<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR258993_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stein</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stein</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Schakel 6 juni 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8 lid 1 onderdelen b en h">Wet Werk en Bijstand, artikel 8 lid 1 onderdelen b en h</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=9a lid 12">Wet Werk en Bijstand, artikel 9a lid 12</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=18 lid 1, 2 en 3">Wet Werk en Bijstand, artikel 18 lid 1, 2 en 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=20">Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=20">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=artikel 35">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-05-10</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Gemeenteblad afdeling A 2012, no. 26</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Intrekking van de afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2011 per 1 januari 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad der gemeente Stein;</al><al>Gezien het voorstel inzake gewijzigde WWB-verordeningen na aanscherping WWB </al><al>(Gem. blad Afd. A 2012, no. 26);</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 3 april 2012,
                        met</al><al>overneming van de daarin vermelde motieven;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdelen b en h, artikel 9a lid 12 en artikel 18
                        lid 1, 2 en 3 van de Wet werk en bijstand, de artikelen 20 en 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>besluit:</al><al>Vast te stellen de volgende verordening Afstemmingsverordening WWB, Bbz,
                        IOAW en IOAZ 2012 </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1. Begripsomschrijving</al><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB) met inbegrip van het Besluit bijstandsverlening
                                zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Stein;</al></li><li nr="b."><al>benadelingsbedrag:</al></li><li nr="i."><al>het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk
                                        nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte of
                                        teveel is verleend als bijstand</al></li><li nr="ii."><al>de bijstand waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag
                                        een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                        voorziening in het bestaan.</al></li><li nr="c."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de WWB, alsmede
                                        een uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ.</al></li><li nr="d."><al>bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                        artikel 5 onderdeel c WWB of, voorzover sprake is van een
                                        IOAW of IOAZ uitkering, de grondslag van de uitkering als
                                        bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk artikel 5
                                        IOAZ.</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 2. Het opleggen van een verlaging</al><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin
                        de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                        waarin belanghebbende verkeert.</al><al>Artikel 3. Berekeningsgrondslag</al><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 35
                                        WWB onderscheidenlijk de langdurigheidstoeslag als bedoeld
                                        in artikel 36 WWB daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet ‘bijstandsnorm’
                                in hoofdstuk 2 tot en met 4 worden gelezen als ‘bijstandsnorm plus
                                de op grond van artikel 12 WWB verleende bijzondere bijstand’.</al></li><li nr="4."><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet ‘bijstandsnorm’
                                in hoofdstuk 2 tot en met 4 worden gelezen als ‘de verleende
                                bijzondere bijstand’</al></li></lijst><al>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een verlaging</al><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                        vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging,</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging,</al></li><li nr="c."><al>het bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd en, als dit van
                                toepassing is,</al></li><li nr="d."><al>de reden om af te wijken van de standaardverlaging.</al></li></lijst><al>Artikel 5. Afzien van verlaging</al><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte of teveel
                                        uitkering is verleend. Een verlaging wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jaren nadat de betreffende gedraging heeft
                                        plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van een verlaging, indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld.</al></li></lijst><al>Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak </al><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wordt toegepast met ingang van de eerste dag van de
                                kalendermaand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging
                                aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van
                                de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende
                                bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>Als verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is, omdat
                                de uitkering is beëindigd of ingetrokken, wordt de verlaging met
                                terugwerkende kracht toegepast op de uitkering over de periode
                                waarop de gedraging betrekking heeft gehad dan wel de uitkering over
                                de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>De verlaging wordt toegepast vanaf de ingangsdatum van de bijstand
                                als de gedraging wordt geconstateerd bij de beoordeling van een
                                aanvraag.</al></li></lijst><al>Artikel 7. Samenloop van gedragingen</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                                verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting
                                inhouden wordt voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                verlaging uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging is
