<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR270044_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Etten-Leur</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-12-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Etten-Leur</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Etten-Leurse Bode, 27-03-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente Etten-Leur</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8 lid 1">Wet werk en bijstand, art. 8, eerste lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=20">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 20.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35, eerste lid">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35, lid 1.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=38">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 38</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-03-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-03-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SL</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>10. Maatschappelijke Zorg</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>N.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Maatregelenverordening WWB 2012 en de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente
            Etten-Leur.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Etten-Leur;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 februari 2013,
                        met overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdelen b, h en i, artikel 8a, artikel
                        9a, twaalfde lid, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand, artikel 20,
                        artikel 35, eerste lid, onderdelen b, c en d, en artikel 38, twaalfde lid,
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers, artikel 20, artikel 35, eerste lid, onderdelen b, c en
                        d, en artikel 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al/><al/><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al/><al>Vast te stellen:</al><al/><al>de volgende Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen
                        2013</al><al>gemeente Etten-Leur. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (Wwb), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (Ioaz), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al><cursief>het college:</cursief> het college van burgemeester
                                        en wethouders van de gemeente Etten-Leur.</al></li><li nr="b."><al><cursief>de raad:</cursief> de gemeenteraad van de gemeente
                                        Etten-Leur. </al></li><li nr="c."><al><cursief>Wwb:</cursief> de Wet werk en bijstand.</al></li><li nr="d."><al><cursief>Ioaw:</cursief> de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.</al></li><li nr="e."><al><cursief>Ioaz:</cursief> de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                                        zelfstandigen.</al></li><li nr="f."><al><cursief>benadelingsbedrag</cursief> als bedoeld in artikel
                                        10 van deze verordening: de netto bijstand waarop eerder,
                                        langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan
                                        ten gevolge van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
                                    </al></li><li nr="g."><al><cursief>maatregel</cursief>: de in artikel 8, eerste lid,
                                        onderdelen b en h, artikel 9a, twaalfde lid, en artikel 18,
                                        tweede lid, van de Wwb bedoelde verlaging van de bijstand
                                        dan wel de in artikel 20, artikel 35, eerste lid, onderdelen
                                        b en d, en artikel 38, twaalfde lid, van de Ioaw en artikel
                                        20, artikel 35, eerste lid, onderdelen b en d, en artikel
                                        38, twaalfde lid, van de Ioaz bedoelde verlaging van de
                                        uitkering.</al></li><li nr="h."><al><cursief>Maatregelenverordening Wwb 2012:</cursief> de
                                        Maatregelen- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand
                                        2012 gemeente Etten-Leur.</al></li><li nr="i."><al><cursief>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010:</cursief>
                                        de Maatregelen- en handhavingsverorde-ning IOAW en IOAZ 2010
                                        gemeente Etten-Leur.</al></li><li nr="j."><al><cursief>beslagvrije voet:</cursief> de beslagvrije voet
                                        bedoeld in artikel 475d en volgende van het Wetboek van
                                        Burgerlijke Rechtsvordering.</al></li><li nr="k."><al><cursief>recidiveboete:</cursief> bestuurlijke boete als
                                        bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wwb.</al></li><li nr="l."><al><cursief>verrekenen: </cursief>verrekening als bedoeld in
                                        artikel 60, vierde lid, van de Wwb.</al></li><li nr="m."><al><cursief>grondslag: </cursief>de grondslag als bedoeld in
                                        artikel 5 van de Ioaw en Ioaz.</al></li><li nr="n."><al><cursief>uitkering: </cursief>de uitkering, bedoeld in
                                        artikel 5, eerste lid, van de Ioaw en Ioaz.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                                in het bestaan betoont als bedoeld in artikel 18 van de Wwb, dan wel
                                de uit de Wwb, de Ioaw of de Ioaz voortvloeiende verplichtingen niet
                                of onvoldoende nakomt met inbegrip van de verplichtingen die in de
                                beschikking tot toekenning of voortzetting van de bijstand of van de
                                uitkering zijn opgenomen, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder de uit de Wwb, de Ioaw of de Ioaz voortvloeiende
                                verplichtingen wordt niet verstaan de inlichtingenplicht als bedoeld
                                in artikel 17, eerste lid, van de Wwb, artikel 13, eerste lid, van
                                de Ioaw, artikel 13, eerste lid van de Ioaz en artikel 30c, tweede
                                en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                inkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belang-hebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin belangheb-bende verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de dag volgend op de
                                datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op
                                dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm of
                                grondslag. Als de opgelegde maatregel lager is dan of gelijk is aan
                                100% van de bijstandsnorm of grondslag, wordt de maatregel toegepast
                                gedurende één maand, te rekenen vanaf de dag volgend op de datum
                                waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Als de opgelegde maatregel hoger is
                                dan 100% van de bijstandsnorm of grondslag, wordt de maatregel
                                toegepast gedurende meerdere maanden, te rekenen vanaf de dag
                                volgend op de datum waarop het besluit tot opleggen van de maatregel
                                aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt de maatregel
                                over de eerste maand vastgesteld op 100 % van de bijstandsnorm of
                                grondslag en wordt het restant van de maatregel in de daarop
                                volgende maand of maanden zoveel mogelijk vastgesteld op veelvouden
                                van 100% van de bijstandsnorm of grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden toege-past als de bijstandsnorm of grondslag over een
                                periode in het verleden nog niet is uitbe-taald, dan wel het
                                opleggen van een maatregel in de toekomst niet of niet geheel
                                mogelijk is wegens beëindiging van de bijstand of de uitkering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een opgelegde maatregel die niet of niet geheel kan worden
                                uitgevoerd omdat de bijstand of de uitkering van belanghebbende is
                                beëindigd of ingetrokken, herleeft indien belangheb-bende binnen een
                                jaar, te rekenen vanaf de datum met ingang van welke de bijstand of
                                de uitkering is beëindigd of ingetrokken, opnieuw een aanvraag
                                indient om toekenning van alge-mene bijstand of een uitkering op
                                grond van de Ioaw of Ioaz. Bij hervatting van de algemene bijstand
                                of uitkering binnen de in dit artikellid genoemde periode besluit
                                het college of de (restant)maatregel alsnog wordt geëffectueerd. Van
                                een (gedeeltelijk) afzien wordt medede-ling gedaan onder vermelding
                                van de reden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging algemene en bijzondere bijstand, uitkering Ioaw of
                                Ioaz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel vindt plaats door verlaging van de algemene bijstand
                                of de grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een maatregel ook plaatsvinden
                                door verlaging van de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de Wwb; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel.</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, het tijdvak waarover de maatregel
                            wordt toegepast, het bedrag waarmee de bijstand of de grondslag wordt
                            verlaagd en, als dit van toepassing is, de reden om af te wijken van de
                            standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>meer dan een jaar is verstreken nadat de constatering van de
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, en het
                                        college geen besluit heeft genomen over het al dan niet
                                        opleggen van een maatregel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan
                                schriftelijk op de hoogte gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Samenloop van gedragingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich gelijktijdig schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting
                                als genoemd in artikel 2, eerste lid, van deze verordening inhouden,
                                niet zijnde een verplichting als bedoeld in artikel 2, tweede lid,
                                van deze verordening, wordt voor het bepalen van de hoogte van de
                                maatregel uitgegaan van cumulatie van de genoemde bedragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de in het eerste lid bedoelde cumulatie een maatregel oplevert
                                die lager is dan of gelijk is aan 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag, wordt de maatregel toegepast gedurende één maand, te
                                rekenen vanaf de dag volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                bekendgemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de in het eerste lid van dit artikel bedoelde cumulatie een
                                maatregel oplevert die hoger is dan 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag, wordt de maatregel toegepast gedurende meerdere maanden,
                                te rekenen vanaf de dag volgend op de datum waarop het besluit tot
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt de maatregel over de eerste maand vastgesteld op 100 %
                                van de bijstandsnorm of de grondslag en wordt het restant van de
                                maatregel in de daarop volgende maand of maanden zoveel mogelijk
                                vastgesteld op veelvouden van 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de Wwb</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen.</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt behouden en derhalve sprake is van tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als
                            bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb, en gedragingen waardoor
                            een verplichting op grond van artikel 9 van de Wwb of artikel 9a van de
                            Wwb niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën: </al><al><cursief>1.Eerste categorie</cursief>: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van die
                                    registratie;</al></li><li nr="b."><al>het indienen van een aanvraag voor algemene bijstand gedurende
                                    de termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wwb.</al></li></lijst><al><cursief>2.Tweede categorie</cursief>: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met
                                    arbeidsinschakeling op een aangegeven tijd of plaats te
                                    verschijnen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al></li><li nr="e."><al>het onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de Wwb en
                                    artikel 10, eerste lid, van de Wwb;</al></li><li nr="f."><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college
                                    opgedragen onbeloonde maat-schappelijk nuttige werkzaamheden
                                    zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid onderdeel c van de
                                    Wwb;</al></li><li nr="g."><al>de alleenstaande ouder die uit houding en gedrag ondubbelzinnig
                                    laat blijken de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 eerste
                                    lid onderdeel b, van de Wwb niet te willen nakomen, als gevolg
                                    waarvan de op grond van artikel 9a, eerste lid, van de Wwb
                                    verleende ontheffing van de arbeidsplicht is ingetrokken;</al></li><li nr="h."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van
                                    een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a van de Wwb,
                                    indien van toepassing;</al></li><li nr="i."><al>het niet naar vermogen trachten om gedurende de termijn, genoemd
                                    in artikel 41, vierde lid, van de Wwb, de mogelijkheden te
                                    onderzoeken naar uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs, voor
                                    zover het gaat om een persoon jonger dan 27 jaar;</al></li><li nr="j."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid, van de Wwb, voor zover het gaat om een
