<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR267408_4</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, nr 47825, 19 april 2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Drank- en Horecawet, art. 4 en artt. 25 a t/m 25d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-07</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Hoofdstuk 2, art. 2:11, art. 2:18, art. 2:28A. art. 2:29, art. 2:30A, art. 2:39, art. 2:44, art. 2:47A, art. 2:78, art. 2:79, art. 2:80, art. 2:82, art. 2:89, art. 2:92, art. 2:93 Hoofdstuk 5, art. 5:12, art. 5:16A, art. 5:24</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Algemene plaatselijke verordening Bergen 2009</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Bergen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van Bergen van 29 januari
                        2013;</al><al>gezien het advies van de Algemene raadscommissie van 28 februari
                        2013;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 149 Gemeentewet en het bepaalde in de
                        artikelen 4, 25a tot en met 25d van de Drank- en Horecawet;</al><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>vast te stellen de “<vet>Algemene plaatselijke verordening gemeente Bergen 2013”.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>co</cursief><cursief>llege</cursief>: het
                                    college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al><cursief>openbare plaats</cursief>: hetgeen in artikel
                                    1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt
                                    verstaan;</al></li><li nr="c."><al><cursief>weg</cursief>: hetgeen in artikel 1, eerste
                                    lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt
                                    verstaan;</al></li><li nr="d."><al><cursief>openbaar water</cursief>: wateren die voor het publiek
                                    bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="e."><al><cursief>bebouwde kom</cursief>: het gebied binnen de
                                    grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="f."><al><cursief>rechthebbende</cursief>: degene die over een
                                    zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk
                                    recht;</al></li><li nr="g."><al><cursief>bouwwerk</cursief>: hetgeen in artikel 1 van
                                    de Bouwverordening daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="h."><al><cursief>gebouw</cursief><cursief>:</cursief> hetgeen
                                    in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet daaronder
                                    wordt verstaan;</al></li><li nr="i."><al><cursief>handelsreclame</cursief>: iedere openbare
                                    aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd
                                    wordt een commercieel belang te dienen;</al></li><li nr="j."><al><cursief>voertuig</cursief>: fietsen, bromfietsen,
                                    gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, wagens, aanhangwagens
                                    en opleggers, met uitzondering van trams en treinen en met
                                    uitzondering van kinderwagens, kruiwagens en dergelijke kleine
                                    voertuigen;</al></li><li nr="k."><al><cursief>bevoegd gezag</cursief>: bestuursorgaan dat
                                    bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een
                                    omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al
                                    verleende omgevingsvergunning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing/vrijstelling binnen acht weken na de datum
                                van ontvangst van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken
                                verlengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing, indien beslist wordt op
                                een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, artikel
                                2:11 of artikel 2:12.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor een beslissing
                                op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 de
                                in dat artikel genoemde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing/vrijstelling
                                wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing/vrijstelling nodig heeft, kan
                                het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of
                                ontheffingen/vrijstellingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing/vrijstelling kunnen voorschriften
                                en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen
                                strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in
                                verband waarmee de vergunning of ontheffing/vrijstelling is
                                vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing/vrijstelling is
                                verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en
                                beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of
                                ontheffing/vrijstelling</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing/vrijstelling is persoonsgebonden, tenzij bij
                            of krachtens deze verordening anders is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of
                                ontheffing/vrijstelling</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing/vrijstelling kan worden ingetrokken of
                            gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                    ontheffing/vrijstelling, intrekking of wijziging noodzakelijk is
                                    vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                    vergunning of ontheffing/vrijstelling is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing/vrijstelling verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing/vrijstelling geen gebruik
                                    wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij
                                    het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing/vrijstelling geldt voor onbepaalde tijd,
                            tenzij bij de vergunning of ontheffing/vrijstelling anders is bepaald of
                            de aard van de vergunning of ontheffing/vrijstelling zich daartegen
                            verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing/vrijstelling kan door het daartoe bevoegde
                            gezag of het bevoegd bestuursorgaan worden geweigerd in het belang
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Openbare orde</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden, in groepsverband dan
                                    wel afzonderlijk anderen lastig te vallen, te vechten of op
                                    andere wijze de openbare orde te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan in het
                                    belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                    wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op
                                    betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                    levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare
                                    manifestaties.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1A</nr><titel>Verblijfsontzegging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                    voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken
                                    van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van
                                    personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan
                                    degene die een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om
                                    zich gedurende een bepaald tijdvak te bevinden op de in dat
                                    verbod aangewezen plaatsen waar of in de nabijheid waarvan, het
                                    strafbare feit is gepleegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                    betrokkene zich bevindt in een openbaar middel van vervoer,
                                    tenzij uitdrukkelijk anders in de verblijfsontzegging is
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester stelt nadere regels omtrent de toepassing van
                                    dit artikel, de omstandigheden die kunnen leiden tot een
                                    verblijfsontzegging en de duur daarvan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>BETOGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                    betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                    bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                    manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en
                                    ten minste 1 week voordat de betoging wordt gehouden,
                                    schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                            plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen
                                            om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs
                                    waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een
                                    kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn</titel></kop><al>[vervallen; opgenomen in artikel 2:3]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens</titel></kop><al>[vervallen; opgenomen in artikel 2:3] </al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                    verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                    stukken en afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Voorwerpen en stoffen op, aan, in of boven de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college
                                    de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig
                                    de publieke functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor:</al><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen
                                            gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of
                                            goederen en niet voor commerciële doeleinden worden
                                            gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor
                                            voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:</al><lijst><li nr="-"><al>geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven
                                                  dat gedeelte bevindt;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel van het scherm, in welke stand
                                                  dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van
                                                  het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de
                                                  weg bevindt;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de
                                                  opgaande gevel reikt;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijs
                                            kortstondig op de weg gebracht worden in verband met
                                            laden of lossen ervan en mits degene die de
                                            werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt,
                                            dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval
                                            voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
                                            verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd
                                            is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen, met inbegrip van kinderwagens, kruiwagens en
                                            dergelijke kleine voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens
                                            worden geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="g."><al>terrassen als bedoeld in artikel 2:27;</al></li><li nr="h."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning als
                                    bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                            gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                            het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>a. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, is niet van
                                    toepassing op situaties</al><al> waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al><lijst><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, is niet
                                            van toepassing voor bouwwerken.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, is niet
                                            van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                                            de Wet milieubeheer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>a. Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor
                                    het verbod als</al><al> gesteld in het eerste lid niet geldt.</al><lijst><li nr="b."><al>Het college kan nadere regels stellen voor een veilig en
                                            doelmatig gebruik van de openbare ruimte ten behoeve van
                                            de in sub a bedoelde categorieën.</al></li><li nr="c."><al>Het college kan wegen en weggedeelten aanwijzen waar het
                                            plaatsen van de onder sub a. bedoelde voorwerpen niet of
                                            slechts beperkt is toegestaan.</al></li><li nr="d."><al>Het is verboden een voorwerp als bedoeld onder sub a. op
                                            de weg te plaatsen als in strijd wordt gehandeld met de
                                            onder sub b. bedoelde nadere regels of met een
                                            aanwijzing als bedoeld onder sub c.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het
                                    in eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit
                                    betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of
                                    onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            de activiteiten zijn</al><al> verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening,
                                            exploitatieplan of </al><al> voorbereidingsbesluit; of</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan het bevoegd gezag
                                    de vergunning weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de beoogde activiteit schade toebrengt aan de weg dan
                                            wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of
                                            voor het doelmatig beheer en veilig gebruik
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>de beoogde activiteit een belemmering vormt voor het
                                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de beoogde activiteit afbreuk doet aan andere publieke
                                            functies van de weg, inclusief de bescherming van het
                                            uiterlijk aanzien daarvan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing indien in opdracht van een
                                    bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden
                                    verricht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod is voorts niet van toepassing voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
                                    Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening
                                    Ondergrondse Infrastructuren (AVOI).</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een
                                    uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een
                                    omgevingsvergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een uitweg te maken naar de weg;</al></li><li nr="b."><al>van de weg gebruik te maken voor het hebben van een
                                            uitweg;</al></li><li nr="c."><al>verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de
                                            weg of het gebruik daarvan te veranderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                    wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de
                                    omgevingsvergunning worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg;</al></li><li nr="b."><al>het doelmatig en veilig gebruik van de weg;</al></li><li nr="c."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van de groenvoorzieningen in de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor zover
                                    in het daar geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het
                                    Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is
                                    verplicht deze </al><lijst><li nr="a."><al>te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                            herkenningsteken, en</al></li><li nr="b."><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de
                                            omgeving van dat bedrijf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een
                                    openbare plaats achter te laten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van toepassing op
                                    situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rook- en open vuurverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heide- of veengronden dan
                                    wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan gedurende 1 april tot 1 oktober.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heide- of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan,
                                    voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                    voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                    liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden een open vuur aan te leggen, te stoken of te
                                    hebben in bossen, op heide- of veengronden dan wel in
                                    duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                    daarvan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in dit artikel gestelde verboden zijn niet van toepassing
                                    voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste en derde lid gestelde verbod is voorts niet
                                    van toepassing voor zover het roken of het aanleggen van open
                                    vuur plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18A</nr><titel>Opslag licht-ontvlambare stoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden hars, teer, pek, kapok veren, houtafval, hooi,
                                    stro, vlas, riet, textielafval, lompen, oud papier of enig
                                    andere licht-ontvlambare stof, anders dan voor huishoudelijk
                                    gebruik, te verwerken of opgeslagen te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom in de open lucht op een afstand
                                            van minder dan </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>20 meter van enig gebouw met wanden van steen of beton
                                            en brandwerend afgedekt;</al></li><li nr="-"><al>25 meter van enig ander gebouw of enig getimmerte;</al></li><li nr="-"><al>10 meter van de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                    (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                    prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                    voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                    meter boven dat gedeelte van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voor prikkeldraad,
                                    schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op
                                    grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op
                                    van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn
                                    aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de
                                    Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden
                                    van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere
                                    objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan
                                    twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                    bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bioscoopvoorstellingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                    Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een braderie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3
                                    van deze verordening, op de weg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein
                                    evenement).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        evenement te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                        een vergunning weigeren indien:</al></li><li nr="a."><al>de aanvrager/organisator van door de burgemeester aan te
                                        wijzen categorieën vergunningplichtige vechtsportwedstrijden
                                        of –gala’s in enig opzicht van slecht levensgedrag is;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager/organisator onvoldoende waarborgen biedt voor
                                        een goed verloop van het evenement.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester
                                        een vergunning</al></li></lijst><al>geheel of gedeeltelijk weigeren in het belang van het welzijn van
                                dieren.</al><lijst><li nr="4."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 gelden voor
                                        evenementen als bedoeld in het eerste lid de volgende
                                        termijnen voor het indienen van een aanvraag:</al></li><li nr="a."><al>risico-evenementen (categorie A) : 25 weken;</al></li><li nr="b."><al>aandachtevenementen (categorie B) : 19 weken;</al></li><li nr="c."><al>reguliere evenementen (categorie C) : 12 weken.</al></li><li nr="5."><al>Geen vergunning is vereist voor een klein evenement,
                                        indien:</al></li><li nr="a."><al>het om een lokale uitstraling gaat (bijvoorbeeld een
                                        buurtfeest);</al></li><li nr="b."><al>de maximale duur één dag bedraagt tot uiterlijk 24:00
                                        uur;</al></li><li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na
                                        23.00 uur en waarbij de maximale geluidsbelasting gemeten op
                                        de gevels van de woningen om en nabij de evenementenlocatie
                                        tussen 7:00 uur en 19:00 uur maximaal 60dB(A) mag bedragen
                                        en tussen 19:00 uur en 23:00 uur maximaal 55dB(A);</al></li><li nr="d."><al>het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad
                                        of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor
                                        het verkeer en de hulpdiensten;</al></li><li nr="e."><al>er een organisator is;</al></li><li nr="f."><al>de organisator binnen 7 werkdagen voorafgaand aan het
                                        evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                        burgemeester.</al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan voorschriften stellen met het oog op een
                                        ordelijk en veilig verloop van een evenement als bedoeld in
                                        het vijfde lid en met het oog op het voorkomen van hinder
                                        aan derden.</al></li><li nr="7."><al>De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de
                                        melding besluiten het organiseren van een evenement als
                                        bedoeld in het vijfde lid te verbieden, indien daardoor de
                                        openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of
                                        het milieu in gevaar komt.</al></li><li nr="8."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing voor
                                        een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148
                                        van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li><li nr="9."><al>De weigeringsgrond in het derde lid is niet van toepassing
                                        voor zover bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet
                                        voor dieren wordt voorzien in regels ter zake van de
                                        huisvesting, het vervoer en de behandeling van bij het
                                        evenement betrokken dieren.</al></li><li nr="10."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>openbare inrichting</cursief>:</al></li><li nr="i."><al>een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                        discotheek, buurthuis of clubhuis;</al></li><li nr="ii."><al>elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                        waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was, logies wordt verstrekt of dranken worden
                                        geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie
                                        worden verstrekt of bereid;</al></li><li nr="b."><al><cursief>terras</cursief>: een buiten de besloten ruimte van
                                        de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of
                                        zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                        dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe
                                        consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;</al></li><li nr="c."><al><cursief>uitgaansgebied</cursief>: het op grond van de
                                        geldende Horecanota als zodanig aangewezen gebied waarbinnen
                                        een verruiming van de sluitingstijden van openbare
                                        inrichtingen mogelijk is;</al></li><li nr="d."><al><cursief>ontnuchteringszaak</cursief>: een openbare
                                        inrichting gelegen in de uitgaansgebieden met de bestemming
                                        Horeca, categorie 1, waarin geen alcoholhoudende dranken
                                        voor gebruik ter plaatse mogen worden verstrekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatie openbare inrichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                    de openbare inrichting in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan of indien de aanvrager geen verklaring omtrent
                                    het gedrag met betrekking tot de leidinggevende overlegt die
                                    uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de aanvraag is
                                    ingediend, is afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare
                                    inrichting, de openbare orde of de veiligheid op ontoelaatbare
                                    wijze nadelig wordt beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond
                                    houdt de burgemeester rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf
                                    is gelegen of zal zijn gelegen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de aard van het horecabedrijf;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat
                                    of bloot zal komen te staan door de exploitatie;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de
                                    leidinggevende;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de exploitant de leeftijd van eenentwintig jaar nog niet heeft
                                    bereikt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de exploitant onder curatele of bewind staat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren indien sprake is van
                                    het geval en onder de voorwaarde als bedoeld in artikel 3 van de
                                    Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar
                                    bestuur.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich
                                    bevindt in:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor
                                    zover de activiteiten van de openbare inrichting een
                                    nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een zorginstelling;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een museum;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een bedrijfskantine of –restaurant.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De burgemeester verleent op aanvraag vrijstelling van de
                                    vergunningplicht als genoemd in het eerste lid aan openbare
                                    inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van
                                    de Drank- en Horecawet en de bestemming Horeca, categorie 1, en
                                    Horeca, categorie 2, hebben, indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich één jaar voorafgaand aan de aanvraag geen incidenten
                                    gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en
                                    –handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, dan wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen
                                    weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28,
                                    tweede of derde lid.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident
                                    heeft voorgedaan als bedoeld in het achtste lid onder a.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid en de vrijstelling
                                    bedoeld in het achtste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                                    wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                    tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Exploitatie Terrassen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een terras behorende bij een openbare inrichting
                                    te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van
                                    het terras in strijd is met een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de
                                    vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare
                                    inrichting, de openbare orde of de veiligheid op ontoelaatbare
                                    wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het
                                    terras.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                    weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het karakter van de straat en de wijk waarin het terras is
                                    gelegen of zal zijn gelegen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de aard van het terras;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse reeds
                                    bloot staat;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant of de
                                    leidinggevende;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het derde lid, kan de burgemeester
                                    de vergunning weigeren indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar
                                    oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig
                                    beheer en veilig gebruik daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het beoogde gebruik een belemmering vormt voor het doelmatig
                                    beheer en onderhoud van de weg;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het beoogde gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies
                                    van de weg, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                    daarvan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning weigeren indien sprake is van
                                    het geval en onder</al><al> de voorwaarde als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
                                    integriteitsbeoordelingen </al><al> door het openbaar bestuur. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare
                                    orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten
                                    aanzien van de exploitatie van terrassen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:29 Sluitingstijd</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met zondag
                                    tussen 02.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd).</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn
                                    horecabedrijven van paracommerciële rechtspersonen als bedoeld
                                    in artikel 1 van de Drank- en Horecawet (paracommerciële
                                    openbare inrichtingen) gesloten op maandag tot en met zondag
                                    tussen 24.00 uur en 08.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn openbare
                                    inrichtingen op het strand:</al><al>a. gedurende de periode 15 maart tot 15 oktober gesloten tussen
                                    24.00 uur en 06.00 uur;</al><al>b. gedurende de periode 15 oktober tot 15 maart gesloten tussen
                                    23.00 uur en 08.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>openbare inrichtingen met de bestemmingen Horeca,
                                            categorie 2 en Horeca, categorie 3, en gelegen in de
                                            uitgaansgebieden op zaterdag en zondag gesloten tussen
                                            03.00 uur en 06.00 uur indien voldaan wordt aan de
                                            volgende voorwaarden:</al></li><li nr="a."><al>bezoekers mogen niet meer worden toegelaten:</al></li><li nr="-"><al>vanaf 01.00 uur in een openbare inrichting met de
                                            bestemming Horeca, </al><al> categorie 2;</al></li><li nr="-"><al>vanaf 02.00 uur in een openbare inrichting met de
                                            bestemming Horeca, </al><al> categorie 3;</al></li><li nr="b."><al>er dient minimaal één horecaportier aanwezig te
                                            zijn;</al></li><li nr="c."><al>vanaf 02.30 uur dient :</al></li><li nr="-"><al>maximale verlichting te worden gevoerd;</al></li><li nr="-"><al>geen muziek meer ten gehore te worden gebracht;</al></li><li nr="-"><al>geen alcohol meer te worden geschonken;</al></li><li nr="d."><al>om 03.00 uur dienen alle bezoekers de openbare
                                            inrichting te hebben verlaten.</al></li><li nr="2."><al>openbare inrichtingen gelegen in de uitgaansgebieden en
                                            als zodanig door de burgemeester aangewezen als een
                                            “ontnuchteringszaak”, gesloten op zaterdag en zondag om
                                            03.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in voorgaande leden zijn terrassen
                                    gesloten:</al><lijst><li nr="a."><al>van 24.00 uur tot 08.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>indien de bijbehorende openbare inrichting gesloten
                                            is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het vijfde lid, onderdeel a,
                                    zijn terrassen in de gehele gemeente (met uitzondering van
                                    terrassen behorende bij openbare inrichtingen op het strand) in
                                    de maanden juni, juli, augustus en september gesloten tussen
                                    01.00 uur en 08.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben of
                                    daarop bezoekers toe te laten na sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28,
                                    zevende lid, onderdeel a, gelden dezelfde sluitingstijden als
                                    voor de winkel.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Het eerste tot en met het vierde lid en het zesde lid zijn niet
                                    van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet
                                    milieubeheer is voorzien.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                    tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende
                                    sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van
                                    de Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:30A Ontzeggingenlijst</label></kop><lid><lidnr>1. </lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf verboden hierin toe te
                                    laten of te laten verblijven niet tot het gezin van de houder
                                    van dit horecabedrijf behorende personen, die naar het oordeel
                                    van de burgemeester misbruik van alcoholhoudende drank plegen te
                                    maken of van slecht zedelijk gedrag zijn en wier namen als
                                    zodanig schriftelijk aan die houder zijn opgegeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van dat horecabedrijf is verplicht, indien een persoon
                                    als bedoeld in het eerste lid die zich in het horecabedrijf
                                    bevindt, in gebreke blijft dit horecabedrijf te verlaten,
                                    hiervan terstond kennis te geven aan de politie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is de houder van een horecabedrijf, zijn huisgenoten en zijn
                                    personeel verboden inzage te verlenen in de opgave als bedoeld
                                    in het eerste lid van dit artikel of daaromtrent mededelingen te
                                    verstrekken aan anderen dan ambtenaren van politie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de in het eerste lid bedoelde personen verboden zich te
                                    bevinden op plaatsen waar zij op grond van dit artikel niet
                                    mogen worden toegelaten of mogen verblijven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde personen, die zich in een
                                    horecabedrijf bevinden zijn verplicht op de eerste aanzegging
                                    van de houder van dat horecabedrijf of op vordering van een
                                    ambtenaar van politie het horecabedrijf te verlaten.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het vierde en vijfde lid bepaalde is niet van toepassing
                                    dan nadat door de burgemeester aan de daarin bedoelde personen
                                    schriftelijk is medegedeeld dat de in het eerste lid bedoelde
                                    opgave is verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</label></kop><lid><lidnr/><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li><li nr="b."><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd
                                            dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van
                                            een besluit krachtens het eerste lid van artikel
                                            2:30;</al></li><li nr="c."><al>zich te bevinden in kennelijke staat van
                                            dronkenschap;</al></li><li nr="d."><al>een persoon toe te laten of te laten verblijven die in
                                            kennelijke staat van dronkenschap verkeert.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Algemene Maatregel van Bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:33 Ordeverstoring</label></kop><lid><lidnr/><al>[vervallen:zie artikel 2:31]</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</label></kop><lid><lidnr/><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                    gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                    Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel
                                    2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>8a.</nr><titel>BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE
                                DRANK- EN HORECAWET</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34A</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al><cursief>bijeenkomsten van persoonlijke aard</cursief>:
                                    bijeenkomsten met een veelal feestelijk karakter, waarbij
                                    meestal alcoholhoudende drank wordt genuttigd, die geen verband
                                    houden met de doelstelling van de paracommerciële rechtspersoon,
                                    zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea,
                                    verjaardagen, bedrijfsfeesten, koffietafels,
                                    condoleancebijeenkomsten en dergelijke;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al><cursief>paracommerciële rechtspersoon</cursief>: een
                                    rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten
                                    vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast
                                    activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele,
                                    educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op
                                    de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al><cursief>horecabedrijf</cursief>: de activiteit in ieder geval
                                    bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet
                                    verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter
                                    plaatse;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al><cursief>sterk alcoholhoudende drank</cursief>: de drank die bij
                                    een temperatuur van twintig graden Celsius voor vijftien of meer
                                    procent uit alcohol bestaat, met uitzondering van wijn;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al><cursief>zwak alcoholhoudende drank</cursief>: alcoholhoudende
                                    drank, met uitzondering van sterk alcoholhoudende drank</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al><cursief>slijtersbedrijf</cursief>: de activiteit bestaande uit
                                    het bedrijfsmatig of anders dan om niet aan particulieren
                                    verstrekken van sterke drank voor gebruik elders dan ter
                                    plaatse, al dan niet gepaard gaande met het bedrijfsmatig of
                                    anders dan om niet aan particulieren verstrekken van zwak
                                    alcoholhoudende drank en alcoholvrije drank voor gebruik elders
                                    dan ter plaatse of met het bedrijfsmatig verrichten van bij
                                    algemene maatregel van bestuur aangewezen andere
                                    handelingen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34B</nr><titel>Schenktijden paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend
                                alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor
                                aanvang en eindigende met 1 uur na beëindiging van activiteiten die
                                passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende
                                paracommerciële rechtspersoon.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34C</nr><titel>Bijeenkomsten bij paracommerciële rechtspersonen</titel></kop><al>Paracommerciële rechtspersonen verstrekken geen alcoholhoudende
                                drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten
                                die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de
                                activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn
                                wanneer dit leidt tot oneerlijke mededinging.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34D</nr><titel>Beperkingen voor horecabedrijven en slijtersbedrijven</titel></kop><al><vet>[gereserveerd]</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34E</nr><titel>Beperkingen voor andere detailhandel dan
                                    slijtersbedrijven</titel></kop><al><vet>[gereserveerd]</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34F</nr><titel>Koppeling toegang aan leeftijden</titel></kop><al><vet>[gereserveerd]</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34G</nr><titel>Verbod prijsacties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de
                                    openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om
                                    niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik ter
                                    plaatse tegen een prijs die voor een periode van maximaal 24 uur
                                    lager is dan 60% van de prijs die in de desbetreffende
                                    horecalokaliteit of op het desbetreffende terras gewoonlijk
                                    wordt gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter bescherming van de volksgezondheid en in het belang van de
                                    openbare orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan om
                                    niet alcoholhoudende drank aan te bieden voor gebruik elders dan
                                    ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van een week of
                                    korter, lager is dan 70% van de reguliere verkoopprijs in het
                                    betreffende verkooppunt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon
                                    is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het
                                    Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens
                                    het door de burgemeester vastgestelde model. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon
                                    is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de
                                    burgemeester of aan een door hem aan te wijzen ambtenaar over te
                                    leggen op een door de burgemeester bepaalde wijze. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van
                                vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10.</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                    lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer
                                    van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                    van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare
                                    wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de
                                    speelgelegenheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met
                                    een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van
                                    de Wet;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c,
                                    van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder d, van de Wet;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30,
                                    onder e, van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                    toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten
                                    toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het
                                    geheel niet zijn toegestaan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11.</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een
                                    niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of
                                    dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder ontheffing van de burgemeester een
                                    krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet
                                    voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat
                                    lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of
                                    bij dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden zijn niet van toepassing voor personen wier
                                    aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden
                                    noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding
                                    aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te
                                    brengen of te doen aanbrengen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding,
                                    letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of in de nabijheid van winkels te
                                    vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk
                                    toe is uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te
                                    vergemakkelijken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de in dat lid
                                    bedoelde voorwerpen niet bestemd is voor de in dat lid bedoelde
                                    handelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden :</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een
                                    beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                    toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                    verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                    gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig
                                    overlast of hinder wordt veroorzaakt</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                    Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47A</nr><titel>Vervoer van brandbare materialen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, in een door het college
                                    aangewezen periode, brandbaar materiaal, waaronder in ieder
                                    geval begrepen bankstellen, fauteuils, stoelen, houten kratten,
                                    pallets kisten en dergelijke, te vervoeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De politie heeft de bevoegdheid om de materialen als bedoeld in
                                    het eerste lid in beslag te nemen en te houden tot uiterlijk
                                    12.00 uur volgend op de dag dat de aangewezen periode is
                                    verstreken. Na dit tijdstip mogen op last van de politie
                                    niet-afgehaalde materialen worden vernietigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank
                                    en Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                    drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                    e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52A</nr><titel>Overlast bouwplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of ontwikkelaar van een bouwplaats is verplicht er
                                    zorg voor te dragen dat het bouwrijp maken en ontwikkelen van
                                    deze bouwplaats geen overlast oplevert voor de omgeving in de
                                    vorm van stuifzand op de weg of een openbare plaats. Hij treft
                                    tijdig afdoende maatregelen om de overlast te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde wordt opgeheven, indien de eigenaar of ontwikkelaar er
                                    zorg voor draagt dat het stuifzand onmiddellijk wordt
                                    verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                    andere door het college aangewezen plaats;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op een openbare plaats indien die hond niet voorzien is van een
                                    halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of
                                    houder duidelijk doet kennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod genoemd in het eerste lid, onder a, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b zijn niet van
                                    toepassing voor zover de eigenaar of houder van een hond zich
                                    vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de
                                    geleidehond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien
                                    een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar
                                    gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden en rijdieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond of rijdier is verplicht
                                    ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond of dat rijdier
                                    worden verwijderd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op een gedeelte van een openbare plaats dat bestemd is of mede
                                    bestemd voor het verkeer van voetgangers;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod genoemd in het eerste lid, onder a, is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond of het rijdier er zorg voor draagt dat de uitwerpselen
                                    onmiddellijk worden verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                    beide stoffen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                                    aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                    mogelijk is; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                    afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek
                                    toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c,
                                    dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn
                                    van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek
                                    identificatienummer door middel van een microchip die met een
                                    chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>aanwezig te hebben,of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels, of</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing
                                    is aangegeven,of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in
                                    het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee en pluimvee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee of pluimvee dat zich bevindt in een aan een
                                weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden
                                door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat
                                zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die
                                weg niet kan bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62A</nr><titel>Matige draf binnen bebouwde kom</titel></kop><al>Het is de geleider van één of meer losse paarden, aan de hand geleid
                                of bereden, verboden deze op de weg in de bebouwde kom harder te
                                laten lopen dan in matige draf. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62B</nr><titel>Stieren en hengsten</titel></kop><al>Het is de eigenaar, houder of hoeder van een stier, ouder dan één
                                jaar, of van een hengst, ouder dan twee jaar, verboden deze in
                                landerijen los te laten lopen of op een zodanige plaats of wijze
                                vast te zetten, dat hij de weg kan bereiken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62C</nr><titel>Geleiden van vee</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van vee verboden dat vee op de weg
                                    te doen drijven of te doen vervoeren door een persoon, die niet
                                    de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een ieder die niet de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt
                                    verboden op de weg vee te drijven of te vervoeren. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere
                                    gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven
                                    of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte
                                    of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en
                                    invliegen van de bijen te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod is
                                    niet van toepassing voor zover de bijenhouder rechthebbende is
                                    op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod is
                                    niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Bedelarij</titel></kop><al>Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de
                                weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om
                                geld of andere zaken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12.</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:67</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                    gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere
                                    wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de
                                    burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij
                                    onverwijld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover
                                    dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                    goed;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                    verkregen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                    verplichtingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:68</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                                    van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al></li><li nr="1º."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding
                                        van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming
                                        behorende vestiging;</al></li><li nr="2º."><al>van een verandering van de onder a, sub 1º , bedoelde
                                        adressen;</al></li><li nr="3º."><al>als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al></li><li nr="4º."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan;</al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:69</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:70</nr><titel>Handel binnen openbare inrichtingen</titel></kop><al>(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare
                                inrichtingen) onder artikel 2:32).</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:72</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan maximaal één vergunning zoals bedoeld in het
                                    eerste lid per voormalige gemeente (Bergen, Egmond, Schoorl)
                                    verlenen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:73</nr><titel>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken binnen een
                                    afstand van vijftig meter van gebouwen met rieten daken en van
                                    benzinepompen of op een andere door het college in het belang
                                    van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te
                                    gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                    veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van
                                    toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429,
                                    aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich
                                op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en
                                weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74A</nr><titel>Hinderlijk gebruik van drugs</titel></kop><al>Het is verboden, op of aan de weg of op het openbaar water, dan wel
                                in een voor het publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in
                                de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, te gebruiken of openlijk
                                voorhanden te hebben indien dit gepaard gaat met gedragingen die de
                                openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of
                                anderszins overlast veroorzaken.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel/></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>15.</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:75</nr><titel>Bestuurlijke ophouding</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:11, 2:16, 2:19,
                                2:47, 2:47A, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 en 5:34 van deze Algemene
                                plaatselijke verordening groepsgewijs niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:76</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:77</nr><titel>Cameratoezicht op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de
                                    Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                    bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                    plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                                    lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke
                                    plaatsen. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>16.</nr><titel>Het strand en de zee</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:78</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al><cursief>strand</cursief>: het binnen de gemeente gelegen
                                    zeestrand met inbegrip van de duinhellingen, de droogliggende
                                    banken, lagune en de afritten van wegen en paden die toegang
                                    geven tot het strand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al><cursief>activiteitenstrand</cursief>: het gedeelte van het
                                    strand waar bepaalde nader te noemen activiteiten zijn
                                    toegestaan. De volgende delen van het strand hebben dit
                                    gebruiksprofiel ‘activiteitenstrand’:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>Egmond-Binnen tussen km-paal 40.5 en 42.9</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>Egmond aan Zee tussen km-paal 38.6 en 40.2</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>Wimmenummer Duinen tussen km-paal 33.6 en 37.2</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>Bergen aan Zee tussen km-paal 31.5 en 33.0</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>Hargen aan Zee tussen km-paal 26.1 en 27.0</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>Camperduin tussen km-paal 25.0 en 25.7;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al><cursief>zomerperiode</cursief>: het gedeelte van het jaar van 1
                                    mei tot 1 oktober;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al><cursief>winterperiode</cursief>: het gedeelte van het jaar van
                                    1 oktober tot 1 mei;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al><cursief>motorvoertuigen</cursief>: motorvoertuigen als bedoeld
                                    in artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al><cursief>motorvaartuigen</cursief>: vaartuigen met motor,
                                    waaronder in ieder geval ook begrepen een motorboot, een
                                    waterscooter, een jetski;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al><cursief>niet-gemotoriseerde vaartuigen</cursief>: vaartuigen
                                    zonder motor van geringe afmetingen en lichte constructie,
                                    waaronder in ieder geval begrepen een kano, zeilboot,
                                    (kite)surfplank, een rubberboot;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al><cursief>strand- en watersport</cursief>: hieronder dient in
                                    ieder geval ook te worden begrepen, kanoën, deltavliegen,
                                    vliegeren met een vlieger die twee of meer stuurlijnen
                                    heeft;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al><cursief>losse vistuigen</cursief>: losse tuigen of instrumenten
                                    om vis mee te vangen, waaronder in ieder geval begrepen
                                    verschillende soorten hengels;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al><cursief>vaste vistuigen</cursief>: vaste tuigen of instrumenten
                                    om vis mee te vangen, waaronder in ieder geval begrepen
                                    visnetten, fuiken, warnetten, staande netten;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al><cursief>lagune:</cursief> de waterpartij en gronden gelegen
                                    tussen de eerste en tweede zeewaarts gelegen duinenrij op het
                                    strand van Camperduin;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover één van de artikelen van deze afdeling in strijd is
                                    met één van de artikelen uit de overige afdelingen en
                                    hoofdstukken is het artikel in deze afdeling van
                                    toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:79</nr><titel>Motorvoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met motorvoertuigen op het strand te rijden,
                                    deze aldaar te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voor motorvoertuigen ten
                                    behoeve van het reddingswezen, beheer en onderhoud waterkering,
                                    schoonmaak, politie, brandweer, burgemeester/strandvonder,
                                    buitengewoon opsporingsambtenaren en personen in dienst van de
                                    gemeente Bergen, allen in de uitoefening van hun taak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:80</nr><titel>Niet-gemotoriseerde voertuigen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met niet-gemotoriseerde voertuigen,
                                        waaronder in ieder geval begrepen een zeilwagen en een
