<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR262123_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Handhavings- en maatregelenverordening inkomensvoorzieningen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenbergen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Steenbergse Bode</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Handhavings- en maatregelenverordening inkomensvoorzieningen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Gemeentewet/article=147">Gemeentewet, art. 147 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8">Wet werk en bijstand, art. 8 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=8a">Wet werk en bijstand, art. 8a </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=20">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 20 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20werkloze%20werknemers/article=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=20">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 20 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20inkomensvoorziening%20oudere%20en%20gedeeltelijk%20arbeidsongeschikte%20gewezen%20zelfstandigen/article=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 35 </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BM1202586</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Handhavings- en maatregelenverordening inkomensvoorzieningen 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenbergen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 november
                        2012;</al><al>gelet op: artikel 147 van de Gemeentewet, artikel 8, lid 1, sub b, sub h en
                        sub i, alsmede artikel 8a van de Wet werk en bijstand, artikel 20 en artikel
                        35, lid 1, sub b t/m d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 20 en artikel 35, lid 1, sub
                        b t/m d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de volgende verordening;</al><al>de Handhavings- en maatregelenverordening inkomensvoorzieningen 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1. Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van de gemeente Steenbergen;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) dan wel de
                                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al></li><li nr="c."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="d."><al>algemene bijstand: bijstand ter voorziening in de
                                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand: bijstand ter voorziening in
                                            noodzakelijke kosten welke kosten voortvloeien uit
                                            bijzondere individuele omstandigheden alsmede niet
                                            kunnen wordenvoldaan uit een inkomen op
                                            bijstandsniveau;</al></li><li nr="f."><al>bijstandsnorm: de van toepassing zijnde norm inclusief
                                            een eventuele gemeentelijke toeslag of verlaging;</al></li><li nr="g."><al>grondslag: de van toepassing zijnde grondslag als
                                            bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=5">artikel 5 van de Wet</extref> IOAW / <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAZ/article=5">IOAZ</extref>;</al></li><li nr="h."><al>maatregel: het weigeren dan wel verlagen van de bijstand
                                            / uitkering op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=18">artikel 18 van de WWB</extref> dan wel <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=20">artikel 20 van de Wet IOAW / IOAZ</extref>;</al></li><li nr="j."><al>boete: de boete als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=18a">artikel 18a van de WWB</extref> dan wel <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=20a">artikel 20a van de Wet IOAW / IOAZ</extref>;</al></li><li nr="k."><al>verrekenen: verrekening als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=60">artikel 60, lid 4, van de WWB</extref>;</al></li><li nr="l."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wetboek%20van%20Burgerlijke%20Rechtsvordering/article=475c">artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van
                                                Burgerlijke Rechtsvordering</extref>.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende naar het oordeel van het college
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                    voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet voortvloeiende
                                    verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen
                                    het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt
                                    overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Onder de uit de wet voortvloeiende verplichtingen wordt niet
                                    verstaan de inlichtingenplicht als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=17">artikel 17, lid1, van de WWB</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=13">artikel 13, lid 1, van de Wet IOAW / IOAZ</extref> dan
                                    wel</al></li><li nr=""><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20structuur%20uitvoeringsorganisatie%20werk%20en%20inkomen/article=30c">artikel 30c, lid 2 en lid 3, van de Wet structuur
                                        uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.</extref></al></li><li nr=""><al>3. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging,
                                    de mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten
                                    en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></li><li nr="4."><al>Indien belanghebbende zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan
                                    maatregelwaardige gedragingen wordt bij de bepaling van de
                                    zwaarte van de maatregel hiermee rekening gehouden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3. Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm, het bedrag aan
                            bijzondere bijstand dan wel op de grondslag.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder
                                    geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de
                                    maatregel, het percentage waarmee de bijstand of grondslag wordt
                                    verlaagd en/of het bedrag waarmee de bijstand of grondslag wordt
                                    verlaagd en voor zover van toepassing de reden om af te wijken
                                    van een standaardmaatregel.</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden
                                    wordt opgelegd, wordt telkens tegen het einde van een tijdvak
                                    van drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd,
                                    heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5. Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt belanghebbende in de
                                    gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en sindsdien zich
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien
                                    daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, wordt belanghebbende daarvan
                                    schriftelijk mededeling gedaan.</al></li><li nr="4."><al>Met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, wordt
                                    gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                    dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7. Waarschuwing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan bij een eerste verwijtbare gedraging in die
                                    gevallen waarin de verordening de mogelijkheid biedt, volstaan
                                    met het geven van een schriftelijke waarschuwing.</al></li><li nr="2."><al>Het geven van een schriftelijke waarschuwing wordt gelijkgesteld
                                    met een besluit waarbij een maatregel is opgelegd.</al></li><li nr="3."><al>Met het geven van een schriftelijke waarschuwing kan niet worden
                                    volstaan, indien in een periode van 2 jaar voorafgaand aan de
                                    gedraging reeds een dergelijke waarschuwing is uitgegaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8. Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Indien over deze periode reeds een maatregel is
                                    toegepast, wordt de maatregel aansluitend op deze periode
                                    opgelegd. Bij de hoogte van de maatregel wordt uitgegaan van de
                                    voor die maand geldende bijstandsnorm / grondslag.</al></li><li nr="2."><al>Bij een aanvraag wordt de maatregel met ingang van de
                                    ingangsdatum van de uitkering opgelegd.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van lid 1 wordt de maatregel met terugwerkende
                                    kracht opgelegd, voor zover de betaling van de bijstand is
                                    opgeschort in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=54">artikel 54, lid 1, van de WWB</extref>.</al></li><li nr="4."><al>De maatregel kan niet eerder ingaan dan de datum waarop de
                                    maatregelwaardige gedraging zich heeft voorgedaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9. Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen, die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, lid 1, van de verordening inhouden, wordt voor
                            het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel uitgegaan van de
                            gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2. Maatregelen</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>§ 2.1 Maatregelwaardige gedragingen in het kader van de Wet werk en
                            bijstand</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 10. Indeling in categorieën bij geen of onvoldoende
                                medewerking aan re-integratieverplichtingen</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende in het kader van re-integratie, waardoor
                            een verplichting op grond van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=9">artikelen 9</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=9a">9a</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=44a">44a</extref>, <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=55">55</extref> en/of <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=57">57</extref> van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="het"><al>zich niet of niet tijdig als werkzoekende laten
                                            registreren bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig
                                            laten verlengen van die registratie.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="1"><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot (arbeids)-
                                            participatie anders dan het niet daartoe verschijnen
                                            zonder bericht van verhindering;</al></li><li nr="2"><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            in verband met arbeidsinschakeling op een aangegeven
                                            plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="3"><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van de
                                            door het college aangeboden onbeloonde additionele
                                            werkzaamheden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=10a">artikel 10a van de WWB</extref>
                                            (participatieplaats) alsmede andere vormen van sociaal
