<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR2576_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Financiële verordening gemeente Sint-Michielsgestel</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint-Michielsgestel</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint-Michielsgestel</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.sint-michielsgestel.nl">Raadsagenda 23 december 2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Financiële verordening gemeente Sint-Michielsgestel</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.wetten.nl">Gemeentewet, art. 212</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-12-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-12-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2004-12-23</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Index: 1.108</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiële organisatie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is niet op gebruikelijke wijze gepubliceerd</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Financiële verordening gemeente Sint-Michielsgestel</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel/></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Definities </label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>dienst:iedere organisatorische eenheid (sector of afdeling)
                                    binnen de gemeentelijke organisatie die als zodanig een eigen
                                    rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college heeft.</al></li><li nr="b."><al>administratie:het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken
                                    en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het
                                    functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de
                                    organisatie van de gemeente Sint-Michielsgestel en ten behoeve
                                    van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.</al></li><li nr="c."><al>financiële administratie:het onderdeel van de administratie dat
                                    omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen
                                    betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de
                                    organisatie van de gemeente Sint-Michielsgestel, teneinde te
                                    komen tot een goed inzicht in:</al><lijst><li nr="1."><al>de financieel-economische positie;</al></li><li nr="2."><al>het financiële beheer ;</al></li><li nr="3."><al>de uitvoering van de begroting;</al></li><li nr="4."><al>het afwikkelen van vorderingen en schulden;</al></li><li nr="5."><al>alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording
                                            daarover.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>administratieve organisatie:het stelsel van organisatorische
                                    maatregelen gericht op het tot stand brengen en het in stand
                                    houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke
                                    informatieverzorging ten behoeve van de verantwoordelijke
                                    leiding.</al></li><li nr="e."><al>financieel beheer:het uitoefenen van bestuur over en toezicht op
                                    het beheer van middelen en het uitoefenen van rechten van de
                                    gemeente Sint-Michielsgestel.</al></li><li nr="f."><al>doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo
                                    beperkt mogelijke inzet van middelen.</al></li><li nr="g."><al>doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke
                                    effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 1. Begroting en verantwoording</label></kop><paragraaf><kop><titel><cursief>Kaderstellen</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Programmabegroting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt in ieder geval bij de aanvang van de nieuwe
                                    raadsperiode een programma-indeling vast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt per programma vast: </al><lijst><li nr="a."><al>de beoogde maatschappelijke effecten;</al></li><li nr="b."><al>de te leveren goederen en diensten;</al></li><li nr="c."><al>de baten en lasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking
                                    tot de beoogde maatschappelijke effecten en de te leveren
                                    goederen en diensten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad steld de indicatoren, bedoeld in het derde lid,
                                    vast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van
                                    gegevens over de geleverde goederen en diensten de de
                                    maatschappelijke effecten, opdat de doelmatigheid en
                                    doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad,
                                    kunnen worden getoetst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. Producten </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij iedere begroting en jaarstukken wordt een overzicht gegeven
                                    van de toedeling van de producten uit de productraming aan de
                                    programma’s.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderverdeling van de programma’s in de producten staat voor
                                    de raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot
                                    wijzigen. Wijzigingen worden bij de begroting expliciet
                                    vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Kaders begroting ( Voorjaarsnota) </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt uiterlijk 1 mei van het begrotingsjaar een
                                    nota aan over de kaders voor het volgende begrotingsjaar en de
                                    drie opvolgende jaren. In deze nota wordt in ieder geval
                                    aandacht gegeven aan:</al><lijst><li nr="a."><al>voortgang van beleid;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>door de gemeenteraad en/of college voorgenomen wijziging
                                            van beleid/nieuw beleid;</al></li><li nr="c."><al>(voorlopige) exploitatieresultaat afgelopen jaar;</al></li><li nr="d."><al>eventuele belangrijke financiële ontwikkelingen;</al></li><li nr="e."><al>inzicht in de (meerjarige) financiële positie, het
                                            verloop van de reserves/voorzieningen incluis ;</al></li><li nr="f."><al>voortgang belastingdrukbeleid</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt deze nota uiterlijk 1 juni vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Uitvoering begroting </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de
                                    begroting rechtmatig,doelmatig en doeltreffend verloopt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt ten aanzien van de productenraming er zorg
                                    voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de lasten en baten, door middel van kostentoerekening,
                                            eenduidig zijn toegewezen aan de producten van de
                                            productraming; </al></li><li nr="b."><al>de budgetten uit de productraming en kredieten voor
                                            investeringen passen binnen de kaders zoals
                                            geautoriseerd bij de vaststelling van de uiteenzetting
                                            van de financiële positie.;</al></li><li nr="c."><al>de baten lasten van de producten niet dusdanig worden
                                            onderschreden resp.overschreden dat de realisatie van
                                            andere producten binnen hetzelfde programma onder druk
                                            komt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de baten en lasten van de
                                    programma’s zoals geautoriseerd in de (gewijzigde) begroting
                                    niet worden onderschreden resp. overschreden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Beheer en controle</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 6. Interne controle </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt ten behoeve van het getrouwe beeld en de
                                    rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor de jaarlijkse
                                    interne toetsing van de getrouwheid van de
                                    informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de
                                    beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college
                                    maatregelen tot herstel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt ten minste elke vier jaar een nota aan inzake
                                    de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de
                                    gemeentelijke regelingen. De raad stelt deze nota vast binnen
                                    3maanden nadat deze is aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van
                                    een aantal bedrijfsonderdelen op juistheid, volledigheid en
                                    tijdigheid van de bestuurlijke informatievoorziening, de
                                    rechtmatigheid van beheershandelingen en op misbruik en
                                    oneigenlijk gebruik van de gemeentelijke regelingen. Ieder
                                    bedrijfsonderdeel van de gemeente wordt minimaal eens in de 8
                                    jaar getoetst.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college zorgt op basis van de resultaten van de toets
                                    bedoeld in het derde lid indien nodig voor een plan van
                                    verbetering. Het college neemt op basis van het plan van
                                    verbetering maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De resultaten van de toets en het plan van verbetering worden
                                    ter kennisgeving aan de raad aangeboden</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>Rapportage en verantwoording</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 7. Tussentijdse rapportage en informatie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college informeert de raad door middel van een tussentijdse
                                    rapportage over de realisatie van de begroting van de gemeente
                                    over de eerste zes maanden van het lopende boekjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tussenrapportage worden aan de raad aangeboden vóór 1 oktober
                                    van het lopende begrotingsjaar. De behandeling van deze
                                    bestuursrapportages vindt derhalve plaats in de raadsvergadering
                                    van september;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inrichting van de tussentijdse rapportage sluit aan bij de
                                    programma-indeling van de begroting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De rapportage gaat in op afwijkingen, zowel wat betreft de
                                    lasten en baten, de geleverde goederen en diensten en indien
                                    daar aanleiding voor is de maatschappelijke effecten. In de
                                    rapportage wordt in ieder geval aandacht besteed aan afwijkingen
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>inkomsten uit de algemene uitkering;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;</al></li><li nr="c."><al>resultaten uit grondexploitatie;</al></li><li nr="d."><al>realisatie op begrote subsidieverwachtingen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt
                                    pas een besluit, nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn
                                    wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen
                                    voorzover het betreft niet bij begroting vastgestelde
                                    afzonderlijke verplichtingen inzake:</al><lijst><li nr="a."><al>Investeringen groter dan € 50.000,-;</al></li><li nr="b."><al>aankoop en verkoop van goederen en diensten groter dan €
                                            50.000,-;</al></li><li nr="c."><al>het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties
                                            groter dan € 50.000,-;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college informeert vooraf de raad en neemt pas een besluit
                                    nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en
                                    bedenkingen ter kennis van het college te brengen indien het
                                    college nieuwe meerjarige verplichtingen aangaat waarvan de
                                    jaarlijkse lasten groter zijn dan € 50.000,-;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Jaarstukken </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor een adequate vertaling van de
                                    verantwoording van de diensten naar de productenrealisatie en
                                    naar de programma verantwoording.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt verantwoording af over de uitvoering van de
                                    programma’s. In de verantwoording geeft het college aan:</al><lijst><li nr="a."><al>wat is bereikt;</al></li><li nr="b."><al>welke goederen en diensten zijn geleverd;</al></li><li nr="c."><al>wat de kosten zijn</al></li><li nr="d."><al>hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting
