<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR257678_1</dcterms:identifier><dcterms:title>verordening op de heffing en de invordering van “Onroerende-zaakbelastingen 2013”</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Het Gemeentenieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>110/2012</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>verordening op de heffing en de invordering van “Onroerende-zaakbelastingen 2013”</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1 Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de
                        gemeente gelegen </al><al>onroerende zaken twee directe belastingen geheven: </al><al>a een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet
                        krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt,
                        verder te noemen: gebruikersbelasting; </al><al>b een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. </al><al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt: </al><al>a gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is
                        gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft
                        gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de
                        belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                        gegeven; </al><al>b het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                        gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
                        beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                        heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan
                        wie die zaak ter beschikking is gesteld. </al><al>3 Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens
                        eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij
                        blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit
                        of beperkt recht is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>1 Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                        hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. </al><al>2 Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op
                        grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld
                        voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van
                        die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn
                        aan woondoeleinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>1 De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                        waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor
                        het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. </al><al>2 Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                        op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                        tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                        geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van: </al><al>a ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                        cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond
                        van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt
                        van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; </al><al>b glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                        van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a
                        bedoelde grond; </al><al>c onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst
                        of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                        levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                        zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al><al>d één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                        Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1,
                        derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering
                        van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; </al><al>e natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                        zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                        volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
                        het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; </al><al>f openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een
                        en ander met inbegrip van kunstwerken; </al><al>g waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                        organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met
                        uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; </al><al>h werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                        en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                        zodanige werken die dienen als woning; </al><al>i werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder
                        dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die
                        niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al><al>j onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                        publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                        onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                        onderwijs; </al><al>k straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -
                        niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van
                        het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente,
                        zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                        fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; </al><al>l plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn
                        of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen
                        als woning; </al><al>m begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van
                        zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al>n sportterreinen, zoals voetbal-, tennis- en handbalvelden. </al><al>2 De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                        bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover
                        de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                        beperkt recht. </al><al>3 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                        waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning
                        dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>1.Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                        heffingsmaatstaf . Het percentage</al><al>bedraagt voor:</al><al>a de gebruikersbelasting 0,2186%</al><al>b de eigenarenbelasting </al><lijst><li nr="1"><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,1736%;</al></li><li nr="2"><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,2736%. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al>1 In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten
                        de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste
                        vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                        dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden
                        later. </al><al>2 In afwijking van het eerste lid geldt dat, ingeval het totaalbedrag van de
                        op één aanslagbiljet verenigde aanslagen of als het aanslagbiljet maar één
                        aanslag bevat en het bedrag meer is dan </al><al>€ 100,00 doch minder dan € 1.500,00 en zolang de verschuldigde bedragen door
                        middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, de
                        aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn
                        vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                        dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                        termijnen telkens één maand later.</al><al>3 Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van
                        de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking
                        inzake een bestuurlijke boete is het eerste en tweede lid van
                        overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met
                        de vaststelling van de aanslag.</al><al>4 De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                        leden gestelde termijnen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van 
                            burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en 
                            de invordering van de onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>1 De “Verordening onroerende-zaakbelastingen 2012” van 15 december 2011
                        wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde
                        datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing
                        blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>1 Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                        van de bekendmaking. </al><al>2 De datum van ingang van de heffing is <vet>1 januari
                        201</vet><vet>3</vet>. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: <vet>“Verordening
                            O</vet><vet>nroerende-zaakbelastingen
                        201</vet><vet>3</vet><vet>”</vet>.</al><al/><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in openbare vergadering van 13 december 2012.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter</ondertekening><ondertekening>H.H. de Vries</ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>Th.G.L. Greep. </ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>