "een bezwarende functie”
                        betekent dat ook bij overstap van de ene</al><al>naar de andere gemeente of van de ene bezwarende functie naar de andere
                        bezwarende functie de opbouw van</al><al>de overbruggingsuitkering geldt. De gemeente, van waaruit de ambtenaar
                        arbeidsongeschikt raakt, betaalt de</al><al>overbruggingsuitkering.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De overbruggingsuitkering wordt gedurende maximaal 20 jaar opgebouwd. Dit
                        resulteert in een totale maximale</al><al>duur van 24 maanden.</al><al><vet><cursief>Artikel 9a:11</cursief></vet></al><al>Het eerste lid biedt een salarisgarantie. Het gaat daarbij om een garantie
                        van het salarisbedrag dat betrokkene</al><al>maandelijks ontving. Als iemand een functie had in schaal 6 en betaald werd
                        naar periodiek 5 (bedrag: € 1856)</al><al>en zijn nieuwe functie is een functie in schaal 5, waarbij hij ingedeeld
                        wordt in periodiek 7 (bedrag: € 1891),</al><al>dan ontvangt hij geen garantietoelage.</al><al>De hoogte van de toelage kan veranderen als sprake is van een algemene
                        salariswijziging.</al><al>De toelage bedraagt het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Dit
                        betekent dat als het nieuwe salaris</al><al>stijgt, de toelage minder groot en uiteindelijk wellicht nihil wordt.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Bij ledenbrief van 4 september 2006 (Marz/CvA/U200601402; CvA/LOGA 06/35) is
                        een uitputtende definitie</al><al>gegeven van het begrip bezoldiging. Ook is in die ledenbrief bevestigd dat
                        de garantietoelagen uit artikel 9a:11</al><al>uitgaan van bevroren bedragen (zie hierna de toelichting op overige leden
                        van artikel 9a:11).</al><al>De nieuwe definitie van het begrip bezoldiging is in lid 1 vastgelegd.</al><al>De limitatieve opsomming houdt in dat bijvoorbeeld de overwerkvergoeding
                        niet meegenomen wordt in de</al><al>berekeningsgrondslag.</al><al>De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de datum die bepalend is
                        voor de opgesomde artikelen</al><al>betekent dat periodieken en generieke salarisstijgingen omgerekend worden
                        naar een periode van 12 maanden.</al><al><vet>Voorbeeld</vet></al><al>Oud salaris 30.000 nieuw salaris 28.000</al><al>Oude toelagen 8.000 nieuwe toelagen 4.000</al><al>Lid 2 geeft recht op een garantietoelage van 2.000.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al><vet>Voorbeeld</vet></al><al>Oud salaris 30.000 nieuw salaris 25.000</al><al>Oude toelagen 8.000 nieuwe toelagen 10.000</al><al>Het eerste lid biedt een salarisgarantie, waarbij sprake is van een
                        bevriezing van het oude salarisbedrag.</al><al>Maar omdat het nieuwe salaris samen met de nieuwe toelagen én de op grond
                        van het eerste lid berekende</al><al>garantie hoger is dan de oude bezoldiging, wordt de garantietoelage
                        verminderd met een bedrag van 2.000. De</al><al>garantietoelage bedraagt daarom 3.000.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al><vet>Voorbeeld</vet></al><al>Oud salaris 30.000 nieuw salaris 28.000</al><al>Oude toelagen 8.000 nieuwe toelagen 4.000</al><al>Lid 4 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en
                        1.000.</al><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een</al><al>bevroren bezoldigingsbedrag.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al><vet>Voorbeeld</vet></al><al>Oud salaris 30.000 nieuw salaris 32.000</al><al>Oude toelagen 8.000 nieuwe toelagen 4.000</al><al>Lid 4 geeft recht op een afbouwtoelage van 4.000, 3.000, 2.000 en
                        1.000.</al><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot een aflopend percentage van
                        de oude toelagen, waarbij sprake is</al><al>van bevroren bedragen.</al><al>Maar omdat het nieuwe salaris, samen met de nieuwe toelagen én de
                        afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar</al><al>leiden tot een hoger totaalinkomen dan de oude bezoldiging, komt de
                        afbouwtoelage in het eerste en tweede jaar</al><al>niet geheel tot uitbetaling. In het eerste jaar wordt de afbouwtoelage
                        verminderd met een bedrag van 2.000 en</al><al>bedraagt de afbouwtoelage dus 2.000. In het tweede jaar wordt de
                        afbouwtoelage verminderd met een bedrag</al><al>van 1.000 en bedraagt de afbouwtoelage dus 2.000.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>In dit artikellid wordt een garantie gegeven tot het bedrag van de oude
                        bezoldiging, waarbij sprake is van een</al><al>bevroren bezoldigingsbedrag.</al><al>Het percentage van 175% is als volgt opgebouwd.</al><al>Gedurende vier jaar lang wordt een aflopende compensatie gegeven van het
                        inkomensverschil, waarbij het</al><al>eerste jaar 100% van het inkomensverschil wordt vergoed, het tweede jaar
                        75%, het derde jaar 50% en het</al><al>vierde jaar 25% van het inkomensverschil. In totaal wordt dus 250% van het
                        inkomensverschil vergoed.</al><al>Vervolgens wordt dit bedrag met 70% vermenigvuldigd. Het percentage van 70%
                        heeft te maken met het</al><al>voordeel dat de medewerker heeft doordat een bedrag ineens wordt verstrekt.
                        Wanneer deze percentages met</al><al>elkaar vermenigvuldigd worden, wordt 70% * 250% = 175% van het
                        inkomensverschil vergoed.</al><al><vet>Voorbeeld:</vet></al><al>Oude functie Nieuwe functie</al><al>Salaris 30.000 salaris 28.000</al><al>Toelagen 8.000 Toelagen 6.000</al><al>De medewerker zakt in totaalinkomen van 38.000 naar 34.000.</al><al>De medewerker ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van (38.000-34.000) *
                        250% * 70% = 7.000.</al><al><vet>Hoofdstuk 9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31
                            december 2005 recht gaf op</vet></al><al><vet>functioneel leeftijdsontslag</vet></al><al>Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op 31 december 2005 een
                        functie bekleed heeft die – op</al><al>31 december 2005 – recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op 31</al><al>december 2005. Ook moet hij sinds die datum onafgebroken in een dergelijke
                        functie gewerkt hebben. Dit hoeft</al><al>niet bij een en dezelfde organisatie te zijn geweest.</al><al>De tekst van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, luidt:</al><al>“Indien door het college bij afzonderlijke regeling leeftijdsgrenzen zijn
                        bepaald voor de vervulling van in die</al><al>regeling vermelde en voor zover nodig nader omschreven betrekkingen, wordt
                        de ambtenaar die een zodanige</al><al>betrekking vervult en de daarvoor bepaalde leeftijdsgrens heeft
                        overschreden, eervol ontslag verleend.”</al><al>De rechten die deze ambtenaren hebben, zijn vervolgens afhankelijk van:</al><al><vet>- </vet>het aantal dienstjaren dat de ambtenaar op 1 januari 2006 in
                        een functie werkzaam is geweest, die recht gaf</al><al>op functioneel leeftijdsontslag.</al><al><vet>- </vet>het feit of de functie bezwarend was.</al><al><vet>- </vet>de geboortedatum van de ambtenaar: is de ambtenaar voor 1950 of
                        na 1949 geboren.</al><al>In aparte paragrafen worden deze rechten verder uitgewerkt.</al><al>De rechten komen ten laste van de gemeente, van waaruit betrokkene van de in
                        dit hoofdstuk bepaalde rechten</al><al>gebruik maakt en het college de plichten aan de betrokkene oplegt.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:1</cursief></vet></al><al>De ambtenaar moet op 31 december 2005 een functie bekleed hebben die – op 31
                        december 2005 – recht gaf op</al><al>functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op
                        31 december 2005. Ook moet hij sinds</al><al>die datum onafgebroken in een dergelijke functie gewerkt hebben. Dit hoeft
                        niet bij een en dezelfde organisatie</al><al>te zijn geweest.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:2</cursief></vet></al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>De in onderdeel a gegeven definitie van bezoldiging geldt alleen voor de in
                        dit artikel genoemde artikelen. Dat</al><al>betekent dat in de andere gevallen:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de definitie van artikel 3:1 geldt (artikel
                        9b:20, eerste lid, eerste maal en artikel 9b:25, zesde lid, eerste
                        maal);</al><al>of</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de nieuwe definitie wel geldt, maar dit via
                        een inhoudelijke koppeling met een van de wel genoemde</al><al>artikelen geregeld is (zo wordt in artikel 9b:10 verwezen naar artikel 9b:4;
                        het is dus niet nodig om artikel</al><al>9b:10 in de opsomming in onderdeel a op te nemen); of</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>dat de definitie van bezoldiging niet ter
                        zake doet, omdat het begrip bezoldiging daar slechts gekoppeld is</al><al>aan een periode en niet inhoudelijk van betekenis is (bijvoorbeeld artikel
                        9b:9).</al><al>De limitatieve opsomming van de elementen die onder het begrip bezoldiging
                        vallen houdt in dat bijvoorbeeld</al><al>de overwerkvergoeding niet meegenomen wordt in de berekeningsgrondslag.</al><al>De middeling over de 12 maanden voorafgaande aan de datum die bepalend is
                        voor de opgesomde artikelen</al><al>betekent dat periodieken en generieke salarisstijgingen omgerekend worden
                        naar deze periode van 12 maanden.</al><al><vet>Voorbeeld</vet></al><al>Iemand wordt op 1 juni 2007 55 jaar. Op dat moment wil hij 50% gaan werken
                        tegen doorbetaling van 90% van</al><al>de bezoldiging. Op 1 februari 2007 is een generieke salarisverhoging
                        afgesproken van 0,8%. Deze telt voor de</al><al>gemiddelde bezoldiging van de 12 maanden voorafgaand aan 1 juni 2007 voor
                        4/12 mee, omdat deze slechts</al><al>over 4 van de 12 voorafgaande maanden is genoten.</al><al>In de definitie van bezoldiging wordt verwezen naar de datum die
                        “voortvloeit uit de toepassing van …”</al><al>bepaalde artikelen. Hiermee wordt het volgende bedoeld. Artikel 9b:4 geeft
                        de ambtenaar de keuze om op</al><al>de oud FLO-leeftijd te stoppen met werken, tegen doorbetaling van 80% van de
                        bezoldiging. Als hij dat</al><al>daadwerkelijk doet, wordt uitgegaan van de gemiddelde bezoldiging die hij in
                        de periode 54 tot 55 jaar ontving.</al><al>Maakt hij echter gebruik van de mogelijkheid tot opschuiven (lid 5) en
                        schuift hij de ingangsdatum van de</al><al>keuzemogelijkheden op met 2 jaar, dan stopt hij pas op 57-jarige leeftijd
                        met werken en geldt de bezoldiging in</al><al>de periode 56 tot 57 jaar.</al><al><cursief>Onderdeel b en f</cursief></al><al>In artikel 9b:1 is vastgesteld dat het moet gaan om een betrekking die op 31
                        december 2005 recht gaf op</al><al>functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op
                        31 december 2005. Deze eis geldt</al><al>zowel bij de bezwarende als bij de niet-bezwarende functie.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:3</cursief></vet></al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                        onafgebroken in de functie gewerkt</al><al>moeten hebben, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:4</cursief></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005, op 31</al><al>december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55 jaar. Dit betekent
                        dat de keuze in principe 4 jaar</al><al>lang geldt. Op de leeftijd van 59 jaar gaat namelijk het onbezoldigd
                        volledig verlof in. Was de zogeheten</al><al>FLO-leeftijd bepaald op een hogere leeftijd, dan is de periode van de keuze
                        korter dan 4 jaar. Lid 7 biedt</al><al>overigens de mogelijkheid om na ingang van de keuzeperiode over te stappen
                        naar een andere keuze. Zie ook de</al><al>toelichting bij lid 7.</al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd
                        op de pensioengerechtigde</al><al>leeftijd van 65 jaar.</al><al>In de uitvoering is het meest gebruikelijk om de keuze te laten ingaan op de
                        eerste dag van de kalendermaand,</al><al>volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 55 jaar bereikt.</al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                        verlof als bedoeld in artikel</al><al>6:4:5, verleend kan worden voor maximaal 4 jaar. Het buitengewoon verlof
                        wordt gezien als een</al><al>vroegpensioenregeling. Daarom wordt dit fiscaal extra belast.</al><al>De overige keuzes gelden voor zover het dienstbelang dit toelaat. Het
                        dienstbelang houdt onder meer in dat er</al><al>voldoende werk voorhanden moet zijn om de ambtenaar van de eerste twee
                        opties gebruik te laten maken.</al><al>Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als
                        alternatief geldt voor 50% werken</al><al>tegen 90% van de bezoldiging heeft met de mogelijkheid te maken dat
                        ambulancepersoneel in verband met</al><al>vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een volledige betrekking (= 60% van 36
                        uur per week) moet werken.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar een
                        FLO-leeftijd van 56 was</al><al>vastgesteld, gelden de keuzes van het eerste lid pas vanaf de leeftijd van
                        56 jaar. Ditzelfde geldt naar analogie</al><al>bij een FLO-leeftijd van 57 en 58.</al><al>In al deze gevallen geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig verlof
                        ingaat vanaf de leeftijd van 59 jaar.</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59
                        of 60 jaar, gaan dus direct</al><al>met onbezoldigd volledig verlof. Op hen is artikel 9b:4 feitelijk niet van
                        toepassing. De leeftijd waarop zij met</al><al>onbezoldigd volledig verlof gaan, komt namelijk eerder dan de leeftijd
                        bedoeld in artikel 9b:4. Zie voor een</al><al>toelichting op ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd gold
                        van 59 jaar, de toelichting op lid</al><al>5.Voor de toelichting op ambtenaren, werkzaam in een functie, waarvoor een
                        FLO-leeftijd van 60 jaar was</al><al>gesteld, het tweede lid van artikel 9b:11.</al><al>De duur van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus korter naarmate
                        een hogere FLO-leeftijd dan 55</al><al>jaar gold.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts,
                        die op grond van hoofdstuk 7</al><al>wordt ingeschakeld, als uit het periodiek arbeidsgezondheidskundig
                        onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan bij het bereiken van de leeftijd van
                        55 jaar het overgangsrecht in te</al><al>laten gaan. In dit geval gaat ook het onbezoldigd volledig verlof van
                        artikel 9b:11 later in.</al><al>Als iemand hiervoor kiest, kan hij ook het ouderdomspensioen later laten
                        ingaan. Het ouderdomspensioen wordt</al><al>dan over minder jaren gespreid, waardoor de uitkering per jaar hoger wordt.
                        Zie verder de toelichting op artikel</al><al>9b:11.</al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                        2005 een FLO-leeftijd van 59</al><al>jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze dan onbezoldigd volledig
                        verlof, ingaande vanaf de leeftijd van 59</al><al>jaar. In artikel 9b:11 is opgenomen dat de ingangsdatum van dit onbezoldigd
                        volledig verlof opgeschoven kan</al><al>worden. Het onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende
                        functie, waarvoor het college</al><al>op 31 december 2005 een FLO-leeftijd van 60 jaar had vastgesteld, gaat in
                        vanaf de leeftijd van 60 jaar. Ook hij</al><al>kan de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opschuiven.</al><al>Ten aanzien van de medische geschiktheid wordt verwezen naar de toelichting
                        op lid 4.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                        verzoek van de ambtenaar</al><al>beslissen.</al><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>In lid 7 wordt het mogelijk gemaakt om gedurende de periode van 55 tot 59
                        jaar de gemaakte keuze te herzien.</al><al>Het dienstbelang moet deze herziening toelaten. Een van de andere
                        voorwaarden is dat alleen minder gewerkt</al><al>kan worden dan de in eerste instantie gemaakte keuze. Dit betekent dat als
                        de ambtenaar gekozen had om 50%</al><al>te gaan werken tegen 90% van de bezoldiging, hij na herziening alleen nog
                        kan kiezen voor stoppen met werken</al><al>tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging dan wel ontslag nemen tegen
                        uitbetaling van een bonus van een</al><al>jaarsalaris. Deze bonus wordt berekend naar rato van de tijd die resteert
                        tot betrokkene de leeftijd van 59 jaar</al><al>bereikt.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:5</cursief></vet></al><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat
                        de gemeentelijke werkgever de</al><al>werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:6</cursief></vet></al><al>Als de ambtenaar ervoor kiest om volledig door te werken, bouwt hij ook
                        volledig vakantie op. Kiest hij ervoor</al><al>om niet te werken, tegen doorbetaling van 80% van de bezoldiging, dan bouwt
                        hij geen vakantie-uren op.</al><al>Uiteraard wordt bij 50% werken (respectievelijk 60% voor ambulancepersoneel)
                        voor 50, respectievelijk 60%</al><al>vakantie opgebouwd.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:7</cursief></vet></al><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging,
                        die grondslag is voor de</al><al>betaling die op grond van artikel 9b:4 gedaan wordt, bestaat geen apart
                        recht op een toelage onregelmatige</al><al>dienst. Deze toelage zou dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt
                        voor de eindejaarsuitkering en de</al><al>vakantietoelage.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:10</cursief></vet></al><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                        bezoldiging of een uitkering wordt</al><al>verstrekt, zonder dat daar die arbeid tegenover staat, die behoort bij de
                        doorbetaalde bezoldiging of uitkering.</al><al>Dit is bij ambtenaren met, op 1 januari 2006, 20 dienstjaren of meer tijdens
                        de periode van:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>volledig buitengewoon verlof tegen
                        doorbetaling van 80% van de bezoldiging (artikel 9b:4, eerste lid,
                        eerste</al><al>volzin);</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de
                        bezoldiging (of 60% werken tegen 95% bezoldiging voor</al><al>ambulancepersoneel) (artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel b).</al><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:11), wordt
                        ten laste van de gemeente geen</al><al>betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die periode is dan ook geen sprake
                        van verrekening van inkomsten.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:11</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken van de
                        levensloopvoorziening. Om ervoor</al><al>te zorgen dat de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt waaraan een
                        FLO-leeftijd van 55, 56, 57,</al><al>58 of 59 jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college
                        voor een zodanige bijdrage in de</al><al>levensloopvoorziening, dat betrokkene – onder voorwaarden <vet>[x1] </vet>–
                        vanaf de leeftijd van 59 jaar gedurende</al><al>3 jaar in een inkomen kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per
                        jaar. Voor ambtenaren die een</al><al>bezwarende functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld,
                        geldt dat het college zorgt voor</al><al>een bijdrage in de levensloopvoorziening, waarmee – onder voorwaarden
                            <vet>[x2] </vet>– vanaf de leeftijd van 60 jaar</al><al>gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden voorzien van 70% van de oude
                        bezoldiging. Dit is geregeld in</al><al>artikel 9b:21.</al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                        levensloopvoorziening, dan</al><al>verlaagt hij daarmee de mogelijke opname van de levensloopvoorziening
                        tijdens de periode van onbezoldigd</al><al>volledig verlof of verkort hij de periode dat zijn opname uit de
                        levensloopvoorziening 70% van de oude</al><al>bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de leeftijd van 62 jaar kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is
                        het naar voren halen van het versterkt</al><al>OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat moment ontslag verleend worden op
                        grond van artikel 8:2. De</al><al>ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                        ingaan. Het pensioen dat hij op</al><al>62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt actuarieel verhoogd naarmate het OP
                        later ingaat. Als betrokkene een</al><al>eigen financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd
                        volledig verlof, kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde
                        lid van artikel 9b:4, gaat het</al><al>onbezoldigd volledig verlof zoveel later in als de keuze van artikel 9b:4
                        later is ingegaan.</al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent
                        dat een kortere periode overbrugd</al><al>moet worden tot de pensioengerechtigde leeftijd. De ambtenaar is vrij in de
                        manier waarop hij deze periode</al><al>financiert. De ambtenaar kan bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de
                        levensloopregeling (bijvoorbeeld</al><al>omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft gemaakt of omdat
                        hij gedurende kortere</al><al>tijd een hogere uitkering wil uit de levensloopregeling). Ook kan de
                        ambtenaar er voor kiezen om zijn</al><al>ouderdomspensioen later dan vanaf 62 jaar te laten ingaan (het versterkt OP
                        wordt dan minder ver naar voren</al><al>gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor over een kortere periode
                        wordt verspreid, resulteert dit in een</al><al>hoger ouderdomspensioen. Voor ambtenaren met een lage OP-opbouw kan dit een
                        interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van de keuzemogelijkheden van artikel 9b:4 betekent
                        dat over een langere periode</al><al>ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                        bedoeld in artikel 6:9, is dat de</al><al>werkgever deze vorm van verlof kan opleggen. Omdat sprake is van een nieuwe
                        vorm van onbezoldigd verlof,</al><al>is ook artikel 6:10 lid 4 niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt
                        namelijk dat de pensioenopbouw tijdens</al><al>de periode van verlof volledig voor rekening komt van de ambtenaar, tenzij
                        het verlof voor ten hoogste drie</al><al>maanden is verleend. Bij de vorm van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in
                        artikel 9b:11, volgt de premie</al><al>gedurende de gehele periode van verlof met een maximum van drie,
                        respectievelijk twee jaar de normale</al><al>werkgevers- werknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:12.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                        FLO-leeftijd gekoppeld had van 60</al><al>jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof in bij het bereiken van de
                        leeftijd van 60 jaar.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Bij ambtenaren op wie artikel 9b:4 feitelijk van toepassing is en die hebben
                        gekozen voor het vijfde lid van</al><al>artikel 9b:4 schuift de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof
                        automatisch op.</al><al>Op de ambtenaar met een functie, waaraan het college op 31 december 2005 een
                        FLO-leeftijd gekoppeld had</al><al>van 59 of 60 jaar, is artikel 9b:4 feitelijk niet van toepassing. De
                        leeftijd waarop onbezoldigd volledig verlof</al><al>wordt verleend, ligt namelijk op hetzelfde moment (bij FLO-leeftijd 59 jaar)
                        of komt eerder (bij FLO-leeftijd</al><al>60 jaar) dan het moment, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid. Om ook deze
                        ambtenaren de mogelijkheid te bieden</al><al>langer ouderdomspensioen op te bouwen door langer door te werken tegen de
                        normale bezoldiging, is de</al><al>keuzevrijheid voor het later laten ingaan van het onbezoldigd volledig
                        verlof in dit artikel opgenomen.</al><al>Het voordeel van langer doorwerken is dat de ambtenaar langer
                        ouderdomspensioen opbouwt.</al><al>De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te
                        werken. De medische ongeschiktheid</al><al>kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die op grond van hoofdstuk
                        7 wordt ingeschakeld, als uit het</al><al>periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De periode dat de dienstbetrekking voortduurt, kan ook korter zijn, wanneer
                        de ambtenaar eerder dan na 3</al><al>jaar ontslag neemt. De periode van 3 respectievelijk 2 jaar is gekoppeld aan
                        de verwachte deelname aan de</al><al>levensloopregeling voor 3 respectievelijk 2 jaar tegen een uitkering van
                        70%. Het college zorgt namelijk voor</al><al>een zodanige bijdrage in de levensloopvoorziening, dat ambtenaren die een
                        bezwarende functie bekleden,</al><al>waaraan een FLO-leeftijd was gekoppeld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar vanaf
                        de leeftijd van 59 jaar – onder</al><al>voorwaarden <vet>[x3] </vet>– gedurende 3 jaar in een inkomen kunnen
                        voorzien van 70% van de oude bezoldiging per</al><al>jaar. Voor ambtenaren die een bezwarende functie bekleden, waaraan een
                        FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld,</al><al>geldt dat het college zorgt voor een bijdrage in de levensloopvoorziening,
                        waarmee – onder voorwaarden <vet>[x4]</vet></al><al>– vanaf de leeftijd van 60 jaar gedurende 2 jaar in een inkomen kan worden
                        voorzien van 70% van de oude</al><al>bezoldiging.</al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                        verzoek van de ambtenaar</al><al>beslissen.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:12</cursief></vet></al><al>Voor een toelichting op de periode van 3, respectievelijk 2 jaar wordt
                        verwezen naar de toelichting op artikel</al><al>9b11, algemeen.</al><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente en een opname doen van
                        opgebouwd levenslooptegoed</al><al>wordt, met een maximum van 3, respectievelijk 2 jaar en voor zover het
                        Pensioenreglement dat toelaat,</al><al>pensioen opgebouwd over de volledige bezoldiging. Het Pensioenreglement
                        bepaalt dat pensioen wordt</al><al>opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname uit de
                        levenslooppot minder bedraagt dan 70%. In</al><al>dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat lagere percentage.</al><al>Uit de Pensioenovereenkomst vloeit voort dat de premie de normale
                        werkgevers-werknemersverdeling</al><al>volgt. Dit betekent dat de gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de
                        ambtenaar verhaalt. De</al><al>pensioenpremie wordt ingehouden op de uitbetaling van de
                        levensloopuitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:13</cursief></vet></al><al>Vanaf het moment dat de ambtenaar onbezoldigd volledig verlof geniet, wordt
                        hij voor de premie van de</al><al>IZA-verzekering beschouwd als postactieve. In de ledenbrief van 21 december
                        2005 (lbr. 05/132), bijlage 5,</al><al>wordt omschreven onder welke voorwaarden en op welke manier de IZA-premie
                        voor postactieven wordt</al><al>berekend.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:19</cursief></vet></al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                        arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van</al><al>toepassing. Betrokkene en college zoeken naar een andere functie. Ook volgt
                        de bezoldiging de reguliere regels</al><al>van loondoorbetaling bij ziekte.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dat artikel 8:5 niet van toepassing is, betekent dat, anders dan bij
                        ‘reguliere’ gedeeltelijk arbeidsongeschikten,</al><al>er na een periode van twee jaar arbeidsongeschiktheid geen sprake is van
                        ontslag op grond van artikel 8:5.</al><al>Definitieve herplaatsing is wel mogelijk.</al><al>Deze regels gelden ook voor ambtenaren die volledig maar niet duurzaam
                        arbeidsongeschikt zijn. Omdat zij</al><al>echter – tijdelijk – geen restverdiencapaciteit hebben, heeft bij hen het
                        zoeken naar een andere functie geen nut</al><al>en zal om die reden ook geen sprake zijn van definitieve herplaatsing. Als
                        deze ambtenaren herstellen, gaan de</al><al>regels gelden, zoals deze gelden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten.</al><al>De ambtenaar die tussen de leeftijd van 50 en 55 jaar volledig en duurzaam
                        arbeidsongeschikt raakt, mag 24</al><al>maanden na arbeidsongeschiktheid (of zoveel eerder als UWV daar toestemming
                        voor geeft) ontslag verleend</al><al>worden.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te realiseren dat de gedeeltelijk arbeidsongeschikte of de volledig maar
                        niet duurzaam arbeidsongeschikte</al><al>vanaf zijn 55e gelijke rechten heeft als iemand die niet (gedeeltelijk)
                        arbeidsongeschikt is, moet de betrokken</al><al>ambtenaar indien hij niet herplaatst is, beter gemeld worden op de dag dan
                        hij 55 wordt. Hij heeft vanaf dat</al><al>moment dezelfde keuzes als een ambtenaar die niet ziek is, zij het dat 50%
                        doorwerken tegen 90% salaris</al><al>wegens ziekte waarschijnlijk niet mogelijk is voor gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikten, dat 50% werken tegen 90%</al><al>salaris zeker niet mogelijk is voor volledig, maar niet duurzaam
                        arbeidsongeschikten en dat 100% doorwerken</al><al>met een bonus voor beide categorieën in ieder geval niet mogelijk is.</al><al>Omdat de betrokken ambtenaren beter gemeld zijn, is artikel 7:3 (de regels
                        rond loondoorbetaling bij ziekte)</al><al>vanaf dat moment niet meer van toepassing. De bezoldiging van betrokkene
                        wordt uitbetaald conform de regels</al><al>van het overgangsrecht.</al><al>Vanaf hun 59e jaar krijgen deze ambtenaren onbezoldigd volledig verlof,
                        waarvan zij de eerste periode gebruik</al><al>kunnen maken van de levensloopregeling en de leeftijd van 62 jaar van het
                        versterkt OP.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, wordt de ambtenaar bij
                        het bereiken van die hogere leeftijd</al><al>hersteld verklaard.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Op de ambtenaar die ziek wordt tussen zijn 50e en zijn 55e jaar, blijven
                        artikel 9b:4 tot en met 9b:18 van</al><al>toepassing. Artikel 9b:4 blijft van toepassing, voor zover de keuzes die
                        daarin worden genoemd, gezien de</al><al>medische geschiktheid nog mogelijk zijn. Dat kan betekenen dat alleen de
                        opties niet werken met doorbetaling</al><al>van 80% van de bezoldiging of ontslag onder toekenning van een bonus nog
                        mogelijk zijn.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Uitgangspunt hierbij is een FLO-leeftijd van 55 jaar. Dat betekent dat hij
                        vanaf zijn 55e al gebruik maakt van de</al><al>keuzes van artikel 9b:4. In het zesde lid is opgenomen dat een hogere
                        leeftijd geldt, als een hogere FLO-leeftijd</al><al>was vastgesteld.</al><al>De ambtenaar die vanaf zijn 55e jaar arbeidsongeschikt raakt, wordt niet
                        ziek gemeld. Hij blijft gebruik maken</al><al>van de keuzes van artikel 9b:4, voor zover dat medisch gezien mogelijk
                        is.</al><al>Als de ambtenaar gekozen had om 100% door te werken met een bonus, en hij
                        dat wegens ziekte niet meer</al><al>kan, moet hij een van de andere opties van artikel 9b:4, eerste lid, kiezen.
                        Als hij vanwege ziekte ook niet</al><al>meer de keuze heeft om 50% te werken tegen 90% van het salaris, resteren
                        voor hem alleen nog de keuze van</al><al>volledig buitengewoon verlof, tegen doorbetaling van 80% van de voor de
                        ambtenaar geldende bezoldiging</al><al>en de keuze van volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus
                        wordt verstrekt van 100% van</al><al>het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan
                        toekenning van de bonus. Deze bonus</al><al>wordt berekend naar rato van de tijd die resteert tot het moment, bedoeld in
                        artikel 9b:11, eerste lid.</al><al>Het is niet eenduidig vast te stellen na hoeveel tijd van ziekte vast staat
                        dat de ambtenaar de door hem gemaakte</al><al>keuze niet meer kan voortzetten. Dat zal per ziektegeval verschillen. De
                        arbo-arts speelt hierin een rol.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt het vijfde lid
                        bij het bereiken van die hogere leeftijd.</al><al>Het vijfde lid is dus pas van toepassing als de keuze op grond van artikel
                        9b:4 daadwerkelijk geëffectueerd is.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:20</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het eerste lid is een salarisbevriezing geregeld voor de ambtenaar die na
                        zijn 50e ziek is geworden en die in</al><al>het kader van deze ziekte herplaatst wordt.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de
                        nieuwe functie buiten de</al><al>gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente en medewerker afspraken
                        over een financiële regeling.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:23</cursief></vet></al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat ambtenaren vanaf 31 december 2005
                        onafgebroken in de functie gewerkt</al><al>moeten hebben, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:24</cursief></vet></al><al>Zolang het medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar werkzaam in de
                        bezwarende functie tot het moment dat</al><al>hij op grond van artikel 9b:28 buitengewoon verlof verleend wordt, onder
                        doorbetaling van 75%, respectievelijk</al><al>78% of 80% van de bezoldiging. Dit doorwerken gebeurt vanaf de leeftijd van
                        55 jaar voor 50% werken</al><al>onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel kan
                        dit zijn 60% werken tegen</al><al>doorbetaling van 95% van de bezoldiging).</al><al>Dit doorwerken geldt niet als ambtenaren in het kader van het loopbaanplan
                        op grond van artikel 9b:25 een</al><al>andere functie aanvaarden of als er anderszins in het kader van het
                        loopbaanplan hierover andere afspraken</al><al>gemaakt worden. In artikel 9b:25 wordt hoofdstuk 9a van toepassing verklaard
                        op ambtenaren in een</al><al>bezwarende functie, die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren hadden.
