<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR260917_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening WMO 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-02-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hellevoetsluis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Groot-Hellevoet, 27-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening WMO 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-02-07</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2025-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>07-02-13/08</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>onbekend.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening WMO 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Nummer: 07-02-13/08</al><al>De raad der gemeente Hellevoetsluis;</al><al>gehoord de commissie zorg, welzijn en onderwijs;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 december 2012,
                        nummer: 07-02-13/08;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Verordening Maatschappelijke Ondersteuning Gemeente
                        Hellevoetsluis 2013.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al/><al>In deze Verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaand onder:</al><al>a. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</al><al>b. college: het college van burgemeester en wethouders;</al><al>c. compensatiebeginsel: de algemene verplichting aan het gemeentebestuur
                            om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen door het
                            treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te
                            verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke
                            participatie;</al><al>d. beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het uitvoeren
                            van activiteiten;</al><al>e. persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of
                            gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale problemen
                            aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op
                            het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik
                            van de woning, bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich
                            lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen
                            en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al><al>f. mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld in
                            artikel 1, lid 1, onder b. van de wet;</al><al>g. zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of
                            financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan
                            het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken;</al><al>h. goedkoopst adequate oplossing: de algemene of individuele
                            voorziening, die naar objectieve maatstaven gemeten, van de geschikte
                            oplossingen, de meest goedkope oplossing biedt voor het opheffen of
                            verminderen van de beperkingen van een persoon;</al><al>i. maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                            maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een huishouden, het
                            normale gebruik van de woning; het zich in en om de woning verplaatsen;
                            het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt gevonden bij
                            regionale, bovenregionale en landelijke vervoersystemen; het ontmoeten
                            van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om
                            op die manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al><al>j. algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van
                            directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een
                            snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor de beperkingen die
                            een persoon ondervindt;</al><al>k. individuele voorziening: een voorziening, die individueel wordt
                            aangeboden indien een algemene voorziening, zoals bedoeld in sub j. geen
                            adequate oplossing biedt;</al><al>l. eigen bijdrage: een door de raad vast te stellen bijdrage, die bij de
                            verstrekking van een voorziening in natura, of persoonsgebonden budget
                            betaald moet worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning van toepassing zijn;</al><al>m. eigen aandeel: een door de raad vast te stellen aandeel in de kosten,
                            dat bij de verstrekking van een financiële tegemoetkoming verschuldigd
                            is;</al><al>n. voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen,
                            in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt
                            verstrekt;</al><al>o. persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een of
                            meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en waarop de in
                            deze verordening en het Besluit maatschappelijke ondersteuning te
                            stellen regels van toepassing zijn;</al><al>p. financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van een
                            voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                            aanvrager;</al><al>q. algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het
                            gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de
                            aanvrager behorend;</al><al>r. meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                            voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaat boven voor die
                            persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van een
                            dergelijke voorziening;</al><al>s. huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                            gemeenschappelijk een woning bewoont;</al><al>t. budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                            persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                            verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                            verschuldigd is;</al><al>u. besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis: het
                            door het college op grond van deze verordening vastgestelde besluit
                            waarin nadere regels opgenomen worden over de uitvoering van deze
                            verordening;</al><al>v. respijtzorg: tijdelijke overname van mantelzorg door vrijwillige of
                            beroepsmatige zorgverleners;</al><al>w. inkomen: onder het inkomen wordt verstaan het inkomen, zoals bedoeld
                            in artikel 4.2 AMvB Besluit maatschappelijke ondersteuning:</al><al>x. norminkomen: het inkomen, zoals omschreven in hoofdstuk 3, paragraaf
                            3.2 Wet werk en bijstand (WWB). Indien de gehandicapte minderjarig is,
                            wordt onder inkomen verstaan het inkomen van zijn ouders of pleegouders,
                            volgens de berekening van hoofdstuk 3 paragraaf 3.2 WWB;</al><al>y. een woonvoorziening: is een voorziening, niet zijnde een
                            huishoudelijke voorziening of een rolstoelvoorziening, die de
                            belanghebbende in staat stelt tot het normale gebruik van de
                            woning;</al><al>z. een vervoersvoorziening is een voorziening, die de belanghebbende in
                            staat stelt zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al><al>aa. een rolstoel is bedoeld voor verplaatsing binnen dan wel binnen en
                            buiten de woonruimte. Men kan in aanmerking komen voor een rolstoel als
                            men in belangrijke mate is aangewezen op zittend verplaatsen, en andere
                            hulpmiddelen, zoals rollators, onvoldoende uitkomst bieden. Ook
                            individuele aanpassingen zoals, anti-dekubitus kussens, vallen onder de
                            rolstoelverstrekking;</al><al>bb. een huishoudelijke voorziening bestaat uit hulp bij huishoudelijke
                            werkzaamheden en eventueel hierbij de organisatie van het
                            huishouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begrenzingen bij het treffen van voorzieningen</titel></kop><al/><al>1. Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><al> a. deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied</al><al> van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning,
                            het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van
                            medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of
                            te verminderen. Uitzondering hierop is de hulp bij het huishouden;</al><al> b. deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst adequate
                            voorziening kan worden aangemerkt;</al><al> c. deze in overwegende mate op de compensatie van beperking(en) van het
                            individu is gericht.</al><al>2. Geen voorziening wordt toegekend:</al><al> a. indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen
                            gebruikelijk is;</al><al> b. indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                            Hellevoetsluis;</al><al> c. voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de
                            woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte
                            materialen;</al><al> d. voor zover de gevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger
                            niveau dan het uitrustingsniveau voor de sociale woningbouw;</al><al> e. voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van
                            aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan
                            het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt
                            aangevraagd;</al><al> f. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager
                            voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt tenzij de
                            gemeente bij het beschikken redelijketermijnen heeft overschreden, in
                            welk geval de kosten tot de hoogte van de goedkoopst adequate
                            voorziening kunnen worden vergoed;</al><al> g. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft
                            reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan deze verordening
                            voorafgaande Verordening voorzieningen gehandicapten of op grond van de
                            Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten is verstrekt en de
                            normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is verstreken,
                            tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan
                            als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te
                            rekenen;</al><al> h. indien op grond van andere wet- of regelgeving of een afgesloten
                            particuliere verzekering aanspraak op de gevraagde voorziening
                            bestaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>VORM VAN TE VERSTREKKEN INDIVIDUELE VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al> Een individuele voorziening wordt verstrekt in natura, als financiële
                            tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. Het college biedt de
                            keuze tussen deze voorzieningen, tenzij hiertegen op basis van de in het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis
                            neergelegde criteria overwegende bezwaren bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorzieningen in natura</titel></kop><al> Indien een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            gemeente Hellevoetsluis van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al> Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden, zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Hellevoetsluis, in de beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><al/><al>1. Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de wet,
                            zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><al> a. een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten aanzien van
                            individuele voorzieningen;</al><al> b. de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde van de
                            in de betreffende situatie goedkoopst adequate te verstrekken
                            voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor
                            instandhoudingkosten, zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Hellevoetsluis of verminderd met ontbrekende
                            bijkomende kosten;</al><al> c. de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt vastgesteld wordt
                            door het college vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Hellevoetsluis; Op het persoonsgebonden budget is
                            de Overeenkomst persoonsgebonden budget gemeente Hellevoetsluis van
                            toepassing.</al><al>2. In de beschikking tot toekenning van een persoonsgebonden budget
