<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR259506_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Wet inburgering</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ommen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Vechtdal Centraal, 26-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet inburgering gemeente Ommen</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inburgering, art. 8, 19, 23, 24e, 24f, 35, Wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering, art. X</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-02-07</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Wet inburgering</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ommen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d.15 januari 2013,
                        kenmerk MD/R/13-01867;</al><al/><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde en zesde lid, 23, derde lid, 24 e, 24f
                        en 35 van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012 en
                        artikel X van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet
                        inburgering (2012, 430);</al><al/><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij verordening
                        het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete die voor de
                        verschillende overtredingen kan worden opgelegd; </al><al/><al>overwegende dat als gevolg van de wijziging van de Wet inburgering de taken
                        van gemeenten op het terrein van inburgering op termijn beëindigd zullen
                        worden; </al><al/><al>overwegende dat gedurende een overgangsperiode gemeenten nog een aantal
                        taken op het terrein van inburgering zullen uitoefenen; </al><al/><al>overwegende dat daarom de onder de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31
                        december 2012 opgestelde verordening dient te worden
                        gewijzigd/aangepast/ingetrokken; </al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al><vet>VERORDENING WET INBURGERING </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen en informatieverstrekking</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Ommen;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering zoals deze luidde op 31 december
                                        2012;</al></li><li nr="c."><al>de wetswijziging: de wet van 13 september 2012 tot wijziging
                                        van de Wet inburgering en enkele andere wettten in verband
                                        met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de
                                        inburgeringsplichtige (Stb.2012, 430);</al></li><li nr="d."><al>inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in artikel X, 2e t/m
                                        5e lid van de wetswijziging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet, de wetswijziging en de daarop
                                berustende regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in
                                deze verordening worden gebruikt..</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                                doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun
                                rechten en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en
                                de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de vier jaren de
                                doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan
                                de inburgeringsplichtigen en rapporteert daarover aan de raad. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroepen en samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>Het college biedt een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                            aan de inburgeringsplichtige, te weten: </al><lijst><li nr="a."><al>de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28
                                    van de Vreemdelingenwet 2000 en</al></li><li nr="b."><al>de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel g van
                                    de wet, die geen oudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                    c, van de wet,</al></li></lijst><al>voor zover deze uiterlijk 31 december 2012 inburgeringsplichtig is
                            geworden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening of de
                                taalkennisvoorziening aan de inburgeringsplichtige bedoeld in
                                artikel 3 onder a af op het startniveau en de vaardigheden, de
                                persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                                inburgeringsplichtige. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 onder a een
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt
                                het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening op de
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt afgestemd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 onder a biedt het
                                college maatschappelijke begeleiding aan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet
                                wordt in beginsel in één keer betaald. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het innen van de eigen bijdrage begint niet eerder dan drie maanden
                                na beëindiging van het inburgeringstraject of de
                                taalkennisvoorziening</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene die een eigen bijdrage verschuldigd is algemene
                                bijstand ontvangt, verrekent het college, indien mogelijk, de eigen
                                bijdrage met de algemene bijstand. Het college legt dit vast in een
                                beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan een inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 bij
                            beschikking een of meer van de volgende verplichtingen opleggen: </al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan voortgangsgesprekken;</al></li><li nr="d."><al>voor de eerste maal deelnemen aan het inburgeringsexamen of
                                    staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip
                                    dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="e."><al>het melden indien door ziekte dan wel door andere relevante
                                    omstandigheden niet aan de verplichtingen in de beschikking kan
                                    worden voldaan;</al></li><li nr="f."><al>het verstrekken van alle informatie die relevant is om te kunnen
                                    beoordelen of aan de verplichtingen in de beschikking is
                                    voldaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Het aanbod van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                                lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het
                                adres waar de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 in de
                                gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt
                                aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die aan
                                die voorziening worden verbonden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 aan wie een aanbod
                                wordt gedaan, deelt binnen vier weken het college schriftelijk mee
                                of hij het aanbod al dan niet aanvaardt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Wanneer de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 het aanbod
                                aanvaardt, neemt het college binnen acht weken na ontvangst van deze
                                mededeling het besluit tot vaststelling van de
                                inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening overeenkomstig het
                                gedane aanbod. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling van de eigen bijdrage.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De bestuurlijke boete</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 125,- indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtige is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,- indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde inburgeringsvoorziening
                                of taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de
                                wet of aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 6 van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 500,- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,- indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 500,- indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,- indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn zijn
                                inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>De verordening zoals deze gold op 31 december 2012 blijft van toepassing
                            op inburgeringsplichtigen die reeds voor 1 januari 2013
                            inburgeringsplichtig waren en een inburgeringstraject volgen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening Wet inburgering
                            gemeente Ommen.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier, J.A.R. Tenkink. voorzitter, M.J. Ahne.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet inburgering gewijzigd. </al><al/><al>In de wet zoals die gold tot 31 december 2012 was aan gemeenten een aantal
                    belangrijke taken toebedeeld. Door de gewijzigde wet vervallen de taken van de
                    gemeenten. Wel blijven de gemeenten op grond van het overgangsrecht met name de
                    eerste jaren na inwerkingtreding van de wetswijziging een aantal taken
                    uitoefenen. Dit betreft met name inburgeraars die al met een traject gestart
                    zijn in staat te stellen dit af te maken. Daarnaast blijven de gemeenten de oude
                    inburgeraars handhaven. </al><al/><al>De voor de gemeenten belangrijkste wijzigingen zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>De verantwoordelijkheid voor inburgering wordt bij de
                            inburgeringsplichtige gelegd. </al><al>Dit betekent dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige behoort om te bepalen hoe hij aan zijn
                            inburgeringsplicht voldoet en dat hij daarvoor zelf de kosten draagt.