                                            activering;</al></li><li nr="4"><al>het niet naar vermogen verrichten van maatschappelijk
                                            nuttige activiteiten als tegenprestatie in de zin van
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=9">artikel 9, lid1, sub c, van de WWB;</extref></al></li><li nr="5"><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van een
                                            verplichting als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=57">artikel 57 van de WWB</extref>;</al></li><li nr="6"><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="1"><al>het niet dan wel onvoldoende meewerken aan het
                                            opstellen, uitvoeren en evalueren van het plan van
                                            aanpak als bedoeld in artikel <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=44a">44a van de WWB</extref>;</al></li><li nr="2"><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsparticipatie als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=9">artikel 9, lid 1, sub b</extref>, en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=10">artikel 10, lid 1</extref>, van de WWB waaronder
                                            het niet tijdig verschijnen op een aangegeven plaats en
                                            tijd, voor zover het geen participatiebaan in de zin van
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=10a">artikel 10a van de WWB</extref> betreft alsmede
                                            andere vormen van sociaal activering;</al></li><li nr="3"><al>het stellen van onredelijke eisen ten aanzien van het
                                            verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, die het
                                            aanvaarden of verkrijgen hiervan belemmeren;</al></li><li nr="4"><al>andere gedragingen die de (arbeids)participatie
                                            belemmeren;</al></li><li nr="5"><al>intrekking van de ontheffing van de sollicitatieplicht
                                            bij een alleenstaande ouder aan wie toepassing van
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=9a">artikel 9a, lid 1, van de WWB</extref> is gegeven
                                            en waarbij uit houding en gedrag ondubbelzinnig blijkt,
                                            dat de opgelegde verplichtingen als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=9">artikel 9, lid 1, sub b, van de WWB</extref> niet
                                            worden nagekomen;</al></li><li nr="6"><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van een
                                            verplichting als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=55">artikel 55 van de WWB</extref>, zoals het zich niet
                                            onderwerpen aan een door een arts geadviseerde
                                            noodzakelijke medische behandeling.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Vierde categorie: </al><lijst><li nr="1"><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                            waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid;</al></li><li nr="2"><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>§ 2.2 Maatregelwaardige gedragingen in het kader van de Wet IOAW /
                            IOAZ</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 11. Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende in het kader van re-integratie, waardoor
                            een verplichting op grond van hoofdstuk III van de wet niet of
                            onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="het"><al>zich niet of niet tijdig als werkzoekende geregistreerd
                                            staan bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten
                                            verlengen van die registratie.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="1º"><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            (arbeids)-partcipatie anders dan het niet daartoe
                                            verschijnen zonder bericht van verhindering;</al></li><li nr="2º"><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            in verband met (arbeids)participatie op een aangegeven
                                            plaats en tijd te verschijnen;</al></li><li nr="3º"><al>het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van de
                                            door het college aangeboden onbeloonde additionele
                                            werkzaamheden als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=38a">artikel 38a van de Wet IOAW / IOAZ</extref> alsmede
                                            andere vormen van sociaal activering;</al></li><li nr="4º"><al>het niet naar vermogen verrichten van maatschappelijk
                                            nuttige activiteiten als tegenprestatie in de zin van
                                            artikel 37, lid 1, sub f, van de Wet IOAW / IOAZ;</al></li><li nr="5º"><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="1º"><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsparticipatie als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=37">artikel 37, lid 1, sub e van de Wet IOAW /
                                                IOAZ</extref> waaronder het niet tijdig verschijnen
                                            op een aangeven plaats en tijd, voor zover het geen
                                            participatiebaan in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=38a">artikel 38a van de Wet IOAW / IOAZ</extref> betreft
                                            alsmede andere vormen van sociale activering;</al></li><li nr="2º"><al>het stellen van onredelijke eisen ten aanzien van het
                                            verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid, die het
                                            aanvaarden of verkrijgen hiervan belemmeren;</al></li><li nr="3º"><al>andere gedragingen die de (arbeids)participatie
                                            belemmeren;</al></li><li nr="4º"><al>intrekking van de ontheffing van de sollicitatieplicht
                                            bij een alleenstaande ouder aan wie toepassing van
                                                <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=38">artikel 38, lid 1, van de Wet IOAW / IOAZ</extref>
                                            is gegeven en waarbij uit houding en gedrag
                                            ondubbelzinnig blijkt, dat de opgelegde verplichtingen
                                            als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=IOAW/article=37">artikel 37, lid 1, sub e, van de Wet IOAW /
                                                IOAZ</extref> niet worden nagekomen.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Vierde categorie: </al><lijst><li nr="1º"><al>beëindiging van een dienstbetrekking waaraan een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Burgerlijk%20Wetboek%20Boek%207/article=678">artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk
                                                Wetboek</extref> en belanghebbende ter zake een
                                            verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="2º"><al>beëindiging van de dienstbetrekking door of op verzoek
                                            van belanghebbende zonder dat aan de voorzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voorzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden
                                            gevergd;</al></li><li nr="3º"><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                                            waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid;</al></li><li nr="4º"><al>het door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>§ 2.3 Standaardmaatregelen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12. De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2,
                                        lid 2 van de verordening wordt de hoogte en duur
                                    van de maatregel die hoort bij een verwijtbare gedraging als
                                    omschreven in de artikelen 10 en 11 vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>10 % van de bijstandsnorm / grondslag gedurende 1 maand
                                            bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>30 % van de bijstandsnorm / grondslag gedurende 1 maand
                                            bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>40 % van de bijstandsnorm / grondslag gedurende 1 maand
                                            bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>100 % van de bijstandsnorm / grondslag gedurende 2
                                            maanden bij gedragingen van de vierde categorie met dien
                                            verstande dat bij het niet behouden van de
                                            dienstbetrekking of het niet aanvaarden dan wel
                                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid van geringe
                                            omvang, de hoogte van de maatregel wordt vastgesteld
                                            naar de mate waarin belanghebbende inkomen heeft
                                            verloren of zou hebben kunnen verwerven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een maatregel als bedoeld onder lid 1,
                                    onder a, kan worden afgezien en worden volstaan met het geven
                                    van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet nakomen van
                                    deze verplichting plaatsvindt binnen een periode van 2 jaar na
                                    een vorige gedraging waarvoor al een schriftelijke waarschuwing
                                    is gegeven.</al></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in lid 1 wordt verdubbeld,
                                    indien belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige
                                    als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan
                                    een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                    categorie.</al></li><li nr="4."><al>Bij volharding in verwijtbare gedrag uit dezelfde of een hogere
                                    categorie en voorts nadat twee eerdere maatregelen zijn
                                    opgelegd, wordt tevens de hoogte van de maatregel
                                    verdubbeld.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>§ 2.4 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 13. Tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende blijk heeft gegeven van tekortschietend
                                    besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                    bestaan als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=WWB/article=18">artikel 18, lid 2, van de wet</extref>, wordt de maatregel
                                    afgestemd op de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn
                                    gedraging eerder of langer een beroep op bijstand moet
                                    doen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2,
                                        lid 2, van de verordening bedraagt de maatregel bij
                                    periodieke algemene en/of bijzondere bijstand: </al><lijst><li nr="a."><al>30 % van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                            periode van 3 maanden of korter;</al></li><li nr="b."><al>30 % van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden bij een