                            worden de omvang en de looptijd ervan vastgesteld.</al><al>3. Bij de beschikking wordt een programma van eisen verstrekt waarin
                            aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te
                            verwerven voorziening dient te voldoen.</al><al>4. Na verzending van de beschikking en overeenkomst Persoonsgebonden
                            budget gemeente Hellevoetsluis wordt het persoonsgebonden budget, pas
                            ineens of in termijnen ter beschikking gesteld aan de aanvrager als deze
                            de overeenkomst Persoonsgebonden budget gemeente Hellevoetsluis,
                            ondertekend aan de gemeente heeft geretourneerd.</al><al>5. Het college gaat na of het verstrekte persoonsgebonden budget besteed
                            is aan het doel, waarvoor het verstrekt is. De budgethouder is verplicht
                            de volgende, daarvoor noodzakelijke stukken op verzoek van het college
                            per omgaande te verstrekken:</al><al> a. de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al><al> b. een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening;</al><al> c. een overzicht van de salarisadministratie.</al><al>6. Nadere spelregels voor de verantwoording zijn uitgewerkt in de PGB
                            overeenkomst gemeente Hellevoetsluis. De verantwoording dient aan het
                            gestelde in de PGB overeenkomst gemeente Hellevoetsluis te voldoen. De
                            PGB overeenkomst gemeente Hellevoetsluis is opgenomen als onderdeel van
                            het besluit Maatschappelijke Ondersteuning.</al><al>7. Na ontvangst van de in lid 5 van dit artikel genoemde bescheiden
                            wordt door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het
                            persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of te
                            verrekenen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><al/><al>1. Bij het verstrekken van individuele voorzieningen, behalve
                            rolstoelen, op grond van de wet is de aanvrager een eigen bijdrage
                            verschuldigd of wordt de financiële tegemoetkoming afgestemd op het
                            inkomen. </al><al>2. Indien een voorziening bestaat uit een roerende zaak, die in eigendom
                            wordt verstrekt of uit een bouwkundige of woontechnische aanpassing aan
                            een woning, die eigendom is van de aanvrager kan gedurende een periode
                            van maximaal 39 perioden van vier weken een eigen bijdrage in mindering
                            worden gebracht, conform de door de raad vastgestelde systematiek.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>HULP BIJ HET HUISHOUDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vormen van hulp bij het huishouden</titel></kop><al/><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek inclusief chronisch psychische en psychosociale
                            problemen bij het voeren van een huishouden, te verstrekken voorziening
                            kan bestaan uit:</al><al>a. hulp bij het huishouden of</al><al>b. een persoonsgebonden budget, te besteden aan hulp bij het
                            huishouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Recht op hulp bij het huishouden</titel></kop><al/><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4,
                            5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1 vermelde voorziening in
                            aanmerking worden gebracht indien:</al><al>a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek inclusief
                            chronisch psychische of psychosociale problemen of</al><al>b. problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van
                            een of meer huishoudelijke taken onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al> In afwijking van het gestelde in artikel 8 en 9 komt een persoon als
                            bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 4, 5 en 6 van de
                            wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de
                            leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten
                            behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten,
                            conform de meest recente versie van het protocol gebruikelijke
                            zorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden</titel></kop><al> De omvang van de voorziening huishoudelijke verzorging wordt uitgedrukt
                            per uur, waarbij afgerond wordt op halve uren gebaseerd op de normering
                            van het protocol hulp bij het huishouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al> De bedragen die per uur in de vorm van een persoonsgebonden budget
                            worden verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en
                            vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Hellevoetsluis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Respijtzorg</titel></kop><al> In geval van uitval van mantelzorg kan respijtzorg worden toegekend.
                            Het college stelt vast in welke situaties respijtzorg wordt geboden aan
                            de hand van in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Hellevoetsluis nader te stellen criteria. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>WOONVOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al/><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een woonvoorziening in natura;</al><al>b. een persoonsgebonden budget te besteden aan een woonvoorziening;</al><al>c. een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                            woonvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al/><al>De in artikel 14 onder a, b en c genoemde woonvoorzieningen kunnen
                            bestaan uit:</al><al>1. een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al><al>2. een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening, waarvan de kosten
                            voor koopwoningen vergoed worden tot een maximum bedrag, zoals genoemd
                            in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Hellevoetsluis;</al><al>3. een niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening;</al><al>4. een uitraasruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Het primaat van verhuizen</titel></kop><al/><al>1. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel
                            5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15
                            onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen
                            als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van de woning
                            belemmeren.</al><al>2. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel
                            5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15
                            onder b. en c. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het eerste
                            lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de goedkoopst adequate
                            voorziening is.</al><al>3. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel
                            5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 15,
                            onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op
                            basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot gevolg waarbij
                            alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin
                            deze persoon tot rust kan komen.</al><al>4. Van het primaat van de verhuizing als bedoeld in lid 1 wordt
                            afgezien, indien de noodzakelijke aanpassingskosten beneden een bedrag
                            liggen, dat is opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Hellevoetsluis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Primaat van de losse woonunit</titel></kop><al> Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al> De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            AWBZ-instellingen inclusief verzorgingshuizen, tweede woningen,
                            vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op
                            gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft
                            voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij
                            nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen
                            kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hoofdverblijf</titel></kop><al/><al>1. Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                            hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                            voorziening wordt getroffen.</al><al>2. In afwijking van lid 1 kan een financiële tegemoetkoming verstrekt
                            worden in de kosten van het bezoekbaar maken van één woonruimte, indien
                            de gehandicapte zijn hoofdverblijf heeft in een AWBZ instelling en
                            regelmatig van deze woonruimte gebruik moet maken. </al><al>3. Het bedrag, dat hiervoor maximaal verstrekt kan worden, is opgenomen
                            in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis. </al><al>4. De aanvraag moet worden ingediend in de gemeente, waar de aan te
                            passen woonruimte zich bevindt, onder voorwaarde, dat de gemeente waar
                            de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft, verklaart dat er niet eerder een
                            woonruimte bezoekbaar is gemaakt ten behoeve van deze aanvrager.</al><al>5. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan, dat de aanvrager
                            de woonkamer en één toilet kan bereiken en gebruiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Begrenzingen</titel></kop><al/><al>De aanvraag voor een woonvoorziening, als bedoeld in dit hoofdstuk wordt
                            geweigerd indien:</al><al>a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van
                            een verhuizing, waartoe op grond van belemmeringen bij het normale
                            gebruik van de woning ten gevolge van ziekte ofgebrek geen aanleiding
                            bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al><al>b. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen
                            op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor
                            tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college;</al><al>c. betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten
                            anders dan automatische deuropeners, hellingbanen of extra
                            trapleuningen;</al><al>d. aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd,
                            gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening
                            noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van eenonverwacht optredende
                            noodzaak;</al><al>e. aanvrager verhuisd vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is
                            om het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ
                            instelling of een andere instelling, gericht op het verstrekken van zorg
                            of er in de te verlaten woonruimte geen problemen met het normalegebruik
                            van de woning zijn gevonden;</al><al>f. er een aanvraag voor verhuis- en herinrichtingskosten wordt gevraagd
                            door een aanvrager die voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Er kunnen
                            wel bouwkundige en woontechnische aanpassingen worden uitgevoerd,
                            wanneer is voldaan aan hetgeen gesteld is in sub b. van dit
                            artikel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij
                            verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereed melding
                            van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                            college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens het in het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis door het
                            college vastgelegde afschrijvingsschema te worden terugbetaald. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al/><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene voorziening, waaronder een collectieve
                            vervoersvoorziening;</al><al>b. een vervoersvoorziening in natura;</al><al>c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                            vervoersvoorziening;</al><al>d. een financiële tegemoetkoming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Het recht op een algemene voorziening</titel></kop><al/><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22 onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond
                            van ziekte of gebrek, inclusief chronisch psychische en psychosociale
                            problemen:</al><al>a. het gebruik van het openbaar vervoer of</al><al>b. het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al/><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g., onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 22 onder b., c. en d. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer:</al><al>a. aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het gebruik van
