<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR26099_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet Werk en bijstand 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Steenwijkerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2009, 1</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel b en art. 18</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2009-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2008/120</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Verordening Maatregelenverordening Wet werk en bijstand.</al><al>Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze verordening zijn de Beleidsregels Maatregelenverordening ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet Werk en bijstand 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Steenwijkerland/Westerveld;</al><al/><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet werk
                        en bijstand;</al><al/><al>overwegende, datbij verordening regels dienen te worden gesteld ter
                        verlaging van de bijstand,</al><al/><al>besluit </al><al/><al>vast te stellen:</al><al>de gewijzigde Maatregelenverordening Wet Werk en bijstand 2009 onder
                        gelijktijdige intrekking van de maatregel Wet Werk en Bijstand, zoals
                        laatstelijk vastgesteld op 9 november 2004;</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="c."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    b, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d, van de wet;</al></li><li nr="e."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c, van de wet, inclusief bijzondere bijstand bedoeld in artikel
                                    12 van de wet;</al></li><li nr="f."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel
                                    18, tweede lid van de wet; </al></li><li nr="g."><al>het bestuur: het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam
                                    Intergemeentelijke Samenwerkingsverband Werk en Inkomen
                                    Steenwijkerland en Westerveld;</al></li><li nr="h."><al>belanghebbende: degene als genoemd in artikel 1:2 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht, waaronder mede begrepen het
                                    gezin;</al></li><li nr="i."><al>benadelingsbedrag: de als gevolg van het niet of niet behoorlijk
                                    nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of tot een
                                    te hoog bedrag betaalde bijstand, verhoogd met de loonbelasting
                                    en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente krachtens
                                    de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede
                                    met de vergoeding bedoeld in artikel 46 van de
                                    Zorgverzekeringswet, voor zover deze belasting, premies en
                                    vergoeding niet verrekend kunnen worden met de door het bestuur
                                    af te dragen loonbelasting, premies Volksverzekeringen en
                                    vergoeding; </al></li><li nr="j."><al>traject: een re-integratietraject als bedoeld in artikel 1, lid
                                    2, sub g van de reintegratieverordening.</al></li><li nr="k."><al>adequate zorgverzekering: Onder adequate zorgverzekering
                                    verstaat de gemeente </al><lijst><li nr="1."><al>de collectieve zorgverzekering voor minima;</al></li><li nr="2."><al>een zorgverzekering bestaande uit de verplichte
                                            basisverzekering, een aanvullende verzekering en een
                                            tandartsverzekering waarvoor belanghebbende een premie
                                            moet betalen die tenminste gelijk is aan de premie die
                                            belanghebbende verschuldigd zou zijn bij deelname aan de
                                            collectieve zorgverzekering voor minima. Belanghebbenden
                                            met een volledige boven- en onderprothese hoeven geen
                                            tandartsverzekering af te sluiten om adequaat verzekerd
                                            te zijn tegen ziektekosten.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het bestuur
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28,
                                tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                bestuur zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                                verordening een maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm, tenzij de
                                verordening anders bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien aan belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        bestuur of van een derde aan wie het bestuur met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet; of</al></li><li nr="d."><al>het bestuur het horen niet nodig acht in voor het
                                        vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het bestuur heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt
                                        waardoor ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel
                                        wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                        opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                        gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het bestuur afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd en het bedrag waarmee de
                            bijstand wordt verlaagd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tenzij anders in de verordening is bepaald, wordt de maatregel
                                opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de
                                datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de
                                belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor
                                die maand geldende bijstandsnorm, tenzij de verordening anders
                                bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel alsnog worden
                                opgelegd, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen als genoemd in artikel 18, tweede lid van de
                            wet wordt de maatregel behorende bij de gedraging van de hoogste
                            categorie opgelegd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen plichten tot arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet of niet tijdig laten registreren als
                                            werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen
                                            of het niet of niet tijdig laten verlengen van de
                                            registratie; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate verstrekken van
                                            inlichtingen aan het bestuur die nodig zijn voor het
                                            bepalen van een geschikt re-integratietraject en/of
                                            geschikte voorzieningen.</al></li><li nr="c."><al>het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een door
                                            het bestuur aangeboden voorziening gericht op sociale
                                            activering of het niet of niet naar vermogen deelnemen
                                            aan de verschillende onderdelen van het
                                            re-integratietraject gericht op sociale activering.
                                        </al></li><li nr="d."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de
                                            specifieke verplichtingen die het bestuur aan een
                                            aangeboden voorziening verbindt gericht op sociale
                                            activering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om in
                                            verband met de inschakeling in de arbeid op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen; </al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            als bedoeld in artikel 5 van de
                                            re-integratieverordening; </al></li><li nr="d."><al>het zich niet laten inschrijven bij uitzendbureaus.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een door
                                            het bestuur aangeboden voorziening, of het niet of niet
                                            naar vermogen deelnemen aan de verschillende onderdelen
                                            van het re-integratietraject uitgezonderd voorzieningen
                                            of trajecten gericht op sociale activering of Werk Nu.