                                            periode van 4 t/m 6 maanden;</al></li><li nr="c."><al>30 % van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden bij een
                                            periode van 7 t/m 12 maanden;</al></li><li nr="d."><al>30 % van de bijstandsnorm gedurende 6 maanden bij een
                                            periode van 13 t/m 24 maanden;</al></li><li nr="e."><al>30 % van de bijstandsnorm gedurende 12 maanden bij een
                                            periode van 25 t/m 36 maanden;</al></li><li nr="f."><al>30 % van de bijstandsnorm gedurende 24 maanden bij een
                                            periode langer dan 36 maanden;</al></li><li nr="g."><al>100 % van de bijstandsnorm gedurende 2 maanden bij het
                                            door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid waaronder begrepen gesubsidieerde
                                            arbeid met dien verstande dat bij het niet behouden van
                                            arbeid van geringe omvang de hoogte van de maatregel
                                            wordt vastgesteld naar de mate waarin belanghebbende
                                            inkomen heeft verloren;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Onverminderd artikel 2,
                                        lid 2, van de verordening bedraagt de maatregel bij
                                    incidentele bijzondere bijstand het bedrag waarop recht zou
                                    bestaan bij geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                    alsmede geen aanspraak op een tegemoetkoming in het kader van
                                    een voorliggende voorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                            of zijn ambtenaren en medewerkers in samenhang met het niet dan wel
                            onvoldoende nakomen van de uit de wet voortvloeiende verplichtingen,
                            wordt onverminderd artikel 2, lid
                                2, van de verordening als verzwarende omstandigheid de duur
                            van de maatregel als bedoeld in de artikelen 12 en 13 verdubbeld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3. Handhaving</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 15. Fraudepreventie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel
                                    daarvan is de wijze waarop het college belanghebbenden
                                    informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van
                                    bijstand of een inkomensvoorziening zijn verbonden en over de
                                    consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.</al></li><li nr="2."><al>Ter controle van de aanvraag wordt onder meer gebruik gemaakt
                                    van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de
                                    samenloopsignalen die daaruit voortkomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16. Controle</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college doet stelselmatig onderzoek naar de rechtmatigheid
                                    van de bijstand of de inkomensvoorziening en kan daarbij
                                    gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en
                                    bestandsvergelijkingen alsmede de samenloopsignalen die daaruit
                                    voortkomen. Het college onderzoekt daarnaast overige signalen en
                                    tips die relevant zijn voor het recht op bijstand of een
                                    inkomensvoorziening.</al></li><li nr="2."><al>Het college doet onderzoek naar de reden van de beëindiging van
                                    de bijstand of de inkomensvoorziening en neemt op basis daarvan
                                    besluiten met betrekking tot de rechtmatigheid van de verstrekte
                                    voorzieningen alsmede de wederzijds tussen het college en de
                                    belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling
                                    daarvan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17. Opleggen van een boete / aangifte bij het Openbaar
                                Ministerie</titel></kop><al>Indien belanghebbende onjuiste, onvolledige of in het geheel geen
                            inlichtingen verstrekt die van invloed zijn of kunnen zijn op het recht
                            op bijstand of een inkomensvoorziening legt het college aan
                            belanghebbende een boete op dan wel doet het college aangifte bij het
                            Openbaar Ministerie conform hetgeen hierover bij wet is bepaald,
                            onverminderd de terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand of
                            inkomensvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18. Verrekening boete bij recidive</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Behoudens in geval van dringende redenen wordt bij recidive als
                                    bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/title=Wet%20werk%20en%20bijstand/article=60b">artikel 60b van de Wet werk en bijstand</extref> de
                                    bestuurlijke boete gedurende de maximaal wettelijk toegestane
                                    periode van drie maanden zonder inachtneming van de beslagvrije
                                    voet verrekend. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                    dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Lid 1 is eveneens van toepassing op de verrekening van eerder
                                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van
                                    verrekening van de bestuurlijke boete die bij recidive is
                                    opgelegd, die eerdere boetes nog niet zijn betaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 4. Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19. Beleid</titel></kop><al>Het college kan ter uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20. Hardheidsclausule</titel></kop><al>Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in
                            bijzondere gevallen ten gunste van belang- hebbende worden afgeweken van
                            de bepalingen van deze verordening, indien toepassing hiervan tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 21. Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ”Handhavings- en
                            maatregelenverordening inkomensvoorzieningen 2013”.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22. Ingangsdatum</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23.</titel></kop><al>De ”Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2012”, vastgesteld in de
                            openbare vergadering van 22 december 2011, de ”Maatregelenverordening
                            IOAW /IOAZ 2010” alsmede de ”Handhavingsverordening WWB, WIJ, IOAW en
                            IOAZ 2010”, beide vastgesteld in de openbare vergadering van 25 februari
                            2010, vervallen op 1 januari 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Steenbergen, 20 december 2012</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>In het kader van de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet inkomensvoorziening
                    oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                    zelfstandigen (IOAZ) moeten gemeenten zelf hun sanctiebeleid vormgeven. Het
                    vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                    verplichtingen voor uitkeringsgerechtigden is maatwerk, waarbij recht wordt
                    gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    uitkeringsgerechtigden. Een directe koppeling wordt gelegd tussen de rechten en
                    verplichtingen: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht
                    zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit
                    betekent, dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt
                    van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                    belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen worden
                    nagekomen. Wanneer tot het oordeel is gekomen, dat een uitkeringsgerechtigde
                    zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering
                    verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting.
                    Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af
                    van een verlaging. Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig
                    een door de gemeenteraad vast te stellen verordening. De maatregelenverordening
                    biedt de basis voor het opleggen van een maatregel. Daarbij is het aspect van
                    rechtszekerheid voor de burger van groot belang. De verordening geeft aan in
                    welke gevallen er een maatregel opgelegd kan worden. Dat houdt tevens in, dat
                    het niet toegestaan is om een zwaardere sanctie op te leggen dan volgens de
                    verordening is toegestaan.</al><al>Op grond van de verordening kan ook de bijzondere bijstand worden verlaagd.
                    Gezien het karakter van de bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het
                    uitkeringsbedrag wegens schending van een of meer verplichtingen ook niet in de
                    rede. Wel kan bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor bijzondere
                    bijstand een rol spelen of de belanghebbende zijn verplichtingen in voldoende
                    mate is nagekomen. Dit geldt dan vooral voor de plicht om voldoende besef van
                    verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan.</al><al><vet>De relatie met de re-íntegratieverordening</vet></al><al>In deze verordening wordt vastgelegd hoe de cliënten worden ondersteund bij de
                    arbeidsparticipatie en hoe wordt omgegaan met het aanbieden van voorzieningen
                    gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing en
                    stages, loonkostensubsidie en gesubsidieerde arbeid, sociale activering, premies
                    en kinderopvang. In beginsel worden aan iedere cliënt de arbeidsverplichtingen
                    opgelegd. De algemene verplichting staat in de wet genoemd. In de
                    re-integratieverordening wordt aandacht geschonken aan de voorzieningen die
                    kunnen worden ingezet. De vertaling daarvan vindt plaats in de individuele
                    beschikking. Indien een cliënt de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in
                    beginsel tot een maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de
                    maatregelenverordening.</al><al><vet>Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving</vet></al><al>Op 1 januari 2013 treedt de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking. Hierbij wordt in de Wet werk en bijstand (WWB), de
                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) de bestuurlijke boete bij een
                    schending van de inlichtingenplicht (opnieuw) ingevoerd. De huidige bepalingen
                    in de maatregelenverordeningen met betrekking tot schending van de
                    inlichtingenplicht komen hiermee te vervallen. Bij uitkeringsfraude vindt bij de
                    eerste overtreding naast de terugvordering van de uitkering, oplegging van een
                    boete plaats die in beginsel even hoog is als het ten onrechte genoten voordeel.