                            een collectief systeem als bedoeld in artikel 22 onder a., onmogelijk
                            maken dan wel</al><al>b. een collectief systeem als bedoeld in artikel 22 onder a., niet
                            aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Omvang in gebied</titel></kop><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                            uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon-
                            en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een
                            uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal
                            contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden,
                            terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                            vereenzaming te voorkomen. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>VERPLAATSEN IN EN ROND DE WONING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al/><al>Het college biedt, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken een
                            voorziening die kan bestaan uit:</al><al>a. een algemene voorziening waaronder een algemene
                            rolstoelvoorziening;</al><al>b. een rolstoelvoorziening in natura;</al><al>c. een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                            rolstoelvoorziening;</al><al>d. een forfaitaire financiële tegemoetkoming te besteden aan een
                            sportrolstoel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Primaat algemene rolstoelvoorziening bij incidenteel
                                rolstoelgebruik en sportrolstoel</titel></kop><al/><al>1. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                            5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 26, onder a. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen
                            op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend verplaatsen in en rond
                            de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op
                            grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere
                            wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.</al><al>2. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                            5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 26, onder b. en c. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen
                            op grond van ziekte of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en rond
                            de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden op
                            grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een andere
                            wettelijke regeling geen adequate oplossing bieden.</al><al>3. Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                            5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 26, onder d. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen
                            op grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder sportrolstoel
                            onmogelijk maken. De verstrekking vindt plaats in de vorm van een
                            forfaitair bedrag, waarmee voor de periode van 3 jaar een rolstoel
                            aangeschaft en onderhouden dient te worden. Dit bedrag is opgenomen in
                            het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</titel></kop><al> In uitzondering op het gestelde in artikel 27 lid 2 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 7</label><titel>HET VERKRIJGEN VAN VOORZIENINGEN EN HET MOTIVEREN VAN
                            BESLUITEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>Het college bepaalt op welke wijze een aanvraag kan worden ingediend en
                            legt dit vast in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Hellevoetsluis.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Relatie met de Algemene wet bijzondere ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag kan worden ingediend bij het Wmo loket van de gemeente
                            Hellevoetsluis bij welk loket zowel aanvragen voor voorzieningen inzake
                            de wet alsook aanvragen zorg inzake de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten kunnen worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek en advies</titel></kop><al>1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de
                            beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                            aanvraag is ingediend:</al><al> a. op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                            bepalen plaats en tijdstip en hem te ondervragen;</al><al> b. op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of
                            meer daartoe aangewezen deskundigen te doen ondervragen en/of
                            onderzoeken.</al><al>2. Het college vraagt een daartoe door hen aangewezen adviesinstantie om
                            advies indien dat naar hun oordeel gewenst is. Bij een afwijzing om
                            medische redenen zal altijd een medisch advies opgevraagd worden.</al><al>3. Een aanvrager is verplicht aan het college of de door het college
                            aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen
                            verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                            aanvraag.</al><al>4. Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                            adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                            International Classification of Functions, Disabilities and Impairments,
                            de zogenaamde ICF classificatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Hellevoetsluis regels vast omtrent de wijze waarop de verkrijging van
                            een individuele voorziening samenhangend wordt afgestemd op de situatie
                            van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn, dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op deze voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Opschorting</titel></kop><al/><al>1. Indien de belanghebbende de voor het behoud van een verleende
                            voorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken
                            niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt en hem dit te
                            verwijten valt dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende
                            medewerking verleend aan het onderzoek schort het college het recht op
                            de voorziening op vanaf de dag van het verzuim. </al><al>2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende
                            en nodigt hem uit binnen een door haar te stellen termijn het verzuim te
                            herstellen. </al><al>3. Als de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
                            gestelde termijn, beëindigt het college na het verstrijken van deze
                            termijn de voorziening met ingang van de eerste dag waarover het recht
                            op de voorziening is opgeschort. </al><al>4. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college
                            besluiten geheel of gedeeltelijk van de opschorting af te zien.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><al>1. Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                            verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><al> a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                            verordening;</al><al> b. op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de gegevens
                            zodanig onjuist waren dat wanneer de juiste gegevens bekend waren
                            geweest, een andere beslissing zou zijn genomen;</al><al> c. het gebruik van de voorziening door eigen toedoen niet of niet
                            langer mogelijk is.</al><al>2. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                            persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                            tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                            aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>1. Ingeval een voorziening is ingetrokken kan een op basis daarvan reeds
                            uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget worden
                            teruggevorderd.</al><al>2. In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien deze
                            voorziening is verstrekt op basis van valselijk verstrekte
                            gegevens.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al> Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al> Het college is bevoegd ter zake van de uitvoering van deze verordening
                            nadere regels te stellen, overeenkomsten met derden aan te gaan en
                            algemene voorwaarden op te stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Jaarlijks per 1 januari worden de bij of krachtens deze verordening
                            vastgestelde bedragen verhoogd of verlaagd conform de ontwikkelingen van
                            de prijsindex volgens het Centraal bureau voor de statistiek of de
                            branche eigen prijsindex. De bedragen voor de woonvoorzieningen en de
                            sportrolstoel worden 1x per 5 jaar doorgevoerd aan de hand van de
                            gecumuleerde indexcijfers van de voorgaande jaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al> Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt één maal per vier
                            jaar geëvalueerd, te rekenen vanaf 1 januari 2009. Indien de evaluatie
                            daartoe aanleiding geeft, zal deze verordening worden aangepast.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van 7 februari 2013 onder
                            gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning 2011.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al/><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening WMO 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 7 februari 2013. </ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>H.J. van der Wel. mr. F.D. van Heijningen.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet>(alleen de artikelen, die enige
                    toelichting behoeven, worden hier aangehaald. De niet aangehaalde artikelen
                    behoeven geen toelichting).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Begripsbepaling</vet></al><al/><al>Ad c. Compensatiebeginsel</al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving van een
                    zeer cruciaal begrip “compensatiebeginsel” ontbreekt. Daarom staat de
                    begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de verordening. Voor de
                    begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad voor de
                    Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het compensatiebeginsel. Voor wat
                    betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik gemaakt van de toelichting
                    op het amendement, evenals voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en
                    maatschappelijke participatie. Het onderdeel “aantoonbare beperkingen op grond
                    van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel 1, lid 1, onder a. van de
                    Wvg.</al><al/><al>Ad d. Beperkingen</al><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen”.</al><al/><al>Ad e. Persoon met beperkingen</al><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van
                    dit onderdeel op dit begrip van toepassing.</al><al> Ad g. Zelfredzaamheid Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op
                    eerder reeds genoemde amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel
                    aan de wet heeft toegevoegd.</al><al/><al>Ad i. Maatschappelijke participatie Ook deze begripsomschrijving is, evenals de
                    onder f. genoemde, ontleend aan de toelichting op het amendement-Miltenburg
                    c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft toegevoegd. </al><al/><al>Ad j. Algemene voorziening Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare
                    voorzieningen, die met een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing en beperkte eigen
                    bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende voorzieningen,
                    die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Op verzoek van de
                    aanvrager kan wel een beschikking worden afgegeven, zodat rechtsbescherming is
                    gewaarborgd. De algemene voorzieningen hebben voorrang boven individuele
                    voorzieningen, zoals deze omschreven zijn in ad k. Hoe de keuze gemaakt zal
                    worden hangt uiteindelijk af van de individuele situatie. De algemene
                    voorzieningen, nu nog aangehaald als primaat kunnen uitgroeien tot voorliggende
                    voorzieningen en op den duur uit deze verordening verdwijnen.</al><al/><al> Ad l. Eigen bijdrage en ad m eigen aandeel De bevoegdheid tot het vragen van
                    een eigen bijdrage/eigen aandeel vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de wet.
