<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR262426_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant-Noord</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-04-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Udens Weekblad 27-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant-Noord</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/7240</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Mandaatbesluit Omgevingsdienst Brabant Noord 2015</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant-Noord</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gemeenschappelijke regeling</vet></al><al><vet>Omgevingsdienst Brabant Noord</vet><vet> (OBN)</vet></al><al><vet>1 april 2013</vet></al><al>De raden, de colleges van burgemeester en wethouders en de
                        burgemeesters van de gemeenten Bernheze, Boekel, Boxmeer, Cuijk, Grave,
                        Landerd, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis, Sint Oedenrode,
                        Uden en Veghel, </al><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft voor de navolgende besluiten
                        sub 1 en 2; en,</al><al>Het college van gedeputeerde staten en de commissaris van de Koningin van de
                        provincie Noord-Brabant, de colleges van burgemeester en wethouders en de
                        burgemeesters van de gemeenten ’s-Hertogenbosch, Heusden , Boxtel,
                        Sint-Michielsgestel, Vught, Schijndel en Haaren, gezamenlijk genoemd de
                        Meierij-gemeenten.</al><al>ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft voor het navolgende besluit
                        sub 2;</al><al>overwegende dat bij de vorming van een omgevingsdienst, het wenselijk dan
                        wel noodzakelijk is, de bestaande samenwerking tussen gemeenten uit te
                        breiden met de mogelijkheid van toetreding van de provincie Noord-Brabant,
                        de Meierij-gemeenten en andere openbare lichamen;</al><al>overwegende dat voor deze toetreding de onderliggende gemeenschappelijke
                        regeling Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost niet toereikend is, </al><al>overwegende dat daartoe de deelnemende bestuursorganen aan de
                        gemeenschappelijke regeling Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost met de
                        verkregen toestemming van de raden deze regeling wijzigen door het
                        navolgende besluit sub 1;</al><al>overwegende dat de provincie Noord-Brabant en de Meierijgemeenten, na
                        besluit sub 1 overeenkomstig die gewijzigde gemeenschappelijke regeling en
                        de wet met de verkregen toestemming van provinciale staten en de
                        desbetreffende raden, kan toetreden tot deze regeling door het navolgende
                        besluit sub 2;</al><al>gelet op het besluit van het algemeen bestuur d.d. 15 december 2011
                        betreffende de voorwaarden waaronder de provincie bij wijziging van de
                        regeling Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost kan toetreden; </al><al>gelet op het besluit van het algemeen bestuur d.d. 5 oktober 2012
                        betreffende de voorwaarden waaronder de gemeenten ’s-Hertogenbosch, Heusden
                        , Boxtel, Sint-Michielsgestel, Vught, Schijndel en Haaren kunnen
                        toetreden;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen,
                        respectievelijk artikel 48 van de gemeenschappelijke regeling Regionaal
                        Milieubedrijf Brabant- Noordoost en artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke
                        regelingen, voor de navolgende besluiten sub 1 en sub 2;</al><al>B E S L U I T EN</al><al>Sub 1:</al><al>de gemeenschappelijke regeling Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost van
                        1 januari 1998, laatstelijk gewijzigd op 20 januari 2005, als volgt te
                        wijzigen.</al><al><onderstreept>Artikel I</onderstreept><onderstreept>
                        Wijziging toetreding</onderstreept></al><al>1.Tot de gemeenschappelijke regeling Regionaal Milieubedrijf
                        Brabant-Noordoost kunnen naast gemeenten ingevolge artikel 46, in het
                        vervolg ook de provincie Noord-Brabant en eventueel andere openbare lichamen
                        toetreden.</al><al><onderstreept>Artikel II</onderstreept><onderstreept> Wijziging
                        beleidsdoel</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Als algemeen beleidsdoel in artikel 3 van de regeling
                                Omgevingsdienst Brabant Noord niet langer aan het openbaar lichaam
                                toe te vertrouwen de behartiging van de gemeenschappelijke belangen
                                op het gebied van de milieuzorg.</al></li><li nr="2."><al>In plaats hiervan aan het openbaar lichaam ten doel te geven om ten
                                behoeve van de deelnemers taken uit te voeren op het gebied van de
                                fysieke leefomgeving en om als verlengstuk van het lokaal en
                                provinciaal bestuur een bijdrage te leveren aan een leefbare en
                                veilige werk- en leefomgeving van de regio Brabant Noord.</al></li></lijst><al>Sub 2:</al><al>vast te stellen de navolgende gemeenschappelijke regeling voor de
                        Omgevingsdienst Brabant Noord van de deelnemende gemeenten en de provincie,
                        welke in de plaats treedt van de gemeenschappelijke regeling Regionaal
                        Milieubedrijf. </al><al><vet>Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant
                        Noord</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel 1</onderstreept><onderstreept>
                            Begripsbepaling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>in deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>De regeling: deze gemeenschappelijke regeling;</al></li><li nr="b."><al>Het openbaar lichaam: het openbaar lichaam als bedoeld in
                                        artikel 2 van deze regeling;</al></li><li nr="c."><al>Deelnemers: alle aan de regeling deelnemende
                                        publiekrechtelijke lichamen en rechtspersonen;</al></li><li nr="d."><al>Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van de provincie
                                        Noord-Brabant;</al></li><li nr="e."><al>De Colleges: de Colleges van Burgemeester &amp; Wethouders
                                        van de aan deze regeling deelnemende gemeenten;</al></li><li nr="f."><al>De Wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen;</al></li><li nr="g."><al>Boekjaar: Het boekjaar valt samen met het kalenderjaar;</al></li><li nr="h."><al>Het werkgebied: het totale grondgebied van de deelnemers aan
                                        deze gemeenschappelijke regeling alsmede het daarmee
                                        overeenkomende grondgebied van de provincie Noord-Brabant.
                                    </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Waar in deze regeling met betrekking tot personen, een mannelijk
                                voornaamwoord of een mannelijk functionarisbegrip wordt gebruikt,
                                worden zowel mannelijke als vrouwelijke personen bedoeld.</al></li><li nr="3."><al>Waar in deze regeling artikelen van de Provinciewet of Gemeentewet,
                                dan wel andere wettelijke regelingen van overeenkomstige toepassing
                                worden verklaard, wordt, tenzij anders vermeld, in die artikelen
                                voor de provincie, Provinciale Staten, Gedeputeerde Staten en de
                                Commissaris van de Koningin, respectievelijk de gemeente, de raad,
                                burgemeester en wethouders, de burgemeester, gelezen: het openbaar
                                lichaam, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de
                                voorzitter.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel 2</onderstreept><onderstreept> Instelling, doel en
                            beleid</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Er is een openbaar lichaam dat rechtspersoonlijkheid bezit als
                                bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wet, genaamd Omgevingsdienst
                                Brabant Noord.</al></li><li nr="2."><al>Het openbaar lichaam is gevestigd te ‘s-Hertogenbosch.</al></li><li nr="3."><al>Het openbaar lichaam is ingesteld om ten behoeve van de deelnemers
                                taken uit te voeren op het gebied van de fysieke leefomgeving en om
                                als verlengstuk van het lokaal en provinciaal bestuur een bijdrage
                                te leveren aan een leefbare en veilige werk- en leefomgeving van de
                                regio Brabant Noordoost.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Taken en bevoegdheden</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel
                            3</onderstreept><onderstreept>Landelijke
                            </onderstreept><onderstreept>Basistaken</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De omgevingsdienst is belast met het ten behoeve van de deelnemers
                                uitvoeren van het verplichte Landelijk Basistakenpakket zoals dat is
                                vermeld in bijlage 1 bij deze regeling. (bijlage 1: Beschrijving
                                Landelijk Basistakenpakket gemeenten en Landelijk Basistakenpakket
                                provincie)</al></li><li nr="2."><al>Bij wijziging door landelijke wetgeving of van het Landelijk
                                Basistakenpakket geldt het Landelijk Basistakenpakket na die
                                wijziging en wordt de omschrijving daarvan zoals vermeld in bijlage
                                1 aangepast door het algemeen bestuur.</al></li><li nr="3."><al> Tot het Landelijk Basistakenpakket wordt ook gerekend het in dit
                                kader vervullen van adviserende taken op het terrein van de
                                vergunningverlening, toezicht en handhaving ten behoeve van de
                                deelnemers, alsmede coördinerende en afstemmende taken die voor de
                                deelnemers tezamen worden verricht.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>4</onderstreept><onderstreept>Verzoektaken</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In aanvulling op de taken uit het Landelijk Basistakenpakket kan de
                                omgevingsdienst, voor zover dit geen verstoring veroorzaakt in de
                                uitvoering van de taken uit het Landelijk Basistakenpakket, op
                                verzoek van een of meer deelnemers ook andere adviserende,
                                ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden inzake de
                                vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) op het gebied van
                                de fysieke leefomgeving verrichten. </al></li><li nr="2."><al>Op verzoek van een of meer deelnemers kan de omgevingsdienst naast
                                de in lid 1 van dit artikel vermelde taken voor zover dit geen
                                verstoring veroorzaakt, ook andere adviserende, ondersteunende en
                                uitvoerende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving
                                verrichten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel</onderstreept><onderstreept>
                            5</onderstreept><onderstreept>
                            Dienstverleningsovereenkomsten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met betrekking tot de uitvoering en nadere invulling van de in
                                artikel 3 en 4 genoemde taken worden door of namens het algemeen
                                bestuur enerzijds met elk van de deelnemers afzonderlijk anderzijds,
                                schriftelijke werkafspraken gemaakt in de vorm van
                                dienstverleningsovereenkomsten (DVO’s), waarin in ieder geval is
                                vastgelegd welke producten en diensten de omgevingsdienst aan de
                                deelnemers zal leveren en wat de vergoeding daarvoor zal zijn.</al></li><li nr="2."><al>Met betrekking tot de beëindiging van de in artikel 4 genoemde taken
                                worden door of namens het dagelijks bestuur enerzijds met de
                                deelnemer die het aangaat anderzijds, in deze overeenkomsten
                                eveneens schriftelijke afspraken gemaakt met betrekking tot in ieder
                                geval de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>6</onderstreept><onderstreept>
                            Werkzaamheden voor derden</onderstreept></al><al>Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in artikel 3 en 4
                        bedoelde taken, kan de omgevingsdienst op verzoek van derden, indien dit
                        geen verstoring veroorzaakt in de uitvoering van de in beide artikelen
                        aangeduide taken, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden
                        op het gebied van de fysieke leefomgeving verrichten. Onder derden wordt
                        verstaan: andere overheden dan de deelnemers.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2A</nr><titel>Eerbiediging bestaande taken Regionaal Milieubedrijf Brabant
                        Noordoos</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept> Eerbiediging
                            bestaande taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>In aanvulling op de taken als genoemd in artikel 3 en 4 verricht de
                                omgevingsdienst een aantal nader te noemen taken welke reeds voor
                                gemeenten werden uitgevoerd op basis van de gemeenschappelijke
                                regeling Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost. </al></li><li nr="2."><al>Deze taken worden voor zover van toepassing voortgezet met
                                eerbiediging van bestaande regels, contracten en verplichtingen voor
                                betrokken gemeenten. De eerbiediging van bestaande regels,
                                contracten en verplichtingen is evenzeer van toepassing bij
                                beëindiging van deze taken, uittreding en/of opheffing.</al></li><li nr="3."><al>De betreffende taken vallen binnen het domein van het omgevingsrecht
                                en hebben betrekking op de ontwikkeling, afstemming en coördinatie
                                van regionaal milieubeleid; afvalverwerking; afvalinzameling;
                                volkshuisvesting; sanering verkeerslawaai. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept>a</onderstreept><onderstreept>
                            Ontwikkeling, afstemming en coördinatie
                            </onderstreept><onderstreept>milieubeleid</onderstreept></al><al>1.Met betrekking tot de ontwikkeling, afstemming en coördinatie van het
                        milieubeleid van de gemeenten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, worden de
                        daaruit voortvloeiende werkzaamheden opgedragen aan de omgevingsdienst. De
                        ontwikkeling, afstemming en coördinatie worden voor meerdere (groepen van
                        wisselende samenstelling van) gemeenten uitgewerkt in een gezamenlijk
                        milieubeleidsplan en een meerjaren milieu-uitvoeringsprogramma. Het
                        milieu-uitvoeringsprogramma wordt door het algemeen bestuur vastgesteld,
                        gelijktijdig met de begroting.</al><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept>b</onderstreept><onderstreept>
                            Afvalverwerking</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met betrekking tot de afvalverwerking worden door de gemeenten,
                                zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, aan de omgevingsdienst de taken
                                en bevoegdheden opgedragen inzake de voorbereiding, vaststelling en
                                uitvoering van het afvalverwerkingsbeleid.</al></li><li nr="2."><al>Tot het afvalverwerkingsbeleid behoren in elk geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de nazorg van gesloten stortplaatsen, met dien verstande,
                                        dat dit taakonderdeel zich, tot nadere besluitvorming, zal
                                        beperken tot deelname aan een meerjarig onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>het uitvoeren van toezicht- en handhavingactiviteiten in het
                                        kader van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer;</al></li><li nr="c."><al>deel te nemen aan de vereniging van contractanten;</al></li><li nr="d."><al>uitvoering van de Provinciale Milieuverordening voor zover
                                        dit in het kader van de afvalverwerking noodzakelijk
                                        is;</al></li><li nr="e."><al>het beheer van de in het gebied gelegen stortplaats te Oss
                                        (Voorste Heide);</al></li><li nr="f."><al>het opstellen van een regionaal uitvoeringsplan voor de
                                        afvalverwerking.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept>c</onderstreept><onderstreept>
                            Volkshuisvesting </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met betrekking tot de volkshuisvesting worden door de gemeenten,
                                zoals bedoeld in artikel 7, lid 1 - met uitzondering van de gemeente
                                Oss - aan de omgevingsdienst de taken en bevoegdheden opgedragen
                                inzake de uitvoering van het Besluit Woninggebonden Subsidies.</al></li><li nr="2."><al>Tot de uitvoering van het Besluit Woninggebonden Subsidies behoren
                                in ieder geval: </al></li><li nr="a."><al>de besteding van de budgetten, door de minister aan het Streekgewest
                                Brabant, het Regionaal Milieubedrijf en de omgevingsdienst
                                toegedeeld, voorover betrekking hebbend op het Besluit
                                Woninggebonden Subsidies, door verlening van geldelijke steun aan
                                belanghebbenden;</al></li><li nr="b."><al>het voeren van bijbehorende verplichtingen- en kasadministratie c.q.