                    Bij recidive legt het uitvoeringsorgaan naast de terugvordering een boete op van
                    150 procent van het benadelingsbedrag. Deze tweede boete wordt volledig
                    verrekend met de (toekomstige) uitkering waarbij de verrekening plaatsvindt over
                    de beslagvrije voet, totdat de boete is afbetaald. Uitzondering hierop is het
                    vangnet van de bijstand. Daar kan bij recidive de beslagvrije voet ten hoogste
                    drie maanden buiten werking gesteld. De Wet werk en bijstand verplicht de
                    gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen over de bevoegdheid de
                    beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de
                    recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een afweging te maken van
                    situaties of omstandigheden waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije
                    voet niet proportioneel wordt geacht.</al><al><vet>Handhaving</vet></al><al>Met hoofdstuk 3 wordt invulling gegeven aan de in artikel 8a van de Wet werk en
                    bijstand en artikel 35, lid 1, sub c, van de Wet IOAW / IOAZ gegeven opdracht om
                    regels te stellen met betrekking tot het bestrijden van misbruik en oneigenlijk
                    gebruik van beide wetten. Het behoort tot de gemeentelijke beleidsvrijheid om
                    daarin eigen beleidskeuzes te maken.</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1.</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijvingen in de Wet werk en bijstand (WWB), de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). In de verordening wordt het
                    begrip belanghebbende gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene
                    wet bestuursrecht omschreven als degene wiens belang rechtstreeks bij een
                    besluit is betrokken.</al><al><vet>Artikel 2.</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, lid 2).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
                            twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij
                                    arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li></lijst><al>De IOAW / IOAZ verbindt aan het recht op uitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 37). Dit houdt in: </al><lijst><li nr="a."><al>naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>als werkzoekende geregistreerd te staan bij het UWV
                                    Werkbedrijf;</al></li><li nr="c."><al>algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;</al></li><li nr="d."><al>na te laten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert;</al></li><li nr="e."><al>gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op
                                    arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek
                                    naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li></lijst><al>De medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, lid 2 van de WWB dan wel
                    artikel 13, lid 2 van de Wet IOAW /IOAZ is de plicht van uitkeringsgerechtigden
                    om desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                    uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete
                    verplichtingen bestaan, zoals het toestaan van huisbezoek of het meewerken aan
                    een psychologisch onderzoek.</al><al>Voormelde verplichtingen worden nader uitgewerkt in specifieke verplichtingen,
                    die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                    uitkeringsgerechtigde. De re-integratieverordening vormt de juridische basis
                    voor het opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen moeten
                    in het besluit tot het verlenen van uitkering worden neergelegd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Onder de uit de wet voortvloeiende verplichtingen wordt in dit kader niet
                    verstaan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17, lid1, van de WWB,
                    artikel 13, lid 1, van de Wet IOAW / IOAZ dan wel artikel 30c, lid 2 en lid 3,
                    van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Bij schending
                    hiervan dient voortaan een bestuurlijke boete te worden opgelegd.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld.</al><al>In dit lid is de hoofdregel neergelegd, dat een op te leggen maatregel dient te
                    worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de
                    mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee, dat bij elke op te
                    leggen maatregel zal moeten worden nagaan of gelet op de individuele
                    omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en
                    de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.</al><al>Dit betekent, dat bij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd, en
                    zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moeten worden doorlopen:</al><lijst><li nr="stap"><al>1 → het vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="stap"><al>2 → het vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="stap"><al>3 → het vaststellen van de omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het percentage / bedrag
                    waarmee de uitkering wordt verlaagd alsmede de duur hiervan. Wat betreft de
                    beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting
                    bij artikel 6. Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke
                    omstandigheden kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij bijzondere financiële
                    omstandigheden van belanghebbende, zoals bijvoorbeeld: hoge woonlasten of andere
                    vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                    tegemoetkoming mogelijk is; sociale omstandigheden; gezinnen met kinderen.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Eerdere maatregelwaardige gedragingen kunnen als verzwarende omstandigheden
                    worden aangemerkt.</al><al><vet>Artikel 3.</vet></al><al>Hierin is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over de
                    bijstandsnorm / grondslag dan wel bij bijzondere bijstand over het bedrag aan
                    bijzonder bijstand. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm
                    inclusief de gemeentelijke toeslag of verlaging en de vakantietoeslag. Ook op de
                    bijzondere bijstand is de maatregelenverordening van toepassing, met name
                    hoofdstuk 4.</al><al><vet>Artikel 4.</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het verlagen van de uitkering vanwege een op te leggen maatregel vindt plaats
                    door middel van een besluit. Indien een maatregel met terugwerkende kracht wordt
                    opgelegd, moet een besluit tot herziening van de uitkering worden genomen
                    (artikel 54, lid 1, van de WWB). Tegen beide besluiten kan door belanghebbende
                    bezwaar en beroep worden aangetekend. De Wet IOAW / IOAZ kent niet de
                    mogelijkheid van herziening met terugwerkende kracht.</al><al>In dit lid staat aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt
                    onder andere in, dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering
                    moet zijn voorzien.</al><al>Een maatregel wordt voor een bepaalde tijd opgelegd. Door een maatregel voor een
                    bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde die met een
                    maatregel wordt geconfronteerd, waar hij aan toe is. Na afloop van de periode
                    waarvoor de maatregel is getroffen, kan opnieuw een maatregel worden opgelegd.
