<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR259484_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stein</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel 6 juni 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=artikel 8, eerste lid, onderdeel c">Wet Werk en Bijstand, artikel 8, eerste lid, onderdeel c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=artikel 30">Wet Werk en Bijstand, artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad afdeling A, 2012, no. 26</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Intrekking Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2004 per 1 januari 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet Werk en Bijstand 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad der gemeente Stein;</al><al>Gezien het voorstel inzake gewijzigde WWB-verordeningen na aanscherping WWB
                        (Gem. blad Afd. A 2012, no. 26);</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 april 2012, met
                        overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand (WWB) </al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de navolgende verordening: Toeslagenverordening Wet Werk en
                        Bijstand 2012.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsomschrijving</titel></kop><al>1 De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor belanghebbenden van
                        21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar.</al><lijst><li nr="2."><al>In geval van een gezin gelden de bepalingen van deze verordening
                                uitsluitend indien alle gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn en ten
                                minste twee gezinsleden 21 jaar of ouder.</al></li><li nr="3."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                Werk en Bijstand (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></li><li nr="4."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsnorm: de norm voor een gezin waarvan alle
                                        meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn zoals
                                        bedoeld in artikel 21 lid 1 WWB.</al></li><li nr="b."><al>verzorgingsbehoevende: degene die is aangewezen op
                                        verzorging ter voorkoming van opname in een verpleeg- of
                                        verzorgingstehuis.</al></li><li nr="c."><al>bijdrage in de woonlasten: het bedrag dat de medebewoner
                                        maandelijks betaalt als bijdrage in de woonlasten te weten:
                                        kostgeld en kamer- of onderhuur;</al></li><li nr="d."><al>kostgeld: een minimaal bedrag van 24 % van de
                                        gehuwdennorm.</al></li><li nr="e."><al>kamer- of onderhuur: ten minste het deel dat in de
                                        gehuwdennorm is begrepen voor woonkosten, zijnde 18 % van de
                                        gehuwdennorm.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De bepalingen in artikel 2 en 3 van de verordening laten de
                                toepassing van artikel 18 lid 1 WWB onverlet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Verhoging van de bijstandsnorm </titel></kop><al>(alleenstaande en alleenstaande ouder)</al><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 WWB bedraagt 20% van de
                                gezinsnorm als in de woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                heeft.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedoeld in artikel 25 WWB bedraagt 5% van de gezinsnorm,
                                voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die een woning deelt
                                met één of meer anderen mits:</al><lijst><li nr="a."><al>de alleenstaande of alleenstaande ouder niet kan worden
                                        aangemerkt als verzorgingsbehoevende of</al></li><li nr="b."><al>de alleenstaande of alleenstaande ouder een lagere bijdrage
                                        in de woonlasten levert dan bedoeld in artikel 1, vierde lid
                                        sub c .</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een
                                inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering of
                                een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Verlaging van de bijstandnorm</titel></kop><al>(gezin)</al><lijst><li nr="1."><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 15 procent van
                                de gezinsnorm voor belanghebbenden die met één of meer anderen
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid vindt geen verlaging van de norm
                                plaats als belangheb- benden met één of meer anderen hoofdverblijf
                                in dezelfde woning hebben en:</al><lijst><li nr="a."><al>deze een bijdrage in de woonlasten leveren als bedoeld in
                                        artikel 1, vierde lid, sub c ;of</al></li><li nr="b."><al>deze een zorgbehoevend gezinslid verzorgt omdat de andere
                                        gezinsleden daartoe niet in staat zijn; of</al></li><li nr="c."><al>deze zorgbehoevend is en door het gezin of een van de
                                        gezinsleden wordt verzorgd;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een
                                inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op studiefinanciering of
                                een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Ontbreken van woonkosten</titel></kop><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27 WWB
                        bedraagt. 20 procent van de gezinsnorm indien een woning wordt bewoond
                        waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden dan wel wanneer
                        geen woning wordt bewoond.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 2 tot en met 4 van deze verordening geschiedt
