<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR260563_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Overbetuwe 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-02-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Overbetuwe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Betuwe; 13-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Overbetuwe 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, eerste lid, onderdeel b. en h. art. 9a, twaalfde lid en 18 eerste, tweede en derde lid</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 20 en art. 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 20 en art. 35</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>12RB000197</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>De Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Overbetuwe 2010, zoals vastgesteld bij besluit van 27 april 2010, wordt ingetrokken.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-9404</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Overbetuwe 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>Ons kenmerk: 12RB000197</al><al/><al>Nr. 8</al><al/><al>De raad van de gemeente Overbetuwe;</al><al/><al>gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 18 december
                        2012;</al><al/><al>gelezen het advies van de voorbereidende vergadering van 15 januari
                        2013;</al><al/><al>gelet op artikel(en) 8, eerste lid, onderdeel b. en h., 9a, twaalfde lid en
                        18 eerste, tweede en derde lid van de Wet werk en bijstand, 20 en 35 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de</al><al/><al><vet>Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ</vet></al><al><vet>gemeente Overbetuwe 2013</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="b."><al>grondslag: de grondslag, als bedoeld in artikel 5 IOAW of
                                    artikel 5 IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid WWB;
                                    het verlagen van de uitkering op grond van artikel 20, tweede
                                    lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ dan wel weigeren van de
                                    uitkering, bedoeld in artikel 20, eerste lid IOAW of artikel 20,
                                    tweede en derde lid IOAZ;</al></li><li nr="f."><al>uitkering: bijstand op grond van de WWB, uitkering op grond van
                                    de IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>WWB: Wet werk en bijstand.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college legt in overeenstemming met deze verordening een
                                    maatregel op als de belanghebbende naar het oordeel van het
                                    college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toont
                                    voor de voorziening in het bestaan of als belanghebbende de uit
                                    de WWB, IOAW en IOAZ voortvloeiende verplichtingen niet of
                                    onvoldoende nakomt. Dit geldt ook als belanghebbende zich
                                    tegenover het college zeer ernstig misdraagt.</al></li><li nr="2."><al>Een maatregel wordt afgestemd op:</al><lijst><li nr="a."><al>de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="b."><al>de mate van verwijtbaarheid van de gedraging, en</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden waarin de belanghebbende
                                            verkeert.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm, als bedoeld in
                                    artikel 5, onder c WWB dan wel op de grondslag IOAW /IOAZ.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan het college de maatregel ook
                                    toepassen op de toegekende bijzondere bijstand op grond van
                                    artikel 12 WWB of de langdurigheidstoeslag als de verwijtbare
                                    gedraging daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden, of</al></li><li nr="c."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van dringende redenen, doet het college hiervan
                                    schriftelijk mededeling.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college legt de maatregel op met ingang van de eerste dag
                                    van de maand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende bekend is
                                    gemaakt. Daarbij gaat het college uit van de voor die maand
                                    geldende bijstandsnorm inclusief de bijzondere bijstand verleend
                                    op grond van artikel 12 WWB dan wel de grondslag IOAW/IOAZ.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid, kan het college de maatregel
                                    met terugwerkende kracht opleggen, voor zover de uitkering of
                                    langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college de
                                    maatregel met terugwerkende kracht opleggen, als het niet
                                    mogelijk is de maatregel op te leggen door middel van verlaging
                                    van de uitkering in de eerstvolgende maand(en).</al></li><li nr="4."><al>Als het college een maatregel niet kan opleggen, omdat het recht
                                    op uitkering is beëindigd, kan de van toepassing zijnde
                                    maatregel alsnog worden opgelegd, als het college aan
                                    belanghebbende binnen een jaar na de einddatum van de uitkering
                                    opnieuw een uitkering toekent.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in de WWB, dan wel IOAW of IOAZ genoemde
                                    verplichtingen, legt het college één maatregel op. Als voor
                                    schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende
                                    hoogten gelden, legt het college de hoogste maatregel op. De