                    Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Indien een maatregel voor een langere periode dan drie maanden wordt opgelegd,
                    dient bij de bijstand de maatregel binnen drie maanden na uitvoering van het
                    besluit aan een herbeoordeling te worden onderworpen. Bij zo’n herbeoordeling
                    hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten
                    en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale
                    beoordeling volstaat. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin
                    belanghebbende verkeert, maar ook of de desbetreffende persoon nu wel aan zijn
                    verplichtingen voldoet.</al><al><vet>Artikel 5.</vet></al><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht is in een aantal
                    gevallen het horen van belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van
                    beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van
                    beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12
                    Awb), behalve bij subsidies. In dit artikel wordt het horen van belanghebbende
                    voordat een maatregel wordt opgelegd, in beginsel voorgeschreven. Lid 2 bevat
                    een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht.</al><al>Bij het verlagen van de uitkering wegens het niet nakomen van
                    arbeidsverplichtingen staat het corrigerende (reparatoire) karakter voorop. Als
                    echter een maatregel wordt opgelegd vanwege agressief gedrag (LJN: BC1811 en
                    BE8919), of te snelle intering van het vermogen, is er op basis van de
                    rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep sprake van een punitieve sanctie,
                    waarin leedtoevoeging centraal staat. Bij het opleggen van een punitieve sanctie
                    dient met bepaalde rechtswaarborgen rekening te worden gehouden (onder meer de
                    cautie, de mededeling aan belanghebbende dat deze het recht heeft om te zwijgen
                    alsmede het nemo tenetur beginsel, d.w.z. het beginsel dat niemand aan het tot
                    stand brengen van bewijs tegen zichzelf hoeft mee te werken).</al><al><vet>Artikel 6.</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is in artikel 18, lid 2, van de WWB dan wel artikel
                    20, lid 3, van de Wet IOAW / IOAZ geregeld. Zonodig kan het college in
                    beleidsregels neerleggen hoe om te gaan met de beoordeling van de
                    verwijtbaarheid, door bijvoorbeeld aan te geven welke gedragingen in principe
                    altijd verwijtbaar worden geacht en welke gedragingen in beginsel nooit. Ook kan
                    in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen sprake is of kan zijn van
                    verzachtende omstandigheden.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is, dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit is het nodig, dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft
                    plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden is onder b geregeld, dat geen
                    maatregelen meer worden opgelegd voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Hierin wordt geregeld, dat kan worden afgezien van het opleggen van een
                    maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig worden geacht. Wat
                    dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet
                    op voorhand worden vastgelegd.</al><al><vet>Lid 3 en lid 4</vet></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat wordt afgezien van het opleggen
                    van een maatregel wegens dringende redenen, is van belang in verband met
                    eventuele recidive.</al><al><vet>Artikel 7.</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het uitgangspunt is dat verwijtbaar gedrag in beginsel leidt tot het opleggen
                    van een maatregel.</al><al>Aangezien aan de gedragingen als bedoeld in artikel 10, onder a, en artikel 11,
                    onder a, geen of weinig directe gevolgen zijn verbonden, is de mogelijkheid
                    opgenomen bij een dergelijke eerste verwijtbare gedraging met een schriftelijke
                    waarschuwing te volstaan. Het geven van een schriftelijke waarschuwing is een
                    bevoegdheid.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Een schriftelijke waarschuwing is ook een maatregel. Dat wil zeggen dat bij
                    herhaling in principe de uitkering wordt verlaagd met toepassing van de
                    recidiveregels.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Van een eerste verwijtbare gedraging als bedoeld in dit artikel is geen sprake
                    indien in de periode van 24 maanden voorafgaand aan de nieuwe gedraging reeds
                    een schriftelijke waarschuwing is afgegeven.</al><al><vet>Artikel 8.</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de periodieke uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>door middel van een verlaging van de bijstandsnorm / grondslag /
                            bijzondere bijstand gedurende de eerstvolgende maand(en);</al></li><li nr="-"><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            bijstandsuitkering (bij een IOAW / IOAZ-uitkering is dit niet
                            mogelijk).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. In dit geval behoeft niet te worden overgegaan tot
                    herziening van het recht op bijstand en terugvordering van de hieruit
                    voortvloeiende te veel verstrekte bijstand. Om die reden is in dit lid
                    vastgelegd, dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                    kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                    bijstandsnorm / grondslag.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij een aanvraag wordt vanaf de eerste uitkeringsdag de maatregel opgelegd,
                    tenzij de verwijtbare gedraging op een later tijdstip heeft plaatsgevonden.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Wanneer de uitkering nog niet aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald en de
                    betaling van de bijstand met toepassing van artikel 54, lid 1, WWB is
                    opgeschort, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerste dag waarop niet
                    meer is betaald. Bij een IOAW / IOAZ-uitkering is dit niet mogelijk.</al><al><vet>Artikel 9.</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een uitkerings-gerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. Dit artikel ziet niet toe op de situatie, dat belanghebbende zich
                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maat- regel is opgelegd, opnieuw
                    schuldig maakt aan verwijtbaar gedrag. Dit is dan namelijk een nieuwe latere
                    gedraging waarvan opnieuw moet worden beoordeeld of daarvoor een maatregel
                    gerechtvaardigd is.</al><al><vet>Hoofdstuk 2. Maatregelen</vet></al><al><vet>§ 2.1</vet></al><al><vet>Artikel 10.</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het aanvaarden of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde
                    arbeid.</al><al><vet>Onderdeel a</vet></al><al>De eerste categorie betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in
                    te schrijven bij het UWV Werkbedrijf en ingeschreven te doen blijven.</al><al><vet>Onderdeel b</vet></al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om
                    voldoende te solliciteren.</al><al>Voorts valt onder deze categorie de verplichting van belanghebbende alle
                    medewerking te verlenen bij het onderzoek naar zijn mogelijkheden op het terrein
                    van (arbeids)participatie alsmede de verplichting desgevraagd op tijd en de
                    juiste plaats te verschijnen in het kader van zijn arbeidsparticipatie.</al><al>Participatieplaatsen zijn specifiek bedoeld voor uitkeringsgerechtigden met een
                    kleine kans op inschakeling in het arbeidsproces ten gevolge van persoonlijke
                    werkbelemmeringen, waardoor zij vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de
                    arbeidsmarkt. Het doel van een participatieplaats is om betrokkene dichter bij
                    de arbeidsmarkt te brengen. Het streven is er dan ook op gericht betrokkene door
                    te laten stromen naar een volgende trede op de re-integratieladder, waarbij het
                    accent meer ligt op arbeidsactivering. Participatieplaatsen zijn tijdelijke
                    additionele werkzaamheden met behoud van uitkering, welke passen bij de
                    vaardigheden van deze mensen. Deze werkzaamheden kunnen van velerlei aard zijn
                    en dienen nuttig te zijn voor de ontwikkeling van betrokkene richting de
                    reguliere arbeidsmarkt waarbij deze activiteiten tevens nuttig voor de
                    samenleving kunnen zijn.</al><al>Gelet op de grote afstand tot de arbeidsmarkt waarin belanghebbenden verkeren,
                    wordt indeling van deze voorziening alsmede andere vormen van sociaal activering
                    in categorie 3 niet rechtvaardig geacht.</al><al>Tegenprestatie naar vermogen.</al><al>Hiermee wordt een tegenprestatie verlangd van mensen die een beroep op de
                    solidariteit van de samenleving doen. Dit is ook in het belang van betrokkene,
                    omdat deze zo invulling geeft aan zijn maatschappelijke betrokkenheid. Het
                    college heeft de bevoegdheid om personen met een algemene bijstandsuitkering te
                    verplichten om onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten.
                    Op grond van artikel 9 van de WWB bestaat al de plicht om</al><al>algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden of een
                    voorziening gericht op arbeidsinschakeling te aanvaarden. Deze wetsbepaling
                    voegt daaraan toe de plicht om naar vermogen een tegenprestatie te verrichten,
                    ook als die niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. De tegenprestatie
                    kent geen verplichte samenloop met een re-integratietraject. De onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden die als tegenprestatie opgedragen kunnen
                    worden, zullen naar hun aard niet direct gericht hoeven te zijn op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt. Tevens mogen ze niet acceptatie van algemeen geaccepteerde
                    arbeid of de re-integratie gericht op arbeidsinschakeling, in de weg staan,
                    aangezien het uitgangspunt ‘werk boven uitkering’ voorop staat. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen daarom in de regel beperkt te zijn.