                                budgetbeheer;</al></li><li nr="c."><al>de verantwoording naar de rijksoverheid toe;</al></li><li nr="d."><al>de besteding van de vrijvallende middelen ten behoeve van de
                                volkshuisvesting.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept>d</onderstreept><onderstreept>
                            Afvalinzameling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met betrekking tot de afvalzinzameling worden door de gemeenten uit
                                het Land van Cuijk en Boekel aan de omgevingsdienst de taken en
                                bevoegdheden opgedragen voor het uitvoeren van de ingevolge de Wet
                                milieubeheer geldende verplichting tot het inzamelen van
                                huishoudelijke afvalstoffen.</al></li><li nr="2."><al>Tot het uitvoeren van de wettelijke taak van het inzamelen van
                                huishoudelijke afvalstoffen behoort in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de bevoegdheid te besluiten tot privaatrechtelijke
                                        rechtshandelingen;</al></li><li nr="b."><al>het vaststellen van uitvoeringsregels en het nemen van
                                        aanwijzingsbesluiten krachtens de afvalstoffenverordening
                                        Land van Cuijk en Boekel. </al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept>e</onderstreept><onderstreept>
                            Sanering verkeerslawaai</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met betrekking tot de sanering van verkeerslawaai wordt door de
                                gemeenten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, aan de omgevingsdienst
                                de taak opgedragen tot het uitvoeren van een met deze dienst
                                aangegane overeenkomst voor de geluidsanering van woningen in de
                                periode 2010-2014.</al></li><li nr="2."><al>Tot het uitvoeren van deze taak behoort in ieder geval:</al></li><li nr="a."><al>het namens de gemeenten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1,
                                aanvragen van de bijdragen uit het Investeringsbudget Stedelijke
                                Vernieuwing (ISV) van het ministerie van I&amp;M bij de provincie
                                Noord-Brabant voor het uitvoeren van de geluidssaneringen aan
                                woningen binnen de gemeenten in de periode 2010-2014;</al></li><li nr="b."><al>het namens de gemeenten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, besteden
                                van het ISV-budget voor de periode 2010-2014 voor de geluidsanering
                                van woningen in de gemeenten;</al></li><li nr="c."><al>het namens de gemeenten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1,
                                verantwoorden van de besteding van het ISV-budget 2010-2014. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Bestuursorganen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>8</onderstreept><onderstreept>
                            Bestuursorganen</onderstreept></al><al>Het openbaar lichaam kent, onverminderd de mogelijkheid tot het instellen
                        van bestuurscommissies als bedoeld in artikel 21 van deze regeling de
                        volgende bestuursorganen: </al><lijst><li nr="a."><al>het algemeen bestuur;</al></li><li nr="b."><al>het dagelijks bestuur;</al></li><li nr="c."><al>de voorzitter.</al></li></lijst><al><vet><cursief>§1.</cursief></vet><vet><cursief> Het algemeen
                                bestuur</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>9</onderstreept><onderstreept> Het Algemeen
                            bestuur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het openbaar lichaam heeft een algemeen bestuur. Gedeputeerde Staten
                                en de colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen
                                bestuur aan. Ook wijzen zij uit hun midden ieder tenminste één lid
                                aan die het door hen aangewezen lid bij ontstentenis vervangt. </al></li><li nr="2."><al>De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor een
                                zittingsduur van in principe 4 jaar en treden af op de dag waarop in
                                het kader van een nieuwe zittingsperiode van de gemeenteraad
                                respectievelijk provinciale staten een nieuw geïnstalleerd college
                                een besluit neemt tot aanwijzing van een lid en plaatsvervangend lid
                                van het algemeen bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid
                                worden aangewezen. </al></li><li nr="3."><al>De voorzitter en zijn plaatsvervanger worden door en uit het
                                algemeen bestuur gekozen. </al></li><li nr="4."><al>Wanneer het lidmaatschap van het college van gedeputeerde staten of
                                van het college van burgemeester en wethouders eindigt, eindigt ook
                                het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het algemeen bestuur.</al></li><li nr="5."><al>Een (plaatsvervangend) lid van het algemeen bestuur kan te allen
                                tijde ontslag nemen. Dit gebeurt door schriftelijke mededeling aan
                                het algemeen bestuur. </al></li><li nr="6."><al>Indien tussentijds de plaats van een (plaatsvervangend) lid vacant
                                komt, wijst het daartoe bevoegde college zo spoedig mogelijk een
                                nieuw (plaatsvervangend) lid aan.</al></li><li nr="7."><al>Een lid van het algemeen bestuur dat op basis van het vijfde lid van
                                dit artikel zijn lidmaatschap ter beschikking heeft gesteld, blijft
                                in functie totdat een nieuw lid is aangewezen. </al></li><li nr="8."><al>Bij het bestaan van één of meer vacatures blijven de resterende
                                bestuursleden bevoegd besluiten te nemen. </al></li><li nr="9."><al> Wanneer iemand wordt aangesteld om een vacante plaats in het
                                algemeen bestuur te vervullen, treedt hij af op het moment waarop
                                degene in wiens plaats hij is aangewezen , zou aftreden. </al></li><li nr="10."><al>Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de
                                betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van één der
                                deelnemers dan wel door of vanwege het bestuur van het openbaar
                                lichaam aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden
                                voor de toepassing van dit lid gelijkgesteld zij die in dienst van
                                één der deelnemers dan wel van het lichaam op arbeidsovereenkomst
                                naar burgerlijke recht werkzaam zijn. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>10</onderstreept><onderstreept>
                            Werkwijze</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van
                                orde vast. </al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur vergadert minimaal twee maal per jaar. Meerdere
                                vergaderingen kunnen ingelast worden wanneer de voorzitter of het
                                dagelijks bestuur dit nodig acht, wanneer ter voldoening aan het
                                bepaalde in artikel 16, tweede lid van deze regeling een of meer
                                leden van het dagelijks bestuur moeten worden aangewezen of wanneer
                                tenminste 1/5<sup>e</sup> van de leden van het algemeen bestuur,
                                onder opgave van redenen, dit schriftelijk verzoekt. </al></li><li nr="3."><al>De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren
                                zijn gesloten wanneer 1/5<sup>e</sup> van het aantal leden dit nodig
                                acht. </al></li><li nr="4."><al>In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een
                                besluit worden genomen over: de wijziging van de gemeenschappelijke
                                regeling; de toelating van nieuwe leden; de begroting, de
                                wijzigingen daarvan en de rekening; het invoeren, wijzigen of
                                afschaffen van verordeningen.</al></li><li nr="5."><al>In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen over:
                                het doen van een uitgave voordat de begroting of de
                                begrotingswijziging waarbij deze uitgave is geraamd, is goedgekeurd;
                                het onderhands aanbesteden van werken of leveranties.</al></li><li nr="6."><al>Het algemeen bestuur kan zich in de vergaderingen laten bijstaan
                                door adviseurs.</al></li><li nr="7."><al>Artikel 15, eerste lid Gemeentewet en artikel 15, eerste lid
                                Provinciewet en artikel X8 Kieswet zijn van overeenkomstige
                                toepassing op de leden van het algemeen bestuur. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>1</onderstreept><onderstreept>1</onderstreept><onderstreept>
                            Geheimhouding</onderstreept></al><al>Het algemeen bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van de
                        belangen, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent
                        het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud
                        van de stukken welke aan het algemeen bestuur worden overgelegd,
                        geheimhouding opleggen. Deze wordt door hen die bij de behandeling aanwezig
                        waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht
                        genomen, totdat het algemeen bestuur haar opheft.</al><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>1</onderstreept><onderstreept>2</onderstreept><onderstreept>
                            Vergaderquorum </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur kan slechts vergaderen en besluiten nemen
                                indien meer dan de helft van het aantal leden van het algemeen
                                bestuur aanwezig is. </al></li><li nr="2."><al>Indien het vereiste aantal leden als bedoeld in lid 1 niet aanwezig
                                is bij een vergadering, kan de voorzitter een nieuwe vergadering
                                beleggen, welke binnen twee weken dient plaats te vinden. </al></li><li nr="3."><al>Op vergaderingen als bedoeld in lid 2 is het bepaalde van lid 1 niet
                                van toepassing. Het algemeen bestuur kan in dat geval over alle
                                onderwerpen, waaronder de begroting, een begrotingswijziging en de
                                jaarstukken, beraadslagen en besluiten nemen ongeacht het aanwezige
                                quorum. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            1</onderstreept><onderstreept>3</onderstreept><onderstreept>
                            Besluitvorming</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Ieder lid van het algemeen bestuur heeft in de vergadering één stem.
                            </al></li><li nr="2."><al>Besluiten worden genomen met een meerderheid van stemmen van de
                                aanwezige leden, tenzij in de regeling anders is bepaald. </al></li><li nr="3."><al>Besluiten betreffende vaststelling van de begroting,
                                begrotingswijzigingen en jaarrekening worden genomen met een
                                meerderheid van stemmen, met dien verstande dat de meerderheid van
                                stemmen eveneens ten minste de helft van de omzet vertegenwoordigt
                                welke de omgevingsdienst in het voorafgaande jaar heeft
                                gegenereerd.</al></li><li nr="4."><al>De omzet als bedoeld in het derde lid wordt bepaald op basis van de
                                basistaken en verzoektaken als bedoeld in artikel 3 en 4.</al></li><li nr="5."><al>Als toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 7, 7a, 7b,
                                7c, 7d en 7e van deze regeling zijn lid 3 en lid 4 van dit artikel
                                niet van toepassing en onthouden de vertegenwoordigers van niet aan
                                de behartiging van deze taken deelnemende partijen zich bij de
                                besluitvorming daaromtrent van stemming.</al></li><li nr="6."><al>Indien de stemmen met betrekking tot een bepaald voorstel staken,
                                wordt het betrokken onderwerp aangehouden tot de eerstvolgende
                                vergadering van het algemeen bestuur. Indien de stemmen wederom
                                staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Ingeval de
                                stemmen bij herstemming over besluiten met betrekking tot benoeming,
                                voordracht of aanbeveling van personen staken, beslist de
                                voorzitter.</al></li><li nr="7."><al>Bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen
                                betreffende personen wordt schriftelijk gestemd, in de overige
                                gevallen mondeling.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            1</onderstreept><onderstreept>4</onderstreept><onderstreept>
                            Inlichtingen- en verantwoordingsplicht</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur geeft aan de raden van de deelnemers de door
                                één of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen. Het
                                reglement van orde van het algemeen bestuur regelt de wijze waarop
                                uitvoering wordt gegeven aan deze bepaling. </al></li><li nr="2."><al>Een lid van het algemeen bestuur geeft aan het college van de
                                gemeente of aan Gedeputeerde Staten die dit lid heeft aangewezen de
                                door één of meerdere leden van deze raad of Provinciale Staten
                                gevraagde of ongevraagde inlichtingen voor het door hem in dat
                                bestuur gevoerde beleid, op de wijze die door dit bestuursorgaan is
                                bepaald. </al></li><li nr="3."><al>Een lid van het algemeen bestuur kan door het college van de
                                gemeente of door Gedeputeerde Staten die dit lid heeft aangewezen
                                ter verantwoording worden geroepen voor het door hem gevoerde
                                beleid, op de wijze die door dat bestuursorgaan is bepaald. </al></li></lijst><al><vet><cursief>§2. </cursief></vet><vet><cursief> Het dagelijks
                                bestuur</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel
                            1</onderstreept><onderstreept>5</onderstreept><onderstreept>
                            Samenstelling</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur bestaat uit 5 leden waaronder de
                                voorzitter.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter van het algemeen bestuur is eveneens voorzitter van
                                het dagelijks bestuur</al></li><li nr="3."><al>De leden en plaatsvervangende leden worden uit en door het algemeen
                                bestuur gekozen in de eerste vergadering, waarin het algemeen
                                bestuur in een nieuwe samenstelling bijeen komt, dan wel in de eerst
                                volgende vergadering van het algemeen bestuur, volgend op de
                                beëindiging van het lidmaatschap van één of meer van de leden van
                                het dagelijks bestuur.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur bestaat uit de volgende leden: </al><lijst><li nr="a."><al>Vertegenwoordiger gemeente met meer dan 70.000
                                        inwoners;</al></li><li nr="b."><al>Vertegenwoordiger namens de gemeenten van de Meierij</al></li><li nr="c."><al> Vertegenwoordiger van de gemeenten in de deelregio Maasland
                                        / Uden-Veghel</al></li><li nr="d."><al>Vertegenwoordiger namens de gemeenten van het Land van
                                        Cuijk</al></li><li nr="e."><al>Vertegenwoordiger provincie Noord-Brabant.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            1</onderstreept><onderstreept>6</onderstreept><onderstreept>
                            Zittingsduur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het (plaatsvervangend) lidmaatschap van het dagelijks bestuur
                                eindigt zodra het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt of
                                wanneer het lid van het dagelijks bestuur als zodanig ontslag neemt.