                                gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende zich schuldig maakt aan één gedraging die
                                meerdere schending van verplichtingen inhouden wordt voor het
                                bepalen van de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de
                                schending waarop de zwaarste verlaging is gesteld.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 2 Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de
                        arbeidsinschakeling</al><al>Artikel 8. Indeling in categorieën</al><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid
                        niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van artikel 9 WWB,
                        artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk artikel 37 IOAW, artikel 38
                        IOAW, artikel 37 IOAZ en artikel 38 IOAZ niet of onvoldoende worden
                        nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van
                                        de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het college
                                        verstrekken van de bijlage bij het besluit tot toekenning of
                                        voortzetting van de bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel 9
                                        lid 1 onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB
                                        respectievelijk artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1
                                        sub e IOAW en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1
                                        onderdeel e IOAZ, waaronder begrepen sociale
                                        activering;</al></li><li nr="c."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren
                                        van een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a WWB,
                                        indien van toepassing.</al></li><li nr="d."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                        verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b
                                        WWB respectievelijk artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW en
                                        artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAZ niet te willen nakomen,
                                        wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                        arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder zoals bedoeld in
                                        artikel 9a lid 1 WWB respectievelijk 38 lid 1 IOAW en
                                        artikel 38 lid 1 IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot
                                        het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van
                                        die voorziening;.</al></li><li nr="e."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld
                                        in artikel 9 lid 1 WWB of artikel 55 WWB, voorzover het gaat
                                        om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na
                                        de melding zoals bedoeld in artikel 43 lid 4 en 5 WWB.</al></li><li nr="f."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                        opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in
                                        artikel 9 lid 1 onderdeel c WWB, artikel 37 lid 1 onderdeel
                                        f IOAW of artikel 37 lid 1 onderdeel f IOAZ.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 9 lid 1
                                        onderdeel b WWB en artikel 10 lid 1 WWB respectievelijk
                                        artikel 36 lid 1 IOAW en artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW
                                        en artikel 36 lid 1 IOAZ en artikel 37 lid 1 onderdeel e
                                        IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang
                                        vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                        voorziening;</al></li></lijst></li></lijst><al>Artikel 9. Hoogte en duur van een verlaging</al><lijst><li nr="1."><al>De verlaging, bij gedragingen zoals bedoeld in artikel 8, wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>vijfentwintig procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                        maand bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie, met uitzondering van de
                                        gedraging als bedoeld onder a of b als het betreft
                                        belanghebbenden met een IOAZ-uitkering.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarbij
                                een verlaging is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een
                                besluit wordt gelijkgesteld het besluit om van verlaging af te zien
                                op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 5 lid 2.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 3 Niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht</al><al>Artikel 10. Te laat verstrekken van gegevens</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende de inlichtingenplicht zoals bedoeld in
                                artikel 17 WWB respectievelijk artikel 13 IOAW of artikel 13 IOAZ
                                niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de
                                verlening van de uitkering of de voortzetting daarvan niet binnen de
                                door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, maar wel
                                binnen de hersteltermijn zoals bedoeld in artikel 54 lid 2 WWB
                                respectievelijk artikel 17 lid 2 IOAW en artikel 17 lid 2 IOAZ,
                                wordt een verlaging opgelegd van vijf procent van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit, waarbij
                                een verlaging is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een
                                verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een
                                besluit wordt gelijkgesteld het besluit om van verlaging af te zien
                                op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 5 lid 2.</al></li><li nr="3."><al>Van het opleggen van een verlaging zoals bedoeld in het eerste lid