                    Dit kan verschillen naar gelang personen tijdelijk ontheven zijn van een of meer
                    van de verplichtingen als genoemd in artikel 9 van de WWB. Naar hun aard dienen
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden een zodanig karakter te hebben,
                    dat deze worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en niet
                    leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Het college bepaalt de aard, de
                    omvang en het aanbod van dergelijke maatschappelijk nuttige werkzaamheden. De
                    relatie tussen de tegenprestatie en de participatieplaats is, dat het gaat om
                    twee verschillende instrumenten die gemeenten tot hun beschikking hebben om een
                    uitkeringsgerechtigde te laten participeren. Beide instrumenten richten zich op
                    het verrichten van werkzaamheden met behoud van uitkering waarbij het karakter
                    van de werkzaamheden additioneel is. Beide instrumenten zijn ook duidelijk van
                    elkaar te onderscheiden. De werkzaamheden op een participatieplaats dienen
                    primair nuttig te zijn voor de ontwikkeling van betrokkene richting de
                    arbeidsmarkt. De werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie worden
                    daarentegen verricht omdat van de bijstandsgerechtigden een tegenprestatie voor
                    de uitkering die nuttig is voor de samenleving wordt verwacht. In het verlengde
                    hiervan is aan de tegenprestatie geen scholing of een opleiding gekoppeld. Dit
                    instrument is immers niet bedoeld als re-integratie instrument. Verder zal het
                    leveren van een tegenprestatie vaak werkzaamheden van korte duur omvatten,
                    terwijl een participatieplaats voorziet in werken voor een langere periode van
                    maximaal twee jaar met, onder omstandigheden, een verlengingsmogelijkheid. Een
                    laatste verschil is dat voor het werken op een participatieplaats de gemeenten
                    een premie zal toekennen aan de uitkeringsgerechtigde indien hij voldoende heeft
                    meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op arbeidsinschakeling, terwijl dat
                    niet het geval is bij het verrichten van een tegenprestatie.</al><al>Hoewel de tegenprestatie voor belanghebbende een plicht is voor het recht op een
                    WWB uitkering, kan hij niet worden gedwongen om de tegenprestatie te verrichten.
                    Wel kan bij weigering om aan deze plicht te voldoen, een maatregel door de
                    gemeente worden opgelegd. In het kader van het Europees Verdrag voor de Rechten
                    van de Mens (EVRM) is er in zo een geval geen sprake van dwangarbeid. Het EVRM
                    verbiedt namelijk niet dat aan een recht op een uitkering arbeids- of
                    leerverplichtingen worden verbonden. Ook verbiedt dit verdrag niet dat als niet
                    aan die verplichting wordt voldaan, de uitkering tijdelijk lager kan worden
                    vastgesteld.</al><al>Artikel 57 van de WWB slaat op de situatie, dat belanghebbende zonder hulp niet
                    in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen te komen.
                    In het kader van dit artikel kan aan de bijstand de verplichting worden
                    verbonden, dat belanghebbende meewerkt aan bijvoorbeeld budgettering.</al><al><vet>Onderdeel c</vet></al><al>Bij de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een langer beroep op bijstand dan strikt noodzakelijk wordt geacht. Het gaat
                    hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaarding van arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende meewerking aan een opgesteld trajectplan niet
                    zijnde gericht op een participatiebaan.</al><al>In het plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de WWB voor personen
                    jonger dan 27 jaar worden de ondersteuning en de verplichtingen die zien op
                    arbeidsinschakeling van degene die recht heeft op bijstand, uitgewerkt. Tevens
                    worden de gevolgen van het niet nakomen van die verplichtingen vastgelegd.
                    Voorts wordt die persoon bij de uitvoering van het plan van aanpak begeleid.
                    Daarnaast wordt het plan van aanpak periodiek met betrokkene geëvalueerd en
                    wordt het plan zo nodig bijgesteld. Het plan van aanpak wordt in een bijlage bij
                    een besluit tot toekenning van bijstand opgenomen.</al><al>Voorts vallen onder deze categorie aanvullende opgelegde verplichtingen als
                    bedoeld in artikel 55 van de WWB, die strekken tot arbeidsinschakeling dan wel
                    die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die
                    strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand. Een verplichting kan,
                    op advies van een arts, inhouden het zich onderwerpen aan een noodzakelijke
                    behandeling van medische aard.</al><al><vet>Onderdeel d</vet></al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid. Voor het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid wordt verwezen
                    naar artikel 13 va de verordening.</al><al><vet>§ 2.2</vet></al><al><vet>Artikel 11.</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het niet dan wel onvoldoende nakomen van
                    de arbeidsplicht, worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst
                    van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger
                    geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen
                    of behouden van betaalde arbeid.</al><al><vet>Onderdeel a</vet></al><al>De eerste categorie betreft de verplichting om als werkzoekende geregistreerd te
                    (blijven) staan bij het Uitvoerings-instituut werknemersverzekeringen.</al><al><vet>Onderdeel b</vet></al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om
                    voldoende te solliciteren.</al><al>Voorts valt onder deze categorie de verplichting van belanghebbende alle
                    medewerking te verlenen bij het onderzoek naar zijn mogelijkheden op het terrein
                    van arbeidsinschakeling, alsmede de verplichting desgevraagd op tijd en de
                    juiste plaats te verschijnen in het kader van zijn arbeidsinschakeling.</al><al><vet>Onderdeel c</vet></al><al>Bij de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een langer beroep op uitkering dan strikt noodzakelijk wordt geacht. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaarding van arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende meewerking aan een opgesteld trajectplan.</al><al><vet>Onderdeel d</vet></al><al>De vierde categorie betreft het niet behouden van dan wel het niet aanvaarden /
                    verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. Van dringende redenen in dit
                    verband kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer de werknemer bij het sluiten van de overeenkomst de werkgever
                            heeft misleid door het vertonen van valse of vervalste getuigschriften,
                            of deze opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven omtrent de wijze
                            waarop zijn vorige arbeidsovereenkomst is geëindigd;</al></li><li nr="b."><al>wanneer hij in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te
                            missen tot de arbeid waarvoor hij zich heeft verbonden;</al></li><li nr="c."><al>wanneer hij zich ondanks waarschuwing overgeeft aan dronkenschap;</al></li><li nr="d."><al>wanneer hij zich schuldig maakt aan diefstal, verduistering en
                            bedrog;</al></li><li nr="e."><al>wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
                            medewerknemers mishandelt, grovelijk beledigt of op ernstige wijze
                            bedreigt;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij de werkgever, diens familieleden of huisgenoten, of zijn
                            medewerknemers verleidt of tracht te verleiden tot handelingen, strijdig
                            met de wetten of de goede zeden;</al></li><li nr="g."><al>wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, eigendom van
                            de werkgever beschadigt of aan ernstig gevaar blootstelt;</al></li><li nr="h."><al>wanneer hij opzettelijk, of ondanks waarschuwing roekeloos, zich zelf of
                            anderen aan ernstig gevaar blootstelt;</al></li><li nr="i."><al>wanneer hij bijzonderheden aangaande de huishouding of het bedrijf van
                            de werkgever, die hij behoorde geheim te houden, bekendmaakt;</al></li></lijst><al>wanneer hij hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke bevelen of opdrachten,
                    hem door of namens de werkgever verstrekt;</al><al>wanneer hij op andere wijze grovelijk de plichten veronachtzaamt, welke de
                    arbeidsovereenkomst hem oplegt;</al><al>wanneer hij door opzet of roekeloosheid buiten staat geraakt of blijft de
                    bedongen arbeid te verrichten.</al><al><vet>§ 2.3</vet></al><al><vet>Artikel 12.</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in vier