                                            gestelde doelen</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma’s
                                    of de beleidsdoelen van de programma’s voor het lopende jaar
                                    bijstelling behoeven.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 2. Financiële positie</label></kop><paragraaf><kop><titel><cursief>Kaderstellen</cursief></titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 9. Financiële positie </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat het beleid waartoe de raad
                                    heeft besloten, in de uiteenzetting van de financiële positie en
                                    de meerjarenramingen is opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het totaalbedrag aan verleende garanties en waarborgen worden
                                    bij de uiteenzetting van de financiële positie expliciet
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De raad autoriseert met het vaststellen van de financiële
                                    positie de investeringskredieten t.b.v. het eerstvolgende
                                    exploitatiejaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10. </label></kop><al><vet>Waardering &amp; afschrijving vaste activa</vet></al><al>De raad stelt tenminste bij aanvang van de nieuwe raadsperiode -of
                                z.s.m. daarna- de (bijgestelde) nota afschrijvingsbeleid vast. De
                                nota behandelt tenminste de:</al><al><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="-"><al>afschrijvingsmethoden;</al></li><li nr="-"><al>soorten activa;</al></li><li nr="-"><al>waarderingsgrondslagen;</al></li><li nr="-"><al>afschrijvingstermijnen</al></li><li nr="-"><al>activeringsregels;</al></li><li nr="-"><al>afschrijvingsregels begrotingstechnisch en
                                        rekeningtechnisch</al></li></lijst><al><vet>Bijzonder</vet></al><al>Het afschrijvingsbeleid met betrekking tot activa in de openbare
                                ruimte met een meerjarig maatschappelijk nut, zoals bedoeld in
                                artikel 35 van het Besluit begroting en verantwoording, zoals
                                investeringen in aanleg: (inrichting) wegen, waterwegen; civiele
                                kunstwerken, groen en kunstwerken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. Voorziening voor oninbare vorderingen.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor openstaande vorderingen betreffende belastingen en rechten
                                    wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte
                                    van het historische percentage van oninbaarheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens
                                    oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op inbaarheid
                                    van de openstaande vorderingen ouder dan drie maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Reserves en voorzieningen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad stelt tenminste bij aanvang van de nieuwe raadsperiode
                                    -of z.s.m. daarna- de (bijgestelde) nota Reserves en
                                    Voorzieningen en Rentebeleid vast. De nota behandelt
                                    tenminste:</al><al><vet>Algemeen</vet></al><lijst><li nr="-"><al>de vorming, besteding en opheffing van reserves;</al></li><li nr="-"><al>de vorming, besteding en opheffing van
                                            voorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>de toerekening en verwerking van rente over de reserves
                                            en de voorzieningen,</al></li></lijst><al><vet>Bijzonder</vet></al><lijst><li nr="-"><al>de relatie van de risicoreserves met de
                                            risicoparagraaf;</al></li><li nr="-"><al>de bepaling van de renteomslag;</al></li><li nr="-"><al>de bepaling van het financieringsoverschot/-tekort;</al></li><li nr="-"><al>de regels v.w.b. de incidentele en structurele
                                            verwerking in de begroting en jaarstukken van het
                                            financieringsoverschot/-tekort;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt jaarlijks gelijktijdig met de in artikel 4
                                    genoemde voorjaarsnota het geactualiseerde overzicht Reserves en
                                    voorzieningen aan, voorts onder toepassing van de vastgestelde
                                    Nota reserves, voorzieningen en rentebeleid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. </label></kop><al><vet>Kostprijsberekening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en
                                        diensten van de gemeente Sint-Michielsgestel wordt een
                                        systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de
                                        kostentoerekening worden naast de directe kosten alleen die
                                        indirecte kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met
                                        de door de gemeente verleende diensten.</al></li><li nr="2."><al>Bij de indirecte kosten worden betrokken de bijdragen aan
                                        egalisatiereserves en reserves voor de noodzakelijke
                                        vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten van de
                                        in gebruik zijnde activa en voor rioolrechten, en
                                        afvalstoffenheffing de compensabele BTW.</al></li><li nr="3."><al>De omslagrente voor de rentetoerekening van de
                                        kapitaallasten wordt bepaald door het rentetotaal van de
                                        uitstaande leningen en de bij begroting vastgestelde
                                        gecalculeerde rente over het eigen vermogen en
                                        voorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14: Financieringsfunctie </label></kop><lid><lidnr>1. </lidnr><al>Het college draagt bij de uitoefening van de
                                    financieringsfunctie zorg voor</al><lijst><li nr="a."><al>het aantrekken van voldoende financiële middelen en het
                                            uitzetten van overtollige gelden om de programma’s
                                            binnen de door de raad vastgestelde kaders van de
                                            begroting uit te kunnen voeren;</al></li><li nr="b. "><al>het beheersen van de risico’s verbonden aan de
                                            financieringsfunctie zoals renterisico’s, koersrisico’s
                                            en kredietrisico’s;</al></li><li nr="c. "><al>het zo veel mogelijk beperken van de kosten van de
                                            leningen en het bereiken van een voldoende rendement op
                                            de uitzettingen;</al></li><li nr="d. "><al>het beperken van de interne verwerkingskosten en externe
                                            kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële
                                            posities.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie
                                    de volgende richtlijnen in acht:</al><lijst><li nr="a."><al>het uitzetten van overtollige geldmiddelen gebeurt
                                            uitsluitend bij financiële instellingen met minimaal een
                                            AA-rating afgegeven door tenminste één gezaghebbende
                                            rating agency, of bij instellingen voor wiens
                                            waardepapieren een solvabiliteitseis geldt van 0%;</al></li><li nr="b."><al>overtollige geldmiddelen worden uitsluitend uitgezet
                                            tegen vastrentende waarden, dan wel in producten waarbij
                                            de hoofdsom tenminste aan het eind van de looptijd in
                                            tact is. </al></li><li nr="c."><al>voor het aantrekken van financieringen voor langer dan 1
                                            jaar worden tenminste 2 prijsopgaven bij verschillende
                                            financiële instellingen gevraagd;. </al></li><li nr="d."><al>overeenkomsten voor het aangaan van leningen, het
                                            uitzetten van middelen of het verlenen van garanties
                                            luiden in euro;. </al></li><li nr="e."><al>voor de kasgeldlimiet en de renterisiconorm gelden de
                                            wettelijke waarden. Het college informeert de raad
                                            indien de kasgeldlimiet of de renterisiconorm dreigen te
                                            worden overschreden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3. </lidnr><al>Verstrekken van leningen en garanties en het aangaan van
                                    financiële participaties anders dan genoemd in het tweede lid
                                    worden uitsluitend gedaan uit hoofde van de publieke taak. Bij
                                    het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het
                                    aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke
                                    taak bedingt het college indien mogelijk zekerheden. Het college
                                    motiveert in zijn besluit het openbaar belang van dergelijke
                                    uitzettingen van middelen, verstrekkingen van garanties en
                                    financiële participaties.4.</al><al>Het college stelt regels op ter uitvoering van het gestelde
                                    onder het eerste tot en met derde lid en legt deze regels
                                    alsmede de regels voor taken en bevoegdheden, de
                                    verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening
                                    vast in een besluit financieringsstatuut. Het college zendt het
                                    besluit financieringsstatuut ter kennisgeving aan de raad.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15. Registratie bezittingen, activa en vermogen </label></kop><lid><lidnr>1. </lidnr><al>Het college draagt zorgt voor een actuele en volledige
                                    registratie van bezittingen. In de registratie worden ook
                                    opgenomen niet-geactiveerde kunstvoorwerpen met
                                    cultuurhistorische waarde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor, dat de registratie en de
                                    ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente
                                    systematisch worden gecontroleerd, met dien verstande dat de
                                    waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de
                                    (debiteuren-)vorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen
                                    leningen en de (crediteuren-)schulden jaarlijks worden
                                    gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste
                                    eenmaal in de 10 jaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij afwijkingen in de registratie van bezittingen neemt het
                                    college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen. De
                                    resultaten van de controle en eventuele plannen van verbetering
                                    worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 3. Paragrafen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16. Lokale heffingen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een
                                (bijgestelde) nota lokale heffingen aan. Deze nota behandelt in
                                ieder geval:</al><al>- de samenstelling van het pakket aan gemeentelijke belastingen en
                                heffingen;</al><lijst><li nr="-"><al>de verdeling van de druk van de belastingen over de diverse
                                        bevolkingsgroepen en belanghebbenden;</al></li><li nr="-"><al>de kostendekkendheid van de heffingen;</al></li><li nr="-"><al>de druk van de lokale belastingen en heffingen;</al></li><li nr="-"><al>het kwijtscheldingsbeleid en het tarievenbeleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De nota bevat voorts een overzicht van de verordeningen met de
                                bijbehorende vaststellingsdata waarin tarieven, heffingen en prijzen
                                zijn vastgelegd. Het college draagt er zorg voor dat er een actueel
                                overzicht is van de tarieven, heffingen, prijzen en kosten per
                                verstrekte dienst. De raad stelt de nota vast binnen 3 maanden nadat
                                de nota is aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het vaststellen van de hoogte van gemeentelijke tarieven,
                                heffingen en prijzen door de raad verstrekt het college aan de raad
                                per verordening de actueel geraamde hoeveelheden per door de
                                gemeente verstrekte dienst, waarover de tarieven, heffingen en
                                prijzen in rekening worden gebracht en per verordening het totaal
                                van de geraamde kosten van de erin genoemde door de gemeente