                            </al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van
                                plaatsen die door overlijden, ontslag of om een andere reden
                                tussentijds zijn opengevallen vindt plaats binnen twee maanden na
                                het tijdstip waarop de vacature is ontstaan. Een tussentijds tot lid
                                van het dagelijks bestuur aangewezen lid treedt af op het moment
                                waarop degene in wiens plaats hij is aangewezen zou aftreden.</al></li><li nr="3."><al>Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen.
                                Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur.
                            </al></li><li nr="4."><al>Het algemeen bestuur kan één of meer leden van het dagelijks bestuur
                                ontslag verlenen, indien dezen het vertrouwen van het algemeen
                                bestuur niet meer bezitten. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            1</onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept>
                            Werkwijze</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter of ten
                                minste drie leden dit nodig oordelen. </al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn
                                vergaderingen. Dit reglement wordt medegedeeld aan het algemeen
                                bestuur. </al></li><li nr="3."><al>De voorzitter en elk lid hebben één stem. In het geval de stemmen
                                staken, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem. </al></li><li nr="4."><al>De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten
                                deuren gehouden, voor zover het dagelijks bestuur niet anders heeft
                                bepaald. </al></li><li nr="5."><al>In de vergaderingen van het dagelijks bestuur kan slechts worden
                                beraadslaagd en besloten, indien meer dan de helft van het aantal
                                zitting hebbende leden tegenwoordig is. </al></li><li nr="6."><al>Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de
                                voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, binnen twee weken
                                opnieuw een vergadering. </al></li><li nr="7."><al>Op de vergadering, bedoeld in het zesde lid, is het vijfde lid niet
                                van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere
                                aangelegenheden dan die waarvoor de eerste vergadering was belegd
                                alleen beraadslagen en besluiten, indien meer dan de helft van het
                                aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. </al></li><li nr="8."><al>Bij het doen van benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen
                                betreffende personen wordt schriftelijk gestemd, in de overige
                                gevallen mondeling.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            1</onderstreept><onderstreept>8</onderstreept><onderstreept>
                            Geheimhouding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur kan op grond van een belang, genoemd in
                                artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een
                                besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken
                                die aan het dagelijks bestuur worden overgelegd, geheimhouding
                                opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering
                                behandelde wordt tijdens de vergadering opgelegd. De geheimhouding
                                wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die
                                van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen
                                totdat het dagelijks bestuur haar opheft. </al></li><li nr="2."><al> Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet
                                openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden
                                opgelegd door de voorzitter of een commissie, ten aanzien van de
                                stukken die zij aan het dagelijks bestuur overleggen. Daarvan wordt
                                op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht
                                genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan
                                wel het algemeen bestuur haar opheft. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            1</onderstreept><onderstreept>9</onderstreept><onderstreept>
                            Inlichtingen- en verantwoordingsplicht</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en afzonderlijk,
                                aan het algemeen bestuur verantwoording schuldig voor het door het
                                dagelijks bestuur gevoerde beleid. </al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur geeft, ieder tezamen en afzonderlijk, uit
                                eigen beweging dan wel op verzoek van het algemeen bestuur of een of
                                meer leden daarvan, aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die
                                nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks
                                bestuur gevoerde beleid. </al></li><li nr="3."><al>De aflegging van verantwoording als bedoeld in het eerste lid,
                                alsmede het na voorafgaand verzoek verstrekken van inlichtingen als
                                bedoeld in het tweede lid, geschieden op de wijze zoals is
                                aangegeven in het reglement van orde voor de vergaderingen van het
                                algemeen bestuur. </al></li><li nr="4."><al>Het algemeen bestuur is bevoegd in het reglement van orde voor zijn
                                vergadering nadere regels te stellen ten aanzien van de wijze waarop
                                door het dagelijks bestuur dan wel de leden ervan inlichtingen
                                dienen te worden verschaft respectievelijk verantwoording dient te
                                worden afgelegd. </al></li><li nr="5."><al>Het algemeen bestuur kan regelen van welke besluiten van het
                                dagelijks bestuur kennisgeving wordt gedaan aan de leden van het
                                algemeen bestuur. Daarbij kan het algemeen bestuur de gevallen
                                bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan. </al></li><li nr="6."><al>De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing ten
                                aanzien van de voorzitter. </al></li></lijst><al><vet><cursief>§3</cursief></vet><vet><cursief> De
                        voorzitter</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel </onderstreept><onderstreept>20</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur gekozen. </al></li><li nr="2."><al>De voorzitter is tevens voorzitter van het algemeen bestuur en
                                voorzitter van het dagelijks bestuur. </al></li><li nr="3."><al>Bij afwezigheid of ontstentenis van de voorzitter wordt hij
                                vervangen door de plaatsvervangende voorzitter. Deze wordt
                                aangewezen tijdens de eerste vergadering van het algemeen bestuur.
                            </al></li><li nr="4."><al>De stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur
                                uitgaan worden ondertekend door de voorzitter en de secretaris.
                            </al></li><li nr="5."><al>De voorzitter vertegenwoordigt het lichaam in en buiten rechte. Hij
                                kan deze vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen
                                gemachtigde opdragen. </al></li></lijst><al><vet><cursief>§
                                4</cursief></vet><vet><cursief>C</cursief></vet><vet><cursief>ommissies</cursief></vet></al><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>2</onderstreept><onderstreept>1</onderstreept><onderstreept>Commissies</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur kan adviescommissies als bedoeld in artikel 24
                                van de Wet en bestuurscommissies als bedoeld in artikel 25 van de
                                Wet instellen. </al></li><li nr="2."><al>Bij de instelling wordt in ieder geval geregeld: </al><lijst><li nr="a."><al>De samenstelling;</al></li><li nr="b."><al>De bevoegdheid /bevoegdheden;</al></li><li nr="c."><al>De werkwijze;</al></li><li nr="d."><al>De openbaarheid van vergaderingen;</al></li><li nr="e."><al>Het toezicht van het algemeen bestuur en het dagelijks
                                        bestuur;</al></li><li nr="f."><al> De verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van
                                        het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur;</al></li><li nr="g."><al>De verantwoording aan het algemeen bestuur;</al></li><li nr="h."><al>Wanneer de commissie is ingesteld voor bepaalde tijd, wordt
                                        tevens de einddatum van de commissie geregeld;</al></li><li nr="i."><al>De benoeming van de voorzitter van de commissie.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Ingevolge het eerste lid van dit artikel is een commissie met
                                bestuursbevoegdheid ingesteld voor: </al><al>a.de afvalinzameling in het Land van Cuijk en Boekel.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>2</onderstreept><onderstreept>2</onderstreept><onderstreept>
                            Bevoegdheden Algemeen Bestuur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Aan het algemeen bestuur behoren, binnen het kader van deze
                                regeling, alle bevoegdheden, die niet bij of krachtens de wet aan
                                het dagelijks bestuur of aan de voorzitter zijn opgedragen. </al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur is bevoegd de toegekende bevoegdheden over te
                                dragen aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter. Daarbij kan
                                niet worden overgedragen de bevoegdheid tot: </al><lijst><li nr="a."><al>het doen van voorstellen aan de deelnemers omtrent
                                        toetreding tot, uittreding uit, wijziging van of opheffing
                                        van de regeling;</al></li><li nr="b."><al>het vaststellen of wijzigen van de begroting;</al></li><li nr="c."><al>het vaststellen van de jaarrekening.</al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            2</onderstreept><onderstreept>3</onderstreept><onderstreept>
                            Bevoegdheden Dagelijks Bestuur</onderstreept></al><al>1 Naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het elders in
                        deze regeling bepaalde is het dagelijks bestuur belast met en bevoegd
                        tot:</al><lijst><li nr="a."><al>Het algemeen beheer van het openbaar lichaam;</al></li><li nr="b."><al>De voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het
                                algemeen bestuur zal worden beraadslaagd en besloten;</al></li><li nr="c."><al>De uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur;</al></li><li nr="d."><al>Het toezicht op het beheren van de financiën van het openbaar
                                lichaam;</al></li><li nr="e."><al>Het toezicht op en het beheren van de eigendommen van het openbaar
                                lichaam;</al></li><li nr="f."><al>Het nemen van conservatoire maatregelen, voordat wordt besloten tot
                                het voeren van rechtsgedingen, het instellen van bezwaar en beroep
                                alsmede het vragen om een voorlopige voorziening.</al></li></lijst><al>2 Het dagelijks bestuur oefent de aan het algemeen bestuur toekomende
                        bevoegdheden uit, indien en voor zover het algemeen bestuur daartoe besluit
                        en naar de door deze te stellen regels. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Organisatiebepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel
                            2</onderstreept><onderstreept>3A</onderstreept><onderstreept>
                            Bestuurlijk Brabantbreed RUD-platform</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Separaat aan deze regeling wordt tevens een Bestuurlijk Brabantbreed
                                RUD-platform ingesteld.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter van het algemeen bestuur van de Omgevingsdienst
                                Brabant Noord neemt deel aan het RUD-platform, dan wel wijst een
                                ander lid uit het algemeen bestuur hiervoor aan.</al></li><li nr="3."><al>Het Bestuurlijk RUD-platform heeft tot doel om gezamenlijk de aanpak
                                van Brabantbrede en regio-overstijgende zaken te bepalen en
                                provinciebreed afstemming te regelen. </al></li><li nr="4."><al>De instelling en werkwijze van het RUD-platform wordt geregeld in
                                een bestuursconvenant zo spoedig mogelijk na inwerkingtreding van de
                                regeling.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>24</onderstreept><onderstreept> De
                            directeur</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De omgevingsdienst heeft een directeur die onder
                                verantwoordelijkheid van het algemeen bestuur belast is met de
                                leiding van de omgevingsdienst en met de zorg voor een juiste
                                taakvervulling door deze dienst. </al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat op voordracht van
                                het dagelijks bestuur de directeur. </al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur is bevoegd in spoedeisende gevallen de
                                directeur te schorsen. Het dagelijks bestuur doet daarvan terstond
                                mededeling aan het algemeen bestuur. De schorsing vervalt wanneer
                                het algemeen bestuur haar niet in zijn volgende vergadering
                                bekrachtigt.</al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur legt de instructie van de directeur vast in
                                een Directiestatuut.</al></li><li nr="5."><al>Het dagelijks bestuur stelt de hoofdstructuur van de organisatie, de
                                directie, de taken, de bevoegdheden en de werkwijze van de
                                ambtelijke organisatie vast. </al></li><li nr="6."><al>Het algemeen bestuur regelt de bezoldiging van de directeur.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            2</onderstreept><onderstreept>5</onderstreept><onderstreept> De
                            secretaris</onderstreept></al><al>1.De directeur van de omgevingsdienst fungeert als secretaris van het
                        algemeen bestuur en het dagelijks bestuur. </al><al><onderstreept>Artikel
                            2</onderstreept><onderstreept>6</onderstreept><onderstreept>
                            Personeel</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de omgevingsdienst is personeel werkzaam. </al></li><li nr="2."><al>Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van de
                                omgevingsdienst de arbeidsvoorwaardenverordening vast conform de
                                collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor het gemeentepersoneel
                                (CAR/UWO), dan wel de (gewijzigde) collectieve
                                arbeidsvoorwaardenregeling die daarvoor in de plaats komt.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige
                                arbeidsvoorwaarden. </al></li><li nr="4."><al>Het dagelijks bestuur heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van
                                overige arbeidsvoorwaarden.</al></li><li nr="5."><al>Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het
                                dagelijks bestuur, behoudens het benoemen, schorsen en ontslaan van
                                de directeur.</al></li><li nr="6."><al>Het dagelijks bestuur kan de bevoegdheid tot het aanstellen,
                                schorsing en ontslag van personeel mandateren aan de directeur.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Financiën</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel
                            2</onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept>Begroting</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast inzake het financieel-
                                en administratieve beheer van het lichaam. De artikelen 212 en 213
                                van de Gemeentewet en de artikelen 216 en 217 van de Provinciewet
                                zijn van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De omgevingsdienst heeft een begroting met afzonderlijke programma’s
                                voor minimaal het basistakenpakket (artikel 3), verzoektaken
                                (artikel 4) en bestaande taken Regionaal Milieubedrijf Brabant
                                Noordoost (artikel 7a t/m e).</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur zendt jaarlijks voor 1 april een
                                ontwerpbegroting van het lichaam voor het komende kalenderjaar, met
                                bijbehorende toelichting, toe naar de raden van de gemeenten en
                                Provinciale Staten. </al></li><li nr="4."><al>In de begroting wordt onder andere aangegeven welke bijdrage elke
                                deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van het
                                openbaar lichaam. </al></li><li nr="5."><al>De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een
                                ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen
                                verkrijgbaar gesteld. </al></li><li nr="6."><al> De deelnemers kunnen binnen 6 weken na toezending van de
                                ontwerpbegroting hun zienswijzen doen blijken. Het dagelijks bestuur
                                voegt, alvorens verzending van de ontwerpbegroting aan het algemeen
                                bestuur, de commentaren en zienswijzen van de deelnemers toe. </al></li><li nr="7."><al>Het algemeen bestuur stelt de begroting uiterlijk 1 juli
                                voorafgaande aan het jaar waar deze voor dient, vast. Terstond na de