                    categorieën onderscheiden. Hierbij is het proportionaliteits- en
                    evenredigheidsbeginsel in ogenschouw genomen. De opgelegde maatregel dient in
                    een redelijke verhouding te staan tot de gedraging. Dit betekent, dat de
                    maatregel een groter financieel effect op de uitkering heeft naarmate de
                    gedraging ernstiger is. Voorts wordt met de op te leggen maatregel
                    gedragsverandering bij de bijstandsgerechtigde beoogd.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het uitgangspunt is dat verwijtbaar gedrag in beginsel leidt tot het opleggen
                    van een maatregel. Aangezien aan de gedraging als bedoeld in artikel 10, onder
                    a, en artikel 11, onder a, geen of weinig directe gevolgen zijn verbonden, wordt
                    met deze bepaling geregeld dat bij een dergelijke eerste verwijtbare gedraging
                    met een schriftelijke waarschuwing kan worden volstaan.</al><al>Het geven van een schriftelijke waarschuwing is een bevoegdheid. Indien
                    belanghebbende willens en wetens zijn inschrijving bij het UWV Werkbedrijf niet
                    heeft verlengd, kan er direct een maatregel als bedoeld in lid 1 worden
                    opgelegd. Een schriftelijke waarschuwing is ook een maatregel. Dat wil zeggen
                    dat bij herhaling in principe een maatregel wordt opgelegd met toepassing van de
                    recidiveregels.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerdere verwijtbare gedraging sprake is van
                    een herhaling van een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                    categorie, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                    een verdubbeling van de duur van de maatregel. Een eerdere verwijtbare gedraging
                    waarbij om dringende redenen is afgezien van het opleggen van een maatregel,
                    wordt in dit kader mede in aanmerking genomen. Voor het bepalen van de aanvang
                    van de termijn van 12 maanden geldt het tijdstip waarop de vorige verwijtbare
                    gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom verwijtbaar
                    gedrag uit dezelfde of een hogere categorie vertoont, wordt vanwege zware
                    verwijtbaarheid tevens de hoogte van het percentage verdubbeld. Als
                    belanghebbende ook na een derde maatregel blijft volharden in zijn gedrag, dient
                    de hoogte en de duur van de maatregel individueel te worden vastgesteld, waarbij
                    gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                    verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van belanghebbende.</al><al><vet>§ 2.4</vet></al><al><vet>Artikel 13.</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt uitsluitend in het kader van de Wet werk en
                    bijstand. De Wet IOAW / IOAZ kent niet een dergelijke bepaling. Voormelde
                    verplichting geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit
                    betekent, dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag
                    een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij
                    niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te
                    voorzien en als gevolg daarvan een beroep op bijstand moet doen, bij de
                    toekenning van de bijstand hiermee rekening wordt gehouden door het opleggen van
                    een maatregel. Dit geldt zowel voor algemene bijstand als bijzondere
                    bijstand.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een
                            alimentatievordering;</al></li><li nr="-"><al>het door eigen toedoen niet behouden van werk;</al></li><li nr="-"><al>het verrekenen van een recidiveboete bij een voor de bijstand
                            voorliggende voorziening, waarbij gedurende een periode van maximaal 5
                            jaar de opgelegde boete zonder inachtneming van de beslagvrije voet met
                            de voorliggende voorziening wordt verrekend, per saldo ontvangt de
                            belanghebbende dan niets.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe
                    lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel
                    voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond.</al><al>Een bijzondere vorm van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is het
                    door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder
                    begrepen gesubsidieerde arbeid.</al><al>Het gaat hier onder meer om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag op
                    staande voet wegens diefstal of werk-weigering. In deze gevallen wordt een
                    eventuele aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Omdat het in de
                    praktijk gaat om een gedraging die toch een zekere samenhang laat zien met de
                    gedragingen die in artikel 10 zijn gerangschikt (het niet aanvaarden van
                    algemeen geaccepteerde arbeid), wordt voor de hoogte van de maatregel daarbij
                    aangesloten.</al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Bij incidentele bijzondere bijstand bedraagt de hoogte van de maatregel het
                    bedrag waarop recht zou bestaan bij geen tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid alsmede geen aanspraak op een tegemoetkoming in het kader
                    van een voorliggende voorziening.</al><al><vet>Artikel 14.</vet></al><al>Het zich zeer ernstig misdragen valt expliciet onder de reikwijdte van artikel
                    18, lid 2 van de WWB dan wel artikel 20, lid 2 van de Wet IOAW / IOAZ. Bij de
                    parlementaire behandeling van de WWB heeft de wetgever aangegeven, dat er in dat
                    geval sprake is van een reparatoire sanctie, zolang er maar enig verband is
                    tussen de ernstige gedraging en mogelijke belemmeringen bij het vaststellen van
                    de uitkering. Indien er geen verband is tussen het wangedrag van de betrokkene
                    en de mogelijkheid van het vaststellen van het recht op uitkering, is er sprake
                    van een punitieve sanctie.</al><al>Bij een punitieve sanctie is sprake van leedtoevoeging (vergelijkbaar met
                    straffen in het strafrecht). Bij een reparatoire sanctie gaat het om herstel van
                    een gewenste toestand en/of gedraging. Bijvoorbeeld: een bijstandsgerechtigde
                    heeft niet of onvoldoende gesolliciteerd. De verlaging van de uitkering als
                    reparatoire sanctie heeft als doel dat de uitkeringsgerechtigde voortaan
                    voldoende sollicitatieactiviteiten ontwikkelt.</al><al>In een uitspraak van 29 juli 2008 (LJN: BD7970) stelt de Centrale Raad van
                    Beroep, kort samengevat, expliciet dat er te allen tijde een link moet zijn bij
                    agressief gedrag met schending van verplichtingen die aan de uitkering zijn
                    verbonden. In deze uitspraak was sprake van een situatie waarin het college aan
                    een bijstandsgerechtigde een toegangsverbod voor het gebouw heeft opgelegd. De
                    betreffende bijstandsgerechtigde meldde zich eigener beweging bij de voordeur
                    van het gebouw van de dienst om te informeren naar het tijdstip waarop de
                    maandelijkse uitkering aan hem betaalbaar zou worden gesteld. Nadat de
                    receptioniste hem wees op het gebouwverbod en verwees naar zijn toegewezen
                    contactpersoon die hij op bepaalde tijden kon bereiken, ging de
                    bijstandsgerechtigde toch het gebouw binnen en heeft daar vernielingen
                    aangebracht.</al><al>De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat, nu ‘het zich jegens het college zeer
                    ernstig misdragen’ niet kan worden beschouwd als een aparte aan de bijstand
                    verbonden verplichting tot het nalaten van dit gedrag, aan de
                    toepassings-voorwaarden van artikel 18, lid 2 WWB is voldaan, indien sprake is
                    van het niet of niet voldoende nakomen van een of meer verplichtingen die
                    voortvloeien uit de WWB. Het agressief gedrag is een verzwarende omstandigheid
                    aan het niet of niet voldoende nakomen van die verplichtingen. Nu in dit geval
                    geen sprake was van schending van aan de bijstand verbonden verplichtingen, was
                    het college niet bevoegd de uitkering te verlagen. De Centrale Raad van Beroep
                    merkt volledigheidshalve nog op, dat een verlaging van de bijstand wegens een
                    zeer ernstige misdraging niet alleen dan mogelijk is indien als gevolg van die
                    misdraging het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld. Het
                    verlagen van de bijstand is dus ook mogelijk indien sprake is van een zeer
                    ernstige misdraging en ondanks de schending van de aan de WWB verbonden
                    verplichtingen het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld.</al><al>Wanneer sprake is van een reparatoire sanctie die door het college wordt