                                    bestuurlijke boete gaat voor op de maatregel.</al></li><li nr="2."><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van één of meerdere in de WWB, dan wel IOAW of IOAZ genoemde
                                    verplichtingen, legt het college voor iedere gedraging een
                                    afzonderlijke boete of maatregel op. Deze boeten of maatregelen
                                    legt het college gelijktijdig op, tenzij dit gelet op de
                                    omstandigheden waarin belanghebbende verkeert niet verantwoord
                                    is.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Het niet nakomen van de verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waarmee de uit de WWB, IOAW en IOAZ
                            voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende zijn nagekomen,
                            onderscheidt het college in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Eerste categorie</cursief>: het zich niet tijdig laten
                                    registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie.</al></li><li nr="2."><al><cursief>Tweede categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet, dan wel onvoldoende, meewerken aan het
                                            opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van
                                            aanpak, als bedoeld in artikel 44a WWB;</al></li><li nr="b."><al>het niet in voldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                            naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het langer dan de in artikel 13 WWB genoemde duur
                                            verblijf houden buiten Nederland, tenzij tijdens die
                                            langere duur aantoonbaar voldoende getracht is algemeen
                                            geaccepteerd arbeid te verkrijgen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al><cursief>Derde categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling naar arbeid
                                            belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan
                                            activiteiten, scholing of werkzaamheden, gericht op de
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>het niet in voldoende mate nakomen van een verplichting,
                                            opgelegd op grond van artikel 55 WWB of artikel 37,
                                            eerste lid, onderdeel e. IOAW respectievelijk IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                                            nuttige werkzaamheden die belanghebbende naar vermogen
                                            kan verrichten. Deze werkzaamheden verricht
                                            belanghebbende naast of in aanvulling op reguliere
                                            arbeid. Deze werkzaamheden leiden niet tot verdringing
                                            op de arbeidsmarkt (categorie 2 of 3);</al></li><li nr="f."><al>het door houding en gedrag er ondubbelzinnig blijk van
                                            geven de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onderdeel b. WWB, niet te willen nakomen, wat heeft
                                            geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld
                                            in artikel 9a, eerste lid WWB.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al><cursief>Vierde categorie</cursief>:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid of
                                            een detacheringsbaan als bedoeld in de
                                            re-integratieverordening;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid of een detacheringsbaan als bedoeld
                                            in de re-integratieverordening.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid van de verordening wordt de
                                    maatregel vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm of grondslag gedurende één
                                            maand bij een gedraging van de 1e categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm of grondslag gedurende één
                                            maand bij gedragingen van de 2e categorie;</al></li><li nr="c."><al>50% van de bijstandsnorm of grondslag gedurende één
                                            maand bij gedragingen van de 3e categorie;</al></li><li nr="d."><al>100% van de norm gedurende één maand bij een gedraging
                                            van de 4e categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college verdubbelt de duur van de maatregel als bedoeld in
                                    het eerste lid, als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                                    van dezelfde of hogere categorie. Het besluit waarbij van het
                                    opleggen van een maatregel om dringende redenen wordt afgezien,
                                    wordt gelijkgesteld met een besluit tot het opleggen van een
                                    maatregel.</al></li><li nr="3."><al>Het college verhoogt de maatregel als bedoeld in het eerste lid,
                                    als de belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van
                                    een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, volhardt in de
                                    verwijtbare gedraging. Het besluit waarbij van het opleggen van
                                    een maatregel om dringende redenen wordt afgezien, wordt
                                    gelijkgesteld met een besluit tot het opleggen van een
                                    maatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, heeft
                                    betoond als bedoeld in artikel 18 WWB, dan wel artikel 41,
                                    eerste lid IOAW of IOAZ, verlaagt het college de uitkering.