                    Deze kan op het inkomen worden afgestemd, waarbij regels worden gesteld bij
                    AMvB. De raad heeft besloten deze bevoegdheid niet te mandateren aan het
                    college, maar deze bij deze verordening te regelen, waarbij aangesloten wordt op
                    artikel 4.1 van de AMvB “Besluit maatschappelijke ondersteuning”.</al><al/><al>Ad n. Voorziening in natura Dit zijn voorzieningen, die niet in de vorm van een
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Er kan hierbij gedacht worden aan
                    voorzieningen in bruikleen, eigendom, huur of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><al/><al>Ad o. Persoonsgebonden budget Persoonsgebonden budget is een geldbedrag dat de
                    aanvrager onder, door het college bepaalde voorwaarden, mag besteden aan een
                    compenserende voorziening naar zijn keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie
                    tussen diverse compenserende voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden
                    budgetten vindt plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Hellevoetsluis.</al><al/><al>Ad p. Financiële tegemoetkoming Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag
                    dat is bedoeld om een bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet perse een
                    kostendekkende vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de
                    kosten.</al><al/><al>Ad q. Algemeen gebruikelijk Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het
                    geval was, is het ook onder de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de
                    bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de
                    aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of
                    beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen
                    gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk
                    te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het
                    moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in
                    de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor
                    verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel
                    specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen
                    gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de
                    wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de
                    jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om voorzieningen: -
                    die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn; - die niet speciaal voor
                    gehandicapten bedoeld zijn; - die niet aanzienlijk duurder zijn dan
                    vergelijkbare producten met hetzelfde doel. Het begrip “algemeen gebruikelijk”
                    moet overigens niet worden verward met “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geformuleerd in beleidsregels. Het
                    begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning
                    terug.</al><al/><al>Ad r. Meerkosten Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip
                    “algemeen gebruikelijk”; deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De
                    meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met het
                    compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociale probleem, zoals
                    die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een
                    met de persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of
                    dat psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat
                    daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze
                    meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de aanvrager niet algemeen
                    gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al><al/><al>Ad s. Huisgenoot Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het
                    protocol gebruikelijke zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het
                    Centrum Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor
                    de AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. Het is op enkele punten
                    aangepast om te voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden
                    ook naar de wet overgaan. Zo is in plaats van ‘volwassenen’ de term
                    ‘meerderjarigen’ opgenomen en is het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding
                    voeren’ vervangen door het begrip ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al><al/><al> Ad t. Budgethouder De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het
                    opnemen van het begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de
                    persoon die de beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan
                    ook verantwoording af dient te leggen.</al><al/><al>Ad w. Inkomen Onder het inkomen wordt verstaan het verzamelinkomen volgens de
                    Wet Inkomstenbelasting 2001. Dat wil zeggen het inkomen uit box 1, verminderd
                    met aftrekposten, box 2 en 3. Dit is beschreven in artikel 4.2 van de AMvB
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning.</al><al/><al>Ad x. Norminkomen Hiermee wordt bedoeld, het inkomen zoals dat is bepaald in de
                    Wet werk en bijstand (WWB), voor personen in een gelijke situatie (de
                    bijstandsnorm).</al><al/><al><vet>Artikel 2 begrenzingen bij het treffen van
                    voorzieningen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2 lid 1.</onderstreept></al><al>Ad a. Langdurig noodzakelijk Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de
                    modelverordening Wet voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat
                    langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in
                    tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een
                    terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties
                    waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk
                    is in beide genoemde situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van
                    de medische wetenschap op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus
                    redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager.
                    In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de
                    betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal
                    kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een
                    wisselend beeld, waarbij periodes van verbetering in de toestand periodes van
                    terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De
                    medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is
                    van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol.
                    Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft,
                    bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel
                    gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is
                    verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van
                    situatie tot situatie verschillen. Gemiddeld is dit volgens de jurisprudentie 6
                    maanden, aansluitend op de termijn waarop middelen geleend kunnen worden. Een
                    uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk
                    moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp
                    bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een
                    opname of bij een ontregeld huishouden.</al><al/><al>Ad b. Goedkoopst adequaat Voorzieningen die in het kader van deze verordening
                    worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de
                    meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het
                    begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Bij
                    de beoordeling van het adequaat zijn van een voorziening weegt mee of de
                    aanvrager een voorziening adequaat vindt. Maar ook het goedkoop zijn (de kosten)
                    van de voorziening is een criterium dat een rol speelt bij de uiteindelijke
                    beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat
                    immers om gemeenschapsgeld. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat
                    zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding
                    in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van
                    een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald
                    wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een
                    vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat
                    betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk
                    zijn dat bij een verantwoord niveau dient te worden aangesloten, maar ook niet
                    meer dan dat. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te
                    verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de
                    aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip
                    goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het
                    beleid.</al><al/><al>Ad c. Op het individu gericht Het probleem van het individu dient op grond van
                    de wet te worden gecompenseerd. Dat individuele probleem staat dan ook centraal
                    bij de beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de
                    wet.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2 lid 2.</onderstreept></al><al>Ad a. Algemeen gebruikelijk</al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                    wordt al tientallen jaren gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid. Die
                    jurisprudentie is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is
                    opgenomen in artikel 1.1, onder q. van deze verordening. Wat in een concreet
                    geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de
                    gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de financiële situatie van de aanvrager
                    een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de
                    aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager - mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten die hij vanwege zijn beperking heeft - onder
                    het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><al/><al> Ad b. Woonachtig in de gemeente In de wet is, in tegenstelling
                    tot de situatie bij de Wet voorzieningen gehandicapten, geen specifieke bepaling
                    opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot personen die
                    in de gemeente woonachtig zijn, hoewel artikel 11 van de wet spreekt over
                    ingezetenen. Deze bepaling is in de verordening opgenomen om te voorkomen dat er
                    bij de gemeente aanvragen binnenkomen van personen die niet in de gemeente
                    woonachtig zijn.</al><al/><al>Ad c. t/m h. Weigeringgronden In artikel 2 lid 2, onder c. t/m h. geeft de
                    verordening een tweetal gronden voor weigering aan.</al><al>Onder c. en f. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening
                    aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is.
                    Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het
                    vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te
                    verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd.
                    Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een
                    woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden gemaakt met de
                    werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag
                    betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen
                    over de te treffen voorziening. Met deze regeling wordt voorkomen dat een
                    voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met
                    hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. Het college
                    kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de
                    aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te
                    passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing
                    wellicht niet noodzakelijk is. Pas nadat het college een positieve beschikking
                    voor een verhuiskostenvergoeding heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in
                    aanmerking. Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een afweging heeft
                    gemaakt welke oplossing het meest adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen
                    overgaan. Met deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf,
                    nadat de aanvrager reeds is verhuisd, met een claim voor een
                    verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                    echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders
                    aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente
                    gevallen is het verkrijgen van toestemming van het college ook voldoende. Maar
                    in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk
                    toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet
                    te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde
                    onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing,
                    zoals het sluiten van een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te
                    betrekken woning.</al><al>Onder e. wordt op de situatie geduid dat mensen al jaren voorzieningen gebruiken
                    en vragen zij na het optreden van beperkingen andere voorzieningen aan, die in
                    hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van de beperkingen
                    niet tot meerkosten heeft geleid.</al><al>Onder g. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden,
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. Onder h. worden
                    voorliggende voorzieningen aangehaald.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3
                        K</onderstreept><onderstreept>euzevrijheid</onderstreept></al><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een verstrekking in natura, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren
                    bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget.
                    Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken. Dit heeft het college ook gedaan in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Hellevoetsluis. Naast deze keuzevrijheid bestaat er nog
                    een tweede keuzevrijheid, namelijk om bij voorzieningen in natura te kiezen
                    tussen meerdere aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening
                    verder uitgewerkt, maar in de beleidsregels.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4 Voorzieningen in
                        </onderstreept><onderstreept>natura</onderstreept></al><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. Deze bepaling heeft in de eerste plaats betrekking op
                    de situatie waarin het college een derde inschakelt voor verstrekking van
                    voorzieningen in natura en deze derde eigenaar blijft van de te verstrekken
                    voorziening of wanneer het college een derde inschakelt voor het verlenen van
                    zorg. De bepaling heeft echter ook betrekking op de situatie waarin het college
                    eigenaar blijft van de verstrekte voorziening in natura of het college de zorg
                    in natura zelf geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat het
                    verlenen van maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan derden moet
                    worden overgelaten, maar als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan gekozen
                    worden voor het door de gemeente zelf verlenen van de maatschappelijke
                    ondersteuning. In de beschikking die de aanvrager krijgt, wordt de voorwaarde
                    opgenomen, dat de aanvrager zich moet houden aan de privaatrechtelijke
                    overeenkomst, die voor het middel geldt en die de aanvrager moet ondertekenen.
                    Als de aanvrager zich niet aan de overeenkomst houdt of niet wil tekenen, kan de
                    publiekrechtelijke toekenning worden ingetrokken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5 Financiële tegemoetkoming</onderstreept></al><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                    verordening, biedt daartoe de mogelijkheid.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6 Persoonsgebonden budget</onderstreept></al><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget
                    moet worden geboden. Voor collectief vervoer geldt deze eis daarom ook niet.