                    opgelegd, bestaan er daarnaast de mogelijkheden van het strafrecht om zeer
                    ernstige misdragingen te bestraffen. Dit geldt niet bij een punitieve sanctie,
                    immers betrokkene kan niet twee maal voor hetzelfde feit worden bestraft. In dit
                    verband wordt opgemerkt, dat het doen van aangifte in het kader van het
                    strafrecht een dringende reden kan vormen om af te zien van het opleggen van een
                    maatregel met betrekking tot de zeer ernstige misdraging als verzwarende
                    omstandigheid. Tot slot zij vermeld, dat de gemeente beschikt over een
                    Agressieprotocol waarin nadere regels zijn opgesteld hoe in voorkomende gevallen
                    met agressief gedrag dient te worden omgegaan.</al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 3. Handhaving</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 15.</vet></al><al>Hierin krijgt het college de opdracht beleid te ontwikkelen ter voorkoming van
                    fraude. Hieraan wordt uitvoering gegeven middels de methodiek van “Hoogwaardig
                    Handhaven”. Hoogwaardig handhaven houdt in, dat bij de uitvoering van de
                    regelgeving fraude zo effectief en efficiënt mogelijk wordt voorkomen en
                    bestreden. Instrumenten die inhoud geven aan hoogwaardig handhaven zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>Voorlichting: het goed en vroegtijdig informeren van cliënten over hun
                            rechten en plichten alsmede handhaving,bijvoorbeeld door middel van de
                            cursus “In en uit de bijstand”;</al></li><li nr="-"><al>Poortwachter: het nagaan of aanvrager ook daadwerkelijk recht heeft op
                            een voorziening en of de hoogte daarvan correct wordt vastgesteld,
                            waarbij het uitgangspunt "werk boven uitkering" voorop staat;</al></li><li nr="-"><al>Verificatie en validatie: het controleren van de noodzakelijke gegevens
                            aan de hand van bewijsstukken die door de klant worden overgelegd,
                            teneinde zekerheid te krijgen omtrent de volledigheid van de gegevens en
                            inlichtingen controle bij externe instanties;</al></li><li nr="-"><al>Risicoprofielen: cliënten indelen in trajecten aan de hand van
                            risicoprofielen;</al></li><li nr="-"><al>Afspraken met partners in de keten: afspraken met partners (UWV en
                            re-integratiebedrijven) om de gemeente te informeren wanneer de cliënt
                            zich niet houdt aan zijn / haar verplichtingen;</al></li><li nr="-"><al>Statusformulier: het inleveren van een statusformulier, bij een
                            wijziging volgt dan eventueel een onderzoek;</al></li><li nr="-"><al>Signaalsturing (controle op maat): het volgen van cliënten indien zaken
                            opvallen die zouden kunnen duiden op frauduleus gedrag;</al></li><li nr="-"><al>Risicoanalyse (controle op maat): het extra controleren van cliënten met
                            een verhoogd risicoprofiel;</al></li><li nr="-"><al>Themacontrole: een thematisch onderzoek naar groepen cliënten waarbij
                            vermoeden bestaat op een verhoogd risico van onrechtmatig gedrag;</al></li><li nr="-"><al>Bestandsvergelijkingen: koppeling van het cliëntenbestand aan die van
                            andere instanties, hierdoor is maandelijks te zien welke klanten
                            inkomsten hebben waarover belasting en premies worden geheven, waarmee
                            witte fraude zeer snel wordt ontdekt en grotendeels voorkomen. Ook
                            worden via het inlichtingenbureau gegevens beschikbaar gesteld aan
                            instellingen zoals UWV, SVB, andere gemeenten, zorgverzekeraars en de
                            Informatiebeheergroep (studiefinanciering).</al></li><li nr="-"><al>Sancties: snel en kort na geconstateerd verzuim daadwerkelijk
                            sanctioneren;</al></li><li nr="-"><al>Fraudealert personeel: investeren in de fraudealertheid van de
                            klantmanagers, gericht op kennis, houding en vaardigheden.</al></li></lijst><al>Het bestrijden van fraude verlegt zich meer en meer naar het moment waarop de
                    potentiële klant een beroep doet op een voorziening. Een goede controle op de
                    aanvraag voorkomt dat klanten ten onrechte een voorziening krijgen. De controle
                    wordt voorafgegaan door voorlichting en heldere communicatie over het
                    fraudebeleid van de gemeente.</al><al><vet>Artikel 16.</vet></al><al>Tijdens de looptijd van een voorziening wordt fraude eveneens bestreden.
                    Middelen die hiervoor worden ingezet, zijn de bestandskoppelingen. Een voorbeeld
                    hiervan is het Inlichtingenbureau.</al><al>Ook worden bij de bestrijding risicoprofielen ingezet. Aan de hand hiervan kan
                    beter worden ingeschat of een cliënt fraudegevoelig is. Zodoende kunnen voor de
                    koppeling klanten worden geselecteerd die passen binnen een risicoprofiel.</al><al><vet>Artikel 17.</vet></al><al>Als belanghebbende niet aan zijn inlichtingenverplichtingen voldoet, wordt
                    conform de wet een bestuurlijke boete opgelegd dan wel aangifte van fraude
                    gedaan bij het Openbaar Ministerie, onverminderd de terugvordering van bijstand
                    dan wel inkomensvoorziening.</al><al><vet>Artikel 18.</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Met de gekozen opzet wordt uiting gegeven aan het principe dat fraude niet mag
                    lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Toch zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht, zoals bij dringende redenen.
                    Een dreigende huisuitzetting kan worden gezien als een dringende reden om van
                    verrekening met de beslagvrije voet, al dan niet gedeeltelijk, af te zien.
                    Voorkomen moet worden dat een belanghebbende met zijn gezin door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, waarmee de problematiek alleen maar
                    verergert met alle maatschappelijke kosten van dien. Ook bij aanwezigheid van
                    andere dringende redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan rekening worden
                    gehouden met de bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is
                    niet snel sprake. Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de
                    behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren
                    op geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het
                    belanghebbende door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te
                    voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van
                    dringende redenen. In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken
                    krijgen met verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde
                    recidiveboete te verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat
                    geval aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de
                    regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering
                    verstrekt, moet gehoor geven aan dit verzoek.</al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In artikel 60b, lid 3, van de WWB is bepaald dat de bevoegdheid om te verrekenen
                    met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder opgelegde bestuurlijke
                    boetes voor zover op het moment van verrekening van de recidive-boete, die
                    eerdere boetes nog niet zijn betaald. Dit artikellid verklaart lid 1 in een
                    dergelijk geval van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet><onderstreept>Hoofdstuk 4. Slotbepalingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 19.</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 20.</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 21.</vet></al><al>De handhavingsverordening, de maatregelenverordening voor de bijstand alsmede
                    die voor de Wet IOAW / IOAZ zijn samengevoegd.</al><al><vet>Artikel 22.</vet></al><al>Op 1 januari 2013 treedt de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking.</al><al><vet>Artikel 23.</vet></al><al>Middels artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving is in overgangsrecht voorzien. Met toepassing van de
                    maatregelenverordening zoals die geldt op 31 december 2012, moet nog een
                    maatregel worden opgelegd als:</al><lijst><li nr="-"><al>de gedraging in zijn geheel vóór 1 januari 2013 heeft
                            plaatsgevonden;</al></li><li nr="-"><al>de gedraging vóór 1 januari 2013 is aangevangen en gedurende maximaal 30
                            dagen na 1 januari 2013 heeft voortgeduurd.</al></li></lijst><al>Een boete wordt opgelegd:</al><lijst><li nr="-"><al>als de gedraging na 1 januari 2013 heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="-"><al>vóór 1 januari 2013 is aangevangen en meer dan 30 dagen na 1 januari
                            2013 heeft voortgeduurd.</al></li></lijst></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>