                                    persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding
                                    zoals bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de
                                    Wwb.</al></li></lijst><al><cursief>3. Derde categorie</cursief>: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder
                                    tevens wordt begre-pen het niet meewerken aan bemiddeling naar
                                    een concrete dienstbetrekking;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet gebruik maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in
                                    artikel 9, eerste lid onderdeel b van de Wwb en artikel 10,
                                    eerste lid, van de Wwb.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 8 van deze
                                verordening wordt onverminderd het bepaalde in artikel 2, derde lid,
                                van deze verordening vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 100,00 bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag van de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm
                                        bij gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging van de eerste categorie als
                                bedoeld in artikel 8 van deze verordening kan - in afwijking van het
                                eerste lid van dit artikel - worden afgezien van het opleggen van
                                een maatregel en kan worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij de gedraging van de eerste
                                categorie als bedoeld in artikel 8 van deze verordening plaatsvindt
                                binnen een periode van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18,
                                tweede lid, van de Wwb, anders dan het niet behouden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel
                                b van deze verordening, wordt afgestemd op het
                                benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 100,00 bij een benadelingsbedrag tot € 1000,00;</al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000,00 tot €
                                        2000,00;</al></li><li nr="c."><al>€ 400,00 bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000,00 tot €
                                        4000,00;</al></li><li nr="d."><al>het bedrag van de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm
                                        bij een benadelingsbedrag van € 4000,00 of meer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wegens het niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                arbeid wordt opgelegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 8,
                                derde lid, onder b, en artikel 9 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien belanghebbende geen beroep meer kan doen op een passende en
                                toereikende voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt
                                verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van het bij
                                herhaling schenden van de inlichtingenplicht wordt een maatregel
                                opgelegd van 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden
                                gerekend vanaf de ingangsdatum van de algemene bijstand op grond van
                                de Wwb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Nadere verplichtingen.</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 55 van de Wwb zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate
                            worden nagekomen, wordt onverminderd artikel 2, derde lid, van deze
                            verordening een maatregel opgelegd van € 200,00.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de Ioaw en
                            Ioaz</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende in het kader van reïntegratie, waardoor
                            een verplichting op grond van hoofdstuk III van de Ioaw of Ioaz niet of
                            onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><al><cursief>1. Eerste categorie</cursief>:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            UWV-Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van die
                            registratie;</al><al><cursief>2. Tweede categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met
                                    arbeidsinschakeling op een aangegeven tijd en plaats te
                                    verschijnen;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren;</al></li><li nr="e."><al>het onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals
                                    bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de Ioaw of
                                    Ioaz;</al></li><li nr="f."><al>het niet naar vermogen verrichten van door het college
                                    opgedragen onbeloonde maat-schappelijk nuttige werkzaamheden
                                    zoals bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder f, van de Ioaw of
                                    Ioaz;</al></li></lijst><al><cursief>3. Derde categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet gebruik maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling zoals bedoeld in
                                    artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de Ioaw of Ioaz;</al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande ouder die uit houding en gedrag ondubbelzinnig
                                    laat blijken dat deze de verplichtingen zoals bedoeld in artikel
                                    37, eerste lid onderdeel e, van de Ioaw of Ioaz niet wil
                                    nakomen, als gevolg waarvan de op grond van artikel 38, eerste
                                    lid, van de Ioaw of Ioaz verleende ontheffing van de
                                    arbeidsplicht is ingetrokken;</al></li><li nr="c."><al>beëindiging van een dienstbetrekking waaraan een dringende reden
                                    ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het
                                    Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan
                                    worden gemaakt;</al></li><li nr="d."><al>beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek van
                                    belanghebbende zonder dat aan de voorzetting ervan zodanige
                                    bezwaren waren verbonden, dat deze voorzetting redelij-kerwijs
                                    niet van hem zou kunnen worden gevergd;</al></li><li nr="e."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder
                                    begrepen gesubsi-dieerde arbeid;</al></li><li nr="f."><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 12 van deze
                                verordening wordt onverminderd het bepaalde in artikel 2, derde lid,
                                van deze verordening vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 100,00 bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag van de gehele van toepassing zijnde uitkering bij
                                        gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging van de eerste categorie als
                                bedoeld in artikel 12 van deze verordening kan - in afwijking van
                                het eerste lid van dit artikel - worden afgezien van het opleggen
                                van een maatregel en kan worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij de gedraging van de eerste
                                categorie als bedoeld in artikel 12 van deze verordening plaatsvindt
                                binnen een periode van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop
                                eerder een schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregelen als bedoeld in het eerste lid worden toegepast op de
                                netto uitkering.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen Wwb, Ioaw en Ioaz</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen.</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren en medewerkers - onder omstandigheden die
                            rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wwb, Ioaw of Ioaz -
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Wwb, artikel 20, tweede
                            lid van de Ioaw en/of artikel 20, eerste lid van de Ioaz, wordt
                            onverminderd artikel 2, derde lid, van deze verordening een maatregel
                            opgelegd ten bedrage van de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm
                            of grondslag. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij niet nakomen van de
                                verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen een jaar nadat met toepassing
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in artikel 8 en 9, of artikel 12 en 13 van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in artikel 8 en 9 van de Maatregelenverordening
                                        Wwb 2012, of</al></li><li nr="c."><al>het bepaalde in artikel 6 en 7 van de Maatregelenverordening
                                        IOAW en IOAZ 2010, een maatregel is opgelegd, opnieuw
                                        schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of
                                        hogere categorie als bedoeld in artikel 8 en 9, of artikel
                                        12 en 13 van deze verordening, wordt een maatregel opgelegd
                                        ten bedrage van het dubbele van het bedrag van de maatregel
                                        dat op grond van artikel 8 en 9, of artikel 12 en 13 van
                                        deze verordening moet worden opgelegd voor de nieuwe
                                        verwijtbare gedraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste
                                lid van dit artikel in hoogte is verdubbeld opnieuw schuldig maakt
                                aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie als
                                bedoeld in artikel 8 en 9, of artikel 12 en 13 van deze verordening,
                                wordt een maatregel opgelegd ten bedrage van het drievoudige bedrag
                                van de maatregel, die op grond van artikel 8 en 9, of artikel 12 en
                                13 van deze verordening moet worden opgelegd voor de nieuwe
                                verwijtbare gedraging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de met toepassing van het eerste of tweede lid opgelegde
                                maatregel meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag, wordt de maatregel geëffectueerd via een oplegging van
                                100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een eerste maand
                                en het alsdan resterende bedrag van de maatregel gedurende de daarop
                                volgende maand(en), waarbij de maatregel zoveel mogelijk wordt
                                vastgesteld op veelvouden van 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in het
                                eerste lid van dit artikel wordt gelijkgesteld het besluit om:</al><lijst><li nr="a."><al>van het opleggen van een maatregel wegens niet nakomen van
                                        de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling
                                        af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 6, tweede lid, van deze verordening, of</al></li><li nr="-"><al>artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening
                                                Wwb 2012, of</al></li><li nr="-"><al>artikel 4, tweede lid, van de Maatregelenverordening
                                                IOAW en IOAW 2010.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>een waarschuwing op te leggen wegens het niet nakomen van de
                                        verplichting als bedoeld in artikel 9 of 9a van de Wwb of
                                        artikel 37 van de Ioaw en/of de Ioaz.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een besluit in bezwaar of beroep wordt herzien is het laatste in
                                bezwaar of beroep genomen besluit bepalend voor de recidive.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij zeer ernstige
                                misdragingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij met toepassing van artikel 14 van deze
                                verordening, artikel 14 van de Maatregelen- verordening Wwb 2012 of
                                artikel 10 van de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010 een
                                maatregel is opgelegd opnieuw zeer ernstig misdraagt als bedoeld in
                                artikel 14 van deze verordening wordt een maatregel opgelegd ten
                                bedrage van het dubbele van het bedrag van de gehele van toepassing
                                zijnde bijstandsnorm of de grondslag. Als een besluit in bezwaar of
                                beroep wordt herzien is het laatste in bezwaar of beroep genomen
                                besluit bepalend voor de recidive.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste
                                lid van dit artikel is verdubbeld opnieuw zeer ernstig misdraagt als
                                bedoeld in artikel 14 van deze verordening, wordt een maatregel
                                opgelegd ten bedrage van het drievoudige bedrag van de maatregel,
                                die op grond van artikel 14 van deze verordening moet worden
                                opgelegd voor de nieuwe ernstige misdraging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de met toepassing van het eerste of tweede lid opgelegde
                                maatregel meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag, wordt de maatregel geëffectueerd via een oplegging van
                                100% van de bijstandsnorm of de grondslag gedurende een eerste maand
                                en het alsdan resterende bedrag van de maatregel gedurende de daarop
                                volgende maand(en), waarbij de maatregel zoveel mogelijk wordt
                                vastgesteld op veelvouden van 100% van de bijstandsnorm of de
                                grondslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld
                                in artikel 18 Wwb.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij met toepassing van artikel 10, eerste en tweede
                                lid, van deze verordening, of artikel 13, eerste en tweede lid, van
                                de Maatregelenverordening Wwb 2012 een maatregel is opgelegd opnieuw
