<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR265980_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zeeuwsch Vlaams Advertentieblad, 19 december 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0005416">art. 147, lid 1 en art. 108, lid 2 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004044">art. 35, lid 1, sub b en art. 20, lid 2 IOAW</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0004163">art. 35, lid 1, sub b en art. 20, lid 1 IOAZ</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>26026</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening IOAW en IOZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Terneuzen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid IOAZ;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening</al><al/><al><vet>Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a.IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werklozewerknemers;</al><al>b.IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte gewezenzelfstandigen;</al><al>c.de IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op
                            belanghebbendevan toepassing zijn;</al><al>d.uitkering: de uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid
                            IOAW/IOAZ;</al><al>e.uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto
                            grondslag, bedoeld inartikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ;</al><al>f.maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 20,
                            tweede lid IOAWen artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend of
                            tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren vaneen uitkering op grond van artikel
                            20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ;</al><al>g.inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;</al><al>belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de
                            IOAW, voor zoverhij is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, alsmede
                            hij die recht heeft op eenuitkering op grond van de IOAZ;</al><al>i.het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                            gemeente Terneuzen;</al><al>j.benadelingsbedrag: het netto benadelingsbedrag;</al><al>k.WWB: de Wet werk en bijstand;</al><al>l.Re-integratieverordening WWB: de verordening waarin de regels voor
                            ondersteuning bijarbeidsinschakeling en voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling in het kader van de</al><al>WWB en de IOAW/IOAZ zijn vastgelegd.</al><al>m.traject/voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 4a, eerste lid
                            onderdeel a van deIOAW/IOAZ en in hoofdstuk 3 van de
                            Reïntegratieverordening WWB;</al><al>n.zorgtraject: traject als bedoeld in artikel 5 van de
                            Re-integratieverordening WWB.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend
                            besef vanverantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan
                            of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden
                            verplichting – anders dan de verplichting,bedoeld in artikel 37, eerste
                            lid, onderdeel c IOAW/IOAZ -, wordt overeenkomstig deze verordening een
                            maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin debelanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hijverkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de uitkeringsnorm wordtverlaagd, het bedrag waarmee
                            de uitkeringsnorm wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om
                            af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                            gelegenheidgesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    zienswijze naarvoren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe
                                    feiten of omstandigheden hebbenvoorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                    college of van eenderde aan wie het college werkzaamheden heeft
                                    uitbesteed, om binnen een gesteldetermijn inlichtingen te
                                    verstrekken als bedoeld in artikel 13 van de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van
                                    de ernst van degedraging of de mate van verwijtbaarheid; of</al></li><li nr="e."><al>de belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                    maken.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm
                            van verwijtbaarheidontbreekt of indien het daarvoor dringende redenen
                            aanwezig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, volgendop de datum waarop het besluit tot het opleggen
                            van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                            uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm.</al><al/><al>2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                            kracht wordenopgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                            uitbetaald.</al><al/><al>3.Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                            voor een periodevan meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                            uiterlijk na drie maanden nadat dezeten uitvoer is gelegd
                            heroverwogen.</al><al/><al>4.Indien de maatregel niet (of slechts gedeeltelijk) kan worden
                            toegepast doordat debeëindiging van de uitkering de effectuering van de
                            maatregel geheel (of gedeeltelijk) inde weg staat kan de toepassing van
                            de (resterende) maatregel plaatsvinden indien hetrecht op uitkering
                            binnen een half jaar na de beëindigingdatum weer ontstaat.</al><al/><al>5.Indien achteraf, na het besluit tot beëindiging van de uitkering,
                            geconstateerd wordt dateen maatregelwaardige gedraging heeft
                            plaatsgevonden tijdens een voorafgaande periode van uitkeringsverlening