                            Daarmee vervalt de plicht van gemeenten om voor
                            inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen te zorgen. De taken
                            die de gemeente heeft ten aanzien van het oproepen van (potentieel)
                            inburgeringsplichtigen en het doen van een onderzoek (intake) vervallen
                            daarmee eveneens. </al></li><li nr="-"><al>De doelgroep wordt beperkt tot vreemdelingen die op of na de
                            inwerkingtreding van dit wetsvoorstel rechtmatig verblijf verkrijgen
                            voor verblijf in Nederland en (direct of in een later stadium) een
                            verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgen voor een niet-tijdelijk
                            doel (asiel of gezinsvorming/hereniging) of als geestelijke bedienaar.
                        </al></li><li nr="-"><al>De mogelijkheid voor gemeenten om vrijwillige inburgeraars
                            (EU-onderdanen en genaturaliseerde Nederlanders) op grond van de Wet
                            inburgering een inburgeringsvoorziening aan te bieden vervalt.
                            Vrijwillige inburgeraars kunnen net als iedere andere burger via het
                            reguliere onderwijs de noodzakelijke (taal)vaardigheid en kennis
                            verwerven om volledig deel te kunnen nemen aan de samenleving. </al></li><li nr="-"><al>Het vervallen van bovengenoemde bevoegdheden van gemeenten en het
                            verschuiven van de resterende bevoegdheden van gemeenten naar de
                            Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). </al></li><li nr="-"><al>Een overgangsregeling, die erin voorziet:</al></li><li nr="-"><al>Dat gemeenten diegenen die al een aanbod hebben gehad en zich momenteel
                            voorbereiden op het inburgeringsexamen in staat stellen dit voort te
                            zetten en het examen af te leggen;</al></li><li nr="-"><al>Dat gemeenten handhaven dat inburgeraars die vóór 1 januari 2013
                            inburgeringsplichtig zijn geworden aan hun inburgeringsplicht
                            voldoen;</al></li><li nr="-"><al>Dat gemeenten een aanbod doen aan asielgerechtigden en geestelijke
                            bedienaren die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden
                            maar nog geen aanbod hebben gehad voor die datum. Daarbij blijft
                            ongewijzigd dat voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening ook uit
                            maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid van de wet)
                            bestaat.</al></li></lijst><al/><al>De verordening Wet inburgering is aangepast aan de gewijzigde wet.</al><al/><al>In deze verordening wordt alleen het aanbodstelsel toegepast. De mogelijkheid
                    die artikel 19a van de wet bood om het college de bevoegdheid te geven
                    inburgeringsvoorzieningen en taalkennisvoorzieningen vast te stellen, zonder dat
                    eerst een aanbod aan de inburgeringsplichtigen wordt gedaan is per 1 januari
                    2013 komen te vervallen. </al><al>Dit stelsel houdt in dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod doet en
                    de voorziening vaststelt overeenkomstig het aanbod als de inburgeringsplichtige
                    het aanbod heeft aanvaard. </al><al/><al>Vanaf 1 januari 2013 kan de gemeente alleen een aanbod doen aan
                    asielgerechtigden en geestelijk bedienaren, die uiterlijk 31 december 2012
                    inburgeringsplichtig zijn geworden en nog geen voorziening hebben aangeboden
                    gekregen. Aan anderen kunnen gemeenten nog wel voorzieningen aanbieden maar niet
                    meer op grond van de Wet inburgering. </al><al/><al>Gemeenten blijven de opdracht houden om de inburgeringsplichtigen in de gemeente
                    die onder het overgangsrecht vallen goed te informeren over de rechten en
                    plichten die voortvloeien uit deze wet. </al><al/><al>Ook moet de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen worden gehandhaafd die
                    onder het overgangsrecht vallen. Dit betreft inburgeringsplichtigen die voor 1
                    januari jl. hun inburgeringsplicht opgelegd hebben gekregen en voor die datum
                    een gemeentelijk aanbod hebben gekregen. </al><al>Omdat na 1 januari 2013 zich nog geschillen kunnen voordoen tussen gemeenten en
                    degenen die op grond van de wet zoals die gold tot en met 31 december 2012
                    inburgeringsplichtig zijn werken deze handhavingsbepalingen ook door na 1
                    januari 2013. </al><al>In verband met deze taken draagt de wetswijziging gemeenten op om bij
                    verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen: </al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde
                            van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot
                            inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 van de wet). </al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen of
                            taalkennisvoorziening en over de rechten en plichten van de
                            inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening is vastgesteld (artikel 19, vijfde lid, en artikel
                            23, derde lid, van de wet). </al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel 35 van de
                            wet).</al><al/></li></lijst><al><vet>Regels over de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</vet></al><al/><al>Artikel 8 van de wet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en plichten
                    uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van inburgeringsvoorzieningen
                    en de toegang tot die voorzieningen.</al><al/><al><vet>Regels met betrekking tot het aanbieden van inburgeringsvoorzieningen
                    </vet></al><al/><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                    inburgeringsplichtige om te benadrukken.</al><al>Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door het aanbieden van een
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.</al><al/><al>Onder het overgangsrecht zijn gemeenten verplicht een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening aan te bieden aan alle asielgerechtigde
                    inburgeringsplichtigen en een inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren
                    (artikel 19, tweede lid van de wet) die <cursief>voor</cursief> 1 januari 2013
                    inburgeringsplichtig zijn geworden en nog geen voorziening hebben aangeboden
                    gekregen. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het inburgeringsexamen of
                    het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II en omvat het eenmaal
                    kosteloos afleggen van dat examen. De inburgeringsplichtige is verplicht een
                    eigen bijdrage van € 270 te betalen. Een taalkennisvoorziening is gericht op de
                    verwerving van de kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het
                    kunnen afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid,
                    van de wet). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een inburgeringsvoorziening
                    of een taalkennisvoorziening ook uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19,
                    zesde lid van de wet). </al><al/><al>De wet draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen met
                    betrekking tot het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een
                    taalkennisvoorziening. </al><al>In de wet is ook vastgelegd over welke onderwerpen in ieder geval regels moeten
                    worden gesteld: </al><lijst><li nr="-"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen van een
                            aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a
                            van de wet). </al></li><li nr="-"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod aan
                            inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a van de wet).
                        </al></li><li nr="-"><al>De vaststelling door het college van een passende
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de
                            totstandkoming en de samenstelling van die voorziening (artikel 19,
                            vijfde lid, onderdeel b van de wet). </al></li><li nr="-"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld. Deze
                            regels hebben in ieder geval betrekking op de inning van de eigen
                            bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling in termijnen
                            (artikel 23, derde lid, van de wet). </al></li></lijst><al><vet>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete </vet></al><al/><al>Artikel 35 van de wet draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het bedrag dat ten hoogste als
                    bestuurlijke boete kan worden opgelegd. </al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al>NB: In de Wet inburgering worden de begrippen “inburgeringsvoorziening” en
                    “taalkennisvoorziening” gebruikt. In de hieronder staande toelichting worden
                    beide begrippen waar mogelijk afzonderlijk genoemd. In een enkel geval wordt uit
                    overweging van leesbaarheid het woord “voorziening” gehanteerd, waarmee zowel
                    inburgeringsvoorziening als taalkennisvoorziening wordt aangeduid. </al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die worden
                    gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de
                    Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 2 De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</vet></al><al/><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente goed te
                    informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wet inburgering.
