<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR258990_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Vlissingen 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-02-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2012, IV.03</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Vlissingen 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Veiligheidsregio's</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Bouwbesluit 2012</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-04-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-05-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-05-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Regeling brandveiligheidsvoorschriften kampeerterreinen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Brandbeveiligingsverordening 2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>BRANDBEVEILIGINGSVERORDENING VLISSINGEN 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel><onderstreept>Begripsomschrijvingen</onderstreept></titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><colspec colname="colD"/><tbody><row><entry><al>a.</al></entry><entry><al>Inrichting:</al></entry><entry><al>een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                                            plaats voor zover die geen bouwwerk is; </al></entry></row><row><entry><al>b.</al></entry><entry><al>Bouwwerk:</al></entry><entry><al>elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                            metaal of ander materiaal, die op de plaats van
                                            bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                                            verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in
                                            of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                            functioneren;</al></entry></row><row><entry><al>c.</al></entry><entry><al>Kampeerterrein:</al></entry><entry><al>een terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht, en
                                            blijkens die inrichting bestemd tot het plaatsen of
                                            geplaatst houden van kampeermiddelen en kampeerhuisjes
                                            ten behoeve van recreatief nachtverblijf;</al></entry></row><row><entry><al>d.</al></entry><entry><al>College:</al><al/></entry><entry><al>het college van burgemeester en wethouders van
                                            Vlissingen.</al><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel><onderstreept>Verbodsbepaling</onderstreept></titel></kop><al>1. Het is verboden zonder of in afwijking van een door het college
                        verleende</al><al>gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben of te houden, voor
                        zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al> meer dan 50 personen tegelijk aanwezig zullen zijn;</al></li><li nr="b."><al> aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al> aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan 10
                                lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen dagverblijf zal
                                worden verschaft.</al></li></lijst><al>2. Het college kan aan de gebruiksvergunning voorwaarden verbinden met
                        inachtneming van het gestelde in de paragrafen 3 en 4.</al><al>3. Het college kan aan de gebruiksvergunning nieuwe voorwaarden verbinden en
                        gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken, indien het belang waarvoor de
                        gebruiksvergunning is verleend dit vereist op grond van een verandering van
                        inzichten of verandering van de omstandigheden gelegen buiten de inrichting,
                        opgetreden na het verlenen van de gebruiksvergunning.</al><al>4. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is van
                        toepassing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel><onderstreept>Weigeringsgronden</onderstreept></titel></kop><al/><al>Het college weigert een gebruiksvergunning, indien de in de aanvraag
                        vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet brandveilig is en door het
                        stellen van voorschriften ook niet kan worden bereikt.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel><onderstreept>Gebruikseisen</onderstreept></titel></kop><al/><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de artikelen
                        1.16, 1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5, 6.6, 7.1 en 7.2 van het
                        Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn overeenkomstig van toepassing
                        op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige inrichtingen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel><onderstreept>Brandveiligheidsvoorzieningen</onderstreept></titel></kop><al/><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de afdelingen
                        6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn, met
                        uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39, van overeenkomstige
                        toepassing op vergunningplichtige en niet vergunningplichtige
                        inrichtingen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel><onderstreept>Nadere regels door het college</onderstreept></titel></kop><al/><al>Het college stelt brandveiligheidsvoorschriften voor kampeerterreinen vast
                        en kan deze indien nodig wijzigen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel><onderstreept>Gebruiksmeldingplicht</onderstreept></titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het gestelde in artikel 2, eerste lid, is geen
                                gebruiksvergunning vereist en kan worden volstaan met een melding
                                indien het kampeerterreinen betreft. Uit het oogpunt van
                                brandveiligheid dienen kampeerterreinen te voldoen aan de
                                brandveiligheidsvoorschriften kampeerterreinen zoals bedoeld in
                                artikel 6.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het betreft het in
                                gebruik nemen of gebruiken van een inrichting waarvoor op grond van
                                het besluit een gebruiksvergunning is vereist.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het veranderen
                                van een inrichting, indien eerder een gebruiksmelding is gedaan en
                                door het veranderen een afwijking ontstaat van de bij die melding
                                verstrekte gegevens.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan na indiening van een gebruiksmelding, besluiten
                                nadere voorwaarden op te leggen indien deze noodzakelijk zijn voor