                                        blokart of windrijder, op het strand te rijden.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        gedurende de winterperiode op het activiteitenstrand.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        voor fietsen, met dien verstande dat het fietsen in de
                                        zomerperiode alleen voor 10.00 uur en na 19.00 uur is
                                        toegestaan. </al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:81</nr><titel>Motorvaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een vaartuig op het strand te hebben en zich met
                                    een vaartuig van het strand af in zee te begeven of zich daarmee
                                    in de aan het strand grenzende zeestrook binnen een afstand van
                                    300 meter vanaf het strand te bevinden of daarmee te varen.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor motorvaartuigen ten behoeve van het reddingswezen, beheer
                                    en onderhoud van de kustlijn, politie, brandweer,
                                    burgemeester/strandvonder, buitengewoon opsporingsambtenaren en
                                    personen in dienst van de gemeente, allen in de uitoefening van
                                    hun taak.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:82</nr><titel>Niet-gemotoriseerde vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is gedurende de zomerperiode verboden een niet-gemotoriseerd
                                    vaartuig op het strand te hebben en zich daarmee in de zee te
                                    begeven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het activiteitenstrand. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:83</nr><titel>Plaatsen of onbeheerd achterlaten van attributen en
                                    voorwerpen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden attributen en voorwerpen op het strand te
                                    plaatsen of onbeheerd achter te laten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor het plaatsen van attributen en voorwerpen gedurende
                                    maximaal één dag mits bezoekers van het strand hierdoor niet
                                    worden gehinderd en mits verkeer op het strand hierdoor niet
                                    wordt belemmerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod bij een evenement als bedoeld in artikel 2:24
                                    van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod aan huurders van het strand voor het stallen van
                                    motorvoertuigen en (motor)vaartuigen en loopplanken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod aan hulpverleningsdiensten ten behoeve van het
                                    waarborgen van een vrije doorgang van de strandafgang naar de
                                    vloedlijn. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:84</nr><titel>Strand- en watersport</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is gedurende de zomerperiode verboden strand- en watersport
                                    op het strand en in de zee uit te oefenen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het activiteitenstrand. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:85</nr><titel>Sport en spel in groepsverband</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is gedurende de zomerperiode verboden sport en spel in
                                    groepsverband op het strand en in de zee uit te oefenen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het activiteitenstrand. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:86</nr><titel>Vissen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in zee te vissen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het vissen met losse vistuigen in de winterperiode;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het vissen met losse vistuigen in de zomerperiode op het
                                    activiteitenstrand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het vissen met vaste vistuigen indien de visserij wordt
                                    uitgeoefend met een vissersvaartuig dat ingeschreven is in het
                                    visserijregister.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:87</nr><titel>Honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is gedurende de zomerperiode verboden één of meer honden op
                                    het strand te hebben of te laten lopen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het activiteitenstrand en op de overige stranden niet voor 10.00
                                    uur en na 19.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor de politie. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn
                                    handicap door een aantoonbaar gekwalificeerde geleidehond laat
                                    begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze
                                    aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:88</nr><titel>Paarden en andere rijdieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden één of meer paarden of andere rijdieren op het
                                    strand te berijden of mee te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gedurende de zomerperiode is het in het eerste lid gestelde
                                    verbod niet van toepassing op het activiteitenstrand en op de
                                    overige stranden niet voor 10.00 uur en na 19.00 uur. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Gedurende de winterperiode is het in het eerst lid gestelde
                                    verbod slechts van toepassing op zon- en feestdagen van 12.00
                                    uur tot 19.00 uur.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:89</nr><titel>Overnachten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op het strand te overnachten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor de voor overnachting bestemde strandhuisjes in Egmond aan
                                    Zee en voor de eigenaar/exploitant van een strandpaviljoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:90</nr><titel>Open vuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op het strand open vuur aan te leggen, te stoken
                                    of te hebben. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:91</nr><titel>Zwemmen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer de rode vlag aan de daartoe bestemde palen is gehesen,
                                    is het verboden in zee te zwemmen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het overige is zwemmen bij alle stranden toegestaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:92</nr><titel>Naaktrecreatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op het strand ongekleed openbaar te
                                    recreëren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het strand tussen kilometerpaal 29.5 en 31.5 en tussen
                                    kilometerpaal 40.75 en 42.65.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.93</nr><titel>Lagune</titel></kop><al>Voor de lagune gelden in de winterperiode de bepalingen van het
                                activiteitenstrand en in de zomerperiode de bepalingen van het
                                strand. </al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>prostitutie</cursief>: het zich beschikbaar stellen
                                        tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander
                                        tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al><cursief>prostituee</cursief>: degene die zich beschikbaar
                                        stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een
                                        ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al><cursief>seksinrichting</cursief>: de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
                                        worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
                                        aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
                                        geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                        sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf
                                        waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan
                                        niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al><cursief>escortbedrijf</cursief>: de natuurlijke persoon,
                                        groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                        die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                        uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al><cursief>sekswinkel</cursief>: de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
                                        van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd<vet>;</vet></al></li><li nr="f."><al><cursief>exploitant</cursief>: de natuurlijke persoon of
                                        personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                        seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel
                                        exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die
                                        rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon
                                        of personen;</al></li><li nr="g."><al><cursief>beheerder</cursief>: de natuurlijke persoon of
                                        personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent,
                                        dan wel uitoefenen in een seksinrichting of
                                        escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al><cursief>bezoeker</cursief>: degene die aanwezig is in een
                                        seksinrichting, met uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2
                                        van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:2</nr><titel>Bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                    exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                    geval vermeld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:5</nr><titel>Gedragseisen exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke
                                    macht of de voogdij;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant
                                    en de beheerder niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                    in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van
                                    artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking
                                    gesteld;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                    onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                    rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen
                                    Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten,
                                    dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor
                                    naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis
                                    ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van
                                    Strafvordering is toegelaten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke
                                    uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
                                    geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als
                                    bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van
                                    Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                    Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                    vreemdelingen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                    249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                    417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                    Strafrecht;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                    artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                    1994;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 1, onder a, b en d,13, 14, 27 en 30b van de Wet op
                                    de Kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie .</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                    gesteld:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74,
                                    tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                    derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
                                    tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                    straf.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                    van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                    datum van de intrekking van deze vergunning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf jaar
                                    geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                    escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                    bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is
                                    dat hem ter zake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven
                                    tussen 24.00 en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een voorschrift
                                    als bedoeld in artikel 1:4 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                    andere sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                    bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                    eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste
                                    lid, gesloten dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                    voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door
                                    de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:7</nr><titel>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk
                                    kan het bevoegd bestuursorgaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede
                                    lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                    gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het
                                    eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig
                                    artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:8</nr><titel>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                    hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                    vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in
                                    de seksinrichting:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                    feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                    XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX
                                    (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede
                                    Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet
                                    wapens en munitie; en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                    het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                    Vreemdelingenwet bepaalde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:9</nr><titel>Straatprostitutie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                    andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te
                                    nodigen dan wel aan te lokken:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                                    gebieden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                    verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                    onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen
                                    kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de
                                    wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het
                                    bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting
                                    te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede
                                    lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een
                                    bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit
                                    verbieden zich gedurende bepaalde termijn, anders dan in een
                                    openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en
                                    op de tijden bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod
                                    indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                    betrokkene noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                    burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:10</nr><titel>Sekswinkels</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:11</nr><titel>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin
                                    of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of
                                    geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                    erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan
                                    te bieden of aan te brengen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                    bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                    aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    in gevaar brengt;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in
                                    het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving
                                    gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                    opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan
                                    wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en
                                    gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Beslistermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                    twaalf weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:13</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                    geweigerd indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5
                                    gestelde eisen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                    stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                    escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd
                                    met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij
                                    of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                    bepaalde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in
                                    artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                    bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het
                                    belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                    leefklimaat;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkeersvrijheid of – veiligheid;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                    geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:15</nr><titel>Wijziging beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g, het
                                    beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de
                                    feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                    indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                    heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de
                                    wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                    3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat op de aanvraag is besloten.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Geluidhinder EN VERLICHTING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:2</nr><titel>Aanwijzing collectieve festiviteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                        2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening
                                        gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te
                                        wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te
                                        wijzen dagen of dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                        van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel
                                        4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het
                                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                        kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in
                                        een of meer delen van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing voor het begin van een nieuw
                                        kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                        terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                        eerste lid aanwijzen.</al></li><li nr="6."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid is, voor wat
                                        betreft het ten gehore brengen van muziek – hoger dan de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – de
                                        onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande
                                        dat:</al></li><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                        gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze
                                        gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                        redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                        gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                        zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                        ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                        tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;</al></li><li nr="e."><al>tabel :</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="28*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="24*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00 – 19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00 – 23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00 – 7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van</al><al>gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en </al><al>aanpandige gevoelige</al><al>gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van</al><al>gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>80 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>75 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>70 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en</al><al>aanpandige gevoelige</al><al>gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>60 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>50 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="7."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten
                                        gehore brengen van muziek – hoger dan de geluidsnorm als
                                        bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
                                        en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk een half uur
                                        voor het einde van de festiviteit te worden beëindigd.</al></li><li nr="8."><al>De geluidsnormen als bedoeld in het zesde lid gelden voor
                                        het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                        buitenruimte.</al></li><li nr="9."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                        deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten
                                        van personen en goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:3</nr><titel>Kennisgeving incidentele festiviteiten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal 3 incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                        toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                        twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                        daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het de
                                        inrichting “JOEB te Egmond-Binnen“ toegestaan om 12
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                        toepassing zijn, mits de houder van deze inrichting ten
                                        minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het
                                        college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 3
                                        incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting
                                        langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten
                                        waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit niet van
                                        toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste
                                        twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                        daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                        kennisgeving.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                        formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                        ingeleverd op de plaats zoals vermeld op dat formulier.</al></li><li nr="6."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
                                        het college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                        incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                        was, terstond toestaat.</al></li><li nr="7."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid is, voor wat
                                        betreft het ten gehore brengen van muziek – hoger dan de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening – de
                                        onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande
                                        dat:</al></li><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                        gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze
                                        gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                        redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                        gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                        zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                        ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                        tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;</al></li><li nr="e."><al>tabel :</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="28*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="24*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00 – 19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00 – 23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00 – 7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van</al><al>gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en </al><al>aanpandige gevoelige</al><al>gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van</al><al>gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>80 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>75 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>70 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en</al><al>aanpandige gevoelige</al><al>gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>60 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>50 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="8."><al>Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten
                                        gehore brengen van muziek – hoger dan de geluidsnorm als
                                        bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit
                                        en artikel 4:5 van deze verordening – uiterlijk een half uur
                                        voor het einde van de festiviteit te worden beëindigd.</al></li><li nr="9."><al>De geluidsnormen als bedoeld in het zesde lid gelden voor
                                        het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                        buitenruimte.</al></li><li nr="10."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                        deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten
                                        van personen en goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:4</nr><titel>Verboden incidentele festiviteiten</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Het is verboden incidentele festiviteiten te organiseren, toe te
                            laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien: </titel></kop><structuurtekst><lijst><li nr="a."><al>de kennisgeving daarvan niet overeenkomstig het bepaalde in
                                    artikel 4:3 is gedaan;</al></li><li nr="b."><al>gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de
                                    kennisgeving als bedoeld in artikel 4:3 zijn verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de houder van de inrichting verzuimt te doen of na te laten
                                    hetgeen redelijkerwijs gevergd kan worden om overmatige hinder
                                    te voorkomen;</al></li><li nr="d."><al>de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                    verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en
                                    leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare
                                    orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</al></li></lijst></structuurtekst><afdeling><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:5</nr><titel>Onversterkte muziek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals
                                        bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid
                                        van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen
                                        tabel van toepassing, met dien verstande dat:</al></li><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                        gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze
                                        gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                        redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                        gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                        zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                        ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                        tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;</al></li><li nr="e."><al>tabel :</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="28*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="24*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="23*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00 – 19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00 – 23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00 – 7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van</al><al>gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en </al><al>aanpandige gevoelige</al><al>gebouwen </al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van</al><al>gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en</al><al>aanpandige gevoelige</al><al>gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van 10 uur in de week is onversterkte muziek,
                                        vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                        harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting
                                        gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de
                                        genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte
                                        elementen worden gecombineerd met onverstrekte elementen
                                        wordt het hele samenstel beschouwd als versterkte muziek en
                                        is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien artikel 4:2 of
                                        artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:6</nr><titel>Overige geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer of van het Besluit op een zodanig wijze toestellen
                                    of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te
                                    verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving
                                    geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                    openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale
                                    milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>2.</nr><titel>BODEM-, WEG- EN MILIEUVERONTREINIGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:8</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:9</nr><titel>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                                    en putten buiten gebouwen</titel></kop><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>1.In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><al>a. <onderstreept>boom</onderstreept>: Een houtachtig, opgaand gewas
                                met een omtrek van de stam van minimaal 63 cm (ca. 20 cm diameter)
                                op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid
                                geldt de omtrek van de dikste stam.</al><al>b. <onderstreept>houtopstand</onderstreept>: </al><al>- één of meer bomen of boomvormers,</al><al>- een houtwal, </al><al>- een beplanting van bosplantsoen, </al><al>- vlak- en lijnvormige landschapselementen waar bomen en struiken
                                onderdeel van uitmaken. </al><al>c. <onderstreept>bebouwde kom</onderstreept>: de bebouwde kom van de
                                gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de
                                Boswet;</al><al>d. <onderstreept>monumentale boom</onderstreept>: Boom die als
                                zodanig vermeld staat op de, overeenkomstig artikel 4:11d, door het
                                college van burgemeester en wethouders vastgestelde lijst van
                                monumentale bomen;</al><al>e. <onderstreept>vellen</onderstreept>: Rooien; kappen; verplanten;
                                het snoeien van meer dan 25 procent van de kroon of het
                                wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen, knotten of andere
                                vormsnoei, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als
                                ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige
                                ontsiering van de boom ten gevolge kunnen hebben.</al><al>f. <onderstreept>vergunning</onderstreept>: een
                                omgevingsvergunning;</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zonder vergunning van het college van
                                    burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen
                                        vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><al>a. het knotten van populieren en wilgen als wegbeplantingen en
                                    éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden;</al><al>c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11a</nr><titel>Noodkap</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan toestemming geven
                                voor noodkap in het geval zich de urgentie tot onmiddellijke kap
                                voordoet. Het besluit treedt indien nodig onmiddellijk in werking en
                                wordt in dat geval nadien bekend gemaakt.</al><al>Van noodkap is in ieder geval sprake indien: </al><al>- de houtopstand wegens ziekte besmettingsgevaar oplevert of</al><al>- het een dode/terminale/onstabiele boom betreft die direct gevaar
                                oplevert voor bebouwing, bewoners, gebruikers van het perceel of
                                weggebruikers.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11b</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>1. Het college van burgemeester en wethouders kan een vergunning
                                weigeren, dan wel aan de vergunning voorschriften of beperkingen
                                verbinden, in het belang van:</al><al>- ecologische waarden,</al><al>- landschappelijke / stedenbouwkundige waarden;</al><al>- cultuurhistorische waarden;</al><al>- waarden voor recreatie en leefbaarheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11c</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren
                                    het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het college van burgemeester en
                                    wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien
                                    een gemeentelijk bestemmings-, bomen-, groen- of landschapsplan
                                    de te vellen houtopstand direct of indirect als waardevol
                                    omschrijft, wordt zoveel mogelijk een herplantplicht
                                    opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt aan de vergunning een voorschrift verbonden als bedoeld in
                                    het eerste lid, dan kan daarbij tevens worden bepaald op welke
                                    wijze en binnen welke termijn niet-geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren
                                    aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand
                                    voorkomende flora en fauna, met name het niet uitvoeren van
                                    kapwerkzaamheden in het broedseizoen in de periode van 15 maart
                                    tot 15 juni.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de vergunning wordt aangevraagd ten behoeve van de
                                    uitvoering van werk of activiteit waarvoor andere vergunningen
                                    noodzakelijk zijn, kunnen burgemeester en wethouders besluiten
                                    dat van de vergunning eerst gebruik mag worden gemaakt, wanneer
                                    deze andere vergunningen zijn verleend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11d</nr><titel>Herplant bij illegale kap</titel></kop><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is,
                                zonder vergunning van burgemeester en wethouders is geveld, dan wel
                                op andere wijze teniet is gedaan, kunnen burgemeester en wethouders
                                aan de rechthebbende de verplichting opleggen te herbeplanten
                                overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen
                                te stellen termijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11e</nr><titel>Lijst van monumentale bomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een lijst van
                                    monumentale bomen vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze lijst omvat ten minste de soort, de standplaats, de
                                    eigendomsgegevens en de reden voor plaatsing op de lijst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college van
                                    burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen
                                    vellen die voorkomt op de lijst onder lid 1.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een vergunning voor het vellen van een monumentale boom wordt
                                    slechts verleend indien: </al><al>a. instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van
                                    letsel of schade;</al><al>b. een zwaarwegend belang opweegt tegen duurzaam behoud van de
                                    beschermde opstand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11f</nr><titel>Bestrijding boomziekten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Indien zich op een terrein één of meer bomen bevinden die naar
                                    het oordeel van het college van burgemeester en wethouders
                                    gevaar opleveren voor verspreiding van een boomziekte of voor
                                    vermeerdering van de ziekteverspreiders zoals insecten, is de
                                    rechthebbende, indien hij daartoe door het college is
                                    aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te
                                    stellen termijn:</al><al>a. conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand
                                    direct zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte
                                    wordt voorkomen;</al><al>b. de houtopstand ter plaatse te vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde bomen of delen daarvan voorhanden of in
                                    voorraad te hebben of te vervoeren, indien het een boomsoort
                                    betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing
                                    verlenen van het onder lid 2 van dit artikel gestelde
                                    verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Vergunning van rechtswege</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                    uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare
                                    gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin
                                    van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de
                                    volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of
                                    aanwezig te hebben:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                    voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen
                                    daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                    geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                    commercieel doel;of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                    verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                    landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de
                                    Provinciale Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>[gereserveerd]</titel></kop><afdeling><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                    maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging
                                    of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of
                                    ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15A</nr><titel>Bewegwijzering</titel></kop><al>Het is verboden op of aan een de openbare plaats een verwijzingsbord
                                naar openbare instellingen, hotels, pensions, restaurants, campings
                                en overige bedrijven of instellingen te plaatsen of te doen plaatsen
                                indien daardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht, ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving of strijd ontstaat met redelijke
                                eisen van welstand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Vergunningsplicht lichtreclame</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:19</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming
                                    van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en
                                    b.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:20</nr><titel>Overnachten in een voertuig</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden tussen 22.00 en 07.00 uur in een voertuig,
                                    geplaatst op of aan de weg, de nacht door te brengen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    bedoelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing. </al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1.</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>voertuigen</cursief>: voertuigen als bedoeld in
                                        artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens
                                        zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al><cursief>parkeren</cursief>: parkeren als bedoeld in artikel
                                        1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens (RVV 1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                    verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                    tegen betaling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                    gerekend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                    verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit
                                    gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                    bedoelde persoon.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 40
                                    meter met als middelpunt een van deze voertuigen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg of
                                    weggedeelte een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het
                                    te koop aan te bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                    milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins
                                    voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                    hebben op een door het college aangewezen openbare plaats, waar
                                    dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de
                                    verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor
                                    het uiterlijk aanzien van de gemeente;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit
                                    naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid,
                                    aanhef en onder a, gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale
                                    landschapsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00
                                    tot 18.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is
                                    voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden
                                    waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse
                                    noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                                    stoffen</titel></kop><al>[gereserveerd]</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen
                                    of te laten staan in een park of plantsoen of een van
                                    gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                    vanwege de overheid;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Het is verboden een fiets of een bromfiets te plaatsen
                                            buiten fietsrekken of overige
                                            fietsparkeervoorzieningen:</al></li><li nr="a."><al>indien daardoor de openbare weg voor weggebruikers in
                                            ernstige mate versperd wordt;</al></li><li nr="b."><al>indien daardoor de veiligheid of de vrijheid van het
                                            verkeer gehinderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>indien daardoor het uitzicht voor het verkeer gehinderd
                                            wordt;</al></li><li nr="d."><al>indien daardoor schade of hinder ontstaat;</al></li><li nr="e."><al>indien daardoor hulpdiensten belemmerd worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden:</al><al>a. Fietsen of bromfietsen langer dan 28 dagen op dezelfde
                                    locatie op de weg te laten staan. </al><al>b. Fietsen of bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat
                                    van onderhoud en/of in een verwaarloosde toestand verkeren, op
                                    de weg te laten staan.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voor een inzameling die in
                                    besloten kring gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die
                                    dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel
                                    1 van de Winkeltijdenwet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:22;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in
                                    artikel 5:17.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college te
                                    venten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting; Venten met gedrukte
                                    stukken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van
                                    toepassing voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin
                                    gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel
                                    7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten
                                    van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens
                                    worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de
                                    Grondwet verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3A.</nr><titel>Reclame</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16A</nr><titel>verspreiden van reclamemateriaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op of aan de weg voorwerpen, reclamemonsters of
                                    ander materiaal voor reclamedoeleinden onder het publiek te
                                    verspreiden of te doen verspreiden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het in het eerste lid gestelde verbod kan het college
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan voorschriften verbinden aan de in het tweede lid
                                    bedoelde ontheffing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene die met ontheffing op of aan de weg reclamemateriaal
                                    onder het publiek verspreidt, is verplicht deze, indien zij in
                                    de omgeving van de plaats van uitreiking of een andere voor het
                                    publiek toegankelijke plaats door het publiek worden
                                    weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of te laten
                                    verwijderen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is
                                    dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats
                                    voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau
                                    voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet
                                    van toepassing voor bouwwerken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Aanhoudingsplicht</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>[gereserveerd]</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Snuffelmarkten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                                    aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voor ruimten die uitsluitend
                                    dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als
                                    winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                    verboden zonder vergunning van het college een voorwerp, niet
                                    zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen,
                                    aan te brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op
                                    voorwerpen waarop gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op, in of boven openbaar water voorwerpen waarop
                                    gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te
                                    brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving,
                                    constructie of plaats van bevestiging gevaar opleveren voor de
                                    bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en
                                    veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het
                                    doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De verboden in het eerste en derde lid zijn niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening
                                    Ondergrondse Infrastructuren (AVOI).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college met een
                                    woonboot of een ander vaartuig ligplaats in te nemen of te
                                    hebben dan wel een ligplaats voor een woonboot of ander vaartuig
                                    beschikbaar te stellen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een woonboot wordt verstaan elk vaar-of drijftuig, dat
                                    uitsluitend of in hoofdzaak dient, of te oordelen naar zijn
                                    constructie en/ of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak is
                                    bestemd tot dag en/ of nachtverblijf van een of meer personen,
                                    ook indien het op het droge ligt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in de in het eerste lid bedoelde vergunning
                                    voorschriften stellen in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                    gemeente. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden met andere vaartuigen dan woonboten een
                                    ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor
                                    een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college
                                    aangewezen gedeelten van openbaar water, dan wel in strijd met
                                    door het college gestelde.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25
                                    bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig
                                    aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of
                                    gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde,
                                    volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van
                                    de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                    vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het
                                    innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                    volgen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde is niet van toepassing
                                    op situaties waarin wordt voorzien door het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of
                                    de Provinciale landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan
                                    te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde
                                    openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden,
                                    beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers,
                                    pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen,
                                    bakens of sluizen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                    Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                    openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat
                                    het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                    ondervinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of de Provinciale
                                    vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                    vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                    daarin te begeven of te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                    vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                    maken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31A</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>In deze afdeling wordt verstaan onder:</titel></kop><structuurtekst><al>a.<cursief>motorvoertuig</cursief>: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                            artikel 1, onder z, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens
                            1990;</al><al>b.<cursief>bromfiets</cursief>: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                            artikel 1, eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994 .</al></structuurtekst><afdeling><kop><label/><nr/><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                    geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het voorkomen van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de veiligheid van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                    motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen of paarden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde
                                    minister aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                    die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                    bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                    de onder d bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                    toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                    'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                    motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als 'toestel'.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing voor zover het betreft:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden,
                                    voorzover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                    oplevert;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het verbranden van bollenloof en stro indien:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>daarvan vooraf kennis is gegeven aan de brandweer en</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de door of namens de politie en/of brandweer gegeven
                                    aanwijzingen stipt en onmiddellijk worden opgevolgd en</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>dit geen gevaar of hinder oplevert voor de omgeving en</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>dit geschiedt tussen zonsopgang en zonsondergang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34A</nr></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zogenoemde wens- of ufoballonnen, door middel
                                    van hete lucht afkomstig van vuur op te laten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een wens- of ufoballon wordt mede verstaan:
                                    herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon,
                                    papierballon, geluksballon etc.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9.</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verharde delen van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>AFDELING</label><nr>10.</nr><titel>VEILIGHEID IN HET DUINGEBIED</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:38</nr><titel>Verbod gebruik metaaldetectoren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in daartoe door de burgemeester aangewezen
                                    gebieden een metaaldetector of enig ander voorwerp, kennelijk
                                    bedoeld voor het opsporen van explosieven, wapens, munitie en
                                    dergelijke, te gebruiken of voor gebruik voorhanden te
                                    hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8
                                    kan de ontheffing worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in verband met de veiligheid van personen of goederen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ter bescherming van de woon- of leefomgeving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing voor de
                                    politie, het Explosieven Opruimings Commando (EOC) van het
                                    Ministerie van Defensie, voor de door het EOC aangewezen
                                    bedrijven en voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                    voorzien bij of krachtens de Beoordelingsrichtlijn Conventionele
                                    Explosieven (BRL-OCE).</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:39</nr><titel>Betreden van bossen en duinen</titel></kop><al>Het is verboden in de bossen of duinen, die voor een ieder, al dan
                                niet voorzien van een toegangskaart, toegankelijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>zich te bevinden buiten de als zodanig aangeduide wegen of
                                        paden;</al></li><li nr="b."><al>zich te paard te bevinden buiten de als zodanig aangeduide
                                        ruiterpaden.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 6. Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van de in deze verordening opgenomen artikelen en de
                                krachtens deze artikelen gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                                gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van
                                de tweede categorie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast: de bij besluit van het
                                    college of de burgemeester aangewezen personen en de in artikel
                                    141 van het Wetboek van Strafrecht genoemde
                                    opsporingsambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere
                                    personen met dit toezicht belasten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing
                                van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                                voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                                veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                                personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder
                                toestemming van de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                                    verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Bergen
                                    2009 en alle latere wijzigingen daarop worden ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op …………… 2013.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                                eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van
                                deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige
                                besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke
                                verordening gemeente Bergen 2013.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Bergen op 14 maart 2013.</al></slotformulering><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING</label><nr/><titel>op DE Algemene plaatselijke verordening BERGEN 2013</titel></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De APV, algemene plaatselijke verordening, is, zoals de naam al zegt, een
                    algemene regeling die geldt voor iedereen binnen de gemeente. Deze regeling
                    heeft tot doel de gemeente leefbaar te houden en bevat daarom regels die tot de
                    ‘huishouding’ van de gemeente behoren en, onder meer, dienen ter bescherming van
                    de openbare orde en veiligheid en ter voorkoming van schade, hinder en
                    vervuiling. </al><al/><al>De raadsbevoegdheid een APV vast te stellen is bepaald in artikel 149 van de
                    Gemeentewet. “De raad maakt de verordeningen die hij in het belang van de
                    gemeente nodig oordeelt.” </al><al>APV bepalingen regelen het ordelijk verloop van het maatschappelijk verkeer voor
                    zover dat in de openbare ruimte en in openbare inrichtingen plaatsvindt of een
                    weerslag heeft op de openbare ruimte. De onderwerpen die geregeld worden in de
                    APV zijn in de loop van de tijd steeds veranderd en blijven veranderen, omdat
                    deze afhankelijk zijn van algemene maatschappelijke ontwikkelingen en van
                    landelijke regelgeving.</al><al/><al>Voor u ligt de <vet>toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening</vet>
                    (APV) 2013 van de gemeente Bergen. De APV is gebaseerd op de model-APV van de
                    VNG. Bij die modelverordening behoort een uitgebreide toelichting. Uiteraard
                    heeft die model-toelichting van de VNG uitsluitend betrekking op de
                    modelbepalingen. Voor Bergen is een aparte toelichting opgesteld. In de
                    model-toelichting van de VNG staan evenwel zeer veel verwijzingen naar
                    jurisprudentie en literatuur en algemene beschouwingen over de toepasselijkheid
                    van een bepaald artikel, dus in de praktijk heeft ook deze model-toelichting
                    zeer veel nut.</al><al/><al>Deze APV vervangt de APV van 2009, als vastgesteld op 24 februari 2009, alsmede
                    de nadien hierin aangebrachte drie wijzigingen. De APV 2009 was aan herziening
                    toe in verband met nieuwe wettelijke regelgeving, jurisprudentie en
                    noodzakelijke aanpassingen op grond van uitvoerings- en handhavingsproblemen. </al><al><vet>Deregulering </vet></al><al>Alle artikelen in de model-APV zijn door de VNG getoetst op
                    dereguleringsmogelijkheden.</al><al>Deregulering gaat niet alleen over de kwantiteit maar ook over de kwaliteit van
                    regels. Allicht wilde men een aantal jaren geleden ook geen overbodige en/of
                    slechte regels, maar de inzichten over regels en de wenselijkheid van regels en
                    ook de ervaringen die men met regels opdoet leiden tot voortdurende aanpassingen
                    van regels. Een APV is dan ook geen statisch document, regelgeving is een
                    continu proces.</al><al/><al>Ten aanzien van de dereguleringsgedachte moet nog wel de volgende nuancering
                    worden gemaakt. Hoewel getracht is zoveel mogelijk overbodige regels uit de APV
                    te schrappen, blijft er toch een uitgebreide verordening bestaan. Natuurlijk
                    moeten overbodige APV-regels worden geschrapt, dat lijkt een open deur. In de nu
                    voorgestelde concept-APV wordt ook het een en ander geschrapt, maar toch blijft
                    er een uitgebreide verordening bestaan. Dat is misschien teleurstellend voor
                    degenen die de hoop hadden dat het aantal artikelen drastisch zou worden
                    verminderd.</al><al/><al>Deregulering gaat echter niet alleen over het schrappen van het aantal regels,
                    het gaat ook om de kwaliteit van die regels; regels moeten logisch zijn, regels
                    moeten met elkaar overeenstemmen, regels moeten geen overlap hebben met elkaar.