                                        </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de
                                            specifieke verplichtingen die het bestuur aan een
                                            aangeboden voorziening verbindt, uitgezonderd specifieke
                                            verplichtingen verbonden aan sociale activering of Werk
                                            Nu. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het weigeren mee te werken aan Werk Nu;</al></li><li nr="b."><al>het verwijtbaar verliezen van de arbeidsstage in het
                                            kader van Werk Nu.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie;</al></li><li nr="e."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende drie achtereenvolgende
                                        maanden bij een gedraging van de vijfde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onderdelen a
                                tot en met d wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                van dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid
                                onderdelen a tot en met d, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig
                                maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere
                                categorie, dan wordt door het bestuur aan belanghebbende een
                                maatregel opgelegd van maximaal honderd procent van de bijstand
                                gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Te laat verstrekken van gegevens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor
                                de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het bestuur daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt met
                                toepassing van artikel 54 van de wet een maatregel opgelegd van vijf
                                procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van een jaar na bekendmaking van een besluit
                                waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een
                                als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het eerste
                                lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet tijdig nakomen van de
                                verplichting plaatsvindt binnen een periode van een jaar te rekenen
                                vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                waarschuwing is gegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                                voor de bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte
                                of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel
                                afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 500,-: 5% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 500,- tot € 1000,-: 10% van
                                        de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20% van
                                        de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40% van
                                        de bijstandsnorm gedurende één maand;</al></li><li nr="e."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100% van de
                                        bijstandsnorm gedurende één maand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van het
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt
                                onderzocht door het openbaar ministerie. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De oplegging van de maatregel blijft definitief achterwege indien
                                ter zake van de gedraging tegen de belanghebbende een
                                strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een
                                aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is
                                vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nieuwe aanvraag</titel></kop><al>Indien verlaging van de bijstandsnorm overeenkomstig artikel 12 niet
                            mogelijk is, wordt de bijstandsnorm verlaagd gedurende de eerstvolgende
                            maand(en) nadat aan belanghebbende binnen twee jaar nadat de betreffende
                            gedraging heeft plaats gevonden, opnieuw een uitkering is
                            toegekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                                gevolgen voor de Bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het tot
                                onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt
                                de maatregel vijf procent van de bijstand gedurende een maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, en anders
                                dan genoemd in de hoofdstukken 2 en 3 wordt een maatregel opgelegd
                                die wordt afgestemd op artikel 2, tweede lid van deze verordening
                                dan wel op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn
                                gedraging eerder of langer een beroep doet op bijstand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid,
                                van de WWB worden onder andere de volgende gedragingen
                                aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>het op verzoek niet terstond ter inzage verstrekken van een
                                        geldig legitimatiebewijs (art. 17, lid 4 WWB);</al></li><li nr="b."><al>het niet meewerken aan het verrichten van noodzakelijke
                                        betalingen uit de toegekende bijstand (budgettering art. 57,
                                        sub a WWB;</al></li><li nr="c."><al>het niet meewerken aan een schuldsanering (art. 55 WWB);
                                    </al></li><li nr="d."><al>het niet meewerken aan een noodzakelijke behandeling van
                                        medische aard (art. 55 WWB);</al></li><li nr="e."><al>niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot
                                        stand te brengen (art. 55 WWB);</al></li><li nr="f."><al>verkoop woning beneden de waarde (art. 55 WWB);</al></li><li nr="g."><al>te snelle intering van vermogen (art. 55 WWB);</al></li><li nr="h."><al>onderbedeling bij echtscheiding (art. 55 WWB);</al></li><li nr="i."><al>te late of geen aanvaarding voorliggende voorziening (art.
                                        55 WWB);</al></li><li nr="j."><al>het niet afsluiten van een zorgverzekering of het niet
                                        afsluiten van een adequate zorgverzekering (artikel 1 sub
                                        j).</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte en duur van de maatregel wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>5% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        gedraging als bedoeld in artikel 15, tweede lid onder a, b
                                        of c;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        gedraging als bedoeld in artikel 15, tweede lid onder d of
                                        e;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                        gedraging als bedoeld in artikel 15, tweede lid onder f, g,
                                        h of i;</al></li><li nr="d."><al>een bedrag aan bijstand gelijk aan de vergoeding die
                                        belanghebbende van de zorgverzekeraar zou ontvangen als hij
                                        wel een adequate zorgverzekering zou hebben afgesloten (
                                        artikel 15, tweede lid, onder j); </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder a en
                                b, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede
                                lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid,
                                onder a en b, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan
                                een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan
                                wordt door het bestuur aan belanghebbende een maatregel opgelegd van
                                maximaal honderd procent van de bijstand gedurende maximaal drie
                                maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.\</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                bestuur of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                                verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel
                                18, tweede lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van vijftig
                                procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder zeer ernstige misdraging tegenover het bestuur of zijn
                                ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van
                                de WWB, wordt onder andere verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt
                                aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het
                                eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
                                gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van
                                dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien er sprake is van recidive zoals genoemd in het derde lid dan
                                kan de cliënt de toegang tot het bedrijfsverzamelgebouw en het
                                gemeentehuis worden ontzegd door het bestuur.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het bestuur biedt een handhavingsplan aan de gemeenteraad aan met daarin
                            het te voeren beleid op het gebied van handhaving, bestrijding van
                            misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten
