<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR265949_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Terneuzen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zeeuwsch Vlaams advertentieblad, 19 december 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8 eerste lid onderdeel b">art. 8, lid 1, onderdeel b Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=artikel 18">art. 18 Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>1200026025</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Terneuzen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders;</al><al/><al>gelet op artikel 8 eerste lid, onderdeel b en artikel 18 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>BBZ: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen
                                                  2004;</al></li><li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in
                                                  artikel 5, onderdeel b, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in
                                                  artikel 5, onderdeel d, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="f."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in
                                                  artikel 5, onderdeel c, van de wet;</al></li><li nr="g."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand op grond
                                                  van artikel 18, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="i."><al>maand: kalendermaand;</al></li><li nr="j."><al>traject/voorziening: voorziening als bedoeld in
                                                  artikel 7 WWB en in hoofdstuk 3 van de
                                                  Re-integratieverordening WWB;</al></li><li nr="k."><al>het college: het College van Burgemeester en
                                                  Wethouders van de gemeente Terneuzen;</al></li><li nr="l."><al>de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente
                                                  Terneuzen.</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt,
                                            voor zover niet anders bepaald, hebben dezelfde
                                            betekenis als in de WWB.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef vanverantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet, voortvloeiende
                                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, met uitzondering van
                                    artikel 17, eerste lid, waaronder begrepen het zich jegens het
                                    college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                    verordening een maatregel opgelegd.</al><al/></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin debelanghebbende de gedraging kan worden verweten en
                                    de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al><al/></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                    toegepast op de bijzonderebijstand indien:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                    toepassing vanartikel 12 van de wet;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                                    recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft;</al></li><li nr="c."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend voor
                                    woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering in geval
                                    belanghebbende een zelfstandige is die bijstand voor
                                    levensonderhoud krachtens het BBZ ontvangt of heeft
                                    ontvangen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel wordt in ieder geval
                            vermeld: de reden van demaatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd, het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd uitgaande van de uitkeringsnorm en, indien van
                            toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 41, lid
                                        5, van de wet, of artikel 38, tweede lid, van het BBZ;</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid; of</al></li><li nr="e."><al>de belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien elke vorm
                            van verwijtbaarheidontbreekt of indien het daarvoor dringende redenen
                            aanwezig acht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is
                                uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de verlaging niet kan worden geëffectueerd, omdat de
                                uitkering inmiddels is beëindigd, dan wordt de verlaging alsnog
                                gerealiseerd door middel van herziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan, voor zover het zelfstandigen
                                betreft die een uitkering voor levensonderhoud in de vorm van een
                                geldlening op grond van het BBZ hebben ontvangen, de maatregel met
                                terugwerkende kracht worden betrokken bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Als een belanghebbende zich gelijktijdig schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte van de maatregel uitgegaan van de gedraging waarop de
                            maatregel met het hoogste percentage is gesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Niet of onvoldoende voldoen aan de plicht tot arbeidsinschakeling en
                            tegenprestatie of de verplichtingen bedoeld in artikel 44a van de wet en
                            de verplichting tot het behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichtingen niet of
                            onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën: </al><al>1. Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                                    UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de
                                    registratie;</al></li><li nr="b."><al>overige gedragingen niet genoemd in de tweede en derde
                                    categorie.</al></li></lijst><al>2. Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangebodentraject/voorziening, zoals genoemd in de Re-</al><al>integratieverordening Wwb of de Verordening WI;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren
                                    en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a
                                    van de wet;</al></li><li nr="d."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>niet naar vermogen verrichten van door het college opgedragen
                                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden;</al></li><li nr="f."><al>het niet of onvoldoende voldoen aan de aan de ontheffing
                                    verbonden re-integratieverplichtingen die een alleenstaande
                                    ouder heeft indien hem op grond van artikel 9a van de wet een
                                    ontheffing van de arbeidsplicht is verleend.</al></li></lijst><al>3. Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel
                                    vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% procent van de bijstandsnorm gedurende een maand
                                            bij gedragingen van de derde categorie;</al><al/></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien debelanghebbende zich binnen 24 maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarbij eenmaatregel is opgelegd,
                                    opnieuw schuldig maakt (recidive) aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                    opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien
                                    op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6.</al><al/></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Indien na de recidive de belanghebbende zich binnen de onder
                                    artikel 10, lid 2 genoemde periode zich wederom schuldig heeft
                                    gemaakt aan verwijtbare gedragingen van dezelfde categorie wordt