                                    Onder het begrip ‘tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid’ worden niet begrepen gedragingen als
                                    bedoeld in artikel 8 van deze verordening. Onder tekortschietend
                                    besef wordt in ieder geval begrepen het op een onverantwoorde
                                    wijze besteden van vermogen, inbegrepen het doen van een
                                    schenking, voorafgaand of tijdens de bijstandsverlening. Dit
                                    tekortschietend besef geldt ook voor belanghebbende die
                                    voorafgaande aan de bijstand door eigen toedoen algemeen
                                    geaccepteerde arbeid niet heeft behouden, dan wel aangeboden
                                    algemeen geaccepteerde arbeid heeft geweigerd.</al></li><li nr="2."><al>De maatregel bedraagt 100% van de bijstandsnorm dan wel de
                                    grondslag voor de duur van de periode dat belanghebbende als
                                    gevolg van zijn gedragingen langer recht heeft op een
                                    uitkering.</al></li><li nr="3."><al>Het college wijzigt de maatregel na drie maanden naar 50% van de
                                    bijstandsnorm dan wel de grondslag voor de resterende duur van
                                    de periode dat belanghebbende als gevolg van zijn gedragingen
                                    langer recht heeft op een uitkering.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Het college legt gedurende een maand een maatregel op van minimaal 50%
                            van de bijstandsnorm dan wel de grondslag als een belanghebbende zich
                            zeer ernstig misdraagt tegenover het college, de in zijn opdracht
                            werkende ambtenaren of derden, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid WWB, artikel 20, tweede lid IOAW, artikel 20, eerste lid IOAZ
                            en artikel 3 van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan één of meerdere artikelen van deze verordening buiten
                            toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing, gelet op
                            het belang van het betoonde besef van verantwoordelijkheid en het
                            nakomen van de verplichtingen door belanghebbende, leidt tot een
                            onbillijkheid van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ gemeente Overbetuwe 2010,
                            zoals vastgesteld bij besluit van 27 april 2010, wordt ingetrokken.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 15 februari 2013. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelverordening WWB, IOAW en
                            IOAZ gemeente Overbetuwe 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in zijn openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van 5 februari 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>drs. A.J. van den Brink</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>R.T. Metz.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Algemene toelichting </vet></al><al/><al><vet><cursief>Rechten en plichten in de WWB</cursief></vet></al><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Ook gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. </al><al/><al>Artikel 18, eerste lid WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. </al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, legt het een maatregel op. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van het
                    opleggen van een maatregel. Het college moet daarbij rekening houden met de
                    persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het
                    college kan dan ook van het opleggen van een maatregel afzien als het college
                    daartoe zeer dringende redenen aanwezig acht.</al><al/><al><vet><cursief>De term ‘maatregel’</cursief></vet></al><al>Het verlagen van de uitkering omdat de belanghebbende zijn verplichtingen niet
                    of in onvoldoende mate is nagekomen, wordt aangeduid als het afstemmen van de
                    uitkering op de mate waarin de belanghebbende de opgelegde verplichtingen
                    nakomt. </al><al>Met het begrip ‘afstemmen’ wordt benadrukt dat rechten en plichten één kant van
                    dezelfde medaille vormen. </al><al>Toch is er voor gekozen om het verlagen van de uitkering vanwege het niet of
                    onvoldoende nakomen van verplichtingen aan te geven als het opleggen van een
                    maatregel. Daarmee wordt aangesloten bij het spraakgebruik dat sinds de Wet
                    Boeten en Maatregelen gebruikelijk is. Ook wordt ook het sanctionerende karakter
                    ervan benadrukt. Het opleggen van een maatregel is géén punitieve sanctie,
                    waarbij het leedtoevoegende karakter voorop staat, máár een reparatoire sanctie
                    (ook wel herstelsanctie genoemd), gericht op het (weer) in overeenstemming
                    brengen van de hoogte van de uitkering met de mate waarin de belanghebbende de
                    aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt.</al><al/><al>Om te onderstrepen dat de verordening de juridische grondslag vormt voor de
                    gemeente om maatregelen op te leggen wanneer een uitkeringsgerechtigde niet aan
                    een verplichting voldoet, wordt de verordening een maatregelverordening
                    genoemd.</al><al/><al><vet><cursief>Niet verlenen van medewerking</cursief></vet></al><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot het
                    opleggen van een maatregel. Het belangrijkste voorbeeld van de
                    medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het
                    niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van
                    het recht op bijstand, omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. </al><al/><al><vet><cursief>Schending van de inlichtingenplicht</cursief></vet></al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de WWB, IOAW en
                    IOAZ. De bestuurlijke boete legt het college op bij een schending van de
                    inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.</al><al/><al><vet><cursief>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</cursief></vet></al><al>De WWB verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels vast te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is
                    mogelijk deze regels onder te brengen in de maatregelverordening. Er is echter
                    voor gekozen deze regels niet in deze verordening op te nemen. Dit is namelijk
                    een gecombineerde WWB, IOAW en IOAZ verordening. De regels over de bevoegdheid
                    de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij verrekening van de
                    recidiveboete zijn neergelegd in de Verordening verrekening bestuurlijke boete
                    bij recidive gemeente Overbetuwe. </al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In dit artikel worden de in deze verordening gehanteerde begrippen gedefinieerd.