                                kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar, te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst><al>Artikel 11. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de bijstand</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                zoals bedoeld in artikel 17 WWB respectievelijk artikel 78s lid 3 en
                                4 WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ niet heeft
                                geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                uitkering, bedraagt de verlaging vijf procent van de bijstandsnorm
                                gedurende een maand.</al></li><li nr="2."><al>Van het opleggen van een verlaging bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en worden volstaan met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan belanghebbende een
                                schriftelijke waarschuwing is gegeven.</al></li></lijst><al>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                        gevolgen voor de bijstand</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                zoals bedoeld in artikel 17 WWB respectievelijk artikel 78s lid 3 en
                                4 WWB, artikel 13 van de IOAW of artikel 13 van de IOAZ heeft geleid
                                tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                uitkering, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt vastgesteld op:tien procent van het
                                benadelingsbedrag, met een minimum van € 100,00.</al></li><li nr="3."><al>De verlaging als wordt niet opgelegd zolang deze onderzocht wordt
                                door het Openbaar Ministerie en blijft definitief achterwege indien
                                ter zake een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter
                                terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot
                                strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek
                                van strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Indien het Openbaar Ministerie besluit niet over te gaan tot
                                strafvervolging, wordt alsnog een verlaging opgelegd overeenkomstig
                                het tweede lid van dit artikel.</al></li></lijst><al>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</al><al>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18 lid 2
                                WWB, anders dan het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                als bedoeld in artikel 8 lid 4 onderdeel b van deze verordening,
                                wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van
                                zijn gedraging eerder of langer een beroep doet of heeft gedaan op
                                bijstand, waaronder mede wordt begrepen het verwijtbaar geen recht
                                hebben op een voorliggende voorziening.</al></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        een periode korter dan drie maanden;</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende drie maanden
                                        bij een periode van drie tot zes maanden;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende zes maanden
                                        bij een periode van zes maanden of langer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Als de gevestigde zelfstandige voorafgaand aan de aanvraag Bbz 2004
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond als
                                bedoeld in artikel 18, tweede lid van de WWB, wordt als maatregel
                                artikel 21, eerste en tweede lid Bbz 2004 niet toegepast (kapitaal-
                                en rentereductie).</al><al/></li></lijst><al>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</al><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college
                        of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                        de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van
                        minimaal twintig procent en maximaal 100% van de bijstandsnorm gedurende een
                        maand.</al><al/><al>Artikel 15. Nadere verplichtingen</al><al>Indien aan belanghebbende een of meer verplichtingen zoals bedoeld in
                        artikel 55 WWB, niet zijnde een verplichting als bedoeld in artikel 8 lid 3
                        onderdeel d van deze verordening, zijn opgelegd en deze niet in voldoende
                        mate worden nagekomen, wordt een verlaging opgelegd van 25% van de
                        bijstandsnorm gedurende een maand. </al><al/><al>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</al><al/><al>Artikel 16. Hardheidsclausule </al><al>Het college kan in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de
                        bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing daartoe
                        aanleiding geeft of zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid.</al><al/><al>Artikel 17. Het handhavingsbeleid </al><al>Het college biedt een meerjarig handhavingsplan aan de gemeenteraad aan met
                        daarin het te voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van
                        misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet en de te verwachten resultaten en
                        rapporteert hierover bij de vaststelling van het nieuwe plan aan de
                        gemeenteraad.</al><al/><al>Artikel 18 Verlagingenbeleid SVB</al><al>In afwijking van de overige artikelen is op de uitkeringsgerechtigden die op
                        grond van een mandaatregeling van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een
                        uitkering ingevolge de WWB ontvangen, het verlagingenbeleid van de SVB
                        (zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2006, 121 en 2008, 98) van
                        toepassing.</al><al/><al>Artikel 19. Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2012, onder
                        gelijktijdige intrekking van de afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en
                        IOAZ 2011.</al><al/><al>Artikel 20. Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW
                        en IOAZ 2012.</al><al/></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 10 mei 2012</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de Griffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>ALGEMENE TOELICHTING</al><al>Rechten en plichten in de WWB</al><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. Rechten en plichten zijn twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering.