                        Hoofdstuk 9a verplicht hen mee te</al><al>werken aan de tweede loopbaan.</al><al>Het toewerken naar deze tweede loopbaan is onder meer van belang om hiermee
                        voortijdige uitval</al><al>wegens arbeidsongeschiktheid te voorkomen. Uit het rapport van het
                        Coronel-instituut van 2004 blijkt dat</al><al>gezondheidsrisico’s vaak al ver voor het bereiken van de 55-jarige leeftijd
                        ontstaan. Een aanzienlijk percentage</al><al>van de medewerkers kan om die reden niet tot de leeftijd van 55 jaar
                        doorwerken in de bezwarende functie. Om</al><al>die reden moet met al deze ambtenaren tijdig een loopbaanplan worden
                        opgesteld, waarin afspraken worden</al><al>gemaakt over opleiding en begeleiding naar een aangepaste functie-invulling
                        of een andere functie voorafgaand</al><al>aan het moment dat het uitoefenen van de bezwarende functie om
                        gezondheidsredenen niet langer verantwoord</al><al>is.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:25</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Ambtenaren met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende
                        functie moeten meewerken aan</al><al>een tweede loopbaan. Deze plicht geldt tot zij de leeftijd van 55 jaar
                        bereiken. Gedurende deze periode gelden</al><al>alle bepalingen uit hoofdstuk 9a, voor zover daar in dit artikel niet van is
                        afgeweken.</al><al>Als de ambtenaar op de leeftijd van 55 jaar niet is begonnen aan een tweede
                        loopbaan, gelden de artikelen 9b:26</al><al>tot en met 9b:43. Deze ambtenaar gaat op de leeftijd van 55 jaar 50% werken
                        tegen 90% bezoldiging (of, voor</al><al>ambulancepersoneel 60% werken tegen 95% van de bezoldiging). Vervolgens gaat
                        hij op een latere leeftijd met</al><al>gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof en gaat hij bij het bereiken van de
                        leeftijd van 59 jaar met onbezoldigd</al><al>verlof.</al><al>Wanneer de ambtenaar voor de leeftijd van 55 jaar in het kader van de tweede
                        loopbaan een functie heeft</al><al>aanvaard, geldt vanaf dat moment de gewone rechtspositie en vallen zij niet
                        meer onder dit hoofdstuk.</al><al>In de leden 3 tot en met 7 zijn bepalingen opgenomen die afwijken van de
                        bepalingen van hoofdstuk 9a.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar was gesteld, geldt de plicht om mee
                        te werken aan de tweede loopbaan</al><al>tot het bereiken van die hogere leeftijd. Als de tweede loopbaan op die
                        leeftijd niet is begonnen, gelden de</al><al>artikelen 9b:26 tot en met 9b:43 vanaf dat moment.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit recht geldt alleen voor brandweerpersoneel. De verwachting is dat
                        ambulancepersoneel extern meer</al><al>geschikte functies zal kunnen vinden.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze salarisbevriezing is ruimer dan de salarisgarantie van artikel
                        9a:11.</al><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Als het totaalinkomen (onder andere loon + vergoedingen + toelagen) in de
                        nieuwe functie buiten de</al><al>gemeentelijke organisatie lager is, maken gemeente en medewerker in het
                        kader van het loopbaanplan afspraken</al><al>over een financiële regeling.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:26</cursief></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op grond van artikel 8:3, zoals dat
                        luidde op 31 december 2005, op 31</al><al>december 2005 een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55 jaar.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd
                        op de pensioengerechtigde</al><al>leeftijd van 65 jaar.</al><al>De duur van de periode dat 50% gewerkt wordt tegen doorbetaling van 90% van
                        het salaris is afhankelijk van</al><al>het aantal dienstjaren dat betrokkene op 1 januari 2006 had. De duur is
                        namelijk tot het moment dat betrokkene</al><al>gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof wordt verleend (artikel
                        9b:28).</al><al>Dat 60% werken tegen 95% van de bezoldiging voor ambulancepersoneel als
                        alternatief geldt voor 50% werken</al><al>tegen 90% van de bezoldiging heeft met de mogelijkheid te maken dat
                        ambulancepersoneel in verband met</al><al>vakbekwaamheidseisen minimaal 60% van een volledige betrekking (= 60% van 36
                        uur per week) moet werken.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als in een gemeente op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende
                        ambtenaar een FLO-leeftijd</al><al>van 56 of ouder gold, geldt het recht pas vanaf het moment, dat de ambtenaar
                        die leeftijd bereikt. Het</al><al>overgangsrecht gaat dus op een later moment in dan vanaf 55 jaar. Ook het
                        moment van gedeeltelijk</al><al>doorbetaald verlof van artikel 9b:28 schuift dan op.</al><al>In al deze gevallen geldt wel dat het onbezoldigd volledig verlof ingaat
                        vanaf de leeftijd van 59 jaar (artikel</al><al>9b:35).</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59
                        of 60 jaar, gaan dus direct met</al><al>onbezoldigd volledig verlof. Op hen is artikel 9b:26 (net als artikel 9b:28;
                        zie de toelichting op artikel 9b:28,</al><al>lid 2) feitelijk niet van toepassing. De leeftijd waarop zij met onbezoldigd
                        volledig verlof gaan, komt namelijk</al><al>eerder dan de leeftijd bedoeld in artikel 9b:26 voor 50% gaan werken tegen
                        90% bezoldiging, respectievelijk</al><al>60% werken tegen 95% bezoldiging. Voor de toelichting op ambtenaren,
                        werkzaam in een functie, waarvoor</al><al>een FLO-leeftijd van 59 jaar was gesteld, zie de toelichting op lid 5. Voor
                        de toelichting op ambtenaren,</al><al>werkzaam in een functie, waarvoor een FLO-leeftijd van 60 jaar was gesteld,
                        zie het tweede lid van artikel</al><al>9b:35.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts,
                        die op grond van hoofdstuk 7</al><al>wordt ingeschakeld, als uit het periodiek arbeidsgezondheidskundig
                        onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Zie toelichting op artikel 9b:43.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Men kan er ook voor kiezen om later dan met 55 jaar het overgangsrecht in te
                        laten gaan. In dit geval</al><al>gaat ook het onbezoldigd volledig verlof van artikel 9b:35 later in. Als
                        iemand hiervoor kiest kan hij het</al><al>ouderdomspensioen later laten ingaan. Het ouderdomspensioen wordt dan over
                        minder jaren gespreid, waardoor</al><al>de uitkering per jaar hoger wordt.</al><al>De ambtenaar met een bezwarende functie, waarvoor het college op 31 december
                        2005 een FLO-leeftijd van 59</al><al>jaar had vastgesteld, heeft geen andere keuze dan onbezoldigd volledig
                        verlof, ingaande vanaf de leeftijd van 59</al><al>jaar. In artikel 9b:35 is opgenomen dat de ingangsdatum van dit onbezoldigd
                        volledig verlof opgeschoven kan</al><al>worden.</al><al>Het onbezoldigd volledig verlof van de ambtenaar met een bezwarende functie,
                        waarvoor het college op 31</al><al>december 2005 een FLO-leeftijd van 60 jaar had vastgesteld, gaat in vanaf de
                        leeftijd van 60 jaar. Ook hij kan</al><al>de ingangsdatum van dit onbezoldigd volledig verlof opschuiven.</al><al>Zie verder ook de toelichting op artikel 9b:35.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                        verzoek van de ambtenaar</al><al>beslissen.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:27</cursief></vet></al><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat
                        de gemeentelijke werkgever de</al><al>werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:27a</cursief></vet></al><al>Omdat de toelage onregelmatige dienst onderdeel uitmaakt van de bezoldiging,
                        die grondslag is voor de betaling</al><al>die op grond van artikel 9b:26 gedaan wordt, bestaat geen apart recht op een
                        toelage onregelmatige dienst.</al><al>Deze toelage zou dan namelijk dubbel betaald worden. Ditzelfde geldt voor de
                        eindejaarsuitkering en de</al><al>vakantietoelage.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:28</cursief></vet></al><al>Uitgangspunt bij dit artikel is dat op 31 december 2005 een FLO-leeftijd was
                        vastgesteld van 55 jaar.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof, die, in tegenstelling tot het
                        verlof als bedoeld in artikel 6:4:5,</al><al>verleend kan worden voor maximaal 3 jaar. De duur van het verlof is
                        afhankelijk van het aantal dienstjaren op</al><al>1 januari 2006 en wordt bepaald op de wijze zoals aangegeven in het eerste
                        lid. Het buitengewoon verlof wordt</al><al>gezien als een vroegpensioenregeling. Daarom wordt dit fiscaal extra
                        belast.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als op 31 december 2005 voor de functie van de betreffende ambtenaar een
                        FLO-leeftijd van 56 was</al><al>vastgesteld, gelden de keuzes van het eerste lid pas vanaf de leeftijd van
                        56 jaar. Ditzelfde geldt naar analogie</al><al>bij een FLO-leeftijd van 57 en 58.</al><al>In al deze gevallen geldt echter wel dat het onbezoldigd volledig verlof
                        ingaat vanaf de leeftijd van 59 jaar.</al><al>Ambtenaren met een functie, waarvoor een FLO-leeftijd was vastgesteld van 59
                        of 60 jaar, gaan dus direct met</al><al>onbezoldigd volledig verlof (vanaf het bereiken van de leeftijd van 59,
                        respectievelijk 60 jaar). Op hen is artikel</al><al>9b:28 (net als artikel 9b:26, zie de toelichting op artikel 9b:26, lid 2)
                        feitelijk niet van toepassing. De leeftijd</al><al>waarop zij met onbezoldigd volledig verlof gaan, komt namelijk eerder dan de
                        leeftijd bedoeld in artikel 9b:28</al><al>(gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof). Voor hen is in artikel 9b:35
                        bepaald dat zij de ingangsdatum</al><al>van het onbezoldigd volledig verlof kunnen opschuiven.</al><al>De duur van de door de ambtenaar gemaakte keuze wordt dus korter naarmate
                        een hogere FLO-leeftijd dan 55</al><al>jaar gold.</al><al>Zie verder de toelichting op artikel 9b:35.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:29</cursief></vet></al><al>De premie volgt de normale werkgevers-werknemersverdeling. Dit betekent dat
                        de gemeentelijke werkgever de</al><al>werknemerspremie op de ambtenaar verhaalt.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:31</cursief></vet></al><al>Gedurende de periode dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:26 voor 50%
                        werkt (respectievelijk 60% voor</al><al>ambulancepersoneel), bouwt hij voor 50%, respectievelijk 60% vakantie op.
                        Gedurende de periode dat op</al><al>grond van artikel 9b:28 gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof
                        verleend wordt, wordt geen vakantie</al><al>opgebouwd.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:34</cursief></vet></al><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                        bezoldiging of een uitkering wordt</al><al>verstrekt, zonder dat daar die arbeid tegenover staat, die behoort bij de
                        doorbetaalde bezoldiging of uitkering.</al><al>Dit is bij ambtenaren met, op 1 januari 2006, minder dan 20 dienstjaren
                        tijdens de periode van:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>50% werken tegen doorbetaling van 80% van de
                        bezoldiging (of 60% werken tegen 95% bezoldiging voor</al><al>ambulancepersoneel) (artikel 9b:26);</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>volledig buitengewoon verlof tegen
                        doorbetaling van 75%, respectievelijk 78% of 80% van de bezoldiging</al><al>(artikel 9b:28).</al><al>Tijdens de periode van onbezoldigd volledig verlof (artikel 9b:35), wordt
                        ten laste van de gemeente geen</al><al>betaling aan de ambtenaar gedaan. Tijdens die periode is dan ook geen sprake
                        van verrekening van inkomsten.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:35</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Betrokkene kan zijn verlof financieren door gebruik te maken van de
                        levensloopvoorziening. Om ervoor</al><al>te zorgen dat de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt waaraan een
                        FLO-leeftijd van 55, 56, 57,</al><al>58 of 59 jaar was gekoppeld, drie jaar kan overbruggen, zorgt het college
                        voor een zodanige bijdrage in de</al><al>levensloopvoorziening, dat betrokkene – uitgaande van het bereiken van 20
                        dienstjaren of meer op het moment</al><al>van onbezoldigd volledige verlof – onder voorwaarden <vet>[x4] </vet>vanaf
                        zijn 59e jaar gedurende 3 jaar in een</al><al>inkomen kan voorzien van 70% van zijn oude bezoldiging per jaar. Voor
                        ambtenaren die een bezwarende</al><al>functie bekleden, waaraan een FLO-leeftijd van 60 was gekoppeld, geldt dat
                        het college zorgt voor een bijdrage</al><al>in de levensloopvoorziening, waarmee – uitgaande van het bereiken van 20
                        dienstjaren op het moment van</al><al>onbezoldigd volledig verlof – onder voorwaarden <vet>[x5] </vet>vanaf de
                        leeftijd van 60 jaar gedurende 2 jaar in een</al><al>inkomen kan worden voorzien van 70% van de oude bezoldiging. Dit is geregeld
                        in artikel 9b:44.</al><al>Maakt de ambtenaar gedurende een andere periode van verlof gebruik van de
                        levensloopvoorziening of heeft hij</al><al>geen 20 dienstjaren op het moment van ingang van het onbezoldigd volledig
                        verlof, dan verlaagt hij daarmee de</al><al>mogelijke opname van de levensloopvoorziening tijdens de periode van
                        onbezoldigd volledig verlof of verkort</al><al>hij de periode dat zijn opname uit de levensloopvoorziening 70% van de oude
                        bezoldiging bedraagt.</al><al>Vanaf de leeftijd van 62 jaar kan betrokkene zijn OP laten ingaan (dit is
                        het naar voren halen van het versterkt</al><al>OP). Wanneer hij dat wil, moet hem op dat moment ontslag verleend worden op
                        grond van artikel 8:2.</al><al>De ambtenaar kan er ook voor kiezen zijn ouderdomspensioen later te laten
                        ingaan. Het pensioen dat hij op</al><al>62-jarige leeftijd zou ontvangen, wordt actuarieel verhoogd naarmate het OP
                        later ingaat. Als betrokkene een</al><al>eigen financieringsbron heeft voor een lange periode van onbezoldigd
                        volledig verlof, kan dit gunstig zijn.</al><al>Als de ambtenaar gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van het vijfde
                        lid van artikel 9b:26, gaat het</al><al>onbezoldigd volledig verlof zoveel later in als het moment van artikel 9b:26
                        later is ingegaan.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat een
                        kortere periode overbrugd moet</al><al>worden tot de pensioengerechtigde leeftijd. De ambtenaar is vrij in de
                        manier waarop hij deze periode</al><al>financiert. De ambtenaar kan bijvoorbeeld minder lang gebruik maken van de
                        levensloopregeling (bijvoorbeeld</al><al>omdat hij al eerder van de levensloopregeling gebruik heeft gemaakt of omdat
                        hij gedurende kortere</al><al>tijd een hogere uitkering wil uit de levensloopregeling). Ook kan de
                        ambtenaar er voor kiezen om zijn</al><al>ouderdomspensioen later dan vanaf de leeftijd van 62 jaar te laten ingaan
                        (het versterkt OP wordt dan minder</al><al>ver naar voren gehaald). Omdat het ouderdomspensioen daardoor over een
                        kortere periode wordt verspreid,</al><al>resulteert dit in een hoger ouderdomspensioen. Voor ambtenaren met een lage
                        OP-opbouw kan dit een</al><al>interessante optie zijn.</al><al>Het later laten ingaan van 50% werken tegen 90% salaris betekent dat over
                        een langere periode</al><al>ouderdomspensioen wordt opgebouwd.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Hier is sprake van een nieuwe vorm van verlof. Het verschil met het verlof,
                        bedoeld in artikel 6:9, is de</al><al>werkgever deze vorm van verlof kan opleggen. Omdat sprake is van een nieuwe
                        vorm van onbezoldigd verlof,</al><al>is ook artikel 6:10 lid 4 niet van toepassing. Artikel 6:10, lid 4, regelt
                        namelijk dat de pensioenopbouw tijdens</al><al>de periode van verlof volledig voor rekening komt van de ambtenaar, tenzij
                        het verlof voor ten hoogste drie</al><al>maanden wordt verleend. Bij de vorm van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld
                        in artikel 9b:35, volgt de</al><al>premie gedurende de gehele periode van verlof met een maximum van drie,
                        respectievelijk twee jaar de normale</al><al>werkgevers- werknemersverdeling. Zie ook artikel 9b:36.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als het college op 31 december 2005 aan de functie van de ambtenaar een
                        FLO-leeftijd gekoppeld had van 60</al><al>jaar gaat het onbezoldigd volledig verlof in bij het bereiken van de
                        leeftijd van 60 jaar.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De ambtenaar met een functie, waaraan het college op 31 december 2005 een
                        FLO-leeftijd gekoppeld had van</al><al>59 of 60 jaar, heeft de keuze om het moment van het onbezoldigd volledig
                        verlof later te laten ingaan. Deze</al><al>ambtenaar moet dan langer doorwerken tegen een volledig salaris. Deze
                        ambtenaren hebben niet het recht, dat</al><al>artikel 9b:26 biedt. Het moment van onbezoldigd volledig verlof komt
                        namelijk eerder dan of valt gelijk met</al><al>het moment, bedoeld in artikel 9b:26. De vrijheid die artikel 9b:26, vijfde
                        lid, biedt om het recht later te laten</al><al>ingaan en daarmee het moment van onbezoldigd volledig verlof later te laten
                        ingaan, is voor ambtenaren in een</al><al>functie met een FLO-leeftijd van 59 of 60 jaar dus geen automatisme. Daarom
                        is de keuzevrijheid voor het later</al><al>laten ingaan van het onbezoldigd volledig verlof in dit artikellid
                        opgenomen.</al><al>Het voordeel voor de ambtenaar is, dat hij langer ouderdomspensioen
                        opbouwt.</al><al>De voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om langer door te
                        werken. De medische ongeschiktheid</al><al>kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts, die op grond van hoofdstuk
                        7 wordt ingeschakeld, als uit het</al><al>periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Het college moet conform de Algemene wet bestuursrecht binnen 8 weken op het
                        verzoek van de ambtenaar</al><al>beslissen.</al><al><cursief>Combinatie van artikel 9b:26, 9b;28 en 9b:35</cursief></al><al>Artikel 9b:26, 9b:28 en 9b:35 samen betekenen, uitgaande van een
                        FLO-leeftijd van 55 jaar, het volgende:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="20*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="20*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="20*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>A</al></entry><entry colname="col2"><al>B</al></entry><entry colname="col3"><al>C</al></entry><entry colname="col4"><al>D</al></entry><entry colname="col5"><al>E</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Dienstjaren op 1 januari</al><al>2006</al></entry><entry colname="col2"><al>leeftijd ingang 50%</al><al>werken tegen 90%</al><al>bezoldiging</al></entry><entry colname="col3"><al>leeftijd ingang</al><al>gedeeltelijk betaald verlof</al></entry><entry colname="col4"><al>percentage bezoldiging</al><al>bij gedeeltelijk betaald</al><al>verlof</al></entry><entry colname="col5"><al>leeftijd onbezoldigd verlof</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15-20</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>56 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>80%</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>10-15</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>57 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>78%</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5-10</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>58 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>75%</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>minder dan 5</al></entry><entry colname="col2"><al>55 jaar</al></entry><entry colname="col3"><al>59 jaar</al></entry><entry colname="col4"><al>--</al></entry><entry colname="col5"><al>59</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bij een hogere FLO-leeftijd dan 55 jaar schuift de datum van kolom B en C op
                        terwijl de datum van kolom E</al><al>gelijk blijven.</al><al>Als de ambtenaar er zelf voor kiest om de datum waarop hij 50% gaat werken
                        tegen 90% van de bezoldiging op</al><al>te schuiven (hij maakt dan gebruik van het vijfde lid van artikel 9b:26),
                        schuift de datum van kolom B, C en E</al><al>op.</al><al>Op de ambtenaar, waarvoor het college op 31 december 2005, op grond van
                        artikel 8:3, zoals dat luidde op</al><al>31 december 2005, een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, is
                        alleen kolom E van toepassing. Zij</al><al>kunnen dit moment opschuiven.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:36</cursief></vet></al><al>Voor een toelichting op de periode van 3, respectievelijk 2 jaar wordt
                        verwezen naar de toelichting op artikel</al><al>9b:35, algemeen.</al><al>Zolang deze ambtenaren in dienst zijn van de gemeente en een opname doen van
                        opgebouwd levenslooptegoed</al><al>wordt, met een maximum van 3, respectievelijk 2 jaar en voor zover het
                        Pensioenreglement dat toelaat,</al><al>pensioen opgebouwd over de volledige bezoldiging. Het Pensioenreglement
                        bepaalt dat pensioen wordt</al><al>opgebouwd over de volledige bezoldiging, tenzij de opname uit de
                        levenslooppot minder bedraagt dan 70%. In</al><al>dat laatste geval wordt pensioen opgebouwd over dat lagere percentage.</al><al>Uit de Pensioenovereenkomst vloeit voort dat de premie de normale
                        werkgevers-werknemersverdeling</al><al>volgt. Dit betekent dat de gemeentelijke werkgever de werknemerspremie op de
                        ambtenaar verhaalt. De</al><al>pensioenpremie wordt ingehouden op de uitbetaling van de
                        levensloopuitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:37</cursief></vet></al><al>Vanaf het moment dat de ambtenaar onbezoldigd volledig verlof geniet, wordt
                        hij voor de premie van de</al><al>IZA-verzekering beschouwd als postactieve. In de ledenbrief van 21 december
                        2005 (lbr. 05/132), bijlage 5,</al><al>wordt omschreven op welke manier de IZA-premie voor postactieven wordt
                        berekend.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:43</cursief></vet></al><al>Als iemand arbeidsongeschikt raakt gelden de normale regels bij
                        arbeidsongeschiktheid. Hoofdstuk 7 is dus van</al><al>toepassing. Betrokkene en werkgever zoeken naar een andere functie. Ook
                        volgt de bezoldiging de reguliere</al><al>regels van loondoorbetaling bij ziekte.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Lid 1 gaat over de ambtenaar die op grond van ziekte niet conform artikel
                        9b:26 (50% werken tegen 90%</al><al>bezoldiging respectievelijk voor ambulancepersoneel 60% werken tegen 95% van
                        de bezoldiging) kan werken.</al><al>Op hem blijft hoofdstuk 7 van toepassing tot het moment dat de datum bereikt
                        wordt, waarop conform artikel</al><al>9b:28 gedeeltelijk betaald verlof verleend wordt. Op dat moment wordt hij
                        hersteld verklaard en wordt</al><al>hem gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof verleend. Op grond van artikel
                        9b:35 wordt hem vervolgens</al><al>onbezoldigd volledig verlof verleend.</al><al><cursief>Lid 2, 3 en 5</cursief></al><al>De ambtenaar die ziek wordt na de leeftijd van 50 jaar wordt op het moment,
                        bedoeld in artikel 9b:26 hersteld</al><al>verklaard. Op hem is artikel 9b:26 van toepassing, voor zover zijn medische
                        geschiktheid het mogelijk maakt</al><al>dat hij 50% werkt tegen 90% van de bezoldiging (voor ambulancepersoneel 60%
                        werkt tegen 95% van de</al><al>bezoldiging). Is dat niet mogelijk dan is op hem het vierde lid van artikel
                        9b:26 van toepassing, waarin wordt</al><al>verwezen naar het eerste lid van dit artikel. Dat betekent dat deze
                        ambtenaar toch weer ziek gemeld wordt en</al><al>pas beter gemeld wordt op het moment dat op grond van artikel 9b:28
                        gedeeltelijk betaald buitengewoon verlof</al><al>verleend wordt. Vervolgens wordt ook hem op grond van artikel 9b:35
                        onbezoldigd volledig verlof verleend.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als een hogere FLO-leeftijd was gesteld, wordt de ambtenaar bij het bereiken
                        van die hogere leeftijd hersteld</al><al>verklaard.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:44</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Uitgangspunt bij de levensloopbijdrage die voorziet in een inkomen van 3
                        respectievelijk 2 jaar lang 70% van</al><al>de bezoldiging is dat de ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 59
                        jaar 20 dienstjaren of meer heeft.</al><al>Heeft hij dit niet, dan is de levensloopbijdrage minder.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:46</cursief></vet></al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                        onafgebroken in de functie gewerkt</al><al>moeten hebben, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:47</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het overgangsrecht dat in de CAO 2005-2007 is overeengekomen, is gebaseerd
                        op de pensioengerechtigde</al><al>leeftijd van 65 jaar.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts,
                        die op grond van hoofdstuk 7</al><al>wordt ingeschakeld, als uit het periodiek arbeidsgezondheidskundig
                        onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als de FPU-uitkering verlaagd wordt in verband met inkomsten, wordt de
                        aanvulling hoger.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:48</cursief></vet></al><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                        bezoldiging of een uitkering wordt</al><al>verstrekt, zonder dat daar die arbeid tegenover staat, die behoort bij de
                        doorbetaalde bezoldiging of uitkering.</al><al>Dit is bij ambtenaar in een bezwarende functie, die geboren is voor 1950,
                        tijdens de periode na ontslag, wanneer</al><al>op de FPU-uitkering een aanvulling wordt gegeven (artikel 9b:47).</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:50</cursief></vet></al><al>In artikel 9b:1 is al genoemd dat de ambtenaar vanaf 31 december 2005
                        onafgebroken in de functie gewerkt</al><al>moeten hebben, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel
                        leeftijdsontslag. Artikel 9b:50, 9b:51 en</al><al>9b:52 gelden voor de ambtenaar, die ondanks het feit dat een FLO-leeftijd
                        was vastgesteld, geen bezwarende</al><al>functie vervulde.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:51</cursief></vet></al><al>Vanaf 1 januari 2006 ontvangen de ambtenaren, geboren na 1949, met 20
                        dienstjaren of meer op 1 januari 2006</al><al>de reguliere levensloopbijdrage van 1,5%.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:52</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De ambtenaar heeft de keuze om</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>op de leeftijd van 60 jaar en 3 maanden
                        FPU-ontslag te krijgen tegen een aanvulling van de FPU-uitkering</al><al>tot 80% respectievelijk 70% van de bezoldiging;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>na de leeftijd van 60 jaar en 3 maanden
                        FPU-ontslag te krijgen tegen een FPU- en</al><al>FPU-Gemeenten-uitkering.</al><al>Per individuele ambtenaar verschilt welke keuze financieel gunstiger is. Dit
                        is met name afhankelijk van de</al><al>spilleeftijd voor de FPU cq. FPU-Gemeenten. Daarnaast is van belang of de
                        ambtenaar eerder wil stoppen met</al><al>werken tegen een lagere uitkering of langer door wil werken tegen daarna een
                        hogere uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De medische ongeschiktheid kan zowel blijken uit de mening van de arbo-arts,
                        die op grond van hoofdstuk 7</al><al>wordt ingeschakeld, als uit het periodiek arbeidsgezondheidskundig
                        onderzoek, dat opgelegd wordt.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als de FPU-uitkering verlaagd wordt in verband met inkomsten, wordt de
                        aanvulling hoger.</al><al><vet><cursief>Artikel 9b:53</cursief></vet></al><al>Verrekening van inkomsten vindt plaats als er ten laste van de gemeente
                        bezoldiging of een uitkering wordt</al><al>verstrekt, zonder dat daar die arbeid tegenover staat, die behoort bij de
                        doorbetaalde bezoldiging of uitkering.</al><al>Dit is bij ambtenaar in een niet bezwarende functie, die geboren is voor
                        1950, tijdens de periode na ontslag,</al><al>wanneer op de FPU-uitkering een aanvulling wordt gegeven (artikel
                        9b:52).</al><al><vet>9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in
                            een betrekking bij het</vet></al><al><vet>gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel
                            8:3, zoals dat luidde op</vet></al><al><vet>31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 9c:1</cursief></vet></al><al>In de CAO 2005-2007 is het FLO afgeschaft voor alle functies, behalve de
                        FLO-functies in het gemeentelijke</al><al>stadsvervoer. Partijen hebben afgesproken dat de oude FLO-regeling op hen
                        van kracht blijft totdat zij een</al><al>akkoord hebben bereikt over een nieuwe regeling. Vanwege nieuwe fiscale
                        regels is het echter wel noodzakelijk</al><al>een aanpassing te doen in de bestaande regeling. De regeling valt voor
                        medewerkers geboren vóór 1950 nog</al><al>onder de oude fiscaal gunstige regels als deze regeling niet openstaat voor
                        jongere medewerkers. Om die reden</al><al>is er een splitising aangebracht tussen de regeling voor medewerkers geboren
                        voor 1950 en medewerkers</al><al>geboren na 1949. In artikelen 9:15 en 9:16 is de regeling opgenomen voor
                        ambtenaren geboren vóór 1950 die</al><al>werkzaam zijn in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor
                        de gemeente leeftijdsgrenzen</al><al>heeft vastgesteld. De regeling voor ambtenaren geboren na 1949 werkzaam in
                        oud-FLO-betrekkeningen is in dit</al><al>hoofdstuk geregeld. Beide regelingen zullen wijzigen op het moment dat
                        betrokken partijen een akkoord hebben</al><al>bereikt op dit punt.</al><al><vet>10 Wachtgeld</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 10:1</cursief></vet></al><al>In de CAR is het belanghebbende-begrip (de Algemene wet bestuursrecht
                        noodzaakt tot de invoering</al><al>van de term betrokkene) zodanig omschreven dat dit begrip erin voorziet dat
                        alle gevallen waarbij</al><al>wachtgeldaanspraken kunnen ontstaan nu in één artikel in het hoofdstuk
                        wachtgeld bij elkaar staan.</al><al>Op grond van het bepaalde in het tweede lid heeft ook degene recht op
                        wachtgeld die zelf ontslag gevraagd</al><al>heeft, nadat schriftelijk aan betrokkene kenbaar is gemaakt dat het
                        bestuursorgaan voornemens is ontslag te</al><al>verlenen wegens reorganisatie danwel wegens arbeidsongeschiktheid.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:3</cursief></vet></al><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van het hoofdstuk wachtgeld de
                        tijd is, doorgebracht in</al><al>overheidsdienst, waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet
                        privatisering ABP is verbonden, alsmede de</al><al>tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking en uitbreiding
                        ambtenaarschap in de zin van de</al><al>pensioenwet (Stcrt. 1994, 98) bovengenoemd ambtenaarschap niet is verbonden.
                        Het gaat hierbij bijvoorbeeld</al><al>om diensttijd doorgebracht als seizoenswerker of als deelnemer aan een
                        werkgelegenheidsverruimende</al><al>maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid.
                        In de eerste plaats telt</al><al>de diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan een jaar niet mee
                        voor de berekening van de</al><al>wachtgeldduur. Deze tijd doorgebracht in overheidsdienst, voorafgaand aan
                        een onderbreking van langer dan</al><al>een jaar, telt - op grond van het bepaalde in artikel 10:3, onderdeel a -
                        wel mee bij de beoordeling of betrokkene</al><al>een diensttijd heeft van ten minste tien jaar, dan wel voor het beoordelen
                        of aanspraak bestaat op een bijzonder</al><al>verlengd wachtgeld (leeftijd en diensttijd bedraagt meer dan 60).</al><al>Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van een
                        recht op wachtgeld of een</al><al>ontslaguitkering, telt in de regel niet nogmaals mee bij de vaststelling van
                        wachtgeldaanspraken. Ook deze</al><al>hoofdregel kent weer uitzonderingen. Deze diensttijd telt namelijk wel weer
                        mee bij de beoordeling of</al><al>betrokkene aan tien dienstjaren komt, dan wel of de som van leeftijd en
                        diensttijd op de ontslagdatum meer</al><al>bedraagt dan 60. Deze diensttijd telt ook nogmaals mee wanneer de betrekking
                        waaruit ontslag volgde, werd</al><al>aanvaard op het moment dat betrokkene wachtgelder was (in het kader van de
                        bijzondere verlenging, artikel</al><al>10:8, derde lid). Tijd doorgebracht als wachtgelder wordt dan wel in
                        mindering gebracht op de duur van een</al><al>nieuw wachtgeld.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht
                        van pensioenopbouw bij een</al><al>private werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP niet leidt tot
                        bijtelling van diensttijd voor de opbouw</al><al>van wachtgeldaanspraken. Het betreft hier tijd die uitsluitend meetelt voor
                        de opbouw van ouderdoms- en</al><al>nabestaandenpensioen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:4</cursief></vet></al><al>Voor de omschrijving van het begrip dienstbetrekking wordt aangesloten bij
                        het begrip dienstbetrekking uit de</al><al>WW. Door de verwijzing naar de artikelen 4, 5 en 6 van de WW wordt bereikt
                        dat de reikwijdte van het begrip</al><al>dienstbetrekking gelijk is aan die ingevolge de WW.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:6</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Sinds de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen
                        (Wet TBA) kent het</al><al>wachtgeldregime de mogelijkheid van samenloop van een WAO-uitkering (tot 1
                        januari 1996 een</al><al>invaliditeitspensioen) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder
                        dan 80% en een wachtgeld. In</al><al>een situatie van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is immers tevens sprake
                        van werkloosheid, voor zover</al><al>betrokken ambtenaar zijn restcapaciteit niet kan benutten.</al><al>Hierdoor wordt de kring van rechthebbenden op een wachtgeld verruimd.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid bepaalt in welke gevallen geen recht op een wachtgeld
                        bestaat. In onderdeel b wordt</al><al>bepaald dat dit het geval is wanneer aanspraak bestaat op een WAO-conforme
                        uitkering naar een mate van</al><al>arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Betrokkene is in dat geval volledig
                        arbeidsongeschikt en als gevolg</al><al>daarvan niet in staat arbeid te verrichten. Onderdeel c bepaalt dat er geen
                        recht bestaat op wachtgeld gedurende</al><al>de periode dat aanspraak op suppletie geldend gemaakt kan worden (zie
                        hoofdstuk 11a).</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid aanspraak op wachtgeld te maken
                        ingeval op de ontslagdatum sprake</al><al>is van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, maar waarvan de
                        arbeidsongeschiktheid nadien</al><al>op een lager percentage wordt vastgesteld. De hoogte en duur van dit alsnog
                        toegekende wachtgeld worden</al><al>vastgesteld, te rekenen vanaf de ontslagdatum. Het wachtgeld eindigt in
                        beginsel op hetzelfde tijdstip als</al><al>wanneer het zou eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn
                        toegekend. Hierbij geldt echter</al><al>een uitzondering.</al><al><cursief>Onderdeel a</cursief></al><al>Onderdeel a van het tweede lid bepaalt dat de duur van het wachtgeld vanaf
                        de datum van de afschatting</al><al>wordt berekend op basis van de WW-bodembepalingen (artikel 10:7). Ter
                        bepaling van het arbeidsverleden</al><al>dient daarbij voor de toepassing van artikel 10:7, vierde lid, onderdeel a,
                        tevens te worden begrepen een</al><al>invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid
                        van 80% of meer. Daarmee wordt</al><al>bereikt dat ingeval van afschatting de ambtenaar qua hoogte en duur niet
                        minder uitkering ontvangt dan een</al><al>verzekerde in de zin van de WW.</al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Onderdeel b van het tweede lid bepaalt dat voor de berekening van de duur
                        van het wachtgeld vanaf de datum</al><al>van afschatting op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd de datum
                        op grond waarvan het recht</al><al>op pensioen is ontstaan het uitgangspunt blijft. Artikel 10:8 wordt dus in
                        die zin toegepast dat hierbij wordt</al><al>uitgegaan van de oorspronkelijke ontslagdatum. De duur van het wachtgeld
                        vanaf de datum van afschatting</al><al>wordt uiteindelijk vastgesteld volgens de berekeningswijze die de langste
                        duur oplevert.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid bepaalt dat na afloop van de suppletie nog aanspraak op
                        wachtgeld gemaakt kan worden. Dit</al><al>is uitsluitend het geval indien de duur van het wachtgeld meer bedraagt dan
                        de periode van 5,5 jaar (2 x 33</al><al>maanden) suppletie. Een dergelijke wachtgeldduur kan alleen worden
                        vastgesteld op basis van de omvang van</al><al>de diensttijd.</al><al>Dit wachtgeld begint op de eerste dag nadat de aanspraak op suppletie is
                        geëindigd en duurt tot het moment</al><al>waarop het zou eindigen indien het met ingang van de ontslagdatum zou zijn
                        toegekend. De hoogte van dit</al><al>wachtgeld wordt vastgesteld op zodanige wijze dat gerekend wordt vanaf de
                        oorspronkelijke ontslagdatum.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:7</cursief></vet></al><al>De basisduur van het wachtgeld bedraagt 6 maanden. Degenen die in de periode
                        van 5 jaar onmiddellijk</al><al>voorafgaand aan het ontslag gedurende ten minste 3 jaar in dienstbetrekking
                        van 8 of meer uren per week</al><al>werkzaam zijn geweest, komen in aanmerking voor een verlengd wachtgeld. Het
                        gaat hier om de zogenaamde</al><al>'arbeidsverleden-eis', een eis uit de op dit punt inmiddels gewijzigde WW.
                        (Ingevolge de WW dient betrokkene</al><al>sinds 1 maart 1995 gedurende een periode van 5 jaar ten minste 4 jaar
                        gewerkt te hebben om voor een verlengde</al><al>uitkering - met een duur die meer dan zes maanden bedraagt - in aanmerking
                        te komen. Voor het recht op een</al><al>WW-uitkering is het in de eerste plaats noodzakelijk dat betrokkene,
                        voorafgaand aan de ontslagdatum, in</al><al>een periode van 39 weken ten minste gedurende 26 weken werkzaam is geweest).
                        Met het oog op 1 januari</al><al>1998, de datum waarop de WW beoogd wordt integraal van toepassing te zijn op
                        overheidspersoneel, is ervoor</al><al>gekozen deze verzwaarde eis nog niet in ambtelijke regelingen op te nemen.
                        Een uitzondering geldt voor</al><al>degenen die onmiddellijk voorafgaand aan het ontslag een uitkering genieten
                        op grond van de Algemene</al><al>Arbeidsongeschiktheidswet. Zij komen, zonder dat zij aan de
                        'arbeidsverleden-eis' behoeven te voldoen, voor</al><al>een verlengd wachtgeld in aanmerking. De duur van het verlengde wachtgeld is
                        afhankelijk van de omvang van</al><al>het arbeidsverleden, dat bestaat uit een feitelijk en een fictief deel.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:8</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgeldduur berekend wordt op twee wijzen,
                        op basis van de omvang van de</al><al>ambtelijke diensttijd en op basis van de omvang van het arbeidsverleden. De
                        wachtgeldduur wordt uiteindelijk</al><al>vastgesteld op basis van de berekeningswijze die de langste duur oplevert.