                    Deze begrippen behoeven geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 De maatregel</vet></al><al/><al><vet>Artikel 2 Afstemming</vet></al><al>In de maatregelverordening worden voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (percentuele) verlaging van het bedrag van de uitkering.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college moet een op te leggen
                    maatregel afstemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de
                    mate van verwijtbaarheid van de gedraging. Dit betekent dat het college bij elke
                    op te leggen maatregel moet nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van
                    de belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                    standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een
                    verzwaring als een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="1."><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr="2."><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.</al></li><li nr="3."><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de belanghebbende.</al><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
                            standaardpercentage waarmee het bedrag van de uitkering wordt verlaagd.
                            Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt
                            verwezen naar de toelichting bij artikel 5.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel vanwege persoonlijke omstandigheden
                            kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al></li><li nr="1."><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="2."><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="3."><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Berekeningsgrondslag</vet></al><al>In dit artikel wordt het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                            toegepast op de bijstandsnorm inclusief een eventueel toegekende
                            bijzondere bijstand op grond van artikel 12 dan wel de grondslag IOAW/
                            IOAZ. Onder de bijstandsnorm verstaan we de wettelijke norm, inclusief
                            gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.</al><al>De maatregel kan ook worden toegepast op toegekende bijzondere bijstand
                            of langdurigheidstoeslag. Deze mogelijkheid staat open wanneer de
                            verwijtbare gedraging daarop betrekking heeft. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat
                            de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Vanwege
                            de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat het college een
                            maatregel spoedig oplegt nadat de gedraging heeft plaatsgevonden. Om
                            deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen
                            oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                            plaatsgevonden.</al><al/><al>Er geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar voor
                            gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden. En als
                            gevolg daarvan ten onrechte een inkomensvoorziening of een te hoog
                            bedrag aan inkomensvoorziening is verleend. Een termijn van vijf jaar
                            ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet
                            op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van
                            de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.</al><al/><al>Op grond van het tweede lid kan het college afzien van het opleggen van
                            een maatregel als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                            dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en
                            kunnen wij dus niet vooraf vastleggen. Het is belangrijk hierover de
                            belanghebbende schriftelijk op de hoogte te stellen in verband met
                            eventuele recidive.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al>In het eerste lid wordt aangegeven dat het opleggen van een maatregel
                            plaatsvindt door het verlagen de uitkering. Verlaging kan op twee
                            manieren:</al></li><li nr="-"><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering, of </al></li><li nr="-"><al>door middel van verlaging van de uitkering in de eerstvolgende
                            maand(en).</al><al>Het verlagen van het bedrag van de uitkering die in de nabije toekomst
                            wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft er
                            niet te worden overgegaan tot herziening van de uitkering en het te veel
                            betaalde bedrag aan uitkering worden teruggevorderd. Daarom is in dit
                            lid vastgelegd dat het college een maatregel oplegt met ingang van de
                            eerstvolgende kalendermaand. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand geldende bijstandsnorm of grondslag IOAW/ IOAZ.</al><al/><al>De hoofdregel is dat een maatregel wordt uitgevoerd naar de toekomst
                            (eerste lid). In deze verordening is echter geregeld dat in bepaalde
                            situaties een maatregel wél met terugwerkende kracht op kan worden
                            gelegd. Het opleggen van een maatregel met terugwerkende kracht ligt
                            voor de hand als er sprake is van het niet nakomen van de
                            inlichtingenplicht en het te veel betaalde bedrag aan uitkering van de
                            uitkeringsgerechtigde moeten worden teruggevorderd.</al><al>Als de uitkering is beëindigd en al volledig is uitbetaald, is het
                            opleggen van een maatregel alleen nog mogelijk door de uitkering alsnog