                                verstrekte diensten.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de begroting en jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                lokale heffingen verslag van: de opbrengsten per lokale heffing; het
                                volume en bedrag aan kwijtscheldingen; de kostendekkendheid van de
                                rioolrechten en de afvalstoffenheffing; de (ontwikkeling van de)
                                lokale lastendruk voor huishoudingen in het algemeen of eventueel
                                voorzover actueel voor eenpersoonshuishoudingen,
                                meerpersoonshuishoudingen en bedrijven in het bijzonder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Weerstandsvermogen en risicomanagement </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een
                                (bijgestelde) nota weerstandsvermogen en risicomanagement aan. In
                                deze nota wordt ingegaan op het risicomanagement, het opvangen van
                                risico’s door verzekeringen, voorzieningen, het weerstandsvermogen
                                of anderszins. In de nota wordt tevens het gewenste
                                weerstandscapaciteit bepaald. De raad stelt de nota vast binnen 3
                                maanden nadat de nota is aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de risico’s van materieel belang en
                                een inschatting van de kans dat deze risico’s zich voordoen. Het
                                college brengt hierbij in elk geval de risico’s in beeld en
                                actualiseert de risico’s genoemd in de nota bedoeld in het eerste
                                lid.Het college geeft aan in de paragraaf weerstandsvermogen van de
                                begroting en van de jaarstukken de weerstandscapaciteit en in
                                hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico’s van
                                materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden
                                opgevangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen 1.</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota onderhoud
                                openbare ruimte aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting
                                van het onderhoud en het beoogde onderhoudsniveau voor het openbaar
                                groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast binnen 3 maanden nadat de nota is
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een nota
                                rioleringsplan aan. De nota geeft het kader weer voor de inrichting
                                van het onderhoud, het beoogde onderhoudsniveau en de uitbreiding
                                van de riolering alsmede de kwaliteit van het milieu en eveneens de
                                normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad
                                stelt de nota vast binnen 3 maanden nadat de nota is
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eenmaal in de vier jaar een nota
                                onderhoud gebouwen aan. De nota geeft het kader weer voor het uit te
                                voeren onderhoud aan gebouwen, met in relatie tot het jaarlijkse
                                (preventieve) onderhoud en voorts de normkostensystematiek en het
                                meerjarig budgettair verslag. De raad stelt de nota vast binnen 3
                                maanden nadat deze nota is aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                                onderhoud kapitaalgoederen verslag over de voortgang van het
                                geplande onderhoud en het eventuele achterstallig onderhoud aan
                                openbaar groen, water, wegen, kunstwerken, straatmeubilair,
                                riolering, gebouwen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19. </label></kop><al><vet>Financiering</vet></al><al>Bij de begroting en de jaarstukken doet het college in de paragraaf
                            financiering in ieder geval verslag van:</al><lijst><li nr="a"><al>de kasgeldlimiet;</al></li><li nr="b"><al>de renterisico norm;</al></li><li nr="c"><al>de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de
                                    komende drie jaar;</al></li><li nr="d"><al>de rentevisie en</al></li><li nr="e"><al>de rentekosten en rente-opbrengsten verbonden aan de
                                    financieringsfunctie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20. </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                bedrijfsvoering vast. De nota wordt ter kennisgeving aan de raad
                                gezonden. In de nota wordt speciale aandacht geschonken aan de
                                relatie tussen het gemeentelijk apparaat en de inwoners van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de bedrijfsvoeringsparagraaf -en in het programma bedrijfsvoering
                                zolang daar sprake van is- in de begroting wordt, ingegaan op de
                                tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven. In de
                                bedrijfsvoeringsparagraaf -en in het programma bedrijfsvoering
                                zolang daar sprake van is- in het jaarverslag wordt gerapporteerd
                                over de bij de begroting bepaalde onderwerpen aangaande de
                                bedrijfsvoering alsmede over nieuwe ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringsparagraaf -en in het
                                programma bedrijfsvoering, zolang daar sprake van is- van de
                                begroting en jaarstukken over de voortgang van de onderzoeken naar
                                de doelmatigheid en doeltreffendheid, bedoeld in artikel 213a
                                Gemeentewet, en de uitputting van de bijbehorende budgetten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21. Verbonden partijen </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eenmaal in de vier jaareen nota
                                verbonden partijen aan. De raad stelt de nota vast binnen 3 maanden
                                nadat de nota is aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van elk van de verbonden partijen wordt weergegeven het openbaar
                                belang, het eigen vermogen, de solvabiliteit, het financieel
                                resultaat en het financieel belang en de zeggenschap van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De nota bevat voorts de kaders voor het beleid aangaande (het
                                aangaan van nieuwe) participaties met name de condities waaronder
                                het publiek belang is gediend met behartiging door verbonden
                                partijen, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de
                                verbonden partijen en de financiële voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In de begroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden
                                partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het
                                beëindigen van bestaande verbonden partijen, het wijzigen van
                                bestaande verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande
                                verbonden partijen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22. Grondbeleid</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een (bijgestelde)
                                nota grondbeleid aan ter behandeling en vaststelling door de raad.
                                In deze nota wordt aandacht besteed aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de relatie met de programma’s van de begroting;</al></li><li nr="b."><al>de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de
                                        gemeente;</al></li><li nr="c."><al>aan te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen
                                        projecten;</al></li><li nr="d."><al>de voorraadverwerving en uitgifte van gronden;</al></li><li nr="e."><al>de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van
                                        erfpachtvergoedingen.</al></li></lijst><al>De raad stelt de nota vast binnen 3 maanden nadat de nota is
                                ingediend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de paragraaf grondbeleid van de begroting en de jaarstukken wordt
                                ingegaan op de uitvoering van de nota grondbeleid, met name de
                                belangrijkste financiële ontwikkelingen zoals
                                verlies/winstverwachtingen, de verwerving van gronden e.d. en de
                                relaties van het grondbeleid met de programma’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23. Verstrekking subsidies </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ten minste eens in de vierjaar een (bijgestelde)
                                nota verstrekking gemeentelijke subsidies aan. De nota bevat het
                                kader voor de verstrekking van gemeentelijke subsidies en een
                                overzicht van de toegekende gemeentelijke subsidies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad stelt de nota vast <cursief>binnen</cursief> 3 maanden na
                                aanbieding van de nota door het college.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 4. Financiële organisatie en administratie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 24. Administratie </label></kop><al>De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval
                            dienstbaar is voor:</al><lijst><li nr="a."><al>het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de
                                    gemeente als geheel en in de diensten;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang
                                    van activa, voorraden, vorderingen en schulden,
                                    enzovoorts.;</al></li><li nr="c."><al>het verschaffen van informatie aan de budgetverantwoordelijken
                                    en voor het maken van kostencalculaties;</al></li><li nr="d."><al>het bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de
                                    doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de
                                    gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake geldende wet-
                                    en regelgeving;</al></li><li nr="e."><al>het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de
                                    doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in
                                    relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en ter zake
                                    geldende wet- en regelgeving;</al></li><li nr="f."><al>de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van
                                    de daaraan ontleende informatie alsmede voor de controle op de
                                    rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het
                                    gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25. Financiële administratie </label></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de inrichting en de werking van de financiële administratie
                                    voldoet aan het Besluit begrotingen verantwoording provincies en
                                    gemeenten en andere relevante wet- en regelgeving;</al></li><li nr="b."><al>de vereiste informatie verstrekt wordt aan het rijk, de
                                    provincie en de Europese Unie, alsmede aan andere instellingen
                                    die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan
                                    gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26. Financiële organisatie </label></kop><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit) vast:</al><lijst><li nr="a."><al>en eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een
                                    eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de
                                    diensten</al></li><li nr="b."><al>een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden,
                                    verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle
                                    wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie
                                    aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;</al></li><li nr="c."><al>de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van
                                    verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en
                                    investeringskredieten;</al></li><li nr="d."><al>de regels voor de opdrachtverlening en de verrekening van
                                    leveringen tussen de diensten van de gemeente;</al></li><li nr="e."><al>de met behulp van dienstplannen/-begrotingen te maken afspraken
                                    met de diensten over de te leveren prestaties, de daarvoor
                                    beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage
                                    over de voortgang van de activiteiten en uitputting van
                                    middelen;</al></li><li nr="f."><al>de regels voor de verlening van décharge over het gevoerde
                                    beheer van de diensten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27. Aanbesteding en inkoop </label></kop><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne
                            regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken en diensten.