                            resultaten en het rapporteert hierover jaarlijks aan de
                            gemeenteraad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Beslissing van het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk
                                Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Steenwijkerland en Westerveld
                                in gevallen waarin de verordening niet voorziet.</titel></kop><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            bestuur.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Maatregelenverordening Wet Werk en Bijstand voor de gemeente
                                Steenwijkerland, zoals laatstelijk vastgesteld bij raadsbesluit van
                                9 november 2004 wordt ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk
                            en bijstand 2009.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,­</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, R.G.H.P. Moonen­</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter, drs. H.H. Apotheker</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><tussenkop>De regeling in de Wet werk en bijstand</tussenkop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB per 1 januari 2004 vervalt het systeem van
                    boeten en maatregelen van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met
                    14f, nader uitgewerkt in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (Stb.1996/360
                    en Stb.1996/662), hierna te noemen: Maatregelenbesluit en het Boetebesluit
                    socialezekerheidswetten (Stb. 2000, 462), hierna te noemen: Boetebesluit. In
                    plaats daarvan moeten gemeenten zelf hun maatregelenbeleid vormgeven. De WWB
                    kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als
                    sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden
                    verdwijnt.</al><al-groep><al>Artikel 18 WWB bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid in
                        een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt: </al><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen
                                af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                                belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Indien de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de
                                artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen, verlaagt het college overeenkomstig
                                de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, de
                                bijstand. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van
                                verwijtbaarheid ontbreekt.</al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                                binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                                bedraagt.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende mede
                                verstaan het gezin.</al></li></lijst></al-groep><al-groep><al>In het eerste lid van artikel 18 wordt gesproken over het
                            <cursief>afstemmen</cursief> van de bijstand en de daaraan verbonden
                        verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de
                        belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                        hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor de
                        uitkeringsgerechtigden <cursief>maatwerk</cursief> is, waarbij recht wordt
                        gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                        uitkeringsgerechtigden. </al><al>In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten en
                        verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is
                        altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van
                        de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van
                        de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke bijstandsnorm en de
                        beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                        opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het bestuur tot het
                        oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                        onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake
                        van een bevoegdheid, maar van een <cursief>verplichting</cursief>. Alleen
                        wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het bestuur af van
                        zo’n verlaging.</al><al>Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de
                        gemeenteraad vast te stellen verordening. Dit is de Maatregelenverordening
                        Wet werk en bijstand.</al></al-groep><tussenkop>Verplichtingen van belanghebbende</tussenkop><al-groep><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                        verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het betonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat
                                uit twee soorten verplichtingen: </al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                        verkrijgen en de plicht om deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het bestuur
                                        aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij
                                        arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen moeten nader worden
                                        uitgewerkt in specifieke verplichtingen die zijn toegesneden
                                        op de situatie en mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde.
                                        De re-integratieverordening vormt de juridische basis voor
                                        het opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze
                                        verplichtingen worden in het besluit tot het verlenen van
                                        bijstand neergelegd.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                uitkeringsgerechtigde rust de verplichting om aan het bestuur op
                                verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
                                feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
                                zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                                het recht op bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                                uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het bestuur<cursief> de
                                </cursief>medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor
                                de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei
                                concrete verplichtingen bestaan, zoals het meewerken aan een
                                psychologisch onderzoek. </al></li></lijst><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                        van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich jegens </cursief>het
                            bestuur<cursief> zeer ernstig misdragen’</cursief>. </al></al-groep><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen (CWI) te verstrekken die nodig zijn voor de
                    beslissing door het bestuur (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting
                    om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee
                    te delen aan het CWI, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op
                    bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand.</al><tussenkop>De term ‘maatregel’</tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand op grond van het feit dat de belanghebbende zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt in de
                    terminologie van de WWB aangeduid als het <cursief>afstemmen</cursief> van de
                    uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen
                    nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het uitgangspunt van de WWB benadrukt
                    dat rechten en plichten twee kanten van dezelfde medaille vormen. </al><al>Het verlagen van de bijstand vanwege het niet of onvoldoende nakomen van
                    verplichtingen wordt in deze verordening aangeduid als <cursief>het opleggen van
                        een maatregel</cursief>. Daarmee wordt niet alleen aangesloten bij het
                    spraakgebruik dat sinds de Wet Boeten en Maatregelen gangbaar is, maar wordt ook
                    het sanctionerende karakter ervan benadrukt. </al><al>Het opleggen van een maatregel is géén <cursief>punitieve </cursief>sanctie,
                    waarbij het leedtoevoegend karakter voorop staat, maar een
                        <cursief>reparatoire</cursief> sanctie, gericht op het (weer) in
                    overeenstemming brengen van de hoogte van de bijstand met de mate waarin de
                    bijstandsgerechtigde de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt. Een
                    uitzondering vormt een maatregel vanwege schending van de inlichtingenplicht.
                    Een verlaging van de bijstand vanwege een schending van de inlichtingenplicht
                    dient wel te worden aangemerkt als een punitieve sanctie als bedoeld in artikel
                    15 IVBPR (CRvB 24 april 2007, nr. 06/2556 WWB).</al><tussenkop>De relatie met de re-integratieverordening</tussenkop><al>De gemeente moet gelijktijdig met de maatregelenverordening ook een
                    re-integratieverordening vaststellen. In deze verordening is vastgelegd hoe de
                    gemeente de klanten gaat ondersteunen bij de arbeidsinschakeling en hoe zij
                    omgaat met het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling.