                        Bij de vergelijking blijft de duur van</al><al>het vervolgwachtgeld buiten beschouwing. Dit volgt uit de formulering van
                        het eerste lid, waarbij uitsluitend</al><al>wordt verwezen naar het bepaalde in artikel 10:7. De verlenging van het
                        wachtgeld op basis van de som van</al><al>leeftijd en diensttijd (de bijzondere verlenging van het wachtgeld) telt wel
                        mee bij de vergelijking.</al><al>De wachtgeldduur op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd wordt
                        uitgedrukt in een percentage</al><al>van de ambtelijke diensttijd. Hoe hoger de leeftijd op de ontslagdatum, des
                        te hoger het percentage waarin de</al><al>diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van het wachtgeld. Het percentage van
                        de diensttijd is minimaal 18 bij een</al><al>leeftijd van 20 jaar. Daarna neemt het met 1,5% per jaar toe tot maximaal
                        78%.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid bepaalt op welke wijze de diensttijd die bij een eerder
                        toegekend wachtgeld of toegekende</al><al>uitkering in aanmerking is genomen, nogmaals meetelt voor de berekening van
                        een wachtgeldduur. Diensttijd</al><al>wordt uitsluitend nogmaals in aanmerking genomen bij de vaststelling van een
                        wachtgeldduur, ingeval</al><al>betrokkene de dienstbetrekking waaruit ontslag volgde aanvaardde terwijl
                        aanspraak op een wachtgeld bestond.</al><al>Daarbij geldt als vereiste dat beide wachtgelden moeten zijn toegekend op
                        basis van een wachtgeldduur,</al><al>berekend op basis van de omvang van de diensttijd.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het vierde lid bepaalt dat, wanneer op de ontslagdatum de som van leeftijd
                        en diensttijd 60 of meer bedraagt</al><al>en een diensttijd van ten minste tien jaar is doorgebracht, de duur van het
                        wachtgeld wordt verlengd tot de</al><al>pensioengerechtigde leeftijd. Deze fase van bijzondere verlenging gaat in na
                        afloop van de wachtgeldduur,</al><al>vastgesteld op grond van het bepaalde in het tweede lid.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:9</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Na afloop van het verlengde wachtgeld, als bedoeld in artikel 10:7, tweede
                        lid, bestaat aanspraak op een</al><al>vervolgwachtgeld. Wanneer de ontslagen ambtenaar voldoet aan de
                        arbeidsverleden-eis, maar vanwege de</al><al>leeftijd op de ontslagdatum geen aanspraak heeft op een verlengd wachtgeld,
                        bestaat na afloop van de basisduur</al><al>van zes maanden aanspraak op een vervolgwachtgeld. Deze situatie is geregeld
                        in het tweede lid, onderdeel</al><al>b, waarbij het arbeidsverleden minder dan vijf jaar dient te omvatten. Een
                        dergelijke situatie zal zich zelden</al><al>voordoen, namelijk alleen in die gevallen waarbij de wachtgelder op de
                        ontslagdatum jonger is dan 23 jaar.</al><al><cursief>Leden 5 en 6</cursief></al><al>Het vijfde en zesde lid regelen de situatie waarbij sprake is van recht op
                        een vervolgwachtgeld met een kortere</al><al>duur dan een jaar, respectievelijk 3,5 jaar. Deze situatie kan zich voordoen
                        wanneer de wachtgeldduur wordt</al><al>vastgesteld op basis van de omvang van de ambtelijke diensttijd en het
                        verschil tussen deze duurberekening</al><al>en die op basis van de omvang van het arbeidsverleden minder bedraagt dan
                        een jaar. In dat geval ontstaat</al><al>aanspraak op een vervolgwachtgeld met een duur die korter is dan de
                        gebruikelijke duur. Uiteindelijk betekent</al><al>dit dat het wachtgeld van degene die aanspraak heeft op een wachtgeld op
                        basis van de omvang van de</al><al>diensttijd met inbegrip van een stukje vervolgwachtgeld, op hetzelfde
                        tijdstip eindigt als wanneer het wachtgeld</al><al>met inbegrip van het vervolgwachtgeld, geëindigd zou zijn, wanneer het zou
                        zijn toegekend op basis van</al><al>de omvang van het arbeidsverleden. Het volgende voorbeeld dient als
                        toelichting. berekeningswijze van de</al><al>wachtgeldduur op basis van artikel 10:7 basisduur verlengde duur
                        vervolgwachtgeld berekeningswijze van de</al><al>wachtgeldduur op basis van artikel 10:8 vervolgwachtgeld</al><al><vet><cursief>Artikel 10:10</cursief></vet></al><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldpercentages (90, 80 en 70%) met 3
                        procentpunten verlaagd. Omdat</al><al>ingevolge het bepaalde in de "Procentenwet" (wet van 20 december 1984, Stb.
                        1984, 657) de uitkeringshoogten</al><al>met 3 procentpunten worden verhoogd, betekent het dat de hoogte van het
                        wachtgeld 90%, 80% en 70%</al><al>bedraagt (respectievelijk 87%, 77% en 67% vermeerderd met 3%) gehandhaafd
                        blijft. Bij een mogelijk</al><al>intrekken van de Procentenwet - van een concreet beleidsvoornemen is
                        momenteel nog geen sprake - zullen</al><al>de percentages met hetzelfde aantal procentpunten verhoogd worden. Het
                        bedrag aan wachtgeld bedraagt</al><al>ten minste het bedrag aan ouderdomspensioen dat op de ontslagdatum is
                        opgebouwd. Tijdens de bijzondere</al><al>verlenging (op basis van artikel 10:8, vierde lid) bedraagt het wachtgeld
                        het eerste jaar van deze verlenging ten</al><al>minste 40% van de bezoldiging, en vervolgens het bedrag aan
                        ouderdomspensioen wanneer dat lager is dan</al><al>40%. De gewezen ambtenaar die bijvoorbeeld 20 pensioenjaren heeft, ontvangt
                        gedurende het eerste jaar van de</al><al>verlenging 40% van zijn bezoldiging en daarna 35% van zijn bezoldiging (20
                        maal 1,75%).</al><al><vet><cursief>Artikel 10:11</cursief></vet></al><al>Het bedrag van het vervolgwachtgeld bedraagt het minimumloon, behalve in die
                        gevallen waarbij het</al><al>minimumloon meer zou bedragen dan 70% van de bezoldiging. Deze laatste
                        toevoeging voorkomt dat</al><al>bijvoorbeeld degene die uit een deeltijdbetrekking is ontslagen, gedurende
                        de fase van het vervolgwachtgeld</al><al>met een inkomensvooruitgang geconfronteerd zou worden. In dat geval kan het
                        minimumloon meer bedragen</al><al>dan 70% van de bezoldiging en wordt het vervolgwachtgeld vastgesteld op
                        evengenoemd percentage. Het</al><al>bedrag aan minimumloon wordt niet aangevuld met 3% op grond van de
                        Procentenwet. Dit geldt ook ingeval</al><al>het vervolgwachtgeld 70% van de bezoldiging bedraagt.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:12</cursief></vet></al><al>In het kader van privatiseringen van onderdelen van de gemeentelijke
                        organisatie levert de leeftijd van 55</al><al>jaar, die als maximum geldt voor de verplichting passende werkzaamheden te
                        aanvaarden, nog wel eens</al><al>onduidelijkheden op. Degenen van 55 jaar en ouder wiens ambtelijke
                        betrekking wordt omgezet in een private</al><al>betrekking, zijn op grond van deze bepaling namelijk niet verplicht deze
                        betrekking te aanvaarden. Een</al><al>vergelijkbaar regime is overigens in de private sector zeer gebruikelijk.
                        Dit in de vorm van regelingen die erin</al><al>voorzien dat werkloze werknemers die een bepaalde leeftijd hebben bereikt,
                        niet gehouden zijn passende arbeid</al><al>te aanvaarden.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:13</cursief></vet></al><al>Ook de zieke ambtenaar die in het genot is van een wachtgeld, moet voldoen
                        aan verplichtingen die voor de</al><al>actieve zieke ambtenaar gelden. Immers, ook de zieke wachtgelder komt in
                        aanmerking voor geneeskundige</al><al>begeleiding. Daarbij komt dat vastgesteld moet worden of en wanneer recht op
                        een WAO-uitkering ontstaat.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat de wachtgelder die ziek is en daardoor geen
                        werkzaamheden kan verrichten en de</al><al>wachtgelder die weer beter is als gevolg waarvan betrokkene weer werkzaam
                        kan zijn, verplicht is het college</al><al>daarvan op de hoogte te stellen. In de praktijk zal het de afdeling zijn die
                        de wachtgelden uitvoert (doorgaans de</al><al>afdeling P&amp;O), die in dat geval geïnformeerd dient te worden.</al><al>Bij het vaststellen van nadere voorschriften met betrekking tot de
                        geneeskundige begeleiding bij ziekte kan</al><al>worden aangesloten bij de bepalingen van hoofdstuk 7 van de UWO (voor zover
                        de gemeente daarbij is</al><al>aangesloten).</al><al>Het derde lid regelt de verplichting van een wachtgelder om een
                        WAO-uitkering aan te vragen. In het vierde en</al><al>vijfde lid zijn sancties opgenomen, ingeval de wachtgelder verwijtbaar
                        verzuimt een WAO-conforme uitkering</al><al>aan te vragen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:15</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Bij de wijze van verrekening van neveninkomsten wordt het uitgangspunt
                        gehanteerd dat het oorspronkelijke</al><al>niveau van de bezoldiging behouden blijft. Immers, de wachtgelder mag
                        bijverdienen zonder dat er</al><al>gekort wordt op het wachtgeld, voor zover het gezamenlijke bedrag aan
                        wachtgeld en neveninkomsten de</al><al>oorspronkelijke bezoldiging niet teboven gaat. Het wachtgeld wordt dus niet
                        opgeschort ingeval er wordt</al><al>bijverdiend, de einddatum van het wachtgeld blijft ongewijzigd.</al><al>Inkomsten wegens arbeid, bijvoorbeeld een loondervingsuitkering, worden op
                        dezelfde wijze verrekend. Dit is</al><al>van belang voor een gemeente die een wachtgeld uitbetaalt aan een gewezen
                        werknemer, die elders weer gaat</al><al>werken. De inkomsten uit arbeid, alsmede de uitkering die daar mogelijk uit
                        voorkomt, worden verrekend op</al><al>bovengenoemde wijze.</al><al>Hoofdregel is dat neveninkomsten, die reeds werden genoten op de dag
                        voorafgaand aan de ontslagdatum,</al><al>buiten verrekening blijven.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Artikel 10:15, eerste lid, laatste volzin, bepaalt dat voor de verrekening
                        van neveninkomsten wordt uitgegaan</al><al>van het bedrag aan wachtgeld, waarbij de vermindering van het wachtgeld als
                        gevolg van het feit dat de</al><al>wachtgelder gedeeltelijk arbeidsongeschikt is verklaard, buiten beschouwing
                        blijft. Indien zou worden</al><al>uitgegaan van het verminderde bedrag aan wachtgeld, zou dit er immers toe
                        leiden dat het 'vrije' bedrag (het</al><al>bedrag dat kan worden bijverdiend zonder dat een korting op het wachtgeld
                        plaatsvindt) hoger wordt. Het totale</al><al>bedrag aan wachtgeld, neveninkomsten en arbeidsongeschiktheidsuitkering zou
                        hierdoor het bedrag van de</al><al>laatstgenoten bezoldiging te boven gaan.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het bepaalde in het tweede lid heeft betrekking op een uitkeringssituatie
                        die zich zelden zal voordoen. Het</al><al>gaat hierbij om de wachtgelder die tijdens de wachtgeldperiode een nieuwe
                        betrekking heeft aanvaard, waaruit</al><al>hij arbeidsongeschikt wordt. Als gevolg hiervan wordt betrokkene ontslagen.
                        Er ontstaat aanspraak op een</al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering eventueel aangevuld met een tweede
                        ambtelijke uitkering. De wachtgelder in</al><al>deze situatie gaat vervolgens bijverdienen. In een dergelijke situatie zal
                        betrokkene, die arbeidsongeschikt is</al><al>verklaard voor de betrekking die vervuld werd als wachtgelder in de regel
                        namelijk eveneens arbeidsongeschikt</al><al>zijn voor de oorspronkelijke betrekking waarin men werkzaam was.</al><al>Uitgangspunt bij de verrekening van neveninkomsten in deze situatie is dat
                        deze inkomsten eerst in de</al><al>wachtgeldsfeer gevolgen hebben, waarbij het niveau van de oorspronkelijke
                        bezoldiging de bovengrens blijft.</al><al>Wanneer de som van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld, de
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering al dan niet</al><al>aangevuld met een tweede ontslaguitkering en de neveninkomsten meer bedraagt
                        dan de oorspronkelijk genoten</al><al>bezoldiging (uit de functie waaruit het eerste wachtgeld werd toegekend),
                        wordt eerst het oorspronkelijk</al><al>toegekende wachtgeld verminderd met het overschrijdende bedrag. Indien na
                        deze vermindering nog een bedrag</al><al>aan overschrijding overblijft, wordt de eventueel toegekende (tweede)
                        ontslaguitkering verminderd met het</al><al>bedrag aan overschrijding.</al><al>In het kader van dit artikel wordt tot slot kort ingegaan op de wijze van
                        verrekenen van neveninkomsten in</al><al>een situatie waarbij sprake is van samenloop van een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering en een wachtgeld.</al><al>In dat geval dienen twee verschillende regimes van anti-cumulatie (die
                        ingevolge het pensioenreglement</al><al>en die ingevolge de hoofdstukken wachtgeld en uitkering) op elkaar aan te
                        sluiten. Neveninkomsten</al><al>worden eerst in de wachtgeldsfeer verrekend, en nadien in de sfeer van de
                        arbeidsongeschiktheidsregeling.</al><al>Dit betekent dat neveninkomsten op de arbeidsongeschiktheidsuitkering in
                        mindering worden gebracht,</al><al>ingeval de neveninkomsten een zodanig bedrag vormen dat het wachtgeld
                        volledig wordt weggekort. Het</al><al>pensioenreglement bepaalt dat inkomsten uit of in verband met arbeid in
                        mindering worden gebracht op</al><al>het invaliditeitspensioen, voorzover de som van invaliditeitspensioen,
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering en</al><al>neveninkomsten meer bedraagt dat de berekeningsgrondslag.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:17</cursief></vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat de duur van een dienstbetrekking wordt toegevoegd
                        aan de toegekende wachtgeldduur,</al><al>indien de wachtgelder binnen drie maanden na het ontslag een soortgelijke
                        betrekking gaat vervullen bij de</al><al>gemeente die het wachtgeld betaalt. Het wachtgeld wordt niet opgeschort,
                        maar verlengd. Tijdens het vervullen</al><al>van de nieuwe betrekking, loopt het wachtgeld dus gewoon door en worden de
                        inkomsten verrekend.</al><al><cursief>Voorbeeld</cursief></al><al>Twee maanden na een reorganisatie-ontslag krijgt betrokkene gedurende zes
                        maanden een vergelijkbare</al><al>betrekking aangeboden als die waaruit ontslag volgde. De duur van het
                        dienstverband van zes maanden wordt</al><al>toegevoegd aan de totaal toegekende wachtgeldduur van bijvoorbeeld drie
                        jaar.</al><al>De ratio van dit artikel is hierin gelegen dat de werkgever 'gestraft' wordt
                        met relatief zware wachtgeldlasten,</al><al>indien de werkgever korte tijd na een gegeven ontslag met recht op wachtgeld
                        betrokkene soortgelijke</al><al>werkzaamheden kan aanbieden, als die waaruit het ontslag werd verleend. In
                        dat geval doet zich de vraag voor</al><al>of het ontslag op dat moment strikt noodzakelijk was.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:18</cursief></vet></al><al>In de situatie waarbij ziekte optreedt binnen een maand na de ontslagdatum -
                        waardoor ingevolge artikel 7:6,</al><al>eerste lid, zoals dat luidde op 1 januari 2003, aanspraak ontstaat op
                        doorbetaling van de bezoldiging - wordt</al><al>de uitvoering van dit hoofdstuk opgeschort. Dit betekent dat het recht op
                        wachtgeld ingaat per de datum dat de</al><al>ontslagen ambtenaar weer arbeidsgeschikt is.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:19</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Dit artikel regelt de samenloop van een wachtgeld en een uitkering op grond
                        van de WAO, dan wel een</al><al>WAO-conforme uitkering al dan niet vermeerderd met een
                        invaliditeitspensioen, berekend naar een</al><al>arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%. Wanneer een ambtenaar gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikt wordt</al><al>verklaard, wordt het geldende bedrag aan wachtgeld verminderd met een
                        percentage, afhankelijk van de mate</al><al>van arbeidsongeschiktheid. Deze vermindering wordt toegepast met ingang van
                        de ontslagdatum indien per die</al><al>datum aanspraak ontstaat op zowel een uitkering op grond van de WAO, danwel
                        een WAO-conforme uitkering</al><al>al dan niet vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een
                        mate van arbeidsongeschiktheid</al><al>van minder dan 80%. De vermindering kan ook plaatsvinden vanaf een latere
                        datum, namelijk het moment</al><al>waarop gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid optreedt. Door deze vermindering
                        resteert een bedrag aan</al><al>wachtgeld dat afhankelijk is van de mate waarin betrokkene in staat wordt
                        geacht inkomsten te verwerven.</al><al>Het resterend bedrag aan wachtgeld wordt hierdoor evenredig aan de mate van
                        werkloosheid. Tevens wordt</al><al>in dit artikel bepaald dat het totale bedrag aan uitkering op grond van de
                        WAO, dan wel het totale bedrag</al><al>aan WAO-conforme uitkering, al dan niet vermeerderd met een
                        invaliditeitspensioen, en het verminderde</al><al>wachtgeld nooit meer kan bedragen dan het volledige bedrag aan wachtgeld dat
                        ontvangen zou zijn, wanneer</al><al>geen uitkering zou zijn toegekend. Als dat wel het geval is (bijvoorbeeld
                        bij een hoog bedrag aan inverdiend</al><al>pensioen), wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering
                        gebracht. Het hanteren van de</al><al>bovengrens van het volledige wachtgeld leidt ertoe dat al degenen aan wie
                        een wachtgeld is toegekend gelijk</al><al>behandeld worden. De inkomenspositie van de ontslagen ambtenaar met
                        aanspraak op wachtgeld is hierdoor</al><al>gelijk aan de positie van degene aan wie naast een wachtgeld tevens een
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering</al><al>naar een mate van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid is toegekend.
                        Anderzijds voorkomt deze bovengrens</al><al>dat ingeval aan wachtgelders een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt
                        toegekend, er een onbedoelde</al><al>inkomensstijging plaats vindt.</al><al><cursief>Leden 2 en 3</cursief></al><al>In het nieuwe tweede en derde lid is het element verwijtbaarheid ingebracht,
                        in de situatie waarbij geen</al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt aangevraagd of wanneer de uitkering
                        niet volledig tot uitbetaling komt.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:21</cursief></vet></al><al>Het college kan een verzoek van betrokkene het wachtgeld af te kopen,
                        honoreren. Over de hoogte van de</al><al>afkoopsom dient te worden onderhandeld. Indien wordt overwogen een verzoek
                        inzake afkoop van wachtgeld</al><al>te honoreren, is het raadzaam vooraf de gemeenteraad hierover te raadplegen.
                        De raad moet immers een krediet</al><al>beschikbaar stellen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:22</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al><vet>[4] </vet>In het tweede lid wordt bepaald dat het wachtgeld vervalt
                        voor het deel waarmee het tezamen met</al><al>de neveninkomsten die verdiend zouden kunnen worden, de bezoldiging te boven
                        zou zijn gegaan. Een</al><al>rekenvoorbeeld moge dit verduidelijken.</al><al>Betrokkene wordt ontslagen uit een betrekking waarin € 2.000,- werd
                        verdiend. Het wachtgeld bedraagt (70%</al><al>van € 2.000,-) € 1.400,-. Betrokkene weigert een betrekking te aanvaarden
                        waarin € 1.500,- verdiend zou</al><al>kunnen worden. Bij het aanvaarden van deze betrekking zou het wachtgeld
                        gekort worden met € 900,- (€</al><al>1.400,- + € 1.500,- = € 2.900,-) de bezoldiging wordt met € 900,-
                        overschreden), met dit bedrag wordt het</al><al>wachtgeld verminderd.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:23</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid regelt de situatie waarbij het wachtgeld eindigt vanwege het
                        feit dat de wachtgelder voor 80% of</al><al>meer arbeidsongeschiktheid wordt verklaard. In dat geval is geen sprake van
                        werkloosheid. De verwijzing naar</al><al>het tweede lid van artikel 10:6 slaat op de gevallen waarbij de mate van
                        arbeidsongeschiktheid, die aanvankelijk</al><al>op 80% of meer werd vastgesteld, nadien op een lager percentage wordt
                        vastgesteld. In dat geval herleeft het</al><al>reeds toegekende recht op wachtgeld.</al><al>Indien zich een situatie voordoet van een ontslag uit een dienstbetrekking
                        als wachtgelder bekleed, waarbij</al><al>sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid naar een geringer
                        percentage dan 80%, voorziet artikel 10:19</al><al>daarin. Wanneer in een dergelijke situatie neveninkomsten worden verdiend,
                        is artikel 10:15, tweede lid, van</al><al>toepassing.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:25</cursief></vet></al><al>Per 1 augustus 1991 is de zogenaamde WW-bodem ingevoerd in ambtelijke
                        ontslaguitkeringsregelingen. Dit</al><al>betekent dat de duur van een ambtelijke ontslaguitkering ten minste de duur
                        bedraagt die zou zijn toegekend</al><al>wanneer de Werkloosheidswet van toepassing zou zijn geweest. De invoering
                        van de WW-bodem ging</al><al>gepaard met een overgangsregime dat erin voorzag dat van alle lopende
                        wachtgelden op 31 juli 1991 de duur is</al><al>herberekend.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:26</cursief></vet></al><al>Het overgangsrecht als gevolg van de invoering van de WW-bodem voorziet in
                        een overgangsuitkering</al><al>voor een bepaalde categorie wachtgelders. Het gaat hierbij om degenen
                        waarvan de duur van het wachtgeld</al><al>afloopt in de periode 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1995. In
                        aansluiting hebben zij recht op een</al><al>overgangsuitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt het minimumloon.
                        Dit bedrag kan echter nooit meer</al><al>bedragen dan 70% van de bezoldiging. De duur bedraagt een jaar. In alle
                        gevallen eindigt de overgangsuitkering</al><al>op 31 december 1995.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:27</cursief></vet></al><al>Per 1 januari 1995 zijn de wachtgeldhoogten met 3 procentpunten verlaagd. In
                        dit artikel wordt bepaald dat deze</al><al>verlaging niet wordt toegepast ten aanzien van de wachtgelden die voor 1
                        januari 1995 zijn toegekend.</al><al><vet><cursief>Artikel 10:28</cursief></vet></al><al>Vervallen</al><al><vet>10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 10a:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De bovenwettelijke uitkering kan bestaan uit een aanvullende uitkering, die
                        tegelijk met de uitkering op basis</al><al>van de Werkloosheidswet (WW) wordt uitgekeerd en een aansluitende uitkering,
                        die na afloop van de uitkering</al><al>op basis van de WW tot uitkering komt.</al><al>Artikel 16 van de WW spreekt over een situatie waarin sprake is van het
                        verlies van vijf of ten minste de helft</al><al>van zijn arbeidsuren per kalenderweek, alsmede het recht op onverminderde
                        doorbetaling van het loon over</al><al>die uren. Ook moet er sprake zijn van beschikbaarheid om arbeid te
                        verrichten. Het cruciale begrip is hier dus</al><al>verlies van arbeidsuren , terwijl in de wachtgeld- en uitkeringsregeling het
                        begrip ontslag essentieel was. Dit</al><al>verschil komt heel duidelijk naar voren in de situatie dat een tijdelijke
                        uitbreiding van het aantal arbeidsuren</al><al>weer ongedaan wordt gemaakt. In de systematiek van de wachtgeld- en
                        uitkeringsregeling kon dit niet tot een</al><al>recht op uitkering leiden, omdat niet aan het vereiste van een ontslag wordt
                        voldaan. In de systematiek van de</al><al>WW kan er wel sprake zijn van een recht op een uitkering, omdat er sprake is
                        van verlies van arbeidsuren.</al><al>In tegenstelling tot de WW kent de bovenwettelijke regeling geen maximum
                        dagloon. Overigens hebben zaken</al><al>als het deelnemen aan een spaarloonregeling of aan een PC-privéproject
                        invloed op de hoogte van het dagloon.</al><al>De verlaging hiervan werkt dus door in de hoogte van zowel de wettelijke als
                        de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De Coördinatiewet Sociale Verzekering kent een maximum dagloon. Dit maximum
                        is opgenomen in artikel 9,</al><al>eerste lid, van deze wet. Voor de toepassing van de bovenwettelijke regeling
                        bij werkloosheid is dit maximum</al><al>niet van toepassing. Dit betekent dat de berekeningsgrondslag niet wordt
                        afgetopt. Een eventueel hoger inkomen</al><al>wordt toch meegerekend voor de bovenwettelijke uitkering.</al><al>De aansluiting bij de dagloonbepalingen van de WW (artikelen 44 tot en met
                        46 WW) betekent tevens, dat</al><al>de Wet van 20 december 1984, houdende aanpassing van uitkeringspercentages
                        van ontslaguitkerings- en</al><al>arbeidsongeschiktheidsregelingen voor overheidspersoneel, onderwijspersoneel
                        en daarmee gelijk te stellen</al><al>personeel (Stb. 657) niet van toepassing is op de bovenwettelijke regeling
                        bij werkloosheid</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk
                        10a niet van toepassing is op de</al><al>ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                        wetenschappelijke of praktische opleiding of</al><al>vorming, de vakantiekracht en de ambtenaar die is aangesteld voor het
                        verrichten van werkzaamheden in het</al><al>kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt
                        door een tijdelijke tewerkstelling de</al><al>opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot
                        één of meer bepaalde groepen van</al><al>werklozen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In de artikelen 15 tot en met 21 van de WW zijn de voorwaarden opgenomen,
                        waaraan voldaan moet worden</al><al>voordat er sprake is van een recht op een loongerelateerde WW-uitkering. Wil
                        men in aanmerking komen voor</al><al>een (bovenwettelijke) aanvullende uitkering, dan moet men in ieder geval
                        voldoen aan de vereisten voor deze</al><al>loongerelateerde WW-uitkering. Wanneer er geen recht is op een
                        loongerelateerde uitkering, is er (dus) geen</al><al>recht op een aanvullende uitkering. In de artikelen 15 tot en met 21 van de
                        WW gaat het om zaken als:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>het verlies van arbeidsuren, en;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>een referte-eis van het gewerkt hebben in 26
                        weken in de 39 weken voorafgaande aan het ontslag en in</al><al>vier jaar in de vijf jaar voorafgaande aan de eerste werkloosheidsdag over
                        52 of meer dagen loon te hebben</al><al>ontvangen.</al><al>Ook is vastgelegd dat er in bepaalde situaties geen sprake is van een recht
                        op WW. Hierbij gaat het bijvoorbeeld</al><al>om gevallen waarin de betrokkene:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>recht heeft op een uitkering krachtens de
                        Ziektewet (ZW);</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>volledig arbeidsongeschikt is in de zin van
                        de WAO;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>rechtens van zijn vrijheid is beroofd;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.</al><al>Naast het feit dat de WW een aantal voorwaarden kent, waaraan voldaan moet
                        worden voordat er sprake is van</al><al>een recht op WW, leidt ook niet elke ontslaggrond in de CAR/UWO tot een
                        recht op een aanvullende uitkering.</al><al>De relevante ontslaggronden worden expliciet genoemd.</al><al>Het kan voorkomen dat iemand gelijktijdig uit twee betrekkingen werkloos
                        wordt. Het recht op WW-uitkering</al><al>zal dan worden beoordeeld naar de totale omvang van de werkloosheid. Het
                        recht op een aanvullende uitkering</al><al>bestaat (echter) alleen voor de omvang van de werkloosheid die is ontstaan
                        uit een dienstbetrekking bij de</al><al>gemeente. Dus alleen aan een WW-recht voortkomend uit een arbeidsurenverlies
                        als betrokkene in de zin van</al><al>deze regeling kan een aanspraak op een aanvullende uitkering gekoppeld
                        zijn.</al><al>Voorbeeld: iemand werkt zowel bij een gemeente (20 uur) als bij een andere
                        werkgever (16 uur). Wanneer hij</al><al>uit beide betrekkingen wordt ontslagen, wordt de aanvullende uitkering
                        gerelateerd aan de 20 uur waarvoor</al><al>er ontslag bij de gemeente wordt gegeven. De 16 uur bij de andere werkgever
                        blijven voor het recht op</al><al>aanvullende uitkering buiten beeld.</al><al>Nu in artikel 8:12 ook het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor
                        onbepaalde tijd is opgenomen, is vastgelegd</al><al>dat ook ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd recht
                        kan geven op een aanvullende uitkering.</al><al>Verder is, nu in artikel 8:12 ook de beëindiging van een tijdelijke
                        urenuitbreiding is opgenomen, vastgelegd dat</al><al>beëindiging van een tijdelijke urenuitbreiding recht kan geven op een
                        aanvullende uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Hier wordt geregeld dat de aanvullende uitkering niet tot uitkering komt in
                        de situatie dat de gedeeltelijk</al><al>arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een suppletie krachtens
                        hoofdstuk 11a van de CAR.</al><al>De doelgroep van de suppletieregeling wordt gevormd door de
                        overheidswerknemers die zijn ontslagen uit</al><al>een dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot
                        het verrichten van hun arbeid</al><al>wegens ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80%
                        arbeidsongeschikt zijn in de zin van de Wet op</al><al>de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is</al><al>van een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van
                        80% of meer, heeft, nadat</al><al>de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld
                        (afschatting) en hij recht heeft op een</al><al>WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering. Het recht op een
                        aanvullende uitkering heeft betrekking op</al><al>de gehele duur van de WW-uitkering. In artikel 10a:5, lid 4, is bepaald dat
                        voor de berekening van de hoogte</al><al>van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van ontslag. Voor
                        voorbeelden wordt verwezen</al><al>naar de toelichting bij de artikelen 10a:5, lid 4 en 10a:16, lid 3.</al><al>Het recht op de bovenwettelijke uitkering ingevolge dit hoofdstuk is ook van
                        toepassing op medewerkers</al><al>die wegens volledige arbeidsongeschiktheid zijn ontslagen voor 2001. Dit
                        vloeit voort uit de uitspraak van</al><al>de Centrale Raad van Beroep van 27 juni 2005. De Raad heeft in deze
                        uitspraak bepaald dat een gewezen</al><al>overheids-werknemer die ontslagen was voor 2001 en in 2003 was afgeschat,
                        recht op een WW-uitkering heeft</al><al>en niet op een wachtgelduitkering. De uitspraak heeft geen terugwerkende
                        kracht; dit betekent dat medewerkers</al><al>die vanwege arbeids-ongeschiktheid zijn ontslagen voor 2001 en die na de
                        datum van de afspraak zijn afgeschat</al><al>op hun WAO-uitkering (gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van
                        80% of meer) recht hebben op</al><al>een WW-uitkering en daarmee een bovenwettelijke uitkering.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen.
                        Mensen die onder de WIA eerst</al><al>volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering ontvingen en daarna
                        worden afgeschat, hebben namelijk</al><al>geen recht op een WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:3</cursief></vet></al><al>Voor de vaststelling van de hoogte van de aanvullende uitkering geldt dat de
                        berekeningssystematiek van het</al><al>dagloon WW wordt gevolgd, echter zonder dat de maximum dagloongrens wordt
                        toegepast. Er zijn verschillen</al><al>tussen de grondslag bezoldiging en de grondslag dagloon . Zoals al bij de
                        toelichting op artikel 10a:1 werd</al><al>aangeduid, is het spaarloon hiervan een duidelijk voorbeeld.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:4</cursief></vet></al><al>Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de
                        berekeningsgrondslag voor de</al><al>(aanvullende) uitkering dienovereenkomstig wordt aangepast. Dit is een
                        voortzetting van de regeling zoals die</al><al>in de wachtgeld- en uitkeringsregeling was opgenomen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:5</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gedurende de eerste 15 maanden van de periode dat er recht op een
                        bovenwettelijke uitkering bestaat, is de</al><al>berekeningsgrondslag van deze uitkering hoger dan die van de
                        loongerelateerde uitkering in de WW. Artikel</al><al>47 van de WW stelt dat de hoogte van de loongerelateerde uitkering 70% van
                        het (gemaximeerde) dagloon</al><al>bedraagt, terwijl de aanvullende uitkering uitgaat van 80% van het
                        (ongemaximeerde) dagloon. Na 15 maanden</al><al>zijn de percentages in de WW en in de regeling voor de aanvullende uitkering
                        gelijk, namelijk 70%. Veelal zal</al><al>dit betekenen dat er geen aanvullende uitkering tot uitbetaling zal komen.
                        Omdat er bij de berekening van de</al><al>aanvullende uitkering echter wordt uitgegaan van het ongemaximeerde dagloon,
                        kan er een verschil optreden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het recht op een loongerelateerde WW-uitkering kan op een aantal gronden
                        eindigen. Zie artikel 20 WW.</al><al>Veelal zal het recht eindigen omdat er geen sprake meer is van werkloosheid.
                        Op het moment dat er weer</al><al>sprake is van werkloosheid, zonder dat er nieuwe WW-rechten zijn opgebouwd,
                        herleeft het recht op uitkering</al><al>op grond van artikel 21 WW. Op het moment dat er sprake is van een
                        dergelijke herleving van het recht op</al><al>WW na een gehele eindiging, eindigt het recht op WW zoveel later (dan in de
                        oorspronkelijke berekening)</al><al>als de periode heeft geduurd dat de uitkering beëindigd is geweest. Het gaat
                        hier om een verlenging van de</al><al>WW-uitkering op basis van artikel 43 of 50 WW.</al><al>Deze verlenging heeft echter geen invloed op de periode van 15 maanden dat
                        er recht bestaat op een uitkering</al><al>van in totaal 80% van het ongemaximeerde dagloon.</al><al>Voorbeeld: er vindt ontslag plaats per 1 januari 2005. Het recht op de
                        loongerelateerde uitkering krachtens</al><al>de WW eindigt op 1 januari 2007. Per 1 maart 2005 wordt de werkloosheid
                        gedurende drie maanden</al><al>geheel beëindigd. In dit geval eindigt het recht op een aanvullende
                        uitkering ter hoogte van 80% van het</al><al>ongemaximeerde dagloon, ondanks de verlenging van de uitkering, op 1 april
                        2006. Uiteraard eindigt de</al><al>WW-uitkering (en daarmee de bovenwettelijke aanvullende uitkering tot 70%)
                        wel drie maanden later, dus op 1</al><al>maart 2007.</al><al>Zie ook de toelichting op de artikelen 10a:7 en 10a:8.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is</al><al>van een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeids-ongeschiktheidspercentage
                        van 80% of meer, heeft, nadat</al><al>de mate van arbeids-ongeschiktheid op een lager percentage is gesteld
                        (afschatting) en hij recht heeft op een</al><al>WW-uitkering, recht op een aanvullende uitkering gedurende de
                        WW-uitkering.</al><al>Voor de hoogte van de aanvullende uitkering wordt uitgegaan van de datum van
                        ontslag. Is het ontslag wegens</al><al>arbeidsongeschiktheid minder dan 15 maanden geleden, heeft betrokkene
                        gedurende een periode tot 15</al><al>maanden na ontslag recht op een aanvullende uitkering tot 80% van het
                        ongemaximeerde dagloon. Hierna heeft</al><al>betrokkene recht op een aansluitende uitkering tot 70% van het
                        ongemaximeerde dagloon.</al><al>Een voorbeeld kan dit verduidelijken.</al><al>Een medewerker is op 1 januari 2002 ontslag verleend wegens volledige
                        arbeidsongeschiktheid. De medewerker</al><al>heeft recht op een WAO-uitkering gebaseerd op een
                        arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer. Op</al><al>1 januari 2004 wordt betrokkene afgeschat. Betrokkene heeft na afschatting 3
                        jaar recht op een WW-uitkering.</al><al>Gedurende de WW heeft betrokkene recht op een aanvullende uitkering ter
                        hoogte van 70% van het</al><al>ongemaximeerde dagloon omdat het ontslag langer dan 15 maanden geleden heeft
                        plaatsgevonden. Zie ook de</al><al>voorbeelden die zijn opgenomen bij de toelichting op artikel 10a:16, lid
                        3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen.