                            De regels waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de
                            regels terzake van de Europese Unie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Subsidieverstrekking en steunverlening</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast de interne
                            regels (protocol) voor de toekenning van steunverlening aan
                            ondernemingen en subsidies. De regels waarborgen dat wordt gehandeld in
                            overeenstemming met de regels terzake van de Europese Unie en de
                            subsidieverordening van de gemeente Sint-Michielsgestel. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Titel 5. Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 29. </label></kop><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Deze verordening treedt in werking per 15 november 2003, met dien
                            verstande dat de begroting, meerjarenraming, de jaarstukken, de
                            uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij
                            behorende toelichtingen met ingang van de begroting voor het
                            begrotingsjaar 2004 voldoen aan de bepalingen van deze verordening en
                            voorts met inachtneming van het op bijlage A opgenomen planningskader en
                            groeipad kwaliteitsontwikkeling.</al><al>Met inachtneming van vorenstaande wordt voorts per diezelfde datum
                            ingetrokken de op 27 januari 2000 vastgestelde Verordening van de
                            organisatie van de administratie en van het beheer van vermogenswaarden
                            van de gemeente Sint-Michielsgestel, zij het, dat deze laatste
                            verordening nog materieel van toepassing blijft ten aanzien van de
                            begroting- en jaarstukkencyclus 2003.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30. </label></kop><al><vet>Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening kan worden aangehaald onder de naam “Financiële
                            verordening gemeente Sint-Michielsgestel”.</al><al/><al/><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad donderdag 30 oktober
                        2003</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de secretaris, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Bijlage</label></kop><al/><al><vet>Bijlage A bij</vet>: de Verordening op de uitgangspunten voor het
                    financieel beleid, alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de
                    financiële organisatie van de gemeente Sint-Michielsgestel.</al><al>Deze bijlage bestaat uit twee onderdelen, te weten: een planningskader onder A
                    en een kwaliteitsgroeipad onder B.</al><al>A.<vet>PLANNING VAN DE INGEVOLGE BOVENGENOEMDE VERORDENING VEREISTE NOTA’S,
                        UITWERKINGSREGELINGEN E.D.</vet></al><al><vet><onderstreept>Nota’s, uitwerkingsregelingen
                        e.d.Planning</onderstreept></vet></al><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Artikel 5 lid 1 </al></entry><entry><al>Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering
                                        van de begroting rechtmatigdoelmatig en doeltreffend
                                        verloopt.</al></entry><entry><al> 2004</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 6 lid 2 </al></entry><entry><al>Het college biedt ten minste elke vier jaar een nota aan
                                        inzake de bestrijding vanMisbruik van oneigenlijk gebruik
                                        van de gemeentelijke regelingen.</al></entry><entry><al> 2004</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 10 lid 1 </al></entry><entry><al>De raad stelt ten minste bij aanvang van de nieuwe
                                        raadsperiode -of z.s.m. daarna-de (bijgestelde) nota
                                        afschrijvingsbeleid vast.</al></entry><entry><al> 2007</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 12 lid 1 </al></entry><entry><al>De raad stelt tenminste bij aanvang van de nieuwe
                                        raadsperiode - z.s.m. daarna-de (bijgestelde) nota Reserves
                                        en voorzieningen en rentebeleid vast.</al></entry><entry><al> 2007</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 14 lid 4 </al></entry><entry><al>Het college stelt regels op ter uitvoering van het gestelde
                                        onder het eerste tot enmet het derde lid en legt deze regels
                                        alsmede de regels voor taken en bevoegdheden, de
                                        verantwoordingsrelaties en de bijbehorende
                                        informatievoorzieningvast in een besluit
                                        financieringsstatuut.</al></entry><entry><al> 2003</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 15 lid 1 </al></entry><entry><al>Het college draagt zorg voor een actuele en volledige
                                        registratie van bezittingen.</al></entry><entry><al>2007</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 16 lid 1 </al></entry><entry><al>Het college biedt ten minste eenmaal in de vier jaar een
                                        (bijgestelde) nota lokale heffingen aan.</al></entry><entry><al> 2005</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 17 lid 1 </al></entry><entry><al>Het college biedt ten minste eenmaal in de vier jaar een
                                        (bijgestelde) nota weerstandsvermogen en risicomanagement
                                        aan.</al></entry><entry><al> 2004</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 18 lid 1 </al></entry><entry><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een nota
                                        onderhoud openbareruimte aan.</al></entry><entry><al> 2005</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 20 lid 1</al></entry><entry><al>Het college stelt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                        van bedrijfsvoering</al><al>vast.</al></entry><entry><al>2006</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 21 lid 1 </al></entry><entry><al>Het college biedt tenminste eenmaal in de vier jaar een nota
                                        verbonden partijen</al><al>aan.</al></entry><entry><al>2005</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 22 lid 1</al></entry><entry><al>Het college biedt ten minste eens in de vier jaar een
                                        (bijgestelde) nota grondbebeleid aan.</al></entry><entry><al> 2004</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 23 lid 1 </al></entry><entry><al>Het college biedt tenminste eens in de vier jaar een
                                        (bijgestelde) nota verstrekking gemeentelijke subsidies
                                        aan.</al></entry><entry><al> 2003</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Artikel 26 </al></entry><entry><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit)
                                        vast:</al><al>de indeling organisatie/toewijzing van taken en
                                        diensten;</al></entry><entry><al> 2003</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 26</al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit)
                                        vast:</al><al>de scheding vantaken, functies, bevoegdheden en
                                        verantwoordelijkheden </al></entry><entry morerows="0" rotate="0"><al>2003</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Artikel 26</al></entry><entry><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit)
                                        vast:</al><al>de mandaten/ volmachten voor het aangaan van verplichtingen
                                        t.l.v. budgetten en investeringskredieten</al></entry><entry><al>2003</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 26</al></entry><entry><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit)
                                        vast: de regels opdrachtverlening en verrekening van
                                        leveringen tussen afdelingen / sectoren</al></entry><entry><al>2004</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 26</al></entry><entry><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit)
                                        vast: de te maken afspraken met de diensten over de te
                                        leveren prestaties, de beschikbare middelen en de wijze en
                                        frequentie van rapportage over de voortgang van de
                                        activiteiten en de uitputting van middelen;</al></entry><entry><al>2004</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 26</al></entry><entry><al>Het college draagt de zorg voor en legt (in een besluit)
                                        vast: de regels voor de verlening van decharge over het
                                        gevoerde beheer van de diensten</al></entry><entry><al>2004</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><table><tgroup cols="3"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><colspec colname="colC"/><tbody><row><entry><al>Artikel 27</al></entry><entry><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast
                                        de interne regels (protocol)voor de inkoop en aanbesteding
                                        van werken en diensten.</al></entry><entry><al> 2004</al></entry></row><row><entry><al>Artikel 28 </al></entry><entry><al>Het college draagt zorg voor en legt (in een besluit) vast
                                        de interne regels (protocol) voor de toekenning van
                                        steunverlening aan ondernemingen en subsidies.</al></entry><entry><al> 2005</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/><al><vet>B</vet>.<vet>kwaliteitsgroeipad inzake kaderstelling en controle en
                        prestatiebegroting</vet></al><al>Een kwaliteitsgroeipad wordt noodzakelijk bevonden, omdat de ingevolgde de
                    voorliggende verordening aangeduide kwaliteitsniveau’s niet al in 2004 kunnen
                    worden bereikt.</al><al>Het groeipad spitst zich enerzijds toe op de kwaliteit van de
                    begrotingsprogramma’s en paragrafen en anderzijds op de kwaliteit van de
                    college- ofwel prestatiebegroting.</al><al>I.<vet>Programbegroting</vet></al><al>Artikel 2 lid 2a, 3 en 4 </al><al>De raad stelt per programma vast: a. de beoogde maatschappelijke effecten.</al><al>Het college stelt per programma indicatoren voor met betrekking tot de beoogde
                    maatschappelijke effecten en te leveren goederen en diensten.</al><al>De raad stelt de indicatoren, bedoeld in het derde lid, vast.</al><al><vet><onderstreept>Groeipad:</onderstreept></vet></al><al>In de ontwerpbegroting 2005 zullen in 75% van de programma’s concrete (volgens
                    het s.m.a.r.t.-principe) maatschappelijke effecten zijn geformuleerd. De aldus
                    geformuleerde maatschappelijke effecten zullen zijn voorzien van relevante
                    indicatoren (bijvoorbeeld uiterlijk per jaar xx 10% minder
                    verkeersslachtoffers).</al><al>Met ingang van de ontwerpbegroting 2006 e.v. geldt een percentage van 100.</al><al><vet>II. College- ofwel prestatiebegroting</vet></al><al>Artikel 2 lid 5 </al><al>Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de
                    geleverde goederen en diensten en maatschappelijke effecten, opdat de
                    doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad
                    kunnen worden getoetst. </al><al><vet><onderstreept>Groeipad:</onderstreept></vet></al><al>De gemeenteraad richt zich op de WAT-vraag middels o.a. de programbegroting. Het
                    College richt zich op de Hoe- en Wat- vraag ofwel hoe kan het college op een
                    efficiënte wijze invulling geven aan het realiseren van de doelstellingen door
                    de Raad. De college-begroting ofwel de productenbegroting. Er is dus sprake van
                    samenhang/synergie tussen het beleid en de prestaties die daarvoor nodig
                    zijn.</al><al>Uitgangspunt voor de ontwikkeling van de prestatiebegroting is informatie te
                    genereren waarop ook daadwerkelijk gestuurd wordt dan wel bijdraagt aan controle
                    door de Raad. </al><al>Met betrekking tot het groeipad kwaliteitsontwikkeling college- ofwel
                    prestatiebegroting richt het college zich <vet>– per productgroep- </vet>op de
                    volgende informatiebestanddelen:</al><al><vet><cursief>Informatiebestanddelen</cursief></vet></al><al><vet><cursief>a. Kerngegevens</cursief></vet></al><al>Elke productgroep moet beschikken over relevante kerngegevens. Hierbij moet
                    -bijvoorbeeld in het geval van onderwijs- worden gedacht aan: aantallen/typen
                    scholen/leslokalen leerlingen etc. </al><al><vet><cursief>b. Output/productie</cursief></vet></al><al>Na het formuleren van productdefinities, is het zaak goed zicht te krijgen op de
                    eenheden product, bijvoorbeeld aantal m2 te maaien gazon e.d.</al><al><vet>Kengetallen ofwel verhoudingscijfers</vet></al><al><vet><cursief>c. Kostprijzen per eenheid product</cursief></vet></al><al>Het is zinvol om kostprijzen per eenheid product te bepalen als sprake is van
                    toegevoegde waarde. Het kan zijn, dat een eenduidige kostprijs per eenheid
                    product noodzakelijk is om tot een correcte (fiscale) tarifering te komen. </al><al>Het kan ook zijn, dat de bepaling van een eenduidige kostprijs interessant is om
                    tot benchmarking te komen. Zijn er evenwel geen eenduidige benchmarkgegevens
                    voorhanden, dan heeft kostprijsbepaling vanuit dat gezichtspunt geen zin.