                            met terugwerkende kracht te herzien. De door die herziening teveel
                            verstrekte uitkering wordt teruggevorderd. De uiterste grens daarbij
                            ligt op het moment waarop de gedraging heeft plaatsgevonden.</al><al/><al>Hierdoor ontstaat een vordering van (doorgaans) geringe hoogte, waarbij
                            de kans bestaat dat deze ook moeten worden gebruteerd als belanghebbende
                            de vordering niet voor het sluiten van het boekjaar terugbetaalt. Dit
                            alles gebeurd, terwijl de belanghebbende er wel voor heeft gezorgd dat
                            aan hem of haar geen uitkering meer wordt verstrekt.</al><al>Zorgt de belanghebbende ervoor dat hij of zij niet binnen een jaar na
                            beëindiging van de uitkering weer uitkeringsafhankelijk wordt, dan legt
                            het college de maatregel niet op. Wordt de belanghebbende wel binnen een
                            jaar na de einddatum van de uitkering weer uitkeringsafhankelijk, dan
                            kan het college overwegen om de maatregel op te leggen bij de toekenning
                            van de nieuwe uitkering.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een belanghebbende die (min of meer) op
                            hetzelfde moment plaatsvinden.</al><al>Als er sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één
                            gedraging, dan moet voor het toepassen van de maatregel worden uitgegaan
                            van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. De
                            bestuurlijke boete gaat altijd voor.</al><al>Is sprake van verschillende gedragingen (meerdaagse samenloop) dan moet
                            voor iedere gedraging afzonderlijk het maatregelpercentage worden
                            berekend en gelijktijdig opgelegd, tenzij dit niet verantwoord is.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Het niet nakomen van de verplichtingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7 Indeling in categorieën</vet></al><al>De eerste categorie betreft alleen de formele verplichting om zich als
                            werkzoekende in te schrijven bij het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen en ingeschreven te blijven.</al><al/><al>De tweede categorie, onderdeel a., gaat over de verplichting om het
                            individuele activeringsplan, het plan van aanpak, te ondertekenen. Het
                            plan van aanpak is als bijlage bij het besluit tot toekenning of
                            voortzetting van de uitkering meegestuurd.</al><al/><al>Onderdeel b betreft de verplichting voor belanghebbenden om mee te
                            werken aan onderzoeken in het kader van de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling. Zonder medewerking is het niet mogelijk om een goed
                            beeld te krijgen van de middelen die het college in moet zetten om het
                            voor de belanghebbende mogelijk te maken om arbeid te aanvaarden. </al><al/><al>De derde categorie beschrijft gedragingen die direct een aanleiding zijn
                            tot een beroep op de uitkering of het langer voortduren van een
                            uitkering zonder noodzaak daarvan.</al><al>Het gaat hierbij om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                            verminderen en het stellen van onredelijke eisen over aanvaardbare
                            arbeid. Zo gaat het bijvoorbeeld in deze categorie om negatief gedrag
                            bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld
                            trajectplan, waaronder ook sociale activering (Vrijwilligerswerk naar
                            vermogen/ SROI) verplicht kan worden. </al><al/><al>In onderdeel c. van de derde categorie gaat het om een voorziening
                            gericht op arbeidsinschakeling die aan belanghebbende is aangeboden en
                            deze maakt hiervan geen of onvoldoende gebruik. Bijvoorbeeld door niet
                            op te komen dagen voor een afspraak.</al><al>Dit onderdeel is alleen van toepassing als door het gedrag van de
                            belanghebbende het re-integratietraject niet doorgaat of voortijdig
                            wordt beëindigd.</al><al/><al>De vierde categorie beschrijft het niet aanvaarden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid. Maar ook het niet behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid voor de aanvraag voor een uitkering werd gedaan of
                            het niet behouden van deeltijdarbeid op het moment dat belanghebbende
                            een uitkering heeft. </al><al>As voorbeeld van een schending van deze verplichting worden genoemd: het
                            belemmeren van een bemiddelingspoging door afwijkend gedrag, het stellen
                            van irreële eisen of ongebruikelijke werktijden. Dat komt sterk overeen
                            met ‘gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren’, waarover de
                            Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft overwogen dat daarvan kan
                            worden gesproken als blijkt dat als gevolg van de gedraging kansen op
                            werk of uitzicht op werk is verspeeld. Dit kan als een zwaardere
                            gedraging worden aangemerkt.</al><al/><al>Bij de vaststelling van de hoogte van de maatregel is de ernst van de
                            gedraging dus het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt
                            ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor
                            het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al><al/><al>Als binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                            een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur
                            van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste
                            gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook als
                            de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het
                            bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip
                            waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is
                            gemaakt.</al><al>Wanneer een belanghebbende volhardt in zijn of haar verwijtbare
                            gedraging binnen 12 maanden na eerder beoordeling van recidive, kan de
                            hoogte van de maatregel verdubbeld worden. Hiermee geeft het college
                            uitdrukking aan de ernst van het volharden in verwijtbare gedragingen
                            ten aanzien van de aan belanghebbende opgelegde verplichtingen, die
                            horen bij het ontvangen van een uitkering.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
                            voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat belanghebbende een
                            uitkering aanvraagt. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode
                            voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid heeft getoond (waardoor hij niet langer beschikt
                            over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als
                            gevolg daarvan een uitkering aanvraagt), het college bij de toekenning
                            van de uitkering hiermee rekening kan houden door het opleggen van een
                            maatregel.</al><al/><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals:</al></li><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen</al></li><li nr="-"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening</al></li><li nr="-"><al>door eigen toedoen een arbeidsovereenkomst/baan verliezen.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 10 Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdragingen' worden diverse vormen van
                            agressie verstaan. Er moet wel sprake zijn van verwijtbaarheid en van
                            gedrag dat we in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als
                            onacceptabel beschouwen. Het college kan alleen een maatregel opleggen
                            als er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke)
                            belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op
                            uitkering. Vandaar dat in het eerste lid wordt bepaald dat de zeer
                            ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden
                            die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB, IOAW of
                            IOAZ.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                            belanghebbende zich ernstig heeft misdragen, moet ook worden gekeken
                            naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                            persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende. Wat betreft het
                            vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van
                            agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                            onderscheiden: </al></li><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen. </al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging moeten we kijken
                            naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.
                            Daarbij is het van belang een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                            geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als
                            iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te
                            bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering).</al><al>Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en
                            dergelijke wordt frustratieagressie genoemd. De mate van verwijtbaarheid
                            bij instrumenteel geweld is groter dan bij frustratiegeweld.</al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de
                            functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de
                            politie. De gemeente kent een veiligheidsprotocol, waar in geregeld
                            wordt hoe te handelen bij dergelijke calamiteiten.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 11 Hardheidsclausule</vet></al><al>Doen zich situaties voor waarin op het moment van de vaststelling van
                            deze verordening niet is voorzien of waarin onverkorte toepassing, gelet
                            op het betoonde besef van verantwoordelijkheid en het nakomen van
                            verplichtingen door de belanghebbende, van de gestelde bepalingen
                            onverhoopt tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, dan kan het
                            college één of meer artikelen van deze verordening buiten toepassing
                            laten of daarvan afwijken.</al><al>Als dat gebeurt, heeft dat wel tot gevolg dat de verordening moet worden
                            aangepast. Immers, het is daarmee een voorzienbaar geval geworden.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Intrekking oude regeling</vet></al><al>Hiermee wordt de geldende maatregelverordening ingetrokken.</al><al/><al><vet>Artikel 13 Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al/></li></lijst></bijlage><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Overbetuwe/i174783.pdf">maatregelverordening WWB, IOAW en IOAZ 2013 13 02 05.pdf</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>