                    Deze punten hebben zeker de aandacht gekregen. Uiteraard is er bij deze
                    herziening veel aandacht besteed aan het zoveel mogelijk verbeteren van de
                    leesbaarheid van de artikelen en het voorkomen van doublures en
                    tegenstrijdigheden.</al><al/><al>Hoe dan ook blijft de APV toch een lijvig document met heel veel regels en
                    bepalingen. Hierbij moet bedacht worden, dat de APV bij uitstek een verordening
                    is met een groot aantal “<onderstreept>kapstokartikelen</onderstreept>”, dit
                    zijn artikelen die slechts sporadisch gebruikt worden, maar wel paraat moeten
                    zijn om (indien nodig) van de “kapstok” gehaald te kunnen worden. Veel artikelen
                    uit de APV lijken “slapend” te zijn en worden enkel bij excessen gebruikt.
                    Wanneer ze zouden worden verwijderd kunnen ze niet meer worden toegepast. Een
                    aantal APV-artikelen heeft vaak betrekking op kleinere ergernissen waartegen de
                    gemeente terughoudend optreedt. Echter, waneer een dergelijk probleem
                    structureel wordt en mensen overlast ondervinden, is het goed dat de
                    mogelijkheid bestaat om op te treden op basis van een artikel in de APV.
                    Aangezien de totstandkoming van een APV-bepaling immers een maandenlange
                    proceduretijd vergt, zou een al te uitgeklede APV de daadkracht bij het oplossen
                    van eventuele problemen te zeer verzwakken en kan niet snel ingespeeld worden op
                    actuele situaties. De APV wordt daarom ook wel eens een “excessenregeling”
                    genoemd.</al><al/><al><vet>Nummering</vet></al><al>Er is uitdrukkelijk voor gekozen de nummering van de artikelen uit de model-APV
                    over te nemen en in tact te laten. </al><al/><al>Dat de door de VNG gehanteerde nummering door ons wordt overgenomen, betekent
                    dat u in de tekst geregeld het woord “gereserveerd”of “vervallen” achter een
                    artikel zult zien staan. Deze “gereserveerde”of “vervallen” artikelen blijven
                    dus wel in de nummering opgenomen; het opnieuw nummeren van artikelen kan leiden
                    tot onduidelijkheid en het wijzigen van de artikelnummering brengt ook mee dat
                    veel gebruikte standaardteksten moeten worden aangepast en dat levert veel werk
                    op (ook in toekomstige wijzigingen, op onderdelen, van de APV). </al><al/><al>Er zijn evenwel ook artikelen die niet in de model-APV staan, maar die wel in de
                    oude APV stonden en die in de nieuwe Bergense APV moeten terugkomen. Bij deze
                    artikelen hebben we een letter achter het artikel geplaatst om toch de
                    VNG-nummering te kunnen blijven volgen. Een voorbeeld hiervan is artikel 2:47A.
                    Daarnaast zijn in afdeling 16 een aantal bepalingen opgenomen betreffende het
                    strand. Deze bepalingen (de artikelen 2:78 tot en met 2:92) vloeien voort uit
                    het door de raad vastgestelde strandbeleid voor de gemeente. </al><al/><al/><al><vet>Beleid</vet></al><al>In deze APV is het door de raad vastgesteld beleid betreffende evenementen,
                    strand en horeca neergelegd in een aantal bepalingen. Bij deze integrale
                    herziening zijn de betreffende bepalingen - voor zover noodzakelijk- aangepast
                    aan de door de raad vastgestelde wijzigingen op genoemde beleidsonderdelen. </al><al/><al>In 2008 is het <onderstreept>Evenementenbeleid</onderstreept> vastgesteld. Dit
                    evenementenbeleid is opgenomen in de relevante APV-artikelen 2:24, 2:25 en
                    2:26.</al><al/><al>In 2008 is ook de <onderstreept>Strandnota</onderstreept> vastgesteld. Hoofdstuk
                    2, afdeling 16 (artikelen 2:78 t/m 2:92) vormt de juridische vertaling van
                    hetgeen in de Strandnota 2008 is bepaald. Hierin zijn nieuwe gebruiksprofielen
                    (het activiteitenstrand) met gebruiksmogelijkheden benoemd en zijn bepaalde
                    regels. Deze zijn vertaald in voor de burgers na te leven en voor de gemeente te
                    handhaven APV-regels. </al><al/><al>Op 29 juni 2010 is de Horecanota Gastvrij Bergen door de raad vastgesteld. Deze
                    Horecanota is op 9 december 2010 gewijzigd. Als gevolg hiervan is de oude APV
                    aangepast aan deze Horecanota (incl. wijzigingen)en wel in de bepalingen onder
                    afdeling 8 (“Toezicht op openbare inrichtingen”). </al><al/><al><vet><onderstreept>Europese Dienstenrichtlijn (Lex Silencio
                            Positivo)</onderstreept></vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Op 28 december 2006 is de Europese Dienstenrichtlijn in werking getreden. Doel
                    van deze richtlijn is het wegnemen van onrechtvaardige belemmeringen voor het
                    verrichten van diensten in een ander dan het eigen EU-land.Vanaf de
                    inwerkingtreding hebben de EU-lidstaten drie jaar de tijd gehad om de
                    Dienstenrichtlijn in te voeren, dus tot 28 december 2009.</al><al>De wet- en regelgeving die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt,
                    dient op grond van de Dienstenrichtlijn te worden getoetst (gescreend) op de
                    eisen waarmee dienstverrichters te maken hebben. Deze eisen worden getoetst op
                    noodzakelijkheid, proportionaliteit en non-discriminatie. Voor een nadere uitleg
                    over de dienstenrichtlijn en de gevolgen hiervan voor decentrale overheden wordt
                    verwezen naar de uitgebreide toelichting behorende bij de model -APV van de
                    VNG.</al><al/><al>De uit de Dienstenrichtlijn voortkomende verplichtingen zijn voor Nederland
                    vastgelegd in de Dienstenwet (Stb. 2009, 503).</al><al>De Dienstenwet geeft een wettelijke basis aan de volgende verplichtingen uit de
                    Dienstenrichtlijn:</al><al>1. Administratieve vereenvoudiging en inrichting van het elektronische
                    Dienstenloket voor bedrijven en het consumentenloket.</al><al>2. Enkele algemene voorschriften voor vergunningstelsels en vergunningen voor
                    zover deze nog geen deel uitmaken van de Nederlandse rechtsorde.</al><al/><al><cursief>Ad 1.</cursief> Via het Dienstenloket bieden overheden alle gegevens
                    elektronisch aan die nodig zijn voor het doorlopen van procedures, zoals het
                    aanvragen van vergunningen. Ook al het berichtenverkeer dat nodig is voor deze
                    procedures – van aanvraag tot en met eindbeslissing – moet elektronisch kunnen
                    plaatsvinden als de dienstverlener dit wenst. Dit elektronische berichtenverkeer
                    moet zich afspelen in een beveiligde internetomgeving.</al><al/><al><cursief>Ad 2</cursief>. Het betreft hier een aanvullende eisen voor decentrale
                    overheden met betrekking tot de vergunningstelsels. Voor wat betreft de algemene
                    voorschriften voor vergunningstelsels bevat de Dienstenwet bepalingen dat,
                    indien er geen andere wettelijke termijnen zijn voorgeschreven, de beschikking
                    op een vergunningaanvraag zo snel mogelijk en in ieder geval binnen 8 weken na
                    ontvangst van de aanvraag moet zijn gegeven. Alleen in ingewikkelde gevallen is
                    eenmalig uitstel mogelijk voor het afgeven van een beschikking. De
                    vergunningverlener moet een eventuele verlenging van de beslistermijn
                    gemotiveerd aan de aanvrager meedelen.</al><al/><al>Ook legt de Dienstenwet vast dat een verleende vergunning in beginsel onbeperkt
                    geldig is en dus niet periodiek hoeft te worden aangevraagd, behalve als
                    dwingende redenen van algemeen belang een beperkte geldigheidsduur
                    rechtvaardigen. </al><al/><al>Een andere belangrijk element is het regelen van de lex silencio positivo. De
                    lex silencio positivo is de rechtsfiguur die inhoudt dat de overschrijding van
                    een beslistermijn door het bevoegde bestuursorgaan van rechtswege leidt tot een
                    (fictieve) positieve beslissing op de vergunningaanvraag. De lex silencio
                    positivo is geen onbekende figuur in Nederland.<sup/>Zij bestaat al langere tijd
                    bij de bouwvergunning, de monumentenvergunning en een aantal vergunningen in het
                    kader van de mededingingswet en mijnbouwwet.</al><al/><al>De dienstenrichtlijn verplicht tot invoering van de lex silencio positivo.In de
                    Algemene wet bestuursrecht wordt de lex silencio positivo in een facultatieve
                    regeling gegoten.</al><al>Voor vergunningstelsels die onder de Dienstenrichtlijn en Dienstenwet vallen is
                    zij niet vrijblijvend. De lex silencio positivo is van toepassing
                        <onderstreept>tenzi</onderstreept>j de vergunningverlenende overheid in haar
                    eigen wet- en regelgeving op grond van een dwingende reden van algemeen belang
                    expliciet heeft bepaald dat voor een specifiek vergunningstelsel deze regeling
                    niet van toepassing is.</al><al/><al>Decentrale overheden zullen dus voor vergunningstelsels die vallen onder de
                    reikwijdte van de Dienstenrichtlijn een oordeel moeten vellen of afgeweken moet
                    worden van het principe van de lex silencio. Vanaf 1 januari 2012 moet ook bij
                    een geval van een dwingende reden van algemeen belang altijd de lex silencio
                    positivo uitdrukkelijk worden uitgesloten.</al><al/><al>De VNG heeft voor wat betreft de Model Algemene Plaatselijke Verordening(APV)
                    aangegeven voor welke vergunningstelsels de lex silencio positivo van toepassing
                    kan worden verklaard en bij welke hiervan om dwingende redenen van algemeen
                    belang kan worden afgezien. De gemeente Bergen heeft het voorstel van de VNG met
                    betrekking tot de APV grotendeels overgenomen met uitzondering van de voor
                    Bergen specifieke vergunning-/ontheffingstelsels. In de toelichting bij de
                    artikelen wordt de keuze nader gemotiveerd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet><vet>Artikel 1:1
                        Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen.</al><al/><al><vet>a. College</vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders. </al><al/><al><vet>b. Een openbare plaats </vet></al><al>Hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare manifestaties (Wom). Artikel 1,
                    eerste lid, WOM bepaalt wat een openbare plaats is, namelijk een plaats die
                    krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek. Deze definitie
                    kent dus twee criteria.</al><al>Ten eerste moet de plaats open staan voor het publiek. Dat wil volgens de
                    memorie van toelichting zeggen “dat in beginsel eenieder vrij is om er te komen,
                    te vertoeven en te gaan; dit houdt in dat het verblijf op die plaats niet door
                    de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden mag zijn (...). Dat de plaats "open
                    staat" betekent verder dat geen sprake is van een meldingsplicht, de eis van
                    voorafgaand verlof, of de heffing van een toegangsprijs voor het betreden van de
                    plaats”.</al><al>Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen,
                    restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen “openbare plaatsen”. Ook de hal
                    van het gemeentehuis valt buiten het begrip “openbare plaats”.</al><al>Het tweede criterium is dat het open staan van de plaats moet zijn gebaseerd op
                    bestemming of vast gebruik. “De bestemming ziet op het karakter dat door de
                    gerechtigde aan de plaats is gegeven blijkens een besluit of blijkens de uit de
                    inrichting van de plaats sprekende bedoeling. Een openbare plaats krachtens vast
                    gebruik ontstaat wanneer de plaats gedurende zekere tijd wordt gebruikt als had
                    deze die bestemming, en de rechthebbende deze feitelijke toestand gedoogt”,
                    aldus de memorie van toelichting (TK 1985-1986, 19 427, nr. 3, p. 16).</al><al>Voorbeelden van openbare plaatsen in de zin van artikel 1, eerste lid, WOM zijn:
                    openbare wegen, plantsoenen, speelweiden en parken en vrij toegankelijke
                    gedeelten van overdekte passages, van winkelgalerijen, van stationshallen en van
                    vliegvelden, openbare waterwegen en recreatieplassen.</al><al>Omdat de definitie van het begrip “openbare plaats” ook een aantal “besloten
                    plaatsen” als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Grondwet kan omvatten, is in
                    artikel 1, tweede lid, WOM expliciet aangegeven dat onder een openbare plaats
                    niet wordt begrepen een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6,
                    tweede lid, van de Grondwet (TK 1986-1987, 19 427, nr. 5, p. 11-13, en nr.
                    6).</al><al><vet>c. Weg</vet></al><al>De meeste van de in deze verordening opgenomen bepalingen hebben betrekking op
                    (verboden) gedragingen “op of aan de weg”. In artikel 1:1 is de “weg” omschreven
                    als weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Dat verschilt aanzienlijk van de
                    oude omschrijving, waar praktisch iedere publiek toegankelijke ruimte onder het
                    begrip “weg” viel. Daarop is kritiek gekomen, met name omdat het begrip “weg” op
                    die manier wel erg ver af kwam te staan van wat het normale spraakgebruik
                    daaronder verstaat. In de aanwijzingen voor de decentrale regelgeving is juist
                    aangegeven dat het normale spraakgebruik zoveel mogelijk moet worden
                    gevolgd.</al><al/><al>In de wetgeving bestaan verschillende definities van het begrip “weg”:</al><al>a. de “(Openbare) weg” in de zin van de Wegenwet: een begrip dat de wetgever
                    heeft gecreëerd in verband met de verkeersbehoefte. Een van de grondbeginselen
                    van de Wegenwet is dat het verkeer op wegen die openbaar zijn in de zin van deze
                    wet, het onbetwistbaar recht van vrij gebruik heeft (behoudens bepaalde
                    beperkingen; zie hierna);</al><al>b. de “weg” in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), te weten de voor
                    het openbaar verkeer openstaande weg: een begrip ontstaan als gevolg van de
                    noodzaak om met betrekking tot de verkeersveiligheid en het in stand houden van
                    de weg in te grijpen.</al><al/><al><vet>d. Openbaar water</vet></al><al>Een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is ieder
                    water, dat open staat voor het publiek. “Openbaar” is hier dus synoniem aan
                    “feitelijk voor het publiek toegankelijk”.</al><al/><al><vet>e. Bebouwde kom</vet></al><al>De reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de
                    bebouwde kom.</al><al/><al>Voor het begrip “bebouwde kom” is aangesloten bij de grenzen van de bebouwde kom
                    zoals deze zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet
                    1994.</al><al/><al><vet>f. Rechthebbende</vet></al><al>Hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk recht.</al><al/><al><vet>g. Bouwwerk</vet></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de (Model-)bouwverordening. </al><al/><al><vet>h. Gebouw</vet></al><al>Deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c, van de Woningwet. </al><al/><al/><al><vet>i. Handelsreclame</vet></al><al>In het vierde lid van artikel 7 van de Grondwet, betreffende de vrijheid van
                    meningsuiting, wordt handelsreclame (commerciële reclame) met zoveel woorden
                    buiten de werking van dit artikel geplaatst. Dit is vooral van belang in verband
                    met het bepaalde in het eerste lid van artikel 7, dat zich volgens vaste
                    jurisprudentie verzet tegen een vergunningsstelsel voor de verspreiding van
                    gedrukte stukken e.d.</al><al/><al><vet>j. Voertuig</vet></al><al>Deze omschrijving is opgenomen in verband met het bepaalde in artikel 2:10 van
                    deze verordening.</al><al/><al><vet>k. Bevoegd gezag</vet></al><al>Met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen
                    omgevingsrecht (Wabo). Die is van toepassing op de vergunning voor aanleg of
                    veranderen van een weg (artikel 2:11) en het vellen van houtopstanden (artikel
                    4:11). De vergunning voor het aanleggen of veranderen van een weg is aangewezen
                    in artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo, en de vergunning voor het
                    vellen van houtopstanden in artikel 2.2, eerste lid onder g. De Wabo kan ook van
                    toepassing zijn op het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke
                    functie daarvan, namelijk als het gaat om het opslaan van roerende zaken
                    (artikel 2:10). De ontheffing voor het opslaan van roerende zaken is aangewezen
                    in artikel 2.2, eerste lid, onder j en k van de Wabo. Zie verder de toelichting
                    bij artikel 2:10.</al><al/><al>De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één
                    procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van
                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal
                    worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot
                    toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar
                    bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.</al><al/><al>Zie verder ook de toelichting bij de artikelen 2:10, 2:11 en 4:11 van deze
                    verordening.</al><al/><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering.</al><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><al/><al>In deze APV is de beslistermijn vastgesteld op acht weken (eerste lid). Dit is
                    gelijk aan de maximumtermijn die in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb, wordt
                    gesteld. </al><al>Meer ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor meerdere adviezen moeten worden
                    ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de beslistermijn zoals
                    aangegeven in lid 2 biedt dan uitkomst. Uitgangspunt blijft altijd dat die
                    termijn redelijk moet zijn. Artikel 4:14 Awb verplicht tot kennisgeving aan de
                    aanvrager van dit verlengingsbesluit. Indien de aanvrager meent dat de
                    verlenging niet redelijk is, kan hij daartegen in bezwaar en beroep gaan.</al><al/><al>De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel
                    3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd.</al><al/><al>Het derde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt
                    dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                    verlengd. </al><al/><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning of ontheffing die
                    onder de Wabo valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor,
                    Staatscourant 2010-5162). De algemene indieningsvereisten staan in artikel 1.3
                    Mor, dat luidt als volgt:</al><al>Artikel 1.3 Indieningsvereisten bij iedere aanvraag</al><al>1. In de aanvraag vermeldt de aanvrager:</al><al> a. de naam, het adres en de woonplaats van de aanvrager, alsmede het
                    elektronisch adres van de aanvrager, indien de aanvraag met een elektronisch
                    formulier wordt ingediend;</al><al> b. het adres, de kadastrale aanduiding dan wel de ligging van het project;</al><al> c. een omschrijving van de aard en omvang van het project;</al><al> d. indien de aanvraag wordt ingediend door een gemachtigde: zijn naam, adres en
                    woonplaats, alsmede het elektronisch adres van de gemachtigde, indien de
                    aanvraag met een elektronisch formulier wordt ingediend; </al><al> e. indien het project wordt uitgevoerd door een ander dan de aanvrager: zijn
                    naam, adres en woonplaats.</al><al>2. De aanvrager voorziet de aanvraag van een aanduiding van de locatie van de
                    aangevraagde activiteit of activiteiten. Deze aanduiding geschiedt met behulp
                    van een situatietekening, kaart, foto’s of andere geschikte middelen.</al><al>3. De aanvrager doet bij de aanvraag een opgave van de kosten van de te
                    verrichten werkzaamheden. </al><al/><al><vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al>In de praktijk gebeurt het nog wel eens dat burgers met de aanvraag om een
                    vergunning tot het laatste moment wachten. Als algemene richtlijn wordt daarom
                    een termijn van drie weken aangehouden. De bewoordingen van het onderhavige
                    artikel (“kan”) laten uitkomen, dat niet elke te laat ingediende aanvraag buiten
                    behandeling hoeft te worden gelaten. Voor vergunningen die niet binnen drie
                    weken kunnen worden behandeld, is in het tweede lid de mogelijkheid geschapen om
                    de termijn van drie weken te verlengen tot maximaal acht weken.</al><al/><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>In literatuur en jurisprudentie is men het erover eens dat de bevoegdheid tot
                    het verbinden van voorschriften in beginsel aanwezig is in die gevallen waarin
                    het al dan niet verlenen van die vergunning of ontheffing ter vrije beslissing
                    staat van het beschikkende orgaan. Daarbij moet ook - ten overvloede - worden
                    aangegeven dat die voorschriften uitsluitend mogen strekken ter bescherming van
                    de belangen in verband waarmee het vereiste van vergunning of ontheffing is
                    gesteld.</al><al/><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning of ontheffing verbonden
                    zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de vergunning of ontheffing dan
                    wel voor toepassing van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd.</al><al/><al>De vraag of bij niet-nakoming van vergunningsvoorschriften bestuursdwang kan
                    worden toegepast, wordt in het algemeen bevestigend beantwoord. Doordat in het
                    tweede lid van artikel 1:4 naleving van deze voorschriften wordt omschreven als
                    verplichting, wordt hierover alle onzekerheid weggenomen.</al><al/><al>Uiteraard is bestuursdwang niet mogelijk, wanneer alleen voorschriften zijn
                    overtreden, die slechts beogen het toezicht op de naleving van de vergunning of
                    ontheffing te vergemakkelijken, maar geen verband houden met de bescherming van
                    het belang of de belangen met het oog waarop de vergunning of ontheffing is
                    vereist.</al><al/><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                        ontheffing/vrijstelling</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV.</al><al/><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                        ontheffing/vrijstelliing</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV.</al><al/><al><vet>Artikel 1:7 Termijnen</vet></al><al>Voorheen kende de APV geen bepaling die een geldingsduur aangaf voor een
                    krachtens de APV verleende vergunning of ontheffing. Vergunningvoorwaarden
                    konden bepalen dat de vergunning of ontheffing periodiek moest worden
                    verlengd.</al><al/><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. </al><al>Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde
                    tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een
                    standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.</al><al/><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al>Vergunningstelsels zijn in deze APV als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling
                    om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning.
                    Vergunningstelsels kenden voorheen vervolgens een artikellid of –leden met
                    weigeringsgronden. Deze werden op verschillende manier omschreven wat
                    suggereerde dat in verschillende bepalingen materieel andere weigeringsgronden
                    golden. Dit was meestal niet het geval. In het kader van deregulering en
                    vermindering van administratieve lasten is kritisch naar de weigeringsgronden
                    gekeken. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is binnen de APV
                    ervoor gekozen om in Hoofdstuk I algemene weigeringsgronden te benoemen. In de
                    afzonderlijke vergunningstelsels zijn de betreffende artikel(led)en vervallen.
                    Alleen als er voor een vergunning andere weigeringsgronden gelden dan de in
                    artikel 1:8 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Openbare orde</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting afdeling 1, Orde en veiligheid op openbare
                        plaatsen</vet></al><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen die bedoeld zijn om zowel het gebruik
                    als de bruikbaarheid van de weg in goede banen te kunnen leiden en de openbare
                    orde op andere openbare plaatsen te waarborgen. De diverse functies van de
                    openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten en feesten, vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik.</al><al/><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het begrip “samenscholing” is ontleend aan artikel 186 WvSr: “Hij die
                    opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk
                    verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd bestuursorgaan gegeven
                    bevel, wordt, als schuldig aan deelneming aan samenscholing, gestraft met
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                    categorie.” </al><al>Zie hierover de in het commentaar bij het tweede lid genoemde jurisprudentie.
                    Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties moeten dit
                    soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd worden. Deze
                    uitzondering is daarom opgenomen in het vijfde lid van dit artikel.</al><al/><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In het tweede lid wordt aan de burger de verplichting opgelegd om zich op bevel
                    van een politieambtenaar te verwijderen van een openbare plaats bij (dreigende)
                    ongeregeldheden.</al><al>De bevoegdheid van de politie om bevelen te geven volgt uit artikel 2
                    Politiewet. Artikel 2:1, tweede lid van de model-APV bevat het geven van een
                    bevel in een concreet geval. Overtreding van een dergelijk bevel wordt strafbaar
                    gesteld via opname van artikel 2:1, tweede lid in artikel 6:1 van de
                    (model)APV.</al><al>Ook in het proces- verbaal en de tenlastelegging moet het niet opvolgen van het
                    politiebevel worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1 jo. het
                    desbetreffende strafartikel van de gemeentelijke APV (artikel 6:1 van de
                    model-APV).</al><al>Naast de politiebevelen ex artikel 2:1- model-APV blijven uiteraard ook de
                    bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare-ordebevoegdheden
                    mogelijk. Bevelen van de burgemeester, bijvoorbeeld op grond van de Gemeentewet,
                    of aanwijzingen in het kader van de Wet openbare manifestaties die de politie in
                    mandaat uitvoert en die niet worden opgevolgd, kunnen nog steeds strafbaar
                    worden gesteld op grond van artikel 184, eerste lid Wetboek van Strafrecht.</al><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al>Voor jurisprudentie over de toepassing van dit artikel wordt verwezen naar de
                    toelichting behorende bij de model-APV van de VNG.<cursief>Lex silencio
                        positivo</cursief></al><al>De burgemeester kan op grond van het bepaalde in lid 4 ontheffing verlenen van
                    het verbod zich te begeven of te bevinden op openbare plaatsen die door of
                    vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter
                    voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. Deze bepaling richt zich op de
                    bescherming van de openbare orde en veiligheid en het beperken van overlast. Een
                    lex silencio is niet gewenst wegens de openbare orde en veiligheid.</al><al/><al><vet>Artikel 2:1A Verblijfsontzegging</vet></al><al>Om de burgemeester de bevoegdheid te verlenen een persoon of personen uit een
                    straat of bepaald gebied te weren is in de huidige Apv reeds een artikel
                    opgenomen. Dit artikel is in de nieuwe APV aangepast aan de regionale
                    regelgeving. </al><al/><al>Een verblijfsontzegging is gericht op iemand die op een bepaalde plaats een
                    strafbaar feit heeft gepleegd en die in het belang van de openbare orde, het
                    voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen
                    van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de
                    gezondheid of de zedelijkheid gedurende een bepaalde periode een verbod krijgt
                    om zich op die plaats te begeven. </al><al/><al>Een aantal aandachtspunten dient in acht te worden genomen: alvorens een
                    verblijfsontzegging op te leggen, dient de verdachte te worden gehoord;
                    duidelijk dient te worden aangegeven welke gedragingen tot de
                    verblijfsontzegging aanleiding hebben gegeven; het bevel dient rechtmatig te
                    zijn gegeven; vereiste van proportionaliteit (maatregel en doel van de maatregel
                    moeten in redelijke verhouding tot elkaar staan) bij het opleggen van een
                    dergelijke maatregel; er moet sprake zijn van een reële (dreigende) verstoring
                    van de openbare orde e.d.. </al><al/><al>Ook zal een gebruiksinstructie ten behoeve van het gebruik van deze bevoegdheid
                    noodzakelijk zijn. In deze instructie wordt duidelijk gemaakt volgens welke
                    regels te werk zal worden gegaan. Hierin ligt tevens vast welke sanctie past bij
                    welke type herhaalde overtreding. Deze instructie zal in overleg met de Officier
                    van Justitie tot stand moeten komen. Daarnaast zal er een besluit noodzakelijk
                    zijn waarin het gebied, waarvoor de verblijfsontzegging kan gelden, wordt
                    aangewezen.</al><al/><al>Deze bestuursrechtelijke bevoegdheid van de burgemeester over
                    ‘verblijfsontzegging’ moet niet worden verward met het ‘straat- of
                    contactverbod’; een burger die wordt lastig gevallen kan door middel van een
                    kort geding/civiele procedure op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (het
                    artikel van de “onrechtmatige daad”) een straat of contactverbod ten aanzien van
                    één of meer personen afdwingen. Het initiatief tot een dergelijke procedure moet
                    liggen bij de burger die lastig wordt gevallen, de gemeente, of beter gezegd de
                    burgemeester, kan hier geen rol in vervullen. </al><al/><al><vet>Artikel 2:2 Optochten (gereserveerd)</vet></al><al>In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling (de artikelen 2:24 en 2:25). Zie verder de
                    toelichting bij die artikelen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al>Dit artikel is een uitwerking van enkele artikelen uit de Wet openbare
                    manifestaties (WOM).</al><al/><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen)</vet></al><al>Opgenomen in artikel 2:3, vijfde lid</al><al/><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (Vervallen)</vet></al><al>Opgenomen in artikel 2:3, tweede lid</al><al/><al><vet>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen</vet></al><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren,
                    waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog
                    resterende verbod een ontheffing te verlenen. Van de in het eerste lid
                    toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen
                    gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel
                    2:42.</al><al/><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6</al><al>Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan
                    kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het verspreiden van gedrukte stukken valt niet onder de Wabo, ook niet als daar
                    een element van handelsreclame in zit.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om gedrukte of geschreven
                    stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. De lex silencio
                    positivo is hier mogelijk. Het betreft een eenvoudige aanvraag die weinig
                    voorkomt. </al><al/><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (gereserveerd)</vet></al><al>In 2006 is met het oog op het vereenvoudigen van de APV dit artikel opgenomen
                    onder de evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie het commentaar bij
                    die artikelen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening (gereserveerd)</vet></al><al>Artikel 2.1.4.2 (oud) bevatte een vergunningstelsel voor dienstverlening.