                    Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening. Er
                    moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                    worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar
                    referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingkosten van de voorziening. Of eventueel verminderd met ontbrekende
                    kosten. Hierbij moet gedacht worden aan het ontbreken van overheadkosten bij
                    hulp bij het huishouden of het kortingsbedrag bij bruikleenvoorzieningen. Voor
                    de diverse soorten voorzieningen zal een nadere regeling moeten worden gegeven
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis, dat door
                    het college moet worden vastgesteld. Lid 1, onder c. bepaalt dat het college de
                    omvang van een persoonsgebonden budget bepaalt. Het zal immers gaan om een
                    veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor verschillende
                    voorzieningen. Ter bevordering van de rechtsgelijkheid, zijn daarbij eenduidige
                    richtlijnen noodzakelijk. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis en de
                    beleidsregels. Verder is onder d. bepaald dat er, om misverstanden zoveel
                    mogelijk te voorkomen, een overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden
                    waaronder het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. Deze overeenkomst zal bij
                    de beschikking gevoegd worden en maakt onderdeel uit van het besluit tot
                    toekenning. Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd. In lid 3 is neergelegd de
                    algemene eis dat er een programma van eisen wordt vastgesteld, waarin wordt
                    aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden budget te verwerven
                    voorziening moet voldoen. Het programma van eisen is dus een belangrijk
                    document; als niet aan het programma van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen
                    hebben voor de afrekening van het toegekende budget. Lid 4 regelt tenslotte de
                    feitelijke betaling van het persoonsgebonden budget. Over de wijze waarop de
                    betaling plaatsvindt kunnen door het college nadere regels worden gesteld.
                    Gedacht kan worden aan betaling in termijnen, bijvoorbeeld bij hulp bij de
                    huishouding of in situaties waarin er twijfels zijn over het budgetbeheer. Zo
                    kunnen financiële risico’s voor de gemeente worden beperkt en worden aanvragers
                    minder snel geconfronteerd met hoge terugvorderingbedragen. Het college is zelf
                    verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding van gelden op grond
                    van de wet en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te stellen in hoeverre er
                    wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden budget besteden conform
                    de toekenningvoorwaarden. Het is dus aan de raad en het college om in de
                    verordening en beleidsregels te bepalen hoe die controle plaatsvindt en daarbij
                    de afweging te maken tussen volledige controle en steekproefsgewijze controle.
                    Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld en de
                    wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen, worden bewijsstukken
                    opgevraagd bij de budgethouder. De onder a. bedoelde factuur is nodig in
                    situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootermobiel. Onder b. is een betalingsbewijs
                    genoemd; dat kan van belang zijn in situaties waarin er geen nota is,
                    bijvoorbeeld bij een tweedehands aankoop bij een particulier of huur, of
                    uitbetaling aan een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp bij het
                    huishouden heeft verleend. Onder c. is genoemd een salarisadministratie; die kan
                    noodzakelijk zijn in situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen voor
                    het verrichten van hulp bij het huishouden. Mocht uit de controle blijken dat er
                    aanleiding is het toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug
                    te vorderen, dan dient de in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden
                    gevolgd.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7
                        </onderstreept><onderstreept>E</onderstreept><onderstreept>igen bijdrage en
                        eigen aandeel</onderstreept></al><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget een eigen bijdrage te vragen. Artikel
                    19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af
                    te stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning
                    wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel stelt de raad vast
                    van deze mogelijkheid gebruik te maken, zoals opgedragen in artikel 15 lid 1 van
                    de wet. Bovendien wordt de wijze waarop in dit artikel vastgelegd. De raad heeft
                    hierbij ingevolge de AMvB de mogelijkheid binnen de grenzen, die hierin gesteld
                    zijn, de verschillende bedragen vast te stellen voor de hulp bij het huishouden.
                    Deze bedragen worden in dit artikel opgenomen. Daarnaast biedt de AMvB gemeenten
                    de mogelijkheid ook voor andere voorzieningen eigen bijdragen/ eigen aandeel
                    vast te stellen. Dit kan gedurende een periode van maximaal 39 perioden van 4
                    weken. Voor 2009 wordt hier van afgezien. Wel wordt vastgelegd dat dit jaarlijks
                    opnieuw bekeken zal worden.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 8 Vormen van hulp bij het huishouden</onderstreept></al><al>In artikel 4 lid 1. van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. Onder
                    de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te geven
                    dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening het
                    begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd. Hulp bij het huishouden kan
                    worden verstrekt in natura of als persoonsgebonden budget.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9
                        </onderstreept><onderstreept>R</onderstreept><onderstreept>echt op hulp bij
                        het huishouden</onderstreept></al><al>In artikel 9 wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan maken
                    van hulp bij het huishouden. In aanmerking komen in eerste instantie personen
                    met een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek inclusief
                    chronisch psychisch en psychosociale problemen. Verder komen in aanmerking
                    mantelzorgers in het kader van de zogenaamde respijtzorg. Het is daarbij niet de
                    bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de mantelzorger wordt
                    overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die de mantelzorg
                    ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 10 Gebruikelijke zorg</onderstreept></al><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voor zover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. Het protocol gebruikelijke zorg wordt hierbij gebruikt als leidraad.
                    Er wordt steeds uitgegaan van de meest recente versie. In de door het college
                    vast te stellen beleidsregels wordt bepaald hoe er rekening wordt gehouden met
                    gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening voor
                    hulp bij het huishouden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 11 Omvang van de hulp bij het
                    huishouden</onderstreept></al><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan een minimaal
                    en een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Voor 2009 is
                    er voor gekozen om uit te gaan van het aantal geïndiceerde uren, waarbij
                    afgerond wordt op halve uren. Hierdoor kan er nauwkeuriger vastgelegd worden wat
                    de zorgbehoefte is, weet de zorgvrager exact wat de behoefte is, evenals de
                    aanbieder. Wanneer de vastgestelde indicatie niet meer toereikend is, zal er een
                    nieuwe indicatie gesteld moeten worden. De gemeente weet hiermee exact hoe groot
                    de zorgbehoefte is van ieder individu, maar ook de totale zorgbehoefte.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 12 Omvang van het persoonsgebonden
                    budget</onderstreept></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op artikel 11. Jaarlijkse
                    vastlegging houdt verband met de prijsindexering in de branche, zoals genoemd in
                    artikel 40.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 13 Respijtzorg</onderstreept> In dit artikel is de
                    respijtzorg geregeld in de vorm van huishoudelijke verzorging. De zorg kan
                    worden verleend ten behoeve van de mantelzorger aan de ondersteuningsvrager en
                    is altijd tijdelijk, ter overbrugging van de overbelasting van de mantelzorger.
                    Het handelt hier niet om de zorg, welke in het kader van een pgb wordt verleend.
                    De omvang wordt vastgesteld aan de hand van de geïndiceerde zorgbehoefte. De
                    mantelzorger zelf hoeft nooit een eigen bijdrage te betalen. Wel zal een
                    eventuele eigen bijdrage van de verzorgde ook tijdens de respijtzorg van
                    toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 14 Vormen van woonvoorzieningen</onderstreept></al><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in drie hoofdvormen:</al><al>a. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in de
                    vorm van financiële tegemoetkoming verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift, een
                    douchestoel, een traplift.</al><al>b. het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld voor een woningaanpassing in het
                    geval de aanvrager zelf eigenaar is van de woning;</al><al>c. de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en soms
                    ook rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel
                    7 lid 2. van de wet. Ook een tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten
                    wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt. Het gaat om een
                    tegemoetkoming in de kosten. De gemeente wil niet alle kosten van verhuizen en
                    inrichten vergoeden. Daarom is ook niet gekozen voor een pgb. Dan zou immers
                    artikel 6 lid 1. onder b. van toepassing zijn (de tegenwaarde van voorziening in
                    natura). </al><al/><al><onderstreept>Artikel 15 Soorten individuele
                    woonvoorzieningen</onderstreept></al><al>Ad a. Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de
                    verhuis- en inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een
                    goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Het college maakt
                    de afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en
                    een woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een
                    verhuiskostenvergoeding is, volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad
                    van Beroep, alleen bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in
                    direct oorzakelijk verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van
                    de te verlaten woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank,
                    onveiligheidsgevoelens, overlast, de grootte van de woning of de tuin, etc. zijn
                    dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed
                    mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><al/><al>Ad b. en c. Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing
                    van de woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen
                    sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                    met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m. CARA verstaan
                    worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor baden,
                    wassen en douchenwelke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd,
                    alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee categorieën roerende
                    woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in natura worden
                    verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk is. Ook
                    trapliften worden in natura (bruikleen) verstrekt.</al><al/><al>Ad d. Omdat met de Wmo niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten
                    opzichte van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden, noch om
                    dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een
                    uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1,
                    onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een
                    verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm
                    van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                    afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die
                    alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke
                    beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige
                    en prikkelarme ruimte.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 16 Primaat van verhuizen</onderstreept></al><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning
                    een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In
                    feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor
                    de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het
                    primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de
                    jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn
                    gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing
                    voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis die
                    ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing
                    in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies
                    blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht
                    moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de
                    mogelijkheden om binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen
                    naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse
                    andere relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke
                    beleidsregels, kunnen afhankelijk van de situatie, een rol spelen bij de
                    afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet
                    geval. </al><al/><al> Lid 4 Van het primaat van verhuizen wordt afgezien als de kosten
                    van de noodzakelijke aanpassingen de door het college in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis vastgestelde primaatgrens
                    niet overschrijden. In dat geval wordt woningaanpassing beschouwd als de
                    goedkoopst adequate voorziening.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 17
                        </onderstreept><onderstreept>P</onderstreept><onderstreept>rimaat van de
                        losse woonunit</onderstreept></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan € 20.420,-- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie
                    van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de
                    gemeenten komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw
                    kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                    investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat
                    niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                    situaties waarin de mogelijkheid van het plaatsen van een losse woonunit
                    bestaat, wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze
                    bepaling.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 18
                        </onderstreept><onderstreept>U</onderstreept><onderstreept>itsluitingen</onderstreept></al><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Verder worden geen woonvoorzieningen, zoals opgenomen
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis, verstrekt
                    in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of gehandicapten, of
                    voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw
                    of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Het
                    moet dan wel gaan om gebouwen die gerealiseerd zijn vanaf 1998. Vanaf die tijd
                    is de gedachte van het zogenaamd aanpasbaar bouwen, evenals het seniorenlabel en
                    soortgelijke labels gemeengoed geworden. Bouwen dat rekening houdt met de
                    kenmerken van ouderen en gehandicapten, mag zeker in specifiek voor deze
                    doelgroepen bestemde gebouwen, als normaal worden beschouwd.