                            kan de hiervoor van toepassing zijnde maatregel alsnoggeëffectueerd
                            worden als aan belanghebbende binnen 5 jaar na de beëindigingdatum van
                            de uitkering opnieuw een uitkering wordt toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingendie het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 9, 11 en 13 inhouden, geldthet percentage van de
                            hoogste categorie.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgenof
                            behouden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><lid><lidnr/><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting tot het
                                verlenen vanmedewerking aan het verkrijgen of behouden van algemeen
                                geaccepteerde arbeid niet ofonvoldoende is nagekomen, worden
                                onderscheiden in de volgende categorieën:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden traject/voorziening zoals genoemd in de
                                        Re-integratieverordening WWB of in de Verordening Wet
                                        inburging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet ondertekenen of het niet aan burgemeester en
                                        wethouders verstrekken van debijlage bij het besluit tot
                                        toekenning of voortzetting van de uitkering;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het UWV Werkbedrijf of hetniet tijdig laten verlengen van de
                                        registratie;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangebodenzorgtraject;</al></li><li nr="d."><al>het niet voldoen aan een oproep om te verschijnen bij het
                                        UWV Werkbedrijf,contactpersoon team Zorg, Werk en Inkomen,
                                        in verband met de arbeidsinschakeling,op een aangegeven
                                        plaats en tijd;</al></li><li nr="e."><al>overige gedragingen niet genoemd in de eerste en tweede
                                        categorie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                            op:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de eerstecategorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>10% procent van de uitkeringsnorm gedurende een maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst><al/><al>2. </al><lijst><li nr="a."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien debelanghebbende zich binnen 24 maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarbijeen maatregel is opgelegd,
                                    opnieuw schuldig maakt (recidive) aan een verwijtbaregedraging
                                    van dezelfde categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                    opgelegdwordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                    grond van dringende redenen,bedoeld in artikel 6.</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>Indien na de recidive de belanghebbende zich binnen de onder
                                    artikel 10, lid 2onderdeel a genoemde periode zich wederom
                                    schuldig heeft gemaakt aan verwijtbaregedragingen van dezelfde
                                    categorie wordt de hoogte van de maatregel als bedoeld inhet
                                    eerste lid verdubbeld en wordt bij een volgende verwijtbare
                                    gedraging vandezelfde categorie naast de verdubbeling van de
                                    hoogte een verdubbeling van de duurvan de maatregel
                                    opgelegd.</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>In afwijking van het gestelde onder artikel 10, lid 2 onderdeel
                                    b wordt na de recidivevan de gedraging van de eerste categorie
                                    de duur van de maatregel gesteld op 6maanden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>1.Indien een belanghebbende zich verbaal zeer ernstig misdraagt
                            tegenover het college ofzijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                            rechtstreeks verband houden met deuitvoering van de wet, wordt
                            onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegdvan minimaal
                            10% van de uitkeringsnorm gedurende een maand.</al><al/><al>2.Indien een belanghebbende zich fysiek -al of niet in combinatie met
                            verbaal- zeer ernstigmisdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren
                            wordt een maatregel opgelegd vanminimaal 50% van de uitkeringsnorm
                            gedurende een maand.</al><al/><al>3.De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt
                            verdubbeld, indiende belanghebbende zich binnen 12 maanden na
                            bekendmaking van een besluit waarbij eenmaatregel is opgelegd, opnieuw
                            schuldig maakt aan eenzelfde misdraging.</al><al/><al>4.Indien een belanghebbende binnen de in lid 3 genoemde periode zich
                            meermalen fysiek, -al of niet in combinatie met verbaal-, zeer ernstig
                            misdraagt tegenover het college of zijnambtenaren wordt een individueel
                            afstemmingsbesluit genomen over de op te leggenmaatregel. Tijdelijke
                            uitsluiting van het recht op uitkering behoort daarbij tot
                            demogelijkheden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>1.Het college kan in bijzondere gevallen afwijken de bepalingen in deze
                            verordening, indienonverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid
                            of onbillijkheid.</al><al/><al>2.In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening IOAW en
                                IOAZ<cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt met ingang van 1 januai 2013 in werking onder
                            gelijktijdige intrekking van de Afstemmingsverordenin IOAW en IOAZ
