<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR264517_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maak kennis met Haarlemmerliede en Spaarnwoude, 4-3-2013.</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, 1e lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, 1e lid, onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAW, art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAZ, art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BOB 13/007</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van
                        de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude,</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 22 januari
                        2013,</al><al/><al>gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet, en artikel 8, eerste lid,
                        onderdeel b, en artikel 18 Wwb, alsmede artikel 35 IOAW en artikel 35
                        IOAZ.; </al><al/><al>besluit:</al><al/><al>De bijgevoegde Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                        gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2013 vast te stellen en met
                        terugwerkende kracht in werking te laten treden per 1 januari 2013</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 26 februari
                        2013</al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al/><al/><al><vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</vet></al><al><vet>gemeente H</vet><vet>aarlemmerliede en Spaarnwoude</vet><vet>
                        2013</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>-beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot
                            en met 475e van het Wetboekvan Burgerlijke Rechtsvordering; </al><al><cursief>- </cursief>bezit<cursief>: </cursief>waarde van de
                            bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of
                            redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de woning met
                            bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid,
                            van de wet; </al><al><cursief>- </cursief>recidiveboete: bestuurlijke boete als
                            bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de wet; </al><al>- verrekenen<cursief>: </cursief>verrekening als bedoeld in artikel 60,
                            vierde lid, van de wet;</al><al>- wet: Wet werk en bijstand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van dagtekening van het
                                besluit waarin de recidiveboete is opgelegd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekenen burgemeester en
                                wethouders de recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming
                                van de beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment
                                van de dagtekening van het besluit waarin de bestuurlijke boete is
                                opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekenen
                                burgemeester en wethouders de recidiveboete in de daarop volgende
                                twee maanden op een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft
                                beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                                bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kunnen burgemeester en wethouders
                            de recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen
                            indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de wet, indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op
                            het moment van verrekening van de recidiveboete. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>bekendmaking en Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening wordt bekend gemaakt in Maak-kennis-met Haarlemmerliede
                            en Spaarnwoude van 4 maart 2013 en treedt in werking op 1 januari 2013.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude
                            2013. </al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste
                            behoeven geen nadere toelichting. </al><al/><al><cursief>Bezit </cursief></al><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij
                            om (de waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens
                            gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen
                            kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen. </al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat
                            het nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Wwb.
                            Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook
                            niet op het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel
                            34, tweede lid, van de Wwb zijn hier niet van toepassing. Een
                            belanghebbende die vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije
                            voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen waarover hij
                            beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten aanwenden om
                            in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een
                            uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                            bewoonde (eigen) woning. </al><al/><al><cursief>Verrekenen </cursief></al><al>De Wwb kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van
                            Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte
                            begripsbepaling opgenomen in de verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                            beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden
                            als een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te
                            kunnen vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze
                            verordening. Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de
                            bezittingen waarover belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan
                            beschikken), ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm
                            bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking van deze bezittingen,
                            zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen worden. Wanneer
                            bij het fraudeonderzoek dat vooraf ging aan het boeteonderzoek is
                            vastgesteld dat er vermogen is, wordt dit meegenomen bij de vaststelling
                            van het bezit. Tenzij er vanuit het voorgaande fraudeonderzoek beslag is
                            gelegd op dit bezit.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie
                            maanden volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen
                            overbruggen, dan verrekent het college slechts één maand zonder
                            inachtneming van de beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt
                            weliswaar verrekening met de beslagvrije voet plaats, maar niet
                            volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte
                            van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                            invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire
                            wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van
                            de toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel
                            19, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. </al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                            fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                            herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                            duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden
                            met de zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking stellen van
                            de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke
                            consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de regeling daarmee
                            zijn doel voorbij zou schieten. </al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van
                            artikel 31, tweede lid, onderdelen n of r, van de Wwb worden vrijgelaten
                            voor de algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80%
                            van de bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het
                            college laat deze inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de
                            beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over voldoende
                            inkomen beschikt. Dat is geregeld in het derde lid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                            inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening
                            met de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties
                            komen aan de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om individuele
                            omstandigheden waaraan het college zal moeten toetsen. </al><al/><al>Onder a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                            artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer
                            volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van
                            belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een
                            belanghebbende door de volledige verrekening op straat komt te staan, nu
                            dit de problematiek alleen maar verergert, met alle maatschappelijke
                            kosten van dien.</al><al/><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een
                            dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien.
                            Dat volgt uit het woord 'anderszins' onder b. Ook bij aanwezigheid van
                            andere dringende redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het
                            college rekening houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Van
                            dringende redenen is niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele
                            gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden waarin belanghebbende en
                            diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere wijze te verhelpen
                            zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de verrekening aan
                            middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich geen
                            voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Wwb is bepaald dat de bevoegdheid om
                            te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                            opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening
                            van de recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht
                            het college die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan
                            regelt artikel 5 dat de bepalingen in deze verordening van
                            overeenkomstige toepassing zijn. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>