                    Dienstverlening betreft allerlei straatberoepen, zoals kruiers, de scharensliep,
                    de reiniger van voertuigen en de glazenwasser. Sommigen zijn uit het straatbeeld
                    verdwenen, anderen hebben hun intrede gedaan. Denk bijvoorbeeld aan
                    besteldiensten van pizza’s of de supermarkt en bewakingsdiensten. De VNG heeft
                    het dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het streven naar
                    vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en het bedrijfsleven
                    (deregulering). De deregulering is ingegeven door de opvatting dat de regeling
                    niet (meer) voldeed aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in de Europese
                    Dienstenrichtlijn. Het risico van overlast of verstoring van de openbare orde en
                    zedelijkheid is immers niet groot bij deze vormen van dienstverlening. Dit bleek
                    al uit het optionele karakter van het oude artikel. Voorts geldt voor wat
                    betreft de verkeersveiligheid artikel 5, van de Wegenverkeerswet 1994, dat
                    bepaalt dat ieder zich zodanig dient te gedragen dat geen gevaar op de weg wordt
                    veroorzaakt of dat het verkeer wordt gehinderd. Als de dienstverlener optreedt
                    als venter, dat wil zeggen dat hij ambulant is, gelden bovendien de artikelen
                    over venten (5:14 e.v.).</al><al/><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest e.d.</vet></al><al>Het oude artikel 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd) is in 2006 geschrapt.
                    Feesten en wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan
                    ook een evenement zijn, zie onder artikel 2:24. Echter het optreden van een
                    straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is
                    de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. Hetzelfde geldt voor
                    straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9. In deze APV is
                    het tweede lid van dit oude artikel geschrapt aangezien deze bevoegdheid in de
                    praktijk niet wordt toegepast. <cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het aanwijzen van een gebied waar het verboden is als straatartiest op te treden
                    zal doorgaans op initiatief van het college zelf gebeuren en niet op aanvraag.
                    Indien er wel sprake is van een aanvraag, bestaan er geen duidelijke bezwaren
                    tegen een lex silencio positivo. Een ontheffing van het verbod zal vaker op
                    aanvraag gegeven worden, maar ook een ambtshalve ontheffing kan voorkomen,
                    bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is
                    geen reden om van een lex silencio af te zien.</al><al/><al><vet>Artikel 2:10 Voorwerpen op, aan, in of boven de weg </vet></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden of zuilen, containers of
                    meubilair e.d. op een openbare plaats in strijd met de publieke functie
                    ervan.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft: het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de
                    Wabo. Een vergunning wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste
                    zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsgvergunning. Daarom is in dit
                    artikel een zevende lid opgenomen, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge
                    de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo)
                    in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. </al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Aan de bepaling liggen de volgende motieven ten grondslag, te weten: de
                    verkeersveiligheid, de welstand en het gevaar of de hinder die de stoffen of
                    voorwerpen voor personen of goederen kunnen opleveren, openbare orde aspecten en
                    het milieu (overlast).</al><al>Aangezien de aspecten van de openbare orde, verkeersveiligheid en milieu in het
                    geding zijn, dient er vooraf een risico-inventarisatie plaats te vinden.
                    Controle achteraf is niet mogelijk. De lex silencio positivo is daarom niet
                    wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang.</al><al/><al><vet>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In verband met de verkeersveiligheid en de bruikbaarheid van wegen is het niet
                    gewenst dat niet-overheden zomaar wegen aanleggen, beschadigen of
                    veranderen.</al><al>Voor de aanleg van wegen en het daarvoor eisen van een vergunning van het
                    college is de relatie met de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) van
                    belang.</al><al>Het motief dat aan dit artikel ten grondslag ligt, is de behoefte om de aanleg,
                    beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op
                    de bruikbaarheid van die weg.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d,
                    van de Wabo van toepassing als het uitvoeren van de activiteit zonder vergunning
                    verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit.
                    Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing
                    zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes
                    weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één
                    onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van
                    toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van
                    zes weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de
                    toelichting bij artikel 1.2. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn
                    in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</al><al/><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. De
                    weigeringsgronden staan in artikel 1.8 van deze verordening. </al><al/><al>Indien het uitvoeren van de activiteit zonder vergunning niet is verboden in een
                    bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van
                    toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van
                    de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig: het college hoeft
                    zichzelf geen vergunning te verlenen. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Er bestaan geen bezwaren tegen de invoering van een lex silencio positivo. Er is
                    slechts een gering maatschappelijk risico. </al><al/><al><vet>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>In het kader van de verkeersveiligheid is ervoor gekozen deze vergunningplicht
                    te handhaven. De belangen die het college hierbij kan afwegen zijn vooral en in
                    de eerste plaats gevaar of hinder voor het wegverkeer ter plaatse. Daarnaast kan
                    worden gedacht aan het verlies van een bestaande openbare parkeerplaats of de
                    bescherming van openbare groenvoorzieningen.</al><al/><al><cursief>Wabo</cursief></al><al>Op het maken, veranderen van een uitweg is op grond van artikel 2.2, eerste lid
                    onder e, van de Wabo een omgevingsvergunning vereist. Dat betekent dat de
                    termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze
                    vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let
                    wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel
                    3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing
                    (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes
                    weken).</al><al>De indieningsvereisten voor een aanvraag om een vergunning die onder de Wabo
                    valt, staan in de Ministeriele regeling omgevingsrecht (Mor). Het gaat dan om de
                    algemene indieningsvereisten uit artikel 1.3 van de Mor. Zie daarvoor de
                    toelichting bij artikel 1.2. Voor het aanleggen of veranderen van een weg zijn
                    in de Mor geen aanvullende indieningsvereisten opgenomen.</al><al/><al>In artikel 2:18 van de Wabo is bepaald dat de vergunning alleen kan worden
                    verleend of geweigerd op de gronden vermeld in deze verordening. Aan de
                    weigeringsgronden als vermeld in dit artikel is toegevoegd dat de vergunning
                    tevens geweigerd kan worden in het belang van de bruikbaarheid van de weg, het
                    doelmatig en veilig gebruik van de weg, de bescherming van het uiterlijk aanzien
                    van de omgeving en de bescherming van de groenvoorziengen in de gemeente. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het maatschappelijk belang van deze bepaling is gelegen in de verkeersveiligheid
                    en het warborgen van het gebruik van de weg overeenkomstig de bestemming. Er
                    bestaan geen bezwaren tegen de invoering van een lex silencio positivo.</al><al/><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (gereserveerd)</vet>Dit artikel ging
                    onder andere over het sneeuw- en ijsvrij houden van stoepen. Iedere winter komt
                    de vraag weer op waarom dit geschrapt is. Vele APV’s kennen of kenden een plicht
                    voor de eigenaar van een gebouw of terrein, gelegen binnen de bebouwde kom, om
                    het trottoir langs dat gebouw of terrein sneeuwvrij te maken en te houden. Rond
                    deze bepaling keert dikwijls de vraag terug van bevoegdheid tot regeling. Het
                    opnemen van zo’n plicht in de APV zou namelijk strijd opleveren met de in 1930
                    in Geneve door de International Labour Organisation vastgestelde conventie
                    betreffende de gedwongen of verplichte arbeid, of zou in strijd zijn met artikel
                    4 van het EVRM.</al><al>Daarnaast moet geconstateerd worden dat een dergelijke bepaling door de overheid
                    niet gehandhaafd wordt. Om deze redenen is afgezien van opname van een
                    “sneeuwruimbepaling” in de model APV.</al><al/><al/><al>Jurisprudentie</al><al>Bewoners hebben de verplichting ingevolge de APV om gladheid op aangrenzend
                    trottoir te bestrijden. Van bewoners kan niet worden gevergd dat zij bij
                    sneeuwval hun trottoir voortdurend sneeuwvrij houden. Rb Amsterdam d.d. 20 01
                    1993, VR 1994, 158.</al><al/><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten </al><al>achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze winkelwagentjes
                    een her-</al><al>kenningsteken aan te brengen. </al><al/><al><vet>Artikel 2:15 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp</vet></al><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid tot het toepassen van bestuursdwang ex artikel 125 Gemeentewet, een
                    last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</al><al/><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. (gereserveerd)</vet>Bij de herziening van
                    de APV in 2009 is besloten deze bepaling niet meer op te nemen. De vraag is
                    namelijk of deze bepaling iets toevoegt aan de hieronder genoemde bepaling in
                    het Wetboek van strafrecht.</al><al>Afbakening</al><al>Artikel 427, onder 1 en 3 , Wetboek van Strafrecht verplicht de eigenaar tot het
                    treffen van de nodige voorzorgmaatregelen met betrekking tot kelderingangen en
                    toegangen tot onderaardse ruimten ten behoeve van de veiligheid van
                    voorbijgangers.</al><al>De onderhavige APV bepaling gaat verder. Geopende kelderingangen e.d. blijven,
                    ook al worden ze met de nodige voorzorgsmaatregelen omgeven, een gevaar voor het
                    publiek. Het zonder noodzaak geopend hebben van kelderingangen e.d. kan hiermee
                    tegengegaan worden. Voorlsnog is deze bepaling gereserveerd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:18 Rook- en openvuurverbod in bossen en
                    natuurterreinen</vet></al><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen te</al><al>gen te gaan. Het verbod kan niet zover strekken dat het roken in de gebouwen en
                    in de bij</al><al>behorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen, niet meer mogelijk is.
                    De periode </al><al>waarin het rookverbod geldt zou van 1 maart tot 1 november kunnen zijn en kan
                    bepaald </al><al>worden na advies door de brandweercommandant. In dit artikel is een nieuw
                    artikel opgeno-</al><al>men waarbij het verboden is een open vuur aan te leggen, te stoken of te hebben
                    in bossen, </al><al>op heide- of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van
                    dertig meter </al><al>daarvan. Dit verbod geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en
                    aangrenzen-</al><al>de erven.</al><al/><al><vet>Artikel 2:18A Opslag licht-ontvlambare stoffen</vet></al><al>Dit is een artikel uit de oude APV Bergen 2001. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Aan deze bepaling met betrekking tot de opslag van licht-ontvlambare stoffen
                    liggen motieven van openbare orde en openbare veiligheid ten grondslag. Een
                    controle achteraf is te risicovol. Gelet hierop is toepassing van de lex
                    silencio positivo om dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk.</al><al/><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (gereserveerd)</vet></al><al>Dit artikel voegde weinig toe aan privaatrechtelijke bevoegdheden om tegen
                    gevaarzettende situaties op te treden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet privaatrecht het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van het onderhavige
                    artikel geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer
                    de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of
                    de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><al/><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al>Ten behoeve van de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen
                    een strook grond als zodanig bestemd en worden tevens gebruiksvoorschriften
                    opgesteld waarmee aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Hierbij
                    kan gedacht worden aan voorschriften over de hoogte van toe te laten
                    gebouwen.</al><al>Ook sluit het desbetreffende elektriciteitsbedrijf overeenkomsten met de
                    eigenaren van de gronden waarop en waarover de hoogspanningsmasten en leidingen
                    staan of lopen. Deze overeenkomsten beperken, uiteraard tegen een
                    schadevergoeding, de zakelijke rechten van de eigenaren. Zij bevatten dan ook
                    altijd voorwaarden met betrekking tot het gebruik van de gronden onder de
                    hoogspanningslijnen. In gemeenten waar dit op deze wijze is geregeld, kan het
                    opnemen van dit artikel achterwege blijven.</al><al>Indien een bestemmingsplan ontbreekt, bijvoorbeeld voor de bebouwde kom, dan
                    bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om overtreding van deze
                    bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat, zo nodig met
                    bestuursdwang recht te kunnen zetten. Wel moeten de voorschriften, bijvoorbeeld
                    de hoogte van toe te laten gebouwen, i.c. twee meter, uit bestemmingsplan en APV
                    op elkaar afgestemd zijn.</al><al><cursief>Lex silencio positivo </cursief></al><al>Aan de bepaling “Objecten onder hoogspanning” liggen motieven van openbare orde,
                    de openbare veiligheid en de volksgezondheid ten grondslag. Een controle
                    achteraf is te risicovol. Gelet hierop is toepassing van de lex silencio
                    positivo om dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk.</al><al/><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs[gereserveerd]</vet></al><al>Dit artikel is in het kader van deregulering bij de vaststelling van de oude APV
                    2009 niet meer opgenomen.</al><al/><al><vet>Afdeling 7 Toezicht op evenementen</vet></al><al>In deze afdeling is het in 2008 vastgestelde evenementenbeleid
                    vertaald.</al><al/><al><vet>Artikel 2:24 Begripsomschrijving</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien
                    van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend
                    criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”)
                    wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van
                    de bepalingen valt.</al><al>Zie verder de uitgebreide toelichting bij de model-APV van de VNG.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 2:25 Evenement</vet></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Bij grote en middelgrote evenementen is vooraf een vergunning noodzakelijk,
                    controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare
                    orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid en volksgezondheid e.d.</al><al>In het geval van een klein evenement kan volstaan worden met een melding. Het is
                    dan niet per se noodzakelijk en proportioneel om een vergunning te eisen.</al><al/><al>In het nieuwe tweede lid van dit artikel is in het belang van de openbare orde
                    en veiligheid een tweetal extra weigeringsgronden opgenomen. </al><al/><al>In het nieuwe derde lid is in het belang van het welzijn van dieren een
                    weigeringsgrond opgenomen. Deze weigeringsgrond is niet van toepassing voorzover
                    bij of krachtens de Gezondheis- en welzijnswet voor dieren wordt voorzien in
                    regels ter zake van de huisvesting, het vervoer en de behandeling van bij het
                    evenement betrokken dieren.</al><al/><al>In de nota Evenementenbeleid gemeente Bergen 2008 zijn in de paragrafen 5.6 tot
                    en met 5.8. termijnen gesteld waarbinnen een aanvraag moet worden ingediend voor
                    een evenement van de categorieën A (een risico-evenement), B ( evenement met
                    verhoogde veiligheidsaandacht) en C (regulier evenement). Deze termijnen wijken
                    af van de termijnen als genoemd in artikel 1:3 van de APV. In verband daarmee is
                    in het vierde lid de bepaling opgenomen dat voor het indienen van een aanvraag
                    voor één van de genoemde evenementen een andere termijn geldt dan die als
                    gesteld in artikel 1:3.</al><al/><al>In het zesde lid is de bepaling opgenomen dat de burgemeester bij meldingen voor
                    een klein evenement voorschriften kan stellen met het oog op een ordelijk en
                    veilig verloop van een dergelijk evenement en met het oog op het voorkomen van
                    hinder aan derden. </al><al/><al>Zie verder de uitgebreide toelichting bij de model-APV van de VNG.</al><al/><al><cursief>Privaatrechtelijke voorschriften</cursief></al><al>Het opnemen van privaatrechtelijke voorschriften in een vergunning is niet
                    mogelijk omdat een vergunning eenzijdig van karakter is. Dergelijke voorschiften
                    zouden niet kunnen worden afdwongen. Bovendien kan een vergunning niet worden
                    geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de privaatrechtelijke
                    vereisten.</al><al/><al/><al><cursief>Evenementen en bestemmingsplan</cursief></al><al>Een vergunning voor een evenement kan niet geweigerd worden omdat het in strijd
                    is met een bestemmingsplan. </al><al/><al><cursief>Evenementen en Vuurwerk</cursief></al><al>Bij evenementen wordt regelmatig (professioneel) vuurwerk afgestoken. Het
                    bedrijf dat de ontbranding verzorgt moet bij de provincie een vergunning
                    aanvragen.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze bepaling regelt een vergunningsverplichting voor (grotere) evenementen die
                    plaats vinden in de openbare ruimte. Het gaat in deze om situaties waarbij de
                    openbare orde en de openbare veiligheid, de volksgezondheid (persoonlijke
                    veiligheid van de deelnemers), de verkeersveiligheid en milieu (overlast) een
                    rol (kunnen) spelen. Soms worden operationele diensten ingezet, zoals
                    brand-/verkeersveiligheidsdiensten, ambulancepersoneel (GHOR) en politie. Er
                    dient een risico-inventarisatie vooraf plaats te vinden. Een controle achteraf
                    is te risicovol. De lex silencio positivo is hier niet wenselijk om
                    verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde,
                    openbare veiligheid en milieu.</al><al/><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al/><al><vet>afdeling 8: Toezicht op horecabedrijven</vet></al><al><cursief>Algemene toelichting</cursief></al><al/><al><cursief>Exploitatie openbare inrichtingen</cursief></al><al/><al>In de Uitgangspunten Horecabeleid van het district Noord-Kenemerland (2003) is
                    vastgesteld dat de exploitatievergunning binnen de regio ingevoerd gaat worden.
                    In 2005 is na interviews met verschillende partijen (burgemeester, politie,
                    horeca, ambtelijke organisatie) een concept gemeentelijk standpunt bepaald,
                    namelijk dat opname van een exploitatievergunningstelsel in de APV gewenst is.
                    In vervolg hierop heeft de raad op 29 juni 2010 de Horecanota “Gastvrij Bergen”
                    vastgesteld. Deze Horecanota is bij besluit van de raad van 9 december 2010
                    gewijzigd. In deze Horecanota is een exploitatievergunningstelsel opgenomen </al><al/><al><cursief>Europese Dienstenrichtlijn</cursief></al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is van toepassing op de horeca. Het drijven van
                    een horecaonderneming is immers het verrichten van een dienst aan de klant. De
                    Dienstenrichtlijn eist dat een vergunningstelsel niet discriminatoir,
                    noodzakelijk en proportioneel is. In bijna alle gevallen gaat het bij horeca om
                        <cursief>vestiging</cursief> van een openbare inrichting waarvoor artikel 9
                    van de richtlijn de bovenstaande criteria geeft. Onder noodzakelijkheid wordt in
                    artikel 9 verstaan een dwingende reden van algemeen belang. Dit begrip omvat
                    onder meer de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid en
                    volksgezondheid, als bedoeld in de artikelen 46 en 55 van het Verdrag;
                    handhaving van de maatschappelijke orde; bescherming van het milieu en het
                    stedelijk milieu, met inbegrip van de stedelijke en rurale ruimtelijke ordening;
                    Zie verder overweging 40 van de richtlijn. Het gaat hier om de zogenaamde ‘rule
                    of reason’. Mocht het in een enkel geval niet gaan om een vestiging, maar om een
                    horecaondernemer die de grens overschrijdt om zijn diensten te verrichten, dan
                    is niet artikel 9, maar artikel 16 van toepassing dat uitsluitend de criteria
                    openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid en milieu als grondslag voor
                    een vergunningstelsel kent. Zie verder het commentaar bij artikel 1:8. </al><al/><al>Proportionaliteit: voor de beantwoording van de vraag of een algemene regel niet
                    volstaat voor de regeling van de horeca kan worden gesteld dat een algemene
                    regel hier niet aan de orde is vanwege het persoonsgebonden aspect van de
                    vergunning. Alleen door het stellen van vergunningvoorwaarden aan de ondernemer
                    kan men ‘het maatpak’ leveren. Dit geldt ook voor de Bibob-toets. </al><al/><al>Vestiging: Op grond van overweging 37 is er overeenkomstig de rechtspraak van
                    het HvJ sprake van vestiging, als er een daadwerkelijke uitoefening van een
                    economische activiteit voor onbepaalde tijd vanuit een duurzame vestiging wordt
                    verricht. Aan die eis kan ook zijn voldaan als een onderneming voor een bepaalde
                    tijd wordt opgericht of als er een gebouw wordt gehuurd van waaruit de
                    ondernemer zijn activiteiten onderneemt. </al><al/><al><cursief>Natte en droge horeca</cursief></al><al>De reikwijdte van de Drank- en Horecawet wordt bepaald door het begrip
                    “horecabedrijf” zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en
                    Horecawet. Bedrijven waarin alcoholhoudende dranken bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet worden geschonken voor gebruik ter plaatse, hebben een vergunning nodig
                    ex artikel 3 van de Drank- en Horecawet. Die vergunningplichtige bedrijven
                    worden aangeduid met de term natte horeca. </al><al/><al>In artikel 2:27, sub a, van de APV wordt de term “openbare inrichting”gebruikt.
                    Daaronder wordt ook de droge horeca verstaan: het schenken van
                    niet-alcoholhoudende dranken en van licht alcoholische dranken voor gebruik
                    elders, en het verstrekken van rookwaar. Dit laatste is opgenomen om ook
                    coffeeshops onder de APV te laten vallen. </al><al/><al>Daarnaast is het ook mogelijk om voor de exploitatie van bijvoorbeeld een
                    internetcafé een exploitatievergunning van de burgemeester verplicht te stellen
                    indien het internetcafé ook horeca-activiteiten ontplooit, zoals de exploitatie
                    van een koffiehoek. Indien het internetbedrijf alleen internetdiensten aanbiedt,
                    is er geen vergunning nodig. </al><al/><al><cursief>Bibob-toets en VOG</cursief></al><al>Als het gaat om ondernemingen waar alcoholhoudende drank wordt geschonken, is
                    een integriteittoets mogelijk op grond van artikel 27, tweede lid, van de Drank-
                    en Horecawet (DHW) jo. artikel 3, van de Wet bevordering
                    integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De DHW geldt niet voor bedrijven waar
                    geen alcohol wordt geschonken waaronder coffeeshops. In het kader van de
                    vergunningsplicht op grond van de APV is het voor gemeenten mogelijk om ook voor
                    de aanvrager van een vergunning voor de exploitatie van een coffeeshop een
                    Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) te vragen en een Bibob-onderzoek te doen. De
                    horeca-exploitatievergunning is immers op grond van artikel 1:5
                    persoonsgebonden.</al><al/><al>Artikel 4, van het Besluit Bibob bepaalt in overeenstemming met de APV dat als
                    inrichtingen, waarvoor de Wet Bibob geldt, onder andere aangewezen worden:
                    “inrichtingen waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of
                    anders dan om niet, logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken, of
                    rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt”. Dit zijn dus
                    openbare inrichtingen zoals gedefinieerd in artikel 2:27, van de APV. Dit
                    betekent dat voor openbare inrichtingen in de zin van de APV een Bibob-onderzoek
                    mag worden gedaan. Zonder de APV is hier geen wettelijke grondslag voor. De
                    Dienstenrichtlijn verzet zich niet tegen een Bibob-onderzoek.</al><al/><al><cursief>Onbepaaldheid van de duur</cursief></al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 1:7 gelden vergunningen voor onbepaalde
                    tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de
                    vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Op grond van de vastgestelde
                    Horecanota “Gastvrij Bergen” geldt de vergunning voor de exploitatie van een
                    openbare inrichting en/of een terras voor onbepaalde tijd.</al><al/><al><cursief>Overige wet- en regelgeving</cursief></al><al>Op openbare inrichtingen zijn naast de regels van de Drank- en Horecawet nog
                    vele andere regels van toepassing. Onder andere de Wet milieubeheer, Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing, Wet op de kansspelen, Opiumwet, Wet ruimtelijke
                    ordening en Woningwet.</al><al/><al><cursief>Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het
                        Activiteitenbesluit) </cursief></al><al>Op openbare inrichtingen zijn de regels van de Wet milieubeheer (Wm) van
                    toepassing.</al><al>Meer in het bijzonder geldt het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer (het Activiteitenbesluit). Dit besluit vervangt het Besluit
                    horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Bij dit besluit is een
                    aantal regels met betrekking tot geluid, vetlozingen, geur, opslag van koolzuur
                    en afvalstoffen opgenomen. De tekst van het besluit is te vinden op: <extref doc="http://www.overheid.nl/">www.overheid.nl</extref>. Nadere informatie is
                    te vinden op: <extref doc="http://www.vrom.nl/">www.vrom.nl</extref>, <extref doc="http://www.infomil.nl/">www.infomil.nl</extref> en <extref doc="http://www.horeca.org/">www.horeca.org</extref>.</al><al/><al><cursief>Geluidsnormen</cursief></al><al>Het Activiteitenbesluit geeft standaard geluidsnormen voor zowel bestaande als
                    nieuwe horeca-inrichtingen. Bovendien kan de gemeente technische voorschriften
                    stellen aan een inrichting om aan de geldende geluidsnorm te voldoen. Daarnaast
                    kan de gemeente afwijkende geluidsnormen voorschrijven voor de gehele activiteit
                    of voor specifieke activiteiten, anders dan feestjes. Hierbij kunnen aanvullende
                    eisen worden gesteld, bijvoorbeeld aan de duur van de activiteit.</al><al/><al>In paragraaf 6.5 van het Activiteitenbesluit zijn overgangsbepalingen
                    opgenomen.</al><al>Stemgeluid van een terras (er zijn uitzonderingen!) en onversterkte muziek zijn
                    vrijgesteld van de geluidsnormen. Voor onversterkte muziek geldt dat de gemeente
                    bij verordening afwijkende regels kan stellen.</al><al/><al>Voor horecaconcentratiegebieden blijft dezelfde mogelijkheid als onder het oude
                    Besluit bestaan, namelijk dat er meer geluid mag worden geproduceerd.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al/><al>Voor jurisprudentie met betrekking tot het onderwerp van dit hoofdstuk wordt
                    verwezen naar de Model-APV van de VNG.</al><al/><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><al>In plaats van de term “horecabedrijf” wordt nu de term “openbare inrichting”
                    gebruikt. Dit voor de duidelijkheid. In de Drank- en Horecawet wordt namelijk
                    met “horecabedrijf” alleen gedoeld op bedrijven waar bedrijfsmatig of anders dan
                    om niet alcoholhoudende drank wordt verstrekt voor gebruik ter plaatse, de
                    zogenaamde “natte horeca”. De bepalingen in de APV betreffen juist ook de
                    bedrijven waar geen alcoholhoudende drank wordt verstrekt, de zogenaamde “droge
                    horeca”: tearooms, lunchrooms en dergelijke, maar ook coffeeshops. Voor de
                    toelichting over de begripsomschrijving “ontnuchteringszaak” wordt verwezen naar
                    het gestelde in de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010.</al><al/><al><vet>Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting</vet></al><al>Voor de toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar het bepaalde in Bijlage
                    3 (Exploitatievergunning en terrasvergunning) behorende bij de Horecanota
                    “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting
                    zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zullen
                    aantasten. De vergunning richt zich voornamelijk op de bescherming van de
                    openbare orde. De lex silencio positivo is hier niet wenselijk om dwingende
                    redenen van algemeen belang.</al><al/><al><cursief>Achtste lid</cursief></al><al>Op grond van dit artikel kan de burgemeester op aanvraag vrijstelling verlenen
                    van het verbod om een openbare inrichting te exploiteren zonder een
                    exploitatievergunning. Een exploitatievergunning is, zoals aangegeven in de
                    toelichting bij het eerste lid, een overlastvergunning: zij biedt de
                    mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een openbare inrichting
                    zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Daarbij is van belang in
                    welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten, maar ook in welke mate
                    de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter van de buurt zal
                    aantasten. Zowel een exploitatievergunning als een vrijstelling van een
                    dergelijke vergunning richten zich voornamelijk op de bescherming van de
                    openbare orde. De lex silencio positivo is hier daarom ook niet wenselijk om
                    dwingende redenen van algemeen belang.</al><al/><al><vet>Artikel 2:28A Exploitatie Terrassen</vet></al><al>Voor de toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar het bepaalde in Bijlage
                    3 (Exploitatievergunning en terrasvergunning) behorende bij de Horecanota
                    “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010.</al><al/><al><cursief>Lex silencio</cursief></al><al>De terrasvergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid
                    preventief te toetsen of de exploitatie van een terras behorende bij een
                    openbare inrichting zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse.