                        zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gezinsnorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gezinsnorm voor een gezin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Slotbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                                Werk en Bijstand 2012.</al></li><li nr="2."><al>De verordening treedt in werking op 1 januari 2012 onder
                                gelijktijdige intrekking van de Toeslagenverordening Wet Werk en
                                Bijstand 2004.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 10 mei 2012</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de Griffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><al>In deze toelichting zijn slechts die bepalingen toegelicht waarbij dit
                    noodzakelijk wordt geacht. De bepalingen die geen nadere toelichting behoeven,
                    worden hier niet verder beschreven.</al><al>Verder dient men zich ervan bewust te zijn dat in deze Toeslagenverordening niet
                    alle mogelijke situaties uitputtend geregeld zijn. Dat is ook niet nodig. In
                    niet geregelde situaties of in uitzonderlijke gevallen heeft het college immers
                    de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van artikel 18 lid 1 WWB
                    bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen.</al><al>Artikel 1 Begripsomschrijving</al><al>Lid 2</al><al>Begrippen die reeds zijn omschreven in de WWB of Awb worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Dit voorkomt dat ingeval van wijziging van
                    betreffende definities in de WWB of Awb ook de verordening moet worden
                    aangepast.</al><al>Lid 4</al><al>Voor het gebruik van het begrip gezinsnorm is gekozen, omdat de hoogte van deze
                    norm in de WWB zelf wordt gegeven. Dit bedrag is feitelijk gelijk aan het netto
                    minimumloon.</al><al>Er moet een duidelijke verklaring zijn op grond waarvan de
                    verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen, bij voorkeur een verklaring van
                    deze strekking die is afgegeven door een arts. Let op: de verzorger van een
                    verzorgingsbehoevende wordt niet ontheven van de verplichting om betaald werk
                    (algemeen geaccepteerde arbeid) te zoeken of te aanvaarden.</al><al>Onder het begrip bijdrage in de woonlasten wordt verstaan het bedrag dat de
                    medebewoner betaalt als bijdrage in de woonlasten te weten kostgeld en kamer- of
                    onderhuur. Er wordt vanuit gegaan dat er altijd een commerciële prijs wordt
                    betaald. </al><al>Bij kamer- en onderhuur is sprake van een commerciële prijs indien minimaal een
                    bedrag van 18% van de gezinsnorm wordt betaald.</al><al>Bij kostgeld is sprake van een commerciële prijs indien minimaal een bedrag van
                    24 % van de gezinsnorm voor kost en inwoning wordt betaald. Indien er minder
                    wordt betaald, is er reden voor een onderzoek en is er wellicht sprake van een
                    gezamenlijke huishouding. De belanghebbende zal door middel van een
                    schriftelijke overeenkomst en betalingsbewijzen (bij voorkeur bankafschriften)
                    moeten aantonen dat hij een bijdrage in de woonlasten levert als hiervoor
                    bedoeld.</al><al>Lid 5</al><al>De hierin opgenomen verplichting voor het college om, zo nodig in afwijking van
                    de uit de Toeslagenverordening voortvloeiende hoogte van de bijstand, de
                    bijstand anders vast te stellen, als dat gelet op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van belanghebbende nodig is, volgt uit artikel 30 lid
                    4 WWB.</al><al>Artikel 2 Verhoging van de bijstandsnorm</al><al>Lid 1</al><al>De hoogte van 20 % van de gezinsnorm als hoogte van de toeslag voor de
                    alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                    hoofdverblijf heeft is op grond van artikel 30 lid 2 onder a WWB,
                    verplicht.</al><al>Lid 2</al><al>Indien de alleenstaande of alleenstaande ouder, zorgbehoevende is en door een
                    medebewoner verzorgd wordt, danwel indien de alleenstaande of alleenstaande
                    ouder minimaal een bijdrage in de woonlasten levert als bedoeld in artikel 1 lid
                    3 onder c, is er recht op de maximale toeslag van 20 %.</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder zelf niet kan worden aangemerkt als verzorgingsbehoevende of
                    de alleenstaande of alleenstaande ouder een lagere bijdrage in de woonlasten
                    levert dan bedoeld in artikel 1 lid 3 sub c, wordt verondersteld dat er
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijv. huur,
                    energiekosten). Of de kosten (of de mate waarin) ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden, is hierbij niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van
                    belanghebbende zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag
                    van 5 % van de gezinsnorm in het geval één of meer anderen in dezelfde woning
                    zijn hoofdverblijf hebben. Het aantal personen waarmee de woning wordt gedeeld,
                    speelt dus geen rol. Inkomsten welke verbonden zijn aan het delen van de kosten
                    van het bestaan met anderen (huur en kostgeld) mogen niet meer gekort worden op
                    de uitkering. Hiermee is immers reeds bij het bepalen van de hoogte van de
                    toeslag rekening gehouden (artikel 33 lid 4 WWB). Deze regel leidt slechts
                    uitzondering indien een alleenstaande (ouder) of kostgeld ontvangt van meer dan
                    twee kamerhuurders of kostgangers. Er zal dan naar alle waarschijnlijkheid
                    sprake zijn van het drijven van een onderneming.</al><al>Lid 3</al><al>Hierin is het inwonende niet tot het gezin behorende studerende kind genoemd.