                    Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de
                    rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                    worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    indien het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Is afgezien van
                    een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het
                    niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze
                    gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18 lid 1
                    WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de
                    betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                    besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                    belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                    uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake
                    is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de
                    eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB
                    19-04-2011, nr. 10/4882 WWB).</al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening moet niet gezien worden als
                    een strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor vervolgd worden.
                    Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke sanctie is, kunnen de
                    verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar bestaan als sprake is van
                    hetzelfde rechtsfeit (bijvoorbeeld inlichtingenfraude). Het beginsel van ‘ne bis
                    in idem’ staat daaraan in de weg.</al><al>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering
                    te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW
                    en artikel 20 IOAZ). De gemeente moet het gemeentelijke beleid vastleggen in een
                    verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b
                    IOAZ). De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij zij opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te
                    leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</al><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Bbz, IOAW,
                    IOAZ, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening.
                    Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                    betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ (lid 2 onderdeel d) wordt in deze verordening verstaan
                    de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm (WWB/Bbz). Dit is de
                    toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen,
                    alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond
                    van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke
                    grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ.</al><al>Artikel 2. Het besluit tot opleggen van een verlaging</al><al>In de verordening zijn voor de diverse gedragingen standaardverlagingen
                    vastgesteld. Het college dient de op te leggen verlaging echter op grond van
                    artikel 18 lid 3 WWB echter steeds af te stemmen op de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                    bepaling brengt met zich mee, dat het college bij elke op te leggen verlaging
                    zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                    uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                    standaardverlaging geboden is. Daartoe moeten steeds de volgende stappen worden
                    doorlopen:</al><lijst><li nr="1."><al>vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="2."><al>vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="3."><al>vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>Matiging van de opgelegde verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan
                    bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het geheel van
                            verlagingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate
                            van verwijtbaarheid.</al></li></lijst><al>Artikel 3. Berekeningsgrondslag</al><al>Bijstandsnorm (lid 1)</al><al>In artikel 3 lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat een
                    verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt
                    verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                    inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ
                    wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 IOAW/IOAZ.</al><al>Bijzondere bijstand (lid 2 en 3)</al><al>In artikel 3 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een verlaging
                    ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een belanghebbende
                    bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 WWB. Personen
                    tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk
                    wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                    levensonderhoud. Als een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                    opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen.
                    Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de berekeningsgrondslag in
                    dat geval bestaat uit de bijstandsnorm +/+ de verleende bijzondere bijstand op
                    grond van artikel 12 WWB.</al><al>Artikel 3 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                    college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere bijstand
                    als bedoeld in artikel 35 of de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een
                    verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op
                    bijzondere bijstand respectievelijk de langdurigheidstoeslag. Een verlaging kan
                    uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                    verstrekt. </al><al>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een verlaging</al><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In artikel 4 van deze verordening is aangegeven wat in het
                    besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Awb en dan met name uit het motiveringsvereiste. Het
                    motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een
                    deugdelijke motivering is voorzien.</al><al>Artikel 5. Afzien van verlaging</al><al>Afzien van verlagen (lid 1). Het afzien van het opleggen van een verlaging
                    “indien elke vorm van verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18
                    lid 2 WWB (respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW en artikel 20 lid 3 IOAZ).