                    Overigens kostprijsbepaling en benchmarking hebben feitelijk alleen dan zin, als
                    er de bereidheid is consequenties te trekken en zonodig bij te sturen</al><al><vet>d. Overige verhoudingscijfers</vet></al><al>Het heeft geen zin om “in de wilde weg” een grote diversiteit aan
                    verhoudingscijfers te genereren. Belangrijk is, dat verhoudingscijfers worden
                    gegenereerd die passend zijn voor het aggregatieniveau en doelgroep, te weten
                    werkvloer, management, dagelijks bestuur of gemeenteraad en voorts alleen dan:
                        <vet>als er behoefte aan is en dus op gestuurd wordt!</vet></al><al><vet>e. Benchmarks</vet></al><al>Ontwikkel geen kostprijzen per eenheid en/of andere verhoudingscijfers in de
                    hoop, dat er wel eens een hanteerbaar bechmarkgegeven “zal komen aanwaaien”. Dan
                    is het beter om pas te “vertrekken” op het moment, dat wordt beschikt over een
                    goed-bruikbaar benchmarkgegeven. De eigen informatie wordt hierop aangepast en
                    vervolgens kan worden vergeleken en worden (bij)gestuurd) </al><al> (Het vorenstaande schematisch weergegeven)</al><al><vet> Begroting:</vet></al><al><vet>Planning groeipad prestatiebegroting 2005 2006 2007 2008</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Kerngegevens productgroepen 75% 100% 100% 100%</al></li><li nr="b."><al>Output/eenheden productie 1) 50% 75% 100% 100%</al></li><li nr="c."><al>Kostprijzen per eenheid product</al><al>- i.v.m. tarifering 100% 100% 100%</al><al> - i.v.m. vergelijking 2) pm pm pm</al></li><li nr="d."><al>Overige verhoudingscijfers 2) pm pm pm</al></li><li nr="e."><al>Benchmarking 2) pm pm pm</al><lijst><li nr="1)"><al>Er moet sprake zijn van relevante output. Ingeval aantoonbaar
                                    -d.w.z. middels toelichting bij de betreffende productengroep-
                                    is onderzocht, dat binnen een productgroep de relevantie
                                    ontbreekt, dan kan worden volstaan met deze
                                    inspanningsverplichting en maakt het resultaat onderdeel uit van
                                    het streefpercentage.</al></li><li nr="2)"><al>Jaarlijks zal bij begroting en jaarrekening per productgroep
                                    aandacht worden gegeven en inzicht worden geboden in de
                                    voortschrijdende ontwikkeling van relevante kostprijzen per
                                    eenheid, overige verhoudingscijfers alsook benchmarking</al></li></lijst></li></lijst></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><nr/><titel/></kop><tussenkop>Toelichting op de artikelen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Programmabegroting</tussenkop><al>Artikel 2 bevat een aantal bepalingen over de inrichting van de begroting waarin
                    de kaderstellende functie van de raad tot uiting komt. De raad legt op basis van
                    dit artikel een belangrijk deel van de infrastructuur van de begroting vast,
                    evenals de kengetallen waarop de raad wil sturen en controleren.</al><al>In het Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995 was de indeling van de
                    begroting in functies verplicht voorgeschreven. In het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten is dat niet meer zo. De gemeente bepaalt
                    nu zelf het aantal en de inhoud van de programma's van de begroting en kan
                    daardoor de begrotingsopzet aanpassen aan de eigen politiek-bestuurlijke wensen.
                    Zo kan een gemeente programma's indelen naar doelgroepen of indelen volgens de
                    pijlers van het grote stedenbeleid. Omdat er een politiek-bestuurlijke keuze ten
                    grondslag ligt aan de indeling van de programma’s, stelt de raad de indeling
                    vast. Meestal zal die vaststelling voor enkele jaren gelden, bijvoorbeeld voor
                    een gehele raadsperiode. Indien daartoe aanleiding is, kan de raad de indeling
                    wijzigen.</al><al>Een programma is gebaseerd op de drie w-vragen: wat willen we bereiken, wat gaan
                    we daar voor doen en wat mag dat kosten? Vooral voor de eerste twee vragen
                    zullen in de praktijk indicatoren nodig zijn. Aan de hand van die indicatoren
                    kan de raad zijn kaderstellende functie vervullen. Ook dienen zij om de raad de
                    gelegenheid te bieden zijn controlerende functie in te vullen door de uitkomsten
                    en resultaten van de programma's te beoordelen. In het dualistisch bestel moet
                    de raad de w-vragen zelf beantwoorden; hij kan dat niet overlaten aan het
                    college en/of de ambtelijke organisatie.</al><tussenkop>Artikel 3. Producten</tussenkop><al>De raad stelt de programmabegroting vast. Ter uitvoering van de begroting stelt
                    het college - zoals geregeld in het Besluit begroting en verantwoording - een
                    productraming op. Het college is vrij in het aantal producten en de indeling
                    daarvan. De productraming is in de systematiek van het besluit geen onderdeel
                    van de begroting. De raad kan van oordeel zijn dat hij bij de programmabegroting
                    en verantwoording een overzicht wil hebben van welke producten er bij de
                    programma’s horen. Dit wordt geregeld in het eerste lid.</al><tussenkop>Artikel 4. Kaders begroting</tussenkop><al>De artikelen 2 en 3 betreffen vooral de infrastructuur van de begroting. Artikel
                    4 gaat over het meerjarige budgettaire kader. Dat vormt, zoals in de meeste
                    gemeenten gebruikelijk is, de grondslag voor de eigenlijke begroting. Gegeven
                    het grote belang van het budgetrecht van de raad, is het logisch dat de raad
                    expliciet een budgettair kader vaststelt.</al><tussenkop>Artikel 5. Uitvoering begroting</tussenkop><al>In artikel 5 legt de raad het college een aantal eisen op die voor een goede
                    uitvoering van de begroting noodzakelijk zijn. In het eerste lid wordt bepaald
                    dat het college de rechtmatigheid, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van
                    de uitvoering dient te waarborgen. Lid 2 stelt eisen voor de onderwerpen die van
                    belang zijn voor de opstelling van de productraming. Lid 3 doet hetzelfde voor
                    de uitvoering van de programma’s van de begroting.</al><al>In het duale stelsel geeft de raad geen nadere uitvoeringsregels om aan de
                    prestatie-eis te voldoen. Deze uitvoeringsregels zijn aan het college.</al><tussenkop>Artikel 6. Interne controle</tussenkop><al>De raad legt in dit artikel enkele basiscondities vast voor de interne controle.
                    Daarmee verkrijgt de raad de zekerheid dat het college aan de eisen genoemd in
                    met name artikel 5, eerste lid, zal kunnen voldoen.</al><al>De verordening geeft in het eerste en tweede lid aan het college de opdracht
                    voor de inrichting van de financiële organisatie verschillende maatregelen te
                    treffen op het gebied van interne controle, bijvoorbeeld een adequate
                    functiescheiding. Voor een goede interne controle zijn echter aanvullende
                    onderzoeken nodig. In het derde lid van artikel 6 geeft de raad aan, welke
                    onderzoeken hij nodig acht om de eisen van controle te waarborgen en met welke
                    frequentie deze onderzoeken moeten worden uitgevoerd.</al><al>Het vierde en vijfde lid regelt dat het college op grond van de uitkomsten van
                    de onderzoeken bij tekortkomingen maatregelen tot herstel treft en dat de raad
                    over de uitkomsten van de onderzoeken en de eventuele maatregelen tot herstel op
                    de hoogte wordt gebracht.</al><al>De genoemde onderzoeken in dit artikel omvatten
                        <onderstreept>niet</onderstreept> de interne onderzoeken van het college
                    naar de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur. Regels
                    voor deze interne onderzoeken zijn opgenomen in de verordening artikel
                        <onderstreept>213a</onderstreept> Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 7. Tussentijdse rapportage en informatie</tussenkop><al>Artikel 7, eerste tot en met vierde lid, formaliseert een belangrijk onderdeel
                    van de planning en control van de raad. De raad geeft namelijk aan de aard van
                    de informatie die het college standaard dient te verstrekken evenals de
                    reguliere frequentie. Op basis van deze informatie kan de raad de uitvoering van
                    de begroting volgen en besluiten of bijsturing nodig is.</al><al>Artikel 7 regelt wanneer de raad tussentijds over de stand van zaken in het
                    lopende begrotingsjaar moet worden geïnformeerd. In dit artikel is gekozen voor
                    1 tussenrapportage over 6 maanden, te behandelen in de raad van september. De
                    begrotingsbehandeling vindt dan daaropvolgend in de maand oktober plaats..</al><al>Een 4-maandsrapportage (en bijvoorbeeld een 8-maands) achten wij, gelet op de
                    geringe omvang van de budgetperiode weinig zinvol. Daarbij komt dan nog bij, dat
                    deze informatievraag voor de ambtelijke organisatie juist speelt in een periode
                    met zware werkdruk t.b.v. het samenstellen van jaarstukken en begroting. Wij
                    vinden het belangrijker om met name in de Voorjaarsnota -behandeling in de
                    raadsvergadering van mei- ruim aandacht te geven aan van voor de begroting van
                    belang zijnde financiële (externe) ontwikkelingen. Voor de gemeenteraad van
                    belangzijnde substantiële (interne) ontwikkelingen, nemen wij in de
                    Voorjaarsnota sowieso mee. De frequentie van managementrapportages komt namelijk
                    hoger te liggen dan die van de burap.</al><al>Al met al denken wij, dat de raad met 1 rapportage (6 maanden) een beter middel
                    in handen heeft om bij te sturen dan door middel van een 4-maands (te vroeg),
                    aangevuld met een 8-maands (te laat) rapportage, te meer als wij er in slagen om
                    de Voorjaarsnota in financiële zin goed “op te tuigen”.</al><al>Een andere mogelijkheid is een tussenrapportage per kwartaal, waarmee wordt
                    aangesloten op cyclus voor het aanleveren van financiële informatie aan o.a. het
                    CBS en de Europese Unie.</al><al>Door het vastleggen van de datum in het artikel kan de raad een maximale termijn
                    vastleggen, waarbinnen de tussenrapportages moeten worden samengesteld en
                    opgeleverd.</al><al>In het derde lid van het artikel geeft de raad kaders voor de inrichting van de
                    tussenrapportages. In het vierde lid geeft de raad aan waarover hij in elk geval
                    in de tussenrapportages wil worden geïnformeerd. Om de gemeentelijke organisatie
                    niet op te zadelen met een rapportagecircus is het natuurlijk wel zaak, dat de
                    tussenrapportages niet te uitgebreid en overzichtelijk zijn.</al><al>De stand van zaken van - en prognose voor het lopende begrotingsjaar kan
                    overigens naast de jaarstukken van het afgelopen jaar mede een belangrijke basis
                    zijn voor het inzicht voor en het opstellen van de komende begroting.</al><al>Het vijfde en zesde lid gaan in op de informatieplicht van het college voor
                    nieuwe, niet in de begroting opgenomen activiteiten.</al><al>De raad autoriseert het college met het vaststellen van de begroting op
                    hoofdlijnen het door het college uit te voeren beleid. Hiermee worden alle
                    afzonderlijke verplichtingen die in de programma’s besloten liggen in materiële
                    zin oftewel financieel geaccordeerd. Bij de uitvoering van de begroting geldt
                    voor het college de informatieplicht uit het vierde lid artikel 169 Gemeentewet.