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                                in het bestaan betoont als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede
                                lid, van deze verordening wordt een maatregel opgelegd ten bedrage
                                van het dubbele van het bedrag van de maatregel dat op grond van
                                artikel 10, eerste en tweede lid, van deze verordening moet worden
                                opgelegd voor het nieuwe betoonde tekortschietende besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld
                                in artikel 10, eerste en tweede lid, van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste lid
                                van dit artikel in hoogte is verdubbeld opnieuw tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan
                                betoont als bedoeld in artikel 10, eerste en tweede lid, van deze
                                verordening, wordt een maatregel opgelegd ten bedrage van het
                                drievoudige bedrag van de maatregel, die op grond van artikel 10,
                                eerste en tweede lid, van deze verordening moet worden opgelegd voor
                                het nieuwe betoonde tekortschietende besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 10, eerste
                                en tweede lid, van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de met toepassing van het eerste of tweede lid opgelegde
                                maatregel meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm, wordt de
                                maatregel geëffectueerd via een oplegging van 100% van de
                                bijstandsnorm gedurende een eerste maand en het alsdan resterende
                                bedrag van de maatregel gedurende de daarop volgende maand(en),
                                waarbij de maatregel zoveel mogelijk wordt vastgesteld op veelvouden
                                van 100% van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd als bedoeld in het
                                eerste lid van dit artikel wordt gelijkgesteld het besluit om van
                                het opleggen van een maatregel wegens het betonen van
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                                in het bestaan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                                artikel 6, tweede lid, van deze verordening, of in artikel 6, tweede
                                lid, van de Maatregelenverordening Wwb 2012. Als een besluit in
                                bezwaar of beroep wordt herzien is het laatste in bezwaar of beroep
                                genomen besluit bepalend voor de recidive.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Recidive en herhaalde recidive bij onvoldoende nakomen nadere
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 Wwb.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij met toepassing van artikel 11 van deze
                                verordening of artikel 15 van de Maatrege-lenverordening Wwb 2012
                                een maatregel is opgelegd opnieuw de nadere verplichtingen als
                                bedoeld in artikel 55 van de Wwb onvoldoende nakomt wordt een
                                maatregel opgelegd ten bedrage van het dubbele van het bedrag van de
                                maatregel dat op grond van artikel 11 van deze verordening moet
                                worden opgelegd voor het nieuwe onvoldoende nakomen van de nadere
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Wwb.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                het besluit waarbij de maatregel met toepassing van het eerste lid
                                van dit artikel in hoogte is verdubbeld opnieuw de nadere
                                verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Wwb onvoldoende
                                na-komt, wordt een maatregel opgelegd ten bedrage van het
                                drievoudige bedrag van de maat-regel, die op grond van artikel 11
                                van deze verordening moet worden opgelegd voor het nieuwe
                                onvoldoende nakomen van de nadere verplichtingen als bedoeld in
                                artikel 55 van de Wwb.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de met toepassing van het eerste of tweede lid opgelegde
                                maatregel meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm, wordt de
                                maatregel geëffectueerd via een oplegging van 100% van de
                                bijstandsnorm gedurende een eerste maand en het alsdan resterende
                                bedrag van de maatregel gedurende de daarop volgende maand(en),
                                waarbij de maatregel zoveel mogelijk wordt vastgesteld op veelvouden
                                van 100% van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd als bedoeld in het
                                eerste lid van dit artikel wordt gelijkgesteld het besluit om van
                                het opleggen van een maatregel wegens het onvoldoende nakomen van de
                                nadere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de Wwb af te
                                zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid, van deze verordening, of in artikel 6, tweede lid, van de
                                Maatregelenverordening Wwb 2012. Als een besluit in bezwaar of
                                beroep wordt herzien is het laatste in bezwaar of beroep genomen
                                besluit bepalend voor de recidive.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Handhavingsbeleid.</titel></kop><al>Gelet op het bepaalde in artikel 8a van de Wwb en artikel 35, onderdeel
                            c, van de Ioaw en Ioaz biedt het college periodiek aan de raad een
                            handhavingsplan aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van
                            handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wwb,
                            Ioaw en Ioaz, en de te verwachten resultaten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Verrekening van boete bij recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Verrekening zonder inachtneming van de beslagvrije voet</titel></kop><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag met de algemene
                            bijstand gedurende de eerste drie maanden na dagtekening van het besluit
                            tot oplegging van de recidiveboete zonder inachtneming van de
                            beslagvrije voet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Verrekening als is aangetoond dat het saldo van alle
                                bankrekeningen minder is dan drie maal de toepasselijke
                                bijstandsnorm.</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 20 van deze verordening kan het
                            college, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, besluiten de
                            recidiveboete te verrekenen met inachtneming van de beslagvrije voet.
                            Bij het schriftelijk verzoek dient de belanghebbende met bewijsstukken
                            aan te tonen dat het saldo van alle bankrekeningen van belanghebbende op
                            de eerste dag van de maand waarin het boetebesluit is bekendgemaakt,
                            minder bedraagt dan drie maal de toepasselijke bijstandsnorm. Indien dit
                            verzoek wordt toegekend wordt de verrekening daarop aangepast gedurende
                            een periode van drie maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Verrekening bij huisuitzetting of dringende redenen</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 20 van deze verordening kan het
                            college, op schriftelijk verzoek van de belanghebbende, besluiten de
                            recidiveboete te verrekenen met inachtneming van de beslagvrije voet.
                            Bij het schriftelijk verzoek dient de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk te maken dat verrekening op de wijze, bedoeld in
                                    artikel 20, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en
                                    diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>aannemelijk te maken dat anderszins sprake is van dringende
                                    redenen.</al></li></lijst><al>Indien dit verzoek wordt toegekend wordt de verrekening daarop aangepast
                            gedurende een periode van drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes.</titel></kop><al>De artikelen 20, 21 en 22 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Wwb, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op
                            het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Nadere regels.</titel></kop><al>Het college is bevoegd om nadere regels te stellen met betrekking tot de
                            uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Uitvoering.</titel></kop><al>Het college is belast met de uitvoering van deze verordening. In
                            gevallen waarin deze veror-dening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na publicatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Maatregelenverordening Wwb 2012 en de Maatregelenverordening IOAW
                                en IOAZ 2010 worden ingetrokken met ingang van de dag na publicatie
                                van deze verordening maar blijven van toepassing op gedragingen,
                                zijnde schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel
                                17, eerste lid, van de Wwb of artikel 13, eerste lid, van de Ioaw en
                                Ioaz, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, die hebben plaatsgevonden
                                vóór 1 januari 2013, en na 1 januari 2013 voortduren, en niet vóór
                                31 januari 2013 zijn opgehouden of geconstateerd, waarbij de
                                maatregel wordt berekend over het benadelingsbedrag over de periode
                                tot uiterlijk 1 januari 2013.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Maatregelen- en
                            handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente
                            Etten-Leur.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>Van</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. W.C.M. Voeten MBA Mw. H. van Rijnbach-de Groot.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting Maatregelen- en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen2013 gemeente Etten-Leur</label></kop><al>In het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) , de Wet inkomensvoorziening
                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet
                    inkomensvoor-ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (Ioaz) moeten gemeenten zelf hun maatregelenbeleid vormgeven.</al><al>Het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                    verplichtingen voor uitkeringsgerechtigden is maatwerk, waarbij recht wordt
                    gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    uitkeringsgerechtigden. Een directe koppeling wordt gelegd tussen de rechten en
                    verplichtingen: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht
                    zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit
                    betekent, dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden
                    nagekomen. Wanneer tot het oordeel is gekomen, dat een uitkeringsgerechtigde
                    zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering
                    verlaagd. Deze verlaging wordt aangeduid met de term “maatregel”. Er is dus geen
                    sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere
                    vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van het opleggen van een
                    maatregel.</al><al>Het opleggen van een maatregel moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                    gemeenteraad vast te stellen verordening. De maatregelenverordening biedt de
                    basis voor het opleggen van een maatregel. Daarbij is het aspect van
                    rechtszekerheid voor de burger van groot belang. De verordening geeft aan in
                    welke gevallen er een maatregel opgelegd kan worden. Dat houdt tevens in, dat
                    het niet toegestaan is om een zwaardere maatregel op te leggen dan volgens de
                    verordening is toegestaan.</al><al/><al>Op grond van de verordening kan ook de bijzondere bijstand worden verlaagd.
                    Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, zal een verlaging van het
                    uitkeringsbedrag vooral een rol spelen bij de beoordeling van de plicht om
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het
                    bestaan.</al><al/><al><cursief>De relatie met de reïntegratieverordening</cursief></al><al>In de reïntegratieverordening wordt vastgelegd hoe de cliënten worden
                    ondersteund bij de arbeidsparticipatie en hoe wordt omgegaan met het aanbieden
                    van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen
                    zijn: scholing en stages, loonkosten-subsidie en gesubsidieerde arbeid, sociale
                    activering, premies en kinderopvang. </al><al>In beginsel worden aan iedere cliënt de arbeidsverplichtingen opgelegd. De
                    algemene verplichting staat in de wet genoemd. In de reïntegratieverordening
                    wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die kunnen worden ingezet. De
                    vertaling daarvan vindt plaats in de individuele beschikking. Indien een cliënt
                    de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een maatregel, waarvoor
                    de basis is gelegd in de maatregelenverordening.</al><al/><al><cursief>Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving</cursief></al><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking getreden. Hierbij is in de Wwb, Ioaw en Ioaz de
                    bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht (opnieuw)
                    ingevoerd. </al><al>De huidige bepalingen in de maatregelenverordeningen met betrekking tot
                    schending van de inlichtingenplicht komen hiermee te vervallen.</al><al/><al>Bij uitkeringsfraude moet bij de eerste overtreding naast de verplichte
                    terugvordering van de uitkering een boete worden opgelegd die in beginsel even
                    hoog is als het ten onrechte genoten voordeel (het benadelingsbedrag). Bij
                    recidive is het uitvoeringsorgaan verplicht om naast de verplichte
                    terugvordering een boete op te leggen van 150 procent van het benadelingsbedrag.