                    Daarbij is van belang in welke mate van het terras zelf overlast is te duchten,
                    maar ook in welke mate de komst van het terras de leefbaarheid en het karakter
                    van de buurt zal aantasten. De vergunning richt zich voornamelijk op de
                    bescherming van de openbare orde. De lex silencio positivo is hier niet
                    wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang.</al><al/><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijden</vet></al><al>Voor de toelichting bij dit artikel wordt verwezen naar het bepaalde onder punt
                    6 (Sluitingstijden) behorende bij de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni
                    2010.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo </cursief></al><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in dit artikel genoemde
                    sluitingstijden voor openbare inrichtingen. Deze sluitingstijden zijn
                    vastgesteld ter bescherming van het woon- en leefmilieu van een buurt en om
                    overlast van openbare inrichtingen tegen te gaan. In verband hiermee is
                    toepassing van de lex silencio positivo om dwingende redenen van algemeen
                    belang, waaronder met name de openbare orde en de openbare veiligheid en de
                    volksgezondheid, niet wenselijk. </al><al/><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><al/><al>Eerste lid</al><al/><al>Artikel 174 van de Gemeentewet vormt de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting moet zijn
                    gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid, of in
                    bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het betreft
                    een algemene bevoegdheid die zich niet alleen kan uitstrekken tot één ​maar ook
                    tot meer of zelfs tot alle in de gemeente aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt
                    de bevoegdheid zich tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden
                    of tot tijdelijke sluiting.</al><al/><al>Tweede lid</al><al/><al>Hoewel de wetgever er bij de invoering van de Wet "Damocles" (artikel 13b van de
                    Opiumwet dat op 21 april 1999 in werking is getreden) vanuit is gegaan dat
                    gemeentelijke regelingen (overlast- of exploitatieverordeningen) hun geldigheid
                    behouden omdat het onderwerp van de gemeentelijke regeling een ander is, lijkt
                    het raadzaam door middel van het bepaalde in het tweede lid buiten twijfel te
                    stellen dat niet in dezelfde situaties kan worden opgetreden als waarvoor
                    artikel 13b Opiumwet is bedoeld. Zie voor meer informatie en jurisprudentie ook
                    de website van het SIDV www.sidv.nl .</al><al/><al>Op 13 juli 2002 is de Wet Victor in werking getreden (Staatsblad 2002, 348).
                    Deze wet houdt in dat het college de bevoegdheid krijgt om de eigenaar van een
                    pand dat is gesloten op grond van de APV, artikel 13b Opiumwet of artikel 174a
                    Gemeentewet aan te schrijven om het pand in gebruik te geven aan een andere
                    persoon of instelling, dan wel om verbeteringen aan te brengen. Als de
                    verstoring van de openbare orde of de verkoop van drugs niet langdurig
                    achterwege blijft, kan in het uiterste geval zelfs overgegaan worden tot
                    onteigening.</al><al/><al>In de Wet Victor is ook bepaald dat sluitingen op grond van artikel 13b Opiumwet
                    en artikel 174a Gemeentewet moeten worden ingeschreven in de openbare registers.
                    Conform artikel 3:16 BW. Merkwaardig genoeg geldt deze inschrijvingsplicht niet
                    voor de sluitingen op grond van de APV.</al><al/><al/><al>Jurisprudentie</al><al/><al>Artikel 174 van de Gemeentewet geeft aan de burgemeester reeds een
                    sluitingsbevoegdheid. Wenselijk om ook in de APV een sluitingsbepaling op te
                    nemen. ARRS 15 06 1984, AB 1985, 96 m.nt. JHvdV.</al><al/><al>Sluitingsmaatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig zwaar.
                    ABRS 23 05 1995, AB 1995, 475 m.nt. LJJR.</al><al/><al>Sluitingsbevel zonder tijdsbepaling voldoet niet aan artikel 221 gemeentewet
                    (oud). Vz. 26-08-1992, AB 1993, 104, JG 93.0116 , en ABRS 05-07-1996, JG
                    96.0266.</al><al/><al>Terechte sluiting voor onbepaalde tijd van coffeeshop die het nuloptiebeleid
                    overtreedt. Vz.ABRS 05-091997, Gst. 1998, 7069, 4 m.nt. HH.</al><al/><al>Terechte sluiting van horecagelegenheid voor de duur van een jaar wegens handel
                    in harddrugs. Persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant daarbij (bij handel
                    in harddrugs) is niet van belang. ABRS 04-07-2001, AB 2001, 6 m.nt. JGB/AES.
                    Terechte sluiting van twee horeca-inrichtingen en intrekking van de
                    exploitatievergunningen wegens smokkel van illegalen. Aantasting van de openbare
                    orde. Pres. Rb Rotterdam 5 september 1997, JG 97.0209.</al><al/><al>Bij uitoefening sluitingsbevoegdheid hoeft burgemeester geen strikte
                    strafrechtelijke bewijsregels in acht te nemen. ABRS 06-021997, JG 97.0075.
                    Sluiting is geen "criminal charge" als bedoeld in artikel 6 EVRM. Inzage in
                    geanonimiseerde getuigenverklaringen en politierapporten is dan ook niet
                    strijdig met het "fair trial"-beginsel. ABRS 11-061998, AB 1998, 297 m.nt. FM.
                    In bestuursrechtelijk geding moeten wel de juistheid van de feiten en
                    zorgvuldigheid van het besluit kunnen worden getoetst. Pres. Rb Breda, 27
                    januari 1998, JG 98.0096.</al><al/><al>Terechte sluiting van een discotheek op grond van artikel 2.3.1.5 van de APV van
                    Zaanstad, nu is gebleken dat de situatie rond het gebruik van partydrugs uit een
                    oogpunt van te beschermen gezondheidsbelangen onbeheersbaar is. Pres. Rb Haarlem
                    16 november 2001, LJN AD5792.</al><al>Het (tijdelijk) sluiten van een horecabedrijf enkele weken nadat een overtreding
                    van de sluitingsuren heeft plaatsgehad, is geen reparatoire maatregel maar een
                    punitieve sanctie, waar de waarborgen van artikel 6 van het EVRM op zien. Rb.
                    Den Haag 10-05-2005, LJN AT6239, JG 05.00105 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>Het intrekken van de horecavergunning (voor een bedrijf dat geen alcohol
                    verkoopt) vanwege het feit dat de aanvrager niet voldoet aan eisen ten aanzien
                    van zedelijk gedrag, is geen punitieve sanctie en daarom niet in strijd met
                    artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden. ABRS 11-05-2005, LJN AT5345, JG 05.0094 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>Bij een beslissing van de burgemeester om een horeca-inrichting te sluiten
                    toetst de rechter terughoudend. ABRS 09-02-2005, LJN AS5485, JG 05.0048, m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al/><al>Het niet voorkomen van overlast in de omgeving van een coffeeshop reden voor
                    tijdelijke sluiting. LJN AR2177, JG 04.0163 m.nt. A.L. Esveld.</al><al/><al>De aanwezigheid van cocaïne leidt tot onmiddellijke sluiting en het schrappen
                    van de gedooglijst van een coffeeshop. LJN AR8730, JG 05.0033 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>Eén pistoolschot is nog geen reden tot sluiting LJN AR6323, JG 05.0049 m.nt.
                    A.L. Esveld.</al><al/><al>Aantreffen van harddrugs leidt tot onmiddellijke sluiting van coffeeshop.
                    Persoonlijke verwijtbaarheid speelt geen rol. LJN AT3727, JG 05.0081 m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al>Schietincident bij overval is reden voor tijdelijk sluiting. Is een reparatoire
                    maatregel, gericht op herstel van de openbare orde, waarbij de persoon van de
                    coffeeshophouder geen rol speelt. LJN AT5655, JG 05.juli/augustus m.nt. A.L.
                    Esveld.</al><al/><al><vet>Artikel 2:30A Ontzeggingenlijst</vet> [gereserveerd] </al><al/><al><vet>Artikel 2:31 Verboden gedragingen</vet></al><al>Sluitingsbepalingen richten zich tot exploitant. Artikel 2:31 richt zich
                    daarentegen tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Als die zich met
                    goedvinden van de exploitant in de inrichting bevindt in de tijd dat de
                    inrichting gesloten moet zijn, overtreedt hij artikel 2:31. Als hij geen
                    toestemming van de exploitant heeft en niet weggaat als de exploitant dat
                    vraagt, overtreedt hij artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht
                    (lokaalvredebreuk).</al><al>Het gestelde onder d richt zich tot de exploitant.</al><al/><al><vet>Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen</vet></al><al>Dit artikel betreft een verbod van heling. Het is bekend dat in sommige cafés
                    regelmatig gestolen goed wordt verhandeld. </al><al/><al> In een aantal grote steden doet zich het verschijnsel voor dat drugverslaafden
                    naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen goederen aan de man te brengen.
                    Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 van de Drank- en Horecawet
                    neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod
                    ziet echter slechts op verkoophandelingen. </al><al/><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    van de Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 van de
                    Gemeentewet.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al/><al>Sluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten
                    grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. ABRS 15 07 1996, AB 1996,
                    414 m.nt. FM, JG 96.0267 .</al><al/><al>Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient
                    geen enkel doel. Pres. Rb Rotterdam 07 04 1995, JG 95.0202 .</al><al/><al><vet>Artikel 2:33 Ordeverstoringen</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen in artikel 2:31.</al><al/><al><vet>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Het begrip “openbare inrichting” als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de
                    Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde
                    bestuursorgaan.</al><al/><al><vet>afdeling 8a: BIJZONDERE BEPALINGEN OVER HORECABEDRIJVEN ALS BEDOELD IN DE
                        DRANK- EN HORECAWET</vet></al><al/><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al/><al><cursief>Inleiding</cursief></al><al/><al>De afdeling bevat medebewindbepalingen die zijn gebaseerd op de artikelen 4,
                    25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet (DHW). Zoals bekend bestaat de
                    APV voor het overgrote deel uit autonome bepalingen. Er is voor gekozen om deze
                    medebewindbepalingen toch in de model-APV op te nemen, omdat dit voor veel
                    gemeenten het meest praktisch is. Zij hebben al bepalingen over horeca in de APV
                    opgenomen (horeca-exploitatievergunning, sluitingstijden en dergelijke) en op
                    deze manier staan al deze bepalingen bij elkaar in één verordening. Gemeenten
                    die een aparte horecaverordening hebben kunnen deze nieuwe afdeling (met
                    eventuele aanpassingen) uiteraard in die verordening opnemen. Ook is het
                    mogelijk om hiervoor een aparte verordening vast te stellen, waaraan dan
                    uiteraard algemene bepalingen en slotbepalingen moeten worden toegevoegd als dit
                    model daarvoor wordt gebruikt.</al><al/><al>De regels met betrekking tot de paracommerciële horecabedrijven dienen ter
                    voorkoming van oneerlijke mededinging. In de memorie van toelichting
                    (Kamerstukken II 2008/09, nr 3, blz. 10) staat dat de regering er van uitgaat
                    dat de gemeenten de belangrijke maatschappelijke functie van de verschillende
                    paracommerciële instellingen in acht zullen nemen en geen onnodige beperkingen
                    zullen opleggen daar waar de mededinging niet in het geding is en er geen sprake
                    is van onverantwoorde verstrekking van alcohol, met name aan jongeren. Bij de
                    invulling van dit model door de gemeenteraden is het van belang dat er alleen
                    regels worden gesteld als er in de lokale situatie inderdaad sprake is van
                    oneerlijke mededinging. Het is niet mogelijk om beperkingen op te leggen die
                    iedere mededinging met de reguliere horeca tegengaan; dan zouden de raden buiten
                    de bevoegdheidsgrondslag van de DHW treden.</al><al/><al><cursief>Bestuurlijke boete, strafbaarstelling, bestuursdwang</cursief></al><al/><al>In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2008/2009, 32 022) staat op
                    pagina 51 vermeld dat aan de bestaande arrangementen niets verandert als het
                    gaat om de afbakening tussen bestuursrechtelijke handhaving via bestuurlijke
                    boeten en strafrechtelijke handhaving via de Wet op de economische delicten
                    (WED). “Uitgangspunt is en blijft dat de handhaving van de DHW zal geschieden
                    door het opleggen van bestuurlijke boeten. Alleen indien de overtreding een
                    direct gevaar voor de gezondheid of veiligheid van de mens tot gevolg heeft of
                    het door de wetsovertreder genoten economisch voordeel groter is dan de
                    bestuurlijke boetes zal er behoefte kunnen zijn om de zaak voor te leggen aan
                    het OM om via de WED af te doen: de WED voorziet namelijk in een breder arsenaal
                    aan sancties, zoals hogere maxima voor boetes en de mogelijkheid tot ontneming
                    van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zolang dit duale stelsel bestaat heeft
                    deze situatie zich nog geen enkele keer voorgedaan. We mogen constateren dat tot
                    op heden het duale stelsel in het kader van de DHW probleemloos functioneert. “,
                    aldus de MvT.</al><al/><al>De grondslag voor het opleggen door de burgemeester van een bestuurlijke boete
                    voor overtreding van onder meer op deze modelbepalingen gebaseerde bepalingen is
                    artikel 44a van de DHW. Op grond van datzelfde artikel 44a kan de burgemeester
                    ook voor overtreding van een aantal andere bepalingen uit de DHW een
                    bestuurlijke boete opleggen. Informatie over de toepassing van de bestuurlijke
                    boete vindt u op de website van het Expertisecentrum handhaving DHW van de
                    Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, http://www.handhavingdhw.nl, onder
                    FAQ.</al><al/><al>Overtredingen van de voorschriften uit afdeling 8a van de model-APV zijn
                    strafbaar als overtredingen op grond van artikel 2, vierde lid, juncto artikel
                    1, onder 4º, van de WED. De desbetreffende artikelen van afdeling 8a van de
                    model-APV dienen dus niet in de opsomming van overtredingen in hoofdstuk 6 van
                    de APV te worden opgenomen.</al><al/><al>In artikel 44 van de DHW is bepaald dat de Minister en de burgemeester
                    bestuursdwang kunnen toepassen ter handhaving van de verplichting om een
                    toezichthouder alle medewerking te verlenen bij het uitoefenen van zijn
                    bevoegdheden (artikel 5:20, eerste lid, van de Awb).</al><al/><al><cursief>Toezichthouders</cursief></al><al/><al>De toezichthouders worden benoemd door de burgemeester. Zij kunnen worden
                    vermeld in artikel 6:2 van de model-APV. Op grond van artikel 42 van de DHW
                    hebben zij de bevoegdheid om woningen binnen te treden zonder toestemming van de
                    bewoners, als de toezichthouder vermoedt dat daar alcoholhoudende drank wordt
                    verstrekt of als dat daadwerkelijk gebeurt.</al><al/><al>Tot 12 maanden na inwerkingtreding van artikel 41 van de gewijzigde DHW kan de
                    burgemeester ook ambtenaren van de NVWA inzetten, naast de eigen gemeentelijke
                    toezichthouders, voor het toezicht op de naleving van de artikelen 20 en 45 van
                    de DHW. Zie artikel V van de wijzigingswet (Stb. 2012, 237).</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:34A tot en met 2:34G</vet></al><al/><al>Voor de leesbaarheid en een beter begrip van de bepalingen van deze afdeling
                    zijn een aantal begripsbepalingen – in afwijking van de model-APV - wel
                    opgenomen in de APV. In verband daarmee zijn de artikelnummers die
                    corresponderen met de model-APV vernummerd.</al><al/><al>Voor een uitgebreide toelichting van de artikelen 2:34B, 2:34C en 2:34G wordt
                    verwezen naar de toelichting behorende bij de artikelen 2:34A, 2:34B en 2:34F
                    van de model-APV van de VNG.</al><al/><al><vet>Afdeling 9: Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                        nachtverblijf</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet>Inrichting</vet></al><al>Het begrip “inrichting” als hier omschreven sluit aan bij artikel 438 Wetboek
                    van Strafrecht, dat ziet op het als beroep verschaffen van nachtverblijf aan
                    personen (eerste lid) en op het als beroep of gewoonte beschikbaar stellen van
                    een terrein voor het houden van nachtverblijf of het plaatsen van
                    kampeermiddelen e.d. (tweede lid).</al><al/><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de exploitant van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. De
                    gemeente Bergen schrijft hiervoor een model voor. </al><al/><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken.</al><al/><al><vet>Afdeling 10: Toezicht op speelgelegenheden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</vet></al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning beoogt de bescherming van met name de openbare orde. Daarnaast
                    speelt het bestrijden van gokverslaving een rol. Het is onwenselijk als deze
                    vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van
                    de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio is daarom niet
                    wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en de
                    volksgezondheid.</al><al/><al><vet>Artikel 2:40 Speelautomaten</vet></al><al>Zie de uitgebreide toelichting op deze artikelen bij de model-APV van de
                        VNG.</al><al/><al><vet>Afdeling 11: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al>Eerste lid</al><al/><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. </al><al/><al>Tweede lid</al><al/><al>Het tweede lid van artikel 2:41 is gebaseerd op de bevoegdheid van de
                    burgemeester ex artikel 13b van de Opiumwet tot toepassing van bestuursdwang als
                    in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven drugs als
                    bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet worden verkocht, afgeleverd,
                    verstrekt, of daarvoor aanwezig zijn. Zie verder onder toelichting eerste lid.
                    Met de laatste wijziging van de Opiumwet is het ook mogelijk om op te treden
                    tegen drugshandel vanuit woningen en niet voor het publiek toegankelijke
                    lokalen.</al><al/><al>Derde lid</al><al/><al>Aangezien de situatie kan ontstaan dat personen de woning of het lokaal moeten
                    betreden wegens dringende redenen, is het derde lid aan artikel 2:41 toegevoegd.
                    Anders zou het verbod uit het eerste lid wel erg absoluut zijn.</al><al/><al>Lex silencio positivo</al><al>De verbodsbepalingen beogen de bescherming van de openbare orde tegen overlast
                    en baldadigheid. Het is onwenselijk als deze ontheffingen van rechtswege worden
                    verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden
                    en is voltooid. Een lex silencio is daarom niet wenselijk om dwingende redenen
                    van algemeen belang, zoals de openbare orde.</al><al/><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al/><al>Zie verder de uitgebreide toelichting van bij de model-APV van de VNG.</al><al/><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al><al>Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel
                    opgenomen aanplakverbod vergroot. ‘Poging tot’ plakken en kladden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken. ‘Poging tot’.</al><al/><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. (gereserveerd)</vet></al><al/><al><vet><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.(gereserveerd)</vet></vet></al><al>In de oude APV was deze bepaling al niet overgenomen, reeds afdoende geregeld in
                    artikel 5:11.</al><al/><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag in de publieke ruimte</vet></al><al>Op basis van artikel 2:47 (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige hinder
                    of overlast worden opgetreden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:47A Vervoer van brandbare materialen</vet></al><al>Dit is een artikel uit de ‘oude’ APV. Het is een typisch Bergens APV-artikel,
                    het staat ook niet in de model-APV van de VNG, en is destijds in de oude APV
                    opgenomen op advies van de brandweercommandant en naar aanleiding van ervaring
                    omtrent de jaarlijkse “Meidenmarkt” in Schoorl . </al><al/><al><vet>Artikel 2:48 Hinderlijk drankgebruik</vet></al><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het college aan te
                    wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flesjes en
                    blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben. Dit verbod geldt uiteraard niet
                    voor terrassen die deel uitmaken van een horecabedrijf, of voor een evenement
                    waarbij van gemeentewege op grond van artikel 35 van de Drank en Horecawet
                    toestemming is verleend om op de plaats waar dat evenement zich afspeelt
                    alcoholhoudende drank te verstrekken.</al><al>Er moet een duidelijk omschreven gebied aangewezen worden. Het is niet mogelijk
                    het grondgebied van de hele gemeente aan te wijzen. Er moet namelijk wel een
                    concrete aanleiding te zijn waarom een bepaald gebied aangewezen wordt. </al><al/><al><vet>Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen</vet></al><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47
                    (Hinderlijk gedrag op of aan de weg).</al><al/><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                    ruimten</vet></al><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het publiek
                    toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en wachtlokalen voor
                    een openbaar vervoermiddel tegen te gaan.</al><al/><al>Aan deze bepaling bestaat behoefte omdat op basis van artikel 138 van het
                    Wetboek van Strafrecht, betreffende het wederrechtelijk vertoeven (in een
                    woning, besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik), slechts kan worden
                    opgetreden indien er sprake is van een handelen van de rechthebbende. De politie
                    kan niet zonder tussenkomst van de rechthebbende optreden. In het belang van de
                    handhaving van de openbare orde is het wenselijk dat de politie bij baldadig of
                    ordeverstorend gedrag in zelfbedieningsruimten in postkantoren, en in andere
                    soortgelijke voor het publiek toegankelijke ruimten, onmiddellijk kan
                    ingrijpen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.</vet></al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><al/><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                        e.d.</vet></al><al>Op grond van het RVV 1990 kunnen bepaalde categorieën weggebruikers van bepaalde
                    wegen worden geweerd. De achtergrond daarvan is het verkeersbelang, hetzij de
                    verkeersveiligheid of de vrijheid van het (andere) verkeer. Dat moet op de in
                    het reglement voorgeschreven wijze ter kennis van de weggebruiker worden
                    gebracht.</al><al/><al>Er kunnen echter andere motieven zijn om bepaalde categorieën weggebruikers te
                    weren. Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen
                    worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van
                    het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><al>De politie heeft gelet op de klachten die zij over dit onderwerp krijgen,
                    geadviseerd dit artikel uit de model-APV over te nemen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:52A Overlast bouwplaats</vet></al><al>In dit artikel is een zorgplicht voor een eigenaar of ontwikkelaar van een
                    bouwplaats opgenomen om overlast voor de omgeving in de vorm van stuifzand op de
                    weg of een openbare plaats tegen te gaan.</al><al/><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen (gereserveerd)</vet></al><al>Het artikel heeft geen toegevoegde waarde ten opzichte van het Wetboek van
                    Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (gereserveerd)</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het
                    Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan
                    over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze
                    wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. Hiermee
                    is artikel 2.4.14 (oud) vervallen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (gereserveerd)</vet></al><al>In 2002 is deze bepaling vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in
                    artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties (gereserveerd)</vet></al><al>De VNG heeft overwogen dat deze bepaling, als er al feitelijk invulling aan
                    wordt gegeven, en zeker als ook de model vergunningsvoorschriften die in de
                    toelichting waren opgenomen daarbij worden gebruikt, een aanzienlijke financiële
                    en administratieve last voor burgers en bedrijven oplevert: volgens deze
                    voorschriften zou de installatie bijvoorbeeld dienen te voldoen aan de Regeling
                    BORG 1.1, er zouden jaarlijkse controles moeten plaatsvinden, en door of vanwege
                    het college aangewezen deskundigen zouden op kosten van de vergunninghouder de
                    deugdelijkheid van de installatie kunnen onderzoeken.</al><al>Nog los van de vraag of deze zware eisen überhaupt in verhouding staan tot het
                    te dienen belang, is het risico van afschaffing van deze vergunning niet dermate
                    groot dat de vergunning om die reden moet worden gehandhaafd. Een plotselinge
                    epidemie van zelf gebouwde, lawaaiige en te pas en vooral te onpas afgaande
                    alarminstallaties ligt niet voor de hand.</al><al/><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al><al>Artikel 2:57 beperkt het loslopen van honden op de weg, zonder dat de hond
                    aangelijnd is, en op kinderspeelplaatsen e.d. Aan dit artikel ligt in zijn
                    algemeenheid het motief van de voorkoming en bestrijding van overlast ten
                    grondslag.</al><al/><al><vet>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en rijdieren</vet></al><al>Straatverontreiniging door honden en rijdieren is voor velen een grote bron van
                    irritatie; het is vies, lastig en onhygiënisch. Ook wordt via hondenpoep een
                    voor honden gevaarlijk virus verspreid. De strafbaarheid wordt opgeheven als de
                    uitwerpselen direct worden verwijderd. Al zal de handhaving (betrapping op
                    heterdaad) niet meevallen, het is te hopen dat er op den duur preventieve
                    invloed van deze bepaling uit zal gaan .Overtreding van het
                    verontreinigingsverbod door uitwerpselen behoort tot de zogenaamde
                    verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie.</al><al/><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te
                    muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer
                    gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al/><al>Aanschrijving tot muilkorving van gevaarlijke honden. Politierapport en vonnis
                    kantonrechter voldoende aanleiding voor standpunt dat honden gevaarlijk zijn en
                    de te treffen maatregelen. ARRS 05 02 1991, Gst. 1991, 6932, 13 m.nt. CG.</al><al/><al>Gevecht tussen niet-gemuilkorfde pitbullterriërs en een andere hond, waarbij een
                    hond is overleden en een omwonende is aangevallen. De burgemeester heeft in
                    redelijkheid het zwaarste gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de
                    veiligheid van mens en dier in de gemeente en besloten tot het doden van de
                    pitbulls op grond van artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet. Vz.CBB 24-5-1993,
                    AB 1993, 460.</al><al/><al>Een soortgelijke casus is te vinden in Pres. Rb Zwolle 3-3-1995, JG 95.0307,
                    Gst. 1996, 7028 m.nt. HH. Artikel 74 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is
                    een speciale bevoegdheid ten opzichte van artikel 172 Gemeentewet.</al><al/><al>Muilkorfgebod op grond van de APV voor Argentijnse Dog na bijtincident met
                    dodelijke afloop voor andere hond. Het college heeft bij het opleggen van een
                    dergelijke maatregel een ruime mate van beoordelingsvrijheid. Niet onevenredig.
                    Vz.ABRS 22-05-2001, KG 2001,179, JG 01.0139 m.nt. M. Geertsema.</al><al/><al><vet>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</vet></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “buiten een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer op ten nemen wordt de afbakening met de Wet milieubeheer direct
                    vastgelegd. Het (oude) vierde lid is daarmee vervallen.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>De verbodsbepaling beoogt de openbare orde en openbare gezondheid te beschermen
                    tegen overlast of schade als gevolg van het houden van hinderlijke of
                    schadelijke dieren. Het is onwenselijk als de ontheffing krachtens het derde lid
                    van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag
                    heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio is daarom niet wenselijk
                    om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en de openbare
                    gezondheid.</al><al/><al><vet>Artikel 2:61 Wilde dieren (gereserveerd)</vet></al><al>Doorkruist het Wetboek van Strafrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee</vet></al><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</al><al>Ten slotte wordt nog gewezen op artikel 458 Wetboek van Strafrecht. Daarin wordt
                    het, zonder daartoe gerechtigd te zijn, laten lopen van niet uitvliegend
                    pluimgedierte (o.a. kippen en kalkoenen) in tuinen of op enige grond die
                    bezaaid, bepoot of beplant is, met straf bedreigd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:62A Matige draf binnen de bebouwde kom</vet> Dit artikel behoeft
                    geen nadere toelichting. </al><al/><al><vet>Artikel 2:62B Stieren en hengsten</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 2:62C Geleiden van vee</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 2:63 Duiven (gereserveerd)</vet></al><al>Dit artikel werd in de oude APV al niet gehanteerd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:64 Bijen</vet></al><al>Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst
                    zijn en op zodanige wijze dat de “aanvliegbanen” hiervan over de weg lopen,
                    gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren.</al><al/><al>Dit gevaar kan meestal met eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de
                    aanvliegroute door het plaatsen van een afscheiding, worden teruggebracht. Het
                    zal echter kunnen voorkomen dat omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de
                    bijen overlast ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te
                    treffen. Vooral in de bebouwde kom van een gemeente kan in sommige gevallen het
                    houden van bijen daarom onaanvaardbaar zijn.</al><al/><al>Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand “op de openbare weg of op een
                    andere voor het publiek toegankelijke plaats” valt aan te wijzen, kan men toch
                    van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op
                    “openbare belangen”.</al><al/><al>Zesde lid: Voor de ontheffing van het vijfde lid is gekozen voor een lex
                    silencio positivo. Overwegingen daarbij zijn dat, hoewel overlast mogelijk is,
                    het artikel al bepaalde eisen aan de bijenhouder stelt, waaraan in het gros van
                    de gevallen wordt voldaan. De enkele keer dat van die eisen ontheffing wordt
                    gevraagd zal daar tijdig op kunnen worden beslist. Ook het belang van de
                    bijenhouderij en de moeilijke situatie waarin zij verkeert zijn een afweging. De
                    gemeenteraad zou in dit geval tot een andere afweging kunnen komen.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al/><al>Weigering ontheffing voor het houden van bijenvolken. Begrip “overlast” heeft
                    geen betrekking op schade aan verder afgelegen tuinbouwkassen. ARRS 17 07 1993,
                    JG 94.0283 , AB 1994,432</al><al/><al>Weigering toepassing bestuursdwang tot verwijdering van de bijenkasten. Imker is
                    verhuisd. Mogelijkheid toepassing bestuursdwang voor toekomstige gevallen. ABRS
                    25 07 1994, JG 95.0210.</al><al/><al>Artikel 2:60 (artikel 2.4.20 oud) en 2.64 (artikel 2.4.24 oud) kunnen in sommige
                    situaties beide worden toegepast. Artikel 2:60 fungeert niet als lex specialis
                    ten opzichte van artikel 2.4.20. ABRS 02-06-1997, JG, 10 (1999) 5 m.nt.
                    Hillenaar.</al><al/><al>Overlast bijen. Voldaan aan de criteria van het tweede lid. Het college heeft
                    zich terecht niet bevoegd tot bestuursdwang geacht. ABRS 26-09-2000, JU 001065
                    (VNG-databank).</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om bijen te houden binnen een
                    afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen
                    verblijven of binnen een afstand van 30 meter van de weg. Hoewel deze bepaling
                    is gericht op het voorkomen van overlast voor omwonenden, is er geen dwingende
                    reden van algemeen belang om de lex silencio van toepassing te verklaren. De lex
                    silencio is hier mogelijk.</al><al/><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij</vet></al><al>Omdat in 2000 de strafbaarstelling van bedelarij uit het Wetboek van Strafrecht
                    (voormalig artikel 432) is verdwenen, kan de politie hiertegen niet of
                    nauwelijks meer optreden. Bij de opheffing van de strafbaarstelling heeft de
                    wetgever echter expliciet de mogelijkheid opengehouden om op basis van de
                    gemeentelijke autonomie zo nodig een regeling terzake van bedelarij in het leven
                    te roepen, indien dit gedrag de openbare orde verstoort of dreigt te verstoren.