                    Dat met dit kind geen kosten kunnen worden gedeeld vloeit voort uit artikel 25
                    lid 1 WWB. Studiefinanciering voor een thuiswonende bevat immers geen
                    woonkostencomponent waarmee kosten met de ouder kunnen worden gedeeld.</al><al>Artikel 3 Verlaging van de bijstandsnorm</al><al>Lid 1</al><al>De basisnorm voor een gezin kan op basis van artikel 26 WWB worden verlaagd
                    indien het gezin de noodzakelijke kosten van het bestaan geheel of gedeeltelijk
                    kan delen met een ander.</al><al>Wanneer het gezin een woning deelt met één of meer anderen wordt de verlaging
                    vastgesteld op 15 procent van de gezinsnorm. Het aantal personen waarmee de
                    woning wordt gedeeld speelt dus geen rol.</al><al>Inkomsten welke verbonden zijn aan het delen van de kosten van het bestaan met
                    anderen (huur en kostgeld) mogen niet meer gekort worden op de uitkering.
                    Hiermee is immers reeds bij het bepalen van de hoogte van de verlaging rekening
                    gehouden (artikel 33 lid 4 WWB). Deze regel leidt slechts uitzondering indien
                    het gezin huur of kostgeld ontvangt van meer dan twee kamerhuurders of
                    kostgangers. Er is dan naar alle waarschijnlijkheid sprake van het drijven van
                    een onderneming .</al><al>Lid 2</al><al>In een aantal situaties leidt het delen van een woning met anderen niet tot een
                    verlaging. In de eerste plaats geldt geen verlaging indien de gehuwden een
                    minimumbedrag aan kamerhuur of kostgeld betalen. De verordening gebruikt
                    hiervoor het begrip bijdrage in de woonlasten (zie artikel 1). (zie mijn
                    opmerkingen hierover)</al><al>In de tweede plaats geldt geen verlaging indien minimaal een van de gezinsleden
                    als verzorgingsbehoevende kan worden aangemerkt en hij door de medebewoner (niet
                    zijnde een gezinslid) wordt verzorgd omdat het andere gezinslid of de andere
                    gezinsleden daartoe redelijkerwijs niet in staat is of zijn. Of dit laatste het
                    geval is, zal door de belanghebbenden aannemelijk moeten worden gemaakt,
                    bijvoorbeeld door een verklaring van een arts.</al><al>Lid 3</al><al>Ook hier is het inwonende niet tot het gezin behorende studerende kind
                    opgenomen. Zie voor de toelichting artikel 2 lid 3.</al><al>Artikel 4 Ontbreken van woonkosten</al><al>In artikel 27 WWB is bepaald dat Burgemeester en Wethouders de bijstandsnorm of
                    de toeslag lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de
                    toeslag voorziet, als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet
                    aanhouden van een woning. Dit maakt het mogelijk om dit artikel toe te passen
                    niet alleen in situaties waarin aan de woning geen woonkosten zijn verbonden
                    (kraken), maar ook in situaties waarin er voor belanghebbende geen woonkosten
                    zijn (omdat deze kosten door iemand anders worden voldaan (bijv. bij
                    echtscheiding), danwel geen woning bewoond wordt (zwervers)). </al><al>Er wordt hier geen onderscheid gemaakt naar de mate waarin de woonkosten
                    ontbreken. Indien een belanghebbende wel, doch uitzonderlijk lage woonkosten
                    heeft, kan met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB, de bijstand lager
                    vastgesteld worden.</al><al>In de verordening wordt overigens niet het begrip “woonkosten” gehanteerd, maar
                    “kosten van huur of hypotheeklasten”. Daarmee wordt ondervangen dat het enkel
                    hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke, een reden is voor
                    belanghebbende om de verlaging te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de
                    invulling die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de invulling van het
                    begrip woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. ) Zie CRvB 06-11-2001,
                    nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW).</al><al>Artikel 5 Anti-cumulatiebepaling</al><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende omstandigheden
                    en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt.</al><al>Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het
                    college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag
                    moet vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten vaststellen. Er
                    is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast
                    te leggen waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele toeslag
                    en verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij samenloop
                    ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde
                    percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te gaan,
                    gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>