                    Bij het aangaan van verplichtingen of het uitoefenen van bevoegdheden door het
                    college met ingrijpende gevolgen voor de gemeente moet het college eerst het
                    gevoelen van de raad inwinnen. De raad schrijft nu in dit artikel voor welke
                    privaatrechtelijke rechtshandelingen in elk geval vooraf aan de raad moeten
                    worden gemeld. De raad perkt hiermee de beoordelingsvrijheid in van het college
                    door zelf te bepalen wat belangrijk genoeg is om vooraf aan de raad mee te
                    delen. De raad schept op deze wijze echter ook zekerheid voor het college. Het
                    college weet welke informatie hij in elk geval vooraf aan de raad moet
                    mededelen. Het haalt mogelijke misverstanden en politieke spanningen uit de
                    lucht.</al><al>Voor verschillende privaatrechtelijke rechtshandelingen kunnen in de verordening
                    limietbedragen worden ingevuld. Bij de rechtshandelingen boven deze limieten
                    wordt het college verplicht vooraf het gevoelen van de raad in te winnen.
                    Beneden deze bedragen blijft overigens de informatieplicht voor het college
                    gelden, zoals neergelegd in artikel 169, vierde lid, Gemeentewet, dat wil zeggen
                    dat het college gehouden is de raad te informeren over het gebruik van
                    collegebevoegdheden indien er om welke reden dan ook ingrijpende gevolgen zijn
                    te verwachten. Een andere mogelijkheid voor de vormgeving van dit artikel is het
                    uitdrukken van de limieten in percentages van het begrotingstotaal.</al><al>Het is natuurlijk wel zaak dat de limietbedragen in de verordening voldoende
                    hoog zijn vastgesteld, zodat het college niet bij elke kleine zaak eerst de raad
                    moet raadplegen. Hierdoor zou kostbare tijd van de raad en het college verloren
                    gaan en de handelingsvrijheid van het college worden gefrustreerd. Iets wat de
                    dualiseringsoperatie juist probeert te voorkomen. Voor het vast stellen van de
                    limieten moet vanzelfsprekend rekening worden gehouden met de specifieke
                    kenmerken van de gemeente.</al><al>De raad en het college zullen steeds moeten afwegen de kosten die aan de
                    informatievoorziening is verbonden versus het nut, de toegevoegde waarde ervan.
                    Al snel namelijk wordt er in de praktijk een overvloed aan informatie
                    gevraagd.</al><tussenkop>Artikel 8. Jaarrekening</tussenkop><al>Artikel 8 is het sluitstuk van de begrotingscyclus, de verantwoording over de
                    begrotingsuitvoering door het college, cq. de controle van de raad daarop. Basis
                    daarvoor is de productrealisatie. In het eerste lid wordt daarvoor een
                    kwaliteitseis gesteld. Het tweede lid is de tegenpool van artikel 2, lid 2.</al><tussenkop>Artikel 9. De financiële positie</tussenkop><al>De raad geeft in dit artikel enkele belangrijke uitgangspunten aan die het
                    college voor de uiteenzetting van de financiële positie en de meerjarenramingen
                    moet volgen.</al><al>Tevens wordt hier expliciet vastgelegd hoe de raad bij het vaststellen van de
                    financiële positie, de investeringskredieten autoriseert. De autorisatie van
                    deze kredieten zou anders als gevolg van het door gemeenten gehanteerde lasten
                    en batenstelsel buiten de boot vallen. Investeringen van gemeenten worden
                    voornamelijk geactiveerd en drukken zodoende in het jaar van aanschaf niet of
                    slechts ten dele op de onder de programma’s verantwoorde lasten.</al><tussenkop>Artikel 10. Waardering &amp; afschrijving vaste activa</tussenkop><al>De verordening - en dus in onze gemeente de nota- moet volgens artikel 212
                    Gemeentewet in elk geval bevatten de “regels voor waardering en afschrijving
                    activa”. Dat geldt te beginnen voor de waardering en afschrijving van de vaste
                    activa. De vaste activa worden verplicht ingedeeld in immateriële vaste activa,
                    materiele vaste activa en financiële vaste activa. De immateriële vaste activa
                    worden verdeeld in de kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald
                    actief en de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van
                    agio en disagio. De materiele vaste activa worden onderverdeeld in materiele
                    vaste activa met economisch nut en materiele vaste activa met alleen
                    maatschappelijk nut.</al><al>Voorts dient in de nota aandacht gegeven te worden aan de activa van de
                    gemeente, welke slechts een maatschappelijk en geen economisch nut hebben.
                    Investeringen in vaste activa met alleen maatschappelijk nut mogen ineens ten
                    laste van de exploitatie worden gebracht. Deze investeringen genereren geen
                    inkomsten en brengen bij verkoop geen geld op. Activering van deze activa geeft
                    een opwaartse vertekening van het eigen vermogen. Het is de bedoeling dat de
                    verordening een limitatieve opsomming geeft. Hierbij dient opgemerkt te worden
                    dat alleen investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut
                    geactiveerd mogen worden. Er moet namelijk in de praktijk een (h)erkenbaar
                    criterium zijn voor de onderscheiding van activa met alleen een maatschappelijk
                    nut. In artikel 10 is er voor gekozen om aan te geven welke soorten van activa
                    het betreft. Meer gedetailleerd gaat het dan om de zaken als waterwegen,
                    waterbouwkundige werken, permanente terreinwerken, wegen, straten, fietspaden,
                    voetpaden, bruggen, viaducten, tunnels, verkeerslichtinstallaties, openbare
                    verlichting, straatmeubilair, reconstructie openbare ruimten, parken en overig
                    groen.</al><al>Tot slot wordt in de nota bepaald, dat activa met alleen maatschappelijk nut
                    onder aftrek van bijdragen van derden en bestemmingsreserves direct ten laste
                    van de exploitatie worden gebracht. Slechts bij uitzondering mogen dergelijke
                    investeringen met toestemming van de raad worden geactiveerd. Dit kan nodig zijn
                    ingeval een gemeente een (aantal) zeer grote investering in de openbare ruimte
                    wil uitvoeren. Een gemeente kan bij een dergelijk (meerjarige) investering de
                    begroting mogelijk niet sluitend krijgen. Dit is echter wel verplicht. Artikel
                    189 Gemeentewet bepaalt namelijk, dat de begroting in enig jaar in evenwicht is,
                    dan wel evenwicht in de eerstvolgende jaren tot stand wordt gebracht. In een
                    dergelijk geval kan activering van deze investeringen bij wijze van uitzondering
                    uitkomst bieden.</al><tussenkop>Artikel 11. Waardering oninbare vorderingen</tussenkop><al>Artikel 11 geeft de regels voor de bepaling van de hoogte van de voorziening
                    voor oninbare vorderingen. Voor het bepalen van de hoogte van de voorziening is
                    in dit artikel gekozen voor een scheiding in de belastingen/rechten van de
                    gemeente en de overige vorderingen. Voor de eerste categorie wordt een
                    voorziening getroffen op basis van een in te schatten percentage van
                    oninbaarheid; voor de tweede categorie o.b.v. individuele beoordeling.</al><tussenkop>Artikel 12. Reserves en voorzieningen</tussenkop><al>Een belangrijk beleidsmatig aspect betreft de omvang van het eigen vermogen van
                    een gemeente. Het eigen vermogen van een gemeente bestaat uit de algemene
                    reserves en bestemmingsreserves. Hoe groot moet het eigen vermogen zijn om
                    risico’s op te vangen en gaan we een investering financieren door
                    belastingverhoging of door het interen op het eigen vermogen, zijn financieel
                    beleidsmatige vragen die thuishoren bij de raad.</al><al>Artikel 12 bepaalt, dat het college een nota over de reserves en voorzieningen
                    aanbiedt ter behandeling en vaststelling door de raad. In deze nota kan de raad
                    het kader vaststellen voor de omvang van de reserves . Kaders stellen voor
                    voorzieningen is veelal niet aan de orde, omdat voorzieningen een verplichtend
                    karakter kennen. Wel is het inzichtelijk in de nota in te aan op de
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 13. Kostprijsberekening</tussenkop><al>In artikel 13 is de grondslag voor de bepaling van heffingen en tarieven
                    neergelegd, zoals dat door artikel 212, lid 2, let b Gemeentewet wordt geëist.