                    In 2006 is daarom in de model-APV bovenstaand artikel opgenomen dat beoogt
                    bedelarij tegen te gaan. Op grond van dit artikel kan het college gebieden
                    aanwijzen waar een bedelverbod geldt. Wanneer er naar het oordeel van het
                    college een overlastgevende situatie in een bepaald gebied ontstaat, kan het dus
                    een verbod instellen.</al><al/><al>Overigens valt het spelen van straatmuziek en vervolgens vragen om een
                    geldelijke bijdrage aan toehoorders en passanten niet onder dit bedelverbod,
                    maar onder de regeling van artikel 2:9. Ook de verkoop van daklozenkranten valt
                    niet onder dit verbod. Deze kan immers niet verbonden worden aan een vergunning
                    vanwege strijd met de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 7 van de
                    Grondwet.</al><al/><al><vet>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van
                    goederen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De bestuurlijke aanpak van heling binnen de gemeente kan een belangrijk
                    aanvulling vormen op het politioneel strafrechtelijk optreden.</al><al/><al>Het Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat enkele bepalingen die de bestrijding
                    van heling op het oog hebben. Dat zijn artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437,
                    437bis, 437ter en 437quater. Het binnentreden bij handelaren is - ook zonder dat
                    een strafbaar feit wordt vermoed - te allen tijde mogelijk op basis van artikel
                    552 van het Wetboek van Strafvordering (WvSv).</al><al/><al>De in artikel 141 WvSv genoemde opsporingsambtenaren hebben om controle uit te
                    oefenen vrije toegang tot alle vestigingen en andere plaatsen waarvan
                    redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij door een handelaar worden gebruikt.
                    Indien deze plaatsen als woning zijn aan te merken, moet het bepaalde in de
                    Algemene wet op het binnentreden in acht worden genomen.</al><al/><al>De politie kan voorwerpen in beslag nemen.</al><al/><al>Op grond van artikel 142 WvSv kunnen toezichthouders als buitengewone
                    opsporingsambtenaren optreden. Zie daarover meer in de toelichting bij hoofdstuk
                    6.</al><al/><al>Gelet op het karakter van de voorschriften inzake de heling is overigens voor
                    buitengewone opsporingsambtenaren, naast de algemene opsporingsambtenaren als
                    bedoeld in artikel 141 WvSv, bij de controle op de naleving van voorschriften
                    inzake de helingbestrijding in het algemeen geen plaats. De in artikel 552 WvSv
                    neergelegde binnentredingsbevoegdheid is dan ook alleen verleend aan de algemene
                    opsporingsambtenaren.</al><al/><al>Voor de handhaving van de helingbepaling zal er op moeten worden toegezien dat
                    bekend is, welke handelaren zich in de gemeente hebben gevestigd. Aan de
                    verplichting ex artikel 437ter, tweede lid, WvSr om zich schriftelijk aan te
                    melden bij de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar wordt in de
                    huidige praktijk door veel handelaren niet voldaan.</al><al/><al>In dat geval zal de burgemeester gebruik moeten maken van de mogelijkheid de hem
                    door artikelen 437 e.v. WvSr toegekende taken op te dragen aan door hem aan te
                    wijzen ambtenaren.</al><al/><al>Door capaciteitsproblemen bij de politie zal het doorgaans niet mogelijk zijn
                    alle handelaren aan een regelmatige controle te onderwerpen. De controle zal
                    zich moeten toespitsen op die branches waarin relatief veel gestolen goederen
                    worden verhandeld en waarin relatief veel notoire helers voorkomen (de antiek ,
                    (brom)fiets en autohandel).</al><al/><al>Ten behoeve van de andere branches zou het college dan vrijstelling kunnen
                    verlenen van de in de gemeentelijke helingvoorschriften opgenomen
                    registratieverplichtingen.</al><al/><al><cursief>Handelaar</cursief></al><al/><al>Voor de omschrijving van het begrip “handelaar” verwijst artikel 437, eerste
                    lid, Wetboek van Strafrecht naar de Algemene Maatregel van Bestuur op grond van
                    dit artikel (Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                    Strafrecht, KB 06-01-1992).</al><al/><al>Artikel 1 van dit besluit noemt als handelaren: opkopers en handelaren in
                    gebruikte en ongeregelde goederen, platina, goud, zilver, edelstenen, uurwerken,
                    kunstvoorwerpen, auto’s, motorfietsen, bromfietsen, fietsen, foto-, film-,
                    radio-, audio- en videoapparatuur en apparatuur voor automatische registratie.
                    Onder “handelaren in gebruikte en ongeregelde goederen” worden tevens handelaren
                    in antiek en curiosa verstaan. Daarom hoeven zij niet apart te worden
                    vermeld.</al><al/><al>Voorheen werd ook het begrip “verkoopregister” omschreven in dit artikel. Bij de
                    herziening van de APV begin 2008 is het geschrapt, omdat dit begrip alleen nog
                    terug komt in artikel 2:67. In dit artikel (en de toelichting) staat het nader
                    omschreven. </al><al/><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister</vet></al><al/><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de
                    handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen
                    hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting
                    wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort
                    goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig
                    zijn.</al><al/><al>In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze
                    van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en
                    daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde
                    verkoopregister.</al><al/><al>Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het
                    inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het
                    inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het
                    opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven.</al><al/><al>Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een
                    doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is
                    bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting
                    van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal
                    bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen
                    onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.</al><al/><al>Eerste lid</al><al/><al>Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden
                    (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als
                    fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling
                    toegevoegd.</al><al/><al>Er kan ook voor worden gekozen om de goederen die niet hoeven te worden
                    geregistreerd expliciet en limitatief op te sommen in het eerste en dan enige
                    lid, óf te bepalen dat alleen die goederen moeten worden geregistreerd die de
                    burgemeester heeft aangewezen.</al><al/><al>Lex silencio positivo</al><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van de verplichtingen met
                    betrekking tot het verkoopregister. Het artikel is gericht op de bestrijding van
                    heling van goederen. Er bestaat geen bezwaar tegen de lex silencio op de
                    vrijstellingsbepaling wegens het geringe maatschappelijk risico daarbij.</al><al/><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek
                        van Strafrecht</vet></al><al/><al>Deze bepaling, die gebaseerd is op artikel 437ter, eerste lid, Wetboek van
                    Strafrecht (WvSr), bevat voorschriften die in het algemeen het gevaar voor
                    heling beogen te voorkomen.</al><al/><al>Bij de herziening van de APV in 2008 zijn er geen inhoudelijke wijzigingen
                    aangebracht, maar is getracht een overzichtelijker artikel te formuleren, dat
                    kort en bondig is geformuleerd. Het voorheen gehanteerde begrip “lokaliteit” is
                    vervangen door “vestiging”. Daarnaast is het oude artikel 2.5.4 (2:69) in dit
                    artikel geïntegreerd.</al><al/><al>Onder a</al><al/><al>Ten eerste</al><al/><al>Artikel 437ter, tweede lid, van het WvSr legt de handelaar de verplichting op de
                    burgemeester of door hem aangewezen ambtenaren tevoren schriftelijk in kennis te
                    stellen als hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt. De wetgever heeft
                    afgezien van een regeling om de uitoefening van het opkopersbedrijf aan een
                    voorafgaande toelating door het gemeentebestuur te binden. De aanmeldingsplicht
                    is in onderdeel a, sub 1e, nader uitgewerkt.</al><al/><al>Ten tweede en derde</al><al/><al>Als er zich wijzigingen in het adres of beroep van de handelaar voordoen, dient
                    de burgemeester hiervan in kennis te worden gesteld. De politie kan hierdoor de
                    registratie van de handelaren up to date houden.</al><al/><al>Ten vierde</al><al>Hier spelen onder meer de omstandigheden waaronder het goed aan de handelaar
                    wordt aangeboden en diens wetenschap zelf een rol. De inhoud van deze bepaling
                    ligt dicht tegen die van artikel 437bis, eerste lid, van het WvSr aan. Hier is
                    het echter de ondernemer die het initiatief moet nemen. Deze bepaling kan niet
                    in strijd worden geacht met artikel 160 en 161 WvSv.</al><al/><al>Onder b</al><al/><al>In artikel 437, eerste lid, onder c, van het WvSr wordt aan de daartoe
                    aangewezen ambtenaar de bevoegdheid gegeven om inzage te hebben in het
                    inkoopregister. De bevoegdheid tot inzage in het verkoopregister is niet
                    aangegeven in het WvSr, zodat een regeling in de APV noodzakelijk is. Door de
                    bevoegdheid tot inzage van het verkoopregister bij de daartoe aangewezen
                    ambtenaar te leggen, kan deze ambtenaar zowel het inkoop als het verkoopregister
                    inzien.</al><al/><al>Onder d</al><al/><al>Bij een regeling tot effectieve helingbestrijding mag een bepaling betreffende
                    de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet ontbreken. Artikel 2:68,
                    onder d, voorziet hierin.</al><al/><al>De bepaling sluit nauw aan op hetgeen bepaald in artikel 437, eerste lid, onder
                    d en f, WvSr.</al><al/><al>Daar is de handelaar et cetera die in strijd met een schriftelijke last van de
                    burgemeester (of een vanwege hem gegeven last) bepaalde goederen vervreemdt, of
                    niet in bewaring geeft, of die niet voldoet aan de daarbij gegeven aanwijzingen,
                    strafbaar gesteld. In onderdeel d is gekozen voor een termijn van drie dagen,
                    zodat de bedrijfsvoering van de handelaren niet al te zeer wordt
                    belemmerd.</al><al/><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                        (vervallen)</vet></al><al>Het oude artikel 2.5.4 is nu opgenomen in artikel 2:68.</al><al/><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (Vervallen)</vet></al><al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op horecabedrijven en is
                    genummerd artikel 2:32.</al><al/><al><vet>Afdeling 13. Vuurwerk</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>Deze afdeling geeft regels omtrent de verkoop en bezigen van consumentenvuurwerk
                    (vuurwerk bestemd voor particulier gebruik) rond en tijdens de jaarwisseling, in
                    aanvulling op het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met
                    betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (verder te noemen
                    Vuurwerkbesluit). Het Vuurwerkbesluit is op 1 maart 2002 (grotendeels) in
                    werking getreden. </al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit strekt tot integrale herziening van het Vuurwerkbesluit Wet
                    milieugevaarlijke stoffen waarbij zowel de regelgeving voor consumentenvuurwerk
                    als die voor professioneel vuurwerk in één nieuwe algemene maatregel van bestuur
                    wordt geïntegreerd. Het Vuurwerkbesluit beoogt de gehele keten van het invoeren
                    dan wel vervaardigen of assembleren, verhandelen, uitvoeren, opslaan, bewerken
                    en afsteken van vuurwerk te reguleren, met inbegrip van bepaalde
                    vervoershandelingen met vuurwerk. De regels ten aanzien van het vervoer van
                    vuurwerk zijn gesteld ter uitwerking van artikel 3 van de Wet vervoer
                    gevaarlijke stoffen (Wvgs).</al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit kent dus regels voor zowel consumentenvuurwerk als
                    professioneel vuurwerk. De regels inzake professioneel vuurwerk zijn voor deze
                    afdeling niet relevant.</al><al/><al>Definitie consumentenvuurwerk</al><al/><al>Voor de omschrijving van het begrip “consumentenvuurwerk” is aansluiting gezocht
                    bij de omschrijving daarvan in het Vuurwerkbesluit. Consumentenvuurwerk wordt in
                    het Vuurwerkbesluit als volgt gedefinieerd: “vuurwerk dat is bestemd voor
                    particulier gebruik” (artikel 1.1.1. lid 1). Consumentenvuurwerk dient te
                    voldoen aan welomschreven productveiligheidseisen, zoals uitgewerkt in de
                    Regeling Nadere eisen aan vuurwerk (Stcrt. 243, 1997).</al><al/><al>Als consumentenvuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt vuurwerk dat bestemd is
                    voor particulier gebruik - aldus artikel 1.1.2 van het Vuurwerkbesluit -
                    indien:</al><lijst><li nr=""><al>a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier; </al></li><li nr=""><al>b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan,
                            gekocht of besteld door een particulier; </al></li><li nr=""><al>c. het aangetroffen wordt bij een particulier; </al></li><li nr=""><al>d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden
                            wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te
                            stellen of </al></li><li nr=""><al>e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.
                        </al></li></lijst><al/><al>Het Vuurwerkbesluit is ingevolge artikel 1.1.3 niet van toepassing op:</al><lijst><li nr=""><al>- vuurwerk waarvoor regels zijn gesteld bij het Warenwetbesluit
                            Speelgoed, zoals klappertjes voor speelgoedpistolen; </al></li><li nr=""><al>- vuurwerk dat bij de Nederlandse krijgsmacht, bij de krijgsmacht van
                            een bondgenootschappelijke mogendheid of bij de politie in gebruik of
                            beheer is; </al></li><li nr=""><al>- vuurwerk dat in het kader van internationaal vervoer per zeeschip of
                            vliegtuig binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht en niet in
                            Nederland wordt gelost of rechtstreeks wordt overgeladen naar een ander
                            zeeschip onderscheidenlijk vliegtuig. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Fop- en schertsvuurwerk</cursief></al><al/><al>Fop- en schertsvuurwerk is een aparte groep consumentenvuurwerk, genoemd in
                    bijlage 1 van de Regeling Nadere eisen aan vuurwerk. Het gaat hierbij onder meer
                    om boobytraps, sterretjes, knalbonbons, confettibommen, trektouwtjes, Bengaalse
                    lucifers en Bengaalse handfakkels. Aan al deze voorwerpen worden eisen gesteld
                    aan de lading. De lading van fop- en schertsvuurwerk is (veel) kleiner dan de
                    lading van overig consumentenvuurwerk. De voorschriften opgenomen in bijlage 1
                    van het Vuurwerkbesluit zijn niet van toepassing, indien er binnen de inrichting
                    niet meer dan 200 kg fop- en schertsvuurwerk aanwezig is. Op grond van artikel
                    2.3.7 van het Vuurwerkbesluit is fop- en schertsvuurwerk het hele jaar door
                    verkrijgbaar en kan het ook gedurende het hele jaar worden afgestoken.</al><al/><al><cursief>Uniforme regels verkoop en afsteken consumentenvuurwerk tijdens de
                        jaarwisseling</cursief></al><al/><al>Het Vuurwerkbesluit kent voor de verkoop en afsteken van consumentenvuurwerk
                    tijdens de jaarwisseling een aantal uniforme regels:</al><lijst><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een
                            particulier (artikel 2.3.2 lid 1);</al></li><li nr=""><al>dit verbod geldt niet op 29, 30 en 31 december met dien verstande dat
                            als een van deze dagen een zondag is het verbod eveneens op die zondag
                            geldt, in welk geval het verbod om vuurwerk ter beschikking te stellen
                            dan niet geldt op 28 december (artikel 2.3.2 lid 2);</al></li><li nr=""><al>een verbod per levering meer dan tien kilogram consumentenvuurwerk aan
                            een particulier ter beschikking te stellen (artikel 2.3.3);</al></li><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter
                            beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die
                            voldoet aan de in bijlage 1 gestelde voorschriften en de door het
                            bevoegd gezag overeenkomstig artikel 2.2.3 gestelde nadere eisen
                            (artikel 2.3.4);</al></li><li nr=""><al>een verbod om consumentenvuurwerk bedrijfsmatig ter beschikking te
                            stellen aan personen die jonger zijn dan zestien jaar (artikel
                            2.3.5);</al></li><li nr=""><al>een verbod vuurwerk tot ontbranding te brengen op een ander tijdstip dan
                            tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari 2.00 uur van het daarop
                            volgende jaar (artikel 2.3.6).</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                        verkoopdagen </vet></al><al><cursief>Verkoopvergunning consumentenvuurwerk</cursief></al><al>Op basis van artikel 2:72 kan het college aan een bedrijf of nevenbedrijf een
                    vergunning verlenen voor het verkopen van consumentenvuurwerk tijdens de door
                    het Vuurwerkbesluit aangewezen verkoopdagen. </al><al/><al><onderstreept>Beleidsvisie Externe Veiligheid 2008-2011</onderstreept></al><al>In mei 2008 is door de raad de beleidsvisie Externe Veiligheid 2008-2011
                    vastgesteld. Hierin is bepaald dat in de APV wordt opgenomen dat slechts per
                    voormalige gemeente van de huidige gemeente Bergen, dus in de kernen Bergen,
                    Egmond en Schoorl, een verkooppunt wordt toegestaan. Bij het vrijlaten van het
                    aantal afleveringspunten is een toename van overlast en veiligheidsrisico’s te
                    verwachten. Daarnaast moet een concentratie van afleveringspunten op bepaalde
                    plaatsen worden voorkomen. Vuurwerkverkooppunten zijn in principe toegestaan in
                    inrichtingen waar een bestemming detailhandel op rust en deze inrichtingen
                    dienen uiteraard te voldoen aan de eisen die gesteld worden in het
                    Vuurwerkbesluit.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf
                    consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel het voor het ter
                    beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college
                    van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.</al><al>De lex silencio kan van toepassing worden verklaard. De vergunning is eenvoudig
                    en wordt algemeen geformuleerd. De technische eisen staan beschreven in het
                    Vuurwerkbesluit. Het gaat meestal om dezelfde vergunningaanvragers, terwijl de
                    activiteiten rond een éénduidig bepaalde periode spelen.</al><al/><al><vet>Artikel 2:73 Bezigen van vuurwerk</vet></al><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen
                    op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht
                    (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in
                    winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk
                    altijd verboden is.</al><al/><al>Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het bezigen van
                    consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een portiek of
                    een volksverzameling.</al><al/><al><vet>Afdeling 14. Drugsoverlast</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat </vet></al><al><cursief>Afbakening met de Opiumwet</cursief></al><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage “onverminderd het
                    bepaalde in de Opiumwet” opgenomen.</al><al/><al><cursief>Drugshandel op straat en coffeeshopbeleid</cursief></al><al>Artikel 2:74 is opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. </al><al>De straathandel in drugs kan leiden tot een verstoring van de openbare orde. Om
                    daartegen op te treden is het noodzakelijk in de APV een bepaling op te nemen,
                    die tot doel heeft het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van
                    strafbare feiten. In praktijk gaat het met name om harddrugs.</al><al/><al>In dit artikel zijn zowel de aanbieders als ontvangers en bemiddelaars
                    (“drugsrunners”) strafbaar gesteld. Het “kennelijk doel” kan blijken uit
                    ervaringsfeiten en concrete omstandigheden zoals het aanspreken van
                    voorbijgangers, het waarnemen van transacties enz.</al><al/><al>Sommige gemeenten gaan nog een stap verder en hebben in de APV ook
                    samenscholingsverboden, verblijfsontzeggingen, enz. opgenomen. Dit geldt onder
                    meer voor de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De noodzaak om
                    dergelijke verboden in de APV op te nemen speelt uiteraard niet voor alle
                    gemeenten, maar met name voor gemeenten waar de problematiek rond handel en
                    gebruik van drugs op straat groot is. In de model-APV zijn dan ook geen
                    bepalingen te vinden.</al><al/><al><cursief>Jurisprudentie</cursief></al><al/><al>Doel van het Amsterdamse verbod op drugshandel op of aan de openbare weg in de
                    APV is het voorkomen van een aantasting van de openbare orde en strafbare
                    feiten. De bepaling heeft derhalve betrekking op andere gedragingen dan
                    strafbaar gesteld in de Opiumwet. HR 17-11-1992, NJ 1993, 409, JG 94.0005 m.nt.
                    A.B. Engberts.</al><al/><al><vet>Artikel 2:74A Hinderlijk gebruik van drugs</vet></al><al>Dit artikel is opgenomen om de overlast als gevolg van hinderlijk gebruik van
                    drugs tegen te gaan.</al><al/><al><vet>Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en
                        cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>Voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid in de openbare ruimte is
                    een breed pakket aan juridische instrumenten beschikbaar. Het artikel van de
                    bestuurlijke ophouding geeft de burgemeester de bevoegdheid om onder bepaalde
                    omstandigheden bij grootschalige verstoringen van de openbare orde, of bij
                    ernstige vrees daarvoor een besluit te nemen tot het gedurende maximaal 12 uur
                    laten vasthouden van groepen personen als nader genoemde artikelen uit de APV
                    niet worden nageleefd. De toepassing van deze bevoegdheden moeten aan strenge
                    eisen voldoen, bovendien staat tegen het besluit van de burgemeester om tot
                    toepassing van deze artikelen over te gaan bezwaar en vervolgens beroep
                    open.</al><al/><al>Artikel 2:75 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a Van de
                    Gemeentewet. De toepassing van het bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke
                    ophouding vereist (een bepaling in) een verordening waarin de raad de
                    burgemeester de bevoegdheid geeft om bij groepsgewijze niet-naleving van
                    specifieke voorschriften bestuurlijk op te houden. Artikel 2:75 voorziet
                    hierin.</al><al/><al>De voorwaarden waaronder bestuurlijke ophouding kan worden toegepast, zijn
                    vastgelegd in artikel 154a van de Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a
                    van de Gemeentewet” impliceert dan ook dat aan alle voorwaarden moet worden
                    voldaan voordat een besluit tot bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze
                    voorwaarden zijn hiervoor beschreven.</al><al/><al>De bepaling spreekt overeenkomstig de wet van “door hem [= de burgemeester]
                    aangewezen groepen”. Dit verplicht de burgemeester concreet de groep te benoemen
                    waarop bestuurlijke ophouding wordt toegepast. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren
                    door de formulering “degenen die zich door kleding, uitrusting of gedraging
                    manifesteren als supporter van .../deelnemer aan de actie tegen ...”. Verder kan
                    de groep nader worden aangeduid door de plaats aan te geven waar de groep zich
                    bevond op het moment dat het besluit tot ophouding werd genomen, de handelingen
                    die de leden van de groep op dat moment verrichtten de grootte van de groep of
                    door vermelding van de taal, herkomst of nationaliteit van de leden van de
                    groep.</al><al/><al>De bepaling vereist een nadere invulling van specifieke voorschriften die zich
                    bij groepsgewijze niet-naleving voor het overgaan tot bestuurlijke ophouding
                    lenen. </al><al/><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. </al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. De aanwijzing als
                    veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is
                    en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving
                    van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij
                    hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de
                    korpschef. </al><al/><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Voor de handhaving van de openbare orde en veiligheid in de openbare ruimte is
                    een breed pakket aan juridische instrumenten beschikbaar. Met de
                    inwerkingtreding van artikel 151 c van de gemeentewet is dit pakket van
                    instrumenten uitgebreid met de invoering van cameratoezicht. In dit artikel
                    wordt bepaald dat de raad aan de burgemeester de bevoegdheid kan verlenen om
                    gebieden in de openbare plaatsen voor een bepaalde duur aan te wijzen voor
                    cameratoezicht. </al><al/><al>Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare
                    plaats is een besluit van algemene strekking waartegen op grond van de Algemene
                    wet bestuursrecht (Awb) voor belanghebbenden bezwaar en beroep openstaat.</al><al/><al>Het kan voorkomen dat beelden worden gemaakt van personen die een pand
                    binnengaan of verlaten. De eigenaren van dergelijke panden zijn aan te merken
                    als belanghebbenden in de zin van de Awb, evenals bijvoorbeeld degenen die in
                    zo’n pand werken of wonen (huurders) of anderszins regelmatige bezoekers van
                    zo’n pand zijn.</al><al/><al><cursief>Doel van het cameratoezicht</cursief></al><al>Gemeentelijk cameratoezicht op grond van artikel 151c Gemeentewet mag
                    uitsluitend plaatsvinden voor het handhaven van de openbare orde. Dit begrip
                    omvat ook de algemene bestuurlijke voorkoming van strafbare feiten die invloed
                    hebben op de orde en rust in de gemeentelijke samenleving. Dit hoofddoel laat
                    onverlet dat deze vorm van cameratoezicht ook subdoelen mag dienen. Zo biedt
                    artikel 151c lid 7 Gemeentewet de mogelijkheid om de opgenomen beelden te
                    gebruiken voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Daarnaast mogen
                    camera’s worden gebruikt om de politie en andere hulpdiensten efficiënter en
                    effectiever in te zetten. De preventieve werking van cameratoezicht vergroot
                    bovendien hun veiligheid.</al><al/><al>De wetgever heeft dit onderwerp uitputtend bij formele wet geregeld. Uitsluitend
                    op de wijze omschreven in artikel 151c Gemeentewet kan worden besloten tot
                    langdurige plaatsing van vaste camera’s ten behoeve van de handhaving van de
                    openbare orde. Ander gebruik van camera’s ten behoeve van de openbare orde en
                    veiligheid dan het hiervoor bedoelde statische en langdurige gebruik, wordt door
                    de regeling onverlet gelaten. Hierbij moet men met name denken aan kortstondig
                    en/of mobiel cameragebruik bij evenementen, rellen en grootschalige
                    ordeverstoringen. In die gevallen, waarbij steeds een concrete aanleiding
                    bestaat, kan de bevoegdheid tot cameragebruik worden ontleend aan artikel 2 van
                    de Politiewet 1993.</al><al/><al><cursief>Proportionaliteit en subsidiariteit</cursief></al><al>Het uitvoeren van cameratoezicht op openbare plaatsen moet noodzakelijk zijn
                    voor de handhaving van de openbare orde. Het cameratoezicht moet evenredig zijn
                    in relatie tot het doel (proportionaliteit) en er moet worden bezien of dit
                    doel, i.c. de handhaving van de openbare orde, niet op een minder ingrijpende
                    wijze kan worden geëffectueerd (subsidiariteit).</al><al/><al>De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit verlangen dat periodiek moet
                    worden beoordeeld of de doelstelling(en), die aan het plaatsen van de camera’s
                    ten grondslag hebben gelegen, zijn gerealiseerd en of er nog langer een noodzaak
                    bestaat voor cameratoezicht. Daarom geldt op grond van artikel 151c lid 1
                    Gemeentewet dat de plaatsing van camera’s geschiedt voor een bepaalde duur. Na
                    het verstrijken van deze termijn kan het cameratoezicht, bij gebleken noodzaak,
                    worden verlengd. Het ligt daarom voor de hand om de duur van plaatsing te
                    koppelen aan een evaluatie.</al><al/><al><cursief>Kenbaarheid</cursief></al><al>In artikel 151c lid 4 Gemeentewet is vastgelegd dat het gebruik van camera’s
                    kenbaar moet zijn. Burgers moeten in elk geval in kennis worden gesteld van de
                    mogelijkheid dat zij op beelden kunnen voorkomen zodra zij het gebied betreden
                    dat valt binnen het bereik van de camera’s. Aan het kenbaarheidsvereiste moet
                    niet alleen worden voldaan als er beelden worden vastgelegd, maar ook als sprake
                    is van monitoring en er dus geen opnames worden gemaakt. Door het goed zichtbaar
                    plaatsen van borden, waarop wordt aangeven dat in het betrokken gebied met
                    camera’s wordt gewerkt, kan het publiek op deze mogelijkheid worden
                    geattendeerd. Overigens houdt het kenbaarheidsvereiste niet in dat camera’s
                    altijd zichtbaar moeten zijn of dat de burgers op de hoogte moeten worden
                    gesteld van de precieze opnametijden.</al><al/><al><vet>Afdeling 16. Het strand en de zee</vet></al><al/><al>Bergen heeft in 2008 een nieuw strandbeleid gekregen, de Strandnota 2008. Dit
                    strandbeleid is ‘vertaald’ naar deze APV-strandbepalingen. Er gelden verboden,
                    gedifferentieerd naar de zomerperiode, welke loopt van 1 mei tot 1 oktober, en
                    de winterperiode, welke loopt van 1 oktober tot 1 mei. Verder is een belangrijk
                    onderscheid aangebracht in het ‘gebruiksprofiel’ van het strand; een aantal
                    stukken strand is benoemd als ‘activiteitenstrand’. Op deze stukken strand is
                    meer toegestaan dan op de stukken strand die niet het gebruiksprofiel
                    ‘activiteitenstrand’ hebben gekregen. </al><al/><al>In het kader van de leesbaarheid en eenduidigheid beginnen de artikelen allemaal
                    met een bepaald verbod. De genoemde ‘activiteit’ is verboden, maar dit verbod
                    wordt in het vervolg van de artikelen genuanceerd, in die zin dat bepaalde
                    uitzonderingen (naar plaats, tijd of onderwerp) worden opgenoemd en dat, indien
                    aan de orde, de ontheffingsmogelijkheid wordt geboden. </al><al/><al><vet>Artikel 2:78</vet></al><al>De begripsbepalingen zijn opgenomen overeenkomstig hetgeen hierover is
                    neergelegd in de Strandnota. De inhoud hiervan spreekt voor zich. </al><al/><al><vet>Artikel 2:79 </vet></al><al>Gedurende het gehele jaar, zomer- en winterperiode, is het niet toegestaan om
                    met motorvoertuigen zoals bedoeld in het RVV 1990 op het strand te komen. </al><al/><al>Op dit verbod geldt een aantal in lid 2 genoemde uitzonderingen en verder kan
                    van dit verbod ontheffing worden verleend. Het verlenen van deze ontheffing is
                    een zogenaamde discretionaire bevoegdheid (er staat: het college“kan” ontheffing
                    verlenen) en het gebruik van een dergelijke bevoegdheid moet goed gemotiveerd
                    worden. Bij het gebruik van deze ontheffingsbevoegdheid moet het college in
                    ieder geval verwijzen naar het strandbeleid. In dit strandbeleid zijn immers
                    over deze ontheffingsmogelijkheid kaders gegeven; de ontheffing is voorbehouden
                    aan huurders van het strand. Het strandbeleid omschrijft het als volgt: huurders
                    van het strand kunnen per huurovereenkomst en per huurperiode maximaal twee op
                    kenteken (of in het geval van een vereniging op verenigingsnaam) gestelde
                    ontheffingen aanvragen voor het rijden op het strand met een motorvoertuig. </al><al/><al>In de zomerperiode zijn motorvoertuigen, met ontheffing dus, toegestaan voor
                    10.00 uur en na 18.00 uur. </al><al/><al>In de winterperiode zijn motorvoertuigen met ontheffing de gehele dag
                    toegestaan, met uitzondering van de zon- en feestdagen. Op deze zon- en
                    feestdagen zijn motorvoertuigen met ontheffing, net als in de zomerperiode,
                    toegestaan voor 10.00 uur en na 18.00 uur. </al><al/><al>NB: onder motorvoertuigen vallen ingevolge het RVV 1990 óók tractors.</al><al/><al>Verder kan ontheffing worden verleend indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is
                    ten behoeve van het op- en afbouwen van een strandpaviljoen dan wel het
                    organiseren van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 op het strand.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo </cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om met motorvoertuigen op het
                    strand te rijden, deze aldaar te brengen of te hebben. Aan de verlening of
                    weigering van de ontheffing ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag.