                            vastgesteld door de gemeenteraad op 1 juli 2010.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad d.d. 13</ondertekening><ondertekening> december 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>griffier, drs. T.A.M. Leeraert</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter, J.A.H. Lonink</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><al>Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal
                            omschrijvingen verdientenige extra aandacht.</al><al><vet><cursief>Onder c. de IOAW/IOAZ</cursief></vet></al><al>Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten
                            verwijst nu een groot deel vande bepalingen in beide wetten identiek is
                            qua nummering en inhoud en aldus voorkomenwordt dat steeds specifiek
                            naar elke afzonderlijke wet verwezen moet worden.</al><al><vet><cursief>Onder e. uitkeringsnorm</cursief></vet></al><al>De WWB werkt met verlagingen op de netto bijstand. Om een identiek
                            systeem in de IOAWen IOAZ te creëren is het wenselijk om een begrip te
                            introduceren dat verwijst naar een nettonorm.</al><al><vet><cursief>Onder f. maatregel</cursief></vet></al><al>In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk
                            (gedeeltelijk) weigeren van deuitkering binnen deze verordening als
                            maatregel aangemerkt. Dit houdt verband met de extramogelijkheden binnen
                            de IOAW en IOAZ op dit vlak.</al><al><vet><cursief>Onder g. inkomen</cursief></vet></al><al>Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de
                            IOAW en IOAZ.Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde
                            inkomensbegrip.</al><al><vet><cursief>Onder i. belanghebbende</cursief></vet></al><al>Daar de in artikel 20, tweede lid IOAW opgenomen bevoegdheden tot het
                            opleggen van eenmaatregel, blijkens dat artikel, daar enkel gelden voor
                            de persoon die is aangewezen op arbeidin dienstbetrekking, is ook het
                            begrip belanghebbende in die zin ingeperkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Dit artikel bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en
                            artikel 20, tweede lid IOAW.In dit artikel wordt ook in het algemeen
                            aangegeven wanneer een maatregel van toepassing is.</al><al>Ook wordt aangegeven dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van de
                            gedraging, demate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                            belanghebbende. Op deze aspectenmoet altijd worden ingegaan. Dus altijd
                            moet op deze individualiseringsgronden wordeningegaan in de rapportage
                            en ook moet een melding plaatsvinden in de beschikking aan de</al><al>belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de netto
                            norm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het verlagen van de uitkering omdat een maatregel wordt opgelegd vindt
                            plaats door middelvan een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende
                            uitkering wordt opgelegd, wordt eenbesluit tot vaststelling van de
                            uitkering op grond van artikel 15 IOAW/IOAZ genomen.Uit de Algemene wet
                            bestuursrecht vloeien de eisen voort waaraan een besluit en dan met</al><al>name het motiveringsbeginsel aan moet voldoen. Het motiveringsvereiste
                            houdt onder anderein dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke
                            motivatie wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is een aantal gevallen het
                            horen van debelanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                            beschikkingen Deze hoorplicht geldtechter niet bij de voorbereiding van
                            beschikkingen die betrekking hebben op eenfinanciële aanspraak (artikel
                            4:12 Awb). In dit artikel wordt het horen van debelanghebbende voordat
                            een maatregel wordt toegepast in beginsel voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a. en b.staan ook genoemd in artikel 4:11 Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het artikel is dusdanig geformuleerd dat het college de mogelijkheid
                            heeft belanghebbendeschriftelijk te informeren over het afzien van de
                            maatregel. Dit zal met name aan de orde zijnindien er sprake is van
                            dringende redenen. Dit artikel biedt tevens de mogelijkheid
                            ombelanghebbende een waarschuwingsbrief te sturen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al>In de praktijk komt het regelmatig voor dat een maatregel feitelijk niet
                            geëffectueerd kanworden. Deze beperking is bij het opstellen van deze
                            verordening onderkend. Het wordt nietwenselijk geacht om voor deze
                            situaties de mogelijkheid op te nemen om een maatregel met terugwerkende kracht op te leggen. Indien de maatregel feitelijk niet
                            geëffectueerd kanworden omdat de uitkering wordt beëindigd kan alsnog
                            toepassing van de (resterende)maatregel conform het vierde lid
                            plaatsvinden. Naar het oordeel van de Centrale Raad vanBeroep verzet de
                            systematiek van de bijstandswetgeving zich ertegen dat een maatregel
                            wordtopgelegd met het oog op een eventueel recht op bijstand in de
                            toekomst. Na een besluit totintrekking of beëindiging van de uitkering
                            kan het opleggen van een maatregel wegens in hetverleden tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan pas weer aan de orde zijn, zodra (op aanvraag of ambtshalve) een nieuw
                            recht op bijstand isvastgesteld en voor oplegging van een dergelijke
                            maatregel geen in regelgeving vastgestelde(temporele) beperking geldt.