                                het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en
                                ongevallen bij brand.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel><onderstreept>Indiening gebruiksmelding</onderstreept></titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Een gebruiksmelding wordt tenminste zes weken voor aanvang van het
                                gebruik schriftelijk ingediend bij het college op een door het
                                college vastgesteld formulier.</al></li><li nr="2."><al>Om aannemelijk te maken dat het gebruik voldoet aan de bij of
                                krachtens de wet geldende eisen, verstrekt de aanvrager bij de
                                aanvraag:</al><lijst><li nr="a."><al>een situatieschets met noordpijl en een schaal van 1:100 of
                                        1:1000;</al></li><li nr="b."><al>een inrichtingstekening met een schaal van 1:100.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Om bij kampeerterreinen aannemelijk te maken dat het gebruik voldoet
                                aan de bij of krachtens de wet geldende eisen verstrekt de aanvrager
                                een inrichtingstekening die voldoet aan de eisen die gesteld worden
                                in de brandveiligheidsvoorschriften kampeerterreinen als bedoeld in
                                artikel 6. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9. </nr><titel><onderstreept>Afhandeling gebruiksmelding</onderstreept></titel></kop><al>De melder krijgt door of namens het college een bewijs van ontvangst
                        toegezonden of uitgereikt, waarop de datum van ontvangst is vermeld. De
                        melding van ontvangst houdt niet in dat er voldaan is aan de gestelde eisen
                        met betrekking tot het brandveilig gebruik van de inrichting. Indien er een
                        controle heeft plaats gevonden en geconstateerd is dat het gebruik en de
                        situatie van de inrichting in overeenstemming is met de ingediende melding,
                        zal er een brief worden verzonden dat men voldoet aan de gestelde
                        eisen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel><onderstreept>Wijzigen nadere voorwaarden
                                gebruiksmelding</onderstreept></titel></kop><al/><al>Het college kan de nadere voorwaarden, als bedoeld in artikel 7, vierde lid,
                        wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen
                                buiten de inrichting die bij de beoordeling van de melding een rol
                                hebben gespeeld dit noodzakelijk maakt;</al></li><li nr="b."><al>op verzoek van de melder. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel><onderstreept>Melden van brand en broei</onderstreept></titel></kop><al/><al>Ieder die brand of broei ontdekt of deze vermoedt, is verplicht dit
                        onmiddellijk aan de brandweer te melden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel><onderstreept>Bossen, heidevelden, venen</onderstreept></titel></kop><al/><al>De eigenaar van een aaneengesloten of vrijwel aaneengesloten opstand die
                        voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout, een heideveld, een veen of een
                        ander erf of terrein, voor zover niet bedoeld in artikel 8, tweede lid,
                        onder b van de Woningwet, en dat met brandbare gewassen is begroeid, is
                        verplicht de voorschriften op te volgen, die het college geeft tot het
                        voorkomen van brand en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel><onderstreept>Toezicht</onderstreept></titel></kop><al/><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                        opgedragen aan: </al><lijst><li nr="a."><al>ambtenaren van de stadsgewestelijk brandweer Vlissingen-Middelburg
                                en </al></li><li nr="b."><al>de inspecteurs bouw- en woningtoezicht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel><onderstreept>Bestuurlijke boete</onderstreept></titel></kop><al/><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                        bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in artikel 34, vierde
                        lid, onder 1 van de Arbeidsomstandighedenwet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel><onderstreept>Overgangsrecht</onderstreept></titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Vergunningen die zijn verleend onder werking van de
                                Brandbeveiligingsverordening vastgesteld op 29 april 1993, 29 april
                                2010 en 30 september 2010 en die van kracht zijn op het moment van
                                inwerkingtreding van deze verordening worden aangemerkt als
                                vergunning krachtens deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de
                                Brandbeveiligingsverordening vastgesteld op 29 april 1993 of op 29
                                april 2010 is ingediend waarop nog niet is beslist, wordt daarop
                                deze verordening toegepast. </al></li><li nr="3."><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                                vergunning krachtens de Brandbeveiligingsverordening vastgesteld op
                                29 april 1993 of op 29 april 2010 wordt beslist met toepassing van
                                deze verordening. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel><onderstreept>Inwerkingtreding</onderstreept></titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op het moment waarop het
                                Bouwbesluit 2012 in werking treedt.</al></li><li nr="2."><al>De Brandbeveiligingsverordening vastgesteld op 30 september
                                2010wordt ingetrokken op de in het eerste lid bedoelde datum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel><onderstreept>Citeertitel</onderstreept></titel></kop><al/><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                        Vlissingen 2012.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Vlissingen op 19 april
                        2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>mr. F. Vermeulen drs. R.H. Roep</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Brandbeveiligingsverordening 2012</titel></kop><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>De wetgever kondigt in de Wet veiligheidsregio's en de aanpassing daarop in
                    artikel 3, derde lid, een algemene maatregel van bestuur aan over het
                    brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde
                    bouwwerken. Deze amvb neemt als het ware de plaats in van de
                    Brandbeveiligingsverordening (TK, vergaderjaar 2008-2009, 31 968, nr. 8, p.7).