                    De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De lex silencio
                    positivo kan daarom van toepassing worden verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 2:80 </vet></al><al>Niet gemotoriseerde voertuigen zijn:</al><al>- in de zomerperiode niet toegestaan</al><al>- in de winterperiode slechts toegestaan op het ‘activiteitenstrand’</al><al>Van dit verbod kan door het college ontheffing worden verleend. </al><al/><al>Overigens zijn fietsen van dit verbod uitgezonderd: fietsen is in de zomer- en
                    winterperiode overal toegestaan, waarbij in de zomerperiode wel een beperking
                    geldt, namelijk slechts voor 10.00 uur en na 19.00 uur. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo </cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om met niet-gemotoriseerde
                    voertuigen op het strand te rijden, deze aldaar te brengen of te hebben. Aan de
                    verlening of weigering van de ontheffing ligt een relatief eenvoudige afweging
                    ten grondslag. De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De lex
                    silencio positivo kan daarom van toepassing worden verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 2:81 </vet></al><al>Dit artikel is gelijk aan dat van de oude APV; gedurende de zomer- en
                    winterperiode is het verboden om motorvaartuigen op het strand en in zee binnen
                    een afstand van 300 meter uit de kust te hebben. </al><al>Op dit verbod zijn uitzonderingen gemaakt en verder kan, onder voorwaarden,
                    ontheffing van dit verbod worden verleend. In het strandbeleid wordt deze
                    ontheffingsmogelijkheid geboden aan watersportverenigingen en
                    rondvaartboten.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod een vaartuig op het strand te
                    hebben en zich met een vaartuig van het strand af in zee te begeven of zich
                    daarmee in de aan het strand grenzende zeestrook binnen een afstand van 300
                    meter vanaf het strand te bevinden of daarmee te varen. Aan de verlening of
                    weigering van de ontheffing ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag.
                    De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De lex silencio
                    positivo kan daarom van toepassing worden verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 2:82 </vet></al><al>Niet-gemotoriseerde vaartuigen (geen motor, geringe afmetingen, lichte
                    constructie) zijn in de winterperiode overal toegestaan en in de zomerperiode
                    slechts op het activiteitenstrand.</al><al/><al><vet>Artikel 2:83</vet></al><al>Onder de ‘attributen en voorwerpen’ van dit artikel moeten in ieder geval worden
                    verstaan: een tent, windscherm, paal, (reclame)bord, afrastering, ligstoel en
                    een volleybalnet. </al><al>Op dit verbod zijn uitzonderingen gemaakt en verder kan ontheffing worden
                    verleend. </al><al>De ontheffing kan in ieder geval worden verleend bij evenementen. </al><al>Verder kan ontheffing ook worden verleend aan huurders van het strand voor het
                    stallen van motorvoer- en motorvaartuigen en voor loopplanken. </al><al>En tenslotte kan ontheffing worden verleend aan hulpverleningsdiensten ten
                    behoeve van het waarborgen van een vrije doorgang voor deze hulpdiensten van de
                    strandafgang naar de vloedlijn. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om attributen en voorwerpen
                    op het strand te plaatsen of onbeheerd achter te laten. Aan de verlening of
                    weigering van de ontheffing ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag.
                    De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De lex silencio
                    positivo kan daarom van toepassing worden verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 2:84</vet></al><al>Het uitoefenen van strand- en watersport is in de winterperiode overal
                    toegestaan en in de zomerperiode slechts op het activiteitenstrand.</al><al/><al><vet>Artikel 2:85</vet></al><al>Zie artikel 2:84</al><al/><al><vet>Artikel 2:86</vet></al><al>Dit artikel regelt het vissen in de zee bij en vanaf het Bergense strand.
                    Uitgangspunt is het verbod: het is verboden in zee te vissen. De
                    staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft op 27 juni
                    2012 een Regeling vastgesteld ten behoeve van het toestaan van recreatief
                    gebruik van ‘staand want’ in de Visserijzone. Deze regeling is in werking
                    getreden op 7 juli 2012. Dit verbod betekent dat het niet meer toegestaan is om
                    recreatief met ‘staand want’ te vissen in de Noordzee. Voor de overige vaste
                    vistuigen gold dit verbod reeds op grond van het bepaalde in artikel 80 van de
                    Uitvoeringsregeling zeevisserij. Voor de beroepsvisserij geldt dit verbod niet
                    mits de visserij wordt uitgeoefend met een vissersvaartuig dat ingeschreven is
                    in het visserijregister. In verband daarmee is dit artikel aangepast. </al><al>Van het verbod kan geen ontheffing worden verleend. </al><al/><al><vet>Artikel 2:87</vet></al><al>Honden op het strand.</al><al>Honden zijn in de winterperiode overal toegestaan.</al><al>In de zomerperiode gelden restricties: alleen toegestaan op het
                    activiteitenstrand en op de overige stranden alleen toegestaan voor 10 uur en na
                    19 uur. </al><al/><al><vet>Artikel 2:88</vet></al><al>Paarden en andere rijdieren op het strand.</al><al>Paarden zijn in de winterperiode overal toegestaan, behalve op zon- en
                    feestdagen tussen 12 uur en 19uur.</al><al>In de zomerperiode gelden dezelfde regels als voor honden: alleen toegestaan op
                    het activiteitenstrand en op de overige stranden alleen toegestaan voor 10 uur
                    en na 19 uur. </al><al/><al><vet>Artikel 2:89</vet></al><al>Spreekt voor zich: overnachten op het strand is slechts toegestaan in de
                    strandhuisjes in Egmond aan Zee. </al><al/><al><vet>Artikel 2:90</vet></al><al>De strandnota is hier helder over; “open vuur is gedurende zomer en winter
                    nergens toegestaan”. </al><al>Voorbeelden van open vuur zijn vuurkorven, kampvuurtjes en barbecues. Hoewel een
                    kampvuur op het strand gezellig kan zijn, zijn er altijd risico’s voor mens en
                    omgeving aan verbonden. Ook blijft er vaak na afloop rommel achter.</al><al>Het verbod om vuur te stoken op het strand is bij de meeste ‘strandgemeentes’
                    gebruikelijk. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om op het strand een open
                    vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. Aan de verlening of weigering van de
                    ontheffing ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag. De ontheffing is
                    eenvoudig en wordt algemeen geformuleerd. De lex silencio positivo kan daarom
                    van toepassing worden verklaard.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3, Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                    e.d.</vet></al><al>Zie de uitgebreide toelichting bij de model-APV van de VNG.</al><al/><al><vet>Artikel 3:4</vet></al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al> Gelet op de aard van de te verrichten diensten kan prostitutie gevolgen hebben
                    voor de (volks)gezondheid. Alleen al dat belang vraagt om bescherming. Daarnaast
                    is prostitutie ​vanouds een branche waar uitwassen helaas voorkomen.
                    Mensenhandel en loverboys zijn verre van denkbeeldig. Het is daarom in het
                    belang van openbare orde, zedelijkheid en volksgezondheid dat de ondernemer aan
                    de eisen van onder meer integriteit en hygiëne voldoet. De mogelijk ernstige
                    gevolgen van overtredingen en het risico van malafide praktijken in deze branche
                    maakt een voorafgaande vergunning noodzakelijk. Vergunning vooraf betekent dat
                    de overheid bekend is met de identiteit van de ondernemer en de aard van diens
                    activiteiten. In verband daarmee is het niet wenselijk dat de lex silencio van
                    toepassing wordt verklaard wegens dringende redenen van algemeen belang, zoals
                    de openbare orde en de volksgezondheid.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                        uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1: Geluidhinder en Verlichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Op 1 januari 2008 is het nieuwe Besluit algemene regels voor inrichtingen
                    milieubeheer in werking getreden. Het Besluit geeft, evenals het oude Besluit
                    horeca-, sport- en receatie-inrichtingen, gemeenten de mogelijkheid om bij
                    festiviteiten via een gemeentelijke verordening ontheffing te verlenen voor
                    artikelen over geluid-, trillings- of lichthinder.</al><al/><al>Tevens biedt het Besluit de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening
                    voorwaarden te stellen aan festiviteiten ter voorkoming of beperking van
                    geluidshinder.</al><al/><al>Een inrichting valt onder bovengenoemd Besluit tenzij de bedrijfsactiviteiten
                    hiervan zijn uitgezonderd. In dat laatste geval dient de inrichting te
                    beschikken over een milieuvergunning.</al><al/><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief>: In de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni
                    2010 is opgenomen, dat de reeds bestaande collectieve festiviteiten in de
                    diverse kernen worden gehandhaafd op basis van de reeds vastgestelde collectieve
                    dagen.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief>: Dit voorschrift is gesteld voor sportverenigingen
                    die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen
                    gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. </al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief>: De gemeente kan rekening houden met de aard van
                    het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen.
                    Gebiedsdifferentiatie betekent ook dat het aantal aangewezen dagen of dagdelen
                    per gebied kan verschillen. Overigens is dit alleen mogelijk voor collectieve
                    festiviteiten.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief>: Een dergelijke aanwijzing is een besluit van
                    algemene strekking waardoor de bekendmakingsregels van artikel 3:42 Awb in acht
                    dienen te worden genomen.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief>: Deze bepaling ziet op feesten die niet waren te
                    voorzien, bijvoorbeeld wanneer de plaatselijke voetbalclub landskampioen
                    wordt.</al><al/><al><cursief>Zesde tot en met het negende lid</cursief>: Dit betreffen de
                    voorwaarden die worden gesteld aan de collectieve festiviteiten en activiteiten
                    ter voorkoming van geluidhinder.</al><al/><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief>: Een incidentele festiviteit is een festiviteit
                    die aan één of slechts een klein aantal inrichtingen gebonden is, zoals een
                    optreden met levende muziek bij een café, een jubileum of een straatfeest. In
                    het Besluit is een maximaal aantal incidentele festiviteiten bepaald van 12
                    dagen of dagdelen per jaar. De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om het aantal
                    te verlagen. Op grond van de Horecanota “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010 heeft
                    de gemeente Bergen ervoor gekozen maximaal drie incidentele festiviteiten toe te
                    staan. </al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief>: In afwijking van het eerste lid is voor de
                    inrichting “JOEB te Egmond-Binnen” een uitzondering gemaakt aangezien dit
                    jongerencentrum @@@@@@@@</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief>: Dit voorschrift is gesteld voor sportverenigingen
                    die buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen
                    gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Ook hier is een maximum aantal
                    dagen van 12 dagen of dagdelen per jaar vastgesteld. Op grond van de Horecanota
                    “Gastvrij Bergen” van 29 juni 2010 heeft de gemeente Bergen ervoor gekozen
                    maximaal drie incidentele festiviteiten toe te staan.</al><al/><al><cursief>Vierde en vijfde lid</cursief>: Het college dient minimaal twee weken
                    voor de aanvang van de festiviteit met een kennisgevingsformulier op de hoogte
                    te worden gesteld van de festiviteit. Deze termijn stelt het college in staat te
                    beoordelen op welke wijze de houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige
                    geluidhinder dan wel lichthinder tracht te voorkomen.</al><al/><al><cursief>Zesde lid</cursief>: Deze bepaling ziet op een festiviteit in een
                    inrichting die redelijkerwijs niet te voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand
                    de lotto heeft gewonnen.</al><al/><al><cursief>Zevende tot en met het tiende lid</cursief>: Dit betreffen de
                    voorwaarden welke gesteld kunnen worden aan de incidentele festiviteiten voor
                    wat betreft geluidhinder.</al><al/><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten (vervallen)</vet></al><al>In deze bepaling is aangegeven op welke gronden een incidentele festiviteit is
                    verboden. In dat geval kan handhavend worden opgetreden door de burgemeester.
                    Deze bepaling schept duidelijkheid naar de houder van een inrichting die een
                    incidentele festiviteit organiseert. De burgemeester heeft daarnaast overigens
                    een (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van de Gemeentewet waarin is
                    bepaald, dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor
                    zover deze betrekking hebben op het toezicht op de voor publiek openstaande
                    gebouwen en andere openbare vermakelijkheden.</al><al/><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><al>Dit artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet
                    buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting wordt bepaald door de
                    Wet milieubeheer. In het Besluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de
                    algemene geluidsniveaus. Hiervoor zijn regels opgenomen in de APV.</al><al/><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al><al>Zelfde gebleven. </al><al>Zie verder de uitgebreide toelichting bij de toelichting van de model-APV van de
                    VNG.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel heeft betrekking op de vormen van geluidshinder waarin andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr=""><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr=""><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr=""><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr=""><al>het gebruik van diverse geluidsproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr=""><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr=""><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz.;</al></li><li nr=""><al>overige handelingen waardoor geluidsoverlast ontstaat.</al></li></lijst><al/><al>Het betreft hier een overlastbepaling. De beoordeling van een
                    ontheffingsaanvraag is specifiek en vereist maatwerk. De verzoeken om ontheffing
                    op grond van dit artikel worden veelal gelijktijdig met een aanvraag op grond
                    van artikel 2:25 APV. Een lex silencio positivo is derhalve niet gewenst om
                    dringende redenen van algemeen belang zoals de openbare orde.</al><al/><al><vet>Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen</vet></al><al>Artikel 4:7 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een
                    milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de
                    reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking
                    op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde
                    aangeduide dagen en uren.</al><al/><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Deze bepaling staat al sinds jaar en dag in de model-APV. Momenteel zijn er veel
                    gemeenten die in het kader van een lik-op-stuk-beleid onderhavige bepaling
                    strikt handhaven.</al><al/><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen
                        en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening
                    geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet
                    direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de
                    model-APV besloten.</al><al/><al><vet>Afdeling 3: Het bewaren van houtopstanden </vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:10 - Begripsbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel a (boom)</vet></al><al/><al>Gekozen is voor een precieze definitie van het begrip boom, zodat dit begrip
                    eenduidig kan worden gehanteerd en eenvoudig controleerbaar wordt. </al><al/><al>Er wordt pas van een boom gesproken wanneer bij een houtachtig opgaand gewas de
                    omtrek 63 cm of meer bedraagt op 1,30 m hoogte. Een omtrek van 63 cm komt
                    overeen met een diameter van ca. 20 cm. Voor het vellen van een boom met een
                    omtrek van 63 cm of meer op 1,30 m hoogte is een vergunning nodig. </al><al/><al>Vanzelfsprekend moet de minimumgrootte niet gelden voor aanplant in het kader
                    van een herplantplicht of -voorschrift. </al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel b (houtopstand)</vet></al><al/><al>Houtopstand is het algemene begrip dat de Boswet zelf ook hanteert. Gesproken
                    wordt van "bossen en andere houtopstanden"; ook de bossen worden dus tot de
                    houtopstanden gerekend. In de Boswet wordt geen begripsomschrijving gegeven van
                    houtopstand en ook niet van hakhout.</al><al/><al>In artikel 1, eerste lid, van de verordening wordt ook een houtwal als
                    houtopstand aangemerkt. In het algemeen vallen onder houtwal alle lintvormige
                    begroeiingen van enige uitgestrektheid, bestaande uit bomen en/of struiken. Het
                    begrip omvat onder andere houtsingels, houtkaden. Houtwallen zijn duidelijk
                    omvangrijker dan heggen of hagen.</al><al>Solitaire struiken of heesters alsmede heggen en hagen zijn niet onder de
                    voorschriften begrepen. De term heg of haag heeft in het algemeen overigens
                    betrekking op een omheining van struiken (of soms bomen) die regelmatig in de
                    gewenste vorm wordt geschoren.</al><al><vet>Eerste lid, onderdeel e (vellen)</vet></al><al/><al>De omschrijving van "vellen" omvat ook het verrichten van handelingen die de
                    dood of ernstige beschadiging van houtopstanden ten gevolge hebben. Deze
                    omschrijving komt overeen met die van artikel 1, lid 2, van de Boswet. Om
                    misverstanden te voorkomen is "ontsiering" toegevoegd.</al><al/><al>Toegevoegd is "zowel boven- als ondergronds" om ook op te kunnen treden tegen
                    ernstige beschadiging bij bijvoorbeeld de aanleg van kabels en leidingen. </al><al/><al>De omschrijving van "vellen" heeft alleen betrekking op (actieve) handelingen en
                    niet op het (passieve) nalaten van handelingen, bijvoorbeeld het nalaten van
                    onderhoud, het niet nemen van maatregelen om ernstig bedreigde houtopstand
                    veilig te stellen, of het lijdelijk toezien dat houtopstand - al dan niet door
                    toedoen van anderen - te gronde gaat. Het lijkt te ver te gaan om ook een
                    dergelijk nalaten van handelingen onder het begrip "vellen" te brengen. </al><al/><al><vet>Eerste lid, onder f (vergunning)</vet></al><al/><al>Met vergunning wordt bedoeld een omgevingsvergunning, aan te vragen via het
                    omgevingsloket.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11- Omgevingsvergunning</vet></al><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al>De voorschriften gelden zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Een
                    uitzondering vormen o.a. houtopstanden buiten de bebouwde kom die groter zijn
                    dan 10 are, of bestaan uit een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. In dat geval
                    is de Boswet van toepassing. </al><al/><al><vet>Eerste lid (kapvergunning)</vet></al><al/><al>Lid 1 introduceert het vergunningenstelsel.' een algemeen kapverbod, behoudens
                    daartoe verkregen vergunning.</al><al/><al><vet>Tweede lid (uitzonderingen)</vet></al><al/><al>Lid 2 geeft enkele uitzonderingen op het in het eerste lid gestelde verbod. </al><al>Onder a wordt aangegeven dat een boom met een omtrek van minder dan 63 cm (of
                    een diamater van ca. 20 cm) geveld mag worden zonder vergunning.</al><al/><al>Het omvormen tot knotboom van een populier of wilg die deel uitmaakt van een
                    wegbeplanting of eenrijige beplanting langs landbouwgronden is toegestaan zonder
                    vergunning, evenals de instandhouding van een knotboom door middel van
                    regelmatig knotten.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11a Noodkap</vet></al><al/><al>Dit artikel is opgenomen om een boom snel te kunnen kappen wanneer er acuut
                    gevaar dreigt en er geen tijd is om de reguliere procedure te doorlopen.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4:11b Weigeringsgronden</vet></al><al/><al>De belangen die aan de kapaanvraag ten grondslag liggen, worden afgewogen tegen
                    de waarden van de houtopstand. Hierbij gaat het om ecologische waarden,
                    landschappelijke en stedenbouwkundige waarden, cultuurhistorische waarden,
                    waarden voor recreatie en leefbaarheid. Er is geen rangorde in de genoemde
                    waarden.</al><al/><al><cursief>a. Ecologische waarden</cursief></al><al>Bij het beoordelen van het belang van de kapaanvraag is de ecologische waarde
                    van een boom van belang. De ecologische waarde van een boom wordt bepaald door
                    de aanwezigheid van onder meer bloesem, vruchten en holten, bijzondere
                    plantengroei op de boom, de invloed op de bodemhuishouding en de nestel- of
                    schuilgelegenheid voor bepaalde diersoorten. Ook dode bomen kunnen ecologisch
                    waardevol zijn voor onder andere vogels (uilen) en bepaalde flora
                    (schimmels).</al><al/><al><cursief>b. Landschappelijke/stedenbouwkundige waarden</cursief></al><al>Het gaat hier om visuele en/of structuurbepalende kwaliteiten van een
                    houtopstand in relatie tot architectonisch waardevolle bouwwerken,
                    stedenbouwkundig interessante elementen en andere structuren. Sommige bomen of
                    houtopstanden zijn voor een bepaald gebied beeldbepalend of zelfs monumentaal te
                    noemen. Het kappen heeft een grote impact en de boom is daardoor belangrijk voor
                    het ruimtelijke beeld. Hoewel iedere boom een visuele kwaliteit heeft in een
                    stedelijke omgeving heeft niet iedere boom een belangrijke stedenbouwkundige of
                    landschappelijke waarde. </al><al/><al><cursief>c. Cultuurhistorische waarden</cursief></al><al>Een cultuurhistorisch waardevolle boom heeft een rol gespeeld in de geschiedenis
                    van zijn omgeving. Te denken valt o.a. aan bomen die herinneren aan
                    gebeurtenissen, bomen die een bepaald punt, of historische structuur markeren of
                    gedenkbomen.</al><al/><al><cursief>d. Waarden voor recreatie en leefbaarheid</cursief></al><al>Deze waarden doelen op de bijdrage die een houtopstand kan leveren aan recreatie
                    en leefbaarheid van het gebied. Gedacht wordt hierbij aan bomen die algemeen
                    worden gewaardeerd wegens hun schaduw of bomen die gebruikt worden als
                    spelelement, zoals een klimboom voor de jeugd. Ten aanzien van de leefbaarheid
                    kan gedacht worden aan de dempende werking van hinderlijke geluiden van verkeer
                    of verhulling van een lelijk uitzicht.</al><al/><al>In enkele bestemmingsplannen is bij de bestemming Tuin een aanduiding natuur- en
                    landschapswaarden aanwezig (nlw). Bij een aanvraag tot kap van een boom op een
                    perceel met deze bestemming, zal bij de afweging al dan niet een kapvergunning
                    af te geven, extra gelet worden op aanwezige natuur- en landschappelijke
                    waarden.</al><al/><al>Bij de behandeling van een aanvraag om te kappen wordt een afweging gemaakt
                    tussen het belang van verlening van de vergunning en de waarden die kunnen
                    leiden tot weigering van de vergunning. Redenen om een boom te verwijderen komen
                    voort uit overlast, of sterk verminderde vitaliteit van een boom, of er is
                    sprake van een dringende reden vanuit algemeen belang (overheid) of persoonlijk
                    belang (particulier), zoals herinrichting van de openbare ruimte of een
                    bouwplan. In veel gevallen wordt een kapvergunning aangevraagd omdat
                    schaduwoverlast wordt ervaren. Bij schaduwoverlast wordt beoordeeld hoeveel
                    overlast er is. Een boom met een standplaats ten noorden/of oosten van de woning
                    geeft minder schaduwoverlast dan een boom op het zuiden of westen. Bij bomen die
                    wintergroen zijn (coniferen) of die een zeer dichte takkenstructuur hebben kan
                    er sprake zijn van schaduwoverlast gedurende het gehele jaar. Het enkele feit
                    dat een boom teveel schaduw geeft op zonnepanelen is geen reden tot kap.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11c </vet><vet>Bijzondere vergunningsvoorschriften</vet></al><al/><al><vet>Eerste en tweede lid (herplant)</vet></al><al/><al>Het eerste artikel geeft de mogelijkheid om voorschriften aan een vergunning te
                    verbinden, zoals herplant. Herplant is gericht op herstel van verloren waarden.
                    Vooraf zijn er geen strakke criteria te formuleren in welk geval wel of niet een
                    herplantplicht zal worden opgelegd. Dit is afhankelijk van de feitelijke
                    situatie, de mogelijke alternatieven, financiële aspecten en de belangen van
                    derden. </al><al/><al>Wanneer herplant wordt opgelegd, wordt een goede motivatie gegeven waarom
                    hiervoor wordt gekozen. Wanneer de boom onderdeel uitmaakt van een laan- of
                    overige wegbeplanting ligt herplant in de rede. Wanneer de te kappen boom
                    overlast veroorzaakt in een voor- of achtertuin zal herplant vrijwel nooit
                    worden opgelegd. De gemeente kan aangeven welke soort of diameter de te
                    herplanten boom moet hebben. Dit zal in de meeste gevallen een maat zijn die
                    kleiner is dan de boom die is gekapt.</al><al/><al><vet>Derde lid (Flora en Fauna)</vet></al><al/><al>De Flora- en faunawet is altijd van toepassing. Zo moet er rekening worden
                    gehouden met het broedseizoen van vogels. In de Flora- en faunawet is geen
                    begin- en einddatum aangegeven van het broedseizoen, omdat dit soortafhankelijk
                    is. Verder maken vleermuizen soms gebruik van holle bomen. Vleermuizen hebben
                    eveneens een beschermde status. In sommige gevallen is een ontheffing nodig van
                    de Flora - en faunawet voordat een boom gekapt mag worden.</al><al/><al><vet>Vierde lid (samenhang met andere vergunningen)</vet></al><al/><al>Wanneer een kapvergunning is aangevraagd voor een boom die moet wijken in
                    verband met nieuwbouw, kan worden besloten dat van de vergunning pas gebruik mag
                    worden gemaakt wanneer andere vergunningen die nodig zijn voor de bouw zijn
                    verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 4:11e Lijst van monumentale bomen</vet></al><al/><al>Monumentale bomen krijgen extra bescherming en mogen slechts bij hoge
                    uitzondering worden gekapt. De monumentale status van een boom wordt vastgesteld
                    aan de hand van criteria van de Bomenstichting:</al><al/><al>- De leeftijd van de boom is minimaal 80 jaar (een uitzondering kan gemaakt</al><al>worden voor een herdenkingsboom, een boom met grote dendrologische
                    (boomkundige)</al><al>waarde of zeldzame soort, of een boom die onderdeel uitmaakt van een laan met
                    oude bomen);</al><al>- De boom mag, bij aanwijzing, niet in een onherstelbaar slechte conditie
                    verkeren (volledig</al><al>verval van de boom mag niet binnen 10 jaar te verwachten zijn);</al><al>- De boom heeft tenminste één van de volgende specifieke kenmerken: </al><lijst><li nr="1."><al>beeldbepalend;</al></li><li nr="2."><al>cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="3."><al>dendrologische waarde;</al></li><li nr="4."><al>natuurwaarde;</al></li><li nr="5."><al>zeldzaamheid.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4:11f Bestrijding boomziekten</vet></al><al/><al>De vergunningprocedure staat een doelmatige bestrijding van plantenziekten niet
                    in de weg.</al><al/><al>In de gemeente komt iepziekte voor. Verspreiding van iepziekte wordt ingeperkt
                    door zieke bomen te vellen en van de schors te ontdoen en het hout zo snel
                    mogelijk te vernietigen.</al><al/><al/><al><vet>AFDELING 4: MAATREGELEN TEGEN ONTSIERING EN STANKOVERLAST</vet></al><al/><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                    enz.</vet></al><al>Zie toelichting bij de model-APV. </al><al/><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</vet><vet>
                        (gereserveerd)</vet></al><al>Vanuit dereguleringsoogpunt is dit artikel in 2008 geschrapt. Via de
                    Messtoffenwet wordt al veel geregeld. Op zandgronden mag maar zeer beperkt mest
                    wordt uitgereden (ca 6 maanden per jaar). Veel mest wordt bovendien al
                    emissie-arm aangewend, dus dan geldt het artikel niet.</al><al/><al><vet>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke handelsreclame</vet></al><al>Vanwege de vereenvoudiging van vergunningen en de vermindering van
                    administratieve lasten is oude reclame-artikel herzien. Dat houdt in dat de
                    reclamevergunning geheel is verdwenen en vervangen door een algemene regel die
                    verbiedt om door middel van een reclame het verkeer in gevaar te brengen of
                    hinder dan wel overlast te veroorzaken voor omwonenden. De gedachte daarachter
                    is dat voor een reclame van enige omvang of betekenis doorgaans een
                    bouwvergunning nodig is, waardoor al aan de welstand kan worden getoetst. Een
                    reclame waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of overlast wordt
                    veroorzaakt voor omwonenden komt relatief zo weinig voor dat het moeilijk valt
                    te rechtvaardigen om voor die gevallen een vergunningplicht voor alle reclames
                    in stand te houden.</al><al/><al><vet>Artikel 4:15A Bewegwijzering</vet></al><al>Was voorheen artikel 4.7.2a.</al><al>Deze bepaling vult artikel 4:15 aan.</al><al/><al><vet>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame (gereserveerd)</vet></al><al>In het per 1 januari 2008 van kracht geworden Activiteitenbesluit is een
                    zorgplicht opgenomen die ertoe verplicht geen lichthinder te veroorzaken.
                    Daarmee vervalt de noodzaak om dit onderwerp bij APV te regelen.</al><al/><al><vet>Afdeling 5: Kamperen buiten kampeerterreinen</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met
                    ingang van 1 januari 2008 zijn deze artikelen opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling</vet></al><al>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent, tentwagen,
                    kampeerwagen en caravan. De begripsomschrijving is aangepast aan de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</vet></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod te kamperen buiten daartoe
                    bestemde kampeerterreinen. De verbodsbepaling dient met name de bescherming van
                    natuur en landschap. Het is onwenselijk als een ontheffing die toestaat dat in
                    een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt, van rechtswege zou ontstaan. In
                    verband daarmee wordt de lex silencio positivo niet van toepassing
                    verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><al>Zie de algemene toelichting bij deze afdeling en de VNG-publicatie in de groene
                    reeks nummer 129 “Het kampeerbeleid na de Wet op de Openluchtrecreatie.
                    Handreiking voor bestuurders en ambtenaren”.</al><al/><al><vet>Artikel 4:20 Overnachten in een voertuig</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod om te overnachten in een
                    voertuig tussen 22.00 en 07.00 uur. De lex silencio positivo kan van toepassing
                    worden verklaard. De ontheffing is eenvoudig en wordt algemeen
                    geformuleerd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der
                        gemeente</vet></al><al>Zie voor een uitgebreide toelichting op deze artikelen de model-toelichting van
                    de VNG.</al><al/><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al/><al>Deze artikelen hebben betrekking op diverse verboden voor het parkeren van
                    voertuigen binnen de bebouwde kom waarvoor ontheffing kan worden verleend. Het
                    excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe met het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het aanzien van de gemeente. Het toepassen van de lex silencio positivo bij
                    aanvragen om een ontheffing is bij deze bepalingen mogelijk. Het risico of de
                    noodzaak van een eventuele ontheffing kan makkelijk en snel worden ingeschat.