                                vaststelling zendt het dagelijks bestuur de begroting naar de
                                deelnemers, en in ieder geval voor 15 juli naar de minister van
                                Binnenlandse Zaken. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            2</onderstreept><onderstreept>8</onderstreept><onderstreept>
                            Begrotingswijziging</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Met betrekking tot wijzigingen van de begroting is het bepaalde in
                                artikel 27, uitgezonderd het vijfde lid, zoveel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Voor wijzigingen van de begroting, die niet leiden tot een wijziging
                                van de bijdrage van de deelnemers, alsmede geen afwijking inhouden
                                van het door het Algemeen Bestuur vastgestelde financiële beleid, is
                                artikel 27 niet van toepassing. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>29</onderstreept><onderstreept>
                            Jaar</onderstreept><onderstreept>rekening</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur biedt de jaarrekening over het afgelopen
                                kalenderjaar, rekening houdend met artikel 27, lid 2 en met alle
                                bijbehorende bescheiden jaarlijks voor 1 juni ter voorlopige
                                vaststelling aan het algemeen bestuur en de deelnemers. </al></li><li nr="2."><al>Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarrekening en stelt haar vast
                                op uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop zij betrekking
                                heeft.</al></li><li nr="3."><al>Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na
                                vaststelling in het algemeen bestuur met bijbehorende stukken aan
                                het ministerie van Binnenlandse Zaken. Het jaarverslag dient in
                                ieder geval voor 15 juli te worden verzonden.</al></li><li nr="4."><al>Het algemeen bestuur kan besluiten de blijkens de jaarrekening
                                behaalde negatieve resultaten geheel of ten dele: </al><lijst><li nr="a."><al>Af te boeken van reserves, voor zover aanwezig;</al></li><li nr="b."><al>Ten laste te brengen van de deelnemers naar rato van ieders
                                        afname (=omzet) in het jaar waarop de jaarrekening
                                        betrekking heeft. </al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Het algemeen bestuur kan besluiten de blijkens de jaarrekening
                                behaalde positieve resultaten geheel of ten dele:</al><lijst><li nr="a."><al>Te bestemmen voor een egalisatiereserve;</al></li><li nr="b."><al>Uit te keren aan de deelnemers naar rato van ieders afname
                                        (=omzet) in het jaar waarop de jaarrekening betrekking
                                        heeft. </al></li></lijst></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>30</onderstreept><onderstreept>Vergoeding
                            voor geleverde diensten</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur kan, met inachtneming van het bepaalde in de
                                volgende leden, nadere regels vaststellen met betrekking tot de door
                                de deelnemers te betalen voorschotnota’s en financiële
                                bijdragen.</al></li><li nr="2."><al>De te betalen vergoeding voor de taken als bedoeld in hoofdstuk 2
                                wordt aan de hand van inzet/prestaties en/of afgenomen producten per
                                deelnemer vastgesteld op basis van de door het bestuur vastgestelde
                                prijzen en tarieven. </al></li><li nr="3."><al>Op basis van de begroting kan iedere deelnemer aan de hand van de
                                daarin vastgelegde tarieven en/of productprijzen berekenen welke
                                bijdrage verschuldigd is voor het jaar waarop de begroting
                                betrekking heeft. Voor elke deelnemer wordt een werkprogramma
                                gemaakt waarin de begrote vergoeding voor de afname van taken zijn
                                berekend. De verrekening van de gerealiseerde vergoeding is op basis
                                van geleverde prestaties/inzet per deelnemer.</al></li><li nr="4."><al> Wanneer het algemeen bestuur overeenkomstig het gestelde in artikel
                                29, lid 4 een besluit heeft genomen omtrent het bijdragen door de
                                deelnemers in het nadelig exploitatiesaldo, wordt bij het bepalen
                                van de bijdrage per deelnemer het uitgangspunt gehanteerd, dat de
                                financiële gevolgen worden toegedeeld aan de deelnemers die dat
                                aangaat.</al></li><li nr="5."><al>Het algemeen bestuur kan op basis van externe mandaten namens de
                                betrokken deelnemers volgens de door hen gehanteerde norm geheven
                                leges innen voor het op aanvraag leveren van diensten.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            30</onderstreept><onderstreept>A</onderstreept><onderstreept>
                            Eerbiediging vergoeding bestaande taken</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingen van de in artikel 7a bedoelde taken worden voor
                                zover zij niet op een andere wijze worden gedekt, door de gemeenten,
                                zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, gedragen naar rato van het aantal
                                inwoners op 1 januari van het dienstjaar en overeenkomstig het
                                bepaalde in de leden 2 en 3 van dit artikel.</al></li><li nr="2."><al>Het inwonertal van het samenwerkingsverband is de som van de
                                inwonertallen van de gemeenten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1.
                                Als inwonertal van de gemeente wordt aangehouden het
                                bevolkingscijfer op 1 januari van het betreffende dienstjaar. </al></li><li nr="3."><al>Het algemeen bestuur bepaalt in alle gevallen, waarin een andere
                                toekenning redelijk en mogelijk is, dat de kosten, verbonden aan het
                                uitvoeren van bepaalde taken of taakonderdelen, op een andere dan op
                                de in het voorgaande leden aangegeven wijze aan de gemeenten, zoals
                                bedoeld in artikel 7, lid 1, worden toegerekend. </al></li><li nr="4."><al>De vergoedingen van de in artikel 7b, 7c en 7d bedoelde taken
                                worden, voor zover ze niet middels Modelovereenkomst zijn
                                vastgelegd, in rekening gebracht bij die gemeente die erom verzoekt
                                respectievelijk deelneemt.</al></li><li nr="5."><al>Vergoedingen van de in artikel 7b, 7c en 7d bedoelde taken, voor
                                zover niet vastgelegd middels Modelovereenkomst, die jaarlijks in de
                                begroting zijn opgenomen, komen voor rekening van de gemeenten,
                                zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, die om deze taak verzocht hebben
                                naar rato van de kosten van de in het begrotingsjaar afgenomen taak
                                als bedoeld in artikel 7b,7c en 7d. </al></li><li nr="6."><al>Baten van de in artikel 7b, 7c en 7d bedoelde taken, voor zover niet
                                vastgelegd middels Modelovereenkomst, die jaarlijks in de begroting
                                zijn opgenomen, komen ten gunste van de gemeenten, zoals bedoeld in
                                artikel 7, lid 1, die om deze taak verzocht hebben naar rato van
                                middels de Modelovereenkomst aangegane overeenkomsten uitgedrukt in
                                uren. </al></li><li nr="7."><al>De vergoedingen van de in artikel 7e bedoelde taken worden gedragen
                                door de gemeenten, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, op basis van
                                een aangegane overeenkomst voor de geluidssanering van woningen in
                                de periode 2010-2014, als genoemd in artikel 7e. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            </onderstreept><onderstreept>31</onderstreept><onderstreept>
                            Opheffing en liquidatie</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Deze gemeenschappelijke regeling kan op voorstel van het algemeen
                                bestuur worden opgeheven door een daartoe strekkend besluit van de
                                betrokken bestuursorganen van de deelnemers.</al></li><li nr="2."><al>Door het algemeen bestuur wordt een liquidatieplan opgesteld na alle
                                deelnemers te hebben geraadpleegd. </al></li><li nr="3."><al>Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot
                                deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het
                                liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft
                                voor het personeel. </al></li><li nr="4."><al> Toewijzing van personeel aan de deelnemers vindt plaats bij besluit
                                van het algemeen bestuur naar rato van afname. </al></li><li nr="5."><al>Bij de ontbinding van het lichaam in verband met opheffing van de
                                regeling of anderszins, blijft het lichaam voortbestaan voor zover
                                dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is. </al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel
                            3</onderstreept><onderstreept>2</onderstreept><onderstreept>
                            Archief</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden
                                overeenkomstig en volgens een door het algemeen bestuur vast te
                                stellen regeling ingevolge artikel 40 van de Archiefwet 1995. </al></li><li nr="2."><al>Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid van de
                                Archiefwet 1995 over te brengen archiefbestanden van de in deze
                                regeling genoemde bestuursorganen wordt een archiefbewaarplaats
                                aangewezen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            3</onderstreept><onderstreept>3</onderstreept><onderstreept>
                            Geschillen</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat een geschil wordt neergelegd bij Onze Minister van
                                Binnenlandse Zaken, wordt geprobeerd gezamenlijk tot overeenstemming
                                te komen. </al></li><li nr="2."><al>Wanneer niet tot overeenstemming kan worden gekomen, ook niet door
                                Onze Minister, zal het geschil worden voorgelegd aan
                                de bevoegde rechter. </al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            3</onderstreept><onderstreept>4</onderstreept><onderstreept>
                            Toetreding</onderstreept></al><al>Indien het algemeen bestuur daarmee instemt kan een gemeente, provincie,
                        waterschap, het Rijk toetreden krachtens daartoe strekkende besluiten van
                        haar daartoe bevoegde bestuursorganen. De deelneming gaat in met ingang van
                        een nader te bepalen datum, vastgesteld door het algemeen bestuur en het
                        orgaan van de deelnemer. </al><al><onderstreept>Artikel
                            3</onderstreept><onderstreept>5</onderstreept><onderstreept>
                            Uittreding</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Een deelnemer kan uit de regeling treden. Het algemeen bestuur
                                regelt na overleg met de betrokken gemeente of de provincie, onder
                                mededeling aan Gedeputeerde Staten en de minister van Binnenlandse
                                Zaken en Koninkrijksrelaties, de financiële verplichtingen, alsmede
                                de overige gevolgen van de uittreding. Daarbij brengt het algemeen
                                bestuur in elk geval de financiële consequenties van de uittreding
                                in beeld en draagt zij er zorg voor dat het openbaar lichaam een
                                redelijke periode krijgt om haar begroting en formatie in
                                overeenstemming te brengen met het nieuwe aantal deelnemers.
                                Verplichtingen die specifiek voor de uittredende gemeente zijn
                                aangegaan zullen daarbij in principe ook door die gemeente nagekomen
                                dienen te worden. </al></li><li nr="2."><al>Uittreden kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 januari van het
                                jaar, volgende op dat waarin de voor uittreding noodzakelijke
                                wijziging van de regeling in werking is getreden.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><onderstreept>Artikel
                            3</onderstreept><onderstreept>6</onderstreept><onderstreept>
                            Slotbepalingen </onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het algemeen bestuur beslist in alle gevallen waarin deze regeling
                                niet voorziet. </al></li><li nr="2."><al>Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd en wordt
                                uiterlijk drie jaar na inwerkingtreding geëvalueerd door middel van
                                een rapportage aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur
                                bepaalt zo nodig nadien een nieuw evaluatiemoment. </al></li><li nr="3."><al>Wijziging van deze regeling vindt op dezelfde wijze plaats als het
                                aangaan van de regeling overeenkomstig artikel 51, derde lid van de
                                Wet gemeenschappelijke regelingen.</al></li></lijst><al><onderstreept>Artikel
                            3</onderstreept><onderstreept>7</onderstreept><onderstreept>
                            Citeertitel</onderstreept></al><al>1.Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling
                        Omgevingsdienst Brabant Noord en treedt in werking d.d. 1 april 2013.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door: </ondertekening><ondertekening>Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant dd</ondertekening><ondertekening>Na verkregen toestemming van provinciale staten dd</ondertekening><ondertekening>De commissaris De secretaris</ondertekening><ondertekening>Het college van burgemeester en wethouders van….. dd</ondertekening><ondertekening>Na verkregen toestemming van de gemeenteraad van…….dd</ondertekening><ondertekening>De burgemeester De secretaris </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Gemeenschappelijke Regeling</vet></al><al><vet>Omgevingsdienst Brabant Noord (OBN)</vet></al><al><vet>1 april 2013</vet></al><al>Algemeen</al><al>De Omgevingsdienst Brabant Noord krijgt vorm door een gemeenschappelijke
                        regeling, een openbaar lichaam met rechtspersoonlijkheid, middelen en
                        personeel . In de gemeenschappelijke regeling wordt vastgelegd, dat minimaal
                        het landelijke basistakenpakket (versie 25 mei 2011) wordt ingebracht en dat
                        afspraken kunnen worden gemaakt over het inbrengen van verzoektaken. De
                        omgevingsdienst krijgt de voor haar opdracht benodigde middelen en mandaten
                        en voldoet operationeel aan de eisen die landelijk zijn gesteld. Het
                        openbaar lichaam wordt gevormd door 20 gemeenten en de provincie
                        Noord-Brabant.</al><al>De naam van de regeling wordt gewijzigd van Regionaal Milieubedrijf Brabant
                        Noordoost in Omgevingsdienst Brabant Noord. Met deze naamswijziging wordt
                        ook uitdrukking gegeven aan de wens van het Algemeen Bestuur om een
                        doorontwikkeling mogelijk te maken waarbij het takenpakket uit het
                        omgevingsrecht, en op het gebied van de fysieke leefomgeving, op verzoek van
                        een of meerdere gemeenten kan worden geleverd. Andere partners zoals de
                        waterschappen kunnen desgewenst toetreden tot de omgevingsdienst.. </al><al>De Brabantbrede afstemming wordt geborgd via het in te stellen Bestuurlijk
                        platform omgevingsrecht en het Openbaar Ministerie. Voor dit platform wordt
                        een apart convenant gesloten tussen de Brabantse omgevingsdiensten en de
                        provincie.</al><al>De gemeenschappelijke regeling krijgt vorm door de Meierij-gemeenten en de
                        provincie Noord-Brabant te laten toetreden tot de gemeenschappelijke
                        regeling Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost, waarin de landelijke
                        basistaken en eventueel aanvullende taken van gemeenten en provincie worden
                        ondergebracht. De gemeenteraden van de deelnemende gemeenten aan de
                        gemeenschappelijke regeling Regionaal Milieubedrijf besluiten om deze
                        regeling zodanig te wijzigen dat de provincie hiertoe kan toetreden. De
                        Meierij-gemeenten kunnen op basis van de huidige regeling toetreden, omdat
                        sprake is van een gemeenten-regeling. </al><al>In plaats van de bestaande gemeenschappelijke regeling in zijn geheel te
                        ontmantelen en hiervoor in de plaats een geheel nieuwe entiteit op te
                        richten, kan hetzelfde resultaat worden bewerkstelligd door de bestaande
                        gemeenschappelijke regeling om te bouwen en aan te passen waardoor als
                        gezegd een nieuwe regeling van gemeenten en provincie ontstaat. Een aantal
                        bestaande (verzoek)taken welke reeds voor gemeenten werden uitgevoerd door
                        het openbaar lichaam Regionaal Milieubedrijf zullen voor zover van
                        toepassing worden voortgezet onder de nieuwe regeling met eerbiediging van
                        bestaande regels, contracten en verplichtingen voor betrokken gemeenten. De
                        nieuwe regeling betreft een gemeenschappelijke regeling tussen colleges.