                    De grondslag voor de hoogte van heffingen en tarieven is namelijk politieke
                    besluitvorming door de raad op basis van de geraamde hoeveelheden en de geraamde
                    kostprijzen. Kostprijzen laten zich op vele manieren berekenen. In dit artikel
                    worden uitgangspunten voor de bepaling van de kostprijzen gegeven.</al><al>Artikel 13, lid 1 bepaalt, dat naast de direct aan een product toe te rekenen
                    kosten ook de indirecte kosten die rechtstreeks samenhangen met de vervaardiging
                    van het product, worden meegenomen voor de kostprijsbepaling. De salariskosten
                    van de burgemeester hoeven dus niet worden meegenomen voor de
                    kostprijsberekening van de rioolrechten. Het toe te rekenen deel van de overhead
                    van de gemeentelijke dienst waaronder het rioolbeheer valt moet dus wel worden
                    meegenomen in de kostprijsberekening.</al><al>Artikel 229b, lid 2, Gemeentewet stelt, dat bijdragen aan bestemmingsreserves en
                    voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa voor
                    bepaling van de geraamde kostprijs en dus voor de bepaling van het tarief of de
                    heffing mogen worden meegenomen. Veel gemeenten hanteren daarnaast het
                    mechanisme van rentetoerekening over de reserves en de voorzieningen aan in
                    gebruik zijnde kapitaalgoederen. Artikel 13, lid 2 van de verordening bepaalt,
                    dat deze beide kosten ook daadwerkelijk worden meegenomen voor de berekening van
                    de geraamde kostprijs. Indien is gekozen voor het systeem van het toerekenen van
                    bespaarde rente dan is het verplicht deze rente als lasten mee te nemen in de
                    kostprijs.</al><al>Op grond van lid 2 moeten ook worden meegenomen de kosten compensabele BTW voor
                    rioolrechten en afvalstoffenheffing. De begroting en jaarstukken zijn exclusief
                    de compensabele BTW. Voor dit soort heffingen is echter in de wet bepaald dat ze
                    wel meegenomen mogen worden in de kostprijsberekening, omdat de gemeente deze
                    kosten wel heeft, ook al wordt de BTW gecompenseerd. </al><al>Het rentepercentage van de toerekening van kapitaallasten is van invloed op de
                    lasten, maar ook van invloed op de kostprijs. Indien men voor de bouw van een
                    school een lening heeft afgesloten, kan men er voor kiezen de rentelasten op de
                    kosten van het schoolgebouw te laten drukken. Dit wordt in de gemeentelijke
                    boekhouding bereikt door de zogenaamde rente-omslagmethode. Het rentepercentage
                    dat wordt gehanteerd bij de omslagmethode, is van invloed op de kostprijs. Het
                    rentepercentage valt zodoende onder het budgetrecht van de raad. Daarnaast is
                    bij de rente-omslag van de kapitaallasten toerekening van de bespaarde rente
                    over het eigen vermogen toegestaan. Artikel 13, lid 3 legt het te hanteren
                    rentepercentage voor de omslagrente/rekenrente van de kapitaallasten vast.</al><tussenkop>Artikel 14. Financieringsfunctie</tussenkop><al>De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het
                    middelenbeheer. Gezien de operationele kwetsbaarheid van deze functie bevat
                    artikel 212 het expliciete voorschrift dat de verordening een onderdeel over de
                    financieringsfunctie heeft. In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel
                    212, tweede lid onder c. Het gaat om de kaders voor het uitvoeren van de
                    financieringsfunctie. De uitvoering van de financieringsfunctie komt aan de orde
                    in de financieringsparagraaf in de begroting en de rekening zoals die in het
                    Besluit begroting en verantwoording is voorgeschreven. In dit artikel stelt de
                    raad doelstellingen, richtlijnen en limieten die voor het college gelden. Het
                    vierde lid van het artikel draagt het college op een financieringsstatuut
                    (treasurystatuut) op te stellen dat met name protocollen bevat voor de
                    dagelijkse uitvoering. Onderwerpen die in zo’n besluit aan de orde komen zullen
                    met name betreffen het derivatenbeheer (indien van toepassing), het kasbeheer,
                    het risicobeheer, de financiering en de administratieve organisatie. Onder het
                    risicobeheer vallen het renterisicobeheer, het kredietrisicobeheer, het
                    koersrisicobeheer, het interne liquiditeitsbeheer en het valutarisicobeheer
                    (indien van toepassing).</al><al>In het derde lid onder a wordt gesproken van een vereiste rating die een
                    financiële instelling moet hebben. De regelgeving schrijft voor dat het minimaal
                    om een A-rating moet gaan. Gemeenten kunnen zelf een zwaardere rating
                    vaststelling, bijvoorbeeld AA.</al><al>In onderdeel b wordt verder gesproken over een hoofdsomgarantie voor
                    uitzettingen. Dit is de minimumeis die volgens de regeling geldt. De nominale
                    waarde van de uitzetting blijft dan in ieder geval in takt. Gemeenten kunnen een
                    lager risicoprofiel kiezen voor uitzettingen indien op de hoofdsom een
                    inflatiepercentage gezet wordt van bijvoorbeeld 2%. </al><al>De kasgeldlimiet en de renterisiconorm zijn wettelijk geregeld (Wet financiering
                    decentrale overheden, artikel 3 en 4, respectievelijk 5 en 6). Overschrijding is
                    niet toegestaan. Gedeputeerde staten van de provincie moeten in hun hoedanigheid
                    van toezichthouder ingrijpen, maar kunnen onder bijzondere omstandigheden een
                    tijdelijke overschrijding tolereren. Bij overschrijding kan de gemeente worden
                    geconfronteerd met preventief toezicht op het sluiten van kortlopende
                    (kasgeldlimiet) of langlopende (renterisiconorm) leningen. De raad dient daarom
                    wanneer overschrijding dreigt terstond geïnformeerd te worden.</al><tussenkop>Artikel 15. Registratie bezittingen en activa</tussenkop><al>Voor een goed beeld van de financiële positie is een volledige registratie van
                    de gemeentelijke bezittingen onontbeerlijk. Om te garanderen dat de registratie
                    actueel en juist is, wordt in dit artikel het college opgedragen periodiek de
                    registratie te controleren en bij afwijkingen maatregelen tot herstel te
                    treffen. </al><tussenkop>Artikel 16. Lokale heffingen</tussenkop><al>Het nieuwe artikel 212 Gemeentewet eist in het tweede lid, onderdeel b, dat de
                    verordening 212 Gemeentewet minimaal de grondslagen bevat voor de berekening van
                    de door het gemeentebestuur in rekening te brengen tarieven voor rechten als
                    bedoeld in artikel 229b Gemeentewet en in rekening te brengen heffingen als
                    bedoeld in artikel 15.33 Wet milieubeheer. In de verordening is er voor gekozen
                    om als uitgangspunt van het financieel beleid de grondslagen voor de bepaling
                    van heffingen, tarieven en prijzen in het algemeen te verankeren. Zo zijn ook
                    regels opgenomen voor de bepaling van de lokale belastingen.</al><al>Het eerste lid van artikel 16 regelt, dat het college eenmaal om de vier jaar
                    een nota lokale heffingen aan de raad aanbiedt ter behandeling en vaststelling
                    van de lokale lasten. Deze nota moet voor de begrotingsbehandeling door de raad
                    worden vastgesteld. Door vastleggen van de datum van aanbieding in de
                    verordening kan de raad de nota agenderen.</al><al>Op grond van de vastgestelde nota moeten vervolgens de bijbehorende
                    belastingverordeningen worden aangepast en door de raad worden vastgesteld. De
                    nota bevat eveneens een overzicht van de overige verordeningen, waarin
                    heffingen, tarieven en prijzen zijn vastgelegd. Zo kan de raad op grond van de
                    nota ook de actualisatie van deze verordeningen agenderen.</al><al>Artikel 229b Gemeentewet en artikel 15.33 Wet milieubeheer stellen echter
                    randvoorwaarden aan de hoogte van de meeste tarieven en heffingen. Behalve
                    tarieven voor het geven van vermakelijkheden en belastingen mogen de tarieven en
                    heffingen niet het bedrag van de geraamde kostprijs te boven gaan. Voor het
                    vaststellen van de hoogte van de verschillende tarieven en heffingen heeft de
                    raad dus de geraamde kostprijs per tarief c.q. heffing nodig.</al><al>In afwijking van de voorgaande alinea is bij meer producten en diensten
                    opgenomen in één verordening het mogelijk dat een bepaald product hoger wordt
                    geprijsd dan de geraamde kostprijs zolang het totaal van de geraamde opbrengst
                    de totale kosten van de in de verordening genoemde producten en diensten niet
                    overschrijdt. Dit is het geval bij de leges, welke in de regel bijeen worden
                    gebracht in één legesverordening.</al><al>Voor inzicht in de hoogte van de baten in begrotingstechnische zin heeft de raad