                        Mensen die onder de WIA eerst</al><al>volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering ontvingen en daarna
                        worden afgeschat, hebben namelijk</al><al>geen recht op een WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:5a</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11 augustus 2003 is op
                        7 juli 2004 in het LOGA</al><al>een akkoord bereikt over de wijze waarop deze wetswijziging WW doorwerkt in
                        de bovenwettelijke</al><al>werkloosheidsregeling (LOGA-brief van 21 juli 2004, Lbr. 04/107; CvA/LOGA
                        04/19). Een van de afspraken</al><al>is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 ontslagen zijn
                        een uitkering krijgen alsof</al><al>de vervolguitkering niet is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van
                        zowel de vervolguitkering als de</al><al>aanvulling daarop gecompenseerd worden.</al><al>Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor zover het gaat om de aanvullende
                        uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin</al><al>voor zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen dus onder
                        artikel 10a:5.</al><al>Om het onderscheid met de aanvullende uitkering van artikel 10a:5 te houden,
                        wordt deze overgangsuitkering</al><al>de verlengde uitkering genoemd.</al><al><cursief>Lid 1 en 2</cursief></al><al>De oude vervolguitkering op grond van de WW had een vaste duur van twee jaar
                        voor diegenen die op de dag</al><al>van ontslag jonger waren dan 57,5 en van 3,5 jaar voor diegenen die op de
                        dag van ontslag ouder waren dan</al><al>57,5.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid regelt de hoogte van de verlengde uitkering. Dit is nodig,
                        omdat een WW-uitkering korter</al><al>kan zijn dan 15 maanden. De verlengde uitkering moet vervolgens nog wel tot
                        15 maanden na de eerste</al><al>werkloosheidsdag recht geven op een uitkering ter hoogte van 80% van de
                        berekeningsgrondslag, zoals deze in</al><al>artikel 10a:3 is gedefinieerd.</al><al>oud</al><al>nieuw</al><al>nieuw</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>In het vierde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk
                        10a van overeenkomstige toepassing</al><al>zijn, voor zover toepasbaar. “Voor zover toepasbaar”, omdat de bepalingen
                        van de aansluitende uitkering</al><al>uiteraard niet van toepassing zijn. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk
                        10a wordt echter voorkomen dat bij</al><al>wijziging van artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten benoeming
                        blijven.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van
                        wie het recht op een uitkering</al><al>krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11 augustus 2003, welke
                        uitkering wegens werkhervatting</al><al>geëindigd is, na hernieuwde werkloosheid slechter af zijn dan de mensen die
                        voortdurend werkloos zijn</al><al>gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop
                        van de nieuw toegekende</al><al>loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt toegekend, die
                        uiterlijk eindigt op het moment</al><al>waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij
                        voortdurende werkloosheid.</al><al>Het vijfde lid van artikel 10a:5a bepaalt dat deze uitkering op grond van
                        artikel 130h, tweede lid, WW</al><al>verrekend wordt met de verlengde uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat
                        mensen gecumuleerd twee</al><al>uitkeringen krijgen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:5b</cursief></vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                        vervolguitkering is afgeschaft,</al><al>is door het Kabinet – vanwege de snelheid van invoering – overeengekomen dat
                        er een overgangsrecht is voor</al><al>onder meer diegenen van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was
                        aangezegd. Voor deze groep mensen is</al><al>in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de oude
                        bepalingen van de WW blijven gelden</al><al>en dat zij dus op grond van de oude bepalingen van de WW een
                        vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de orde</al><al>is, bestaat gedurende die vervolguitkering op grond van de bepalingen van
                        hoofdstuk 10a, zoals deze luidden</al><al>voor 1 augustus 2004, ook recht op een aanvullende uitkering. Artikel 10a:5b
                        voorziet hierin. Op deze groep is</al><al>artikel 10a:5a dus niet van toepassing.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:6</cursief></vet></al><al>Wanneer het recht op WW geheel of gedeeltelijk eindigt, betekent dit dat ook
                        het recht op een aanvullende</al><al>uitkering geheel of gedeeltelijk eindigt. Voor de toepassing van deze
                        bepaling is met name artikel 20 van de</al><al>WW van belang. Hierin zijn gronden voor beëindiging van het recht op een
                        WW-uitkering opgenomen. Het</al><al>gaat hierbij om zaken als het niet meer werkloos zijn, het verstrijken van
                        de uitkeringsduur en het in aanmerking</al><al>komen voor een uitkering krachtens de ZW.</al><al>Het van toepassing verklaren van de bepalingen van de WW betreffende de
                        gehele of gedeeltelijke beëindiging</al><al>van het recht op uitkering impliceert dat achterliggende regels en
                        systematiek (zoals UWV-beleid en</al><al>jurisprudentie) ook worden gevolgd.</al><al>Let wel: oud recht op aanvullende uitkering kan niet meer herleven, indien
                        de betrokkene als werknemer nieuwe</al><al>werkzaamheden ter hand neemt en daarmee een nieuw recht op WW opbouwt voor
                        hetzelfde aantal uren als</al><al>waarop het recht op aanvullende uitkering gebaseerd was.</al><al>Dit zou reïntegratiebelemmerend zou kunnen werken. Hierin is voorzien door
                        artikel 10a:32: de</al><al>reïntegratiepremie.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:7</cursief></vet></al><al>Ook bij deze bepaling is er een duidelijk verband tussen het recht op een
                        WW-uitkering en het recht op</al><al>een aanvullende uitkering. Hierbij is artikel 21 van de WW van belang.
                        Indien na gehele of gedeeltelijke</al><al>beëindiging van het recht, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid of ziekte,
                        na afloop van die arbeid of ziekte</al><al>geen nieuw recht op een WW-uitkering is ontstaan, herleeft het recht op de
                        oude WW-uitkering en de</al><al>aanvullende uitkering.</al><al>Herleving houdt in, dat de hoogte en de duur van de uitkering nog steeds
                        worden bepaald door de eerste</al><al>werkloosheidsdag van de oorspronkelijke werkloosheid (de WW-klok loopt dus
                        gewoon door). Herleving is dus</al><al>iets anders dan opschorting. Bij opschorting wordt de uitkering tijdens de
                        onderbreking stopgezet en wordt na</al><al>de onderbreking de uitkering voortgezet alsof er geen onderbreking is
                        geweest. Zie ook de toelichting op artikel</al><al>10a:8.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:8</cursief></vet></al><al>Het gaat hier om de toepassing van de artikelen 43 en 50 WW, die van
                        overeenkomstige toepassing zijn op</al><al>artikel 10a:8. De WW-uitkering eindigt, indien na een tijdelijke gehele
                        beëindiging van het recht op een</al><al>WW-uitkering het recht op WW-uitkering herleeft, zoveel later als de
                        onderbreking heeft geduurd. Dit betekent</al><al>in feite dat, gerekend vanaf de eerste dag van de werkloosheid, de
                        WW-uitkering met zoveel tijd wordt verlengd</al><al>als de tijdelijk onderbreking duurt. Het effect van die verlenging komt er
                        praktisch gezien op neer dat de duur</al><al>van de uitkering wordt opgeschort.</al><al>Let wel: de uitkeringshoogte wordt niet opgeschort.</al><al>Deze verlenging van de WW-duur en daarmee van de duur van de aanvullende
                        uitkering biedt compensatie</al><al>voor het feit dat in de wachtgeld- en uitkeringsregelingen de aanspraak op
                        een wachtgeld of uitkering, bij goed</al><al>gedrag, in feite alleen eindigde door afloop van de berekende
                        uitkeringsduur. Dit in tegenstelling tot de WW,</al><al>waarin ook het einde van de werkloosheid tot beëindiging van de uitkering
                        kan leiden.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:9</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In beginsel is het verplichtingen- en sanctieregime van de WW van
                        toepassing. Dat betekent dat ook de Wet</al><al>boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid van
                        toepassing is. Het eerste lid van artikel</al><al>10a:9 regelt dat een boete in de zin van de WW niet overeenkomstig wordt
                        toegepast ten aanzien van de</al><al>aanvullende uitkering. Dus een boete op basis van de WW betekent niet dat er
                        ook een boete wordt toegepast op</al><al>de aanvullende uitkering. Anderzijds wordt een in het kader van de WW
                        opgelegde boete niet gecompenseerd in</al><al>de aanvullende uitkering. Een boete in de WW leidt dus niet tot een hogere
                        aanvullende uitkering.</al><al>Daarentegen werkt een maatregel in de zin van de Werkloosheidswet wel door
                        in de aanvullende uitkering. Bij</al><al>een maatregel moet worden gedacht aan een besluit van de
                        uitvoeringsinstelling om de WW uitkering blijvend</al><al>geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de
                        uitkeringsduur te beperken.</al><al>Indien voor de WW een maatregel wordt opgelegd van 10%, wordt het
                        uitkeringspercentage van de WW</al><al>verlaagd van 70% naar 60%. Er is dan dus sprake van een verlaging met 10
                        procentpunten.</al><al>Bij de overeenkomstige toepassing van het verplichtingen- en sanctieregime
                        wordt een systematiek gehanteerd</al><al>die aansluit bij de WW. In deze systematiek wordt gekozen voor een methode
                        waarbij de aanvulling tot de</al><al>berekeningsgrondslag met eenzelfde deel wordt verminderd. Een sanctie van
                        10% bij een aanvulling tot 80%</al><al>van de berekeningsgrondslag leidt dus tot een vermindering van de aanvulling
                        met 10/80 deel.</al><al><cursief>Voorbeeld:</cursief></al><al>Dagloon: € 50,-</al><al>Berekeningsgrondslag (ongemaximeerd dagloon): € 75,-</al><al>Aanvulling: 80% van de grondslag.</al><al>Sanctie: 10% .</al><al>Normaliter zou de WW-uitkering 70% van de het gemaximeerde dagloon zijn, dus
                        € 35,-. De aanvullende</al><al>uitkering zou de WW-uitkering aanvullen tot 80% van het (ongemaximeerde)
                        dagloon, dus tot € 60,-. De</al><al>aanvulling is in dit geval € 25,-.</al><al>Met een sanctie van 10% is de WW-uitkering 60% van € 50,-, dus € 30,-.</al><al>De aanvullende uitkering wordt nu (€ 25,- minus 10/80 x € 25,-) € 21,88. De
                        totale uitkering bedraagt dan €</al><al>51,88.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het
                        einde van de aanvullende uitkering nog</al><al>niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt het restant van de sanctie
                        toegepast op de aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Lid 2 en 3</cursief></al><al>Het verplichtingen- en sanctieregime van de WW kan bij een ontslag op basis
                        van artikel 8:4 CAR ongewenste</al><al>consequenties opleveren. Artikel 8:4:1, tweede lid UWO geeft een rangorde
                        aan voor het ontslag van bij een</al><al>reorganisatie betrokken ambtenaren. De ambtenaren die ontslag wensen, worden
                        als eerste ontslagen.</al><al>Degenen die ontslagen wensen te worden, zijn (echter) verwijtbaar werkloos
                        in de zin van artikel 24, lid 1,</al><al>onderdeel a WW. Op grond van artikel 27 kan een sanctie worden getroffen. De
                        meest voor de hand liggende</al><al>sanctie is een (al dan niet blijvende) gedeeltelijke, dan wel een gehele
                        weigering van de uitkering.</al><al>In het geval van de gedeeltelijke weigering wordt er een aanvulling op de
                        aanvullende uitkering toegekend. Per</al><al>saldo wordt dan hetzelfde effect bereikt als wanneer de WW-uitkering niet
                        zou zijn gekort.</al><al>In het geval van de gehele weigering kan de WW-uitkering niet worden
                        aangevuld. De uitkering is immers</al><al>nihil. In dat geval wordt een gemeentelijke werkloosheidsuitkering
                        toegekend, eventueel aangevuld met de</al><al>aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de
                        bepalingen van de WW van</al><al>overeenkomstige toepassing. Er geldt dus bijvoorbeeld eenzelfde
                        verplichtingen- en sanctieregime.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:10</cursief></vet></al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien arbeid wordt verricht voor minder
                        dan vijf uren en minder dan de</al><al>helft van het aantal verloren gegane arbeidsuren, de WW-uitkering wordt
                        verminderd met 70% van hetgeen</al><al>er met die arbeid wordt verricht. Pas als de WW volledig is weggekort, wordt
                        het restant van de te verrekenen</al><al>inkomsten op de aanvullende uitkering gekort.</al><al>Dit soort gevallen zal sporadisch voorkomen, tenzij het gaat om deeltijders
                        met een klein dienstverband.</al><al>De situatie dat arbeid wordt verricht voor vijf uren of meer of voor ten
                        minste de helft van het aantal verloren</al><al>gegane arbeidsuren, leidt in de systematiek van de WW tot vermindering van
                        de werkloosheid en aldus tot een</al><al>uitkering die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:11</cursief></vet></al><al>De artikelen 75 tot en met 78 van de WW zijn van overeenkomstige toepassing
                        op de aanvullende uitkering. Dit</al><al>betekent dat na toestemming en onder de voorwaarden zoals die zijn
                        vastgelegd in artikel 75 en 76, werklozen</al><al>kunnen studeren met behoud van uitkering.</al><al>De jurisprudentie en het beleid van het UWV inzake scholing en onbeloonde
                        activiteiten zijn van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al>Indien het recht op WW wordt verlengd als gevolg van een noodzakelijk
                        geachte scholing, bestaat er over deze</al><al>verlengde duur ook recht op een aanvullende uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:12</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Wanneer er sprake is van ziekte ontstaan vóór het ontslag of ziekte die
                        optreedt vóór de eerste dag van</al><al>werkloosheid in de zin van de WW, ontstaat er geen recht op WW (en
                        aanvullende uitkering). Niettemin is dan</al><al>artikel 10a:12 (toch) van toepassing. Bepalend is of de betrokkene recht zou
                        hebben op aanvullende uitkering</al><al>als hij niet ziek was geweest.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Op het ziekengeld wordt een aanvulling toegekend, waardoor de totale
                        uitkering gelijk is aan het bedrag dat de</al><al>betrokkene op basis van artikel 10a:5 zou ontvangen als hij niet ziek zou
                        zijn geweest.</al><al>Ziekte kan ertoe leiden dat de einddatum van de WW-uitkering opschuift. Zie
                        onder andere (de toelichting</al><al>op) artikel 10a:8. In artikel 43, tweede en derde lid WW, is (echter)
                        vastgelegd dat de einddatum van een</al><al>WW-uitkering in geval van een onderbreking door ziekte alleen opschuift
                        voorzover het ziektegeval langer</al><al>dan drie maanden geduurd heeft. Wanneer de betrokkene in de laatste drie
                        maanden van de WW-uitkering</al><al>ziek wordt, verbruikt hij dus de WW-duur. Wanneer hij ziek blijft tot na de
                        datum waarop de WW zou zijn</al><al>verstreken, kan het WW-recht bij herstel dus niet meer herleven.</al><al>Wanneer de ziekte valt in de laatste drie maanden van de WW-uitkering,
                        bestaat er recht op aanvulling van</al><al>de ZW-uitkering tot aan het moment waarop WW-uitkering beëindigd zou worden
                        als de betrokkene niet ziek</al><al>zou zijn geweest (de zogenaamde max datum). Wanneer de betrokkene geen recht
                        heeft op een aansluitende</al><al>uitkering, ontvangt hij dus een uitkering krachtens de ZW van 70% van het
                        gemaximeerde ZW-dagloon, zonder</al><al>aanvulling. In het geval er wel recht bestaat op een aansluitende uitkering,
                        gaat de aansluitende uitkering direct</al><al>in na het bereiken van de max datum. De uitkering krachtens de ZW wordt dan
                        in mindering gebracht op de</al><al>aansluitende uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:12a</cursief></vet></al><al>De Waz geeft ook aan oud-werknemers die een WW-uitkering hebben recht op een
                        uitkering in verband met</al><al>zwangerschap en bevalling. Tijdens deze uitkering wordt de aanvullende
                        uitkering op grond van hoofdstuk 10a</al><al>CAR verhoogd tot het voor betrokkene geldende dagloon. De aanvulling op de
                        uitkering die 'in verband met</al><al>zwangerschap' genoten wordt, geldt ook voor ziekte die verband houdt met
                        zwangerschap en/of bevalling.</al><al>Deze uitkering op grond van de Waz heeft geen opschortende werking en heeft
                        dus geen gevolgen voor de</al><al>einddatum van de WW-uitkering en de aanvullende uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:12b</cursief></vet></al><al>Om de arbeidsgehandicapte werknemer te stimuleren gebruik te maken van de
                        mogelijkheid om 'op proef' een</al><al>nieuwe functie bij een nieuwe werkgever te aanvaarden, bestaat de
                        mogelijkheid van een reïntegratie-uitkering;</al><al>zie hiervoor artikel 23 tot en met 27 van de Wet op de (re)integratie
                        arbeidsgehandicapten. Deze proefplaatsing</al><al>geeft overigens geen recht op een vaste aanstelling.</al><al>Aan het recht op een reïntegratie-uitkering zijn een aantal voorwaarden
                        verbonden. Zo moet de werknemer</al><al>recht hebben op een WW-uitkering, heeft de proefaanstelling een duur van
                        maximaal zes maanden en moet</al><al>het gaan om onbeloonde werkzaamheden. De werknemer ontvangt dus geen
                        bezoldiging, maar krijgt een</al><al>reïntegratie-uitkering in plaats van zijn WW-uitkering. De reïntegratie van
                        arbeidsgehandicapten wordt</al><al>bevorderd, wanneer de REA-uitkering gelijkgesteld wordt met de WW-uitkering.
                        Dit betekent namelijk dat het</al><al>recht op een aanvullende bovenwettelijke WW-uitkering blijft bestaan.</al><al>De hoogte van de reïntegratie-uitkering tezamen met de aanvulling is gelijk
                        aan de hoogte van de WW-uitkering</al><al>tezamen met de bovenwettelijke aanvulling wanneer de werknemer geen
                        proefaanstelling zou hebben aanvaard.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:13</cursief></vet></al><al>De wettelijke overlijdensuitkering volgt niet vanuit de WW, maar is ook voor
                        werkloze werknemers neergelegd</al><al>in de ZW. Op basis van artikel 36 juncto artikel 35 van de ZW hebben de
                        nabestaanden van de overleden</al><al>werkloze werknemer aanspraak op een overlijdensuitkering.</al><al>Deze overlijdensuitkering in de ZW is gelijk aan het bedrag van het
                        ziekengeld over één maand. De</al><al>bovenwettelijke overlijdensuitkering bestaat eruit dat de uitkering
                        krachtens de ZW wordt aangevuld tot 100%</al><al>van het voor de betrokkene geldende dagloon en wel over een periode van
                        dertien weken.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:13a</cursief></vet></al><al>Op grond van artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-Verordening 1408/71
                        hebben grensarbeiders die</al><al>in Nederland bij de gemeente werken en die bij aanvang van werkloosheid in
                        het buitenland, bij deze</al><al>werkloosheid recht op een uitkering alsof zij in Nederland zouden wonen. Dit
                        geldt ook als zij op grond</al><al>van deze verordening hun wettelijke werkloosheidsuitkering in hun woonland
                        moeten aanvragen, en dus</al><al>geen recht hebben op Nederlandse WW. Voor de invoering van de WW voor
                        overheidspersoneel hadden</al><al>grensarbeiders rechtspositioneel recht op een wachtgeld of uitkering. Sinds
                        de invoering van de WW sinds</al><al>1 januari 2001, geldt echter ook voor overheidspersoneel dat grensarbeiders
                        geen recht meer hebben op de</al><al>wettelijke werkloosheidsuitkering in het werkland. (voor de WW geldt
                        namelijk het woonlandprincipe). Zij</al><al>hebben echter rechtspositioneel wel recht op de bovenwettelijke
                        werkloosheidsuitkering. Daarom is met de</al><al>centrales van overheids- en onderwijspersoneel overeenstemming bereikt over
                        een aanpassing van de regels</al><al>voor het recht op uitkering in gevallen waarin de betrokkene geen recht op
                        uitkering op grond van de WW heeft.</al><al>Het artikel houdt het volgende in.</al><al>Bij werkloosheid ontvangt de betrokkene wat hij zou hebben ontvangen als hij
                        in Nederland had gewoond. Dat</al><al>wil zeggen een uitkering ter hoogte van de WW- en bovenwettelijke uitkering,
                        minus de eventuele buitenlandse</al><al>werkloosheidsuitkering.</al><al>De betrokkene moet Nederlandse werkbriefjes blijven insturen. Veranderingen
                        in de omstandigheden,</al><al>bijvoorbeeld werkhervatting of overtreding van verplichtingen, hebben
                        hetzelfde effect dat ze zouden hebben</al><al>gehad als de betrokkene in Nederland woonde. Beoordeling vindt dus plaats op
                        grond van de Nederlandse</al><al>regels.</al><al>In geval van ziekte, zwangerschap of bevalling loopt de bovenwettelijke
                        uitkering door. In deze situatie zijn er</al><al>twee mogelijkheden.</al><al><vet><cursief>1. </cursief></vet>Als de betrokkene een buitenlandse
                        uitkering wegens ziekte, zwangerschap of bevalling heeft en dit</al><al>aantoont, verandert de bovenwettelijke uitkering in een aanvulling op de
                        (fictieve) uitkering op grond van de</al><al>ZW of de Wet arbeid en zorg. Dit betekent dat voor maximaal de duur van deze
                        Nederlandse equivalent de</al><al>uitkering van het woonland wordt aangevuld tot het niveau dat betrokkene zou
                        krijgen als hij in Nederland</al><al>had gewoond. Ingeval een buitenlandse uitkering wegens zwangerschap of
                        bevalling wordt genoten,</al><al>ontvangt de grensarbeider zolang de buitenlandse uitkering duurt, maar
                        maximaal voor de duur van de</al><al>Nederlandse uitkering wegens zwangerschap en bevalling, conform de
                        Nederlandse vergelijkbare gevallen</al><al>(artikel 10a:12a), een aanvulling tot 100% van de oude bezoldiging.</al><al>De einddatum van de totale uitkering kan hierdoor opschuiven. (In geval van
                        ziekte gebeurt dat alleen als</al><al>de ziekte meer dan 3 maanden duurt.) In de fase van de aansluitende
                        uitkering geldt dit alleen als op de</al><al>betrokkene, als hij in Nederland had gewoond, de nawerkingsbepalingen van de
                        ZW of de Wet arbeid en</al><al>zorg nog van toepassing zouden zijn geweest. Dit komt overeen met wat geldt
                        in puur Nederlandse gevallen.</al><al><vet><cursief>2. </cursief></vet>Meldt de betrokkene zich ziek, zwanger etc.
                        maar levert hij geen bewijs van een buitenlandse uitkering</al><al>daarvoor, dan loopt de bovenwettelijke uitkering door zoals bij
                        werkloosheid, dus zonder opschuiving van de</al><al>einddatum. Dit geldt, net als in puur Nederlandse gevallen, ook in alle
                        gevallen van ziekte etc. in de fase van</al><al>de aansluitende uitkering na afloop van de nawerkingsperiode van de ZW en de
                        Wet arbeid en zorg.</al><al>Als de betrokken grensarbeider een Nederlandse (bovenwettelijke) uitkering
                        wegens ziekte, zwangerschap,</al><al>bevalling of uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg ontvangt,
                        verandert de bovenwettelijke uitkering,</al><al>volgens de samenloopregel van het zesde lid, in een aanvulling op deze
                        Nederlandse uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:14</cursief></vet></al><al>Als hoofdregel geldt dat diensttijd in de zin van paragraaf 3 de tijd is,
                        doorgebracht in overheidsdienst, waaraan</al><al>het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement van de Stichting
                        Pensioenfonds ABP is verbonden,</al><al>alsmede de tijd waaraan ingevolge het bepaalde in de Regeling beperking van
                        het zijn van overheidswerknemer</al><al>in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap
                        niet is verbonden. Het gaat hierbij</al><al>bijvoorbeeld om diensttijd doorgebracht als deelnemer aan een
                        werkgelegenheidsverruimende maatregel.</al><al>Er gelden uitzonderingen, waarvan enkele belangrijke nader worden aangeduid.
                        In de eerste plaats telt de</al><al>diensttijd die ligt voor een onderbreking van meer dan een jaar niet mee
                        voor de berekening van de duur van</al><al>de aansluitende uitkering. Diensttijd die reeds in aanmerking is genomen bij
                        de vaststelling van een recht op</al><al>wachtgeld of een ontslaguitkering, telt niet nogmaals mee bij de
                        vaststelling van de duur van de aansluitende</al><al>uitkering.</al><al>In relatie tot het begrip diensttijd wordt nog vermeld dat waardeoverdracht
                        van pensioenopbouw bij een private</al><al>werkgever naar de Stichting Pensioenfonds ABP niet leidt tot bijtelling van
                        diensttijd voor de opbouw van</al><al>aanspraken op een aansluitende uitkering. Het betreft hier tijd die
                        uitsluitend meetelt voor de opbouw van</al><al>ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Afgekochte tijd dient (eveneens) niet te
                        worden meegenomen als</al><al>diensttijd.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:15</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Zoals ook al bij artikel 10a:2 is vermeld, is er niet in alle gevallen
                        waarin er ontslag plaatsvindt, recht op WW.</al><al>Bovendien kent de CAR/UWO een gesloten systeem van ontslaggronden. De
                        relevante ontslaggronden worden</al><al>expliciet genoemd. Zie ook de toelichting op artikel 10a:2.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Wanneer door de uitvoeringsinstelling als sanctie de uitkering op basis van
                        de WW wordt geweigerd na een</al><al>reorganisatie-ontslag en er krachtens artikel 10a:9, derde lid een
                        gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt</al><al>toegekend, is er recht op een aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In geval van ontslag op basis van artikel 8:6 is er alleen recht op een
                        aansluitende uitkering als daartoe expliciet</al><al>besloten is.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Of er recht bestaat op een aansluitende uitkering, wordt bepaald aan de hand
                        van het eerste tot en met het derde</al><al>lid. Het recht gaat in op de eerste dag van de werkloosheid. Dit recht komt
                        niet tot uitbetaling zolang er recht op</al><al>een uitkering op basis van de WW bestaat.</al><al>Lid 4 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die
                        mensen die op of na 1 augustus 2004</al><al>werkloos zijn geworden.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Lid 5 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die
                        mensen, op wie artikel 10a:5a van</al><al>toepassing is. De aansluitende uitkering gaat dan pas in op het moment dat
                        de duur van de verlengde uitkering</al><al>van 10a:5a is verstreken.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Lid 6 bevat het moment van ingang van de aansluitende uitkering voor die
                        mensen, op wie artikel 130h, eerste</al><al>lid, van toepassing is. Deze mensen ontvangen nog een uitkering conform de
                        oude regels van de WW. Deze</al><al>mensen ontvangen dus nog een vervolguitkering. De aansluitende uitkering
                        gaat dan pas in op het moment dat</al><al>de duur van de vervolguitkering is verstreken.</al><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Hier wordt geregeld dat de aansluitende uitkering niet tot uitkering komt in
                        de situatie dat de gedeeltelijk</al><al>arbeidsongeschikte werknemer recht heeft op een suppletie krachtens
                        hoofdstuk 11a van de CAR. De</al><al>doelgroep van de suppletieregeling wordt gevormd door de overheidswerknemers
                        die zijn ontslagen uit een</al><al>dienstbetrekking bij de sector Gemeenten op grond van ongeschiktheid tot het
                        verrichten van hun arbeid wegens</al><al>ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt
                        zijn in de zin van de WAO. Na afloop</al><al>van de suppletieregeling ontstaat aanspraak op een aansluitende uitkering
                        indien en voor zolang de duur van de</al><al>aansluitende uitkering, bepaald krachtens artikel 10a:16 van deze regeling,
                        de duur van de suppletie overtreft.</al><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is van</al><al>een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage
                        van 80% of meer, kan, nadat</al><al>de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld
                        (afschatting) in aanmerking komen voor</al><al>een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is beëindigd. Of betrokkene
                        voor een aansluitende uitkering</al><al>in aanmerking komt hangt af van de berekening van de duur van de
                        aansluitende uitkering vanaf de datum van</al><al>ontslag. Voor voorbeelden wordt verwezen naar de toelichting bij artikel
                        10a:16, lid 3.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen.
                        Mensen die onder de WIA eerst</al><al>volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering ontvingen en daarna
                        worden afgeschat, hebben namelijk</al><al>geen recht op een WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:16</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De duur van de aansluitende uitkering wordt uitgedrukt in een percentage van
                        de ambtelijke diensttijd. De wijze</al><al>van berekenen is gelijk aan die van de oude wachtgeldregeling. Hoe hoger de
                        leeftijd op de ontslagdatum, des te</al><al>hoger het percentage waarin de diensttijd wordt uitgedrukt in de duur van de
                        aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De duur van de aansluitende uitkering ligt vast. Voor mensen van wie de
                        eerste dag na ontslag ligt op of na 1</al><al>augustus 2004 (dit zijn de mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn
                        ontslagen), geldt dat hiervan niet alleen</al><al>de duur van de loongerelateerde WW-uitkering wordt afgetrokken, maar ook een
                        periode van twee jaar. Dit</al><al>heeft te maken met wijziging van de Werkloosheidswet, waarin per 11 augustus
                        2003 de vervolgutikering</al><al>WW is afgeschaft. Op 7 juli 2004 is over de wijze waarop deze wetswijziging
                        WW doorwerking in de</al><al>bovenwettelijke regeling een akkoord gesloten. Zie hiervoor de ledenbrief
                        van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107;</al><al>CvA/LOGA 04/19).</al><al>Voorbeeld.</al><al>Iemand is op de dag van ontslag 35 jaar oud. Hij is sinds zijn 18e in dienst
                        van de overheid.</al><al><cursief>In de oude situatie (ontslag voor 1 augustus 2004) </cursief>was de
                        duur van zijn aansluitende uitkering als volgt: 3</al><al>maanden + [19,5% + (35 – 21 = 14)*1,5%]*de diensttijd = 3 maanden + 6,885
                        jaar = 7,135 jaar na de dag van</al><al>ontslag.</al><al><cursief>In de nieuwe situatie (ontslag na 1 augustus 2004) </cursief>is de
                        basis-duurberekening hetzelfde. Hiervan wordt echter</al><al>nog 2 jaar extra afgetrokken, waardoor de duur van de aansluitende uitkering
                        op 5,135 jaar na de dag van</al><al>ontslag uitkomt. Dat in deze nieuwe situatie geen vervolguitkering meer
                        bestaat, doet in deze berekening van de</al><al>einddatum van de aansluitende uitkering niet ter zake.</al><al>oud</al><al>nieuw</al><al>Er kan, in tegenstelling tot de situatie bij de aanvullende uitkering, in
                        beginsel geen opschorting plaatsvinden.</al><al>Een uitzondering wordt gevormd door artikel 10a:24: scholing. Zie ook de
                        toelichting op artikel 10a:21, tweede</al><al>lid.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is</al><al>van een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van
                        80% of meer, kan, nadat de</al><al>mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld
                        (afschatting) en hij recht heeft gehad op</al><al>een WW-uitkering, in aanmerking komen voor een aansluitende uitkering na
                        afloop van de WW-uitkering.</al><al>Of betrokkene voor een aansluitende uitkering in aanmerking komt hangt af
                        van de duurberekening van de</al><al>aansluitende uitkering vanaf de datum van ontslag in relatie tot de duur van
                        het recht op WW na de afschatting.</al><al>Is het recht op WW na afschatting geëindigd voor de einddatum van het recht
                        op een aansluitende uitkering,</al><al>heeft betrokkene na afloop van zijn WW-uitkering recht op een aansluitende
                        uitkering. Voor de berekening van</al><al>de hoogte van de aanvullende en aansluitende uitkering moet eveneens de
                        datum van ontslag als vertrekpunt</al><al>genomen worden.</al><al>Hieronder zijn twee voorbeelden opgenomen ter verduidelijking.</al><al><cursief>Voorbeeld 1</cursief></al><al>Een medewerker is op 1 oktober 2001 ontslag verleend wegens volledige
                        arbeidsongeschiktheid. De</al><al>ex-medewerker heeft recht op een WAO-uitkering gebaseerd op een
                        arbeidsongeschiktheidspercentage van</al><al>80%. De ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de
                        bovenwettelijke werkloosheidsregeling</al><al>van hoofdstuk 10a CAR. De medewerker wordt op 1 april 2006 afgeschat. Vanaf
                        dat moment heeft hij recht</al><al>op een WW-uitkering voor de duur van 2,5 jaar (omdat het arbeidsverleden
                        bijna vijf jaar langer is geworden</al><al>duurt de WW langer dan die zou hebben geduurd als betrokkene direct na
                        ontslag WW had ontvangen). De</al><al>duur van zijn aansluitende uitkering berekend vanaf de datum van ontslag is
                        7 jaar (einddatum ligt op 1 oktober</al><al>2008). Dit betekent dat betrokkene recht heeft op een aanvullende uitkering
                        gedurende de periode dat er recht</al><al>bestaat op WW (tot 1 oktober 2006) ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde
                        dagloon. Met ingang van 1</al><al>oktober 2006 tot 1 oktober 2008 heeft betrokkene recht op een aansluitende
                        uitkering ter hoogte van 70% van</al><al>het ongemaximeerde dagloon.</al><al><cursief>Voorbeeld 2</cursief></al><al>Een medewerker is op 1 oktober 2003 ontslag verleend wegens volledige
                        arbeidsongeschiktheid. De</al><al>ex-medewerker heeft recht op een WAO-uitkering gebaseerd op een
                        arbeidsongeschiktheidspercentage van</al><al>80%. De ex-medewerker valt niet onder de Werkloosheidswet en de
                        bovenwettelijke werkloosheidsregeling van</al><al>hoofdstuk 10a CAR. De ex-medewerker wordt op 1 april 2006 afgeschat. Vanaf
                        dat moment heeft hij recht op</al><al>een WW-uitkering voor de duur van 4 jaar. De duur van zijn aansluitende
                        uitkering berekend vanaf de datum</al><al>van ontslag is 5 jaar (einddatum ligt op 1 oktober 2008). Gedurende zijn
                        WW-uitkering heeft hij recht op een</al><al>aanvullende uitkering ter hoogte van 70% van het ongemaximeerde dagloon. Het
                        recht op WW eindigt op 1</al><al>april 2010. Betrokkene heeft gedurende zijn WW-uitkering recht op een
                        aanvullende uitkering ter hoogte van</al><al>70% van het ongemaximeerde dagloon. De aansluitende uitkering komt niet tot
                        uitbetaling daar de einddatum is</al><al>bepaald op 1 oktober 2008.</al><al>Dit artikellid is niet van toepassing op mensen die onder de WIA vallen.