                        Gemeenteraden en Provinciale Staten moeten toestemming verlenen om deze aan
                        te gaan.</al><al>Relatie gemeenschappelijke regeling, dienstverleningsovereenkomsten en
                        werkprogramma’s</al><al>Er is bewust gekozen voor een gemeenschappelijke regeling, waarin de van
                        belang zijnde zaken in hoofdlijnen worden geregeld om te voorkomen, dat bij
                        veranderingen in de manier van werken van de omgevingsdienst telkenmale de
                        regeling moet worden aangepast. Ook heeft in dat verband de overweging, dat
                        met iedere individuele deelnemer apart bilaterale afspraken gemaakt moeten
                        kunnen worden, een rol van betekenis gespeeld om in de gemeenschappelijke
                        regeling niet alles in detail te regelen. Wel moet de tekst van de regeling
                        voldoende zijn om de rechten en verplichtingen van de deelnemers naar elkaar
                        toe tot zijn recht te laten komen. De kaderregeling, zoals die voorligt
                        voldoet aan dat criterium.</al><al>De bilaterale afspraken tussen omgevingsdienst en iedere individuele
                        deelnemer worden, zoals gezegd, vastgelegd in
                        dienstverleningsovereenkomsten, waarnaar in de regeling op diverse plaatsen
                        wordt verwezen. In deze overeenkomsten staan, meer in detail, de rechten en
                        verplichtingen van de omgevingsdienst en de deelnemers aan de regeling. Om
                        te voorkomen dat met iedere deelnemer afwijkende rechten en verplichtingen
                        worden afgesproken wordt een model-dienstverleningsovereenkomst opgesteld,
                        die door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.</al><al>Tot slot worden met iedere deelnemer jaarlijkse afspraken gemaakt over de
                        diensten die door de omgevingsdienst aan die deelnemer geleverd moeten
                        worden. Die afspraken worden vastgelegd in jaarlijkse werkprogramma’s. Op
                        die manier ontstaat een instrumentarium van globaal naar gedetailleerd. </al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><al>De tekst voorziet in twee besluiten. </al><al>In sub 1 wordt de bestaande gemeenschappelijke regeling Regionaal
                        Milieubedrijf Brabant-Noordoost gewijzigd. De artikelen I en II hebben
                        hierop betrekking. </al><al>In sub 2 wordt de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Brabant Noord
                        vastgesteld welke in de plaats treedt van de gemeenschappelijke regeling
                        Regionaal Milieubedrijf. Hierop zien de artikelen 1 t/m 37.</al><al><cursief>Sub 1</cursief></al><al><onderstreept>Artikel I:</onderstreept></al><al>De gemeenschappelijke regeling Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost is
                        een regeling tussen gemeenten. De provincie kan hiertoe niet zonder meer
                        toetreden. Ingevolge artikel 48 van de regeling kunnen de gemeenteraden
                        besluiten de regeling te wijzigen.</al><al>In artikel I besluiten de gemeenteraden van Bernheze, Boekel, Boxmeer,
                        Cuijk, Grave, Landerd, Maasdonk, Mill en Sint Hubert, Oss, Sint Anthonis,
                        Sint Oedenrode, Uden en Veghel, de gemeenschappelijke regeling Regionaal
                        Milieubedrijf zodanig te wijzigen dat naast gemeenten in het vervolg ook de
                        provincie Noord-Brabant en eventueel andere openbare lichamen kunnen
                        toetreden.</al><al><onderstreept>Artikel II:</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt het bestaande doel van de regeling gewijzigd. De
                        doelstelling lijkt op het eerste gezicht ‘ruim’ geformuleerd, maar sluit op
                        deze wijze optimaal aan bij de mogelijke taken en werkzaamheden die de
                        omgevingsdienst gaat verrichten. Het gaat om werkzaamheden op het terrein
                        van de fysieke leefomgeving. Dat wil zeggen dat milieutaken worden
                        uitgevoerd in het kader van de basistaken voor gemeenten, maar ook
                        Wabo-brede taken in het kader van de basistaken voor de provincie. De term
                        fysiek leefomgeving komt daaraan tegemoet. Ook kunnen Wabo-brede-taken als
                        verzoektaak voor gemeenten worden uitgevoerd. Kortom, de aanduiding ‘fysieke
                        leefomgeving’ sluit alle mogelijke werkzaamheden in zich. De omgevingsdienst
                        is een gemeenschappelijke regeling op publiekrechtelijke leest geschoeid en
                        in die zin verlengd lokaal en provinciaal bestuur. Alle opdrachtgevers zijn
                        mede-eigenaar en bestuurlijk vertegenwoordigd. Uiteindelijk worden de
                        werkzaamheden verricht met het oog op een ‘hoger’ gelegen doel en dat is een
                        bijdrage leveren aan een leefbare en veilige werk- en leefomgeving. </al><al> Er worden bij deze regeling geen bevoegdheden overgedragen aan de
                        gemeenschappelijke regeling. De autonomie blijft bij de opdrachtgevende
                        gemeenten en provincie. Er is sprake van een ‘beleidsarme’
                        uitvoeringsorganisatie. Wel zal de omgevingsdienst werken aan uniforme
                        uitvoeringskaders ten behoeve van vergunningverlening, toezicht en
                        handhaving.</al><al><cursief>Sub 2</cursief></al><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al><onderstreept>Artikel 2:</onderstreept></al><al>In het derde lid is de doelstelling van het openbaar lichaam beschreven. Zie
                        hiervoor.</al><al>Hoofdstuk 2 Taken en bevoegdheden</al><al><onderstreept>Artikel 3:</onderstreept></al><al>Het Landelijk Basistakenpakket is momenteel het resultaat van het overleg
                        van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, het IPO en de VNG. Verwacht
                        wordt dat dit takenpakket in de komende tijd nog aan wijziging onderhevig
                        zal zijn, het zij op basis van aanvullende bestuursakkoorden (package deal),
                        hetzij op basis van nieuwe wetgeving. Het is erg onpraktisch om telkenmale
                        wijziging van regeling aan de deelnemers voor te leggen, zeker als ter zake
                        geen beleidsvrijheid bestaat. Gekozen is voor de werkwijze om het
                        basistakenpakket inhoudelijk te vermelden in bijlage 1. Aanpassing van deze
                        bijlage geschiedt als daar aanleiding toe is door het algemeen bestuur
                        waarin alle deelnemers vertegenwoordigd zijn. In de jaarlijkse begroting zal
                        door het algemeen bestuur aan de deelnemers melding gedaan worden van de
                        actuele omvang van het landelijk basispakket. In de op jaarbasis per
                        deelnemer af te sluiten dvo zal inzichtelijk gemaakt worden wat hiervan voor
                        de betreffende deelnemer de gevolgen zijn.</al><al>De basistaken in artikel 3 worden in de regeling aangeduid met de term
                        Landelijke Basistaken om duidelijk te maken dat deze taken voortvloeien uit
                        het akkoord tussen Rijk, IPO, VNG (package deal). Dit is het juridisch kader
                        voor het verplichte basistakenpakket. Over de basistaken kan op die wijze
                        geen discussie bestaan.</al><al>Hiermee wordt tevens voorkomen dat er verwarring ontstaat over de situatie
                        dat deelnemers taken die niet tot de package deal (en dus tot het Landelijk
                        Basistakenpakket) behoren, en deze wel als verzoektaak structureel willen
                        inbrengen, als basistaak zouden willen aanmerken. Dit zijn geen basistaken.
                        Een en ander kan los worden gezien van de vraag op welke wijze vanuit
                        bedrijfsvoeringsoogpunt met structureel geborgde verzoektaken in de
                        exploitatiebegroting wordt omgegaan. </al><al>In het tweede lid wordt rekening gehouden met de situatie dat het Landelijk
                        Basistakenpakket in de toekomst kan wijzigen. Deze wijziging kan wettelijk
                        worden geregeld of in onderling overleg worden bewerkstelligd (zoals de
                        package deal). Om dan niet de regeling te hoeven wijzigen, is in dit artikel
                        de flexibiliteit ingebouwd dat het algemeen bestuur de omschrijving in een
                        bijlage bij deze regeling dienovereenkomstig aanpast. </al><al>In het derde lid wordt gesteld dat tot het Landelijk Basistakenpakket ook de
                        taken behoren die nodig zijn om een vergunning te kunnen maken. Gedacht kan
                        worden aan bijvoorbeeld de beoordeling van een bijgevoegd geluidrapport,
                        luchtrapport, geurrapport, veiligheidsonderzoek, bodemonderzoek of
                        MER-(beoordelings)rapport. Ook in het kader van toezicht of de follow-up van
                        een vergunning worden rapporten beoordeeld. Ook deze werkzaamheden behoren
                        tot het Landelijk Basistakenpakket. De provincie voert specialistische
                        werkzaamheden uit op alle milieubelastende thema’s en compartimenten ten
                        behoeve van het VTH-domein. </al><al> Een deel van deze werkzaamheden wordt voor gemeenten ook reeds uitgevoerd
                        door de afdeling TABC van het Regionaal Milieubedrijf. Deze vallen voor een
                        deel onder het Landelijk Basistakenpakket en zullen derhalve eveneens
                        verplicht deel gaan uitmaken van de taken van de omgevingsdienst. Voor het
                        deel van de werkzaamheden dat niet onder het Landelijk Basistakenpakket
                        valt, kunnen voor zover van toepassing de werkzaamheden van de provincie en
                        de afdeling TABC als vrijwillige verzoektaken worden beschouwd. Verwezen
                        wordt hiervoor naar de toelichting op artikel 4, tweede lid. </al><al><onderstreept>Artikel 4:</onderstreept></al><al>Het eerste lid regelt dat naast het Landelijk Basistakenpakket de
                        omgevingsdienst ook taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en
                        handhaving (VTH) die hier niet toe behoren kan verrichten op verzoek van een
                        of meer deelnemers. Voorbeelden hiervan zijn de meest eenvoudige
                        inrichtingen (meldingsplichtige-, mededelingsplichtige inrichtingen). Andere
                        voorbeelden zijn de Wabo-vergunningen waarvoor de gemeenten bevoegd gezag
                        zijn anders dan de voormalige vergunningen ingevolge de Wet milieubeheer
                        (bouwvergunningen, reclamevergunningen, inritvergunningen, kapvergunningen,
                        sloopvergunningen). </al><al>Onder de werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid vallen onder meer
                        adviserende en ondersteunende taken op het gebied van de fysieke
                        leefomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan het verrichten van allerlei
                        milieuonderzoeken ten behoeve van planvorming en bestemmingsplannen in
                        gemeenten (gemeentelijke initiatieven). </al><al>In het bijzonder is voor uitvoering van VTH-taken specialistische kennis
                        nodig op het gebied van juridische vraagstukken en procedures, fijn stof,
                        geur, bodem, geluid, lucht, archeologie, externe veiligheid, ruimtelijke
                        ordening, energie, afval, communicatie, water, e.d. Deze kennis is ook
                        noodzakelijk voor een integrale aanpak van complexe vraagstukken op het
                        gebied van de fysieke leefomgeving. Overheden worden daar steeds vaker mee
                        geconfronteerd.</al><al>De afdeling TABC van het Regionaal Milieubedrijf is gericht op ondersteuning
                        van gemeenten in het cyclische proces van ontwikkelingen in de fysieke
                        leefomgeving: van aanleiding, idee en planvorming tot en met uitvoering,
                        beheer en onderhoud, van waaruit het weer kan overgaan in het begin van een
                        nieuwe cyclus. De werkzaamheden van de omgevingsdienst passen in de
                        procescyclus van een ontwikkeling in de fysieke leefomgeving. Zij hebben
                        betrekking op advisering over vergunningverlening, handhaving en toezicht en
                        vormen zo een onderdeel van de fase van uitvoering en beheer.</al><al><onderstreept>Artikel 5:</onderstreept></al><al>Bekend is dat er deelnemers overwegen om meer dan het Landelijk
                        Basistakenpakket onder te brengen bij de omgevingsdienst. Dat geldt
                        bijvoorbeeld voor de provincie voor wat betreft de handhaving Wabo-breed.
                        Deze taken vallen binnen het VTH-domein, maar kunnen ook daarbuiten vallen.