                    Naar verwachting treedt deze amvb pas op zijn vroegst medio 2012 in werking. Tot
                    die tijd zal op de grond van de Wet veiligheidsregio's in elke gemeente een
                    Brandbeveiligingsverordening van kracht moeten zijn.</al><al/><al>De voorliggende regeling is, gezien het tijdelijk karakter (tot de
                    inwerkingtreding van de amvb) terughoudend van aard. De regeling is aangepast
                    aan de Wet veiligheidsregio's en de Dienstenrichtlijn. De verordening bevat
                    tevens regels voor de bestuurlijke boete.</al><al/><al><onderstreept>Brandbeveiligingsverordening is vangnet</onderstreept></al><al>De Brandbeveiligingsverordening mag niet regelen voor zover daarin bij of
                    krachtens enig ander (hoger) wettelijk voorschrift is voorzien. Hierop moet bij
                    het stellen van regels nauwlettend worden toegezien. Feitelijk moet de gemeente
                    zich telkens weer afvragen in hoeverre een wettelijk voorschrift al voorziet of
                    mede (indirect) voorziet in de brandveiligheid die in de Wet veiligheidsregio's
                    als opdacht aan het college is gegeven. In zo'n geval gaat dat wettelijk
                    voorschrift voor op de Brandbeveiligingsverordening. Met andere woorden: de
                    brandbeveiligingsverordening is een vangnet voor brandveiligheidvoorzieningen
                    die noodzakelijk zijn maar waarvoor geen wettelijke basis voorhanden is. Voordat
                    de gemeente op basis van de Brandbeveiligingsverordening eisen kan stellen moet
                    er onderzoek plaatsvinden naar wettelijke voorschriften die mogelijk van
                    toepassing zouden kunnen zijn en van rechtswege voorrang hebben. In de
                    dagelijkse praktijk zijn er natuurlijk een aantal standaard gevallen waarbij van
                    tevoren duidelijk is hoe zaken liggen.</al><al/><al><onderstreept>Onderwerp van de regeling: objecten die geen bouwwerk
                        zijn</onderstreept></al><al>De Brandbeveiligingsverordening is een vangnet, een restregelgeving, zij regelt
                    de brandveiligheid die niet op een andere manier wettelijk is geregeld. Dit is
                    weliswaar een beperking, maar wel van een onbepaald onderwerp. Bij het
                    gebruiksvergunningensysteem van de brandbeveiligingsverordening gaat het
                    namelijk om objecten die geen bouwwerken zijn: 'niet-bouwwerken'. Het kan gaan
                    om bijvoorbeeld een los met de wal verbonden drijvend hotel, een drijvende
                    discotheek of een tijdelijke tent. Het onderwerp is vooraf niet te bepalen. De
                    omschrijving in de Wet veiligheidsregio's zelf kent een beperking van doel, n.l.
                    brandveiligheid, maar (behalve door andere wettelijke voorschriften) geen
                    beperking van object. </al><al>De omschrijving is van toepassing op de gehele omgeving. Voor een dergelijk
                    object is het vanwege het feit dat niet van tevoren duidelijk is waarom het
                    gaat, moeilijk concrete regels te maken. Veel objecten lijken echter op bekende
                    bouwwerken.</al><al>Overeenkomstig daaraan kunnen eisen worden gesteld, afhankelijk van de
                    specifieke situatie. Als voorbeeld dient een bouwwerk dat op de grond staat.