                    Als de recidiveboete is opgelegd op grond van de Ioaw of Ioaz, is het
                    uitvoeringsorgaan verplicht deze tweede (recidive)boete volledig te verrekenen
                    met de (toekomstige) Ioaw- of Ioaz-uitkering, totdat de recidiveboete volledig
                    is afbetaald, waarbij de beslagvrije voet gedurende vijf jaar niet van
                    toepassing is. Als de recidiveboete wordt verrekend met algemene bijstand op
                    grond van de Wwb, ligt dit anders. In dat geval kan de beslagvrije voet
                    gedurende ten hoogste drie maanden buiten werking worden gesteld. De Wwb
                    verplicht de gemeenteraad om in een verordening nadere regels te stellen over de
                    bevoegdheid om bij de verrekening van een recidiveboete met de algemene bijstand
                    de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen. Gemeenten krijgen
                    daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin
                    het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt
                    geacht.</al><al/><al><cursief>Handhaving</cursief></al><al>Met hoofdstuk 6 wordt invulling gegeven aan de in artikel 8a van de Wet werk en
                    bijstand en artikel 35, eerste lid, onderdeel c, van de Ioaw en Ioaz gegeven
                    opdracht om regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van beide wetten. Het behoort tot de gemeentelijke
                    beleidsvrijheid om daarin eigen beleidskeuzes te maken. </al><al/><al/><al><vet><onderstreept>Artikelsgewijze toelichting Maatregelen-
                        </onderstreept></vet></al><al><vet><onderstreept>en handhavingsverordening Inkomensvoorzieningen 2013 gemeente
                            Etten-Leur.</onderstreept></vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begrippen</vet></al><al/><al/><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Wwb, de Ioaw, de
                    Ioaz, de Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze
                    verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities
                    in de betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al>In het tweede lid, onder f., is het begrip benadelingsbedrag omschreven voor de
                    toepassing van artikel 10 van deze verordening (tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan). Het benadelingsbedrag
                    is hier omschreven als “de netto bijstand waarop eerder, langer of tot een hoger
                    bedrag een beroep wordt of is gedaan als gevolg van tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan”. In aansluiting op de
                    Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is hier gekozen voor
                    een netto bedrag. Ook in de voornoemde wet is namelijk het begrip
                    “benadelingsbedrag” omschreven, zij het in een ander kader, te weten de
                    verplichte oplegging van de boete, en in de Memorie van toelichting bij die wet
                    is vermeld dat het begrip benadelingsbedrag een netto bedrag is. Daarbij wordt
                    hier aangesloten.</al><al/><al>Voor de toepasbaarheid van de verordening op de Ioaw en Ioaz zijn de begrippen
                    grondslag en utkering opgenomen. Waar in deze toelichting gesproken wordt over
                    bijstandsnorm wordt tevens de grondslag zoals in de begripsomschrijving
                    bedoeld.</al><al>Als in deze verordening en toelichting wordt gesproken over bijstand wordt
                    tevens de uitkering Ioaw en Ioaz bedoeld.</al><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</vet></al><al/><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>In het eerste lid wordt gesproken over de uit de Wwb, Ioaw en Ioaz
                    voortvloeiende verplichtingen. Hier worden de volgende verplichtingen
                    bedoeld:</al><al/><al>1. Het betonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                    in het bestaan (artikel 18, tweede lid, van de Wwb).</al><al>2. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 van de Wwb). Deze plicht bestaat
                    uit drie soorten verplichtingen:</al><al> - de arbeidsplicht, dat wil zeggen de plicht om naar vermogen algemeen
                    geaccep-teerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en </al><al> - de re-integratieplicht, dat wil zeggen de plicht om gebruik te maken van een
                    door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                    arbeidsinschakeling, alsmede de plicht om mee te werken aan een onderzoek naar
                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Specifiek voor personen jonger dan 27
                    jaar bestaat de re-integratieplicht ook uit het mee opstellen, uitvoeren en
                    evalueren van een plan van aanpak; en</al><al> - de tegenprestatie naar vermogen: dat wil zeggen de plicht om naar vermogen
                    opge-dragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten,
                    naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringen op
                    de arbeidsmarkt.</al><al>3. De medewerkingsplicht. Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om
                    desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
                    voor de uitvoering van de wet. </al><al>4. Het zich niet ernstig misdragen jegens het college.</al><al/><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>In dit lid wordt de inlichtingenplicht uitgezonderd van deze verordening. De
                    reden hiervoor is dat hiervoor een in de afzonderlijke wetten vastgelegd
                    boetesysteem van toepassing is.</al><al/><al><cursief>Derde lid.</cursief></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    vaste bedragen. In het derde lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient
                    een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                    belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee
                    dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van
                    de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaard-maatregel geboden is.
                    Afwijking van de standaardmaatregel op grond van hetzij de verwijtbaarheid
                    hetzij de persoonlijke omstandigheden kan zowel een verzwaring als een matiging
                    betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het bedrag waarmee de
                    bijstandsnorm of de grondslag wordt verlaagd. Vervolgens moet de verwijtbaarheid
                    worden vastgesteld. Tenslotte moeten de persoonlijke omstandigheden van de
                    belanghebbende(n) worden beoordeeld. Matiging van de opgelegde maatregel wegens
                    persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als sprake is van
                    de zorg voor kinderen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 3. Ingangsdatum en tijdvak van de maatregel</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>In het eerste lid is de gemakkelijkste methode van het opleggen van een
                    maatregel geregeld, namelijk het verlagen van het uitkeringsbedrag naar de
                    toekomst. In dat geval hoeft de gemeente niet over te gaan tot herziening van
                    bijstand en het teveel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Omwille
                    van de effectiviteit (het zogeheten “lik op stuk”-beleid) is het nodig dat een
                    maatregel wordt opgelegd zo spoedig mogelijk nadat de gedraging heeft
                    plaatsgevonden. Daarom is in dit eerste lid vastgelegd dat een maatregel wordt
                    opgelegd met ingang van de dag volgend op de datum waarop het besluit tot
                    opleggen van de maatregel is bekendgemaakt, waarbij wordt uitgegaan van de voor
                    die maand geldende bijstandsnorm of grondslag.</al><al/><al>In het eerste lid is wat betreft het tijdvak van de maatregel het volgende
                    vastgelegd. In de eerste plaats dat de maatregel wordt toegepast gedurende één
                    maand, als de opgelegde maatregel lager is dan of gelijk is aan 100% van de
                    bijstandsnorm. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat belanghebbenden
                    met een relatief laag bedrag aan algemene bijstand onevenredig zwaar worden
                    gestraft. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Stel dat de bijstandsnorm €
                    1000 per maand is, en belanghebbende € 100 per maand algemene bijstand ontvangt
                    in aanvulling op € 900 per maand eigen inkomsten, en belanghebbende vervolgens
                    verwijtbaar wordt ontslagen. Dat betekent in dit voorbeeld een maatregel van
                    100% van de bijstandsnorm, zijnde een maatregel van € 1.000. Met de hiervoor
                    bedoelde bepaling dat de maatregel wordt toegepast over één maand als de
                    maatregel lager is of gelijk aan de bijstandsnorm, wordt in het voorbeeld
                    voorkomen dat gedurende 10 maanden een maatregel van € 100 wordt opgelegd (omdat
                    slechts € 100 per maand aan algemene bijstand wordt verstrekt), en wordt in het
                    voorbeeld volstaan met een maatregel van totaal € 100, zijnde één maand
                    uitkering. Dit geldt analoog bij de toepassing van de Ioaw en Ioaz.</al><al/><al>In de tweede plaats is in het eerste lid wat betreft het tijdvak van de
                    maatregel vastgelegd dat de maatregel gedurende meerdere maanden wordt
                    toegepast, als de maatregel hoger is dan 100% van de bijstandsnorm of grondslag.