                        De afspraken worden vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst (DVO) die
                        jaarlijks wordt geactualiseerd. In financieel opzicht geldt dat er door het
                        omgevingsdienst drie afzonderlijke programmabegrotingen worden bijgehouden:
                        een voor de taken als bedoeld in artikel 3, een voor de taken als bedoeld in
                        artikel 4 en een voor de bestaande taken Regionaal Milieubedrijf Noordoost
                        (zie Hoofdstuk 2A).</al><al>Artikel 5, tweede lid, regelt de grondslag voor beëindiging van verzoektaken
                        in de dienstverleningsovereenkomst. In dezelfde contracten waarin
                        werkafspraken worden gemaakt over de uitvoering van taken, worden ten
                        aanzien van de verzoektaken afspraken gemaakt over de financiële afwikkeling
                        indien een deelnemer een verzoektaak beëindigt. De wijze waarop dit
                        geschiedt, wordt niet ‘dichtgeregeld’ in de GR zelf. Het kan hierbij gaan om
                        structurele verzoektaken (die bijvoorbeeld langer dan 3 jaar worden
                        uitgevoerd) of kortlopende (maximaal 1 jaar) c.q. incidentele verzoektaken. </al><al> De financiële consequenties worden in de dienstverleningsovereenkomst met
                        de deelnemer geregeld. Het algemeen bestuur zal zo spoedig mogelijk na
                        inwerkingtreding van de GR een model-dienstverleningsovereenkomst
                        vaststellen waarin onder andere de financiële afwikkeling van de beëindiging
                        van verzoektaken uniform wordt geregeld.</al><al><onderstreept>Artikel 6:</onderstreept></al><al>Hier zijn bedoeld de incidentele opdrachten, die niet worden vastgelegd in
                        een jaarlijkse dvo. Denkbaar is dat het omgevingsdienst werkzaamheden
                        verricht voor een andere uitvoeringsdienst als er sprake is van
                        specialisatie of tijdelijke bezettingsproblemen. Denkbaar is ook dat niet
                        deelnemende gemeenten of provincies ad hoc taken wegleggen bij het
                        omgevingsdienst.</al><al>Het uitvoeren van deze opdrachten kan ondersteunend werken voor de
                        bedrijfsvoering. Geregeld wordt dat het algemeen bestuur uit hoofde van de
                        budgetverantwoordelijkheid aard en omvang van de externe dienstverlening
                        jaarlijks bepaald.</al><al>De omvang van deze werkzaamheden voor derden mag op grond van Europese
                        regelgeving niet meer bedragen dan 10%. Het algemeen bestuur zal een
                        “governance document protocol” vaststellen waarin het kader en de reikwijdte
                        van de werkzaamheden voor derden worden beschreven. </al><al>Hoofdstuk 2A Eerbiediging bestaande taken Regionaal Milieubedrijf Brabant
                        Noordoost</al><al><onderstreept>Artikel 7:</onderstreept></al><al>Dit artikel komt voort uit de gemeenschappelijke regeling Regionaal
                        Milieubedrijf en regelt de eerbiediging van bestaande taken. Na
                        inwerkingtreding van de nieuwe gemeenschappelijke regeling zal deze in de
                        plaats treden van de bestaande regeling. </al><al>Een aantal bestaande taken welke reeds voor gemeenten werden uitgevoerd door
                        het openbaar lichaam Regionaal Milieubedrijf zullen voor zover van
                        toepassing worden voortgezet onder de nieuwe regeling met eerbiediging van
                        bestaande regels, contracten en verplichtingen voor betrokken gemeenten. Ook
                        de beëindiging, uittreding en/of opheffing terzake geschiedt onder
                        eerbiediging van bestaande regels, contracten en verplichtingen voor
                        betrokken gemeenten.</al><al>Het gaat om een aantal nader te noemen bestaande taken die uitsluitend de
                        gemeenten aangaat. Hiermee worden deze taken ‘losgetrokken’ van de andere
                        taken in het domein van het omgevingsrecht, in het bijzonder de VTH-taken
                        die de omgevingsdienst onder de paraplu van de Omgevingsdienst Brabant-Noord
                        uitvoert (zie artikel 3 en 4). De taken worden eveneens losgetrokken van de
                        bemoeienis en verantwoordelijkheid van de provincie die het niet aangaat. </al><al><onderstreept>Artikel 7a tot en met 7e:</onderstreept></al><al>De taak ‘ontwikkeling, afstemming en coördinatie van milieubeleid’
                        uitgezonderd, gaat het om bestaande verzoektaken. Genoemd worden
                        achtereenvolgens afvalverwerking, volkshuisvesting, afvalinzameling en
                        sanering verkeerslawaai. </al><al>In artikel 30A is de eerbiedigende werking van de vergoeding van deze
                        bestaande (verzoek)taken geregeld. De systematiek van bekostiging is
                        afkomstig uit de gemeenschappelijke regeling Regionaal Milieubedrijf. </al><al>Hoofdstuk 3 Bestuursorganen</al><al><onderstreept>Artikel 9, derde lid:</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 13 lid 9 juncto artikel 52 Wet gemeenschappelijke
                        regelingen wordt de voorzitter door en uit het algemeen bestuur aangewezen.
                        De voorzitter heeft stemrecht in het algemeen en dagelijks bestuur.
                        Verantwoordelijk voor de keuze van de voorzitter is het algemeen bestuur. </al><al> Het is wenselijk dat de te kiezen voorzitter voldoende beschikbaar is om te
                        fungeren als aanspreekpunt voor de directeur en om leiding te geven aan een
                        goed verloop van de bestuurlijke besluitvormingsprocessen binnen het
                        openbaar lichaam. Het algemeen bestuur wijst ook een plaatsvervangend
                        voorzitter aan.</al><al><onderstreept>Artikel 10:</onderstreept></al><al>Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde
                        vast. Ingevolge het tweede lid vergadert het algemeen bestuur minimaal twee
                        maal per jaar. Indien de intensiteit als te laag wordt ervaren, kan het
                        algemeen bestuur bepalen vaker te vergaderen.</al><al><onderstreept>Artikel 12:</onderstreept></al><al>Het algemeen bestuur heeft in een tweede vergadering nadat in een eerste
                        vergadering het vereiste quorum voor besluitvorming niet aanwezig is
                        dezelfde bevoegdheden als een bestuur dat wel aan het quorumvereiste
                        voldoet. De Provinciewet is geen belemmering voor de regeling zoals
                        geformuleerd in artikel 11. In artikel 20, lid 1 van de Provinciewet staat:
                        “De vergadering van provinciale staten wordt niet geopend voordat blijkens
                        de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden
                        tegenwoordig is.” Vervolgens staat in het tweede lid: “Indien ingevolge het
                        eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de commissaris van
                        de Koning, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen
                        een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de
                        oproeping is gelegen.” In het derde lid van artikel 20 staat dan: “Op de
                        vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van
                        toepassing. Provinciale staten kunnen echter over andere aangelegenheden dan
                        die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was
                        belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst
                        meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig
                        is.”Kortom: voor de tweede vergadering is men vrij zaken te regelen, als
                        maar wordt voorkomen, dat er besluiten genomen worden over zaken die in de
                        eerste vergadering niet aan de orde waren.</al><al><onderstreept>Artikel 13, derde en vierde lid:</onderstreept></al><al>In bestaande gemeenschappelijke regelingen zien we zowel
                        “one-man-one-vote”-constructies als gewogen stemverhoudingen terugkomen. In
                        de DCMR (uitvoeringsdienst Rijnmond) hebben de provincie Zuid-Holland en de
                        gemeente Rotterdam ieder 37,5% van de stemmen en de overige gemeenten samen
                        25%. De huidige Regionale Milieudienst West-Brabant kent het principe van
                        “one-man-one-vote”. Het Regionaal Milieubedrijf Brabant-Noordoost kent
                        eveneens het principe van “one-man-one-vote”. De SRE waarvan de milieudienst
                        SRE deel uitmaakt kent wel een principe van gewogen stemverhouding. </al><al>Vraag is of er in absolute zin een gewogen balans moet zijn tussen
                        stemverhouding en financiële risico’s die deelnemers lopen en of het belang
                        van deelnemers die veel taken door de uitvoeringsdienst laten verrichten, en
                        dus veel financiële inbreng hebben, ook anderszins goed geborgd kan worden.
                        “One-man-one-vote” gaat uit van een bestuurscultuur op basis van vertrouwen
                        en enige gelijkwaardigheid in inbreng. Dit principe komt in beginsel
                        onvoldoende tegemoet aan de inbreng en financiële belangen/risico’s van de
                        grote deelnemers.</al><al>Anderzijds, het feit dat het financieel belang van een kleine deelnemer in
                        de omgevingsdienst vanuit eigen perspectief (lees: als percentage van de
                        begroting van de eigen organisatie) net zo groot is als het belang van een
                        grote deelnemer rechtvaardigt het zo simpel mogelijk houden van de
                        stemverhouding: geen weging van stemverhoudingen, maar “one man one vote”.
                        Randvoorwaarde hierbij is dan wel dat financiële belangen van grote
                        deelnemers (in absolute zin) worden gewaarborgd.</al><al>Het derde lid geeft een tussenoplossing, het goede van twee werelden. De
                        praktijk in gemeenschappelijke regelingen leert dat het in het Algemeen
                        Bestuur primair gaat over de koers van de organisatie en daarbij behorende
                        impact op begroting, begrotingswijzigingen en jaarrekening. De gewenste
                        zeggenschap focust zich bij uitstek hierop. De belangen van de deelnemers en
                        het beginsel van vertrouwen als basis van de samenwerking komen gelijkelijk
                        tot uitdrukking door iedere deelnemer één stem toe te delen. Door ten
                        aanzien van begrotingsbesluiten en jaarrekening een voorwaarde te stellen
                        dat de meerderheid van stemmen overeenkomt met ten minste de helft van de
                        omzet wordt voorkomen dat deelnemers met grote financiële inbreng bij het
                        minste of geringste ‘overruled’ zouden kunnen worden. De zeggenschap en het
                        belang van de deelnemers die een hoge omzet genereren, wordt hiermee
                        (collectief) geborgd zonder afbreuk te doen aan de betrokkenheid en
                        zeggenschap die kleine deelnemers ook toekomt in de vorm van “one man one
                        vote”. </al><al>Idee is om de omzet als criterium te hanteren voor de zeggenschap over
                        financiële besluitvorming. Inwonertal is geen goede maatstaf vanwege het
                        feit dat een gemeente met veel inwoners niet gelijk is aan een deelnemer met
                        veel taakinbreng in de omgevingsdienst. Bovendien is inwonertal niet
                        bruikbaar in gemeenschappelijke regelingen met de provincie.</al><al>In het vierde lid wordt de omzet bepaald op basis van basistaken en
                        verzoektaken. In beginsel zou alleen het landelijk basistakenpakket kunnen
                        worden gehanteerd om de omzet te bepalen, omdat hierin het verplichtende
                        karakter zit. Dat lijkt ook logisch, omdat de andere taken (verzoektaken)
                        aanvullend en vrijwillig zijn en alleen mogen worden uitgevoerd als deze de
                        wettelijke taakuitvoering niet verstoren. Het is logisch dat de afnemers van
                        de ‘basistaken’ deze afweging maken.</al><al>Anderzijds is er een aantal deelnemers dat de verzoektaken (geheel of
                        gedeeltelijk) structureel zal inbrengen. Hieraan zou niet voorbijgegaan
                        mogen worden. Door uit te gaan van basistaken én verzoektaken ter bepaling
                        van de omzet worden gemeenten in de verleiding gebracht om verzoektaken bij
                        de omgevingsdienst onder te brengen zodat een robuuste organisatie wordt
                        gebouwd met voldoende deskundigheid. Deelnemers worden uitgenodigd zoveel
                        mogelijk taken in te brengen in plaats van voorheen werkzaamheden uit te
                        besteden aan adviesbureaus. Voorkomen moet worden dat gemeenten het idee
                        hebben dat zij hierdoor ‘gedwongen’ worden meer verzoektaken in te brengen
                        om zeggenschap te hebben. Dit is niet het geval.</al><al><onderstreept>Artikel 13, vijfde lid:</onderstreept></al><al>Dit artikel komt voort uit de gemeenschappelijke regeling Regionaal
                        Milieubedrijf en borgt dat alleen deelnemers stemmen over voorstellen indien
                        het hen aangaat. Tevens vindt besluitvorming over de bestaande
                        (verzoek)taken uitsluitend plaats op basis van het principe “one man one
                        vote”. De leden 3 en 4 van dit artikel zijn niet van toepassing.</al><al>Ter verduidelijking: hier is de scheiding tussen VTH-taken (RUD-taken) en
                        oude RMB-taken geregeld waar het de wijze van besluitvorming betreft. Bij
                        besluitvorming over oude RMB-taken hebben alleen die partijen stemrecht die
                        daaraan deelnemen. Dus niet de provincie en niet de Meierij-gemeenten. Over
                        de oude RMB-taken beslissen de deelnemers die het wel aangaat conform het
                        tweede lid van artikel 13 bij meerderheid van stemmen, zoals ook het geval
                        was in de oude RMB-regeling .</al><al><onderstreept>Artikel 14:</onderstreept></al><al>Artikel 14 eerste lid is een letterlijke vertaling van artikel 17 Wet
                        gemeenschappelijke regelingen (Wgr). Artikel 14, tweede en derde lid, zijn
                        een vertaling van het bepaalde in artikel 18 en 19 Wet gemeenschappelijke
                        regelingen, waarbij een relatie gelegd wordt naar artikel 16 Wet
                        gemeenschappelijke regelingen dat betrekking heeft op raadsregelingen
                        (amendement van der Burgt bij aanpassing van de Wgr). </al><al> Artikel 18 Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt dat artikel 16 van de
                        wet overeenkomstig van toepassing is op regelingen die uitsluitend getroffen
                        zijn door colleges van burgemeester en wethouders. </al><al>In artikel 19 is expliciet de verantwoordingsrelatie geregeld van het lid
                        van het algemeen bestuur met betrekking tot het verstrekken van inlichtingen
                        aan de raad van de gemeente waar het lid van het algemeen bestuur zitting
                        heeft in het college van burgemeester en wethouders (zie artikel 14 tweede
                        lid)</al><al>In artikel 14, derde lid, is de individuele verantwoordingsplicht geregeld
                        van een lid van het algemeen bestuur aan het college, dat hen heeft
                        aangewezen (artikel 18 juncto artikel 16 Wet gemeenschappelijke regelingen).