                            Dit betekent dat niet bij het besluit tot intrekking/ beëindiging
                            tottoekomstige afstemming besloten kan worden maar pas weer bij het
                            nieuwe recht. Dan – bijde vaststelling van het nieuwe recht dus – moet
                            dan ook de beoordeling plaatsvinden van demate van verwijtbaarbeid,
                            ernst van het feit en de omstandigheden van persoon en gezin.</al><al>Het vijfde lid ziet op de situatie dat achteraf, na beëindiging van de
                            bijstand, een maatregelwaardigegedraging alsnog wordt bestraft binnen 5
                            jaar na de datum van beëindiging.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Bij het benoemen van deze gedragingen is zoveel mogelijk aangesloten bij
                            de Wet werk enbijstand (constante jurisprudentie) en de gemeentelijke
                            reïntegratievisie en bij de in dereïntegratieverordening WWB genoemde
                            voorzieningen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><al>Deze bepaling bevat de verlaging voor de drie categorieën van
                            gedragingen die verbandhouden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of behoudenvan algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al><al>Op basis van het tweede lid onderdeel a en b kan een maatregel na
                            (herhaalde) recidiveverhoogd en/of verdubbeld worden.</al><al>Op basis van het tweede lid onderdeel c kan na recidive van de gedraging
                            van de eerstecategorie de duur van de maatregel gesteld worden op 6
                            maanden.</al><al>De hoogte en duur van de verlaging zal individueel moeten worden
                            vastgesteld, waarbijgekeken zal moeten worden naar de ernst van de
                            gedraging, de mate van verwijtbaarheid ende individuele omstandigheden
                            van de betrokkene indien de verordening daarin niet voorziet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ kunnen diverse vormen van
                            agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van</al><al>verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in
                            alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.</al><al>De gemeente kan alleen een maatregel toepassen indien er een verband
                            bestaat tussen deernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor
                            de gemeente bij het vaststellen vanhet recht op een een uitkering.
                            Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer
                            ernstigemisdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden
                            die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ.</al><al>In het artikel wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer
                            ernstig misdragen’. Ditbetekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                            tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor
                            het toepassen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden
                            toegepast als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een
                            medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering
                            van de IOAW/IOAZ (bijvoorbeeld een reintegratiebedrijf).</al><al>Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te
                            leggen wegens het niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening gericht
                            oparbeidsinschakeling (artikel 9, tweede lid van deze verordening).</al><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            uitkeringsgerechtigde zich ernstigheeft misdragen, zal gekeken moeten
                            worden naar de ernst van de gedraging, de mate vanverwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
                            volgende vormen vanagressief gedrag in een oplopende reeks steeds
                            ernstiger) worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>Verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="-"><al>Discriminatie;</al></li><li nr="-"><al>Intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="-"><al>Zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="-"><al>Mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="-"><al>Combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. Het toepassen van een maatregel staat geheel los van het
                            doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op,
                            terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan
                            doen bij de politie. Voor zover aanwezig kan hier verwezen worden naar
                            het bij de gemeente aanwezige agressieprotocol. Hierin is aangegeven hoe
                            wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In zo’n
                            agressieprotocol kan een relatie worden gelegd met het maatregelenbeleid
                            ten aanzien van agressieve klanten, in de vorm van beleidsregels.</al><al>Artikel 12, 13 en 14 behoeven geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>