                        Mensen die onder de WIA eerst</al><al>volledig arbeidsongeschikt waren en een IVA-uitkering ontvingen en daarna
                        worden afgeschat, hebben namelijk</al><al>geen recht op een WW-uitkering, maar op een WGA-uitkering.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                        ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar</al><al>heeft bereikt, geldt het eerste lid niet. Deze persoon heeft namelijk recht
                        op een aansluitende uitkering tot aan de</al><al>65-jarige leeftijd. Let wel: degene die op het moment van ontslag 55 jaar of
                        ouder is en die geen recht heeft op</al><al>een aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15), heeft alleen recht op de
                        aanvullende uitkering in § 2 (mits hij aan</al><al>de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet).</al><al>De bijzondere verlenging, zoals die in de wachtgeldregeling was opgenomen
                        (recht op een uitkering tot aan de</al><al>65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd en diensttijd groter of
                        gelijk was aan 60), is komen te vervallen.</al><al>Wanneer onverkort de systematiek van de WW gevolgd zou worden, zou dit tot
                        gevolg hebben dat het recht</al><al>op aansluitende uitkering, conform artikel 19, eerste lid, onderdeel i, van
                        de WW zou eindigen op het moment</al><al>dat de betrokkene de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft
                        bereikt. Dit is niet te rijmen met</al><al>de inhoud van het tweede lid van artikel 10a:16. Voor die situatie geldt een
                        uitzondering ten opzichte van de</al><al>WW-systematiek.</al><al>Het recht op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) gaat in
                        op de eerste dag van de</al><al>kalendermaand, waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. Er vindt dus in
                        voorkomende gevallen samenloop</al><al>plaats tussen de aansluitende uitkering en de uitkering krachtens de AOW. De
                        AOW-uitkering wordt in</al><al>mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:16a</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In verband met de afschaffing vervolguitkering WW per 11 augustus 2003 is op
                        7 juli 2004 in het LOGA</al><al>een akkoord bereikt over de wijze waarop deze wetswijziging WW doorwerkt in
                        de bovenwettelijke</al><al>werkloosheidsregeling (LOGA-brief van 21 juli 2004 (Lbr. 04/107; CvA/LOGA
                        04/19). Een van de afspraken</al><al>is dat mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 ontslagen zijn
                        een uitkering krijgen alsof de</al><al>vervolguitkering niet is afgeschaft. Dit betekent dat het vervallen van én
                        de vervolguitkering én de aanvulling</al><al>daarop gecompenseerd worden.</al><al>Artikel 10a:5a voorziet hierin, voor zover het gaat om de aanvullende
                        uitkering. Artikel 10a:16a voorziet hierin</al><al>voor zover het gaat om de aansluitende uitkering.</al><al>Mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 zijn ontslagen hebben
                        na de loongerelateerde uitkering</al><al>op grond van de WW geen recht meer op een vervolguitkering krachtens de WW.
                        Deze is per 11 augustus 2003</al><al>afgeschaft. Aangezien in artikel 10a:5a echter is geregeld dat de
                        afschaffing van deze vervolguitkering wordt</al><al>gecompenseerd door een verlengde uitkering, moet ook deze uitkering worden
                        afgetrokken van de duur van de</al><al>aansluitende uitkering. Dit is geregeld in het laatste onderdeel van het
                        eerste lid onder b.</al><al>Artikel 10a:15, vierde lid, regelt wanneer de aansluitende uitkering ingaat.
                        Deze bepaling blijft van toepassing</al><al>op deze overgangssituatie.</al><al>Alle mensen die per 1 augustus 2004 of later zijn ontslagen vallen onder het
                        nieuwe artikel 10a:16.</al><al>Ontslag voor 11-08-03</al><al>Ontslag tussen 11-08-03 en 01-08-04</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor degene die recht heeft op een aansluitende uitkering en die op de
                        ontslagdatum de leeftijd van 55 jaar</al><al>heeft bereikt, geldt hetgeen in het eerste lid is opgenomen niet. Deze
                        persoon heeft recht op een aansluitende</al><al>uitkering tot aan de 65-jarige leeftijd. Let wel: degene die op het moment
                        van ontslag 55 jaar of ouder is en die</al><al>geen recht heeft op een aansluitende uitkering (zie artikel 10a:15), heeft
                        alleen recht op de aanvullende uitkering</al><al>in § 2 (mits hij aan de voorwaarden van artikel 10a:2 voldoet).</al><al>De bijzondere verlenging, zoals die in de wachtgeldregeling was opgenomen
                        (recht op een uitkering tot aan de</al><al>65-jarige leeftijd, indien de som van leeftijd en diensttijd groter of
                        gelijk was aan 60), is komen te vervallen.</al><al>Wanneer onverkort de systematiek van de WW gevolgd zou worden, zou dit tot
                        gevolg hebben dat het recht</al><al>op aansluitende uitkering, conform artikel 19, eerste lid, onderdeel i, van
                        de WW zou eindigen op het moment</al><al>dat de betrokkene de eerste dag van de maand waarin hij 65 jaar wordt heeft
                        bereikt. Dit is niet te rijmen met</al><al>de inhoud van het tweede lid van artikel 10a:16. Voor die situatie geldt een
                        uitzondering ten opzichte van de</al><al>WW-systematiek.</al><al>Het recht op een uitkering krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) gaat in
                        op de eerste dag van de</al><al>kalendermaand, waarin de 65-jarige leeftijd wordt bereikt. Er vindt dus in
                        voorkomende gevallen samenloop</al><al>plaats tussen de aansluitende uitkering en de uitkering krachtens de AOW. De
                        AOW-uitkering wordt in</al><al>mindering gebracht op de aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In het derde lid is aangegeven dat alle overige bepalingen van hoofdstuk 10a
                        van overeenkomstige toepassing</al><al>zijn, voor zover toepasbaar. “Voor zover toepasbaar”, omdat bij sommige
                        bepalingen nadere voorwaarden</al><al>gelden, waaraan uiteraard ook voldaan moet worden. Om die reden is het
                        mogelijk dat sommige artikelen buiten</al><al>toepassing moeten blijven. Door te verwijzen naar heel hoofdstuk 10a wordt
                        voorkomen dat bij wijziging van</al><al>artikelen enkele artikelen onbedoeld buiten benoeming blijven.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van
                        wie het recht op een uitkering</al><al>krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11 augustus 2003, welke
                        uitkering wegens werkhervatting</al><al>geëindigd is, na hernieuwde werkloosheid slechter af zijn dan de mensen die
                        voortdurend werkloos zijn</al><al>gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop
                        van de nieuw toegekende</al><al>loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt toegekend, die
                        uiterlijk eindigt op het moment</al><al>waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij
                        voortdurende werkloosheid.</al><al>Het vierde lid van artikel 10a:16a bepaalt dat deze uitkering op grond van
                        artikel 130h, tweede lid, WW</al><al>verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat
                        mensen gecumuleerd twee</al><al>uitkeringen krijgen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:16b</cursief></vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de wijziging van de Werkloosheidswet waarin de
                        vervolguitkering is afgeschaft,</al><al>is door het Kabinet – vanwege de snelheid van invoering – overeengekomen dat
                        er een overgangsrecht is voor</al><al>onder meer diegenen van wie het ontslag al voor 11 augustus 2003 was
                        aangezegd. Voor deze groep mensen is</al><al>in artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet bepaald dat de oude
                        bepalingen van de WW blijven gelden</al><al>en dat zij dus op grond van de oude bepalingen van de WW een
                        vervolguitkering ontvangen. Als dit aan de</al><al>orde is, bestaat gedurende die vervolguitkering ook recht op een aanvullende
                        uitkering. Pas na deze aanvullende</al><al>uitkering gaat de aansluitende uitkering in. Artikel 10a:16b voorziet
                        hierin.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:17</cursief></vet></al><al>Ook voor de aansluitende uitkering is de berekeningsgrondslag het dagloon
                        WW, echter zonder dat de</al><al>maximum dagloongrens wordt toegepast. Zie ook de toelichting op artikel
                        10a:3.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:18</cursief></vet></al><al>Een algemene salarisverhoging in de sector Gemeenten betekent dat de
                        berekeningsgrondslag voor de</al><al>aansluitende uitkering dienovereenkomstig wordt aangepast.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:19</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid regelt de hoogte van de aansluitende uitkering. Als de WW-uitkering
                        korter is dan 15 maanden, moet</al><al>geregeld worden dat de aansluitende uitkering tot 15 maanden na de eerste
                        werkloosheidsdag recht geeft op een</al><al>uitkering ter hoogte van 80% van de berekeningsgrondslag, zoals deze
                        gedefinieerd is in artikel 10a:17 juncto</al><al>10a:3. Dit lid voorziet daarin.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De medewerker die is ontslagen wegens volledige arbeidsongeschiktheid
                        (artikel 8:5) en die in het genot is van</al><al>een WAO-uitkering, die is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage
                        van 80% of meer, kan, nadat</al><al>de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage is gesteld
                        (afschatting), in aanmerking komen voor</al><al>een aansluitende uitkering nadat de WW-uitkering is beëindigd. Of betrokkene
                        voor een aansluitende uitkering</al><al>in aanmerking komt hangt af van de duurberekening van de aansluitende
                        uitkering vanaf de datum van ontslag</al><al>in relatie tot de duur van de WW-uitkering. Voor voorbeelden wordt verwezen
                        naar de toelichting bij artikel</al><al>10a:16, lid 3.</al><al>Voor de hoogte van de aansluitende uitkering wordt uitgegaan van de datum
                        van ontslag. Indien de periode</al><al>na ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid samen met de duur van de
                        WW-uitkering na afschatting</al><al>langer duurt dan 15 maanden, bedraagt de hoogte van de aansluitende
                        uitkering 70% van het ongemaximeerde</al><al>dagloon.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet voorkomt dat mensen van
                        wie het recht op een uitkering</al><al>krachtens de Werkloosheidswet is ingegaan voor 11 augustus 2003, welke
                        uitkering wegens werkhervatting</al><al>geëindigd is, na hernieuwde werkloosheid slechter af zijn dan de mensen die
                        voortdurend werkloos zijn</al><al>gebleven. Artikel 130 h, tweede lid, van de WW bepaalt dat mensen na afloop
                        van de nieuw toegekende</al><al>loongerelateerde uitkering alsnog een vervolguitkering wordt toegekend, die
                        uiterlijk eindigt op het moment</al><al>waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij
                        voortdurende werkloosheid.</al><al>Het derde lid van artikel 10a:19 bepaalt dat deze uitkering op grond van
                        artikel 130h, tweede lid, WW</al><al>verrekend wordt met de aansluitende uitkering. Hiermee wordt voorkomen dat
                        mensen gecumuleerd twee</al><al>uitkeringen krijgen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:20</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tijdens de fase van de aansluitende uitkering is er geen recht meer op WW.
                        Niettemin zijn de bepalingen in</al><al>de WW betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op
                        uitkering analoog van toepassing.</al><al>Dit betekent dat een recht op aansluitende uitkering om dezelfde reden kan
                        eindigen als een WW-uitkering</al><al>(bijvoorbeeld op grond van artikel 20 WW) geëindigd zou zijn.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Wanneer er tijdens de periode dat er recht bestaat op WW sprake is van
                        ziekte, ontstaat er recht op een uitkering</al><al>krachtens de ZW. Zie artikel 7, onderdeel a van de ZW. Op grond van artikel
                        19 WW heeft de betrokkene die</al><al>een uitkering krachtens de ZW ontvangt, geen recht op een uitkering
                        krachtens de WW. Op zich logisch, want</al><al>anders zou de betrokkene recht hebben op zowel een uitkering krachtens de ZW
                        als een uitkering krachtens de</al><al>WW.</al><al>Tijdens de aansluitende uitkering is er in de regel geen recht meer op een
                        uitkering krachtens de ZW. Dus</al><al>artikel 19 WW heeft in dat geval geen rechtstreekse werking. Echter: wanneer
                        er sprake is van ziekte, is men</al><al>niet beschikbaar om arbeid te verrichten en dus ook niet werkloos in de zin
                        van de WW. Op grond van artikel</al><al>20 WW (dat van overeenkomstige toepassing is, volgens het eerste lid van
                        artikel 10a:20) zou dan het recht op</al><al>uitkering eindigen, wat krachtens het eerste lid van artikel 10a:20 zou
                        betekenen dat de aansluitende uitkering</al><al>ook zou eindigen. Dit is niet de bedoeling. Derhalve blijft het recht op
                        aansluitende uitkering bestaan.</al><al>Bij ziekte gedurende de aansluitende uitkering blijft de oorspronkelijke
                        uitkeringsduur gehandhaafd. Bij ziekte</al><al>wordt het recht op aansluitende uitkering dus verbruikt.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:20a</cursief></vet></al><al>Volgens de Ziektewet kan er in een bepaald geval recht ontstaan op een
                        ZW-uitkering, ook al is de</al><al>uitkeringsgerechtigde geen betrokkene meer in de zin van de ZW (bijvoorbeeld
                        omdat de duur van de</al><al>WW-uitkering is verstreken). Op grond van artikel 46 van de ZW kan er
                        namelijk sprake zijn van nawerking.</al><al>Zo kan de situatie zich voordoen dat een betrokkene binnen een maand na het
                        begin van de aansluitende</al><al>uitkering ziek wordt en op grond van de nawerking nog recht heeft op een
                        ZW-uitkering. Betrokkene heeft dan</al><al>zowel recht op een aansluitende uitkering als op een ZW-uitkering. In dat
                        geval loopt het recht op aansluitende</al><al>uitkering door en wordt de ZW-uitkering hierop verminderd.</al><al>Ook de Waz kent een nawerkingsbepaling. Artikel 3:10 van deze wet bepaalt
                        dat werknemers die korter dan 10</al><al>weken na afloop van de verplichte verzekering (dit is na afloop van de
                        WW-uitkering) bevallen, een kind ter</al><al>adoptie aannemen of een pleegkind aannemen, recht hebben op een uitkering op
                        grond van de Waz.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:21</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Deze bepaling komt erop neer dat, indien na gehele of gedeeltelijke
                        beëindiging van het recht op aansluitende</al><al>uitkering, bijvoorbeeld door kortdurende arbeid, na afloop van die arbeid
                        geen nieuw recht op een</al><al>WW-uitkering is ontstaan, het recht op de aansluitende uitkering
                        herleeft.</al><al>Zie voor een verdere toelichting op het begrip herleving de toelichting op
                        artikel 10a:7.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet,
                        zoals deze luidde voor</al><al>inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, is in
                        feite een verlenging van de duur</al><al>van de WW-uitkering opgenomen. In de toelichting op artikel 10a:8 is
                        hierover het een en ander opgenomen.</al><al>Deze WW-bepalingen zijn niet van overeenkomstige toepassing op de
                        aansluitende uitkering. De aansluitende</al><al>uitkering kan niet opschorten als gedurende de aansluitende uitkering sprake
                        is van herleving na een</al><al>beëindiging.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:22</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Deze bepaling betekent dat, hoewel de WW formeel niet meer van kracht is,
                        niettemin het verplichtingen- en</al><al>sanctieregime van de WW van toepassing is. Dit betekent dat de betrokkene
                        gedurende deze fase dezelfde</al><al>verplichtingen heeft als toen de WW nog wel van toepassing was en dat er ook
                        sancties kunnen worden</al><al>getroffen wanneer de betrokkene zich niet aan zijn verplichtingen
                        houdt.</al><al>Indien op de aanvullende uitkering een sanctie is toegepast die bij het
                        einde van de aanvullende uitkering nog</al><al>niet helemaal ten uitvoer is gebracht, wordt het restant van de sanctie
                        toegepast op de aansluitende uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Op grond van deze bepaling wordt het ZW-regime doorgetrokken naar de
                        situatie waarin de betrokkene op</al><al>grond van nawerking alsnog in de aansluitende fase van de uitkering recht
                        heeft op ZW.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:23</cursief></vet></al><al>Normaliter leidt het verrichten van arbeid tot vermindering van de
                        werkloosheid en aldus tot een uitkering</al><al>die op die lagere werkloosheid wordt gebaseerd. Hierop wordt een
                        uitzondering gemaakt als er arbeid wordt</al><al>verricht voor minder dan vijf uren en minder dan de helft van het aantal
                        verloren gegane arbeidsuren. De</al><al>aansluitende uitkering wordt in dergelijke gevallen verminderd met 70% van
                        hetgeen er met die arbeid</al><al>wordt verdiend. Dit soort gevallen zal sporadisch voorkomen, tenzij het gaat
                        om deeltijders met een klein</al><al>dienstverband.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:24</cursief></vet></al><al>Hoewel de WW niet meer van toepassing is, kan er toepassing worden gegeven
                        aan de artikelen 75 tot en met</al><al>78 van de WW. Dit betekent dat na toestemming en onder de voorwaarden zoals
                        die zijn vastgelegd in artikel 75</al><al>en 76, werklozen kunnen studeren met behoud van aansluitende uitkering.</al><al>De jurisprudentie en het beleid van het UWV inzake scholing en onbeloonde
                        activiteiten zijn van</al><al>overeenkomstige toepassing.</al><al>In geval van noodzakelijk geachte scholing is er een duurdoorbreking van
                        toepassing (krachtens artikel 76,</al><al>eerste lid WW) en ligt de duur van de aansluitende uitkering niet vast. Dit
                        betekent dat hier een uitzondering</al><al>wordt gemaakt op artikel 10a:16, eerste lid, waarin bepaald is dat de duur
                        van de aansluitende uitkering éénmaal</al><al>wordt berekend en vervolgens vastligt.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:25</cursief></vet></al><al>In artikel 10a:13 is de overlijdensuitkering geregeld in de periode dat er
                        recht is op een aanvullende uitkering.</al><al>In artikel 10a:25 is vastgelegd dat er een gelijkwaardig recht op
                        overlijdensuitkering bestaat in geval van</al><al>overlijden tijdens de aansluitende uitkering, maar na afloop van de
                        WW-uitkering. De ZW-uitkering is</al><al>geëindigd. Behoudens nawerking op grond van artikel 46 ZW, in welk geval
                        artikel 10a:13 nog van toepassing</al><al>is, bestaat er dan geen aanspraak meer op een ZW-overlijdensuitkering. De
                        overlijdensuitkering is in dit geval</al><al>geheel bovenwettelijk.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:25a</cursief></vet></al><al>Deze bepaling regelt dat grensarbeiders die hun baan verliezen, in Nederland
                        recht hebben op dezelfde</al><al>Nederlandse (bovenwettelijke) werkloosheidsuitkering als een werknemer die
                        in Nederland woont en ontslagen</al><al>wordt. Dit geldt niet alleen voor de periode van de aanvullende uitkering
                        (waarvoor artikel 10a:13a geldt), maar</al><al>ook voor de periode van de aansluitende uitkering.</al><al>Zie voor een verdere toelichting de toelichting op artikel 10a:13a.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:26</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Aan de betrokkene die buiten de gemeentelijke organisatie arbeid ter hand
                        gaat nemen, kan ter zake van de</al><al>kosten die voor hem aan een daartoe nodige verhuizing zijn verbonden, een
                        tegemoetkoming worden toegekend</al><al>van € 2.270,- onder verrekening van een tegemoetkoming in de verhuiskosten
                        uit anderen hoofde. Het gaat hier</al><al>om een discretionaire bevoegdheid.</al><al>Het recht op een verhuiskostenvergoeding kan alleen worden geëffectueerd,
                        indien de vergoeding</al><al>bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd. Betrokkene zal de
                        noodzakelijke informatie aan de</al><al>uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al>De tegemoetkoming in verhuiskosten indien de betrokkene elders buiten de
                        gemeentelijke organisatie werk</al><al>heeft gevonden, is een instrument dat kan bijdragen aan zijn reïntegratie in
                        het arbeidsproces. Hiermee</al><al>wordt een eventuele belemmering gelegen in de hoge verhuiskosten bij
                        aanvaarding van een functie elders</al><al>weggenomen. Het betreft hier een discretionaire bevoegdheid.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Indien de gewezen ambtenaar een verhuiskostenvergoeding van zijn nieuwe
                        werkgever ontvangt, kan hem</al><al>slechts een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden toegekend voor het
                        gedeelte van de vergoeding dat uit</al><al>zou gaan boven de door de nieuwe werkgever verstrekte tegemoetkoming.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:27</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In dit artikel zijn de nadere voorwaarden opgenomen, waaronder de
                        tegemoetkoming in de verhuiskosten</al><al>toegekend kan worden. De opsomming is cumulatief: er moet aan alle gestelde
                        voorwaarden worden voldaan.</al><al>Er bestaat geen mogelijkheid tot terugvordering in het geval van beëindiging
                        werkhervatting door eigen schuld</al><al>of toedoen en/of in het geval van fraude.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat er verrekeningsactie moet worden ondernomen wanneer
                        blijkt dat de betrokkene (toch)</al><al>niet verhuisd is, is vastgelegd dat de vergoeding achteraf wordt toegekend.
                        Voordat de vergoeding wordt</al><al>toegekend, moet komen vast te staan dat de betrokkene daadwerkelijk is
                        verhuisd.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:28</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De reïntegratietoeslag is in het leven geroepen om degenen met recht op een
                        WW- en bovenwettelijke uitkering</al><al>te stimuleren niet alleen een functie van een gelijk niveau als de oude
                        betrekking te aanvaarden, maar ook een</al><al>functie die lager wordt beloond. Per saldo zal dit tot lagere
                        uitkeringslasten voor de gemeente leiden.</al><al>Er moet minimaal 10% verschil zijn tussen het dagloon in de oude betrekking
                        en dat in de nieuwe betrekking.</al><al>Net als bij de verhuiskostenvergoeding kan het recht op een
                        reïntegratietoeslag alleen worden geëffectueerd,</al><al>indien de toeslag bij de uitvoeringsinstelling wordt aangevraagd. Betrokkene
                        zal de noodzakelijke informatie</al><al>aan de uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al>Er kan alleen recht op een reïntegratietoeslag ontstaan als een betrokkene
                        tijdens het recht op een</al><al>bovenwettelijke uitkering een dienstbetrekking in de zin van de WW
                        aanvaardt. Wanneer de betrokkene</al><al>aansluitend aan het ontslag als betrokkene een dienstverband aanvaardt
                        voordat het recht op bovenwettelijke</al><al>uitkering ontstaat, is er geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><al>Het recht op reïntegratietoeslag kan alleen worden geeffectueerd, indien het
                        wordt aangevraagd. Betrokkene zal</al><al>de benodigde gegevens aan de uitvoeringsinstelling moeten overleggen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat er langdurige berekeningen met terugwerkende kracht
                        moeten worden gemaakt, is de</al><al>termijn voor aanvraag van de reïntegratietoeslag vrij kort gehouden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Wanneer er sprake is van een lager dagloon, vloeit daar niet in alle
                        gevallen recht op een reïntegratietoeslag uit</al><al>voort. Het lagere dagloon kan een gevolg zijn van een kleinere omvang van de
                        nieuwe betrekking. Wanneer er</al><al>sprake is van een kleinere omvang, wordt het dagloon in de oude betrekking
                        omgerekend naar het dagloon in</al><al>de nieuwe betrekking. Als het verschil tussen het oude (omgerekende) dagloon
                        en het nieuwe minstens 10%</al><al>bedraagt, ontstaat er recht op een reïntegratietoeslag.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Er dient ten minste een dienstverband van één jaar te zijn overeengekomen.
                        Normaliter zal er bij de beëindiging</al><al>van deze dienstbetrekking sprake zijn van een nieuw recht op WW. Maar dat
                        hoeft niet altijd het geval te zijn.</al><al>Wanneer bijvoorbeeld de betrokkene met een tijdelijke dienstbetrekking van
                        minimaal één jaar tussentijds toch</al><al>weer werkloos wordt (bijvoorbeeld als gevolg van ontslag in de proeftijd),
                        zal het eerste WW-recht, inclusief</al><al>bovenwettelijke uitkering, weer herleven.</al><al>De duur van de reïntegratietoeslag wordt elke keer opnieuw berekend bij het
                        aangaan van een nieuwe</al><al>dienstbetrekking waaraan een aanspraak op reïntegratietoeslag kan worden
                        ontleend.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>De WW kent in artikel 35 een systematiek van verrekenen van inkomsten die
                        alleen van belang is in situaties</al><al>waarin er voor een gering aantal uren nieuw werk wordt gevonden. Het gaat
                        dan om een dienstverband van</al><al>minder dan vijf uur en minder dan de helft van het aantal verloren gegane
                        arbeidsuren. In zo n geval is er geen</al><al>sprake van een gedeeltelijke beëindiging van de uitkering, zoals op basis
                        van artikel 20, eerste lid, onderdeel b</al><al>van de WW verwacht kan worden, maar wordt het totaal van de WW-uitkering en
                        de bovenwettelijke uitkering</al><al>verminderd met 70% van hetgeen er met die nieuwe werkzaamheden wordt
                        verdiend. Er is in zulke gevallen</al><al>geen recht op een reïntegratietoeslag.</al><al>Ook wanneer aan de betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend
                        (artikel 10a:32), is er geen recht op een</al><al>reïntegratietoeslag.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:29</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De duur waarvoor de reïntegratietoeslag wordt toegekend, is niet gelijk aan
                        de periode die de betrokkene nog</al><al>recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende uitkering als hij
                        geen andere functie aanvaard zou</al><al>hebben. Het gaat in dit geval om driekwart van het aantal gehele jaren dat
                        de betrokkene nog recht gehad zou</al><al>hebben op een bovenwettelijke uitkering.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:30</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>In deze bepaling wordt de betrokkene verplicht om de uitvoeringsinstelling
                        van bepaalde informatie te voorzien.</al><al>Deze informatie moet maandelijks worden gegeven. Wanneer de betrokkene deze
                        verplichting niet nakomt, kan</al><al>het recht op reïntegratietoeslag niet worden vastgesteld, en kan dit recht
                        derhalve niet tot uitkering komen.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:31</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het recht op reïntegratietoeslag blijft bestaan als de betrokkene binnen
                        zijn nieuwe dienstbetrekking niet</al><al>feitelijk werkt, maar wel recht op zijn loon behoudt.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor de toepassing van deze bepaling wordt uitgegaan van de stelling
                        -fulltime is fulltime-. Met andere</al><al>woorden: een fulltime dienstverband van 36 uur wordt qua omvang
                        gelijkgesteld aan een fulltime dienstverband</al><al>van 38 uur. Hierdoor zijn omrekeningen niet nodig.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:32</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De reïntegratiepremie is een instrument om opname in het arbeidsproces te
                        stimuleren. Een soortgelijke</al><al>bepaling kwam eveneens voor in de oude wachtgeld- en uitkeringsregeling. De
                        reïntegratiepremie beoogt de</al><al>gewezen ambtenaar in de gelegenheid te stellen om door middel van een bedrag
                        ineens zijn werkloosheid geheel</al><al>op te heffen. Als algemene norm voor de inwilliging van het verzoek geldt
                        derhalve dat de bestemming van het</al><al>afkoopbedrag kansen moet bieden op een blijvende opheffing van de bestaande
                        werkloosheid.</al><al>De betrokkene die nog geen recht op een bovenwettelijke uitkering heeft, kan
                        geen recht verkrijgen op een</al><al>reïntegratiepremie. Dit betekent dat de ambtenaar die aansluitend aan het
                        ontslag gaat werken, niet voor deze</al><al>premie in aanmerking komt.</al><al><vet><cursief>Artikel 10a:33</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Deze bepaling hanteert het criterium 'in dezelfde mate werkloos zou zijn
                        gebleven' als dat hij is op de dag</al><al>voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe werkgever. De zinsnede 'in
                        dezelfde mate' impliceert</al><al>dat de omstandigheden op de dag voor de werkhervatting bepalend zijn voor de
                        berekeningsbasis. De</al><al>berekeningsgrondslag kan verminderd zijn. Als de betrokkene al gedeeltelijk
                        werkt, heeft dit invloed op de</al><al>berekeningsbasis. Hetzelfde geldt voor een verminderde beschikbaarheid voor
                        de arbeidsmarkt. Daarentegen</al><al>heeft een sanctie geen invloed.</al><al>Wanneer op de dag voor de werkhervatting een uitsluitingsgrond voor het
                        recht op WW van toepassing is</al><al>(bijvoorbeeld ziekte of vakantie), waardoor het recht op WW en
                        bovenwettelijke uitkering geheel eindigt, kan</al><al>de reïntegratiepremie pas worden vastgesteld en tot uitbetaling komen als de
                        uitsluitingsgrond is opgeheven.</al><al><vet>11 Uitkeringsregeling ontslag</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 11:1</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>De omschrijving dat aan de ambtenaar ontslag moet zijn verleend, impliceert
                        dat het einde van een tijdelijke</al><al>urenuitbreiding geen recht geeft op een uitkering. Immers, er is geen sprake
                        van ontslag. Dit is anders wanneer</al><al>deze urenuitbreiding, die in de vorm van een brief kan worden meegedeeld, de
                        vorm krijgt van een tijdelijke</al><al>aanstelling. Na afloop van deze aanstelling ontstaat wel recht op een
                        uitkering.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid een ambtenaar een recht op uitkering
                        toe te kennen die ontslag heeft</al><al>gevraagd omdat betrokkene de echtgenoot (en eventueel de levenspartner) wil
                        volgen die genoodzaakt is elders</al><al>een betrekking te aanvaarden. Interessant is vaste jurisprudentie van de
                        Centrale raad van beroep die uitwijst</al><al>dat de weigering in dergelijke situaties een recht op uitkering toe te
                        kennen, in alle gevallen is gesanctioneerd.</al><al>Wanneer de verhuizing medisch noodzakelijk is in verband met de gezondheid
                        van de echtgenoot, is er</al><al>aanleiding een uitkering toe te kennen. Dit is een omstandigheid waarop
                        betrokkenen geen invloed kunnen</al><al>uitoefenen.</al><al><vet><cursief>Artikel 11:6</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid bepaalt dat recht op een uitkering bestaat indien voldaan is
                        aan de zogenaamde toegangseis. In het</al><al>jaar voorafgaand aan het ontslag dient betrokkene tenminste gedurende 26
                        weken werkzaam te zijn geweest als</al><al>werknemer in de zin van de WW. Werkzaamheden, verricht als zelfstandige,
                        tellen dus niet mee. In dit verband</al><al>wordt een week als een gewerkte week aangemerkt, indien ten minste op n dag
                        per week is gewerkt, ongeacht</al><al>het aantal uren. Deze toegangseis, afkomstig uit de WW, is in de WW
                        inmiddels per 1 maart 1995 verzwaard,</al><al>maar die verzwaring wordt in ieder geval voor 1 januari 2000 niet
                        overgenomen in dit hoofdstuk.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid vermeldt welke werkzaamheden in aanmerking worden genomen bij
                        het vaststellen of aan de</al><al>toegangseis is voldaan. Het gaat hierbij niet alleen om werkzaamheden
                        verricht in de dienstbetrekking waaruit</al><al>ontslag volgt, maar ook om werkzaamheden die zijn verricht in een
                        dienstbetrekking waarvoor de betrekking</al><al>waaruit ontslag volgt, in de plaats is gekomen. Let wel, hierbij kan het ook
                        gaan om werkzaamheden die in de</al><al>private sector zijn verricht voorafgaand aan indiensttreding bij de
                        gemeente.</al><al>Dat er een duidelijke relatie ligt tussen het ontslag en de dienstbetrekking
                        waaruit ontslag volgt voor het bepalen</al><al>of aan de toegangseis is voldaan, moge het volgende voorbeeld illustreren.