                    Deze bepaling is opgenomen om niet op voorhand de mogelijkheid uit te sluiten
                    dat bij een eerste maatregeloplegging een maatregel wordt opgelegd die hoger is
                    dan 100% van de bijstandsnorm. Ook dit moge een voorbeeld verduidelijken. Stel
                    dat de norm € 1000 per maand is, en belanghebbende wordt ontslagen, waarbij
                    sprake is van zware verwijtbaarheid. De maatregel kan dan wegens de zware
                    verwijtbaarheid worden verhoogd met toepassing van artikel 2, derde lid, van
                    deze verordening, tot bijvoorbeeld € 1.500,00. Met de bepaling dat de maatregel
                    wordt toegepast over meerdere maanden als de maatregel hoger is dan 100% van de
                    bijstandsnorm wordt voorkomen dat in het voorbeeld de maatregel niet kan worden
                    verhoogd wegens zware verwijtbaarheid. Zou de hiervoor bedoelde bepaling niet
                    zijn opgenomen, dan zou namelijk de maatregel beperkt moeten blijven tot één
                    maand (en dus ook tot € 1000). Met de hiervoor bedoelde bepaling wordt dan €
                    1000 maatregel uitgevoerd in de eerste maand en de resterende € 500 in de daarop
                    volgende maand.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid is geregeld dat verlaging van de uitkering ook met
                    terugwerkende kracht kan plaatsvinden als de bijstandsnorm over een periode in
                    het verleden nog niet is uitbetaald, dan wel het opleggen van een maatregel in
                    de toekomst niet of niet geheel mogelijk is wegens beëindiging van de bijstand
                    of uitkering. </al><al>Een voorbeeld waarin de bijstandsnorm over een periode in het verleden nog niet
                    is uit-betaald is de volgende situatie. Op 1 februari 2012 heeft de
                    belanghebbende een aanvraag om algemene bijstand ingediend. Op 5 maart 2012
                    wordt besloten de gevraagde algemene bijstand toe te kennen met ingang van 1
                    februari 2012, en wordt tevens besloten een maat-regel op te leggen ingaande 1
                    februari 2012 omdat belanghebbende verwijtbaar is ontslagen.</al><al>Als het tweede lid niet zou bestaan zou de maatregel - met toepassing van het
                    eerste lid - pas kunnen ingaan op 5 maart 2012 (aannemende dat de
                    toekenningbeschikking wordt verzonden op de dag van het besluit, te weten 5
                    maart 2012). Met toepassing van het tweede lid kan de maatregel in de voornoemde
                    situatie ingaan op 1 februari 2012.</al><al/><al>Een voorbeeld waarin opleggen van een maatregel niet mogelijk is wegens
                    beëindiging van de bijstand is de volgende situatie. Met ingang van 5-3-2012 is
                    de bijstandsuitkering van belanghebbende beëindigd wegens werkaanvaarding. Nadat
                    is besloten de bijstandsuit-kering te beëindigen, blijkt dat belanghebbende op
                    1-2-2012 passende arbeid heeft geweigerd. Met toepassing van het tweede lid kan
                    (na 5 maart 2012) worden besloten een maatregel op te leggen over de maand
                    februari 2012, die reeds aan belanghebbende is uitbetaald. Daarvoor is wel
                    noodzakelijk dat het besluit tot toekenning van bijstand wordt her-zien met
                    toepassing van artikel 54, derde lid, van de Wwb, en de bijstand wordt
                    teruggevor-derd. Dit geldt analoog bij de toepassing van de Ioaw en de
                    Ioaz.</al><al/><al><cursief>Derde lid </cursief></al><al>Terwijl het eerste en tweede lid zien op een situatie dat nog geen maatregel is
                    opgelegd, maar daartoe nog moet worden besloten, ziet het derde lid op de
                    situatie dat met toepassing van het eerste lid reeds een maatregel is opgelegd
                    naar de toekomst, maar effectuering daarvan niet mogelijk is omdat de bijstand
                    is beëindigd nadat de maatregel is opgelegd. Met dit derde lid wordt voorkomen
                    dat een belanghebbende een maatregel ontloopt door bijvoorbeeld korte tijd te
                    gaan werken. Deze bepaling staat overigens ook in de huidige verordening en is
                    dus geen nieuwe bepaling.</al><al>Het college heeft de bevoegdheid om bij een eventuele nieuwe aanvraag om
                    bijstand of uitkering alsnog rekening te houden met een eerder opgelegde
                    maatregel (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 25). Een dergelijke maatregel kan
                    vanwege de samenhang met het recht op bijstand niet bij voorbaat worden
                    opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het recht op bijstand
                    een besluit nemen of en zo ja in hoeverre er aanleiding bestaat om de reeds
                    eerder opgelegde maatregel alsnog te effectueren. Pas dan is er sprake van een
                    maatregelbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de maatregel open
                    (zie Centrale Raad van Beroep – hierna te noemen: “CRvB”- 08-09-2009, nrs.
                    07/6337 WWB e.a. en CRvB 07-12-2010, nr. 09/1094 WWB). </al><al>Ook de jurisprudentie staat toe dat het college bij het opnieuw toekennen van
                    (algemene) bijstand beoordeelt of en zo ja in hoeverre er aanleiding is een
                    eerder opgelegde maatregel te effectueren. Daar moet dan wel een besluit over
                    worden genomen, hetgeen uitdrukkelijk in deze bepaling in de verordening is
                    opgenomen (CrvB 08-09-2009, 07/6337 WWB, BJ7732, CRvB 07-12-2010, 09 / 1094 WWB,
                    BO6721).</al><al/><al><vet>Artikel 4. Verlaging algemene en bijzondere bijstand</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel plaatsvindt door
                    verlaging van de algemene bijstand of de grondslag. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In artikel 4, tweede lid, onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een
                    verlaging ook kan plaatsvinden door verlaging van de bijzondere bijstand indien
                    aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van
                    artikel 12 Wwb. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage
                    jongerennorm, die op grond van artikel 12 van de Wwb indien noodzakelijk wordt
                    aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de algemene bijstand, te weten
                    de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                    opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het tweede lid, onderdeel a, geregeld
                    dat de verlaging ook kan plaatsvinden door verlaging van de bijzondere bijstand
                    op grond van artikel 12.</al><al>Artikel 4, tweede lid, onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat
                    het college in incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere
                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                    belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Het besluit tot opleggen van een maatregel</vet></al><al/><al/><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In artikel 5 van deze verordening is aangegeven wat in het
                    besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Awb en dan met name uit het motiveringsvereiste. Het
                    motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een
                    deugdelijke motivering is voorzien.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18, tweede lid, van de
                    Wwb. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente
                    afwezigheid van verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN
                    AD4887). Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt aan het betreffende gedrag.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat na de
                    constatering van de gedraging niet voortvarend is besloten door het college. Met
                    “niet voortvarend” wordt in dit artikellid bedoeld dat meer dan een jaar is
                    verstreken na de constatering van de gedraging, en het college nog geen besluit
                    heeft genomen over het al dan niet opleggen van een maatregel.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In artikel 6, tweede lid, van deze verordening is geregeld dat kan worden afzien
                    van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig
                    zijn. De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                    maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor de
                    belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord
                    "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand
                    moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat
                    dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet
                    op voorhand worden vastgelegd. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>In het derde lid van deze verordening is vermeld dat de belanghebbende
                    schriftelijk op de hoogte wordt gesteld, als het college wegens dringende reden
                    afziet van het opleggen van een maatregel. Dit is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><al/><al><vet>Artikel 7. Samenloop van gedragingen</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip samenloop is afkomstig uit het strafrecht. In het strafrecht is
                    samenloop aanleiding tot strafverzwaring. Van samenloop is sprake indien een
                    belanghebbende (min of meer) gelijktijdig meerdere (verschillende)
                    maatregelwaardige gedragingen doet, die ieder voor zich het niet nakomen van een
                    verplichting met zich meebrengen. Het verschil tussen samenloop en recidive, ook
                    een begrip dat afkomstig is uit het strafrecht, is dat pas sprake is van
                    recidive als <cursief>na <onderstreept>een eerder genomen
                            maatregelbesluit</onderstreept></cursief> een gedraging plaatsvindt die
                    aanleiding is tot een maatregel van dezelfde of een hogere categorie. </al><al>Een ander verschil tussen recidive en samenloop is dat bij recidive sprake moet
                    zijn van schending van dezelfde wettelijke verplichting. </al><al/><al>Gemeenten kunnen ervoor kiezen géén regeling voor de samenloop van gedragingen
                    in de maatregelenverordening op te nemen. In dat geval zal het college in het
                    individuele geval een verlaging moeten vaststellen, met in achtneming van
                    artikel 2, derde lid, van de verordening. Omwille van de duidelijkheid is in dit
                    artikel een regeling opgenomen voor de samenloop.</al><al/><al>Die regeling houdt in dat, indien sprake is van samenloop, een maatregel wordt
                    opgelegd waarbij wordt uitgegaan van cumulatie van de afzonderlijke maatregelen.