                                    de hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid
                                    verdubbeld en wordt bij een volgende verwijtbare gedraging van
                                    dezelfde categorie naast de verdubbeling van de hoogte een
                                    verdubbeling van de duur van de maatregel opgelegd.</al><al/></li><li nr="4."><al>In afwijking van het gestelde onder artikel 10, lid 3 wordt na
                                    de recidive van de gedraging van de eerste categorie de duur van
                                    de maatregel gesteld op 6 maanden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.</titel></kop><al>1.Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor devoorziening in het bestaan heeft betoond als
                            bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet,wordt een maatregel
                            opgelegd die wordt afgestemd op de hoogte van het
                            benadelingsbedrag.</al><al/><al>2.Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de volgende
                            wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>.bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: 10% van de
                                    bijstandsnorm gedurende eenmaand;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 2.000,00: 20% van
                                    de bijstandsnormgedurende een maand;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,00 tot € 4.000,00: 50% van
                                    de bijstandsnormgedurende een maand;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,00 tot € 8,000,00: 100%
                                    van de bijstandsnormgedurende een maand;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>bij een benadelingsbedrag van € 8.000,00 tot € 12.000,00: 100 %
                                    van de bijstandsnorm gedurende twee maanden;</al></li><li nr="f."><al>bij een benadelingsbedrag van € 12.000,00 tot € 16.000,00: 100 %
                                    van de bijstandsnorm gedurende drie maanden;</al></li><li nr="g."><al>bij een benadelingsbedrag van € 16.000,00 tot € 20.000,00: 100 %
                                    van de bijstandsnorm gedurende vier maanden;</al></li><li nr="h."><al>bij een benadelingsbedrag vanaf € 20.000,00: 100% van de
                                    bijstandsnorm gedurende vijf maanden. Bij iedere overschrijding
                                    van het hiervoor genoemde benadelingsbedrag met € 4.000,00 wordt
                                    de in dit lid aangegeven duur van de maatregel van 100 % met een
                                    maand verlengd.</al></li></lijst><al>3.Als een belanghebbende alvorens een advocaat te raadplegen niet
                            gevraagd heeft om rechtshulp aan het Juridisch Loket wordt een maatregel
                            opgelegd ter hoogte van het bedrag waarmee de eigen bijdrage wordt
                            verlaagd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich verbaal zeer ernstig misdraagt
                                    tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden
                                    die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet,
                                    als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt
                                    onverminderd artikel 2, tweede lid, een maatregel opgelegd van
                                    50% van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al><al/></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich fysiek - al of niet in combinatie
                                    met verbaal - zeer ernstig misdraagt tegenover het college of
                                    zijn ambtenaren wordt een maatregel opgelegd van80% van de
                                    bijstandsnorm gedurende een maand.</al><al/></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid
                                    wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen 12
                                    maanden na bekendmaking van een besluit waarbij eenmaatregel is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde misdraging.</al><al/></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Indien een belanghebbende binnen de in lid 3 genoemde periode
                                    zich meermalen fysiek -al of niet in combinatie met verbaal -
                                    zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijnambtenaren
                                    wordt een individueel afstemmingsbesluit genomen over de op te
                                    leggen</al><al>maatregel. Tijdelijke uitsluiting van het recht op bijstand
                                    behoort daarbij tot demogelijkheden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Beleid</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            nadere beleidsregels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                                onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Afstemmingsverordening
                            WWB”</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt op 1 januari 2013 in werking, onder
                            gelijktijdige intrekking van de Afstemmingsverordening Wet werk en
                            bijstand 2012, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 8 november
                            2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad d.d. 13 december
                            2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier, drs. T.A.M. Leeraert</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>voorzitter, J.A.H. Lonink</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING </titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een verlagingenbeleid in een
                    verordening vast te leggen.</al><al>In het eerste lid van artikel 18 WWB wordt gesproken over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepalingen wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigde maatwerk is, waarbij
                    recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    van uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                    tussen de rechten en verplichtingen van de uitkeringsgerechtigden: het recht op
                    een uitkering is altijd verbonden aan de plicht om zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de toegepaste verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college
                    tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van
                    een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt of indien zij daarvoor zeer dringende redenen aanwezig
                    acht, ziet het college af van het opleggen van een maatregel.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet
                    werk en bijstand (WWB).</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Het opleggen van een maatregel</tussenkop><al>In dit artikel wordt algemeen aangegeven wanneer een maatregel van toepassing
                    is. Ook wordt aangegeven dat de maatregel wordt afgestemd op de ernst van de
                    gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de
                    belanghebbende. Op deze aspecten moet altijd worden ingegaan. Dus altijd moet op
                    deze individualiseringsgronden worden ingegaan in de rapportage en ook moet een
                    melding plaatsvinden in de beschikking aan de belanghebbende.</al><al/><tussenkop>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 4 Het besluit tot opleggen van een
                    maatregel</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt toegepast, vindt plaats
                    door middel van een besluit. Wanneer de verlaging bij een lopende uitkering
                    wordt toegepast, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op
                    grond van artikel 45 WWB genomen.</al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    en dan met name uit het</al><al>motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een