                    Hiervoor is in elk geval het Bouwbesluit, het Gebruiksbesluit en de
                    bouwverordening ex de Woningwet van toepassing. Door de definitie van het begrip
                    bouwwerk in de bouwverordening en de toepassing ervan in het Bouwbesluit en het
                    Gebruiksbesluit is een constructie die drijft op het water meestal geen bouwwerk
                    in de zin van de Woningwet en afgeleide regelgeving. Voor een met de grond
                    verbonden object is de Woningwet het juridisch kader. Voor hetzelfde object dat
                    drijft is de brandbeveiligingsverordening het juridisch kader (voor de
                    brandveiligheid). Een ander voorbeeld: een tent die langdurig op dezelfde plaats
                    staat kan een bouwwerk zijn (Woningwet van toepassing), terwijl diezelfde tent
                    tijdens een kortdurende periode een 'niet-bouwwerk' is, waarvoor op grond van de
                    brandbeveiligingsverordening eisen moeten worden gesteld.</al><al>Over de lastige vraag wanneer een object een bouwwerk is volgt hieronder, mede
                    aan de hand van staande jurisprudentie, een toelichting.</al><al><onderstreept>Bouwwerk of geen bouwwerk, open erf en terrein</onderstreept></al><al>De Woningwet heeft een grote invloed op de reikwijdte van de
                    Brandbeveiligingsverordening, deze wet bevat de wettelijke grondslag voor
                    voorschriften betreffende het bouwen, de staat van bestaande bouwwerken en
                    standplaatsen en het gebruik van bouwwerken. Het Bouwbesluit 2012 regelt ook het
                    gebruik van open erven en terreinen en de staat, waarin deze zich moeten
                    bevinden. De beperking die de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 opleggen, als
                    hogere regelingen, zit in de begrippen bouwwerk, open erf en terrein.</al><al/><al><onderstreept>Bouwwerk</onderstreept></al><al>Een definitie van het begrip bouwwerk geeft de Woningwet niet, de gemeente houdt
                    in de Bouwverordening een in de jurisprudentie aanvaarde definitie aan: </al><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander
                    materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de
                    grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                    bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al><al/><al>Aan de hand van de vier elementen van de definitie van het begrip bouwwerk</al><lijst><li nr="1."><al>constructie,</al></li><li nr="2."><al>van enige omvang,</al></li><li nr="3."><al>met de grond verbonden,</al></li><li nr="4."><al>bedoeld om ter plaatse te functioneren</al></li></lijst><al>wordt bepaald of een object een bouwwerk is of niet.</al><al/><al>Over het begrip bouwwerk bestaat een uitgebreide jurisprudentie, het is niet
                    zonder meer duidelijk wanneer aan de vier voorwaarden wordt voldaan om tot de
                    conclusie te komen dat een object een bouwwerk is. De jurisprudentie is te
                    omvangrijk en te casuïstisch om hier weer te geven. Een uitgebreide opsomming
                    van jurisprudentie staat in de toelichting op de modelbouwverordening van de
                    'Standaardregelingen in de bouw' (Sdu uitgevers bv, Den Haag).</al><al/><al><onderstreept>Open erf en terrein</onderstreept></al><al>Bouwwerken vallen niet onder de werking van de Brandbeveiligingsverordening, ook
                    sommige open erven en terreinen vallen niet onder de werking van de verordening.
                    Het Bouwbesluit 2012 voorziet hierin. Hiervoor kunnen dus geen eisen worden
                    gesteld op grond van de Brandbeveiligingsverordening. </al><al/><al>De begripsomschrijving van erf is overgenomen uit het Besluit omgevingsrecht
                    (Bor) dat op 1 juli 2010 in werking is getreden. Die omschrijving is afgeleid
                    uit de jurisprudentie (zie ABRvS 15 september 1997, LJN: AA3601, AB 1998,
                    5).</al><al/><al>Uitgangspunt is dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf
                    kan worden aangemerkt. Echter uit de systematiek van een bestemmingsplan of
                    beheersverordening kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw af
                    gelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden. Dit zal in
                    beginsel uitsluitend het geval kunnen zijn bij percelen van een aanzienlijke
                    omvang, veelal gelegen buiten de bebouwde kom. Bij dergelijke omvangrijke
                    percelen geven bestemmingsplannen of beheersverordeningen soms regels die het
                    perceel onderverdeelt in een bouwblok of bestemming, waarbinnen het hoofdgebouw
                    met bijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen gebouwd kunnen worden en waar
                    een verdere inrichting kan plaatsvinden als buitenruimte behorende bij het
                    hoofdgebouw.</al><al>Onder een terrein wordt verstaan een bij een bouwwerk behorend onbebouwd
                    perceel, of gedeelte daarvan, niet zijnde een erf. Om als terrein in de zin van
                    de bouwverordening te kunnen worden aangemerkt, moet dus aan vier voorwaarden
                    zijn voldaan: 1) het is een perceel grond, 2) dat onbebouwd is, 3) dat bij een
                    bouwwerk hoort en 4) dat geen erf is.</al><al/><al><onderstreept>Gebruiksvergunning voor een inrichting</onderstreept></al><al>De Brandbeveiligingsverordening kent een gebruiksvergunningenstelsel voor die