                    Een voorbeeld is de volgende situatie. De belanghebbende neemt deel aan een
                    gesprek met zijn klantmanager, en dat gesprek heeft tot doel de mogelijkheden te
                    bezien voor de arbeidsinschakeling van die belanghebbende. De belanghebbende
                    wordt ontzettend boos, bedreigt en slaat de klantmanager en loopt weg. Dan is
                    sprake van het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de
                    mogelijkheden voor arbeidsinschakeling, zijnde een gedraging van categorie 2,
                    die leidt tot een maatregel van € 200,00. Tegelijkertijd is sprake van het zich
                    ernstig misdragen, wat leidt tot een maatregel van de gehele van toepassing
                    zijnde bijstandsnorm gedurende één maand. Volgens dit artikel worden beide
                    maatregelen in dit geval bij elkaar opgeteld.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In aansluiting bij het “lik op stuk”-beleid, dat inhoudt dat een belanghebbende
                    zo snel mogelijk het effect van een opgelegde maatregel moet ondervinden, is in
                    het tweede en derde lid van dit artikel vastgelegd dat de maatregel zo snel
                    mogelijk wordt geëffectueerd. </al><al/><al>In het tweede lid is geregeld dat indien de in het eerste lid bedoelde cumulatie
                    een maatregel oplevert die lager is dan of gelijk is aan 100% van de
                    bijstandsnorm, de maatregel wordt toegepast gedurende één maand, te rekenen
                    vanaf de dag volgend op de datum waarop het besluit tot opleggen van de
                    maatregel is bekendgemaakt.</al><al/><al>In het derde lid is geregeld dat indien de in het eerste lid bedoelde cumulatie
                    een maatregel oplevert die hoger is dan 100% van de bijstandsnorm, de maatregel
                    wordt toegepast gedurende meerdere maanden, te rekenen vanaf de dag volgend op
                    de datum waarop het besluit tot opleggen van de maatregel is bekendgemaakt,
                    waarbij de maatregel over de eerste maand wordt vastgesteld op 100% van de van
                    toepassing zijnde bijstandsnorm en het restant van de maatregel in de daarop
                    volgende maand of maanden zoveel mogelijk wordt vastgesteld op veelvouden van
                    100% van de bijstandsnorm.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 8. Gedragingen m.b.t. de Wwb</vet></al><al/><al/><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in drie
                    categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het
                    onderscheidend criterium. </al><al>Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen
                    heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid.</al><al/><al><cursief>Eerste categorie, onderdeel a</cursief></al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij UWV WERKbedrijf en ingeschreven te doen
                    blijven.</al><al/><al/><al/><al><cursief>Eerste categorie, onderdeel b</cursief></al><al>In de Memorie van Toelichting (TK 2010-2011, 32 815, nr. 3. p. 59) is het
                    volgende vermeld:</al><al><cursief>“In het vierde lid van artikel 41 is geregeld dat alleenstaanden en
                        alleenstaande ouders jonger dan 27 jaar en gezinnen waarvan alle gezinsleden
                        jonger dan 27 jaar zijn pas vier weken na de melding een aanvraag voor
                        algemene bijstand kunnen indienen. Gedurende die weken dienen zij zelf naar
                        werk te zoeken en hun mogelijkheden in het uit ’s Rijks kas bekostigd
                        onderwijs te onderzoeken. Na die vier weken wordt de aanvraag door het
                        college in behandeling genomen. Als de aanvraag voor algemene bijstand
                        binnen de periode van vier weken is ingediend, dan zal het college na die
                        vier weken constateren dat ze over te weinig gegevens beschikt om het recht
                        op bijstand vast te stellen. Immers, op grond van artikel 43, vierde lid,
                        dient het college bij de vaststelling van het recht op bijstand rekening te
                        houden met de gedragingen en houding van de jongere gedurende de vier weken
                        na de melding. Aangezien de aanvraag eerder dan de vier weken na melding is
                        ingediend, heeft het college te weinig gegevens om de gedragingen en houding
                        van de jongere gedurende die vier weken te beoordelen. De jongere zal dan de
                        gelegenheid worden geboden om zijn gegevens aan te vullen. Indien de jongere
                        van deze mogelijkheid gebruik maakt en het college hem een recht op bijstand
                        toekent, kan het college op grond van artikel 18 van de WWB besluiten om een
                        maatregel op te leggen vanwege het niet voldoen aan de plicht om pas vier
                        weken na de melding een aanvraag in te dienen.”</cursief></al><al/><al>Gelet op de voornoemde passage in de Memorie van Toelichting is in onderdeel b
                    van de eerste categorie vermeld dat het indienen van een aanvraag om algemene
                    bijstand door een jongere onder de 27 jaar binnen de zoektermijn van vier weken
                    een maatregelwaardige gedraging is. In dat geval is het mogelijk om op grond van
                    artikel 41, vierde lid, van de WWB in samenhang met artikel 43, vierde lid, van
                    de WWB een maatregel op te leggen.</al><al/><al><cursief>Tweede categorie, algemeen</cursief></al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt. Onder de letter a tot en met e zijn verplichtingen gerangschikt
                    die voor alle belanghebbenden gelden, onder de letter f de verplichting die
                    uitsluitend geldt voor een alleenstaande ouder, en onder de letter g tot en met
                    i de verplichtingen voor een persoon jonger dan 27 jaar.</al><al/><al><cursief>Tweede categorie, onderdeel c</cursief></al><al>De gedragingen onder onderdeel c, te weten gedragingen die de inschakeling in de
                    arbeid belemmeren, zijn niet uitdrukkelijk in de wet vermeld maar zijn wel
                    belangrijk geacht in het kader van de jurisprudentie. De CRvB (uitspraak d.d.
                    20-05-2008, nr. 07/2137 WWB, LJN BD2362) heeft namelijk geoordeeld dat de
                    gemeente in dat geval terecht had geoordeeld dat sprake was van gedragingen die
                    de inschakeling in de arbeid belemmeren. Het ging in dat geval om een
                    belanghebbende die had geweigerd om te solliciteren naar lager betaalde functies
                    binnen de discipline waarin hij in het verleden werkzaam is geweest, en die geen
                    gehoor had gegeven aan verzoeken om de toonzetting en inhoud van zijn
                    sollicitatiebrieven te veranderen teneinde zijn kansen op werk te vergroten. Het
                    ging hier met name om negatieve gedragingen bij sollicitaties. Wellicht zou
                    kunnen worden gesteld dat dit al valt onder onderdeel a (het niet naar vermogen
                    trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen), maar omdat de CRvB
                    nadrukkelijk oordeelt dat de gemeente terecht heeft geoordeeld dat hier sprake
                    is van gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren, is deze
                    categorie gedragingen opgenomen onder de tweede categorie. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 9. Hoogte en duur maatregel</vet></al><al/><al/><al>Het eerste lid behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al>Het tweede lid wijkt in zoverre af van de huidige Maatregelen- en
                    handhavingsverordening, dat een waarschuwing alleen nog mogelijk is bij
                    gedragingen van de eerste categorie. De gedragingen van de tweede en derde
                    categorie zijn aanzienlijk ernstiger van aard en daarbij past niet dat bij die
                    gedragingen een waarschuwing kan worden opgelegd. Een voorbeeld ter illustratie
                    is een (verwijtbare) ontslagname: hierbij past niet dat hiervoor ook een
                    waarschuwing kan worden opgelegd.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 10. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </vet></al><al><vet>voor de voorziening in het bestaan</vet></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te (be)tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het opleggen van een maatregel. Van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan bijvoorbeeld sprake
                    zijn bij een onverantwoorde besteding van vermogen of indien in het geheel geen
                    dan wel te laat een aanvraag wordt gedaan voor een voorliggende
                    voorziening.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en
                    het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het
                    vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere
                    tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. Vanwege een eenvoudige uitvoering in
                    de praktijk vindt de berekening van de op te leggen maatregel niet plaats op
                    grond van het feitelijke benadelingsbedrag, maar op basis van een vast bedrag
                    per categorie en wel als volgt:</al><al>a. bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: een maatregel van € 100,00;</al><al>b. bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00: een maatregel van €
                    200,00;</al><al>c. bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00: een maatregel van €
                    400,00;</al><al>d. bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 of meer: een maatregel van de gehele
                    van toepassing zijnde bijstandsnorm.</al><al/><al><cursief>Vierde lid </cursief></al><al>Met de inwerkintreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving wordt niet alleen het sanctieregime in de Wwb, Ioaw en Ioaz
                    aangescherpt, maar ook het sanctieregime in diverse andere sociale
                    zekerheidswetten. In de diverse andere sociale zekerheidswetten wordt een
                    vergelijkbaar regime ingevoerd (boete ter hoogte van de ten onrechte ontvangen
                    uitkering en bij recidive boete ter hoogte van 150% van de ten onrechte
                    ontvangen uitkering). Een belangrijk verschil met de Wwb is dat in de overige
                    sociale zekerheidswetten, waaronder ook de Ioaw en Ioaz, het boetebedrag bij
                    recidive in beginsel voor een termijn van vijf jaar moet worden verrekend zonder
                    inachtneming van de beslagvrije voet. Dit kan ertoe leiden dat een bepaalde
                    uitkering van een voorliggende voorziening ten opzichte van de Wwb feitelijk
                    niet tot uitbetaling komt, doordat de recidive-boete wordt verrekend met de
                    volledige uitkering. In dat geval kan de belanghebbende, die feitelijk geen
                    middelen heeft, een beroep doen op algemene bijstand. Het verlies van de
                    voorliggende voorziening is in dat geval tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waardoor er sprake is
                    van maatregelwaardig gedrag. De huidige Maatregelen- en handhavingsverordening
                    mist een bepaling die in deze situatie voorziet. Met het hier voorgestelde
                    artikellid wordt in die lacune voorzien. </al><al>Het voorgestelde artikel komt er in feite op neer dat de belanghebbende in een
                    identieke situatie terechtkomt als de recidiverende bijstandsgerechtigde. Dat
                    houdt in dat gedurende drie maanden ook geen algemene bijstand wordt uitbetaald.
                    Nadrukkelijk is voor de ingangsdatum van de maatregel niet gekozen voor de
                    effectuering van de verrekening, maar de ingangsdatum van de algemene bijstand.
                    Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Als een WW-uitkering feitelijk niet tot
                    uitbetaling komt wegens verrekening van een recidiveboete, en de verrekening is
                    gestart op 1 maart 2013, maar de belanghebbende pas op 1 juni 2013 een aanvraag
                    indient om algemene bijstand, zou de maatregel niet kunnen worden geëffectueerd
                    als die zou ingaan op het moment van de verrekening, dat is in het voorbeeld 1
                    maart 2013, want toen had de belanghebbende helemaal geen recht op bijstand.
                    Daarom is bewust gekozen om de maatregel te doen ingaan op de ingangsdatum van
                    de algemene bijstand, die wel wordt toegekend maar feitelijk gezien drie maanden
                    niet tot uitbetaling komt.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 11. Nadere verplichtingen</vet></al><al/><al>In artikel 55 van de Wwb wordt de mogelijkheid geboden om naast de in Hoofdstuk
                    2 van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde andere
                    verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering
                    dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich op advies van een
                    arts onder medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het
                    artikel. Een ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te
                    schrijven indien er bijzondere bijstand wordt verstrekt voor een te hoge huur.