                        Dat college kan het door hen aangewezen lid van het algemeen bestuur ook
                        ontslaan wegens gebrek aan vertrouwen. </al><al><onderstreept>Artikel 15:</onderstreept></al><al>Het dagelijks bestuur bestaat uit 5 leden waaronder de voorzitter. </al><al>Het gaat hier om de bestuurlijke invulling van de ‘eigenaarrol’ van de
                        omgevingsdienst. Hiervan wordt onderscheiden de ‘opdrachtgeverrol’ welke
                        meer het individuele belang van de deelnemers behelst en tot uitdrukking
                        komt in de afzonderlijke DVO’s. Een evenwichtige samenstelling van het
                        dagelijks bestuur, leidt tot voldoende representativiteit van de deelnemers.
                        Deze samenstelling is op basis van het principe “gelijkwaardigheid”, zonder
                        door te schieten naar “belangenbehartiging”. De provincie is in alle
                        gevallen lid van het dagelijks bestuur, gezien de zwaarte van het
                        ingebrachte takenpakket en de solopositie van de provincie als
                        middenbestuurslaag ten opzichte van de gemeenten. </al><al><onderstreept>Artikel 17:</onderstreept></al><al>Het Dagelijks Bestuur is een collegiaal bestuur. Het ligt in de rede daarin
                        dan niet te werken met gewogen stemverhouding, maar voor de optie “one man
                        one vote” te kiezen.</al><al><onderstreept>Artikel 21:</onderstreept></al><al>De bevoegdheid om commissies in het leven te roepen is hier gegeven. Het is
                        aan het algemeen bestuur om na aantreden te bezien of het wenselijk is te
                        gaan werken met een of meer bestuurs- en/of adviescommissies. Enige
                        terughoudendheid lijkt op zijn plaats in verband met het streven om
                        bestuurlijke drukte te voorkomen. Met het oog op specifiek te behartigen
                        belangen (voor een aantal deelnemers) is een commissie ingesteld voor:</al><al>-de afvalinzameling in het Land van Cuijk en Boekel. </al><al>Van toepassing hierop is de Verordening op de bestuurscommissie
                        afvalinzameling Land van Cuijk en Boekel, vastgesteld op 1 juli 1999 door
                        het Algemeen Bestuur van het Regionaal Milieubedrijf. Hetgeen hierin is
                        geregeld en/of hieruit voortvloeit, valt onder de eerbiedigende werking van
                        artikel 7 van deze regeling. </al><al>Ten aanzien van het vraagstuk of alle oude RMB-taken in een
                        bestuurscommissie zouden kunnen worden ondergebracht zij vermeld dat het
                        Algemeen Bestuur van de onderhavige (nieuwe) regeling de bevoegdheid heeft
                        een bestuurscommissie in het leven te roepen. Deze bevoegdheid is geregeld
                        in deze regeling en de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een
                        bestuurscommissie voor oude RMB-taken is hiermee in beginsel dus mogelijk. </al><al>Hoofdstuk 4 Bevoegdheden</al><al><onderstreept>Artikel 22:</onderstreept></al><al>De benadering in dit artikel is dat het Algemeen Bestuur alle bevoegdheden
                        heeft die niet aan de andere bestuursorganen toekomen. Het Algemeen Bestuur
                        kan voorts alle bevoegdheden overdragen, behoudens die bevoegdheden waarvan
                        dat wettelijk niet is toegestaan. Deze worden in het tweede lid onder a t/m
                        c genoemd. </al><al><onderstreept>Artikel 23:</onderstreept></al><al>Dit artikel gaat over de (eigen) bevoegdheden van het openbaar lichaam. Sub
                        f van dit artikel bijvoorbeeld beoogt dus niet het namens deelnemende
                        bestuursorganen voeren van juridische procedures. </al><al>Hoofdstuk 5 Organisatiebepalingen</al><al><onderstreept>Artikel 23A:</onderstreept></al><al>Al bij de totstandkoming van de afspraken in “Brabants Bont” is gesignaleerd
                        dat een aantal zaken om bovenregionale aandacht vraagt. Deze bovenregionale
                        afstemming krijgt vorm in dit platform van bestuurders. Het ligt niet voor
                        de hand om het platform in deze regeling of in de gemeenschappelijke
                        regeling van de Omgevingsdienst Brabant-Noord op te nemen. Het platform
                        heeft een reikwijdte die verder gaat dan de omgevingsdienst. Voor het
                        platform wordt een apart bestuursconvenant tussen betrokken partijen
                        ingesteld. Het platform zelf kan dus niet bij deze regeling worden
                        ingesteld. Wat wel in deze regeling kan worden verduidelijkt, is dat de
                        Omgevingsdienst Brabant Noord deelneemt aan dit platform. De voorzitter van
                        het algemeen bestuur van het gemeenschappelijk orgaan van deze
                        omgevingsdienst neemt, samen met de voorzitters van de algemene besturen van
                        de andere omgevingsdiensten, deel aan het platform. </al><al>Het bestuurlijk platform omgevingsrecht zal tot doel hebben gezamenlijk de
                        aanpak van Brabantbrede en regio-overstijgende zaken te bepalen en
                        provinciebreed afstemming te regelen. Met bepalen wordt bedoeld dat in het
                        platform gezamenlijk de agenda wordt gevormd om welke Brabantbrede en
                        regio-overstijgende zaken het gaat. De besluitvorming hierover wordt
                        voorgelegd aan en vindt plaats in het algemeen bestuur van de individuele
                        omgevingsdienst. De werkwijze van het platform wordt geregeld in een
                        bestuursconvenant. Het convenant zal worden gesloten zo spoedig mogelijk na
                        inwerkingtreding van deze regeling. </al><al><onderstreept>Artikel 24:</onderstreept></al><al>Vastgelegd is dat de omgevingsdienst onder leiding staat van een directeur.
                        In artikel 25 is neergelegd dat de directeur tevens fungeert als secretaris
                        van de regeling. In het vierde lid van artikel 24 is neergelegd dat het
                        dagelijks bestuur de hoofdstructuur van de organisatie, de directie, de
                        taken, de bevoegdheden en de werkwijze van de ambtelijke organisatie
                        vastlegt. Hierin zal worden geregeld wie als vervanger van de directeur
                        optreedt en uit dien hoofde ook fungeert als loco secretaris van de
                        regeling.</al><al><onderstreept>Artikel 26, derde lid:</onderstreept></al><al>Het dagelijks bestuur beslist op basis van dit lid eveneens over de overige
                        arbeidsvoorwaarden. Hieronder valt – naast de Collectieve
                        Arbeidsvoorwaardenregeling genoemd in het tweede lid – de
                        Uitwerkingsovereenkomst voor het gemeentepersoneel (CAR-UWO), zoals deze nu
                        luidt en in de toekomst zal luiden. Terzake van de onderwerpen waartoe de
                        CAR/UWO opdracht geeft tot of ruimte biedt voor eigen regelingen kan het
                        dagelijks bestuur met toepassing van het overeenstemmingsvereiste met de
                        commissie voor het Georganiseerd Overleg dan wel met toepassing van het
                        instemmingsrecht van de Ondernemingsraad deze regelingen vaststellen.</al><al>Hoofdstuk 6 Financiën</al><al><onderstreept>Artikel 27:</onderstreept></al><al>Het systeem van financiële verantwoording en- beheer zal worden uitgewerkt
                        in een Financiële verordening, waarvoor de grondslag is gelegd in de
                        Gemeentewet en Provinciewet en artikel 27, eerste lid van deze
                        regeling.</al><al>Op dit moment hebben de gemeenten hun werkprogramma nog niet definitief
                        opgesteld. Derhalve kan niet goed duidelijk zijn welke bijdrage een gemeente
                        verschuldigd is. Wel is mogelijk een wat grovere primitieve begroting op te
                        stellen waarin de relevante ontwikkelingen zijn doorgerekend en waarmee
                        rekening is gehouden met ingeschatte loon- en prijsontwikkeling. Dit kan
                        geschieden via het reguliere begrotingsproces. Een exacte begroting kan dan
                        bij begrotingswijziging (zie artikel 28) worden vastgesteld.</al><al><onderstreept>Artikel 28:</onderstreept></al><al>De uitgebreide inspraakprocedure is niet van toepassing als het gaat om
                        ‘verschuivingen’ binnen de begroting waarbij de vermogenspositie van de
                        uitvoeringsdienst en/of de financiële bijdragen van de deelnemers niet
                        wijzigen.</al><al><onderstreept>Artikel 29:</onderstreept></al><al>Hoewel er aan de deelnemers van de gemeenschappelijke regeling Regionaal
                        Milieubedrijf in het verleden nooit een extra bijdrage is verwerkt, hangen
                        aan de uitvoering van taken door het uitvoeringstation financiële risico’s
                        die moeten worden afgedekt door de deelnemers. De risico’s hangen samen met
                        de aard van de taken alsmede de wens van deelnemers om uitsluitend
                        basistaken dan wel eveneens verzoektaken op vrijwillige basis in de
                        omgevingsdienst in te brengen. Deze omstandigheid in aanmerking genomen en
                        het feit dat de provincie niet aan alle taken deelneemt, is het goed om de
                        risicoverdeling (lees: aandeelhouderschap) tegen het licht te houden.</al><al>De omgevingsdienst kent een drietal taakgebieden. </al><lijst><li nr="1."><al>Landelijke basistaken</al></li><li nr="2."><al>Verzoektaken</al></li><li nr="3."><al>Bestaande (verzoek)taken</al></li></lijst><al>De taken zullen in de begroting van de omgevingsdienst ieder afzonderlijk
                        begrotingstechnisch worden aangeduid. Voor wat betreft de taken onder 1 en
                        onder 2 wordt het aandeel van de deelnemers gebaseerd op basis van het
                        contractvolume van de deelnemers waarbij een onderscheid wordt gemaakt
                        tussen het basistakenpakket en verzoektaken. De omgevingsdienst zal in de
                        bedrijfsvoering inzichtelijk maken welke taken worden uitgevoerd als
                        basistaken en welke taken als afzonderlijke verzoektaken worden
                        aangeboden.</al><al>De ratio hierachter is dat deelnemers die alleen basistaken willen
                        inbrengen, hebben aangegeven geen verantwoordelijkheid te willen dragen voor
                        de kosten die samenhangen met verzoektaken. Om dit te kunnen
                        bewerkstelligen, dient de begroting te worden onderverdeeld in twee
                        programma’s. Een programma voor de basistaken. Deze zijn verplicht voor
                        iedere deelnemer. En een programma voor verzoektaken. De risico’s hiervan
                        worden uitgaande van een robuuste organisatie en gedegen bedrijfsvoering
                        eveneens beperkt geacht en gedragen door de deelnemers die verzoektaken
                        inbrengen. Met andere woorden de deelnemers die geen verzoektaken inbrengen,
                        dragen hiervoor geen financiële verantwoordelijkheid (zie ook artikel 30,
                        lid 4).</al><al>Artikel 29, lid 4, geeft de bepaling weer over afdekking van een nadelig
                        exploitatiesaldo. Volgens dit lid kan dat op twee manieren: Door af te
                        boeken van de reserves, dan wel ten laste te brengen van de deelnemers naar
                        rato van ieders afname (=omzet) in het jaar waarop de jaarrekening
                        betrekking heeft. Lid 5 bevat een bepaling over de bestemming van een
                        positief exploitatiesaldo: Door toe te voegen aan de reserve dan wel uit te
                        keren naar rato van ieders afname (=omzet) in het jaar waarop de
                        jaarrekening betrekking heeft. De wijze waarop reserves worden gevormd en
                        tot welke hoogte behoeft wel nadere regeling, echter niet in de tekst van
                        deze gemeenschappelijke regeling, maar kan elders door de deelnemers worden
                        bepaald. </al><al>De taken onder 3 – de bestaande (verzoek)taken – worden van de
                        eerdergenoemde taken budgettair ‘losgetrokken’. De provincie en de
                        Meierij-gemeenten nemen hieraan niet deel en lopen financieel geen risico.