                    De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke wijze de
                    informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt georganiseerd. Wel
                    bepaalt artikel 8 van de wet dat de gemeenteraad bij verordening regels
                    vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit hoofde van deze
                    wet, alsmede van het aanbod van en de toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting. Er is
                    voor gekozen om in de verordening alleen de kaders vast te stellen voor een
                    adequate informatievoorziening door het college aan de inburgeringsplichtigen. </al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in dit
                    artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan de
                    inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie en uitvoering
                    van de informatieverstrekking. </al><al>De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op allerlei manieren
                    worden vormgegeven. </al><al/><al>Op grond van het tweede lid zal het college de raad periodiek te rapporteren
                    over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                    inburgeringsplichtigen. Vanaf 2013 treedt een nieuwe wet inburgering in werking
                    en zijn inburgeringsplichtigen zélf verantwoordelijk voor hun inburgering. </al><al>De rapportage betreft nog de ‘oude’ Wet inburgering. Over enkele jaren zal
                    beoordeeld worden wat nog te rapporteren is. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Inburgeringsaanbod</vet></al><al/><al>Vanaf 1 januari 2013 is het college alleen verplicht een inburgeringsvoorziening
                    of een taalkennisvoorziening aan te bieden aan asielgerechtigden en een
                    inburgeringsvoorziening aan geestelijke bedienaren die vóór 1 januari 2013
                    inburgeringsplichtig zijn geworden. </al><al/><al><vet>Artikel 4 De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening</vet></al><al/><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                    vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en samenstelling van
                    die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b, WI). In dit artikel worden
                    de kaders vastgesteld waarbinnen het college de opdracht heeft voor de
                    asielgerechtigde inburgeringsplichtige, een op de persoon toegesneden
                    inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een passende
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet vaststellen. Bij het
                    bepalen van de geschiktheid van een voorziening kunnen de volgende factoren een
                    rol spelen: </al><lijst><li nr="-"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal en de
                            Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit. </al></li><li nr="-"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of gaat
                            vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden gedacht aan
                            het verrichten van betaalde arbeid en/of het opvoeden van kinderen.
                        </al></li><li nr="-"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij kan
                            bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                            inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al/><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke bedienaren
                    wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben dus niet de
                    mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan geestelijke bedienaren
                    aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven. </al><al/><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een voorziening
                    gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen opleveren de
                    inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt is wel, zo blijkt
                    uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod voor een
                    inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtige niet
                    wordt gedaan, indien dat diens arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd moet
                    worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                    (reïntegratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening wordt aangeboden aan
                    een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of een uitkering ontvangt
                    op grond van een andere socialezekerheidswet of socialezekerheidsregeling én die
                    verplicht is om arbeid te verkrijgen of te aanvaarden (artikel 20, eerste lid
                    van de wet). Het college is verantwoordelijk voor het aanbieden van de
                    gecombineerde inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid van de wet). Het
                    tweede lid van artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te
                    zorgen dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de
                    reïntegratievoorziening. </al><al/><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel
                    van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan opnemen. In de wet
                    is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in ieder geval moet bestaan: een
                    cursus die toeleidt naar het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands
                    als tweede taal I of II en het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende
                    examen (artikel 19, derde lid van de wet). </al><al/><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen maakt ook maatschappelijke
                    begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening of de
                    taalkennisvoorziening (artikel 19, zesde lid van de wet). </al><al/><al>Wat betreft de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel van de
                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan inburgeringsplichtigen kan
                    opnemen, kan worden gedacht aan trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van
                    voortgangsgesprekken met de inburgeringsplichtigen. </al><al/><al>Ook kan worden gedacht aan een uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de
                    vorm van een maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                    verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving. </al><al/><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral van
                    belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen inburgeringsvoorziening in
                    combinatie met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling krijgen. Bij
                    voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten
                    reeds een vast onderdeel. </al><al/><al><vet>Artikel 5 De inning van de eigen bijdrage</vet></al><al/><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op de
                    inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het college en de
                    mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde lid van de wet). De
                    hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet en bedraagt </al><al>€ 270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd
                    (artikel 23, tweede lid van de wet). </al><al>Deze bepaling in ongewijzigd overgenomen van de tot 1 januari 2013 bestaande
                    verordening Wet inburgering gemeente Ommen.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Opleggen van verplichtingen</vet></al><al/><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid van de wet dat bepaalt
                    dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten en plichten van
                    de inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is vastgesteld. Dit artikel delegeert de bevoegdheid aan
                    het college om de verplichtingen die in het artikel worden genoemd aan
                    inburgeringsplichtigen in het kader van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening op te leggen. Het college legt in de beschikking tot de
                    vaststelling van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening deze
                    verplichtingen vast.</al><al/><al><vet>Artikel 7 De procedure van het doen van een aanbod</vet></al><al/><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten zorgen dat