                    Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente
                    afwezigheid van verwijtbaarheid (zie CRvB 24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN
                    AD4887). Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid
                    ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm
                    van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive.</al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt dit artikel
                    dat het college geen verlagingen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een
                    uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag
                    of de gemeente overgaat tot het opleggen van een verlaging.</al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar.</al><al>Afzien van verlagen in verband met dringende redenen (lid 2 en 3) In deze
                    verordening is geregeld dat kan worden afzien van het opleggen van een verlaging
                    indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verordening stelt een
                    algemene verplichting tot het opleggen van een verlaging voorop. Uitzonderingen
                    moeten echter mogelijk zijn indien voor de belanghebbende onaanvaardbare
                    consequenties zouden optreden</al><al>Uit het woord "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en
                    uitzonderlijks aan de hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene
                    principe gerechtvaardigd zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de
                    concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden
                    gedacht aan enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de
                    gedraging en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor
                    belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige
                    financiële gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een verlaging af te zien,
                    aangezien dit inherent is aan het verlagen van een uitkering.</al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><al>Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</al><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en).</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. </al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen dient de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast (lid
                    2). Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere
                    vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijktot teveel
                    verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit
                    teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid 1 onderdeel a WWB,
                    respectievelijk artikel 25 lid 1 IOAW en IOAZ, worden teruggevorderd. Hierbij
                    moet wel worden bedacht dat afstemming met terugwerkende kracht niet altijd
                    mogelijk is. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en
                    teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Als de gedraging
                    schending van de inlichtingenplicht betreft kan aangifte worden gedaan bij het
                    OM , ook als de vordering minder bedraagt dan de aangiftegrens van € 10.000
                    (uitzondering 5 in de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude).</al><al>De situatie kan zich voordoen dat de belanghebbende de uitkering WWB uitgaat en
                    aansluitend gaat starten via Bbz 2004. Als de maatregel nog moet worden besloten
                    zoals genoemd in het tweede lid, kan de maatregel alsnog worden opgelegd in het
                    besluit als gevolg van Bbz 2004 of worden voortgezet in het besluit als gevolg
                    van Bbz 2004. Deze beschrijving kan ook plaatsvinden vanuit de overige
                    uitkeringen genoemd in deze verordening (bijvoorbeeld van IOAW naar Bbz 2004 of
                    van Bbz 2004 naar de Wwb).</al><al>Artikel 7. Samenloop van gedragingen</al><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke situaties. Enerzijds de
                    situatie dat sprake is van één gedraging die schending van meerdere
                    verplichtingen oplevert, anderzijds de situatie dat er sprake is van meerdere
                    gedragingen die een schending van een verplichting opleveren. In beide gevallen
                    wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging van toepassing
                    is.</al><al>Artikel 8. Indeling in categorieën</al><al>De artikelen 8 en 9 van deze verordening moeten in onderlinge samenhang worden
                    gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn
                    ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht
                    toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                    behouden van betaalde arbeid.</al><al>De bepalingen uit dit hoofdstuk zijn op grond van het gestelde in artikel 38,
                    derde lid, Bbz 2004 slechts van toepassing voor die zelfstandige die zijn
                    bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een half jaar niet of nagenoeg niet
                    uitoefent. Voor alle andere zelfstandigen zijn de verplichtingen artikel 9 WWB
                    niet van toepassing en kan derhalve ook geen maatregel worden opgelegd in
                    verband met een gedraging vallend onder dit hoofdstuk.</al><al>Inspanningen jongeren in eerste vier weken na de melding</al><al>De plicht tot arbeidsinschakeling geldt vanaf datum melding (zie artikel 9 lid 1
                    WWB). Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld
                    op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43 lid 4 en 5
                    WWB). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13
                    lid 2 onderdeel d WWB geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht,
                    maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan kan het college de
                    uitkering verlagen. Wat hieronder wordt verstaan is in een beleidsregel
                    vastgelegd.</al><al>Artikel 9. Hoogte en duur van de verlaging</al><al>Zie de toelichting bij artikel 8.</al><al>Artikel 10. Te laat verstrekken van gegevens</al><al>Eerste lid</al><al>Indien de belanghebbende de voor de verlening van uitkering van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet binnen de door het college gestelde
                    termijn heeft verstrekt, kan het college het recht op uitkering opschorten (zie
                    artikel 54 lid 2 WWB, artikel 17 lid 2 IOAW en artikel 17 lid 2 IOAZ). Het
                    college geeft vervolgens een hersteltermijn waarbinnen de belanghebbende het
                    verzuim kan herstellen door alsnog de gegevens of bewijsstukken te verstrekken.