                        Artikel 30A inzake ‘eerbiediging vergoeding bestaande (verzoek)taken’ is
                        hierop van toepassing. </al><al>Het is met deze toelichting niet noodzakelijk het bestaan van drie
                        programma’s in de begroting in de tekst van de regeling zelf op te nemen. In
                        de regeling wordt gesproken van dé begroting. In combinatie met het vast te
                        stellen bedrijfsplan en deze toelichting is voldoende duidelijk dat de
                        begroting bestaat uit meerdere onderdelen. Indien hierover de inzichten
                        veranderen, zou de regeling weer moeten worden aangepast, hetgeen niet
                        wenselijk is. De systematiek van het werken met drie programma’s in de
                        begroting kan zo nodig nader worden ingevuld in de Financiële verordening op
                        basis van artikel 27, lid 1, door het Algemeen Bestuur.</al><al><onderstreept>Artikel 30:</onderstreept></al><al>Dit artikel geeft globale kaders voor de wijze waarop de kosten voor
                        geleverde diensten worden bepaald. De specifieke invulling en verplichtingen
                        op het niveau van de werkprogramma’s vloeien voort uit de
                        dienstverleningsovereenkomsten.</al><al>Artikel 30, lid 4 maakt duidelijk dat indien gemeenten bij te dragen hebben
                        aan een nadelig exploitatiesaldo, of een uitkering te ontvangen op basis van
                        een voordelig exploitatiesaldo, dit enkel betrekking heeft op de taken voor
                        zover het hen aangaat. Basistaken worden afgerekend in het kader van de
                        begroting van basistaken; verzoektaken worden afgerekend in het kader van de
                        begroting van verzoektaken. Indien een deelnemer geen verzoektaken bij de
                        omgevingsdienst neerlegt, draagt de deelnemer hiervoor geen financiële
                        gevolgen.</al><al><onderstreept>Artikel 30A:</onderstreept></al><al>In dit artikel is de eerbiedigende werking van de vergoeding van bestaande
                        taken als genoemd in Hoofdstuk 2A geregeld. De systematiek van bekostiging
                        is afkomstig uit de gemeenschappelijke regeling Regionaal Milieubedrijf. </al><al>Deze taken worden begrotingstechnisch ‘losgetrokken’ van de andere taken in
                        het domein van het omgevingsrecht, in het bijzonder de VTH-taken die de
                        omgevingsdienst uitvoert. De taken worden eveneens losgetrokken van de
                        bemoeienis en financiële verantwoordelijkheid van de provincie en de
                        Meierij-gemeenten die het niet aangaan. Zie ook de toelichting op artikel
                        29. </al><al> Het betreft de volgende taken, genoemd in artikel 7 tot en met 7e:</al><al>a.Ontwikkeling, afstemming en coördinatie milieubeleid/regionaal
                        samenwerkingsbudget (voormalige type-1 taken). Deze taak wordt gefinancierd
                        met een bijdrage per inwoner. De aandeelverhouding met betrekking tot dit
                        samenwerkingsbudget worden gebaseerd op basis van de jaarlijkse bijdrage.
                        Mocht de provincie of andere gemeenten wellicht op enig moment ook willen
                        deelnemen aan deze taak, dan kan met deze verdeelsleutel ook het aandeel van
                        de provincie op eenvoudige wijze worden berekend. Deze risico’s zijn beperkt
                        en feitelijk gekoppeld aan de formatie die voor deze taak is ingepland (op
                        dit moment 4,5 FTE).</al><al>Voor wat betreft de andere taken waar de provincie niet in deelneemt blijft
                        de verdeling gelijk aan de situatie die er was voor het toetreden van de
                        provincie.</al><lijst><li nr="b."><al>Afvalverwerking: Op basis van inwoneraantal van de deelnemende
                                gemeenten (exclusief de provincie). Voor het afwikkelen van de
                                verkoop van de stortplaatsen en de stortplaats Voorste Heide in Oss
                                waarvoor verantwoordelijkheid bestaat voor de eeuwigdurende nazorg;
                                deelnemende gemeenten, exclusief de VESHM gemeenten, op basis van
                                inwoneraantal.</al></li><li nr="c."><al>Besluit Woninggebonden Subsidies: Op grond van inwoneraantal van de
                                deelnemende gemeenten exclusief de gemeente Oss.</al></li><li nr="d."><al>Afvalinzameling: De gemeenten die deelnemen aan deze taak. Dat zijn
                                de gemeenten in het Land van Cuijk en Boekel.</al></li><li nr="e."><al>Sanering verkeerslawaai: Op basis van inwoneraantal van de
                                deelnemende gemeenten (exclusief de provincie) en daarop gebaseerde
                                overeenkomst.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 7 Overige bepalingen</al><al><onderstreept>Artikel 32:</onderstreept></al><al>Artikel 40 van de Archiefwet schrijft voor dat een regeling als bedoeld in
                        de Wet gemeenschappelijke regelingen tevens een voorziening in behoort te
                        houden omtrent de zorg voor de archiefbescheiden van bij die regeling
                        ingestelde openbare lichamen of gemeenschappelijke organen (denk hierbij
                        bijvoorbeeld aan vergaderstukken en besluitenlijsten van Algemeen Bestuur en
                        Dagelijks Bestuur, de personeelsdossiers, stukken betreffende het financieel
                        beleid, financiële administratie en website van de omgevingsdienst).</al><al>Deze voorziening dient zoveel mogelijk te worden getroffen in lijn met de
                        bepalingen in de Archiefwet. Concreet betekent dit onder meer dat ervoor
                        moet worden gezorgd dat er een Archiefverordening en een Besluit
                        Informatiebeheer worden vastgesteld en dat er een archiefbewaarplaats wordt
                        aangewezen voor de te bewaren archieven van de omgevingsdienst.</al><al>Voor alle deelnemers aan de omgevingsdienst geldt als uitgangspunt dat het
                        Landelijke Basistakenpakket bij de omgevingsdienst wordt ondergebracht.
                        Daarnaast kunnen gemeenten en de provincie besluiten om aanvullende taken te
                        laten uitvoeren door de omgevingsdienst. Duidelijk is dat de provincie en
                        gemeenten bevoegd gezag blijven. Twee scenario’s zijn dan mogelijk:</al><lijst><li nr="1."><al>De omgevingsdienst wordt door het bevoegd gezag gemandateerd om
                                besluiten te nemen. In dit scenario wordt er bij de uitvoering van
                                taken één dossier gevormd dat zowel de documenten uit de
                                voorbereidingsfase bevat als het uiteindelijke besluit.</al></li><li nr="2."><al>De omgevingsdienst krijgt geen mandaat en doet enkel de
                                voorbereiding voor de vergunningverlening. In dit scenario worden er
                                twee dossiers gevormd; De omgevingsdienst vormt een dossier met
                                daarin de voorbereiding en de provincie / de gemeente vormt een
                                dossier in het kader van de besluitvorming.</al></li></lijst><al>Aangezien de provincie en gemeenten bevoegd gezag blijven, blijven zij ook
                        zorgdrager. Met andere woorden: voor de dossiers die de omgevingsdienst
                        vormen bij het uitvoeren van taken voor de provincie blijft de provincie
                        zorgdrager, voor de dossiers die de Omgevingsdienst vormt bij het uitvoeren
                        van taken voor een bepaalde gemeente blijft die gemeente zorgdrager. Dat
                        betekent voor het archiefbeheer bij de omgevingsdienst onder meer het
                        volgende: </al><al>§De analoge en digitale dossiers van de verschillende zorgdragers dienen van
                        elkaar gescheiden te kunnen worden. Als de omgevingsdienst met eigen
                        systemen gaat werken dan zal er bij de inrichting van die systemen aan
                        gedacht moeten worden dat de mogelijkheid wordt geboden om bij ieder dossier
                        vast te leggen wie het bevoegd gezag is. </al><al>Het bovenstaande in ogenschouw nemend dienen goede afspraken te worden
                        gemaakt tussen bevoegd gezag en de omgevingsdienst over het
                        archiefbeheer.</al><al>Medewerkers van de provincie en gemeenten die bij de omgevingsdienst aan de
                        slag gaan, zullen in dienst treden van de omgevingsdienst. Dat betekent dat
                        de personeelsdossiers van deze medewerkers op het moment van
                        uitdiensttreding bij de provincie en gemeenten worden afgesloten en dat bij
                        de omgevingsdienst nieuwe personeelsdossiers worden gevormd.</al><al><onderstreept>Artikel 33:</onderstreept></al><al>Het betreft hier een geschil over de uitleg van de regeling en niet een
                        geschil tussen een gemeente en de omgevingsdienst over bijvoorbeeld de
                        uitvoering van een opdracht. Het voorleggen van een geschil aan de minister
                        van Binnenlandse Zaken is niet gebaseerd op een expliciete wettelijke
                        bepaling in de Wet gemeenschappelijke regelingen. Voor regelingen tussen
                        uitsluitend gemeenten is dit in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke
                        regelingen wel geregeld en ligt de bevoegdheid bij de provincie. Nu de
                        provincie deel uitmaakt van deze gemeenschappelijke regeling ligt het in de
                        rede om de minister van Binnenlandse Zaken hiertoe aan te wijzen. Een en
                        ander is in lijn met andere bevoegdheden op grond van de Wet
                        gemeenschappelijke regelingen die aan de minister worden toegedeeld in
                        situaties waarin de provincie deel uitmaakt van een gemeenschappelijke
                        regeling.</al><al><onderstreept>Artikel 34:</onderstreept></al><al>Hoewel het op dit moment niet voor de hand ligt dat andere overheden zouden
                        toetreden aan de omgevingsdienst kan in de toekomst niet uitgesloten worden
                        dat de geografische indeling van de omgevingsdienst wijzigt, of zelfs wordt
                        losgelaten. Om op dat moment ook op die ontwikkelingen in te kunnen spelen
                        zijn in deze regeling bepalingen opgenomen met betrekking tot zowel de
                        toetreding als de uittreding.</al><al><onderstreept>Artikel 35:</onderstreept></al><al>Een deelnemer aan de Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Brabant
                        Noord kan in theorie uittreden waar het gaat om de uitvoering van het
                        verplichte Landelijk Basistakenpakket, tenzij landelijke wetgeving of
                        anderszins de mogelijkheid tot uittreding beperkt. Als een deelnemer geen
                        gebruik meer wenst te maken van het omgevingsdienst met betrekking tot de
                        verzoektaken dan is dat geen uittreding, maar een vermindering van de omzet. </al><al>Bijlage 1 Landelijk Basistakenpakket gemeenten en provincie </al><al>Het landelijk basistakenpakket (versie 2.3 van 25 mei 2011) is maatgevend
                        voor de toekomstige Omgevingsdienst. </al><al>Het betreft de volgende <onderstreept>typen bedrijven</onderstreept>:</al><lijst><li nr="-"><al>BRZO-bedrijven</al></li><li nr="-"><al>IPPC-bedrijven</al></li><li nr="-"><al>Een groot aantal Barim type B- en alle type C- bedrijven (type B =
                                meldingsplichtig, type C = vergunningplichtig).</al></li></lijst><al><onderstreept>Taken</onderstreept> betreffen in hoofdzaak:</al><al>(Hier worden de meest voorkomende taken uit het landelijk basistakenpakket
                        genoemd; Voor het volledig overzicht zie het landelijk basistakenpakket
                        versie 2.3 van 25 mei 2011).
                        http://www.uitvoeringmetambitie.nl/bestanden/110525_werkdocument_basistakenpakket_RUDs__def_[1].pdf</al><al><onderstreept>Vergunningverlening</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>BRZO*-, IPPC- en Type C-bedrijven: De voorbereiding van het
                                milieudeel van de omgevingsvergunning <cursief>(Indien GS bevoegd
                                    gezag: alle Wabovergunningen).</cursief></al></li><li nr="2."><al>Voor type B- en C-bedrijven de voorbereiding van de
                                omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) indien van
                                toepassing. Dit betreft inrichtingen in de categorieën windturbines,
                                RWZI’s, autodemontage, metaalrecycling, opslag banden,
                                combibedrijven. <cursief>(Indien GS bevoegd gezag: alle
                                    Wabovergunningen)</cursief></al></li></lijst><al><onderstreept>Toezicht</onderstreept></al><lijst><li nr="1."><al>Het milieutoezicht bij vergunningplichtige (BRZO*-, IPPC- en type
                                C-) bedrijven. <cursief>(Indien GS bevoegd gezag: het toezicht op
                                    alle Wabovergunningen)</cursief></al></li><li nr="2."><al>Het milieutoezicht op type B-bedrijven die:</al><lijst><li nr="-"><al>OBM-plichtig zijn <cursief>(Indien GS bevoegd gezag: het
                                            toezicht op alle Wabovergunningen)</cursief> of;</al></li><li nr="-"><al>vallen onder het Besluit landbouw, het Besluit glastuinbouw
                                        of het Vuurwerkbesluit inrichtingen of;</al></li><li nr="-"><al>genoemd zijn in de limitatieve lijst onder punt 5 van het
                                        basistakenpakket versie 2.3 van 25 mei 2011.</al></li></lijst></li></lijst><al>Toelichting: Het verdient de aanbeveling om deze lijst kritisch door te
                        nemen op activiteiten die uitgezonderd worden.</al><al>3.Milieutoezicht, zijnde</al><lijst><li nr="-"><al>Het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten die vallen onder
                                het Besluit bodemkwaliteit voor zover het die activiteiten
                                betreft;</al></li><li nr="-"><al>Het milieutoezicht bij bodemsanering, sanering van bedrijfsterreinen
                                en lozing van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering voor
                                zover het die activiteiten betreft;</al></li><li nr="-"><al>(Ketentoezicht) Het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten
                                met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en
                                ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen, asbest, vuurwerk,
                                bouwstoffen, grond, baggerspecie, meststoffen, dierlijke vetten,
                                radioactief schroot, destructiemateriaal, explosieven voor civiel
                                gebruik of andere gevaarlijk stoffen, voor zover het die
                                activiteiten betreft.</al></li><li nr="-"><al>BOA-milieu bestuursrechtelijk (niet in basistakenpakket maar in
                                PUmA-checklist criteria RUD-vorming).</al></li></lijst><al><onderstreept>*BRZO</onderstreept>: Bevoegd gezag brengt de BRZO-taak in bij
                        de Omgevingsdienst in de eigen regio. De Omgevingsdienst zorgt voor de
                        uitvoering van BRZO-taak door de gespecialiseerde BRZO-Omgevingsdienst.</al><al>Onder het milieutoezicht wordt ook verstaan het beoordelen van
                        PRTR-verslagen</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>