                    Het is een eenvoudig stelsel en een aanvraag om een ontheffing doet zich weinig
                        voor.</al><al/><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze artikelen hebben betrekking op diverse verboden voor het parkeren van
                    voertuigen binnen de bebouwde kom waarvoor ontheffing kan worden verleend. Het
                    excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe met het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het aanzien van de gemeente. Het toepassen van de lex silencio positivo bij
                    aanvragen om een ontheffing is bij deze bepalingen mogelijk. Het risico of de
                    noodzaak van een eventuele ontheffing kan makkelijk en snel worden ingeschat.
                    Het is een eenvoudig stelsel en een aanvraag om een ontheffing doet zich weinig
                        voor.</al><al/><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</vet></al><al/><al>Veelvuldig doet zich het verschijnsel voor dat niet-rijklare voertuigen op de
                    weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke
                    voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van
                    nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt
                    hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar
                    het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in
                    het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen. Het excessieve is in het
                    bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet
                    gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het
                    hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die
                    gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig,
                    moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking
                    krijgen.</al><al/><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><al/><al>Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere
                    tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot
                    het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig
                    op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of
                    bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in
                    het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen
                    en voor de weggebruikers.</al><al/><al>Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                    plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen
                    de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze
                        bepaling.</al><al/><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.d.</vet></al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze artikelen hebben betrekking op diverse verboden voor het parkeren van
                    voertuigen binnen de bebouwde kom waarvoor ontheffing kan worden verleend. Het
                    excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe met het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het aanzien van de gemeente. Het toepassen van de lex silencio positivo bij
                    aanvragen om een ontheffing is bij deze bepalingen mogelijk. Het risico of de
                    noodzaak van een eventuele ontheffing kan makkelijk en snel worden ingeschat.
                    Het is een eenvoudig stelsel en een aanvraag om een ontheffing doet zich weinig
                    voor.</al><al/><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze artikelen hebben betrekking op diverse verboden voor het parkeren
                    v</al><al/><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo </cursief></al><al/><al>Deze artikelen hebben betrekking op diverse verboden voor het parkeren van
                    voertuigen binnen de bebouwde kom waarvoor ontheffing kan worden verleend. Het
                    excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan
                    parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe met het voertuig op de
                    weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats
                    kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering
                    van het aanzien van de gemeente. Het toepassen van de lex silencio positivo bij
                    aanvragen om een ontheffing is bij deze bepalingen mogelijk. Het risico of de
                    noodzaak van een eventuele ontheffing kan makkelijk en snel worden ingeschat.
                    Het is een eenvoudig stelsel en een aanvraag om een ontheffing doet zich weinig
                        voor.</al><al/><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al/><al>Eerste lid</al><al/><al>Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van
                    vrachtwagens e.d. bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd
                    gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het
                    gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast
                    wordt aangedaan. Zie voorts ook de toelichting bij artikel 5:8.</al><al/><al>Door opneming van de bestanddelen “of hun anderszins hinder of overlast wordt
                    aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan
                    uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of
                    gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan
                    belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bij voorbeeld ten
                    gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen.</al><al/><al>Dat een dergelijke zinsnede houdbaar is, blijkt uit een reeds oude uitspraak van
                    de Hoge Raad (HR 16 januari 1986, NJ 1968, 198) waarin de Hoge Raad de bedoelde
                    zinsnede in de APV van Enschede verbindend achtte.</al><al/><al>De delictsomschrijving kan desgewenst worden geconcretiseerd door het
                    bestanddeel “bij” te vervangen door “binnen een afstand van (...) meter van”
                    (een voor bewoning enz. bestemd pand op zodanige wijze dat enz.) Zo wordt in de
                    APV van Rotterdam een afstandsmaat van 10 meter gehanteerd.</al><al/><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bij voorbeeld op (het parkeren van)
                    "hoogwerkers", meetwagens e.d.</al><al/><al>Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze
                    mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde
                    parkeren.</al><al/><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
                        (gereserveerd). </vet> Geregeld in Wet milieubeheer. </al><al/><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al/><al>Eerste lid</al><al/><al>Het is helaas een veelvuldig voorkomend verschijnsel dat groenstroken, openbare
                    beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het parkeren van
                    voertuigen.</al><al/><al>Met de onderhavige bepaling wordt beoogd beschadiging van groenstroken e.d., die
                    het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het
                    groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden.</al><al/><al>Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een “oneigenlijk”
                    parkeerexces - dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de “weg” (in de
                    zin van de wegenverkeerswetgeving) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de
                    bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden
                    bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook het rijden over openbare
                    beplantingen enz. wordt verboden.</al><al/><al>Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel
                    deel uit van de “wegen” in de zin van artikel 1 van de WVW 1994. Aangezien de
                    berm rechtens deel uitmaakt van de weg, gelden de op de desbetreffende weg
                    betrekking hebbende verkeersvoorschriften eveneens voor de berm, zoals
                    parkeerverboden e.d. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat auto’s, motoren
                    e.d. op de rijbaan en op andere weggedeelten - met uitzondering van het
                    trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad - mogen worden geparkeerd.
                    Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de
                    bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als
                    ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden
                    ingesteld. Dit kan door plaatsing van het bord E1 van Bijlage 1 van het RVV 1990
                    met een onderbord, waarop staat dat het parkeerverbod alleen geldt voor de berm.
                    Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is,
                    bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de
                    berm wel kan worden toegestaan. Ook in dit geval is plaatsing van het genoemde
                    bord E1 noodzakelijk, maar nu met een onderbord waarop staat dat parkeren in de
                    berm wel is toegestaan.</al><al/><al>Omdat de wegenverkeerswetgeving onder “wegen” ook de bermen begrijpt, is het in
                    artikel 5:11 vervatte verbod beperkt tot groenstroken. De wegenverkeerswetgeving
                    voorziet niet in de gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening
                    wordt geplaatst, welke geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de
                    Wegenverkeerswet). Zie hierover artikel 2:46.</al><al/><al>Bij een parkeerverbod is het doen of laten staan van een voertuig niet
                    strafbaar, indien zulks geschiedt om personen de gelegenheid te geven in of uit
                    te stappen dan wel voor het laden of lossen van goederen.</al><al/><al>Het moge duidelijk zijn dat de laatstgenoemde beperkingen niet van toepassing
                    behoren te zijn op een verbod tot het doen of laten staan van voertuigen in
                    groenvoorzieningen.</al><al/><al>Bewust is hier derhalve gekozen voor de bestanddelen “doen of laten staan” in
                    plaats van “parkeren”, omdat ook het tot stilstand brengen van een auto in een
                    plantsoen beschadiging van het groen en vermindering van de aantrekkelijkheid
                    veroorzaakt.</al><al/><al>Opgemerkt mag nog worden dat gedragingen als de onderhavige in sommige gevallen
                    ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht
                    met zich mee brengen.</al><al/><al>Zie voorts HR 27 oktober 1930, NJ 1931, blz. 62, waarbij een bepaling in de APV
                    van Assen, volgens welke het in de kom van de gemeente verboden was zich te
                    bevinden op de van gemeentewege aangelegde grasperken, verbindend werd geacht.
                    De bewering dat de gemeentelijke wetgever niet bevoegd zou zijn naast het
                    algemene verbod van artikel 461, Wetboek van Strafrecht bedoelde verbodsbepaling
                    uit te vaardigen, ging niet op.</al><al/><al>Deze APV-bepaling had naar het oordeel van de Hoge Raad kennelijk ten doel
                    “maatregelen te nemen tegen beschadiging van stadsbosch en door de gemeente
                    aangelegde grasperken, derhalve zorg voor de instandhouding van gemeentelijk
                    terrein, zijnde een onderwerp dat de huishouding van de gemeente betreft”.</al><al/><al>Indien het in artikel 5.1.10 (oud) bedoelde voertuig een door een
                    woonwagenbewoner bewoonde woonwagen is, zal het college deze niet met toepassing
                    van bestuursdwang op grond van artikel 61 Woonwagenwet uit de gemeente kunnen
                    doen verwijderen dan nadat hiervoor door gedeputeerde staten toestemming is
                    verleend als bedoeld in dat artikel en nadat een waarschuwing op grond van het
                    vierde lid van dat artikel is uitgevaardigd. Zie Wnd. Vz. ARRS 24 juni 1983, nr.
                    RO3.83.3806/S 5980 (Oosterhout).</al><al/><al>Tweede lid</al><al/><al>Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen, in gebruik
                    bij de politie of de brandweer, als ook bij de gemeentelijke plantsoenendienst.
                    Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al/><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten
                    staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                    groenstrook. Het college kan ontheffing verlenen. De lex silencio positivo is
                    hier mogelijk. Het betreft immers een eenvoudige aanvraag die zeer weinig
                    voorkomt.</al><al/><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><al/><al>In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen
                    die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst.
                    Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van
                    gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra
                    en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter
                    plekke aanwezig zijn.</al><al/><al>Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het
                    eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen
                    aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen neer te zetten buiten de
                    daarvoor bestemde ruimten of plaatsen dan wel deze daar te laten staan. De
                    belangen die het college hierbij onder meer in overweging kan nemen zijn: de
                    bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of
                    opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid.
                    Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke
                    verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg
                    moeten banen.</al><al/><al>Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief
                    geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden
                    aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het
                    feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van
                    bestuursdwang.</al><al/><al>Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het
                    publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de
                    plaatselijke krant of een huis-aan-huisblad, met affiches en dergelijke, dat
                    onjuist geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Tevens is het
                    raadzaam aan te geven waar de verwijderde fietsen weer kunnen worden opgehaald
                    en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.</al><al/><al>Jurisprudentie</al><al/><al>De Raad van State heeft de laatste jaren meerdere uitspraken gedaan over het
                    verwijderen van fietsen die buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen zijn
                    geplaatst. Verwezen wordt naar de uitspraken van 5 februari 2005 (nr.
                    200406067/1), 24 oktober 2007 (nr. 200702300/1), 6 februari 2008 (nr.
                    200703327/1) en 12 mei 2010 (nr. 200908219/1/H3).</al><al/><al>Uit deze jurisprudentie kan ten aanzien van het verwijderen van foutief
                    geplaatste fietsen de volgende lijn worden afgeleid:</al><lijst><li nr=""><al>Er moet feitelijk sprake zijn van een gevaarlijke of hinderlijke
                            situatie die het direct of na een beperkte tijd (begunstigingstermijn)
                            verwijderen van deze fietsen rechtvaardigt. </al></li><li nr=""><al>Per geval zal moeten worden bezien of een (korte) begunstigingstermijn
                            wel of niet aan de orde is. Bijvoorbeeld geen begunstigingstermijn bij
                            gevaarlijke situaties, maar wel bij hinderlijke situaties. </al></li><li nr=""><al>Er moeten in de buurt voldoende stallingsplaatsen voor fietsen aanwezig
                            zijn. </al></li><li nr=""><al>In verband met bewijsvoering is het verstandig om een of meerdere foto’s
                            te maken van de foutief geplaatste fiets, voordat deze wordt verwijderd.
                        </al></li><li nr=""><al>Het besluit tot toepassing van bestuursdwang moet direct bij het ophalen
                            van de verwijderde en opgeslagen fiets of zo snel mogelijk daarna worden
                            overhandigd c.q. worden toegestuurd aan de eigenaar van de fiets. </al></li><li nr=""><al>Degene die het besluit tot toepassing van bestuursdwang overhandigt moet
                            hiertoe gemandateerd zijn door het college van burgemeester en
                            wethouders. </al></li><li nr=""><al>Indien een fiets buiten de fietsklemmen, maar binnen de omheining van
                            een fietsenstalling wordt geplaatst zonder dat dit tot een gevaarlijke
                            situatie aanleiding geeft, kan niet tot onmiddellijke verwijdering van
                            deze fiets worden overgegaan. In zo’n geval zal eerst het besluit tot
                            bestuursdwang op schrift moeten worden gesteld. </al></li></lijst><al/><al><vet>Afdeling 2: Collecteren</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet></al><al>Zie de uitgebreide toelichting bij de Model-APV van de VNG.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al/><al>De lex silencio positivo kan van toepassing worden verklaard. Voor de door het
                    Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) goedgekeurde collectes is de lex silencio
                    zonder meer mogelijk omdat hierover al toestemming en afstemming heeft
                    plaatsgevonden met het CBF. Voor de niet goedgekeurde collectes is eveneens
                    afstemming met het CBF noodzakelijk. Hoewel een vergunning in een dergelijke
                    situatie maatwerk betreft, kan dit voortijdig worden ingeschat. </al><al/><al><vet>Afdeling 3: Venten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><al>Onder venten met goederen wordt verstaan: de uitoefening van kleinhandel waarbij
                    goederen of diensten aan willekeurige voorbijgangers worden aangeboden dan wel
                    het huis-aan-huis aanbieden van goederen of diensten. Bij venten is het van
                    belang dat de venter in beweging is. Venten moet worden onderscheiden van
                    collecteren.</al><al/><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                    periode gedurende welke goederen vanaf dezelfde plaats op straat worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Onder het innemen van een
                    standplaats wordt verstaan het te koop aanbieden van goederen vanaf eenzelfde
                    plaats, gebruikmakend van fysieke hulpmiddelen als een kraam of een
                    aanhangwagen, in de openbare ruimte. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning, HR 26-03-1974, NJ
                    1974, 239. Venten en standplaatsen sluiten elkaar dus uit.</al><al/><al><vet>Artikel 5:15 Ventverbod</vet></al><al>Voor het venten in de gemeente is een vergunning vereist. Door middel van dit
                    vergunningstelsel kan de gemeente preventief overlast door venters die hun
                    goederen of diensten aan de deur slijten, voorkomen.</al><al>Het college kan op grond van het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet
                    bestuursrecht nog nadere beleidsregels vaststellen met betrekking tot het
                    uitoefenen van deze bevoegdheid. Deze beleidsregels moeten voldoen aan de
                    Dienstenrichtlijn. Aangezien de afhandeling van een dergelijke
                    vergunningaanvraag niet ingewikkeld is, kan hierop de lex silencio positivo van
                    toepassing worden verklaard. </al><al/><al><vet>Artikel 5:16 Venten met gedrukte stukken</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV van de VNG. </al><al/><al><vet>Daklozenkrant</vet></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het ventverbod (voorzover de openbare orde, openbare veiligheid, de
                    volksgezondheid of het milieu in gevaar komt) geldt niet voor wat betreft de
                    vrijheid van meningsuiting. Het college kan deze vrijheid beperken door een
                    verbod in te stellen op aangewezen openbare plaatsen of voor bepaalde dagen en
                    uren. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. De lex silencio is
                    hier niet van toepassing. Indien de vrijheid van meningsuiting al beperkt wordt,
                    dienen hier dwingende redenen van algemeen belang aan ten grondslag te liggen.
                    Een lex silencio positivo ten aanzien van de ontheffingsmogelijkheid is daarom
                    niet gewenst.</al><al/><al><vet>Afdeling 4: Standplaatsen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV van de VNG.</al><al/><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV van de VNG. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en
                    overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld:
                    geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfvuil. De
                    vergunning is persoonsgebonden (artikel 1:5).</al><al>Iedere aanvraag tot het innemen van een standplaats moet afzonderlijk beoordeeld
                    worden. Op grond van de in de APV vastgestelde weigeringsgronden en het aan de
                    hand hiervan geformuleerde dan wel gehanteerde beleid moet een afweging
                    plaatsvinden of de aangevraagde standplaatsvergunning verstrekt kan worden. In
                    verband daarmee is toepassing van een lex silencio positivo ongewenst. </al><al/><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV van de VNG. </al><al/><al><vet>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV van de VNG. </al><al/><al><vet>Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht (Vervallen)</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 5: Snuffelmarkten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling </vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Bij de algehele herziening van 2008 is het oude artikel 5.2.4 in twee artikelen
                    opgesplitst en tevens hernummerd. Artikel 5:24 geeft een begripsbepaling,
                    terwijl artikel 5:25 de vergunningplicht en de weigeringsgronden
                    beschrijft.</al><al/><al>Zie verder de toelichting bij de model-APV van de VNG. </al><al/><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV van de VNG. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Een snuffelmarkt is een markt, niet in de open lucht, waarbij hoofdzakelijk
                    tweedehands of incourante goederen worden verhandeld of diensten worden
                    aangeboden vanaf een standplaats. De vergunningplicht is gehandhaafd, met name
                    omdat een snuffelmarkt voor overlast kan zorgen in de omgeving (bijvoorbeeld
                    door extra verkeer en parkeerdrukte). Nu aan de verlening of weigering van de
                    vergunning een relatief eenvoudige afweging ten grondslag ligt en de gevolgen
                    van een snuffelmarkt doorgaans beperkt zullen zijn, zijn er geen dwingende
                    redenen van algemeen belang aanwezig om van een lex silencio positivo af te
                    zien.</al><al/><al><vet>Afdeling 6. Openbaar water</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:24 Vergunning voor voorwerpen op, in of boven openbaar
                        water</vet></al><al>Zie toelichting bij model-APV van de VNG. </al><al/><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><al>Zie de uitgebreide toelichting bij model-APV van de VNG. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan vergunning verlenen om met een woonboot of een ander vaartuig
                    ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een woonboot of
                    ander vaartuig beschikbaar te stellen. Deze bepaling dient ter bescherming van
                    de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van
                    de gemeente. In verband met deze belangen is het onwenselijk als een vergunning
                    op grond van deze bepaling van rechtswege zou ontstaan. In verband daarmee wordt
                    de lex silencio positivo niet van toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><al/><al>Naast de algemene regels die krachtens artikel 5:26, tweede lid, kunnen worden
                    uitgevaardigd kan het wenselijk zijn, gelet op de omstandigheden, om aan een
                    individuele booteigenaar nog nadere aanwijzingen te geven. Dit artikel biedt
                    daarvoor de grondslag. Het ligt voor de hand deze aanwijzingen in de vorm van
                    een schriftelijke beschikking te gieten. Voor de toelichting op de in het derde
                    lid genoemde hogere regelingen en de relatie met een vastgestelde
                    woonschepenverordening wordt verwezen naar de toelichting op artikel 5:26 van de
                    model-APV.</al><al/><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al/><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken</vet></al><al/><al>Provinciale vaarwegenverordeningen kennen veelal ook een dergelijke bepaling
                    voor waterstaatswerken die bij hen in beheer zijn.</al><al>Deze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn
                    bij de gemeenten. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan
                    degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.</al><al/><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al/><al>Om te waarborgen dat deze middelen aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor
                    het redden van personen is andersoortig gebruik of het voor gebruik onklaar
                    maken van reddingsmiddelen strafbaar gesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</vet></al><al/><al>Het Binnenvaartpolitiereglement bepaalt aan welke verkeersregels de schippers
                    van vaartuigen zich hebben te houden. Zij is dus uitsluitend gericht op de
                    gebruikers van vaartuigen en niet op de overige gebruikers van het openbaar
                    water.</al><al>Artikel 5:30 betekent dan ook een eigenlijke aanvulling op deze twee reglementen
                    door in algemene zin, vergelijkbaar met de redactie van artikel 5
                    Wegenverkeerswet 1994, hinder of gevaarlijk gedrag van de overige gebruikers te
                    verbieden.</al><al>Voor de toelichting op de in het tweede lid genoemde hogere regelingen wordt
                    verwezen naar de toelichting bij artikel 5:25.</al><al/><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                        natuurgebieden</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen</vet></al><al>Op het houden van auto- en motorsportevenementen, het crossen met auto’s,
                    motoren, bromfietsen e.d. al dan niet met een wedstrijdkarakter zijn
                    verschillende wettelijke regelingen van toepassing. Hierbij speelt mede een rol
                    in hoeverre deze activiteiten al dan niet op een weg in de zin van de
                    wegenverkeerswetgeving plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Afbakening</vet></al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de model-APV van rechtswege
                    vervallen als in het onderwerp door een wet, amvb of een provinciale verordening
                    wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde
                    materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de
                    lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het
                    vierde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Zie uitgebreid daarover onder
                    het kopje Afbakeningsbepalingen in de Algemene Toelichting.</al><al/><al>Hieronder wordt aangegeven welke wettelijke regelingen zo al van toepassing
                    kunnen zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><al>Zie de uitgebreide toelichting bij de Model-APV van de VNG.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het is
                    onwenselijk als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat dat
                    in een natuurgebied vernielingen plaats vinden door deze voertuigen. In verband
                    daarmee wordt de lex silencio positivo niet van toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:34 Verbod vuur te stoken</vet></al><al>Aan het modelartikel van de VNG, dat is overgenomen, is nog toegevoegd de
                    uitzondering ten aanzien van het verbranden van bollenloof en stro. </al><al>Zie verder de uitgebreide toelichting bij de model-APV. </al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen indien het gaat om
                    vreugdevuren, paasvuren, kampvuren en oudejaarsvuren. Deze bepaling leent zich
                    bij uitstek niet voor de lex silencio positivo. Deze bepaling biedt de
                    mogelijkheid om een ontheffing te verlenen waarin de aspecten van openbare orde
                    en veiligheid worden geregeld. Tevens heeft het college de mogelijkheid om aan
                    deze ontheffing voorschriften te verbinden die het belang van de openbare orde
                    en veiligheid beogen te beschermen. Dit betekent dat de verbranding van
                    afvalstoffen of het anderszins vuur stoken afdoende gereguleerd dient plaats te
                    vinden. In verband daarmee is een lex silencio positivo hier niet gewenst.</al><al/><al><vet>Artikel 5:34A Verbod oplaten wens- of ufoballonnen</vet></al><al>In deze bepaling is in het kader van de openbare orde en veiligheid ter
                    bescherming van de natuurgebieden in de gemeente Bergen en ter voorkoming van
                    bos- en duinbranden een verbod opgenomen om zogenoemde wens- of ufoballonnen,
                    door middel van hete lucht afkomstig van vuur op te laten. </al><al/><al><vet>Afdeling 9. Verstrooiing van as</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:35 Begripsomschrijving</vet></al><al>In het oude Besluit op de lijkbezorging stond de mogelijkheid om as te
                    verstrooien op een permanent daartoe bestemd terrein. Dit werd door de houder
                    van onder andere een begraafplaats of crematorium aangewezen nadat hij daarvoor
                    een vergunning had gekregen van burgemeester en wethouders. Het terrein was
                    bedoeld voor meerdere verstrooiingen gedurende langere tijd. In de gewijzigde
                    Wet op de lijkbezorging blijft de mogelijkheid van het permanente terrein (in
                    iets andere bewoordingen) opgenomen als een algemene vorm van asbestemming
                    waarbij het nabestaanden niet zozeer gaat om de plaats waar verstrooid wordt als
                    wel om het gegeven dat er verstrooid wordt. Verstrooiingen die plaatsvinden door
                    of op last van de houder van een crematorium of bewaarplaats van asbussen kunnen
                    alleen plaatsvinden op het terrein dat daartoe permanent is bestemd (uiteraard
                    blijft ook de mogelijkheid bestaan dat de as op open zee verstrooid wordt). Zie
                    verder voor een uitgebreide toelichting Lbr. 97/232 omtrent het verstrooien van
                    crematieas.</al><al/><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even wenselijk.
                    Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks in de bodem kan
                    worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit speelt met name een rol
                    op stoepen, straten, pleinen en dergelijke. Daarom is er een verbod opgenomen
                    voor het verstrooien van as op de verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke
                    overlast die asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden
                    en de kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                    waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen uitkiezen
                    als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar verwachting geen
                    wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al><al/><al>Als burgemeester en wethouders een vergunning hebben verleend voor een permanent
                    voor asverstrooiing bestemd terrein, dan zal dat terrein vrijwel altijd op een
                    begraafplaats of bij het crematorium liggen. Doorgaans is voor gemeentelijke
                    begraafplaatsen en crematoria rond de mogelijkheden voor asverstrooiing het een
                    en ander geregeld in beheersverordeningen. De regelingen daarin maken deel uit
                    van het algehele beleid rond de begraafplaats. Het openstellen van de
                    begraafplaats en het crematoriumterrein voor incidentele verstrooiing zou daarin
                    verstorend kunnen werken.</al><al/><al>De begraafplaats en het crematoriumterrein zijn expliciete voorbeelden van
                    terreinen waar het vanuit een oogpunt van beheer bezwaarlijk kan zijn om
                    incidenteel as te verstrooien. Zo zijn er wellicht meer. Onder “volgende
                    plaatsen” kan de gemeente, uiteraard gemotiveerd, plaatsen invullen waarvan zij
                    zegt dat het niet wenselijk is dat daar as wordt verstrooid, hieronder begrepen
                    het openbare water of delen daarvan.</al><al/><al>Het is mogelijk dat het op bepaalde terreinen (vanwege daar te houden
                    evenementen bijvoorbeeld) slechts tijdelijk onwenselijk is om as te verstrooien.
                    Daarom is een mogelijkheid opgenomen voor burgemeester en wethouders om in die
                    gevallen een terrein tijdelijk, in verband met die bijzondere omstandigheden, te
                    onttrekken aan de mogelijkheid om er as op te verstrooien.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het college kan op verzoek van een nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op
                    grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod van
                    incidentele asverstooiing op verharde delen van de weg of voor het publiek
                    toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte of aangeduide
                    kinderspeelplaatsen, zandbakken, speelweides, ligweides of sportterreinen. Gelet
                    op het ethische aspect, maar zeker ook de bijzondere omstandigheden die aan de
                    ontheffing ten grondslag dienen te liggen, is een lex silencio positivo niet
                    gewenst om dwingende redenen van algemeen belang, te weten de openbare orde, de
                    volksgezondheid en milieu.</al><al/><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast</vet></al><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor nabestaanden
                    als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is daarom van belang
                    dat omstanders geen hinder ondervinden van de activiteit op zich en van de as
                    die na de activiteit wordt achtergelaten.</al><al/><al>Een typerend voorbeeld is het verstrooien van as in de nabijheid van een groep
                    mensen, terwijl er een stevige bries die kant uitwaait. Dit levert
                    vanzelfsprekend een onwenselijke situatie op.</al><al/><al>Ook tot enige tijd na de verstrooiing kan as, bijvoorbeeld op de hiervoor
                    aangegeven wijze, hinder opleveren voor omstanders. Daar moet tijdens het
                    verstrooien rekening mee worden gehouden. Dit kan door de as bijvoorbeeld over
                    een groter oppervlak te verspreiden, zodat deze eerder in de bodem wordt
                    opgenomen. Een ander voorbeeld in dit geval is het verstrooien vanaf een gebouw
                    of vanaf een balkon. Er zijn genoeg situaties denkbaar waarin dit hinder
                    oplevert voor het publiek.</al><al/><al>Overigens is uit de toelichting bij de wijziging van de Wet op de Lijkbezorging
                    af te leiden dat het waarnemen door omstanders van de handeling op zich geen
                    hinder oplevert. Door de wet op het punt van asverstrooiing te verruimen heeft
                    de wetgever bewust aanvaard dat het publiek geconfronteerd kan worden met
                    incidentele verstrooiing.</al><al/><al><vet>Afdeling 10. Bescherming van flora en fauna</vet></al><al/><al><vet>Artikel 5:38 Verbod gebruik metaaldetectoren</vet></al><al>Deze bepaling is erop gericht om op te kunnen treden tegen personen die met
                    metaaldetectoren op zoek zijn naar archeologische vondsten, zoals bijvoorbeeld
                    explosieven, wapens, munitie en dergelijke. Dit komt met regelmaat voor in het
                    duingebied hetgeen in het belang van de openbare orde en veiligheid ongewenst
                    is. De burgemeester heeft de bevoegdheid om gebieden, waaronder het duingebied,
                    aan te wijzen waarin dit verboden is.</al><al/><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod om in daartoe door de
                    burgemeester aangewezen gebieden een metaaldetector of enig ander voorwerp,
                    kennelijk bedoeld voor het opsporen van explosieven, wapens, munitie en
                    dergelijke , te gebruiken of voor gebruik voorhanden te hebben. Deze bepaling
                    dient ter bescherming van de openbare orde, veiligheid en de woon- of
                    leefomgeving. In verband met deze belangen is het onwenselijk als een ontheffing
                    op grond van deze bepaling van rechtswege zou ontstaan. In verband daarmee wordt
                    de lex silencio positivo niet van toepassing verklaard.</al><al/><al><vet>Artikel 5:39 Betreden van bossen en duinen</vet></al><al>Dit artikel was in de APV 2009 verwijderd, doch uit een oogpunt van bescherming
                    van flora en fauna weer op genomen in de APV. Het artikel is gelijkluidend aan
                    het oude artikel 4.6.3 van de APV 2001.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en
                    van de tweede categorie € 3800. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter
                    die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens
                    van de door de gemeenteraad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op
                    grond van artikel 24 WvSr rekening te houden met de draagkracht van de
                    verdachte. Het algemeen geldende minimum van de geldboete bedraagt € 3 (artikel
                    23, tweede lid, WvSr).</al><al/><al>De Gemeentewet heeft aan de gemeenteraad de keuze gelaten op overtreding van
                    verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De
                    gemeenteraad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te
                    maken naar bepalingen waar bij overtreding een straf van de eerste dan wel van
                    de tweede categorie op staat. Uiteraard kan in de APV ook worden gekozen voor
                    een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om
                    scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Het is niet
                    mogelijk om van de indeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door
                    een maximumboete van euro 1000,00 te stellen.</al><al/><al>Medebewindvoorschriften</al><al/><al>In bijzondere wetten wordt aan gemeenten vaak de bevoegdheid gegeven of de
                    verplichting opgelegd om nadere voorschriften vast te stellen. Ook de
                    strafbaarstelling van de overtreding van deze gemeentelijke voorschriften is
                    veelal in deze wetten opgenomen. De opsomming in het eerste en tweede lid van
                    dit artikel bevatten dan ook geen in deze verordening opgenomen voorschriften,
                    op overtreding waarvan straf is bedreigd in de bijzondere wet. Dat betreft</al><lijst><li nr=""><al>artikel 2:6: overtreding van deze voorschriften is strafbaar gesteld in
                            artikel 437 en 437ter van het WvSr (boete van de tweede respectievelijk
                            derde categorie) en</al></li><li nr=""><al>de voorschriften uit afdeling 8a van de model-APV. Zie daarvoor het
                            algemene gedeelte van de toelichting bij die afdeling.</al></li></lijst><al/><al>Voor een verder toelichting wordt verwezen naar de uitgebreide toelichting bij
                    de model-APV van de VNG. </al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>