                    Indien de belanghebbende de gegevens of bewijsstukken binnen deze termijn
                    verstrekt, wordt een verlaging opgelegd. Op grond van artikel 9 lid 2 kan dan
                    eerst een waarschuwing worden gegeven. Als de gegevens of bewijsstukken buiten
                    de hersteltermijn worden verstrekt, zal de uitkering worden ingetrokken (zie
                    artikel 54 lid 4 WWB).</al><al>Tweede lid</al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid in plaats van een verlaging een waarschuwing
                    te geven. De waarschuwing wordt schriftelijk afgegeven en is vatbaar voor
                    bezwaar en beroep.</al><al>Artikel 11. Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                    gevolgen voor de bijstand</al><al>In dit artikel wordt “nulfraude” geregeld. Dit is het verstrekken van onjuiste
                    of onvolledige inlichtingen zonder dat dit heeft geleid tot het ten onrechte of
                    tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. Een voorbeeld van nulfraude is
                    het niet opgeven van een vermogensbestanddeel waarbij de waarde van het
                    bestanddeel niet tot gevolg heeft dat de voor belanghebbende geldende
                    vermogensgrens wordt overschreden.</al><al>Het tweede lid geeft de mogelijkheid om in plaats van een verlaging een
                    waarschuwing te geven. De waarschuwing wordt schriftelijk afgegeven en is
                    vatbaar voor bezwaar en beroep.</al><al>Artikel 12. Verstrekken van geen, onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                    gevolgen voor de bijstand</al><al>Op grond van artikel 11 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    voor een schending van de inlichtingenplicht die heeft geleid tot het ten
                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering. De ernst van de
                    gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is
                    het door de gemeente te veel betaalde bedrag aan uitkering.</al><al>Als de verlagenswaardige gedraging ook een strafbaar feit oplevert, dient het
                    college hiervan proces verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar
                    Ministerie (OM) indien het bedrag waarvoor is gefraudeerd boven de aangiftegrens
                    komt. In de Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude wordt als aangiftegrens een
                    benadelingsbedrag van € 10.000,00 gehanteerd. Bij fraudebedragen beneden de
                    aangiftegrens zal het OM in de regel geen strafvervolging inzetten. In een
                    aantal gevallen kan echter bij wijze van uitzondering ook strafvervolging
                    plaatsvinden bij fraudebedragen beneden de € 10.000,00. Op grond van de
                    Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude geldt de grens van € 10.000,00 voor
                    strafrechtelijke afdoening niet voor zaken tegen verdachten die geen uitkering
                    (meer) genieten. Het college kan dus ook bij een benadelingsbedrag beneden de
                    aangiftegrens aangifte doen bij het OM, indien er geen verlaging kan worden
                    toegepast.</al><al>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie in
                    zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is,
                    kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal
                    moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een
                    gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                    aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand):</al><al>• het te snel interen van vermogen;</al><al>• het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering;</al><al>• het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening.</al><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is een
                    gedraging die ook zou kunnen worden gekwalificeerd als een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Vanwege de
                    samenhang met de arbeidsverplichtingen is er echter voor gekozen deze gedraging
                    onder te brengen in artikel 8 van deze verordening.</al><al>Op grond van dit artikel kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen
                    van tekortschietend besef op een andere grond dan het verwijtbaar verlies van
                    arbeid. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het
                    benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop
                    eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan; zie ook de
                    begripsomschrijving in artikel 1 lid 2 onderdeel e van deze verordening.</al><al>Lid 3</al><al>De gevestigde zelfstandige die voor de aanvraag Bbz 2004 tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid vertoont, wordt gestraft door het niet toepassen van
                    artikel 21, eerste en tweede lid Bbz 2004. Hierbij kan worden gedacht aan zeer