                    </al><al/><al><onderstreept>Artikel 19 Hoofdverblijf</onderstreept></al><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de
                    inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing
                    in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien het feit dat er
                    met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is beoogd. In eerste instantie geeft de gemeentelijke
                    basisadministratie uitsluitsel. Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt
                    dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de
                    aanvrager van de voorziening daadwerkelijk verblijft heeft de verplichting tot
                    compensatie van beperkingen. In het geval van AWBZ-bewoners heeft deze
                    verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de
                    zinsnede 'of zal hebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager naar een
                    andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten bouwen of
                    aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. Als de aanvrager zijn
                    hoofdverblijf heeft in een AWBZ-instelling, kan op grond van lid 2 één
                    woonruimte bezoekbaar worden gemaakt. Hierbij moet echter wel rekening gehouden
                    worden, dat toestemming van de eigenaar van de woning nodig is en deze kan niet
                    afgedwongen worden, nu deze voorziening buiten de directe werkingssfeer van de
                    wet valt. De financiële tegemoetkoming, welke gelimiteerd is (bedrag staat in
                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis) wordt
                    eenmalig verstrekt ten behoeve van de aanpassing van één woonruimte waar de
                    aanvrager regelmatig verblijft. Denk hierbij aan het bezoek aan ouders of
                    familieleden. Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                    de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken. De aanvraag moet
                    ingediend worden in de gemeente waar de bezoekbaar te maken woning staat.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 20 Begrenzingen</onderstreept></al><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                    samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                    heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                    factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel
                    20.</al><al/><al>Ad a.</al><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties
                    waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar
                    zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”.
                    Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of
                    het aanvaarden van werk elders.</al><al/><al>Ad b.</al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, waarin wordt bepaald dat het
                    gaat om een situatie waarin men in de betreffende woning “zijn hoofdverblijf
                    heeft of zal hebben”. Voor de toepassing van deze weigeringgrond geldt dat ook
                    de gemeente ervoor zal moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of
                    makkelijk aan te passen woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar
                    ook in de vrije sector en zo nodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de
                    gemeente haar burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit
                    soort verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                    verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.</al><al/><al>Ad c.</al><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn
                    gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de
                    verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten. De opsomming
                    is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er
                    in de verordening is genoemd.</al><al/><al>Ad d. en f.</al><al>Hier wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoeding. Veel verhuizingen zijn
                    als algemeen gebruikelijk aan te merken. Ook los van de beperkingen die iemand
                    heeft. Te denken valt aan verhuizing naar een kleinere woning vanwege leeftijd,
                    of naar een grotere woning vanwege gezinsuitbreiding. Onder f. gaat het om
                    personen, die voor het eerst zelfstandig gaan wonen. Iedereen die dat voor het
                    eerst doet, komt voor verhuis- en inrichtingskosten te staan. Deze kosten zijn
                    dus algemeen gebruikelijk.</al><al/><al>Ad e.</al><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig participeren. Zij hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                    ook al omdat ze die onder de Wvg ook niet hadden. Als er in de te verlaten
                    woning geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is
                    de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is
                    men verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                    hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.
                    </al><al/><al/><al><onderstreept>Artikel 21
                        </onderstreept><onderstreept>T</onderstreept><onderstreept>erugbetaling bij
                        verkoop</onderstreept></al><al>De Verordening Wet voorzieningen gehandicapten bevatte een zogenaamde
                    anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug en heeft
                    als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond
                    van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum
                    reeds vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten
                    gevolge van de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in
                    hoeverre in een concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt,
                    aangezien er een afweging dient plaats te vinden tussen de kosten van het
                    effectueren van deze bepaling (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot
                    de te verwachten baten.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 het zich lokaal verplaatsen per
                    vervoermiddel</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 22 V</onderstreept><onderstreept>ormen van
                        vervoersvoorzieningen</onderstreept></al><al>Ad a.</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. Ad b. Individuele voorzieningen in natura kunnen
                    bestaan uit een diversiteit van vervoermiddelen, evenals onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten. In het verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder
                    welke voorwaarden men voor een bepaald soort voorziening in aanmerking
                    komt.</al><al/><al>Ad c.</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Hellevoetsluis uitgewerkt. </al><al/><al>Ad d.</al><al>In die gevallen, waarin door beperkingen het gebruik van het collectieve
                    vervoerssysteem niet mogelijk is, wordt een financiële tegemoetkoming verstrekt,
                    waarvan de hoogte en de voorwaarden zijn opgenomen in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 23 Het recht op een algemene
                    voorziening</onderstreept></al><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend
                    zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor
                    een voorziening terzake. Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen
                    voor een vervoermiddel is het ten gevolge van een beperking niet kunnen
                    gebruiken van het openbaar vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet
                    voorzieningen gehandicapten voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld
                    door te kijken naar de maximale loopafstand van een aanvrager, waarbij uitgegaan
                    wordt van een grens van circa 800 meter en bijvoorbeeld het maken van de instap
                    of het begrijpen van de uitstapplaats. Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor
                    iemand met een functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op
                    een vervoersvoorziening. Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus,
                    men is bang voor de trein) zijn daardoor in principe geen indicatie voor een
                    vervoersvoorziening. Hier moet een adequate voorziening getroffen worden. Deze
                    kan wellicht beter gevonden worden buiten de wet, door middel van een therapie
                    waardoor de blokkade opgeheven kan worden. Is in zo'n situatie de problematiek
                    op te lossen, dan was de problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht
                    niet onder de wet, bij gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als
                    blijkt dat het probleem niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een
                    langdurige noodzaak aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen
                    worden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 24
                        </onderstreept><onderstreept>P</onderstreept><onderstreept>rimaat van het
                        collectief vervoer</onderstreept></al><al>Artikel 24 geeft het primaat van de algemene voorzieningen aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 22. Men kan
                    voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: a indien men door de aard
                    van de beperking geen gebruik kan maken van een collectieve vervoersvoorziening
                    of; b indien er geen collectief vervoer aanwezig is. Individuele voorzieningen
                    kunnen ook in aanvulling op het gebruik van een collectief systeem verstrekt
                    worden. Dit is het geval wanneer het collectief systeem de vervoersbehoefte van
                    de aanvrager die een aanspraak heeft niet volledig dekt. Dit is volgens de
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel
                    zijn (mensen met een beperkte loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen
                    collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate voorziening.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 25</onderstreept><onderstreept> Omvang in
                        gebied</onderstreept></al><al>Binnen het collectieve vervoerssysteem kan gereisd worden over 5 zones zoals
                    gebruikelijk in het openbaar vervoer. Er is geen limitering in het aantal reizen
                    of strippen. Binnen deze 5 OV-zones worden de mensen geacht alle soorten
                    voorzieningen te bereiken zoals station, schouwburg, winkelcentra etc. voor
                    deelname aan het leven van alledag. In de jurisprudentie is dit ook zo
                    bevestigd. Er kan nog steeds niet bovenregionaal worden gereisd, nu deze taak
                    nog steeds bij de rijksoverheid ligt via Valys. Tot 1 januari 2008 kende de
                    gemeente Hellevoetsluis geen collectief vervoerssysteem en werd een financiële
                    tegemoetkoming hiervoor in de plaats verstrekt, waarbij het aantal kilometers
                    doorslaggevend was. Met de introductie van het CVV gaat het om het gebied, te
                    weten 5 OV zones waarbinnen onbeperkt kan worden gereisd.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6 verplaatsen in en rond de woning</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel
                        26</onderstreept><onderstreept>V</onderstreept><onderstreept>ormen
                        van rolstoelvoorzieningen</onderstreept></al><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wmo is dat niet het geval, maar
                    aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de
                    voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen,
                    wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij
                    het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd
                    kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt
                    hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel
                    zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch
                    aangedreven zijn. Een (elektrische) trippelstoel wordt niet als rolstoel
                    beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt
                    onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een
                    rolstoel kan zowel worden gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als
                    voor buiten. Primair doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat
                    lopend verplaatsen, ook met op grond van andere regelingen te verstrekken
                    voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken en krukken niet of
                    onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel
                    vallen eveneens onder de wet. De rolstoel, die noodzakelijk is voor dagelijks
                    zittend verplaatsen in en om de woning kan verstrekt worden als voorziening in
                    natura of als persoonsgebonden budget. Voorzieningen die geen verband houden met
                    het genoemde primaire verstrekkingdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in
                    verband met therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet
                    verstrekt. Hierbij valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van
                    zuurstofapparatuur en andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard
                    alleen om medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken. De
                    sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip rolstoel.