                    Voorbeelden van voorzieningen zijn: scholing, loonkostensubsidies, werkstages,
                    werkervaringsbanen, sociale activering en trajectplannen. </al><al>In beginsel wordt aan iedere klant de arbeidsverplichting opgelegd. De algemene
                    verplichting staat in artikel 9 van de wet. De gemeente kan deze verplichting
                    nader specificeren en de specificaties in de beschikking vastleggen. </al><al>Indien een klant de verplichtingen niet nakomt, leidt dit in beginsel tot een
                    maatregel, waarvoor de basis is gelegd in de maatregelenverordening.</al><tussenkop>De verordening op grond van artikel 8a WWB</tussenkop><al>Artikel 8a houdt in dat de gemeenteraad in een verordening regels stelt voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Het doel van dit artikel is de handhaving van de
                    WWB en het fraudebeleid op de agenda van de gemeenteraden te zetten. De
                    gemeenteraad kan een aparte fraudeverordening vaststellen, maar kan ook
                    aansluiten bij de verordening maatregelen en hoeft in dat geval geen aparte
                    fraudeverordening op te stellen. In deze verordening is een bepaling opgenomen
                    inzake het handhavingsbeleid en daarmee is voldaan aan artikel 8a van de
                    wet.</al><tussenkop>Artikelgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><al-groep><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de begrippen in de WWB.</al><al>Het begrip ‘<cursief>benadelingsbedrag’ </cursief> is in deze verordening
                        opgenomen. Dit begrip komt niet voor in de wet, maar is van belang omdat in
                        artikel 12 de maatregel wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. Bij de
                        omschrijving van het begrip is uitgegaan van de omschrijving van het begrip
                        kosten van bijstand als genoemd in de Memorie van Toelichting op artikel 58
                        vierde lid van de WWB (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 77-78 (Memorie van
                        Toelichting WWB, artikelsgewijs).</al><al>Ook het begrip <cursief>‘traject’</cursief> is in de verordening opgenomen.
                        Bij de omschrijving van dit begrip is aansluiting gezocht bij de
                        re-integratieverordening.</al><al>In de verordening wordt het begrip <cursief>‘belanghebbende’</cursief>
                        gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                        omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is
                        betrokken’. In navolging van artikel 18, vierde lid van de wet is gesteld
                        dat hieronder mede verstaan wordt het gezin.</al><al>Belanghebbenden die niet deelnemen aan de collectieve zorgverzekering maar
                        wel een zorgverzekering hebben afgesloten waarvoor zij ten minste net zoveel
                        premie moeten betalen als bij deelname aan de collectieve zorgverzekering
                        (inclusief premiekorting) worden geacht adequaat verzekerd te zijn tegen
                        ziektekosten.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al-groep><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                        verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid).</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat
                                uit twee soorten verplichtingen: </al><al>- de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen en deze te aanvaarden; en </al><al>- de plicht gebruik te maken van een door het bestuur aangeboden
                                voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                                verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                                verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden
                                van de bijstandsgerechtigde. De re-integratieverordening die elke
                                gemeente moet opstellen, vormt de juridische basis voor opleggen van
                                deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het
                                besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                                uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het bestuur op
                                verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle
                                feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
                                zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of
                                het recht op bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                                uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het bestuur de medewerking te
                                verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
                                De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen
                                bestaan, zoals:</al><al> - het toestaan van huisbezoek;</al><al> - het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                                schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘<cursief>het zich
                                    jegens </cursief>het bestuur <cursief>zeer ernstig misdragen’.
                                </cursief></al></li></lijst></al-groep><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft
                    de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale
                    organisatie werk en inkomen te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing
                    door het bestuur (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de verplichting om op
                    verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te
                    delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                    duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
                    het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de
                    bijstand. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al-groep><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld
                        in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd<cursief>: </cursief>het
                        bestuur dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                        omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                        bepaling brengt met zich mee dat het bestuur bij elke op te leggen maatregel
                        zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                        uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de
                        standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.
                    </al></al-groep><al-groep><al>Dit betekent dat het bestuur bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                        opgelegd en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                        doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst></al-groep><al-groep><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate
                        van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                                bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                                is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li></lijst></al-groep><tussenkop>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd over
                    de bijstandsnorm<cursief>, </cursief>tenzij de verordening anders bepaalt. Onder
                    de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke
                    toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>De 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage jongerennorm ad € 199,01
                    (peildatum 01-07-2004) wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                    opzichte van de 21-jarigen. </al><tussenkop>Artikel 4. Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb). </al><al-groep><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb. In
                        onderdeel c is, conform artikel 4:8, tweede lid van de Awb, geregeld dat een
                        belanghebbende ook niet gehoord hoeft te worden als hij niet heeft voldaan
                        aan een wettelijke verplichting om inlichtingen te vestrekken. Dit betreft
                        het in de hersteltermijn verstrekken van inlichtingen aan het bestuur of aan
                        derden als bedoeld in artikel 7, vierde lid van de wet, aan wie het bestuur
                        werkzaamheden heeft uitbesteed.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB.</al><al-groep><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit
                        (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging
                        heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat
                        het bestuur geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                        geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die staat in artikel
                        14e van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een boete
                        wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt
                        voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het
                        feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude
                        (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al></al-groep><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Hierin wordt geregeld dat het bestuur kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>De beslissing om af te zien van het opleggen van een maatregel wegens dringende
                    redenen moet worden meegedeeld door middel van een besluit. Dit is van belang in
                    verband met eventuele recidive.</al><tussenkop>Artikel 6. Het besluit tot opleggen van een maatregel </tussenkop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit
                    in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name uit het motiveringsbeginsel.