                    In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om een maatregel op te leggen als
                    niet aan een dergelijke nadere verplichting wordt voldaan. </al><al/><al><vet>Artikelen 12 en 13. Gedragingen o.g.v. de Ioaw en Ioaz</vet></al><al/><al/><al>Verwezen wordt naar de toelichting op respectievelijk artikel 8 en artikel 9 van
                    deze veror-dening.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen o.g.v.</vet></al><al><vet>de Wwb, Ioaw en Ioaz</vet></al><al/><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. Ook de CRvB heeft bepaald dat sprake is van ernstig
                    misdragen als sprake is van agressief, aan de belanghebbende toe te rekenen
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd (CRvB 29 juli 2008, LJN BD7970). </al><al>Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op bijstand. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                    bepalingen van de Wwb, Ioaw of Ioaz.</al><al/><al>In artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt gesproken over ‘het zich jegens het
                    college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    toepassen van een verlaging. Er kan dus geen verlaging worden toegepast als een
                    klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de wet (bijvoorbeeld een
                    reïntegratiebedrijf). Het is dat geval wellicht wel mogelijk om een verlaging op
                    te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling (artikel 8, tweede of derde lid, van deze
                    verordening).</al><al>Zeer ernstige misdragingen als bedoeld in dit artikel zijn volstrekt
                    onacceptabel en aan dergelijke gedragingen dient een zwaar gewicht toegekend te
                    worden. Op grond hiervan is een maatregel van 100% van de bijstandsnorm of
                    grondslag gerechtvaardigd. Mocht sprake zijn van verminderde verwijtbaarheid,
                    dan kan de maatregel altijd nog worden gematigd. Bij het vaststellen van de
                    verlaging in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft
                    misdragen, zal namelijk altijd gekeken moeten worden naar de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
                    belanghebbende.</al><al/><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij
                    de politie. Het college legt een verlaging op, terwijl de functionaris tegen wie
                    de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 15. Recidive en herhaalde recidive bij</vet></al><al><vet>niet nakomen van arbeidsverplichtingen </vet></al><al/><al/><al><cursief>Eerste lid: recidive door gedraging in dezelfde of hogere categorie
                    </cursief></al><al>Als binnen één jaar nadat eerder een maatregel is opgelegd sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, wordt
                    de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                    van de hoogte van de maatregel die moet worden opgelegd voor de nieuwe
                    gedraging. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden,
                    geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de eerdere maatregel is opgelegd,
                    bekend is gemaakt. Van recidive is ook sprake als de eerste maatregel is
                    opgelegd vanwege een verwijtbare gedraging van partner 1 en de tweede
                    verwijtbare gedraging partner 2 is aan te rekenen. Op grond van de
                    begripsomschrijving wordt onder belanghebbende immers ook het gezin
                    verstaan.</al><al/><al><cursief>Tweede lid: herhaalde recidive in dezelfde of hogere categorie
                    </cursief></al><al>Als de belanghebbende zich na het opleggen van de in hoogte verdubbelde
                    maatregel binnen twaalf maanden na bekendmaking daarvan opnieuw schuldig maakt
                    aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogerecategorie wordt de hoogte
                    van de maatregel die moet worden opgelegd voor de nieuwe gedraging,
                    verdrievoudigd.</al><al>Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Stel dat aan een belanghebbende met
                    toepassing van het eerste lid een maatregel is opgelegd omdat voor de tweede
                    maal is gebleken dat belanghebbende onvoldoende heeft gesolliciteerd. Wegens
                    deze recidive is de maatregel die is aangewezen voor de nieuwe gedraging, te
                    weten € 200, verdubbeld tot € 400. Als dan voor de derde maal blijkt dat
                    belanghebbende onvoldoende heeft gesolliciteerd, wordt volgens het tweede lid
                    van dit artikel de maatregel die is aangewezen voor de nieuwe gedraging, zijnde
                    € 200, verdrievoudigd, en wordt dus een maatregel opgelegd van € 600.</al><al/><al>Een ander voorbeeld. Als na de beschikking waarbij wegens recidive een maatregel
                    van € 400 is opgelegd blijkt dat belanghebbende verwijtbaar is ontslagen, moet
                    voor de nieuwe gedraging een maatregel worden opgelegd van 100% van de
                    bijstandsnorm. Als de bijstandsnorm bijvoorbeeld € 1000 is wordt de maatregel
                    volgens het tweede lid van dit artikel dan € 3000. Met toepassing van het derde
                    lid (zie hierna) wordt dan de maatregel in feite geëffectueerd over drie
                    maanden. In deze verordening is er voor gekozen om de aangewezen maatregel bij
                    herhaalde recidive te verdrievoudigen en niet te verviervoudigen. De reden
                    hiervoor is dat verviervoudigen in strijd zou kunnen komen met het
                    evenredigheidsbeginsel. Dat wil zeggen dat bij bezwaar of beroep zou kunnen
                    worden geoordeeld dat de maatregel dan niet (meer) evenredig zou zijn aan de
                    maatregelwaardige gedraging. Dan zou in het laatst gegeven voorbeeld namelijk
                    een maatregel moeten worden opgelegd van € 4000, te effectueren over 4 maanden. </al><al/><al><cursief>Derde lid: Periode van effectuering van een maatregel</cursief></al><al>In deze verordening is zoals gezegd gekozen voor vaste maatregelbedragen. Dat
                    betekent dat ook bij oplegging van een maatregel ten bedrage van 100% van de
                    bijstandsnorm in de beschikking waarbij de maatregel wordt opgelegd, het bedrag
                    moet worden vermeld dat aan maatregel wordt opgelegd, dat wil zeggen de van
                    toepassing zijnde bijstandsnorm. </al><al>Als sprake is van toepassing van het eerste lid, en dus sprake is van recidive,
                    en voor de nieuwe gedraging een maatregel moet worden opgelegd van 100% van de
                    van toepassing zijnde bijstandsnorm, wordt laatstgenoemde maatregel in hoogte
                    verdubbeld, dus tot 200% van de bijstandsnorm. Door de formulering van het derde
                    lid wordt bereikt dat de maatregel in de hiervoor bedoelde situatie, zijnde 200%
                    van de bijstandsnorm wordt geëffectueerd door 100% gedurende twee maanden toe te
                    passen. Dit geldt analoog bij herhaalde recidive.</al><al/><al>Een voorbeeld van toepassing van het eerste en derde lid van artikel 15 is de
                    volgende situatie. Aan een belanghebbende is bij besluit van 4 januari 2012 een
                    maatregel opgelegd van € 200 (tweede categorie) wegens onvoldoende solliciteren.
                    Op 4 februari 2012 blijkt wederom dat belanghebbende onvoldoende heeft
                    gesolliciteerd, wat wederom een gedraging is van de tweede categorie. In dit
                    voorbeeld wordt dan de maatregel die is aangewezen voor de nieuwe gedraging,
                    zijnde € 200, verdubbeld, en wordt dus een maatregel opgelegd van € 400. Als op
                    4 februari 2012 echter niet blijkt dat belanghebbende onvoldoende heeft
                    gesolliciteerd, maar op die datum blijkt dat belanghebbende verwijtbaar is
                    ontslagen, wordt de maatregel die is aangewezen voor de nieuwe gedraging, zijnde
                    de gehele van toepassing zijnde bijstandsnorm, verdubbeld (en wordt in feite dus
                    een maatregel opgelegd van 200% van de gehele van toepassing zijnde
                    bijstandsnorm). Zou de bijstandsnorm € 1000 zijn, dan wordt in de beschikking
                    vermeld dat een maatregel wordt opgelegd van € 2000, en wordt daar in de
                    beschikking aan toegevoegd dat die maatregel met toepassing van het derde lid
                    van dit artikel in feite wordt geëffectueerd over twee maanden.</al><al/><al><cursief>Vierde lid: waarschuwing telt mee voor herhaling</cursief></al><al>In het vierde lid is vastgelegd dat een waarschuwing wegens het niet nakomen van
                    de verplichting met betrekking tot arbeidsinschakeling wordt gelijkgesteld met
                    een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, en dus meetelt voor de recidive. </al><al/><al><cursief>Voortdurende herhaling</cursief></al><al>De voortdurende herhaling (dat wil zeggen herhaling op herhaling op herhaling)
                    is niet geregeld in deze verordening. Dat betekent echter niet dat in een
                    dergelijk geval geen maatregel kan worden opgelegd. Bij voortdurende herhaling
                    kan met toepassing van het bepaalde in artikel 2, derde lid, van deze
                    verordening een maatregel worden opgelegd die wordt afgestemd op de ernst van de
                    gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en
                    de omstandigheden waarin hij verkeert.</al><al/><al/><al><vet>Artikelen 16 tot en met 18</vet></al><al/><al/><al>Voor de toelichting op deze artikelen wordt hier verwezen naar de toelichting op
                    artikel 15 van deze verordening. Daar zijn namelijk concrete voorbeelden
                    beschreven die voor de toepassing van de artikelen 16 tot en met 18 relevant
                    kunnen zijn.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 19. Handhavingsbeleid</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 20. Verrekening zonder inachtneming </vet></al><al><vet>van de beslagvrije voet</vet></al><al/><al>In dit artikel is de hoofdregel neergelegd dat gedurende de eerste drie maanden
                    verrekening van de recidiveboete plaatsvindt zonder dat rekening wordt gehouden
                    met de met de beslagvrije voet. Dat betekent in feite dat de bijstandsuitkering
                    gedurende drie maanden niet wordt uitbetaald.</al><al/><al>In de Memorie van Toelichting bij de Wet aanscherping (kamerstuk 33207, nr. 3,
                    p. 8) is vermeld dat de regering het heel legitiem vindt om alleen voor deze
                    groep en alleen voor deze situatie de bescherming van de beslagvrije voet
                    tijdelijk buiten werking te stellen. Het betreft hier immers uitsluitend een
                    recidiveboete, wat erop duidt dat de belanghebbende bij herhaling onwillig is om
                    zich aan de inlichtingenplicht te houden die nodig is voor de vaststelling van
                    het uitkeringsrecht. De regering is van oordeel dat de belanghebbende in dat
                    geval door zijn gedrag het draagvlak ondermijnt voor de sociale
                    minimumbescherming die is beoogd met de uitkering en de beslagvrije voet.