                    Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal verstrekt
                    in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke
                    voorziening. Omdat er sprake was van een beleidsarme overgang naar de Wmo is
                    deze voorziening gehandhaafd. Bij artikel 26 is gekozen voor de mogelijkheid om
                    een rolstoel als algemene voorziening te verstrekken als het gaat om een
                    rolstoel voor incidenteel gebruik. Deze rolstoelen hoefden onder de Wvg formeel
                    niet verstrekt te worden. Deze optie geeft een regeling waarbij incidenteel
                    noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene
                    rolstoelvoorziening. Dit is geregeld onder a. Het betreft dan situaties, waarbij
                    de rolstoel soms nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en rond de
                    woning zonder rolstoel plaatsvindt. Er zou hiertoe een rolstoelpool opgezet
                    moeten worden, waar een incidentele gebruiker snel en regelarm een beroep op kan
                    doen. Hierdoor kan worden voorkomen, dat er een aantal rolstoelen uitstaan, die
                    maar zelden gebruikt worden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 27
                        </onderstreept><onderstreept>P</onderstreept><onderstreept>rimaat algemene
                        rolstoelvoorziening bij incidenteel rolstoelgebruik en
                        sportrolstoel</onderstreept></al><al>In dit artikel is geregeld, dat een aanvrager voor een rolstoel uit een
                    rolstoelpool in aanmerking komt als het gaat om incidenteel gebruik van de
                    rolstoel. Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een
                    rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                    verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt
                    worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks
                    noodzakelijk is. De nadere verstrekkingcriteria worden vastgelegd in de
                    beleidsregels. Indien de rolstoel niet noodzakelijk is voor incidenteel gebruik,
                    maar voor dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning kan de rolstoel
                    verstrekt worden als voorziening in natura of als persoonsgebonden budget, lid
                    2. Een rolstoel uit de rolstoelpool is dan immers geen adequate voorziening. Een
                    sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een forfaitaire financiële
                    tegemoetkoming, wordt verstrekt als zonder de sportrolstoel sportbeoefening in
                    verenigingsverband niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip
                    sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere
                    sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een
                    sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor
                    het lokaal verplaatsen nodig is. Een lidmaatschap van een sportvereniging wordt
                    gevraagd ter verificatie. </al><al/><al><onderstreept>Artikel
                        28</onderstreept><onderstreept>A</onderstreept><onderstreept>anspraak
                        op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ
                    bewoners</onderstreept></al><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Onduidelijkheid kan
                    ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor de AWBZ-functie
                    “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie “behandeling” als
                    het ware inkoopt bij een voor die functie wel erkende instelling. Het
                    “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie, waarin
                    in de instelling wel beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de
                    instelling zelf geen erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar alleen voor
                    de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel
                    bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide functies op die
                    verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende AWBZ-instelling worden
                    verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen, waarbij de ene
                    instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere instelling.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                        besluiten</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 29</onderstreept><onderstreept>
                        Aanvraagprocedure</onderstreept></al><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de wijze waarop een aanvraag plaats
                    dient te vinden zal worden bepaald door het college in het Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Hellevoetsluis.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 30</onderstreept><onderstreept> Relatie met de
                        AWBZ</onderstreept></al><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, lid 2., onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld.
                    Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2., onder a.
                    ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien is de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit, dus gezien de aard valt dit onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moet worden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 31</onderstreept><onderstreept> Inlichtingen, onderzoek en
                        advies</onderstreept></al><al>Lid 1. onder a. en b. van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college
                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen
                    op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken
                    en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met
                    de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag. Afdeling 3:3 van
                    de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen enige algemene
                    bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1. Algemene wet
                    bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een
                    persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. Advies zal in het kader van
                    de uitvoering van de wet onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer
                    adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. Advies
                    wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de betrokkene
                    betreft, waarbij sprake is van een samenloop van Wvg / Awbz. Het spreekt voor
                    zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor diegenen die al een
                    voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag. Van eerste aanvraag
                    wordt gesproken als een aanvrager in zijn geheel niet bekend is bij deze wet.
                    Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder 2, kan uiteraard alleen
                    maar op basis van een medisch advies. Met name wanneer de aard van de aandoening
                    niet echt duidelijk is, is advies onontbeerlijk; soms kan een op het oog
                    eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom van verdere aanvragen, zonder dat
                    duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen
                    zelfs tot invaliderende effecten voor de aanvrager en onnodige kosten voor de
                    gemeente leiden. Dit probleem speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten
                    (medisch) moeilijk objectiveerbare aandoeningen (m)moa’s. Tot slot vraagt het
                    college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht. Het zal duidelijk
                    zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door deze bepaling is
                    het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is verstandig
                    hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het oog op een
                    eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. Indien
                    mogelijk zullen de consulenten, die hiervoor ook opgeleid zijn, zelf indicaties
                    stellen. Dit is kostenbesparend, maar is vanwege een aanzienlijke verkorting van
                    de doorlooptijden, ook in het belang van de aanvragers.</al><al/><al>Lid 3. Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Uiteraard moet er
                    niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen van een besluit
                    op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet bestuursrecht.
                    Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke
                    gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de aanvraag
                    volgens de procedure van artikel 4:5. Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten. Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige
                    – gegevens moet de gemeente rekening houden met de verplichtingen die
                    voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al><al/><al>Lid 4. geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.” Mede omdat
                    bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt kan het
                    gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 32</onderstreept><onderstreept> Samenhangende
                        afstemming</onderstreept></al><al>Dit artikel vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1. van de wet naar de
                    verordening en bepaalt, dat de beschikking dient te vermelden, op welke wijze
                    het genomen besluit bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de
                    zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                    beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                    psychosociaal probleem.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 34</onderstreept><onderstreept>
                    Opschorting</onderstreept></al><al>Deze bepaling is opgenomen om druk uit te kunnen oefenen op een klant om
                    informatie te verstrekken die van belang is voor de voortzetting van de
                    voorziening, en om bij niet medewerking de voorziening te kunnen beëindigen
                    wegens gebrek aan medewerking.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 35</onderstreept><onderstreept> Intrekking van een
                        voorziening</onderstreept></al><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening,
                    omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten.
                    Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget
                    niet binnen zes maanden na de uitbetaling is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.