                        Een ambtenaar gaat een deeltijdbaan</al><al>vervullen van 20 uur voor de termijn van een jaar. Na zes maanden gaat
                        betrokkene een tweede deeltijdbaan</al><al>vervullen van 16 uur voor de duur van drie maanden. Aan deze baan is geen
                        andere voorafgegaan. Na het</al><al>verstrijken van de termijn van drie maanden ontstaat geen recht op een
                        uitkering, betrokkene is in deze functie</al><al>immers geen 26 weken werkzaam geweest. De weken waarin is gewerkt in de
                        betrekking die blijft voortbestaan,</al><al>tellen niet mee. Deze tijd telt uitsluitend mee voor de beoordeling of aan
                        de toegangseis voldaan is op het</al><al>tijdstip dat de deeltijdbetrekking van 20 uur eindigt. Gewerkte weken tellen
                        dus slechts eenmaal mee.</al><al><vet><cursief>Artikel 11:17</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Ook al vervalt hoofdstuk 11 per 1 januari 2001 voor de gevallen van
                        werkloosheid, die zijn ontstaan op of ná</al><al>1 januari 2001, de verwijzing naar hoofdstuk 7 kan nog gedurende 2 jaren van
                        toepassing zijn. Hierbij gaat het</al><al>om de status quo op 31 december 2000. Gemeenten doen er verstandig aan de
                        tekst van hoofdstuk 7, zoals dat</al><al>luidde op 31 december 2000, apart te bewaren.</al><al><vet><cursief>Artikel 11:18</cursief></vet></al><al><cursief>Toelichting</cursief></al><al>De ziekte-uitkering op grond van artikel 11:17 (gedurende maximaal een jaar,
                        ter hoogte van 80% van de</al><al>bezoldiging) schort het recht op uitkering op. Dit betekent dat de periode
                        gedurende welke een ziekte-uitkering</al><al>is genoten, bij de oorspronkelijke uitkeringsduur wordt opgeteld.</al><al><vet><cursief>Artikel 11:20</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Dit artikel geldt slechts ten aanzien van degene aan wie uitsluitend een
                        uitkering voor de periode van zes</al><al>maanden is toegekend. In afwijking van het reguliere systeem van de
                        verrekening van neveninkomsten, geldt in</al><al>dit geval dat het recht op uitkering vervalt en herleeft in de situatie dat
                        spoedig opnieuw werkloosheid optreedt</al><al>nadat betrokkene bijvoorbeeld als uitzendkracht heeft gewerkt.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het eerste lid wordt bepaald dat het recht op uitkering vervalt met
                        ingang van de dag dat de werkloosheid</al><al>eindigt, en dat het recht opnieuw voor de resterende duur wordt toegekend
                        met ingang van de dag dat opnieuw</al><al>werkloosheid ontstaat. Van belang is dat het begrip beëindiging van de
                        werkloosheid zodanig is omschreven</al><al>dat bij het aanvaarden van een tijdelijke dienstbetrekking eerst van
                        beëindiging van de werkloosheid sprake</al><al>is indien gedurende een periode van een maand gewerkt is. Daarbij moet het
                        gaan om een betrekking bij</al><al>eenzelfde werkgever en met ten minste de omvang van de betrekking waaruit
                        ontslag volgde. Dit betekent dat</al><al>gedurende de eerste maand waarin de gewezen ambtenaar met een uitkering een
                        tijdelijke betrekking vervult, de</al><al>inkomsten met de uitkering worden verrekend. Pas na een periode van een
                        maand vervalt de uitkering. Hiermee</al><al>wordt voorkomen dat meerdere malen het recht op uitkering vervalt en weer
                        herleeft wanneer bijvoorbeeld op</al><al>uitzendbasis wordt gewerkt.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid voorziet in een aangepaste toegangseis wanneer na afloop van
                        de uitkeringsduur van zes maanden</al><al>nog steeds sprake is van een situatie van werkloosheid.</al><al><vet>11a Suppletie</vet></al><al><vet><cursief>Inleiding</cursief></vet></al><al>Per 1 januari 1996 heeft het burgerlijk overheidspersoneel in geval van
                        arbeidsongeschiktheid op grond</al><al>van artikel 31 van de Wet privatisering ABP (WPA) recht op een uitkering
                        conform de Wet op de</al><al>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Per die datum is het
                        herplaatsingswachtgeld ingevolge hoofdstuk</al><al>K van de ABP-wet komen te vervallen. Voor het herplaatsingswachtgeld is de
                        suppletieregeling in de plaats</al><al>gekomen. De suppletieregeling draagt het karakter van een
                        werkloosheidsregeling. Vooruitlopend op het</al><al>moment dat het overheidspersoneel onder de werking van de
                        werknemersverzekeringen zal worden gebracht,</al><al>de zogenaamde OOWoperatie, is bij de suppletieregeling reeds zoveel als
                        uitvoeringstechnisch mogelijk</al><al>aangesloten bij de WW. De lasten van de suppletieregeling worden gedragen
                        door de overheidswerkgever zelf.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al><cursief>Onderdeel b</cursief></al><al>Artikel 11a:1 bevat de definitiebepalingen.</al><al>Met het begrip 'arbeidsongeschiktheidsuitkering' is in deze
                        suppletieregeling elke wettelijke of bovenwettelijke</al><al>uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid bedoeld. Voorbeelden hiervan
                        zijn de WAO-uitkering, de uitkering</al><al>op grond van de WAZ en de uitkering op grond van de WAJONG.</al><al><cursief>Onderdeel d</cursief></al><al>De doelgroep van deze suppletieregeling wordt gevormd door de
                        overheidswerknemers die zijn ontslagen uit</al><al>een dienstbetrekking bij een gemeente op grond van ongeschiktheid tot het
                        verrichten van hun arbeid wegens</al><al>ziekte en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt
                        zijn in de zin van de WAO.</al><al>Van suppletie is echter uitgezonderd degene die zijn resterende
                        verdienvermogen volledig benut in een</al><al>of meer aangehouden betrekkingen. Ingevolge de systematiek van de WAO wordt
                        namelijk de mate van</al><al>arbeidsongeschiktheid vastgesteld op grond van het resterend verdienvermogen
                        dat de betrokkene heeft.</al><al>Wanneer de betrokkene één of meer aangehouden betrekkingen heeft, is hij
                        ingevolge die systematiek dus</al><al>altijd minder dan 80% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO. De suppletie
                        is echter bedoeld voor degenen</al><al>die minder dan 80% arbeidsongeschikt zijn voor de dienstbetrekking waaruit
                        zij zijn ontslagen op grond</al><al>van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. De
                        overheidswerknemer die op</al><al>bovengenoemde grond is ontslagen en die toen minder dan 15%
                        arbeidsongeschikt is verklaard, heeft, gelet</al><al>op de definiëring, eveneens recht op suppletie. Met de omschrijving dat de
                        betrokkene overheidswerknemer</al><al>is, bedoeld in artikel 2 van de WPA, wordt niet beoogd een andere
                        omschrijving te geven dan die van het</al><al>ambtenaarschap in de zin van de Abp-wet, zoals die luidde op 31 december
                        1995.</al><al><cursief>Onderdelen g en h</cursief></al><al>Het dagloon in de zin van de suppletie is het ongemaximeerde dagloon in de
                        zin van de WAO met een</al><al>bepaalde correctie. Allereerst wordt het dagloon in de zin van de WAO
                        vermeerderd met het bedrag aan</al><al>pensioenbijdrageverhaal.</al><al>Daarnaast wordt in die gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten
                        verzekerd zijn ingevolge</al><al>een particuliere ziektekostenverzekering de werkgeversbijdrage in die
                        ziektekostenverzekering in mindering</al><al>gebracht op het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO. Deze
                        tegemoetkoming van de werkgever</al><al>dient van het WAO-dagloon te worden afgetrokken, omdat de
                        berekeningsgrondslag van de suppletie anders</al><al>niet gelijk zou zijn aan de berekeningsgrondslag van het vroegere
                        herplaatsingswachtgeld, de laatstgenoten</al><al>bezoldiging.</al><al>In gemeenten waar overheidswerknemers tegen ziektekosten verzekerd zijn
                        ingevolge een publiekrechtelijke</al><al>ziektekostenverzekering, is het niet nodig om bij de vaststelling van de
                        berekeningsgrondslag van de suppletie,</al><al>het ongemaximeerde dagloon in de zin van de WAO te verminderen met de
                        tegemoetkoming van de werkgever</al><al>in een particuliere ziektekostenverzekering van betrokkene. In deze gevallen
                        wordt bij de vaststelling van het</al><al>dagloon in de zin van de WAO reeds rekening gehouden met de
                        werkgeversbijdrage.</al><al><cursief>Onderdeel h</cursief></al><al>Het dagloon wordt uitsluitend in aanmerking genomen voor zover het
                        toegerekend kan worden aan de</al><al>betrekking waaruit betrokkene met recht op suppletie is ontslagen. In
                        tegenstelling tot de WAO-conforme</al><al>uitkering ingevolge de WPA, is het recht op suppletie immers aan die enkele
                        betrekking gekoppeld.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk
                        11a niet van toepassing is op de</al><al>ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een
                        wetenschappelijke of praktische opleiding of</al><al>vorming en de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van
                        werkzaamheden in het kader van een door</al><al>de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke
                        tewerkstelling de opneming in het</al><al>arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer
                        bepaalde groepen van werklozen.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:2</cursief></vet></al><al>Het recht op suppletie gaat in na ontslag op grond van ongeschiktheid voor
                        de vervulling van zijn betrekking</al><al>wegens ziekte. Aangezien ontslag op genoemde grond pas mogelijk is na 24
                        maanden ongeschiktheid (zie</al><al>artikel 8:5, tweede lid), kan het recht op suppletie derhalve niet eerder
                        ingaan dan na die 24 maanden.</al><al>De maximale uitkeringsduur van de suppletie is geregeld in artikel 11a:6.
                        Zoals bij dat artikel wordt toegelicht,</al><al>is de maximale uitkeringsduur 66 maanden, te rekenen vanaf het einde van
                        genoemde periode van 24 maanden.</al><al>Na ommekomst van de maximale uitkeringsduur eindigt het recht op suppletie.
                        Dat is nadat 90 maanden zijn</al><al>verstreken sedert de aanvang van de ongeschiktheid wegens ziekte. Vergelijk
                        artikel 11a:5, onderdeel a.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:3</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Ten aanzien van de suppletieregeling geldt een verplichtingen en
                        sanctieregime dat overeenkomt met de WW.</al><al>De toepassing van dat sanctieregime ten aanzien van de suppletie geschiedt
                        door of namens het bestuursorgaan.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid is de reikwijdte van het begrip 'passende arbeid' in de
                        zin van de WW voor de toepassing</al><al>van de suppletie zodanig uitgebreid dat het mede gangbare arbeid omvat. De
                        definitie van gangbare arbeid</al><al>is eveneens in dit lid gegeven, namelijk: alle algemeen geaccepteerde arbeid
                        waartoe de betrokkene met zijn</al><al>krachten en bekwaamheden in staat is. Deze uitbreiding is een gevolg van het
                        volgende. De werkgever dient,</al><al>voordat hij tot ontslag overgaat, een zorgvuldig onderzoek te doen naar de
                        herplaatsingsmogelijkheden voor</al><al>degene die ongeschikt is voor het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.
                        Hiertoe onderzoekt de werkgever</al><al>eerst of de mogelijkheid bestaat van plaatsing in een functie met passende
                        arbeid. Indien die mogelijkheid zich</al><al>niet voordoet doch minimaal na afloop van het eerste ziektejaar onderzoekt
                        hij of de mogelijkheid bestaat van</al><al>plaatsing in een functie met gangbare arbeid. Dit uitgangspunt betekent dat
                        de betrokkene op het moment dat</al><al>het recht op suppletie op zijn vroegst zou kunnen ontstaan, reeds een jaar
                        lang verplicht is geweest aangeboden</al><al>gangbare arbeid te accepteren.</al><al>Ingevolge het verplichtingen- en sanctieregime van de WW zijn grote groepen
                        betrokkenen die een beroep</al><al>kunnen doen op de WW, op genoemd moment (nog) niet verplicht gangbare arbeid
                        te aanvaarden. Zonder</al><al>bovengenoemde uitbreiding van het begrip 'passende arbeid' zou de ongewenste
                        situatie kunnen ontstaan dat</al><al>een betrokkene na afloop van het eerste ziektejaar, maar vóór zijn ontslag,
                        gehouden is gangbare arbeid te</al><al>aanvaarden en dat hij zich, als hij vervolgens na zijn ontslag suppletie
                        geniet, in mindere mate beschikbaar hoeft</al><al>te houden voor de arbeidsmarkt. Een ander effect van deze gelijkstelling van
                        gangbare arbeid met passende</al><al>arbeid in de zin van de WW is dat de suppletiegerechtigde, bij eventuele
                        weigering van gangbare arbeid</al><al>vóór zijn ontslag, ook onder het sanctieregime van de WW, en dus
                        suppletieregeling, valt. De weigering van</al><al>gangbare arbeid wordt derhalve betrokken bij het bepalen van het recht op
                        suppletie. Wanneer er op deze</al><al>wijze sprake is van verwijtbare werkloosheid, kan de suppletie blijvend
                        geheel danwel tijdelijk of blijvend</al><al>gedeeltelijk worden geweigerd of kan de suppletieduur worden beperkt.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:4 en 11a:5</cursief></vet></al><al>Het verschil tussen het niet tot uitbetaling komen van het recht op
                        suppletie ingevolge artikel 11a:4 en het</al><al>beeindigen van dat recht op grond van artikel 11a:5, is het volgende. Het
                        recht op suppletie loopt in het</al><al>eerstgenoemde geval nog door en er kan weer tot betaling van de suppletie
                        worden overgegaan, zodra de in</al><al>artikel 11a:4, onderdeel a of b genoemde omstandigheid zich niet meer
                        voordoet en er op dat moment nog</al><al>suppletieduur resteert.</al><al>Beëindiging van het recht op suppletie zou in het geval, bedoeld in artikel
                        11a:4, onderdeel a, tot</al><al>onredelijke resultaten kunnen leiden. Ingevolge de systematiek van de
                        WAO(conforme) uitkering kan</al><al>iemand ook bij een arbeidsongeschiktheid met een kennelijk tijdelijk
                        karakter, tijdelijk een verhoogde</al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, berekend naar een mate van
                        arbeidsongeschiktheid van 80% of</al><al>meer. Wanneer die mate van arbeidsongeschiktheid vervolgens weer wordt
                        vastgesteld op een lagere klasse, zou</al><al>de betrokkene zijn recht op suppletie zijn kwijtgeraakt. Dit wordt
                        onredelijk geacht.</al><al>Wat betreft de betrokkenen, bedoeld in onderdeel b, geldt dat zij in de
                        huidige situatie terug kunnen vallen op</al><al>het herplaatsingswachtgeld wanneer de herplaatsingstoelage wordt beëindigd.
                        Die vangnetfunctie wordt nu</al><al>voortgezet in artikel 11a:4, onderdeel b, van de suppletieregeling.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:7</cursief></vet></al><al>Artikel 11a:7 ziet op de ingangsdatum van de duur van de suppletie. De
                        'klok' van de duur van de suppletie</al><al>begint te lopen op het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling
                        van zijn betrekking wegens ziekte</al><al>24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Ook als op dat moment nog geen
                        ontslag heeft plaatsgevonden.</al><al>Wanneer de betrokkene derhalve ontslag wordt verleend op een latere datum
                        dan genoemd moment, wordt</al><al>de tussen die data gelegen periode in mindering gebracht op de totale
                        uitkeringsduur van de suppletie.</al><al>De betrokkene geniet in een dergelijke situatie in ieder geval gedurende een
                        kortere periode 80% van</al><al>de berekeningsgrondslag van de suppletie dan wanneer hij zou zijn ontslagen
                        op het moment dat hij 24</al><al>maanden onafgebroken wegens ziekte ongeschikt was voor de vervulling van
                        zijn betrekking. Wordt</al><al>betrokkene ontslagen op een moment dat genoemde ongeschiktheid 57 maanden
                        heeft geduurd dan heeft</al><al>hij geen recht meer op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie,
                        maar alleen nog op 70% van die</al><al>berekeningsgrondslag.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:8</cursief></vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In artikel 11a:8, eerste lid, komt tot uiting dat de suppletieregeling een
                        aanvullend karakter heeft. Indien de</al><al>betrokkene gedurende de periode dat de suppletie tot uitbetaling komt, ter
                        zake van het dienstverband waaruit</al><al>hij is ontslagen recht heeft op één of meer wettelijke of bovenwettelijke
                        uitkeringen ter zake van werkloosheid</al><al>en arbeidsongeschiktheid, wordt het bedrag van genoemde uitkeringen in
                        mindering gebracht op het bedrag van</al><al>de suppletie. Ditzelfde geldt wanneer een betrokkene een Waz-uitkering
                        ontvangt. De suppletie komt derhalve</al><al>tot uitbetaling wanneer en voor zover het bedrag aan suppletie hoger is dan
                        de van toepassing zijnde wettelijke</al><al>en bovenwettelijke uitkeringen. Dus ook in geval van het zogenaamde
                        TBA-hiaat in de vervolguitkeringsfase</al><al>van de WAO (-conforme) uitkering of bij expiratie van de uitkeringsduur van
                        de WW tijdens de duur van de</al><al>suppletieregeling.</al><al>De suppletieregeling vult aan tot een bepaald niveau, maar alleen wanneer de
                        betrokkene niet reeds via andere</al><al>inkomstenbronnen tot dat niveau komt. Inkomstenbronnen die betrokkene reeds
                        had vóór hij aanspraak had</al><al>op suppletie, worden daarentegen niet meegerekend. Wanneer de betrokkene
                        echter later meer inkomsten</al><al>gaat genereren uit die 'oude' inkomstenbronnen dan ligt het in de rede dat
                        meerdere wordt verrekend met de</al><al>suppletie, ook wat betreft inkomsten uit of in verband met arbeid is deze
                        systematiek opgenomen in artikel</al><al>11a:9.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid van artikel 11a:8 ziet op de situatie dat de betrokkene op
                        het ingangsmoment van de suppletie</al><al>reeds een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. Het
                        arbeidsongeschiktheidspercentage van die</al><al>arbeidsongeschiktheidsuitkering kan na het ingaan van de suppletie worden
                        verhoogd, bijvoorbeeld als gevolg</al><al>van de uitval uit de dienstbetrekking ter zake waarvan suppletie is
                        toegekend. Door die verhoging van het</al><al>arbeidsongeschiktheidspercentage stijgt ook het bedrag aan
                        arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ingevolge artikel</al><al>11a:8, tweede lid, dient dat meerdere, die verhoging van inkomsten, in
                        mindering te worden gebracht op het</al><al>bedrag van de suppletie.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:9</cursief></vet></al><al>Voor degene die tijdens zijn recht op suppletie nieuwe inkomsten uit of in
                        verband met arbeid of bedrijf</al><al>verwerft, geldt de in artikel 11a:9, eerste lid, opgenomen
                        anticumulatieregeling.</al><al>Betrokkene heeft bij inactiviteit een garantieniveau van 80%
                        onderscheidenlijk 70% van de</al><al>berekeningsgrondslag van de suppletie. Indien betrokkene er in slaagt door
                        middel van arbeid of bedrijf</al><al>inkomsten te verwerven, heft hij zijn (resterende) werkloosheid op. Wanneer
                        hij zijn werkloosheid geheel</al><al>opheft doordat hij zijn resterend verdienvermogen volledig benut, heeft hij
                        recht op een herplaatsingstoelage</al><al>van de Stichting Pensioenfonds ABP. Zolang hij die herplaatsingstoelage
                        ontvangt, komt zijn recht op suppletie</al><al>niet meer tot uitbetaling (zie artikel 11a:4, onderdeel b). Wanneer hij zijn
                        werkloosheid gedeeltelijk opheft,</al><al>behoeft de suppletiegarantie niet meer voor dat gedeelte te gelden. De
                        suppletiegarantie wordt alsdan lager en</al><al>wel op de volgende wijze:</al><al>(berekeningsgrondslag suppletie -/- nieuwe inkomsten) * 80% [70%] = X.</al><al>Het verschil met artikel 11a:8 is dus dat de te anticumuleren inkomsten
                        ingevolge artikel 11a:9 niet in</al><al>mindering worden gebracht op het bedrag van de suppletie, maar op de
                        berekeningsgrondslag van de suppletie.</al><al>Een voorbeeld van een situatie waarbij van bijzondere omstandigheden sprake
                        kan zijn, in welk geval artikel</al><al>11a:9, derde lid, van toepassing zou kunnen zijn, is het geval van inkomsten
                        uit of in verband met arbeid of</al><al>bedrijf, welke in de plaats komen van inkomsten uit of in verband met arbeid
                        of bedrijf, ter hand genomen vóór</al><al>de dag van het ontslag, anders dan bedoeld in het eerste lid.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:10</cursief></vet></al><al>Een vermindering in het niveau van de onderliggende wettelijke en/of
                        bovenwettelijke uitkeringen leidt door het</al><al>aanvullende karakter van de suppletieregeling tot een groter bedrag aan
                        suppletie. Dit effect is echter ongewenst</al><al>indien de verlaging van het niveau van de onderliggende uitkeringen wordt
                        veroorzaakt door sancties. In artikel</al><al>11a:10 is daarom vastgelegd dat sancties genomen ten aanzien van wettelijke
                        en/of bovenwettelijke uitkeringen</al><al>niet leiden tot een groter bedrag aan suppletie. In geval van sancties
                        worden de wettelijke en de bovenwettelijke</al><al>uitkeringen voor de toepassing van de artikelen 11a:8 en 11a:9 steeds geacht
                        onverminderd door betrokkene te</al><al>zijn genoten.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:12</cursief></vet></al><al>Zoals reeds aangegeven in het algemene deel, is in verband met de
                        OOW-operatie zoveel mogelijk aangesloten</al><al>bij de WW. Onderhavige bepalingen zijn geredigeerd conform enkele
                        WW-bepalingen.</al><al>Dit geldt ook voor de artikelen 11a:13, 11a:14 en 11a:15.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:16</cursief></vet></al><al>De uitvoeringsvoorschriften die het bestuursorgaan ingevolge artikel 11a:16
                        eerste lid dient vast te stellen zijn</al><al>nadere regels terzake van een doelmatige controle ten aanzien van de
                        betrokkenen. Voorbeelden van dit soort</al><al>regels zijn regels met betrekking tot de wijze waarop de betrokkene het
                        bestuursorgaan dient te informeren</al><al>over neveninkomsten, sollicitaties en inschrijving bij het RBA, alsmede met
                        betrekking tot de wijze waarop de</al><al>betrokkene zich ziek dan wel hersteld dient te melden. Onder deze nadere
                        regels kunnen bijvoorbeeld ook regels</al><al>worden gevat die de betrokkene voorschrijven om gedurende de ziekteperiode
                        tijdens de duur van de suppletie</al><al>op bepaalde tijdstippen thuis te zijn.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:17</cursief></vet></al><al>In artikel 11a:17 is het overgangsrecht opgenomen voor diegenen die op 31
                        december 1995 reeds in het genot</al><al>waren van een herplaatsingswachtgeld in de zin van de ABP-wet. De
                        systematiek van dit overgangsrecht is</al><al>dat de duur van het door de betreffende persoon genoten
                        herplaatsingswachtgeld wordt omgezet in een nog</al><al>resterende duur van het recht op suppletie. Dit is vastgelegd in het eerste
                        en tweede lid.</al><al>Herplaatsingswachtgeld en suppletie zijn twee ongelijksoortige eenheden. Om
                        het herplaatsingswachtgeld</al><al>desalniettemin zo veel mogelijk gelijkwaardig te converteren naar de
                        suppletie, is een afweging gemaakt voor</al><al>wat betreft hoogte, duur en pensioenopbouw. Zoals blijkt uit de in het
                        tweede lid opgenomen tabel betreffende</al><al>de hoogte en de duur, heeft genoemde ongelijksoortigheid er onder andere toe
                        geleid dat de tabel op drie</al><al>plaatsen niet lineair verloopt. Daar staat tegenover dat de pensioenopbouw
                        gedurende de duur van de suppletie</al><al>100% is, terwijl dit bij het herplaatsingswachtgeld 25% en onder bepaalde
                        voorwaarden 50% was.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:18</cursief></vet></al><al>In de WPA is in artikel 39, vierde en vijfde lid, bepaald hoe op 1 januari
                        1996 de conversie dient plaats te</al><al>vinden van de berekeningsgrondslag van de bezoldiging of uitkering wegens
                        ziekte van degene die op dat</al><al>moment 52 weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is in de zin van de
                        WAO en wiens mate van</al><al>algemene invaliditeit op grond van de Abp-wet is vastgesteld op ten minste
                        15 procent dan wel wiens mate</al><al>van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op grond van
                        artikel 8, derde lid, van de AAW</al><al>is vastgesteld op ten minste 25 procent. In artikel 11a:18 van de
                        suppletieregeling is bepaald dat voor degene</al><al>die op 1 januari 1996 recht had op een dergelijke bezoldiging of uitkering
                        wegens ziekte, dat 'geconverteerde'</al><al>dagloon zal gelden als berekeningsgrondslag voor de suppletie, in het geval
                        dat hij binnen een periode van zes</al><al>maanden aanspraak krijgt op suppletie.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:19</cursief></vet></al><al>In artikel 11a:19 is vastgelegd dat LOGA-partijen met elkaar in overleg
                        treden indien het niveau van de</al><al>WAO-conforme uitkering anders dan door wijziging als gevolg van individuele
                        feiten en omstandigheden,</al><al>algemeen neerwaartse wijzigingen ondergaat. In dat overleg zal dan de vraag
                        centraal staan op welke wijze</al><al>LOGA-partijen in de arbeidsvoorwaardelijke sfeer zullen omgaan met die
                        algemeen neerwaartse wijzigingen.</al><al>Voor het geval dat overleg niet tot overeenstemming heeft geleid binnen een
                        periode van zes maanden na de</al><al>datum van publikatie in het Staatsblad van de maatregel, houdende die
                        algemeen neerwaartse wijzigingen,</al><al>geldt het volgende. In dat geval worden die algemeen neerwaartse wijzigingen
                        effectief ten aanzien van de</al><al>suppletieregeling vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van
                        inwerkingtreding van bedoelde maatregel,</al><al>doch niet eerder.</al><al><vet><cursief>Artikel 11a:21</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De ambtenaar die recht heeft op een WGA-uitkering valt na ontslag wegens
                        arbeidsongeschiktheid (artikel 8:5)</al><al>op of na 1 januari 2007 onder de bovenwettelijke regeling op grond van het
                        pensioenreglement van de Stichting</al><al>Pensioenfonds ABP.</al><al>Indien betrokkene minder dan 35% arbeidsongeschikt is, heeft hij na ontslag
                        wegens arbeidsongeschiktheid op</al><al>of na 1 januari 2007 recht op een WW-uitkering en bovenwettelijke WW op
                        grond van hoofdstuk 10a.</al><al><vet>12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel</vet></al><al><vet><cursief>Inleiding</cursief></vet></al><al>Op grond van de Ambtenarenwet dient er overleg te worden gevoerd met de
                        organisaties van</al><al>overheidspersoneel over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de
                        rechtstoestand van de ambtenaren</al><al>met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal
                        worden gevoerd; een en ander voor</al><al>zover dit overleg niet reeds op sectoraal niveau wordt gevoerd.</al><al>Bedoeld overleg vindt plaats in het georganiseerd overleg (G.O.) of via de
                        hoorbepaling (zie bijlage III).</al><al><vet><cursief>Artikel 12:1</cursief></vet></al><al>Van belang bij dit artikel is dat hierin is opgenomen dat de commissie G.O.
                        niet alleen bevoegd is voor alle</al><al>ambtenaren, maar evenzeer voor de mensen die werkzaam zijn op basis van een
                        arbeidsovereenkomst.</al><al>Het al dan niet representatief zijn is een beslissing die op lokaal niveau
                        genomen wordt. Op deze wijze kan</al><al>rekening gehouden worden met lokale organisaties van ambtenaren.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De tekst van het vierde lid voorziet in een overgangsbepaling die het - in
                        afwijking van de reguliere bepalingen</al><al>over de samenstelling - mogelijk maakt om de vertegenwoordigers van genoemde
                        organisaties die op 1 juli</al><al>1998 zitting hebben in persoon nog maximaal vier jaar in de commissie te
                        laten deelnemen. Deze tijdelijke</al><al>oververtegenwoordiging heeft geen gevolgen voor de stemverhouding in de
                        commissie, die immers gebaseerd is</al><al>op de aantallen vertegenwoordigde personeelsleden.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:1:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het college wijst uit zijn midden vrijwel altijd de portefeuillehouder
                        personeel en organisatie aan. Het is ook</al><al>mogelijk dat naast deze vertegenwoordiger van de werkgever een tweede
                        collegelid wordt toegevoegd. In artikel</al><al>12:1:3 en 12:1:7 is de ambtelijke ondersteuning geregeld.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In een nader vast te stellen regeling moet het minimumaantal ambtenaren
                        worden bepaald dat lid van een</al><al>organisatie moet zijn om die organisatie tot het overleg toe te laten. Het
                        gaat hier om de representativiteit van</al><al>de organisatie. Voor de bepaling van het minimum zijn geen vaste regels te
                        geven. Het kan, behalve van lokale</al><al>omstandigheden, afhankelijk zijn van het aantal medewerkers en van hun
                        organisatiegraad.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:1:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een ambtenaar die gedetacheerd wordt buiten de gemeente, behoeft in formele
                        zin zijn lidmaatschap niet op te</al><al>geven. Indien de detachering langer duurt dan bijvoorbeeld zes maanden, ligt
                        het voor de hand het lidmaatschap</al><al>op te geven. Een dergelijke handelwijze zou op lokaal niveau als spelregel
                        kunnen worden afgesproken.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:1:3</cursief></vet></al><al>Het verdient aanbeveling om het hoofd personeel en organisatie als
                        secretaris aan te wijzen of anders de</al><al>medewerker die met die taken is belast. Het valt af te raden de
                        gemeentesecretaris aan te wijzen omdat die</al><al>immers de voorzitter is van het overleg met de ondernemingsraad. Het is
                        beter om die rollen te scheiden.</al><al>De secretaris van het overleg kan voorzitter zijn van het zogenaamde
                        informeel of technisch overleg, dat het</al><al>georganiseerd overleg voorbereidt.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:1:4</cursief></vet></al><al>Gemeenten zijn gehouden de CAR te volgen, hetzelfde geldt voor de UWO indien
                        gemeenten zich daarvoor</al><al>hebben aangemeld. Omdat op lokaal niveau van een in het LOGA afgesproken
                        wijziging niet kan worden</al><al>afgeweken, volstaat een mededeling van de wijziging.</al><al>Voor een gemeente die de hoorbepaling volgt (zie bijlage III bij CAR en UWO)
                        geldt dat wijzigingen van CAR</al><al>en/of UWO niet ter kennis van de centrales behoeven te worden gebracht.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:1:5</cursief></vet></al><al>De vraag is of bij reorganisaties het primaat bij het GO of bij de
                        ondernemingsraad ligt. Het besluit tot</al><al>reorganiseren moet in eerste instantie, conform artikel 25 van de WOR, voor
                        advies aan de ondernemingsraad</al><al>worden voorgelegd. Nadat het advies is uitgebracht en het gemeentebestuur
                        een besluit heeft genomen, komt</al><al>het GO in beeld. Het GO spreekt zich uit over de personele gevolgen van het
                        besluit. Als regel zijn die gevolgen</al><al>neergelegd in een sociaal statuut. Het toezicht op de uitvoering van het
                        sociaal statuut is weer een zaak voor de</al><al>ondernemingsraad.</al><al>Deze formele taakafbakening neemt overigens niet weg dat het bevoegd gezag
                        er verstandig aan doet om</al><al>beide organen in alle fasen te informeren over zijn voornemens. Dat maakt
                        het mogelijk dat GO en de</al><al>ondernemingsraad elkaar beïnvloeden en hun opvattingen op elkaar afstemmen.
                        Dat kan de kwaliteit van het</al><al>proces en het draagvlak van de besluiten alleen maar vergroten.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Uit het eerste lid volgt dat die onderwerpen die op sectoraal niveau worden
                        besproken, niet voor overleg in de</al><al>commissie G.O. in aanmerking komen. Dit spreekt voor zich: de CAR is
                        onderwerp van overleg op sectoraal</al><al>(=LOGA-)niveau en hierover hoeft derhalve niet opnieuw overleg op
                        gemeentelijk niveau plaats te vinden (de</al><al>grootste vier gemeenten hebben een afwijkende rechtspositie). Voldoende is
                        om het G.O. te informeren. In</al><al>het geval een gemeente zich heeft aangemeld voor de UWO, geldt hetzelfde:
                        afspraken hierover worden op</al><al>LOGA-niveau gemaakt en niet in de commissie G.O. Voor een gemeente die zich
                        daarentegen niet voor de</al><al>UWO heeft aangemeld, geldt dat de onderwerpen in de UWO behoren tot het
                        'lokale domein': in de commissie</al><al>G.O. dient over deze onderwerpen overleg plaats te vinden.</al><al>Uit het eerste lid volgt tevens dat in de commissie G.O. nooit over
                        individuele kwesties wordt gesproken.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De in het tweede lid bedoelde nadere regels zijn voor de 'UWO-gemeenten'
                        opgenomen in de UWO</al><al>(bijvoorbeeld in artikel 12:2:1 waarin het overeenstemmingsvereiste aan de
                        orde komt) en voor de</al><al>'niet-UWO-gemeenten' dienen deze in de commissie G.O. aan de orde te
                        komen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De in het derde lid bedoelde nadere bepalingen over een geschillenregeling
                        zijn in de UWO in artikel 12:3:1 e.v.</al><al>opgenomen. Een 'niet-UWO-gemeente' dient over deze nadere regels in de
                        commissie G.O. overleg te voeren.</al><al>In de commissie G.O. dient in dat geval tevens gesproken te worden over het
                        al dan niet deelnemen aan de</al><al>Lokale Advies- en Arbitragecommissie (L.A.A.C.).</al><al><vet><cursief>Artikel 12:2:1</cursief></vet></al><al>In het LOGA zijn partijen het niet eens geworden over een eenduidige
                        formulering van het</al><al>overeenstemmingsvereiste. Lokaal moet een formulering voor het
                        overeenstemmingsvereiste zijn vastgelegd.</al><al>Hiermee wordt invulling gegeven aan het begrip “gevoelen” uit het
                        artikel.</al><al>In de LOGA-brief van 7 juni 1994, Lbr. 94/152, is aangegeven dat, wanneer
                        het in de gemeente van</al><al>toepassing zijnde overeenstemmingsvereiste bevredigend functioneert, dit
                        gehandhaafd kan worden. Waar het</al><al>overeenstemmingsvereiste niet is geformuleerd of waar het niet bevredigend
                        functioneert, is aan de gemeenten</al><al>in de genoemde LOGA-brief een keuze voorgelegd uit twee formuleringen, die
                        respectievelijk een brede</al><al>(voorkeur van de vakbonden) en een beperktere (voorkeur van het College voor
                        Arbeidszaken) invulling aan het</al><al>vereiste geven.</al><al>Formulering 1 luidt als volgt: 'Invoering of wijziging van aangelegenheden
                        van algemeen belang voor de</al><al>rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens
                        welke het personeelsbeleid</al><al>zal worden gevoerd, vindt niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is
                        bereikt met de centrales van</al><al>overheidspersoneel'.</al><al>Formulering 2 luidt: 'Invoering, intrekking of wijziging van een regeling
                        welke verplichtingen schept voor</al><al>individuele ambtenaren, dan wel waaraan individuele ambtenaren rechten
                        kunnen ontlenen, vindt niet plaats dan</al><al>nadat daarover overeenstemming is bereikt met de centrales van
                        overheidspersoneel'.</al><al>Het verschil tussen de beide formuleringen zit erin dat in formulering 1 'de
                        algemene regels volgens welke het</al><al>personeelsbeleid zal worden gevoerd' wel onder het overeenstemmingsvereiste
                        valt en in formulering 2 niet.</al><al>Concreet betekent dit verschil dat in formulering 2 onderwerpen als de
                        inrichting van het personeelsbeleid</al><al>als zodanig, de werving en selectie, het personeelsregistratiesysteem en het
                        opleidingsbeleid niet onder het</al><al>overeenstemmingsvereiste vallen. Dat is wel het geval met de uit deze
                        regelingen voortvloeiende rechten en</al><al>plichten voor individuele ambtenaren.</al><al>In formulering 1 vallen de onderwerpen als zodanig onder het
                        overeenstemmingsvereiste, en natuurlijk de</al><al>regelingen die daaruit voortvloeien.</al><al>Besluiten of voorstellen die specifiek de rechtstoestand van de griffie en
                        de griffiemedewerkers betreffen,</al><al>moeten nog steeds door de gemeenteraad worden genomen respectievelijk aan de
                        gemeenteraad worden</al><al>voorgelegd. Alleen in de situatie dat de gemeenteraad zijn bevoegdheid heeft
                        gedelegeerd aan het college, is het</al><al>college het bevoegde orgaan.</al><al><vet><cursief>.</cursief></vet></al><al><vet><cursief>Artikel 12:2:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De besluiten in de tweede zin betreffen aangelegenheden van algemeen belang
                        die specifiek de rechtstoestand</al><al>van de griffie en de griffiemedewerkers betreffen. De griffier kan op grond
                        van artikel 12:2:7, tweede lid, de</al><al>vergadering bijwonen en deelnemen aan de besprekingen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het gaat hier onder meer over de bevoegdheden van de overlegpartijen.