                    situaties die uit een oogpunt van brandveiligheid meer dan gebruikelijke
                    aandacht nodig hebben. Gezien de onbepaaldheid van de situaties is niet gekozen
                    voor een meldingsplicht i.p.v. vergunningsplicht, omdat tussen die situaties dan
                    bij voorbaat onderscheid gemaakt moet worden. Daarnaast staan in de
                    Brandbeveiligingsverordening gebruiksvoorwaarden waaraan altijd moet worden
                    voldaan.</al><al/><al>Voor het stellen van eisen via een vergunning of via de directe werking van de
                    verordening is het nodig dat de situatie waarop de vergunning of eisen van
                    toepassing is, is afgebakend: een ruimtelijk begrensde plaats, voor zover die
                    geen bouwwerk is. Kortheidshalve is gekozen voor een begrip: inrichting. Het is
                    duidelijk dat voor een zo grote verscheidenheid aan situaties het niet goed
                    mogelijk is concrete eisen te stellen. Om dezelfde reden is het aanvragen van
                    een vergunning vormvrij.</al><al/><al>Het Bouwbesluit 2012 geeft richtlijnen voor de te stellen voorwaarden. Aan een
                    los aangemeerde drijvende hotelboot bijvoorbeeld (niet-bouwwerk) kunnen dezelfde
                    brandveiligheidseisen worden gesteld als aan een vast met de wal verbonden
                    drijvende hotelboot (bouwwerk in de zin van de Bouwverordening en de
                    Woningwet).</al><al/><al><onderstreept>Wabo</onderstreept></al><al>De zo grote verscheidenheid aan situaties die kunnen voorkomen is de reden dat
                    er voor gekozen is de Brandbeveiligingsverordening niet aan te haken aan de Wet
                    algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al/><al><onderstreept>Dienstenrichtlijn</onderstreept></al><al>De Brandbeveiligingsverordening 2012 is aangepast aan de Dienstenrichtlijn.</al><al/><al><onderstreept>Toezicht op de naleving</onderstreept></al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    opgedragen ambtenaren. De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van
                    artikel 65 van de Wet veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de
                    opsporing van strafbare feiten.</al><al/><al><onderstreept>Bestuurlijke boete</onderstreept></al><al>De Wet veiligheidsregio's geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (Brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maatregel van bestuur,
                    deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet
                    hoger zijn dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34,
                    vierde lid onder 1 °. Het bedrag dat daar is genoemd, bedraagt in 2011 € 9.000.
                    De Wet veiligheidsregio's geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden.</al><al/><al><onderstreept>Strafbepaling</onderstreept></al><al>Overtreding van de regels van deze verordening wordt op grond van artikel 64
                    eerste lid van de Wet veiligheidsregio's gestraft met hechtenis van ten hoogste
                    een jaar of geldboete van de derde categorie. De wetgever heeft hier een
                    sluitende regeling beoogd, zodat er geen ruimte is voor een regeling op dit
                    gebied de verordening zelf.</al><al/><al><onderstreept>Overgangsrecht</onderstreept></al><al>In het artikel is twee keer de Brandbeveiligingsverordening genoemd, omdat het
                    nodig kan zijn dat vergunningen op grond van de Brandbeveiligingsverordening van
                    voor 2008 en die van 2010 nog van kracht moeten zijn.</al><al/><al><onderstreept>Bekendmaking</onderstreept></al><al>De bekendmaking van deze wijzigingsverordening dient op een zodanig tijdstip
                    plaats te vinden dat de verordening op het moment van inwerkingtreding van het
                    Bouwbesluit 2012 kan treden. Dit kan:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>door plaatsing in het op een algemeen toegankelijke wijze uit te geven
                            gemeenteblad;</al></li><li nr="2."><al>bij gebreke van een gemeenteblad, door terinzagelegging voor de tijd van
                            twaalf weken op de gemeentesecretarie of op een andere door het college
                            te bepalen plaats en door het doen van mededeling daarvan in een
                            plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. </al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Intrekken vergunning</onderstreept></al><al>De Brandbeveiligingsverordening kent geen bepaling om een vergunning in te
                    trekken. De reden hiervoor is dat een intrekkingbepaling de gemeente onnodig
                    beperkt, immers in een bepaling liggen de gronden vooraf vast. De aard van de
                    verordening brengt met zich mee dat van te voren niet duidelijk is welke gronden
                    voldoende zullen zijn. Bij een verordening die geen intrekkinggrond kent is er
                    sprake van een geïmpliceerde bevoegdheid: de bevoegdheid om de beschikking te
                    geven brengt ook de bevoegdheid mee om deze weer in te trekken of te wijzigen
                    mits daarvoor valide redenen bestaan. Dit hangt af van de omstandigheden. Denk
                    bijvoorbeeld aan onjuistheid van de beschikking.</al><al/><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>