                    Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van
                    een deugdelijke motivering wordt voorzien. </al><tussenkop>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering vindt plaats door middel van verlaging van het
                    uitkeringsbedrag in de eerstvolgende maand(en). Er wordt hierbij uitgegaan van
                    de voor die maand geldende bijstandsnorm, tenzij de verordening anders
                    bepaalt.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, dan kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering met
                    terugwerkende kracht te laten plaatsvinden met ingang van de voorafgaande
                    kalendermaand(en). </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al-groep><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                        maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de
                        uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij
                        aan toe is. Het bestuur kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel
                        is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een
                        apart besluit nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal
                        het bestuur de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is
                        geregeld in artikel 18, derde lid WWB.</al><al>Er mag zelf worden bepaald wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat
                        maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n
                        herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij
                        alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden
                        gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het bestuur moet beoordelen of
                        het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan
                        worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar
                        bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                        voldoet.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</tussenkop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. </al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging,
                    dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Niet nakomen verplichtingen tot
                    arbeidsinschakeling</tussenkop><tussenkop>Artikel 9. Indeling in categorieën</tussenkop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vijf categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat de WWB, in tegenstelling
                    tot de Abw, volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                    arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel
                    mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde. </al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij het CWI en ingeschreven te doen blijven.
                    Onderdeel b betreft het verstrekken van inlichtingen aan het bestuur die nodig
                    zijn voor het bepalen van een geschikt re-integratietraject en/of geschikte
                    voorzieningen. Onderdelen c en d hebben betrekking op re-integratietrajecten
                    gericht op sociale activering als bedoeld in artikel 9 lid 1 onder b WWB. Tussen
                    deze onderdelen en de onderdelen in de derde categorie is onderscheid gemaakt,
                    omdat het niet of niet voldoende meewerken aan sociale activering veel minder
                    concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van betaalde arbeid dan de
                    overige voorzieningen genoemd in de derde categorie. Dit gelet op de zeer grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt van personen die voorzieningen in het kader van
                    sociale activering krijgen aangeboden. </al><al>De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve
                    opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de
                    belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Onderdeel b betreft
                    het voldoen aan oproepen. Daarnaast dient de belanghebbende mee te werken aan
                    een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in
                    artikel 5 van de re-integratieverordening (onderdeel c). Op grond van
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient er een maatregel uit de
                    tweede categorie te worden opgelegd wanneer een belanghebbende niet aan de
                    verplichting voldoet om zich bij uitzendbureaus in te laten schrijven (onderdeel
                    d). </al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die (in-)direct een aanleiding
                    vormen tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren.
                    Dergelijke gedragingen betreffen het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van
                    een door het bestuur aangeboden voorziening of het niet of niet naar vermogen
                    deelnemen aan de verschillende onderdelen van het re-integratietraject
                    (onderdelen a en b), alsmede het niet voldoen aan de hieraan verbonden
                    verplichtingen (onderdeel c). Werk Nu en sociale activering vallen niet onder de
                    derde categorie. </al><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand algemeen
                    geaccepteerde deeltijdarbeid niet behouden. </al><al>De vijfde categorie heeft betrekking op Werk Nu. In de vijfde categorie worden
                    twee gedragingen onderscheiden. </al><al><vet>Weigeren mee te werken aan Werk Nu. </vet>Gelet op het (verwachte)
                    uitstroomresultaat naar regulier werk bij deelname aan Werk Nu en het feit dat
                    gedurende Werk Nu door de klant een stagevergoeding wordt ontvangen gelijk aan
                    de voor hem/haar geldende bijstandsnorm, is het redelijk de gedraging onder te
                    brengen in de zwaarste categorie. </al><al><vet>Verwijtbaar verliezen van de arbeidsstage in het kader van Werk Nu.</vet>
                    Hiervan is sprake als belanghebbende zich zodanig heeft gedragen dat hij zijn
                    arbeidsstage in het kader van Werk Nu verliest, terwijl hij had kunnen weten dat
                    zijn gedrag tot verlies van de werkstage zou kunnen leiden. Denk aan diefstal op
                    de plek waar belanghebbende de arbeidsstage loopt of aan ernstige bedreiging van
                    de stagebegeleiders, overige medewerkers (van de IGSD of het
                    re-integratiebedrijf) of deelnemers aan Werk Nu. Gelet op het (verwachte)
                    uitstroomresultaat naar regulier werk bij deelname aan Werk Nu en het feit dat
                    gedurende Werk Nu door de klant een stagevergoeding wordt ontvangen die gelijk
                    is aan de voor hem/haar geldende bijstandsnorm, is het redelijk de gedraging
                    onder te brengen in de zwaarste categorie.</al><tussenkop>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vijf categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De percentages
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd wijken enigszins af van het