                        Besluiten moeten passen binnen</al><al>het mandaat dat men heeft; dat geldt voor beide zijden. Wanneer het mandaat
                        onvoldoende is om tot</al><al>overeenstemming te komen, moeten partijen terug naar hun achterban.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:2:5</cursief></vet></al><al><cursief>Leden 2 en 3</cursief></al><al>Soms wordt door een van beide partijen bewust aangestuurd op onvoltalligheid
                        teneinde gevoelens van</al><al>onvrede tot uitdrukking te brengen. Een voorbeeld hiervan was dat tijdens de
                        acties in 1993 de centrales het</al><al>overleg in alle GO's opschortten. Dit betekent uiteraard niet dat in zo'n
                        geval in het geheel geen besluiten</al><al>meer genomen kunnen worden. Wanneer ook bij een tweede vergadering niet ten
                        minste de helft van de</al><al>werknemersvertegenwoordiging aanwezig is, kunnen de geagendeerde onderwerpen
                        behandeld en van een</al><al>standpunt voorzien worden. Indien behandeling geweigerd wordt, kan niettemin
                        besluitvorming plaatsvinden.</al><al>Uiteraard gebeurt dat alleen in gevallen waarin uitstel niet mogelijk is en
                        de andere partij nadrukkelijk op de</al><al>gevolgen van hun handelwijze gewezen is.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:2:7</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Ook in gedualiseerde verhoudingen moet het te allen tijde mogelijk zijn om
                        de raad op de hoogte te brengen van</al><al>hetgeen in het GO ter bespreking voorligt, met name als dit raakt aan door
                        de raad gestelde beleidsmatige of</al><al>financiële kaders.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:2:9</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid zegt dat de stem van de werkgeversvertegenwoordiging wordt
                        bepaald door hoofdelijke</al><al>stemming van de leden in of buiten de vergadering. Voor het geval dat meer
                        werkgeversvertegenwoordigers zijn</al><al>aangewezen is deze bepaling noodzakelijk.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Op basis van dit lid vindt een weging van de stemmen plaats zodanig dat geen
                        enkele organisatie bij een</al><al>stemming de absolute meerderheid heeft, ook niet in de situatie waarin een
                        organisatie meer leden in de</al><al>gemeente heeft dan de andere organisaties gezamenlijk.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:3:1</cursief></vet></al><al>Bij de advies- en arbitragecommissie hadden zich per 1 januari 1997 circa
                        400 gemeenten aangemeld.</al><al>De Lokale advies- en arbitragecommissie (LAAC) is te bereiken via het
                        secretariaat van het College voor</al><al>Arbeidszaken, Postbus 30435, 2500 GK Den Haag.</al><al><vet><cursief>Artikel 12:3:2</cursief></vet></al><al>De helft van de (plaatsvervangend) leden van de advies- en
                        arbitragecommissie wordt aangewezen door het</al><al>College voor Arbeidszaken, gehoord het Interprovinciaal Overlegorgaan en de
                        Unie van Waterschappen. De</al><al>andere helft wordt aangewezen door de centrales van overheidspersoneel.</al><al><vet>13 Overgangs- en slotbepaling CAR</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 13:3</cursief></vet></al><al>De berekeningsbasis van wachtgelden en (FLO-)uitkeringen wordt uitgebreid
                        met de eindejaarsuitkering.</al><al>De invoering van de eindejaarsuitkering per 1 januari 1997 betekent dat deze
                        uitkering per genoemde datum</al><al>maandelijks wordt opgebouwd. Deze ingangsdatum van de eindejaarsuitkering
                        brengt met zich dat, nu</al><al>de berekeningsbasis van de wachtgelden en (FLO)uitkeringen met deze
                        uitkering wordt uitgebreid, deze</al><al>uitbreiding betrekking heeft op alle op 1 januari 1997 toegekende
                        wachtgelden en (FLO-)uitkeringen.</al><al><vet>14 Medezeggenschap</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 14:1:1</cursief></vet></al><al>Op grond van artikel 5a van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) kan de
                        verplichting tot het instellen van</al><al>een ondernemingsraad (OR) bij een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling of
                        een publiekrechtelijke regeling</al><al>van arbeidsvoorwaarden op een lager getal worden vastgesteld dan in artikel
                        2 van de WOR is bepaald. Deze</al><al>verplichting geldt ook voor onderdelen van gemeenten, waar met toepassing
                        van artikel 4 van de WOR is</al><al>besloten in het belang van een goede toepassing van de WOR voor die
                        onderdelen een eigen OR in te stellen.</al><al><vet>15 Overige rechten en verplichtingen</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 15:1</cursief></vet></al><al>Dit in algemene bewoordingen gestelde artikel (een zogenaamd kapstokartikel)
                        heeft naast artikel 16:1:1</al><al>nauwelijks enige zelfstandige betekenis. Overtreding ervan levert immers
                        plichtsverzuim op en daarvan geeft</al><al>artikel 16:1:1, lid 2, de definitie.</al><al>De jurisprudentie is dan ook geheel gericht op de interpretatie van het
                        begrip 'plichtsverzuim', zodat hier</al><al>verwezen kan worden naar de toelichting bij artikel 16:1:1.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1a</cursief></vet></al><al>Sinds maart 2006 is de overheidwerkgever wettelijk verplicht om nieuw aan te
                        stellen personeel een ambtseedof</al><al>belofte af te nemen. Veel gemeenten hebben naar aanleiding van deze
                        verplichting de bestaande ambtseed</al><al>heringevoerd of een nieuwe tekst vastgesteld. Indien een ambtseed- of
                        belofte of een integriteitverklaring</al><al>slechts één van de formaliteiten bij indiensttreding is, zal deze niet het
                        bedoelde effect van bewustwording van</al><al>integriteitaspecten hebben. Wil de betekenis van eedaflegging beklijven dan
                        dient het moment de nodige lading</al><al>te krijgen: door de inhoud actief uit te spreken, door de ceremonie erom
                        heen, door de keuze van de persoon ten</al><al>overstaan van wie de eed wordt afgelegd, door de keuze van tijdstip en
                        plaats.</al><al><vet><cursief>Artikelen 15:1b en 15:1c</cursief></vet></al><al>Dat overtreding van deze artikelen plichtsverzuim oplevert, wat reden kan
                        zijn tot het opleggen van een</al><al>disciplinaire straf, zal duidelijk zijn. Enkele voorbeelden zijn de
                        uitspraak van de Centrale Raad van Beroep</al><al>d.d. 13 juli 1995, TAR 1995, nr. 206 (gebruik van gemeente-eigendommen bij
                        een verhuizing en aannemen van</al><al>een geldbedrag) en Centrale Raad van Beroep d.d. 21 december 1993, TAR 1994,
                        nr.44 (aannemen van een</al><al>geldbedrag).</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1e</cursief></vet></al><al>De term 'nevenwerkzaamheden' dient ruim te worden opgevat. Hieronder worden
                        verschillende werkzaamheden</al><al>verstaan, zoals het lidmaatschap van het bestuur van een vereniging of
                        stichting, het zijn van commissaris,</al><al>bestuurder, vennoot of aandeelhouder. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt
                        tussen betaalde en onbetaalde</al><al>nevenwerkzaamheden of nevenwerkzaamheden die binnen of buiten de normale
                        diensttijd worden verricht.</al><al>Een gedane melding dient getoetst te worden aan het tot de ambtenaar
                        gerichte verbod, dat in het derde</al><al>lid is geformuleerd. De ambtenaar zal zich een oordeel moeten vormen over de
                        vraag of door een</al><al>nevenwerkzaamheid de goede functievervulling of de goede functionering van
                        de openbare dienst, voorzover</al><al>deze in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid is
                        verzekerd.</al><al>De constatering dat een nevenwerkzaamheid zich niet goed verdraagt met de
                        ambtelijke functie, hoeft</al><al>niet zonder meer te leiden tot het opleggen van een verbod. Er kunnen ook
                        zodanige nadere afspraken</al><al>worden gemaakt dat de mogelijkheid van belangenverstrengeling of anderszins
                        zich niet meer voordoet.</al><al>Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep over dit onderwerp geeft
                        eenzelfde richting aan. De registratie</al><al>van nevenwerkzaamheden kan op verschillende wijzen worden ingericht. In elk
                        geval dient de registratie te</al><al>voldoen aan de regels die gesteld zijn op grond van de Wet
                        persoonsregistraties en de op deze wet gebaseerde</al><al>verordening, voorzover deze in de gemeente is vastgesteld.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die
                        overheidswerkgevers verplicht om voorschriften</al><al>vast te stellen over de openbaarmaking van nevenwerkzaamheden verricht door
                        topambtenaren. In artikel 15:1e,</al><al>vierde lid, zijn twee functies genoemd waaraan een verplichte openbaarmaking
                        van nevenwerkzaamheden</al><al>gekoppeld is: de gemeentesecretaris en de directeur van een gemeentelijke
                        dienst of bedrijf (dan wel</al><al>functionarissen in functies die daarmee op één lijn staan maar in het
                        gemeentelijk organisatiemodel een</al><al>andere benaming hebben). Lokaal dient bepaald te worden of er daarnaast nog
                        sprake is van ‘andere</al><al>ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de
                        integriteit van de openbare dienst</al><al>openbaarmaking van de nevenwerkzaamheden noodzakelijk is’. Gedacht kan
                        worden aan de functies</al><al>waaraan het plaatsvervangend directeurschap is verbonden. Daarnaast kunnen
                        in aanmerking komen de</al><al>stadsdeelsecretaris en functies zoals directeur van een projectorganisatie,
                        concern- of dienstcontroller,</al><al>afdelingshoofd, commandant van de brandweer.</al><al>Het LOGA verstaat onder openbaar te maken gegevens het volgende:</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>hoofdfunctie (dus niet de persoonsnaam van
                        de ambtenaar);</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de nevenfunctie die de functionaris
                        verricht, voorzover het een nevenfunctie betreft die de belangen van de</al><al>dienst, voorzover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen
                        raken;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de organisatie waarbinnen de nevenfunctie
                        wordt vervuld;</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>de eventuele beperkingen die het college
                        heeft gesteld aan de uitoefening van de nevenfunctie.</al><al>Tevens verdient het aanbeveling om openbaar te maken met ingang van welke
                        datum de nevenwerkzaamheid</al><al>wordt verricht.</al><al>De openbaarmaking kan geschieden door ter inzage legging van de gegevens op
                        het gemeentehuis zoals dat is</al><al>voorgeschreven voor de openbaarmaking van nevenfuncties van politieke
                        ambtsdragers.</al><al><vet><cursief>artikel 15:1f</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In 2003 is aan de Ambtenarenwet een bepaling toegevoegd die
                        overheidswerkgevers verplicht om voorschriften</al><al>vast te stellen over het melden van financiële belangen door ambtenaren die
                        een functie uitoefenen waarin</al><al>risico bestaat op financiële belangenverstrengeling. Het begrip financieel
                        belang is zeer divers. Het kan gaan</al><al>om het bezit van effecten, vorderingsrechten, onroerend goed, bouwgrond
                        alsook om financiële deelneming</al><al>in ondernemingen. Het college dient ambtenaren aan te wijzen die zijn
                        aangesteld in een functie (dan wel</al><al>feitelijke werkzaamheden verrichten) waaraan een bijzonder risico op
                        financiële belangenverstrengeling</al><al>is verbonden. Bij de gemeentelijke overheid kan gedacht worden aan
                        ambtenaren die betrokken zijn bij</al><al>grondzaken, subsidieverstrekking, sponsoring, verstrekking van leningen,
                        verstrekking van garanties, inkoop</al><al>en aanbesteding zoals bijvoorbeeld het gunnen van onderzoeks- en
                        adviesopdrachten. Ambtenaren die deze</al><al>taken verrichten zouden in de verleiding kunnen komen zich bij het nemen van
                        functionele beslissingen te laten</al><al>leiden door niet-functionele belangen zoals een persoonlijk financieel
                        belang. Of er inderdaad sprake is van een</al><al>bijzonder risico hangt af van de feitelijke werkzaamheden en bevoegdheden
                        van de ambtenaar en dient lokaal</al><al>bepaald te worden.</al><al>Ook ambtenaren die uit hoofde van hun functie (dan wel hun feitelijke
                        werkzaamheden) beschikken of kunnen</al><al>beschikken over koersgevoelige informatie zullen een meldplicht opgelegd
                        moeten krijgen. Zij hebben immers</al><al>de mogelijkheid deze informatie oneigenlijk te gebruiken of lopen het risico
                        de schijn van oneigenlijk gebruik</al><al>op te wekken. De inschatting is dat zich bij de gemeenten niet of nauwelijks
                        bijzondere risico’s zullen voordoen</al><al>met betrekking tot oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie.</al><al><cursief>Lid 2 en lid 3</cursief></al><al>Het college bepaalt op welke wijze financiële belangen worden gemeld. Nadere
                        regels kunnen betrekking</al><al>hebben op de volgende elementen.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>Het gebruik van een formulier voor de
                        melding.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De functionaris aan wie de melding gedaan
                        moet worden.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De wijze van registratie in verband met de
                        bescherming van de persoonlijke levenssfeer.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De wijze waarop de actualiteit van de
                        registratie gewaarborgd wordt.</al><al><vet><cursief>- </cursief></vet>De plicht van de ambtenaar tot het
                        verstrekken van nadere gegevens over het financiële belang of het bezit</al><al>van (of de transactie in) effecten.</al><al>Met betrekking tot de plicht tot verstrekking van gegevens wordt opgemerkt
                        dat het bevoegd gezag in de</al><al>gelegenheid moet zijn om te beoordelen of de gemelde belangen en bezittingen
                        een risico opleveren in de</al><al>werkzaamheden van de ambtenaar. De ambtenaar dient alle informatie te
                        verschaffen die voor deze beoordeling</al><al>nodig is. Is er sprake van een risico dan dient beoordeeld te worden hoe dit
                        risico voorkomen of verkleind kan</al><al>worden.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de ambtenaar om te
                        voorkomen dat hij in (de schijn van)</al><al>een situatie terecht komt dat hij in zijn functievervulling wordt beïnvloed
                        door persoonlijke financiële belangen.</al><al>Dat vloeit voort uit de algemene norm van goed ambtenaarschap en is nu
                        uitdrukkelijk bepaald in artikel 15:1f,</al><al>vierde lid.</al><al>De vraag of een financieel belang toelaatbaar is kan niet eenduidig
                        beantwoord worden. Bezien moet worden of</al><al>het concrete financieel belang daadwerkelijk risico’s met zich meebrengt bij
                        het uitoefenen door de ambtenaar</al><al>van zijn bevoegdheden en werkzaamheden.</al><al>Wordt het financiële belang of effectenbezit niet toelaatbaar geacht dan zal
                        de werkgever op basis van de</al><al>verbodsbepaling maatregelen moeten nemen om een risico op financiële
                        belangenverstrengeling of misbruik</al><al>het hoofd te bieden. Daarbij dient eerst naar de minst ingrijpende oplossing
                        gezocht te worden. Gedacht kan</al><al>worden aan aanpassing van de taakinhoud of overplaatsing in een andere
                        functie. Is een dergelijke oplossing</al><al>niet mogelijk dan is de ambtenaar verplicht het financieel belang af te
                        stoten.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:10</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Wanneer is er sprake van 'een andere betrekking' in de zin van het eerste
                        lid - Artikel 1:1 van de CAR definieert</al><al>betrekking als 'het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te
                        verrichten'.</al><al>De Centrale Raad van Beroep verstaat onder betrekking: 'Het samenstel van
                        werkzaamheden waarmee de</al><al>ambtenaar is belast en dat hij feitelijk verricht en hetwelk zich van enig
                        ander samenstel van werkzaamheden in</al><al>voldoende mate als kenbare eenheid onderscheidt hetzij door de aard van de
                        werkzaamheden hetzij door enige</al><al>andere omstandigheid zoals de plaats in de organisatie of de plek waar het
                        werk wordt verricht'.</al><al>Voor de toepassing van artikel 15:1:10 prevaleert evenwel de definitie van
                        artikel 1:1 van de CAR als zijnde het</al><al>toepasselijke algemeen verbindende voorschrift. Wanneer er in het geheel van
                        werkzaamheden niets verandert,</al><al>doet het er voor de vaststelling of er sprake is van een andere betrekking
                        niet toe of er verandering komt in de</al><al>omstandigheden waaronder het werk moet worden verricht of dat het werk op
                        een andere plaats moet worden</al><al>verricht. Uiteraard zal - zoals altijd - een besluit tot verandering in de
                        omstandigheden of van de plaats van het</al><al>werk met de nodige zorgvuldigheid moeten worden genomen.</al><al>De definitie van de Centrale Raad van Beroep is - ondanks artikel 1:1 van de
                        CAR - toch wel van belang.</al><al>Immers, niet elke geringe verandering in de werkzaamheden mag leiden tot de
                        conclusie dat er sprake is van een</al><al>andere betrekking. Van een andere betrekking kan eerst worden gesproken als
                        deze zich 'in voldoende mate als</al><al>kenbare eenheid onderscheidt' van de oude betrekking.</al><al>Een chef moet bevoegd worden geacht bepaalde wijzigingen in de werkzaamheden
                        van zijn medewerkers aan te</al><al>brengen. Een betrekking kan zo heel geleidelijk van karakter veranderen
                        zonder dat nu precies valt aan te geven</al><al>wanneer die verandering tot stand is gekomen. Pas wanneer er sprake is van
                        een - bij wijze van spreken van</al><al>de ene dag op de andere optredende - ingrijpende wijziging zodat er een
                        ander samenstel van werkzaamheden</al><al>ontstaat dat zich in voldoende mate onderscheidt van het samenstel van
                        werkzaamheden dat de ambtenaar tot</al><al>dan toe verrichtte, is er een andere betrekking in de zin van artikel
                        15:1:10.</al><al>Wanneer daarvan in concreto sprake is, moet natuurlijk van geval tot geval
                        worden bezien. Verschillen in aard,</al><al>niveau en/of omvang van de werkzaamheden dienen bij die beoordeling te
                        worden betrokken.</al><al>Het 'horen' van de ambtenaar moet niet als een formaliteit worden beschouwd.
                        Uit de besluitvorming moet</al><al>duidelijk blijken dat met de argumenten van de ambtenaar rekening is
                        gehouden.</al><al>Het belang van de dienst moet de reden zijn voor de aanwijzing van een
                        andere betrekking. Het dienstbelang</al><al>is hier geen subjectief gegeven. Het gaat er dus niet om of naar het oordeel
                        van het bevoegd gezag een</al><al>dienstbelang aanwezig is, maar of er gemeten met objectieve maatstaven van
                        een dienstbelang sprake is. De</al><al>rechter kan dan elk besluit ter zake op dit punt inhoudelijk toetsen.</al><al>De nieuwe betrekking moet 'passend' zijn in die zin dat deze hem
                        redelijkerwijs in verband met zijn</al><al>persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten
                        kan worden opgedragen. In elk</al><al>concreet geval zal dit nauwkeurig moeten worden overwogen. De overgang naar
                        de nieuwe betrekking mag,</al><al>in vergelijking met de oude betrekking, in ieder geval niet een zodanig
                        grensoverschrijdende achteruitgang in</al><al>functieniveau betekenen dat tot de conclusie zou moeten worden gekomen dat
                        de betrekking om die reden niet</al><al>passend is te noemen. Jurisprudentie wijst uit dat een achteruitgang tot
                        twee schaalniveaus aanvaardbaar is, op</al><al>voorwaarde dat het oorspronkelijke salarisniveau en eventuele uitloop
                        gehandhaafd blijft (zie uitspraak van de</al><al>CRvB van 14 mei 1992, nr. AW 1990/562).</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tijdelijk verrichten van niet tot de betrekking behorende werkzaamheden
                        is een veel minder ingrijpende</al><al>zaak dan het aanvaarden van een andere betrekking. De voorwaarden waaraan
                        moet worden voldaan om de</al><al>opdracht daartoe te kunnen geven zijn dan ook minder stringent. Het
                        dienstbelang moet - in tegenstelling tot het</al><al>bepaalde in het eerste lid - al aanwezig worden geacht als dat naar het
                        oordeel van het bestuursorgaan het geval</al><al>is. De rechter zal slechts kunnen toetsen of het bestuursorgaan in
                        redelijkheid tot dat oordeel is gekomen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De ambtenaar moet met werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid direct
                        beginnen, ook als hij daartegen</al><al>bezwaren heeft in verband met zijn persoonlijkheid of omstandigheden. Het
                        bezwaar schort de werking van het</al><al>besluit niet op.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:12</cursief></vet></al><al>Dit artikel opent de mogelijkheid om door de gemeente geleden schade op de
                        schuldige of nalatige ambtenaar</al><al>te verhalen. Bij elk schadegeval zal daarover door het college een
                        beslissing moeten worden genomen, met</al><al>name over de vraag of de schuld of nalatigheid van de ambtenaar van dien
                        aard is dat zij geheel op hem kan</al><al>worden verhaald of dat met een gedeeltelijke schadevergoeding kan worden
                        volstaan. Overigens moet men</al><al>natuurlijk niet voor elk wissewasje naar dit artikel grijpen. In elke
                        organisatie komen 'bedrijfsongevalletjes' voor</al><al>die inherent zijn aan menselijk handelen. Deze zijn meestal wel aan iemand
                        toe te rekenen, maar de woorden</al><al>'schuld' en 'nalatigheid' wijzen er toch wel op dat het moet gaan om zaken
                        waarover men de ambtenaar echt een</al><al>verwijt kan maken.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:13</cursief></vet></al><al>Hierbij gaat het om iedere ambtenaar die beroepshalve geld int en/of
                        uitgeeft, bijvoorbeeld via een loketkas</al><al>of op andere wijze financiële waarden beheert. Het betreft hier dus niet
                        alleen degenen die ontvangersfuncties</al><al>bekleden op grond van het bepaalde in artikel 212 van de Gemeentewet.
                        Genoemd artikel bepaalt dat de</al><al>administratie en het beheer van vermogenswaarden van de gemeente worden
                        verricht door de bij de in dat lid</al><al>bedoelde regels aan te wijzen ambtenaren.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:14</cursief></vet></al><al>(vervallen)</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:15</cursief></vet></al><al>De aan dit artikel ten grondslag liggende beoordelingsregeling behoeft de
                        instemming van de</al><al>ondernemingsraad, dit op grond van het bepaalde in artikel 27, eerste lid,
                        onderdeel g van de Wet op de</al><al>ondernemingsraden.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:16</cursief></vet></al><al>Op grond van het bepaalde in het eerste lid kan bijvoorbeeld een
                        collegebesluit worden opgesteld waarin wordt</al><al>bepaald dat het niet geoorloofd is voor ambtenaren die baliewerkzaamheden
                        verrichten of anderszins regelmatig</al><al>in contact treden met burgers, in een korte broek op de werkplek te
                        verschijnen.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:17</cursief></vet></al><al>Wat betreft de verplichting voor de ambtenaar in of nabij de standplaats te
                        wonen, dient rekening gehouden te</al><al>worden met het vierde Protocol bij het Europese Verdrag tot bescherming van
                        de rechten van de mens en de</al><al>fundamentele vrijheden. In artikel 2, eerste lid van dat Protocol is immers
                        het volgende individuele grondrecht</al><al>van elke burger - dus ook van die burger die in een arbeidsrelatie tot de
                        overheid staat - geformuleerd: 'een ieder</al><al>die zich wettig op het grondgebied van een (verdragsluitende) staat bevindt,
                        heeft het recht zich daar vrij te</al><al>verplaatsen en er in vrijheid plaats van verblijf te kiezen'. Op dit
                        grondrecht kan ingevolge artikel 2, derde lid</al><al>van hetzelfde Protocol slechts inbreuk worden gemaakt bij wet en indien de
                        daarin op te leggen beperkingen</al><al>'in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van 's lands
                        veiligheid of de openbare veiligheid,</al><al>ter handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van strafbare
                        handelingen, ter bescherming van de</al><al>gezondheid of ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen'.</al><al>De beperking op het individuele grondrecht is neergelegd in artikel 15:1:17.
                        Een relevante uitspraak in dit</al><al>verband is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 april 1990
                        (TAR 1990, nr. 139). In deze zaak</al><al>is geoordeeld dat de relevante verdragsartikelen verdragspartijen niet
                        verbieden aan de vervulling van een</al><al>ambtelijke betrekking te verbinden dat de ambtenaar in de omgeving van zijn
                        werkplek dient te wonen, op</al><al>voorwaarde dat die begrenzing van de woonomgeving in een functionele relatie
                        tot die betrekking staat. Aan die</al><al>voorwaarde is volgens de Centrale Raad voldaan indien de grenzen van dit
                        woongebied zodanig zijn vastgesteld</al><al>dat in redelijkheid kan worden gezegd dat, wanneer de ambtenaar buiten dat
                        gebied gaat wonen, de goede</al><al>vervulling van zijn functie te zeer in het gedrang komt. Dit laatste kan
                        zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de</al><al>reistijden excessief lang zijn of wanneer de ambtenaar in verband met de
                        aard van zijn functie niet snel genoeg</al><al>op zijn werkplek aanwezig kan zijn. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld
                        de brandweercommandant, het</al><al>hoofd interne zaken of de gemeentesecretaris. Het aspect van calamiteiten
                        die zich in een gemeente kunnen</al><al>voordoen speelt hierbij een rol.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:18</cursief></vet></al><al>Een huis is pas een dienstwoning in de zin van dit artikel als het voor een
                        goede vervulling van zijn</al><al>werkzaamheden noodzakelijk is dat de ambtenaar in een bepaald huis woont
                        (zie artikel 18:1:3). Te denken valt</al><al>aan portiers- of conciërgewoningen. Einde van het dienstverband brengt dan
                        de verplichting met zich mee de</al><al>dienstwoning te verlaten.</al><al>De woning die door de gemeente aan de ambtenaar ter beschikking wordt
                        gesteld zonder dat tussen de</al><al>werkzaamheden die de ambtenaar moet verrichten en het gebruik van de woning
                        een duidelijk verband</al><al>bestaat, wordt ook wel 'dienstwoning' genoemd, maar is in feite een normale
                        huurwoning. Einde van het</al><al>dienstverband betekent dan niet automatisch het einde van de
                        huurovereenkomst. In die gevallen geldt de</al><al>normale huurbescherming.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:22</cursief></vet></al><al>De vergoeding van reis- en verblijfkosten van reizen in het belang van de
                        dienst is een onderdeel van de</al><al>rechtspositie dat onderwerp uitmaakt van het lokale domein. Hetzelfde geldt
                        overigens voor de kosten</al><al>woon-werkverkeer voor de niet-verhuisplichtige ambtenaar. Hiermee wordt
                        bedoeld dat het hier een zaak</al><al>betreft die niet is geregeld in CAR of UWO. In veel gemeenten wordt het
                        Besluit van 1 maart 1993, houdende</al><al>vaststelling van het Reisbesluit binnenland voor het burgerlijk
                        rijkspersoneel (Reisbesluit binnenland, Stbl.</al><al>1993, 144), van overeenkomstige toepassing verklaard.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:23</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De schade die hier bedoeld wordt, moet zijn geleden als gevolg van de
                        vervulling van zijn betrekking. Deze</al><al>beperking betekent niet dat alleen schade die het directe gevolg is van het
                        werk dat de ambtenaar verricht,</al><al>vergoed wordt. Er moet een zodanig verband zijn met de betrekking zijn dat
                        de schade zich niet zou hebben</al><al>voorgedaan (althans niet op die tijd en plaats) als de ambtenaar niet aan
                        het werk zou zijn geweest. Bij het</al><al>bepalen van de hoogte van de schadevergoeding mag rekening worden gehouden
                        met normale slijtage.</al><al>Voorkomen moet worden dat de ambtenaar ongerechtvaardigd voordeel geniet,
                        wat het geval zou zijn wanneer</al><al>als schadevergoeding de nieuwwaarde van een goed wordt betaald, terwijl het
                        goed deze waarden niet meer had</al><al>op het moment van de schade. In het algemeen zal geen schade vergoed hoeven
                        worden bij diefstal van een fiets</al><al>uit een fietsenstalling of diefstal van een jas uit een garderobe, omdat
                        deze goederen doorgaans niet nodig zijn</al><al>voor de uitoefening van de functie.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van dit artikel wordt geregeld in welke gevallen de schade
                        aan een eigen auto wordt vergoed,</al><al>die is opgelopen tijdens een dienstreis. Deze bepaling is opgenomen als
                        gevolg van een uitspraak van de</al><al>Centrale Raad van Beroep van 1 juni 1995 waar in een ledenbrief van het
                        College voor Arbeidszaken van</al><al>27 juli 1995 (kenmerk ARZ/505527) nader op wordt ingegaan. Er wordt niets
                        geregeld over de hoogte van</al><al>de vergoeding die betaald dient te worden. Dit kan de schade aan de eigen
                        auto zijn, dan wel het verlies</al><al>aan no-claimkorting. Er is bewust voor gekozen af te zien van de
                        verplichting voor de ambtenaar een</al><al>all-riskverzekering af te sluiten omdat dit niet in alle gevallen in
                        redelijkheid kan worden opgelegd.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:24</cursief></vet></al><al>Het gebruik van de eigen auto ten behoeve van de dienst is gebonden aan
                        toestemming van het college ter</al><al>voorkoming van een ongelimiteerd gebruik. Wanneer toestemming is verleend,
                        mag de ambtenaar verwachten</al><al>dat de gemaakte kosten die voortvloeien uit het gebruik van de eigen auto
                        worden vergoed. De juridische</al><al>basis hiervoor is gelegen in artikel 15:1:22. Als voorwaarde verbonden aan
                        de toestemming de eigen auto te</al><al>gebruiken ten behoeve van dienstreizen, kan bijvoorbeeld het afsluiten van
                        een all-riskverzekering worden</al><al>verbonden.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:25</cursief></vet></al><al>Het college moet op grond van artikel 169 lid 2 Gemeentewet, de raad alle
                        inlichtingen geven die de raad voor</al><al>de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Daarnaast kan de raad, als zich
                        een incident voordoet of dreigt voor te</al><al>doen het college met de aan de raad ten dienste staande middelen ter
                        verantwoording roepen.</al><al>Met betrekking tot de actieve inlichtingenplicht wordt nog het volgende
                        opgemerkt. In sommige gevallen zal</al><al>buiten kijf staan dat het college de raad inlicht over een voornemen tot een
                        schadeloosstelling of vergoeding</al><al>van kosten. Criteria daarvoor kunnen zijn de politieke relevantie of de
                        bijzondere financiële consequenties. Is er</al><al>sprake van een overeenkomst met de betrokken ambtenaar, dan geldt bovendien
                        het vierde lid van artikel 169</al><al>Gemeentewet. Hierin wordt bepaald dat het college de raad vooraf inlicht
                        over een besluit tot privaatrechtelijk</al><al>handelen indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:30</cursief></vet></al><al>Ingevolge dit artikel dient de werkgever een ruimte beschikbaar te stellen
                        waar de ambtenaar borstvoeding kan</al><al>kolven of kan zogen. Deze voorziening kan in de plaats komen van de
                        gelegenheid die de ambtenaar krijgt haar</al><al>kind zelf te voeden. Bij dit alles speelt de redelijkheid een belangrijke
                        rol.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:1:31</cursief></vet></al><al>Dit artikel bevat een zorgplicht voor de gemeente voor de werknemers in de
                        zin van artikel 2:4 (aanstelling)</al><al>en 2:5 (arbeidsovereenkomst) die (plaatsvervangend) lid zijn van de
                        commissie voor georganiseerd overleg.</al><al>Dezelfde plicht ligt er ten aanzien van de werknemers die anderszins door de
                        vakorganisaties zijn aangewezen</al><al>om vakbondsactiviteiten te vervullen. Het gaat daarbij om de activiteiten
                        waarvoor zij op grond van artikel 6:4:2</al><al>buitengewoon verlof kunnen genieten.</al><al>De zorgplicht is te vergelijken met die voor de ondernemingsraadsleden,
                        opgenomen in artikel 21, eerste</al><al>lid van de Wet op de ondernemingsraden. Omdat zij door de uitoefening van
                        hun taak kwetsbaarder zijn</al><al>dan andere werknemers, is deze extra rechtsbescherming in de CAR/UWO
                        opgenomen. Daardoor wordt</al><al>gewaarborgd dat zij onafhankelijk in de onderneming kunnen optreden zolang
                        zij door hun vakorganisatie</al><al>daarvoor een aanwijzing hebben gekregen. Het gaat daarbij om benadeling in
                        promotiekansen, verslechtering</al><al>van werkomstandigheden, gedwongen overplaatsing, schorsing vanwege
                        vakbondsactiviteiten en het niet</al><al>verlengen van een aanstelling/arbeidsovereenkomst. De feitelijke handelwijze
                        van de gemeente moet gelijk</al><al>zijn aan het handelen wanneer betrokkene de vakbondsactiviteiten niet zou
                        vervullen. De werknemer die zich</al><al>desondanks benadeeld voelt, kan zich wenden tot de administratieve kamer van
                        de arrondissementsrechtbank</al><al>(aanstelling) of de kantonrechter (arbeidsovereenkomst).</al><al><vet><cursief>Artikel 15:2</cursief></vet></al><al>Het verdient aanbeveling dat het college de raad informeert over de
                        vaststelling van de klokkenluidersregeling</al><al>en de wijzigingen daarin. De raad kan het college ter verantwoording roepen
                        over het gevoerde beleid ter zake</al><al>van de meldingen.</al><al><vet><cursief>Artikel 15:3</cursief></vet></al><al>Van de verplichting om een kinderopvangregeling op te stellen kan alleen
                        worden afgeweken indien de raad uit</al><al>levensbeschouwelijke overwegingen expliciet het besluit neemt geen
                        kinderopvangregeling in te voeren, nadat</al><al>over dit voornemen van de raad overleg is gevoerd in het GO of de OR.</al><al>Bij de uitvoering van de kinderopvangregeling mogen budgettaire restricties
                        niet de oorzaak zijn van</al><al>wachttijden voor reguliere vormen van kinderopvang.</al><al><vet>16 Disciplinaire straffen</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 16:1:1</cursief></vet></al><al>In dit artikel is de bevoegdheid neergelegd om een ambtenaar te straffen.
                        Deze zeer ruime formulering van</al><al>de strafbaarstelling brengt met zich dat het bestuursorgaan zeer zorgvuldig
                        te werk moet gaan alvorens een</al><al>straf op te leggen. In de eerste plaats moeten feiten in die zin bewezen
                        worden dat zij in rechte kunnen worden</al><al>aangetoond. Daarbij moeten bepaalde gedragingen van betrokkene als
                        verwijtbaar worden aangemerkt. Het</al><al>aspect van de verwijtbaarheid speelt nogal eens een rol wanneer een
                        bestuursorgaan tot strafontslag wil</al><al>overgaan in een geval waarbij de ambtenaar zich niet bereid toont op het
                        spreekuur van de bedrijfsarts te komen.</al><al>Uiteraard moet het hierbij om een zwaar dossier gaan; dit vergt
                        dossieropbouw. Met het opleggen van een</al><al>dergelijke sanctie loopt het bestuursorgaan het risico dat het strafontslag
                        ongedaan wordt gemaakt op grond</al><al>van het feit dat de gedragingen de betrokkene niet kunnen worden verweten.