                    besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivatie wordt voorzien.</al><al/><tussenkop>Artikel 5 Horen van belanghebbende</tussenkop><al>Op grond van de Algemene wet bestuursrecht is een aantal gevallen het horen van
                    de</al><al>belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht
                    geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben
                    op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb). In dit artikel wordt het horen
                    van de belanghebbende voordat een verlaging wordt toegepast in beginsel
                    voorgeschreven.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a. en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 Awb.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Afzien van het opleggen van een
                    maatregel</tussenkop><al>Het artikel is dusdanig geformuleerd dat het college de mogelijkheid heeft
                    belanghebbende</al><al>schriftelijk te informeren over het afzien van de maatregel. Dit zal met name
                    aan de orde zijn</al><al>indien er sprake is van dringende redenen. Dit artikel biedt tevens de
                    mogelijkheid om belanghebbende een waarschuwingsbrief te sturen.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><al>Op grond van het tweede lid is het mogelijk om een opgelegde maatregel over een
                    bepaalde maand ook in die maand daadwerkelijk uit te voeren (in afwijking van
                    lid 1), als dit besluit aan belanghebbende kenbaar is gemaakt voordat de
                    betaling over de betreffende maand heeft plaatsgevonden.</al><al>In de praktijk komt het regelmatig voor dat een maatregel feitelijk niet
                    geëffectueerd kan worden, omdat belanghebbende in de maand waarin de maatregel
                    opgelegd wordt tijdelijk meer inkomsten heeft of de uitkering inmiddels
                    beëindigd is. Voor deze situaties biedt het derde lid de mogelijkheid om een
                    maatregel met terugwerkende kracht op te leggen. Een besluit tot verlaging met
                    terugwerkende kracht kan alleen met een besluit tot herziening van bijstand
                    worden genomen (artikel 54 lid 3 WWB). Recidive leidt, ondanks een eventueel
                    eerder genomen en niet geëffectueerd maatregelbesluit, tot verhoging van de op
                    te leggen maatregel. </al><al/><tussenkop>Artikel 8 Samenloop van gedragingen</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Indeling in categorieën</tussenkop><al>Bij het benoemen van deze gedragingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de Wet
                    werk en bijstand, de tot op heden ontwikkelde jurisprudentie, de gemeentelijke
                    re-integratievisie en de in de Re-integratieverordening WWB genoemde
                    voorzieningen.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de verlaging voor de drie categorieën van gedragingen die
                    verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
                    verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of een traject in het
                    kader van de Verordening WI.</al><al>Op basis van het tweede lid kan de duur van een maatregel worden verdubbeld
                    indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging.</al><al>Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die
                    aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 24 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    verlaging is toegepast, bekend is gemaakt.</al><al>Op basis van het derde lid kan de maatregel bij herhaalde recidive worden
                    verzwaard in duur.</al><al>De hoogte en duur van de verlaging zal individueel moeten worden vastgesteld,
                    waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de betrokkene.</al><al/><tussenkop>Artikel 11 Tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid</tussenkop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat de bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door
                    het toepassen van een verlaging afgestemd op de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit
                    allerlei gedragingen blijken, zoals</al><al>bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen (interen);</al></li><li nr="-"><al>geen of een te late aanvraag doen voor een voorliggende
                            voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="-"><al>als de noodzaak om een juridische procedure te starten niet aangetoond
                            kan worden. Dit kan belanghebbende aantonen door voorafgaande aan een
                            procedure het Juridisch Loket te raadplegen. Het raadplegen kan worden
                            aangetoond door het overleggen van een door het Juridisch Loket
                            verstrekt diagnose document.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Artikel 12 Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstig misdragen’ kunnen diverse vormen van agressie worden
                    verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat
                    in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                    beschouwd.</al><al>De gemeente kan alleen een verlaging toepassen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de
                    WWB.</al><al>In artikel 18, tweede lid WWB wordt gesproken over ‘het zich jegens het college
                    zeer ernstigmisdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en haar ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    toepassen van een verlaging. Er kan dus geen verlaging worden toegepast als een
                    klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
                    re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een
                    verlaging op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruik maken van een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 9, tweede lid van deze
                    verordening).</al><al>Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate vanverwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene.</al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen vanagressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden:</al><lijst><li nr="·"><al>Verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="·"><al>Discriminatie;</al></li><li nr="·"><al>Intimidatie en verbale bedreiging (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="·"><al>Zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="·"><al>Mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="·"><al>Combinatie van agressievormen.</al></li></lijst><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van aangifte bij
                    de politie. Hetcollege legt een verlaging op, terwijl de functionaris tegen wie
                    de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Hierbij kan verwezen
                    worden naar het bij de gemeente aanwezige agressieprotocol. Hierin is aangegeven
                    hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Beleid</tussenkop><al>De wet vraagt aan de gemeenteraad om beleid in een verordening vast te leggen.
                    De belangrijkste voorwaarden en uitgangspunten zijn in de voorgaande artikelen
                    vastgelegd. Het college kan nadere beleidsregels en een beleidsplan opstellen
                    waarin de algemene uitgangspunten uit de verordening nader worden
                    uitgewerkt</al><al/><tussenkop>Artikel 14 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Indien de toepassing van deze verordening tot onbillijkheden leidt, kan het
                    college ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen. Van deze
                    mogelijkheid dient zeer terughoudend gebruik gemaakt te worden, om het scheppen
                    van precedenten tegen te gaan.</al><al/><tussenkop>Artikel 15 Citeerartikel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><tussenkop>Artikel 16 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><gegeven><label>Nota-toelichting</label><dagtekening><datum isodatum="2013-03-08">2013-03-08</datum></dagtekening></gegeven></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>