                    Hiermee wordt in feite bedoeld dat een belanghebbende die zich bij herhaling
                    niet houdt aan de inlichtingenplicht, tijdelijk niet de bescherming van de
                    beslagvrije voet verdient.</al><al/><al>Bovendien is het buiten werking stellen van de beslagvrije voet al mogelijk in
                    alle sociale verzekeringswetten als cliënten niet de inlichtingen willen
                    verstrekken die van belang zijn voor terugvordering van ten onrechte betaalde
                    uitkeringen en de betaling van de bestuurlijke boete. Omdat het uitkeringsorgaan
                    in dat geval niet kan beoordelen tot welk bedrag de terugvordering en de boete
                    verrekend kunnen worden met de uitkering, kunnen zij de beslagvrije voet buiten
                    beschouwing laten.</al><al/><al>Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het zonder
                    uitzondering volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende
                    drie maanden kan negatieve maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet
                    voorkomen worden, nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten. Daarom
                    zijn uitzonderingen op de in dit artikel neergelegde hoofdregel geregeld in de
                    artikelen 21 en 22. </al><al/><al><vet>Artikel 21. Verrekening als is aangetoond dat </vet></al><al><vet>het saldo van alle bankrekeningen minder is </vet></al><al><vet>dan drie maal de toepasselijke bijstandsnorm</vet></al><al>In het belang van een eenvoudige bedrijfsvoering is er nadrukkelijk niet voor
                    gekozen dat het college in alle gevallen gaat beoordelen of er aanleiding is om
                    een uitzondering op de in artikel 20 neergelegde hoofdregel te maken, en is
                    ervoor gekozen om het initiatief om de beslagvrije voet toe te passen
                    nadrukkelijk bij de belanghebbende zelf te leggen.</al><al/><al>In de tweede plaats is nadrukkelijk niet gekozen voor de term “vermogen” of
                    “bezittingen”, maar voor het saldo op alle bankrekeningen. Ook deze keuze is
                    ingegeven door het streven naar een eenvoudige bedrijfsvoering. Keuze voor de
                    term “vermogen”of “bezittingen” kan tot discussies leiden wat wel of niet tot
                    het vermogen of de bezittingen behoort, en bovendien kan het voor het
                    vaststellen van het vermogen of de bezittingen noodzakelijk zijn dat een
                    huisbezoek plaatsvindt om te beoordelen of belanghebbende wellicht waardevolle
                    vermogensbestanddelen of bezittingen heeft. De keuze voor de term “vermogen” of
                    “bezittingen” zal er waarschijnlijk toe leiden dat de vaststelling van het
                    vermogen of de bezittingen enerzijds ingewikkelder is dan het thans gekozen
                    systeem en anderzijds meer tijd en inspanningen kost. Dat wordt niet gewenst
                    geacht. Het vaststellen van het saldo op de bankrekeningen is relatief eenvoudig
                    en weinig tijdrovend.</al><al>Met de hier neergelegde keuze wordt ook recht gedaan aan de praktijk, in die
                    zin, dat vele bijstandsgerechtigden geen vermogen hebben dat meer bedraagt dan
                    drie maal de toepasselijke bijstandsnorm en een simpel verzoek van de
                    bijstandsgerechtigde zal leiden tot toepassing van de beslagvrije voet in de
                    hier bedoelde situaties. Dan dient de belanghebbende uiteraard wel alle
                    bankrekeningen te overleggen, en moet daaruit blijken dat de belanghebbende geen
                    vermogen heeft dat meer bedraagt dan driemaal de toepasselijke bijstandsnorm. Is
                    het vermogen wél meer dan driemaal de toepasselijke bijstandsnorm, dan wordt de
                    belanghebbende geacht om het feitelijk niet betalen van de uitkering gedurende
                    drie maanden te kunnen opvangen, waarbij niet uit het oog mag worden verloren
                    dat, zoals al is vermeld bij de toelichting op artikel 20, het hier een
                    belanghebbende betreft die bij herhaling onwillig is om zich te houden aan de
                    wettelijke inlichtingenplicht. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan.</al><al/><al>Om discussies te voorkomen en ook uit een oogpunt van eenvoudige bewijsvoering
                    is er ook voor gekozen dat belanghebbende het hier bedoelde verzoek schriftelijk
                    moet doen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 22. Verrekening bij huisuitzetting</vet></al><al><vet>of dringende redenen</vet></al><al/><al>Er zijn naast de situatie als bedoeld in artikel 21 nog situaties denkbaar
                    waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet ook niet aanvaardbaar wordt
                    geacht, zoals bij dreigende huisuitzetting en dringende redenen. </al><al/><al>Een dreigende huisuitzetting kan worden gezien als een dringende reden om van
                    verrekening met de beslagvrije voet, al dan niet gedeeltelijk, af te zien. Dat
                    volgt uit het woord “anderszins” in onderdeel b. Voorkomen moet worden dat een
                    belanghebbende met zijn gezin door de volledige verrekening op straat komt te
                    staan, waarmee de problematiek alleen maar verergert met alle maatschappelijke
                    kosten van dien. </al><al/><al>Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen dan een dreigende
                    huisuitzetting, kan rekening worden gehouden met de bescherming van de
                    beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om
                    incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin de
                    belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te
                    verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de verrekening aan
                    middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende
                    voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 23. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</vet></al><al>Op grond van de artikelen 60b, derde lid, en 60, vierde lid, van de Wwb is de
                    volledige verrekening gedurende maximaal drie maanden zonder toepassing van de
                    beslagvrije voet niet alleen van toepassing op de recidiveboete maar ook op de
                    boete die was opgelegd bij de eerste gedraging als die nog niet volledig is
                    afbetaald. Daarom is in dit artikel geregeld dat de artikelen 20, 21 en 22 in
                    dat geval van overeenkomstige toepassing zijn.</al><al/><al/><al><vet>Artikelen 24 en 25 </vet></al><al/><al/><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Inwerkingtreding</vet></al><al/><al/><al>Het eerste lid van dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al>In het tweede lid is een regeling neergelegd die bijvoorbeeld de volgende
                    situatie beoogt te regelen. Stel dat in maart 2013 wordt geconstateerd dat de
                    belanghebbende heeft gefraudeerd over de periode vanaf 1 januari 2012
                    (bijvoorbeeld een gezamenlijke huishouding heeft verzwegen). Volgens het
                    wettelijk overgangsrecht is dan volledig het nieuwe recht van toepassing. Dat
                    betekent verplicht de volledige ten onrechte verstrekte bijstand terugvorderen
                    en bovendien verplicht een boete opleggen ten bedrage van de volledige ten
                    onrechte verstrekte bijstand. Als in het voorbeeld bijvoorbeeld over de periode
                    waarop de fraude betrekking heeft € 40.000,00 moet worden teruggevorderd, moet
                    daarnaast een boete worden opgelegd van € 40.000. Dit deel van het wettelijk
                    overgangsrecht is echter in strijd met artikel 15 van het Verdrag inzake
                    burgerlijke en politieke rechten. Volgens dat artikel mag geen zwaardere straf
                    worden opgelegd dan de straf die ten tijde van de gedraging van toepassing was.
                    Ten tijde van de gedraging, voorzover die in 2012 is gelegen, zou conform de
                    vorige verordening een maatregel zijn opgelegd van € 1.000, en niet van € 40.000
                    in het voorbeeld. Daarom wordt in de hier bedoelde categorie een splitsing
                    gemaakt tussen de periode vóór en na 1 januari 2013. Over de periode vóór 1
                    januari 2013 wordt een maatregel opgelegd conform het bepaalde in de vorige
                    verordening en over de periode na 1 januari 2013 wordt een boete opgelegd
                    conform het bepaalde in de nieuwe wet.</al><al/><al>Aangezien deze verordening is vastgesteld op een datum die is gelegen na 31
                    januari 2013 (de in het overgangsrecht genoemde datum) is het niet nodig om in
                    overgangsrecht een regeling te treffen voor fraude die geheel vóór 1 januari
                    2013 is gelegen. In dat geval blijft (gezien de datum van vaststelling van deze
                    verordening) de vorige verordening van toepassing, en wordt dus voor fraude in
                    die gevallen een maatregel opgelegd. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Stel
                    dat in februari 2013 wordt geconstateerd dat belanghebbende heeft gefraudeerd
                    over de periode van 1 november 2012 tot 1 december 2012. In dat geval wordt een
                    maatregel opgelegd conform het bepaalde in de vorige verordening, en wordt geen
                    boete opgelegd. In het voorbeeld geldt de vorige verordening en is de Wet
                    aanscherping nog niet van toepassing.</al><al/><al>Evenmin is het nodig om in overgangsrecht een regeling te treffen voor een
                    fraude die vóór 1 januari 2013 is begonnen, na 1 januari 2013 voortduurt, maar
                    vóór 31 januari 2013 is opgehouden of geconstateerd. Voor die situatie is in
                    artikel XXV van de Wet aanscherping een regeling neergelegd, die inhoudt dat ook
                    de vorige verordening van toepassing blijft, en dus voor fraude in die gevallen
                    een maatregel kan worden opgelegd, zij het wel voor de periode tot uiterlijk 31
                    januari 2013. Een voorbeeld moge deze categorie verduidelijken. Stel dat op 20
                    januari 2013 wordt geconstateerd dat de klant heeft gefraudeerd over de periode
                    van 1 november 2012 tot 10 januari 2013. Dan wordt over de periode van 1
                    november 2012 tot 10 januari 2013 een maatregel opgelegd conform het bepaalde in
                    de vorige verordening.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 27. Citeertitel</vet></al><al/><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>