                    Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling
                    pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. </al><al/><al/><al><onderstreept>Artikel 36 Terugvordering</onderstreept></al><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling</al><al>Het ligt voor de hand, dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt, wanneer er sprake is van verwijtbaarheid aan de kant van
                    de aanvrager. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, b.v.
                    over het inkomen of over de klachten. Ook kan terugvordering van een voorziening
                    in natura aan de orde zijn, wanneer de aanvrager in gebreke blijft om zijn eigen
                    bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam
                    vooraf een inschatting te maken van de kosten en de te verwachten baten, gezien
                    de mogelijke kosten van een civiele procedure en invorderingskosten.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 36 Terugvordering</onderstreept></al><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot
                    herziening van het recht op de voorziening en de daaraan gekoppelde
                    terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals bijvoorbeeld in de
                    Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is wel sprake van een
                    civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor het
                    Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke basis biedt. Aan de
                    gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen waarin de
                    vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met procureurstelling bij
                    de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een eenvoudige
                    dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder verplichte
                    procureurstelling</al><al>Het ligt voor de hand, dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt, wanneer er sprake is van verwijtbaarheid aan de kant van
                    de aanvrager. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, b.v.
                    over het inkomen of over de klachten. Ook kan terugvordering van een voorziening
                    in natura aan de orde zijn, wanneer de aanvrager in gebreke blijft om zijn eigen
                    bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam
                    vooraf een inschatting te maken van de kosten en de te verwachten baten, gezien
                    de mogelijke kosten van een civiele procedure en invorderingskosten.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 37 Hardheidsclausule</onderstreept></al><al>Artikel 37 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen bij of krachtens deze verordening en
                    dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies
                    ingewonnen. Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de
                    betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de
                    woningeigenaar, bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie
                    waar het van belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat,
                    omdat bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de
                    aangepaste woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een
                    revalidatiecentrum te worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn
                    om een langere periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken.
                    Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen.</al><al>De hardheidsclausule dient slechts te worden toegepast indien bijzondere
                    omstandigheden van het concrete geval daartoe aanleiding geven. Dit betekent dat
                    deze bepaling nadrukkelijk restrictief moet worden toegepast. De
                    hardheidsclausule is derhalve niet bedoeld voor een meer categoriale toepassing,
                    omdat dat er toe zou leiden dat de verordening voor een bepaalde doelgroep
                    anders wordt toegepast dan in de verordening is voorzien. Zo is de
                    hardheidsclausule, gelet op de doelstelling van de verordening (het bieden van
                    voorzieningen aan gehandicapten), niet bedoeld om tegemoet te komen aan
                    ongemakken voor huisgenoten of begeleiders van gehandicapten, voor zover daar in
                    de verordening of het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Hellevoetsluis niet nadrukkelijk is voorzien.</al><al>Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven
                    waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 38 Nadere regels</onderstreept></al><al>Op grond van dit artikel kan het college het Besluit en nadere beleidsregels en
                    richtlijnen uitwerken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 39 Indexering</onderstreept></al><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                    Hellevoetsluis te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze
                    verordening gebaseerde normbedragen vindt plaats volgens het
                    CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur
                    bepaalt in artikel 4.4., lid 1. dat ook de bedragen van de eigen bijdragen
                    jaarlijks aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie worden
                    gewijzigd bij ministeriële regeling. Het ligt voor de hand wijzigingen in
                    bedragen in deze verordening tegelijkertijd hiermee door te voeren. Er zijn
                    voorzieningen, waarvan de prijzen geïndexeerd worden a.h.v. de branche eigen
                    indexcijfers. Deze index zal voor deze voorzieningen gehanteerd worden Deze
                    bedragen worden 1 x per 5 jaar geïndexeerd, waarbij de index over de voorgaande
                    jaren gecumuleerd wordt toegepast en afgerond. Dit is het geval bij het bedrag
                    voor het primaat van verhuizen en voor de sportrolstoel.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 40 Evaluatie</onderstreept></al><al>Omdat de Wmo een nieuwe wet is, heeft er na één jaar reeds een evaluatie
                    plaatsgevonden.</al><al>Vanaf 2008 zal er iedere vier jaar een evaluatie plaatsvinden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 41 Inwerkingtreding</onderstreept></al><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 7
                    februari 2013 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke
                    ondersteuning 2011</al><al/><al/><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en de Zorg.</al><al>In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><al><cursief>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                        maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                        beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                        compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                        beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte
                        van de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                        resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag
                        bepalen welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde
                        doel/resultaat te bereiken. Ten einde tevens recht te doen aan het
                        uitgangspunt dat daar waar mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen
                        verantwoordelijkheid van burgers moet het mogelijk zijn om aan de aanspraak
                        op ondersteuning een inkomenstoets te koppelen. Omdat het om
                        maatschappelijke participatie gaat, is dit te rechtvaardigen. Daartoe dienen
                        op centraal niveau regels gesteld te worden.</cursief></al><al/><al><cursief>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de
                        voorkeur van de Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen
                        naar de Wmo, zodat de wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie
                        blijft naast de Wmo een Welzijnswet bestaan, waarin de collectieve
                        (gemeenschapsgerichte) voorzieningen worden ondergebracht. Deze
                        voorzieningen zijn immers algemeen van aard en bedoeld voor iedere
                        ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele beperkingen. Voor deze
                        voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een wettelijke aanspraak in het
                        leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking op het niveau van de
                        aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de uitvoering. Op het
                        tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak (bijvoorbeeld
                        vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend (bijvoorbeeld
                        openbaar vervoer).</cursief></al><al/><al><cursief>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een
                        verplichting om bepaalde met naam te noemen voorzieningen te verstrekken
                        (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het te bereiken resultaat
                        (compensatieplicht), kan onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht
                        geldt. Om die reden is het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op
                        te nemen wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van
                        burgers. Dat is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in rechte, kan
                        worden aangesproken. Dit betekent dat geoperationaliseerd moet worden wat de
                        termen ‘zelfredzaamheid’ en ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke
                        activiteiten moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</cursief></al><al/><al><cursief>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te
                        nemen is het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te
                        nemen voor de indicatiestelling.”</cursief></al><al/><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht.</al><al/><al>De toelichting stelt:</al><al>“<cursief>Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien
                        in met naam genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde
                        artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om
                        beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een
                        huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                        vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in
                        dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en
                        financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het
                        normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken.</cursief></al><al><cursief>Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder
                        geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van
                        een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig
                        kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale,
                        bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van
                        andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                        manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk
                        leven.</cursief></al><al/><al><cursief>Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International
                        Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                        classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                        behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                        stellen.</cursief></al><al/><al><cursief>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit
                        artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de
                        bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met
                        inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale
                        beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”</cursief></al><al/><al>Omdat er geen omschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het amendement
                    is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen, in artikel
                    1.1. aanhef en onder c.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen:</al><al>a. een huishouden te voeren;</al><al>b. zich te verplaatsen in en om de woning;</al><al>c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al><al>d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                    gaan.</al><al/><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen te weten woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><al>a. onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met name
                    de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke verzorging, in deze
                    verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al><al>b. zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend) de
                    sportrolstoel;</al><al>c. zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit de
                    Wvg;</al><al>d. het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                    verbanden wordt beschouwd als <vet>doelstelling </vet>voor de eerste drie
                    verstrekkingenterreinen.</al><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al><al/><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen om ten behoeve van de
                    compensatie “voorzieningen te treffen”. De wet stelt dus niet, dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en regelarm
                    treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze verordening het
                    begrip “algemene voorzieningen” opgenomen. Dit type voorziening komt in de Wvg
                    alleen voor als collectief vervoer. Kenmerkend voor de algemene voorziening is
                    dat de gemeente deze voorzieningen organiseert, inkoopt en ter beschikking
                    stelt, los van of vooruitlopend op individuele aanvragen terzake. Het zal in de
                    regel gaan om steunpunten, depots, pools, waar de betreffende voorziening op
                    voorraad wordt gehouden, al of niet op wijkniveau. De verordening spreekt in
                    concreto over collectief vervoer. Algemene voorzieningen zullen in de regel met
                    een minimum aan procedures kunnen worden aangeboden: met geen of slechts een
                    lichte toegangstoets en soms zonder eigen bijdragen. Wellicht zullen hier in de
                    toekomst nog voorzieningen toegevoegd worden, vanuit budgettair oogpunt, maar
                    ook vanwege de snelheid van verstrekking en terugdringen van de
                    bureaucratie.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>