                    Maatregelenbesluit. Bij het vaststellen van de percentages waarmee de bijstand
                    wordt verlaagd is invulling gegeven aan de eisen van proportionaliteit en
                    evenredigheid. Ook is gekeken naar de effectiviteit van de maatregel in de zin
                    dat de maatregel de beoogde gedragsverandering zal bewerkstelligen. Omdat uit de
                    praktijk gebleken is dat de huidige maatregelen voor met name de categorieën 2
                    en 3 niet effectief zijn, zijn in de verordening de percentages voor genoemde
                    categorieën naar boven bijgesteld. Verder is ten opzichte van het oude
                    Maatregelenbesluit een categorie toegevoegd. Door de weigering of het
                    verwijtbaar verliezen van de arbeidsstage in het kader van Werk Nu verliest
                    belanghebbende niet alleen een stagevergoeding die gelijk is aan de
                    bijstandsnorm waardoor belanghebbende een beroep op bijstand moet doen, maar
                    verkleint hij ook zijn kans op uitstroom naar regulier werk gelet op het grote
                    uitstroomresultaat dat met Werk Nu wordt behaald.</al><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                    een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Uitgezonderd zijn gedragingen die onder de vijfde categorie. Dit
                    gelet op artikel 18 lid 3 van de WWB. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de
                    eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een
                    maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is
                    geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf
                    maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd,
                    bekend is gemaakt. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging zich wederom schuldig
                    maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie binnen
                    de termijn van twaalf maanden, kan een maatregel worden opgelegd van honderd
                    procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal drie maanden. Uitgezonderd zijn
                    gedragingen die onder de vijfde categorie. Dit gelet op artikel 18 lid 3 van de
                    WWB.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht</tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Te laat verstrekken van gegevens</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al>Indien een belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het bestuur het
                    recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het bestuur geeft de
                    belanghebbende vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen
                    (de hersteltermijn).</al><al>Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente
                    verstrekt, dan kan het bestuur het besluit tot toekenning van de bijstand
                    intrekken. Intrekken is uitsluitend aan de orde wanneer het recht op bijstand
                    niet meer kan worden vastgesteld. Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                    hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens
                    een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de maatregel.</al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Indien binnen een jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook indien de
                    maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van
                    de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende.</al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al-groep><al>Het te laat verstrekken van informatie heeft geen gevolgen voor de hoogte
                        van de bijstand. Daarom kan volstaan worden met een schriftelijke
                        waarschuwing. De gemeente kende onder het oude regime ook al de
                        schriftelijke waarschuwing en deze blijkt in de praktijk goed te
                        werken.</al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                        herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder
                        toepassing van de recidivemaatregel.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                    gevolgen voor de bijstand</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al-groep><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en de
                        omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                        invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
                        Onder onverwijld moet worden verstaan uiterlijk binnen 30 dagen, gerekend
                        vanaf het moment waarop het te melden feit of omstandigheid zich heeft
                        voorgedaan, dan wel kenbaar werd voor belanghebbende.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                        benadelingsbedrag.</al></al-groep><tussenkop>Tweede lid </tussenkop><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending van
                    die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al>Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest voor het opleggen een maatregel, ook indien de
                    maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van
                    de aanvang van de termijn van 24 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende. </al><tussenkop>De relatie met de strafrechtelijke sanctie (vierde en vijfde
                    lid)</tussenkop><al>Wanneer het gaat om verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht geldt
                    de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (zie Stcrt. 2004, nr. 170). Op grond van
                    deze Aanwijzing is het bestuur het aangewezen orgaan om corrigerend op te treden
                    voor fraudezaken tot een nadeelbedrag van € 6.000,-.</al><al-groep><al>Uitgangspunten: Geen vervolging, tenzij geen mogelijkheid bestaat tot het
                        nemen van een bestuursrechtelijke maatregel. De grens van € 6.000,- voor
                        strafrechtelijke afdoening geldt onder de Wet werk en bijstand niet voor
                        zaken tegen verdachten die geen bijstandsuitkering (meer) genieten en
                        waartegen de gemeente derhalve geen corrigerende maatregel meer kan
                        opleggen. Daarbij hanteert het OM een ondergrens van € 1.000,-.
                        Benadelingsbedragen lager dan € 1.000,00 doet het OM in principe niet
                        af.</al><al>Boven de grens van € 6.000,00 wordt in principe strafrechtelijk opgespoord
                        en vervolgd. De Aanwijzing bevat bovendien een voorziening dat het Openbaar
                        Ministerie contact onderhoudt met het bestuur. </al><al>Indien het bestuur van de inlichtingenfraude aangifte doet bij het Openbaar
                        Ministerie, dient het af te zien van een verlaging wegens de
                        inlichtingenfraude. Anders zou er sprake zijn van een dubbele bestraffing,
                        hetgeen in strijd is met het beginsel van 'ne bis in idem'. Er is echter
                        geen sprake van dubbele bestraffing indien belanghebbende voor een andere