                    het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is van belang omdat
                    zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het goed is – leidt tot een
                    besluit tot het toekennen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het aanbod van
                    een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan de
                    inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod wordt
                    toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat ingeschreven in
                    de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan over het feit dat het
                    college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft gedaan. </al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de uiteindelijke
                    beschikking. </al><al>Hierdoor kan de instemming met het aanbod tevens worden opgevat als instemming
                    met de beschikking tot het vaststellen van de inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd). Deze
                    beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de inburgeringsplichtige het
                    aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit schriftelijk aan de gemeente
                    meedeelt (het derde lid). Het meest praktisch is dat deze schriftelijke
                    mededeling geschiedt in de vorm van het laten ondertekenen door de
                    inburgeringsplichtige van een verklaring die door de gemeente is opgesteld. </al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de gemeente meldt
                    dat hij wel een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wil, maar dat
                    hij gelet op zijn situatie bepaalde wijzigingen aangebracht zou willen zien in
                    het aanbod van de gemeente. Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het
                    gedane aanbod moeten aanpassen. </al><al/><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert de
                    inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                    voorbereiden op het inburgeringsexamen! In dat geval kan betrokkene via DUO nog
                    een beroep doen op de oude (tot 1 januari 2013) geldende leenregeling.</al><al/><al><vet>Artikel 8 De inhoud van de beschikking</vet></al><al/><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                    taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                    inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar en
                    beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in ieder geval
                    in de beschikking moeten worden neergelegd. </al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan verbonden
                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig moeten worden
                    vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is verplicht zijn
                    medewerking te verlenen aan de uitvoering van de inburgeringsvoorziening
                    (artikel 23, eerste lid, van de wet). Handhaving hiervan is alleen mogelijk als
                    de verplichtingen van de inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan
                    de betrokkene (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt. </al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, van de wet). In de
                    beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding worden gemaakt
                    (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                    termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de betaling
                    plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de bijstandsuitkering).
                    Dit is geregeld in artikel 5 van de verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 9 De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                        overtredingen</vet></al><al/><al>Artikel 35 van de wet draagt de gemeenteraad op bij verordening de hoogte van de
                    bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende overtredingen kan
                    worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn voor de verschillende overtredingen de
                    maximumbedragen van de bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze
                    boetebedragen in haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen
                    vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn maximumbedragen en
                    géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke overtreding de bestuurlijke
                    boete moeten afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan
                    de overtreder kan worden verweten. Bovendien moet het college daarbij ook
                    zonodig rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is
                    gepleegd (artikel 38, tweede lid van de wet). </al><al>Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen
                    bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke boete passend is, gelet op de
                    individuele omstandigheden van de betrokken inburgeringsplichtige. </al><al>Evenals als in de tot 1 januari 2013 geldende verordening Wet inburgering
                    gemeente Ommen zijn de maximum bedragen van de wet overgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                        overtreding</vet></al><al/><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                    overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9 mogelijk
                    is. </al><al>Het eerste en tweede lid kunnen alleen in de verordening worden opgenomen als in
                    artikel 9, eerste en tweede lid, lagere maximumboetebedragen zijn opgenomen dan
                    de maximumbedragen in de wet. </al><al>De verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding mogen
                    uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34 van de wet
                    worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                    overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen, gekozen is voor
                    de gebruikelijke periode van 12 maanden. </al><al>. </al><al>Artikel 34, onderdeel d van de wet biedt de mogelijkheid voor gemeenten om de
                    bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal € 1000 in het
                    geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet voldoet aan de
                    verplichting binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Dit
                    is geregeld in het derde lid van artikel 10. </al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn het
                    inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een bestuurlijke
                    boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is neergelegd in artikel 9,
                    derde lid, van de verordening. Op grond van artikel 32 van de wet moet het
                    college in de boetebeschikking een nieuwe termijn vaststellen waarbinnen de
                    inburgeringsplichtige alsnog het inburgeringsexamen moet behalen dan wel op een
                    andere wijze aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. Als de
                    inburgeringsplichtige ook binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet
                    heeft behaald, maakt het derde lid het mogelijk dat het college een hogere boete
                    vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34, onderdeel d van de
                    wet). </al><al/><al>Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe termijn moeten worden
                    opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen moet
                    behalen. </al><al/><al>De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm van het vaststellen van maximumbedragen
                    het kader voor het college bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke
                    boetes in individuele gevallen. </al><al>Evenals als in de tot 1 januari 2013 geldende verordening Wet inburgering
                    gemeente Ommen zijn de maximum bedragen van de wet overgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Overgangsbepaling</vet></al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 12 en 13 Inwerkingtreding en Citeertitel</vet></al><al/><al>Deze artikelen spreken voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>