                    verwijtbare gedragingen die hebben geleid tot de financiële problemen waarvoor
                    een beroep op een bedrijfskrediet ingevolge Bbz 2004 wordt gedaan (bijvoorbeeld
                    veel te hoge privé –uitgaven ten opzichte van de behaalde bedrijfsresultaten of
                    onzorgvuldige boekhouding met hoge belastingaanslagen tot gevolg).</al><al>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Het college kan alleen een verlaging opleggen indien er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. De WWB, maar ook de IOAW en IOAZ
                    bevatten immers geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige
                    misdragingen. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens
                    het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet)
                    nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie
                    bijvoorbeeld CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, LJN BN0660). Vandaar dat wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van WWB, IOAW
                    of IOAZ. Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van
                    een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit
                    eigen beweging stennis maken - dan is binnen de WWB (respectievelijk IOAW en
                    IOAZ) tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk.</al><al>Een belanghebbende heeft ook een inlichtingenplicht jegens het UWV. Daarom kan
                    geconcludeerd worden dat ook zeer ernstige misdragingen jegens (medewerkers van)
                    het UWV, zouden kunnen leiden tot een verlaging van de bijstand op grond van de
                    afstemmingsverordening. Het zich zeer ernstig misdragen jegens het college in de
                    zin van artikel 18 lid 2 WWB omvat tevens het zich misdragen jegens een
                    medewerker van het re-integratiebureau, omdat deze personen werken in opdracht
                    van het college en de misdraging van negatieve invloed is op de op
                    belanghebbende uit hoofde van de WWB rustende verplichting tot
                    arbeidsinschakeling (zie Rechtbank Rotterdam 26-03-2008, nr. 07/1478, LJN
                    BC9884).</al><al>Artikel 15. Nadere verplichtingen</al><al>Artikel 55 WWB geeft het college de bevoegdheid om naast de verplichtingen die
                    op grond van hoofdstuk 2 WWB aan het recht op bijstand verbonden zijn of kunnen
                    worden vanaf de dag van melding aan een belanghebbende bepaalde andere
                    verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling dan wel verband
                    houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of strekken tot
                    vermindering of beëindiging van de bijstand.</al><al>Het opleggen van deze nadere verplichtingen kan bijvoorbeeld aan de orde zijn,
                    wanneer in de persoon gelegen problemen arbeidsinschakeling in de weg staan,
                    zoals bij psychische moeilijkheden of verslavingsproblematiek. Een actieve,
                    zonodig bemiddelende opstelling van het college om dergelijke factoren door
                    inschakeling van professionele hulp weg te nemen, is alsdan zeer gewenst.</al><al>Het college kan indien dit noodzakelijk wordt geacht, voor het herstel van de
                    zelfstandige bestaansvoorziening van belanghebbende aan de bijstand de
                    verplichting verbinden, dat belanghebbende een medische behandeling ondergaat
                    dan wel enigerlei andere vorm van professionele hulpverlening die naar zijn aard
                    met een medische behandeling kan worden vergeleken. De zorgvuldigheid vergt dat
                    het college alvorens een dergelijke verplichting op te leggen het deskundige
                    advies inwinnen van een onafhankelijk arts.</al><al>Artikel 16. Hardheidsclausule</al><al>Het is nadrukkelijk de bedoeling van de wetgever om gemeenten een zo groot
                    mogelijke beleidsvrijheid te geven en aldus maatwerk op lokaal niveau te kunnen
                    leveren. Daarom is afgestapt van het rigide stelsel van standaardisering, dat
                    wil zeggen een korting op de uitkering met een vaststaande termijn en een
                    percentage gekoppeld aan standaardcategorieën van gedragingen. In deze
                    verordening wordt op gemeentelijk niveau vastgelegd op welke wijze de bijstand
                    wordt verlaagd, indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit
                    de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Aan de
                    bedoeling van de wetgever wordt inhoud gegeven door de bepaling, dat in
                    bijzondere gevallen gemotiveerd kan worden van de in de verordening genoemde
                    verlagingen van de bijstand. Maatwerk dus.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>