                        rechtsfeit wordt vervolgd dan voor de inlichtingenfraude.</al></al-groep><tussenkop>Artikel 13. Nieuwe aanvraag</tussenkop><al>Wanneer de uitkering niet kan worden verlaagd overeenkomstig de situatie zoals
                    beschreven in artikel 12, omdat de uitkering reeds is beëindigd, volgt een
                    verlaging gedurende de eerstvolgende maand(en) indien binnen twee jaar na de
                    verwijtbare gedraging opnieuw een uitkering wordt toegekend, om op deze wijze
                    alsnog een maatregel te kunnen toepassen, .</al><tussenkop>Artikel 14. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                    gevolgen voor de bijstand </tussenkop><tussenkop>Eerste lid </tussenkop><al>In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens of het niet melden van
                    vrijwilligerswerk. </al><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al>Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een
                    herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook indien de
                    maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van
                    de aanvang van de termijn van 24 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende. </al><tussenkop>Derde lid</tussenkop><al-groep><al>Bij nulfraude kan er worden volstaan met het geven van een schriftelijke
                        waarschuwing. </al><al>De gemeente kende onder het oude regime ook al de schriftelijke waarschuwing
                        wanneer de gemeente niet financieel was benadeeld en deze blijkt in de
                        praktijk goed te werken. </al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                        herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder
                        toepassing van de recidivemaatregel. </al></al-groep><tussenkop>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</tussenkop><tussenkop>Artikel 15. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</tussenkop><tussenkop>Eerste lid</tussenkop><al-groep><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te betonen voor
                        de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering
                        wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand
                        aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                        heeft betoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de
                        kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een
                        bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand
                        hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. </al><al>De maatregel dient afgestemd te worden op de ernst van de gedraging, de mate
                        van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende,
                        dan wel op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging
                        eerder of langer een beroep doet op bijstand.</al></al-groep><tussenkop>Tweede lid</tussenkop><al-groep><al>In dit lid wordt vastgesteld welke gedragingen kunnen worden aangemerkt als
                        het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als genoemd
                        in artikel 15, eerste lid. </al><lijst><li nr="a."><al><vet>het op verzoek niet terstond ter inzage verstrekken van een
                                    geldig legitimatiebewijs (art. 17, lid 4 WWB). </vet> Het zich
                                kunnen legitimeren kan een voorwaarde zijn om aanspraak te maken op
                                of het behouden van een voorziening ingevolge de WWB;</al></li><li nr="b."><al><vet>het niet meewerken aan het verrichten van noodzakelijke
                                    betalingen uit de toegekende bijstand (budgettering art. 57, sub
                                    a WWB). </vet>Indien er naar het oordeel van het bestuur
                                gegronde redenen zijn om aan te nemen dat belanghebbende zonder hulp
                                niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn
                                bestaansmiddelen, kan de verplichting worden opgelegd dat er
                                noodzakelijke betalingen worden verricht vanuit de uitkering;</al></li><li nr="c."><al><vet>het niet meewerken aan een schuldsanering (art. 55 WWB).
                                </vet>Indien er naar het oordeel van het bestuur gegronde redenen
                                zijn om aan te nemen dat de schulden van een belanghebbende een
                                dusdanige belemmering zijn, ten aanzien van het verminderen of
                                beëindigen van de bijstand, kan de verplichting worden opgelegd dat
                                er medewerking dient te worden verleend aan een schuldsanering.</al></li><li nr="d."><al><vet>het niet meewerken aan een noodzakelijke behandeling van
                                    medische aard (art. 55 WWB).</vet> Onder het begrip medische
                                aard moet mede worden verstaan enigerlei vorm van professionele hulp
                                die naar zijn aard en doel overeen komt met een medische
                                behandeling, voorbeelden hiervan zijn psychische hulp of hulp bij
                                verslavingsproblemen;</al></li><li nr="e."><al><vet>niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot stand
                                    te brengen (art. 55 WWB). </vet>Een belanghebbende heeft de
                                verplichting om bij echtscheiding of het ontbinden van een
                                samenleving zo spoedig mogelijk een boedelscheiding tot stand te
                                brengen. Er dient al het mogelijke te worden ondernomen om dit te
                                bewerkstelligen.</al></li><li nr="f."><al><vet>verkoop woning beneden de waarde (art. 55 WWB). </vet>Een
                                woning kan voor aanvang van de bijstand of tijdens de
                                bijstandsverlening worden verkocht voor een prijs aanzienlijk
                                beneden de werkelijke waarde waardoor er eerder of langer een beroep
                                op bijstand moet worden gedaan;</al></li><li nr="g."><al><vet>te snelle intering van vermogen (art. 55 WWB). </vet>Door te
                                snel op het aanwezige vermogen in te teren, moet er eerder of langer
                                een beroep op bijstand worden gedaan;</al></li><li nr="h."><al><vet>onderbedeling bij echtscheiding (art. 55 WWB). </vet>Door bij
                                echtscheiding in te stemmen met onderbedeling ten aanzien van de
                                verdeling van het gezamenlijk vermogen/de boedel, moet er eerder een
                                beroep op bijstand worden gedaan;</al></li><li nr="i."><al><vet>te late of geen aanvaarding voorliggende voorziening (art. 55
                                    WWB). </vet>Wanneer er door nalatigheid niet tijdig aanspraak is
                                gemaakt op een voorliggende voorziening moet er een beroep gedaan op
                                bijstand worden gedaan;</al></li><li nr="j."><al><vet>het niet afsluiten van een zorgverzekering of het niet
                                    afsluiten van een adequate zorgverzekering.