                        In dit verband speelt artikel 15:1:1</al><al>een rol; dit artikel bepaalt onder meer dat de ambtenaar gehouden is zich te
                        gedragen als een goed ambtenaar</al><al>betaamt.</al><al><vet><cursief>Artikel 16:1:2</cursief></vet></al><al>In het eerste lid worden de disciplinaire straffen limitatief opgesomd. De
                        straffen lopen uiteen van een</al><al>schriftelijke berisping tot een strafontslag. In dit verband wordt ook
                        aandacht gevraagd voor artikel 8:15:1,</al><al>dat gaat over de schorsing als ordemaatregel. Wat betreft onderdeel e dient
                        te worden opgemerkt dat het</al><al>niet-uitbetalen van het salaris - ten hoogste tot een bedrag overeenkomend
                        met het salaris over een halve maand</al><al>-slechts eenmaal kan worden opgelegd.</al><al>Het is mogelijk een combinatie van straffen op te leggen. De op te leggen
                        straf dient in overeenstemming te zijn</al><al>met het plichtsverzuim. Het besluit een straf toe te passen, zoals genoemd
                        in artikel 16:1:2, eerste lid, is een</al><al>besluit ingevolge de Awb.</al><al>Het derde lid biedt de mogelijkheid om een voorwaardelijke straf op te
                        leggen. De voorwaarden dienen redelijk</al><al>te zijn; er dient rekening te worden gehouden met de belangen van de
                        organisatie en die van de ambtenaar.</al><al>Ook de termijn waarbinnen de voorwaarde kan worden vervuld, dient redelijk
                        te zijn. Wanneer een ambtenaar</al><al>bijvoorbeeld geruime tijd heeft gefraudeerd met het tijdsregistratiesysteem,
                        kan worden afgesproken dat</al><al>betrokkene strafontslag wordt verleend wanneer hij binnen enkele maanden na
                        een afgesproken tijdstip zich</al><al>wederom schuldig maakt aan hetzelfde feit. Wanneer aan een voorwaarde is
                        voldaan, wordt de straf ten uitvoer</al><al>gelegd. Een dergelijk uitvoeringsbesluit is een besluit in de zin van de
                        Awb, hetgeen betekent dat de betreffende</al><al>ambtenaar vooraf gehoord dient te worden.</al><al><vet><cursief>Artikel 16:1:3</cursief></vet></al><al>Voordat een ambtenaar een straf wordt opgelegd, wordt het voornemen tot
                        strafoplegging de ambtenaar</al><al>schriftelijk meegedeeld. Betrokkene dient allereerst te worden gehoord om
                        zijn zienswijze kenbaar te kunnen</al><al>maken. Het gaat hier immers om een besluit waar de ambtenaar niet om
                        gevraagd heeft en waar hij naar</al><al>verwachting bezwaar tegen zal hebben, waarbij de beschikking zal steunen op
                        gegevens of feiten die de</al><al>ambtenaar betreffen en die hij niet zelf heeft verstrekt. Artikel 16:1:3 kan
                        begrepen worden als een uitwerking</al><al>van de hoorprocedure ingevolge de Awb (artikel 4:8).</al><al>Dit horen kan pas plaatsvinden na een afkoelingsperiode van zes dagen en kan
                        niet later gebeuren dan na 12</al><al>dagen na ontvangst van de schriftelijke mededeling waarin het voornemen tot
                        het opleggen van een disciplinaire</al><al>straf wordt aangekondigd.</al><al><vet>17 Opleiding en ontwikkeling</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 17:1:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het persoonlijk ontwikkelingsplan is de basis van de loopbaanontwikkeling en
                        van de ontwikkeling van de</al><al>kennis en vaardigheden van de medewerker. Vorm en inhoud zijn in beginsel
                        vrij, dat wil zeggen dat het plan</al><al>zowel kan bestaan uit een korte feitelijke aanduiding van een
                        opleidingsafspraak als uit een meer uitgebreide</al><al>afspraak over -door beide partijen - te ondernemen ontwikkelingsactiviteiten
                        in brede zin. Ook kan het accent</al><al>liggen op activiteiten die alleen de medewerker zal ondernemen of op
                        inspanningen die beide partijen zich</al><al>zullen getroosten. Ook de mate waarin het initiatief voor het doen van
                        voorstellen voor de inhoud van het</al><al>persoonlijk ontwikkelingsplan bij de medewerker dan wel bij de
                        leidinggevende ligt, kan van geval tot geval</al><al>uiteenlopen.</al><al>Essentieel is, dat het persoonlijk ontwikkelingsplan gezamenlijk wordt
                        vastgesteld door leidinggevende en</al><al>medewerker. Bij ontbreken van overeenstemming is uiteindelijk de beslissing
                        van de leidinggevende namens de</al><al>werkgever een voor beroep vatbaar besluit.</al><al>Bij dit laatste dient bedacht te worden dat het in het algemeen niet of
                        nauwelijks denkbaar is, dat de werkgever</al><al>meer aan opleidingsinspanningen van de medewerker kan eisen dan waartoe deze
                        bereid is, afgezien van</al><al>de opleidingen die krachtens artikel 15:1:26 in het kader van een goede
                        functie_uitoefening noodzakelijk</al><al>zijn te achten. Een besluit dat voor beroep vatbaar is, zal doorgaans alleen
                        in de omgekeerde situatie kunnen</al><al>voorkomen: de medewerker wil meer dan de werkgever wil of kan toestaan.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Ten minste een maal per drie jaar dient een persoonlijk ontwikkelingsplan te
                        worden vastgesteld.</al><al>De medewerker heeft daar recht op. Overigens kunnen partijen in onderling
                        overleg concluderen dat er</al><al>bijvoorbeeld in een bepaalde periode geen reden is voor bijzondere
                        inspanningen of afspraken.</al><al>Het is in de praktijk ook denkbaar dat er vaker, bijvoorbeeld jaarlijks, een
                        gesprek plaatsvindt tussen</al><al>leidinggevende en medewerker over onderwerpen die van belang zijn voor de
                        ontwikkeling van kennis en</al><al>vaardigheden en de loopbaan van de medewerker. De voortgang van de eerdere
                        afspraken kan aan de orde</al><al>komen. Het vastleggen van de afspraken in een dergelijk gesprek kan worden
                        gezien als een nieuw persoonlijk</al><al>ontwikkelingsplan. Het ligt in de rede dat deze gesprekken in het kader van
                        het functioneringsgesprek en/of</al><al>beoordelingsgesprek plaatsvinden, maar noodzakelijk is dat niet.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>De inhoud van het persoonlijk ontwikkelingsplan dient te passen in het
                        gemeentelijk opleidingsbeleid, zoals dat</al><al>is neergelegd in het gemeentelijk opleidingsplan.</al><al>De verplichting van het college om een opleidingsplan vast te stellen is
                        niet met zoveel woorden in de tekst</al><al>opgenomen, omdat het hier niet gaat om een deel van de persoonlijke
                        rechtspositie. De individuele medewerker</al><al>heeft dus niet het recht om een opleidingsplan te eisen en hij kan er ook
                        niet direct rechten aan ontlenen of tegen</al><al>in beroep komen. De Ondernemingsraad kan er om vragen en heeft conform de
                        Wet op de ondernemingsraden</al><al>instemmingsrecht met het opleidingsplan. Dit plan kan voor de gehele
                        gemeente tegelijk worden vastgesteld,</al><al>maar uiteraard is het ook mogelijk, en in veel situaties zelfs meer voor de
                        handliggend, dat het per sector of</al><al>dienstonderdeel wordt vastgesteld. Ook de frequentie waarmee het wordt
                        vastgesteld kan verschillen.</al><al>Behalve inhoudelijke doelen en criteria voor de gewenste opleidingen waarmee
                        het beoogde profiel van de</al><al>organisatie als geheel of het betrokken onderdeel kan worden bereikt, kan
                        het opleidingsplan ook budgettaire en</al><al>organisatorische randvoorwaarden bevatten.</al><al>Ook kan in het opleidingsplan worden geformuleerd of en zo ja tot welke
                        grenzen of onder welke voorwaarden</al><al>de werkgever bereid is in het kader van goed werkgeverschap of stimulering
                        van mobiliteit mee te werken aan</al><al>opleidingen, die primair het persoonlijke loopbaanbelang van medewerkers
                        dienen en maar ten dele het directe</al><al>dienstbelang.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Studies en andere ontwikkelingsactiviteiten die in het persoonlijk
                        ontwikkelingsplan staan en passen in het</al><al>gemeentelijk opleidingsplan worden volledig bekostigd. Indien ze niet in die
                        termen vallen, kan er wellicht wel</al><al>enige faciliteit worden verstrekt, maar dat valt buiten de formeel geregelde
                        rechten van medewerkers.</al><al>Bij de kostenvergoeding wordt niet langer verschil gemaakt tussen een
                        deeltijder en een voltijder. Beiden</al><al>hebben bij gelijke afspraken ook gelijke aanspraken op vergoeding van
                        kosten.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Naast de vergoeding van kosten wordt ook het noodzakelijke verlof door de
                        werkgever verleend. Verlof met</al><al>behoud van bezoldiging, maar ook andere vormen van medewerking door de
                        werkgever worden vastgelegd.</al><al>Te denken valt aan afspraken over de inroostering van werktijden, inzet op
                        een bepaald project dat directe</al><al>relatie heeft met de gevolgde opleiding en het ter beschikking stellen van
                        technische hulpmiddelen. Er is geen</al><al>vast stramien vastgelegd hoeveel verlof noodzakelijk is. Van geval tot geval
                        zullen partijen samen dienen te</al><al>bepalen wat het begrip noodzakelijk in redelijkheid dient in te houden.
                        Uiteraard mag er een beroep op de</al><al>betrokken medewerker worden gedaan om ook eigen tijd in de ontwikkeling van
                        zijn loopbaan te investeren,</al><al>maar andersom is het redelijk dat de werkgever rekening houdt met de
                        persoonlijke omstandigheden en de</al><al>zwaarte van de studie.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>In het persoonlijk ontwikkelingsplan worden afspraken gemaakt over de
                        concrete keuze van de opleiding, het</al><al>instituut waar de opleiding zal worden gevolgd, de voorwaarden waaronder de
                        opleiding of andere activiteiten</al><al>worden uitgevoerd, wat de consequenties zijn van tussentijdse complicaties
                        zoals voortijdige beëindiging of</al><al>onderbreking, verandering van functie of ontslag. Of en zo ja welke
                        afspraken er over eventuele terugbetaling</al><al>van de vergoeding worden vastgelegd is een zaak van lokaal beleid. Uiteraard
                        kan daarbij worden betrokken wat</al><al>het niveau van de kosten is, in wiens primaire belang de kosten zijn gemaakt
                        en wat de reden en termijn is van</al><al>het ontslag.</al><al>Aard en omvang van de te maken kosten worden in redelijkheid vastgesteld.
                        Doorgaans zal de kostenkwestie</al><al>al bij de keuze van de opleiding aan de orde komen. Minstens zal het gaan om
                        de kosten van de opleiding zelf,</al><al>de kosten van studiemateriaal en de kosten van reizen en eventueel verblijf.
                        Voor de verdere activiteiten die</al><al>worden afgesproken is moeilijk eenduidig een indicatie te geven van de
                        relevante kosten.</al><al><vet>18 Verplaatsingskosten</vet></al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:1</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In dit artikel zijn de verschillende begrippen gedefinieerd. Bij de
                        definitie van het begrip 'eigen huishouding</al><al>voeren' is de eis opgenomen dat het gaat om het zelfstandig bewonen van
                        woonruimte. Iemand die bij zijn</al><al>ouders inwoont komt dus niet in aanmerking voor een volledige
                        verhuiskostenvergoeding.</al><al>De drie inkomsten die bij punt f onder 1 tot en met 3 vermeld worden, worden
                        slechts meegenomen bij de</al><al>berekeningsbasis voorzover zij naast de bezoldiging worden genoten.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Door de verwijzing naar artikel 1:2:1 wordt duidelijk gemaakt dat hoofdstuk
                        18 niet van toepassing is op de</al><al>oproepkracht.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:2</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel regelt de aanspraak op tegemoetkoming in verhuiskosten voor
                        ambtenaren die in verband met een</al><al>verplaatsing of indiensttreding moeten verhuizen. Zie ook de toelichting bij
                        artikel 15:1:17.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is bedoeld om te voorkomen dat een betrokkene niet op de hoogte is
                        van de terugbetalingsverplichting.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:3</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Een werknemer die een dienstwoning betrekt, heeft recht op dezelfde
                        tegemoetkoming in de verhuiskosten als</al><al>een werknemer die vanwege dienstbelang dient te verhuizen naar een huur- of
                        koopwoning. Zie artikel 15:1:18.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:5</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De kosten voor het in- en uitpakken van breekbare zaken worden vergoed; dit
                        is expliciet geregeld. Het</al><al>inpakken van andere goederen door de transporteur dient door de betrokkene
                        zelf te worden betaald.</al><al>De bedragen voor transportkosten en dubbele woonkosten worden vastgesteld op
                        basis van de werkelijk</al><al>gemaakte kosten. Het maakt niet uit of de dubbele woonkosten betrekking
                        hebben op huishuur, hypotheeklasten</al><al>of beide.</al><al>Het bedrag voor de andere kosten (onderdeel C) beoogt niet kostendekkend te
                        zijn. De Belastingdienst hanteert</al><al>maxima voor de bedragen die fiscaal onbelast kunnen worden toegekend.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Wie zelfstandig, dus niet als alleenstaande bij de ouders inwonend,
                        woonruimte bewoont met eigen inboedel</al><al>en stoffering komt in aanmerking voor de vergoeding. Het is aan te nemen dat
                        een kamerbewoner lagere</al><al>verhuiskosten maakt dan iemand die een groot huis achterlaat. Daarom is er
                        een differentiatie naar het aantal</al><al>achter te laten kamers. Dit voorkomt dat de gemeente gaat meebetalen aan de
                        inrichting van een groter huis.</al><al>De differentiatie naar bezoldiging is gebaseerd op de gedachte dat er tussen
                        de waarde van de inboedel en het</al><al>inkomen een zekere relatie bestaat.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Bij een verhuizing waarbij beide levenspartners zijn betrokken, wordt voor
                        beide personen de berekeningsbasis</al><al>vastgesteld. De tegemoetkoming wordt vervolgens toegekend op grond van de
                        hoogste berekeningsbasis.</al><al>Voor deeltijders wordt de berekeningsbasis vastgesteld als ware er sprake
                        van een voltijdbetrekking (tenzij die</al><al>deeltijder tevens een andere betrekking heeft die eveneens aanspraak geeft
                        op een vergoeding).</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Om te voorkomen dat een betrokkene die geen eigen huishouding voerde, en dus
                        een nieuwe inrichting</al><al>moet kopen, zich op kosten van de gemeente gaat inrichten, is geregeld dat
                        hij niet voor een vergoeding in</al><al>aanmerking komt. In bijzondere omstandigheden kan hierop een uitzondering
                        worden gemaakt. Bijvoorbeeld</al><al>in de situatie dat een werknemer tijdelijk elders wordt geplaatst en dus
                        tijdelijk andere woonruimte moet</al><al>betrekken.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:6</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In principe komen alleen werknemers die verhuisplichtig zijn in aanmerking
                        voor een tegemoetkoming in de</al><al>reiskosten.</al><al>Omdat de reiskosten voor verhuisplichtigen relatief hoog kunnen zijn, is het
                        van belang om in het oog te</al><al>houden of er wel voldoende inspanningen worden verricht om aan de
                        verhuisverplichting te voldoen. De</al><al>tegemoetkoming in de reis- en pensionkosten komt automatisch te vervallen
                        als de werknemer niet binnen twee</al><al>jaar na het ontstaan van de verhuisverplichting is verhuisd (zie art.
                        18:1:4). De verplichting om te verhuizen</al><al>blijft overigens wel bestaan.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:7</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het eerste lid is geregeld dat de tegemoetkoming in reiskosten voor
                        verhuisplichtige ambtenaren zoals</al><al>bedoeld in artikel 18:1:6, gelijk is aan de gemaakte kosten van het openbaar
                        vervoer op basis van het tarief van</al><al>de tweede klasse.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid wordt aangegeven dat de vergoeding op basis van het eerste
                        lid voor dat gedeelte dat met de</al><al>trein wordt gereisd gemaximeerd is tot een bedrag zoals door het LOGA is
                        vastgesteld op grond van artikel</al><al>18:1:7a. Dit bedrag heeft geen betrekking op de overige kosten die met
                        (aansluitend) openbaar vervoer gemaakt</al><al>worden.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het derde lid regelt de hoogte van de tegemoetkoming in het geval van de
                        woning of het pension met het</al><al>openbaar vervoer naar het eerst mogelijke station gereisd kan worden, maar
                        van dit openbaar vervoer geen</al><al>gebruikgemaakt wordt. Indien met eigen vervoer naar het station gereisd
                        wordt, wordt een op grond van artikel</al><al>18:1:7a nader vast te stellen tegemoetkoming verstrekt op jaarbasis.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het vierde lid bepaalt dat de verhuisplichtige ambtenaar in aanmerking komt
                        voor een maandelijkse</al><al>tegemoetkoming in de gemaakte reiskosten indien het bevoegde gezag bepaalt
                        dat de plaats van tewerkstelling</al><al>niet of niet doelmatig per openbaar vervoer te bereiken is of indien de
                        plaats van tewerkstelling vanwege</al><al>de opgedragen werktijden niet of niet doelmatig per openbaar vervoer
                        bereikbaar is. Of de plaats van</al><al>tewerkstelling al dan niet (doelmatig) per openbaar vervoer bereikbaar is,
                        wordt door het bevoegde gezag per</al><al>individuele situatie bepaald.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Het vijfde lid regelt de tegemoetkoming in het geval de plaats van
                        tewerkstelling naar het oordeel van het</al><al>college wel bereikbaar is met het openbaar vervoer maar daar geen gebruik
                        van wordt gemaakt. De betrokkene</al><al>heeft dan recht op een tegemoetkoming van 25% van de tegemoetkoming bedoeld
                        in het vierde lid.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:7a</cursief></vet></al><al>Dit artikel regelt een vergoeding voor de betrokkene wiens plaats van
                        tewerkstelling door het bevoegde gezag</al><al>is aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet per openbaar
                        vervoer is te bereiken of wiens plaats</al><al>van tewerkstelling vanwege de opgedragen tijden niet per openbaar vervoer is
                        te bereiken. Ondanks het</al><al>feit dat de betrokkene niet de verplichting is opgelegd om in of meer nabij
                        zijn standplaats te gaan wonen,</al><al>heeft de betrokkene toch op grond van de rechtspositieregeling recht op een
                        kilometervergoeding voor</al><al>woon-werkverkeer. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald door het
                        bevoegde gezag en geldt voor de</al><al>gehele duur van de dienstbetrekking.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:8</cursief></vet></al><al>Dit artikel regelt een vergoeding voor de betrokkene wiens plaats van
                        tewerkstelling door het bevoegde gezag</al><al>is aangewezen als een plaats van tewerkstelling die niet per openbaar
                        vervoer is te bereiken of wiens plaats</al><al>van tewerkstelling vanwege de opgedragen tijden niet per openbaar vervoer is
                        te bereiken. Ondanks het</al><al>feit dat de betrokkene niet de verplichting is opgelegd om in of meer nabij
                        zijn standplaats te gaan wonen,</al><al>heeft de betrokkene toch op grond van de rechtspositieregeling recht op een
                        kilometervergoeding voor</al><al>woon-werkverkeer. De hoogte van deze vergoeding wordt bepaald door het
                        bevoegde gezag en geldt voor de</al><al>gehele duur van de dienstbetrekking.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:9</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Wat onder redelijk gemaakte pensionkosten verstaan moet worden is niet
                        zonder meer te zeggen; dit zal</al><al>regionaal en per seizoen kunnen verschillen.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:10</cursief></vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen om er op toe te kunnen zien of betrokkene wel
                        genoeg inspanningen verricht om</al><al>snel te verhuizen (opdat onnodige kosten worden voorkomen).</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:11</cursief></vet></al><al>Het is aan te raden de in dit artikel genoemde termijnen strikt te hanteren:
                        bij overschrijding van de</al><al>termijnen zal het namelijk niet altijd meer mogelijk zijn de aanvraag
                        respectievelijk de bedragen te toetsen.</al><al>Vanzelfsprekend dient de werknemer over deze termijnen te worden
                        geinformeerd. Het niet voldoen aan de</al><al>voorwaarden leidt tot het vervallen van de aanspraken op vergoeding.</al><al><vet><cursief>Artikel 18:1:13</cursief></vet></al><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bij wijze van uitzondering
                        van de gestelde regels af te wijken,</al><al>zowel in individuele gevallen als voor groepen van personen. Bijvoorbeeld
                        bij ingrijpende reorganisaties en</al><al>daarmee gepaard gaande verplaatsingen kan op grond van dit artikel een
                        aanvullend sociaal beleid gevoerd</al><al>worden.</al><al><vet>19A Rechtspositie ambulancepersoneel</vet></al><al><vet><cursief>Vooraf</cursief></vet></al><al>De in dit hoofdstuk neergelegde artikelen vormen de uitwerking van het
                        arbeidsvoorwaardenakkoord met</al><al>betrekking tot de harmonisatie van de rechtspositieregeling van publieke en
                        private ambulancediensten. Dit</al><al>akkoord is gesloten op 29 oktober 2002. Voor de sector gemeenten betekent
                        dit dat dit hoofdstuk van toepassing</al><al>is op medewerkers in de in dit hoofdstuk vermelde functies die werkzaam zijn
                        bij een GGD of publiekrechtelijk</al><al>orgaan dat taken in het kader van ambulancezorg uitoefent. Met dit laatste
                        wordt overigens niet de brandweer</al><al>bedoeld.</al><al><vet><cursief>Inschaling</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a2 tot en met 19a:5</cursief></al><al>Artikel 19a2 tot en met 19a:5 Sociale partners hebben de vermelde functies
                        ingeschaald met als éénmalig</al><al>referentiekader het functiewaarderingssysteem FWG 3.0 dat wordt gebruikt in
                        de zorgsector. De schaal is te</al><al>beschouwen als de eindschaal, waarin tevens de inconveniënten zijn
                        inbegrepen die verband houden met het</al><al>karakter van de werkzaamheden, zoals het werken onder verzwarende
                        omstandigheden. Nu de inschaling in de</al><al>gehele sector is gelijkgetrokken, wordt ook de arbeidsmarktpositie van deze
                        groep ambtenaren geacht te zijn</al><al>inbegrepen in de inschaling.</al><al><vet><cursief>Aanwezigheidsvergoeding</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a:7</cursief></al><al>Dit artikel regelt de vergoeding voor uren die in een aanwezigheidsdienst
                        worden doorgebracht. De vergoeding</al><al>vindt plaats in de vorm van tijd voor tijd. De tijd die wordt vergoed telt
                        mee voor het berekenen van de</al><al>36-urige werkweek. Op grond van de Arbeidstijdenwet echter wordt tijd die
                        wordt doorgebracht in een</al><al>aanwezigheidsdienst niet aangemerkt als arbeidstijd maar als rusttijd.
                        Indien de aanwezigheidsdienst</al><al>plaatsvindt tijdens de onregelmatige uren als bedoeld in artikel 19a:8, dan
                        heeft de ambtenaar recht op een</al><al>onregelmatigheidstoeslag berekend over de vergoeding in tijd voor de
                        aanwezigheidsdienst en dus niet berekend</al><al>over de feitelijke uren die in aanwezigheidsdienst zijn doorgebracht. Dit
                        betekent dat indien de vergoeding voor</al><al>de aanwezigheidsdienst plaatsvindt in 100% tijd voor tijd er ook sprake is
                        van uitbetaling van 100% van de</al><al>onregelmatigheidstoeslag indien de aanwezigheidsdienst binnen de
                        onregelmatige uren valt.</al><al><vet><cursief>Onregelmatigheidstoeslag</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a:8</cursief></al><al>De ambtenaar heeft recht op een toeslag voor arbeid verricht tijdens
                        onregelmatige uren. De ambtenaar</al><al>krijgt een toeslag voor elk onregelmatig uur dat hij heeft gewerkt. Het is
                        dus niet mogelijk om de ambtenaar</al><al>een vaste toeslag te geven voor onregelmatig werk in het algemeen. Dit is
                        uitdrukkelijk afgesproken in het</al><al>arbeidsvoorwaardenakkoord. De bedragen worden geïndexeerd met de
                        loonontwikkeling die in het LOGA</al><al>wordt overeengekomen. De nieuwe bedragen van de onregelmatigheidstoeslag
                        worden gepubliceerd in de</al><al>salarisbrief die naar aanleiding van elk nieuw arbeidsvoorwaardenakkoord
                        verschijnt. De bedragen van de</al><al>onregelmatigheidstoeslag zijn inclusief het vakantiegeld. Tenslotte regelt
                        dit artikel dat een samenloop tussen</al><al>een vergoeding voor overwerk en een vergoeding voor onregelmatige dienst
                        niet mogelijk is.</al><al><vet><cursief>Overwerktoeslag</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a:9</cursief></al><al><cursief>Leden 1 tot en met 3</cursief></al><al>Voor overwerk bestaat de vergoeding uit een bedrag en uit verlof. Het verlof
                        is gelijk aan het aantal uren dat er</al><al>overwerk is verricht. Het verlof wordt zo spoedig mogelijk verleend, waarbij
                        zoveel mogelijk rekening wordt</al><al>gehouden met de wens van de ambtenaar. De vergoeding bestaat uit een bedrag
                        dat wordt berekend aan de hand</al><al>van de overwerkpercentages die in het zesde lid worden vermeld. Indien de
                        ambtenaar in deeltijd werkt, worden</al><al>voor hem uren aangemerkt als overwerk indien deze uren zijn gemiddelde
                        wekelijkse arbeidstijd op basis van de</al><al>uren waarvoor hij is aangesteld te boven gaan. Een deeltijder hoeft dus niet
                        eerst gemiddeld 36 uur te werken,</al><al>voordat er sprake kan zijn van overwerk.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het omzetten van de verlofuren die het gevolg zijn van de overwerkvergoeding
                        in vakantie als bedoeld in artikel</al><al>6:2, eerste lid, dient op hetzelfde moment plaats te vinden als de keuze
                        voor de opbouw van extra vakantie-uren</al><al>als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid. Afhankelijk van de vraag of gebruik
                        wordt gemaakt van de opbouw van</al><al>extra vakantie-uren als bedoeld in artikel 6:2 en zo ja voor hoeveel uren,
                        kan een inschatting worden gemaakt</al><al>hoeveel uren overwerkvergoeding kunnen worden omgezet in vakantie-uren.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Indien voor het verrichte overwerk geen verlof kan worden gegeven, wordt het
                        verlof uitgekeerd in geld door de</al><al>overwerkpercentages te vermeerderen met 100.</al><al><cursief>Lid 7</cursief></al><al>Bij het berekenen van het overwerk geldt een afrondingssystematiek. Wanneer
                        de ambtenaar bijvoorbeeld 10</al><al>minuten heeft overgewerkt, wordt het overwerk afgerond naar 0 minuten.
                        Wanneer de ambtenaar 20 minuten</al><al>heeft overgewerkt, wordt het overwerk afgerond naar 30 minuten. De afronding
                        naar 30 minuten geldt ook</al><al>indien de ambtenaar 40 minuten heeft overgewerkt. Deze afrondingssystematiek
                        geldt binnen elk uur dat er</al><al>overwerk wordt verricht.</al><al><cursief>Lid 8</cursief></al><al>Indien een ambtenaar volgens rooster moet werken op een zondag of een
                        daarmee gelijkgestelde vrije dag, en</al><al>vervolgens ook nog overwerkt op die dag, dan is in principe de normale
                        overwerkvergoeding van toepassing.</al><al><cursief>Lid 9</cursief></al><al>De overwerkregeling is niet van toepassing bij indienstroeping vanwege
                        oorlog, oorlogsgevaar of andere</al><al>bijzondere omstandigheden, of bij toepassing van de Rampenwet. Het college
                        kan op een andere wijze de</al><al>vergoeding voor dergelijke werkzaamheden regelen.</al><al><vet><cursief>Bereikbaarheidsdienst</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a:10</cursief></al><al>De ambtenaar heeft recht op een toeslag voor uren doorgebracht in een
                        bereikbaarheidsdienst. De bedragen</al><al>worden geïndexeerd met de loonontwikkeling die in het LOGA wordt
                        overeengekomen. De nieuwe bedragen</al><al>worden gepubliceerd in de salarisbrief die naar aanleiding van elk nieuw
                        arbeidsvoorwaardenakkoord</al><al>verschijnt.</al><al><vet><cursief>Overige vergoedingen</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a:11</cursief></al><al>Naast de vergoedingen die in dit hoofdstuk zijn genoemd heeft de ambtenaar
                        geen recht op andere vergoedingen</al><al>die een relatie hebben met een inroostering. Deze bepaling is in het akkoord
                        met betrekking tot de harmonisatie</al><al>van de rechtspositie opgenomen om te waarborgen dat er eenheid blijft in de
                        manier waarop ambtenaren in de</al><al>sector worden beloond.</al><al><vet><cursief>Berekening bezoldiging bij ziekte en zwangerschaps- en
                                bevallingsverlof</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a:12</cursief></al><al>Dit artikel regelt de hoogte van de door te betalen bezoldiging van de
                        arbeidsongeschikte ambtenaar en de</al><al>ambtenaar die wegens zwangerschap niet in staat is de functie te vervullen.
                        Bij het vaststellen van de hoogte</al><al>van de door te betalen bezoldiging, wordt het salaris vermeerderd met het
                        gemiddelde bedrag dat de ambtenaar</al><al>gedurende de dertien weken voorafgaand aan de eerste ziektedag heeft genoten
                        aan salaris in verband met</al><al>overwerk, overwerktoeslag, onregelmatigheidstoeslag en
                        bereikbaarheidsvergoeding. Hierbij geldt voor de</al><al>berekening van het door te betalen overwerk dat er wordt uitgegaan van
                        maximaal 15 overwerkuren per week.</al><al>Indien een berekening over dertien weken voorafgaand aan de eerste ziektedag
                        tot een onredelijke uitkomst</al><al>leidt, kan het college besluiten een referentieperiode te hanteren van 52
                        weken. Een onredelijke uitkomst kan</al><al>bijvoorbeeld voorkomen indien in de dertien weken voorafgaand aan de eerste
                        ziektedag volgens een rooster</al><al>is gewerkt dat vanwege bijzondere omstandigheden sterk afwijkt van het voor
                        de ambtenaar gebruikelijke</al><al>arbeidspatroon.</al><al><vet><cursief>Pauze</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a:19</cursief></al><al>Pauze is op grond van de Arbeidstijdenwet onbezoldigd.</al><al><vet><cursief>Consignatiediensten/aanwezigheidsdiensten/bereikbaarheidsdiensten</cursief></vet></al><al><cursief>Artikelen 19a:13 t/m 19a:20</cursief></al><al>Het college stelt een werktijdenregeling vast waarin in ieder geval wordt
                        voldaan aan de artikelen in dit</al><al>hoofdstuk. Deze artikelen bepalen dat voor het ambulancepersoneel de grenzen
                        van de overlegregeling van de</al><al>Arbeidstijdenwet gelden. Daarnaast gelden ook de specifieke bepalingen voor
                        ambulancepersoneel die zijn</al><al>opgenomen in het Arbeidstijdenbesluit.</al><al><vet><cursief>Overgangsrecht: Inschaling zittende
                            medewerkers</cursief></vet></al><al><cursief>Artikel 19a:23</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De ambtenaar die op 1 februari 2002 in zijn functieschaal zou worden
                        ingeschaald, behoudt dat recht ook op</al><al>grond van dit akkoord.</al><al><vet>21 Rechtspositionele erkenning van alternatieve
                            samenlevingsvormen</vet></al><al>Dit hoofdstuk regelt de rechtspositionele gevolgen van de gelijkstelling van
                        levenspartners aan echtgenoten van</al><al>gehuwde ambtenaren. Artikel 21:1:1 bepaalt onder welke voorwaarden een
                        levenspartner van een ambtenaar</al><al>gelijk wordt gesteld aan een echtgeno(o)t(e).</al><al>Het gaat daarbij om:</al><al><vet>- </vet>de ter uitvoering van de CAR en deze regeling vastgestelde
                        regelingen met betrekking tot</al><al><vet>a. </vet>aanspraken op bezoldiging tijdens militaire dienst;</al><al><vet>b. </vet>het verlof met behoud van bezoldiging wegens persoonlijke of
                        familieomstandigheden;</al><al><vet>c. </vet>de uitkering bij overlijden van de ambtenaar, waarbij voor de
                        toepassing van artikel 8:16:3 de</al><al>levenspartner als gezinslid wordt aangemerkt;</al><al><vet>- </vet>de bepalingen van hoofdstuk 10 met betrekking tot de uitkering
                        bij overlijden van de wachtgelder;</al><al><vet>- </vet>de bepalingen van hoofdstuk 11 met betrekking tot:</al><al><vet>a. </vet>het recht op een uitkering;</al><al><vet>b. </vet>de uitkering bij overlijden van betrokkene;</al><al><vet>- </vet>de bepalingen van hoofdstuk 18 met betrekking tot de
                        verhuiskosten-, de reiskosten- en de</al><al>pensionkostenvergoeding;</al><al><vet>- </vet>de bepalingen van hoofdstuk 9 met betrekking tot de uitkering
                        bij overlijden van de gewezen ambtenaar.</al><al>Omdat er niet wordt verwezen naar de bepaling die het buitengewoon verlof
                        regelt bij een huwelijk, kan er geen</al><al>sprake zijn van het verlenen van buitengewoon verlof bij het ondertekenen
                        van een samenlevingscontract.</al><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>JG 02.0015</al><al>JG 02.0034</al><al>JG 02.0079</al><al>JG 02.0078</al><al>JG 02.0188</al><al>JG 03.0052</al><al>JG 03.0180</al><al>JG 06.0030</al><al>JG 06.0059</al><al>JG 06.0084</al><al>JG 06.0112</al><al>JG 06.0126</al><al>JG 07.0014</al><al>JG 07.0027</al><al>JG 07.0059</al><al>JG 07.0068</al><al>JG 07.0112</al><al><vet>[1] </vet>[1] De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn
                        overeengekomen dat als uiterste</al><al>ingangsdatum geldt 1 januari 1996.</al><al><vet>[1] </vet>Noot 1, 2 en 3: Deze bedragen dienen te worden vastgesteld in
                        samenspraak met de belastingdienst. Dat is</al><al>op dit moment (juni 2001) nog niet geeurd dus deze bedragen kunnen nog
                        aangepast worden.</al><al><vet>[x] </vet>De PAM wordt op dit moment (medio 2006) ontwikkeld; het
                        Coronel Instituut ondersteunt hierbij.</al><al><vet>[x1] </vet>Op het moment van verschijnen van deze teksten (juni 2006)
                        zijn deze voorwaarden nog niet bekend.</al><al>Deze voorwaarden worden uitgewerkt bij de uitwerking van de inkoop
                        levensloop (artikel 9b:21) en volgen in</al><al>de tweede helft van 2006.</al><al><vet>[x2] </vet>Zie vorige noot.</al><al><vet>[x3] </vet>Op het moment van verschijnen van deze teksten (juni 2006)
                        zijn deze voorwaarden nog niet bekend.</al><al>Deze voorwaarden worden uitgewerkt bij de uitwerking van de inkoop
                        levensloop (artikel 9b:21) en volgen in</al><al>de tweede helft van 2006.</al><al><vet>[x4] </vet>Zie vorige noot.</al><al><vet>[x4] </vet>Op het moment van verschijnen van deze teksten (juni 2006)
                        zijn deze voorwaarden nog niet bekend.</al><al>Deze voorwaarden worden uitgewerkt bij de uitwerking van de inkoop
                        levensloop (artikel 9b:44) en volgen in</al><al>de tweede helft van 2006.</al><al><vet>[x5] </vet>Zie vorige noot.</al><al><vet>[4] </vet>Vanwege het voorbeeldkarakter zijn de bedragen niet volgens
                        de officiële rekenmethode tot stand</al><al>gekomen.</al></tekst></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>