                                </vet>Belanghebbenden worden geacht zich adequaat te verzekeren
                                tegen ziektekosten. In artikel 1 sub j staat wat de gemeente
                                verstaat onder adequate zorgverzekering.Kiest belanghebbende niet
                                voor een adequate zorgverzekering dan wordt dat beschouwd als een
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. </al></li></lijst><al>Deze lijst met categorieën is uiteraard niet uitputtend. Indien er overige
                        gedragingen plaatsvinden met betrekking tot tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, kan het bestuur een
                        passende maatregel opleggen aansluitend bij de onder artikel 16 genoemde
                        maatregelen. Uiteraard blijft het altijd mogelijk om te individualiseren
                        (artikel 2, lid 2).</al></al-groep><tussenkop>Artikel 16. De hoogte en duur van de maatregel</tussenkop><al>Gedragingen onder artikel 15 tweede lid onder f tot en met i hebben tot gevolg
                    dat (eerder) een beroep op bijstand wordt gedaan. Alleen een maatregel opleggen
                    van 100% gedurende één maand is in deze gevallen niet effectief. Zeker niet
                    indien belanghebbende bij voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan gedurende langere tijd niet bijstandsafhankelijk zou
                    zijn geweest. Het dagelijks bestuur heeft dan ook de bevoegdheid in dergelijke
                    gevallen de bijstand in de vorm van geldlening toe te kennen. Artikel 48, tweede
                    lid, onderdeel b, WWB biedt die mogelijkheid. De WWB verzet zich er niet tegen
                    dat in geval van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening een verlaging op de bijstand wordt toegepast en dat
                    daarnaast de bijstand -gedurende een aan dat tekortschietend besef te relateren
                    periode- in de vorm van een geldlening wordt toegekend. Wel dient uit oogpunt
                    van evenredigheid bij een dergelijke cumulatie van sancties wel voldoende acht
                    te worden geslagen op het totale effect ervan voor de bijstandsgerechtigde (CRvB
                    20 maart 2007, nrs. 06/515 NABW en 06/517 NABW).</al><al>Vragen belanghebbenden bijzondere bijstand aan voor ziektekosten die niet of
                    niet geheel door hun ziektekostenverzekeraar vergoed worden omdat zij zich niet
                    adequaat tegen ziektekosten hebben verzekerd dan is sprake van een
                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid (artikel 15 lid 2 onder j). De
                    bijzondere bijstand voor deze niet door de ziektekostenverzekeraar vergoede
                    kosten wordt geheel geweigerd.</al><tussenkop>Artikel 17. Zeer ernstige misdragingen</tussenkop><al-groep><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                        tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente
                        bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit
                        artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                        plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                        uitvoering van WWB. </al></al-groep><al-groep><al>In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het bestuur
                        zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                        tegenover leden van het bestuur en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                        opleggen van een maatregel. </al><al>Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft
                        gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is
                        met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf). </al><al>Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen
                        wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op
                        arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening). </al></al-groep><al-groep><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                        uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten
                        worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, worden in de
                        beleidsregels verschillende vormen van agressief gedrag onderscheiden.</al></al-groep><al-groep><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                            <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                            <cursief>frus</cursief><cursief>tratiegeweld</cursief>. Van
                        instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust
                        gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van
                        een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                        onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie.
                        Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel
                        geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al></al-groep><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het bestuur legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al>De gemeente beschikt over een agressieprotocol waarin is aangegeven hoe wordt
                    omgegaan met lastige en agressieve klanten. In dit artikel wordt daarbij
                    aangesloten. </al><al-groep><al>De volgende gedragingen worden gezien als zeer ernstige misdragingen
                        tegenover het bestuur of zijn ambtenaren onder omstandigheden die
                        rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in
                        artikel 18, tweede lid van de WWB:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen. </al></li></lijst></al-groep><al>Indien er sprake is van recidive kan de cliënt de toegang tot het gemeentehuis
                    en bedrijfsverzamelgebouw worden ontzegd. Dit wordt individueel beoordeeld door
                    het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband Werk en
                    Inkomen Steenwijkerland en Westerveld. </al><al>Deze lijst is uiteraard niet uitputtend. Indien er overige gedragingen
                    plaatsvinden met betrekking tot zeer ernstige misdragingen, kan er naar het
                    oordeel van het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband
                    Werk en Inkomen Steenwijkerland en Westerveld een passende maatregel worden
                    opgelegd die aansluit bij de maatregelen behorende bij de gedragingen onder
                    artikel 17 lid 2.</al><tussenkop>Artikel 18 Het handhavingsbeleid</tussenkop><al>In artikel 8a van de wet is bepaald dat de gemeenteraad in het kader van het
                    financiële beheer bij verordening regels stelt ter bestrijding van het ten
                    onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van
                    de wet. In onderhavig artikel is dit geregeld.</al><tussenkop>Artikel 19 Beslissing van het dagelijks bestuur van het Intergemeentelijk
                    Samenwerkingsverband Werk en Inkomen Steenwijkerland en Westerveld in gevallen
                    waarin de verordening niet voorziet</tussenkop><al>Deze restclausule biedt het dagelijks bestuur de mogelijkheid in alle niet
                    voorziene situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze
                    beslissingen onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en
                    beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen
                    te worden.</al><tussenkop>Artikel 20 De inwerkingtreding</tussenkop><al>De verordening treedt met ingang van 1 januari 2009 in werking. Tegelijkertijd
                    komen de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand en de Beleidsregels
                    maatregelenverordening te vervallen. </al><tussenkop>Artikel 21 Citeertitel</tussenkop><al>In de Memorie van Toelichting bij het ontwerp van de WWB wordt steeds gesproken
                    over de ‘afstemmingsverordening’. Om te onderstrepen dat de verordening de
                    juridische grondslag vormt voor de gemeente om maatregelen op te leggen wanneer
                    een uitkeringsgerechtigde niet aan een verplichting voldoet, duiden wij de
                    verordening aan als ‘maatregelenverordening’. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>