                    ook informatie nodig over de geraamde afzet in hoeveelheid. Het tweede lid
                    regelt, dat het college de geraamde kostprijs per verordening en de geraamde
                    hoeveelheden per product/dienst aan de raad verstrekt voor vaststelling van de
                    heffingen, tarieven en prijzen.</al><al>Het derde lid regelt over welke feiten aangaande de lokale lasten de raad in elk
                    geval in de verplichte paragraaf lokale heffingen bij de begroting en
                    jaarstukken wordt geïnformeerd. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                    informatiebehoefte over de lokale lasten en heffingen. Het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten schrijft de minimumeisen voor die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld, namelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>de geraamde inkomsten;</al></li><li nr="b."><al>het beleid ten aanzien van de lokale heffingen;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen;</al></li><li nr="d."><al>een aanduiding van de lokale lastendruk;</al></li><li nr="e."><al>een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan men bijvoorbeeld opnemen:</al><lijst><li nr="f."><al>de kostendekkendheid van de rioolrechten en afvalstoffenheffing;</al></li><li nr="g."><al>de lokale lastendruk per huishouden, eventueel te onderschieden naar
                            eenpersoonshuishoudens, meerpersoonshuishoudens en bedrijven;</al></li><li nr="h."><al>het aantal en het bedrag aan kwijtscheldingen;</al></li><li nr="i."><al>de waardeontwikkeling van onroerende zaken in de gemeente.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 17. Weerstandsvermogen</tussenkop><al>Een gemeente loopt risico’s. Deze risico’s zijn van uiteenlopende aard. Tegen
                    een deel van deze risico’s kan een gemeente zich verzekeren, of er moeten
                    voorzieningen worden gevormd, of ze kunnen anderszins worden opgevangen. Voor
                    een deel van de risico’s is dit echter niet het geval. Daarnaast kiezen
                    gemeenten er soms voor om voor bepaalde verzekerbare risico’s eigen risicodrager
                    te worden door zich bewust niet voor deze risico’s te verzekeren.</al><al>De niet verzekerde risico’s hebben, als ze zich voordoen, (grote) financiële
                    consequenties. Het is dus zaak voor een gemeente, dat ze zich bewust is van de
                    risico’s die ze loopt, en ze beheerst. Het uitsluiten van risico’s is echter
                    niet mogelijk. Waar gewerkt wordt vallen spaanders. Niet verzekerde risico’s die
                    zich voordoen, moet de gemeente opgevangen met het eigen vermogen, door
                    belastingverhoging of door beleidsmatige ombuigingen op de begroting.</al><al>Het eerste lid van artikel 17 eist dat het college eens in de vier jaar een nota
                    aan de raad aanbiedt, waarin het college uiteenzet hoe hij omgaat met de
                    inventarisatie en beheersing van risico’s. Dit zijn bijvoorbeeld regels over
                    welke bezittingen van de gemeente moeten worden verzekerd en welke procedures
                    hiervoor gelden. Een ander voorbeeld van een regel voor de beheersing van
                    risico’s is, dat er jaarlijks een rentevisie wordt gemaakt, waarmee de gemeente
                    het renterisico op haar leningportefeuille op een aanvaardbaar niveau houdt.
                    Ieder college kan zelf invulling geven hoever hij met deze regels wil gaan. Ten
                    tweede moet het college in deze nota de risico’s kwantificeren en aan de hand
                    ervan het gewenste weerstandscapaciteit bepalen.</al><al>Het tweede lid regelt over welke risico’s en hun financiële consequenties de
                    raad in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en de
                    jaarstukken moet worden geïnformeerd. Het “Besluit begroting en verantwoording
                    provincies en gemeenten” verplicht een aantal zaken op te nemen in de paragraaf,
                    namelijk:</al><lijst><li nr="a."><al>een inventarisatie van de weerstandscapaciteit;</al></li><li nr="b."><al>een inventarisatie van de risico’s;</al></li><li nr="c."><al>het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s;</al></li></lijst><al>Voor de speciale aandacht in de verordening kan men denken aan een opsomming van
                    de risico’s zoals:</al><lijst><li nr="a."><al>tegenvallende rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt;</al></li><li nr="b."><al>tegenvallende resultaten uit grondexploitatie;</al></li><li nr="c."><al>tegenvallende realisatie op begrote subsidieverwachtingen;</al></li><li nr="d."><al>lopende en te verwachten claims van derden;</al></li><li nr="e."><al>nog niet getaxeerde kosten van (vermoedde) milieuverontreiniging;</al></li><li nr="f."><al>overschrijding openeinde regelingen en subsidies;</al></li><li nr="g."><al>dreigend faillissement van verbonden partijen;</al></li><li nr="h."><al>dreigend faillissement van derden bij wie borgstellingen, garanties,
                            leningen of vorderingen et onderhavige artikel is er voor gekozen om de
                            beleidslijnen uit te zetten in een nota. De desbetreffende, volgens het
                            Besluit begroting en verantwoording voorgeschreven paragraaf informeert
                            dan vooral de uitvoering en toepassing van de nota. Alhoewel niet voor
                            de hand liggend, is het ook mogelijk om niet met een nota te werken,
                            maar om de beleidsmatige contouren en de uitvoering beide in de
                            paragraaf op te nemen. Deze opmerking geldt ook voor de artikelen 16, 18
                            tot en met 23.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen</tussenkop><al>In artikel 18 stelt de raad regels voor de begrotings- en
                    verantwoordingsinformatie aan de raad over het onderhoud aan kapitaalgoederen.
                    De verantwoordingsinformatie wordt gesplitst. Het eerste tot en met het vierde
                    lid regelen, dat er nota’s aan de raad worden aangeboden over het onderhoud aan
                    de verschillende categorieën kapitaalgoederen. Hierin kan op de stand van zaken
                    worden ingegaan en kan de raad de kaders voor het toekomstig beleid
                    uiteenzetten.</al><al>Voor de nota’s is in de ontwerpverordening een actualisatie termijn opgenomen
                    van 4 jaar. In de nota’s heeft de omvang van het onderhoud een meer statisch
                    karakter. Door de voortschrijdende werking in begroting en jaarstukken van de
                    verplicht voorgeschreven paragraaf, krijgt het onderhoud dynamiek. Deze nota’s
                    hoeven in de regel dan ook maar eenmaal per raadsperiode te worden besproken. De
                    raad kan de nota natuurlijk tussentijds agenderen.</al><al>Sommige gemeenten hebben voor bepaalde categorieën onderhoud kapitaalgoederen
                    niet al te hoge uitgaven. Deze gemeenten kunnen er voor kiezen om voor de
                    diverse soorten kapitaalgoederen geen afzonderlijke nota op te stellen, maar
                    deze soorten kapitaalgoederen te bundelen in één nota</al><al>Artikel 18, vierde lid, regelt over welke feiten aangaande het financieel beheer
                    van het onderhoud van kapitaalgoederen de raad in de verplichte paragraaf
                    onderhoud kapitaalgoederen bij de begroting en jaarstukken in elk geval
                    geïnformeerd wordt. Hier kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                    informatiebehoefte over het onderhoud kapitaalgoederen. Het Besluit begroting en
                    verantwoording provincies en gemeenten schrijft enige feiten voor, die in de
                    paragraaf moeten worden vermeld. Namelijk het beleidskader, de daaruit
                    voortvloeiende financiële consequenties en de vertaling daarvan in de begroting
                    van het onderhoud wegen, het onderhoud riolering, het onderhoud water, het
                    onderhoud groen en het onderhoud gebouwen.</al><tussenkop>Artikel 19. Financiering</tussenkop><al>De basis voor dit artikel is gelegen in artikel 14. Artikel 19 regelt over welke
                    feiten inzake het financieel beheer van de financieringsfunctie de raad in elk
                    geval in de verplichte paragraaf financiering bij de begroting en jaarstukken
                    wordt geïnformeerd. De raad kan aangeven om over meerdere zaken geïnformeerd te
                    willen worden zoals de samenstelling en omvang van het vreemde vermogen en van
                    de uitzettingen en de liquiditeitspositie.</al><tussenkop>Artikel 20. Bedrijfsvoering</tussenkop><al>Het domein van de ambtelijke organisatie is de verantwoordelijkheid van het
                    college. Beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door het
                    college. In het eerste lid van artikel 19 van de modelverordening over het
                    financieel middelenbeheer van de bedrijfsvoering wordt dan ook slechts een nota
                    over de bedrijfsvoering ter kennisgeving aan de raad overlegd.</al><al>Het tweede lid regelt verder over welke feiten aangaande het financieel beheer
                    van de bedrijfsvoering de raad in de verplichte paragraaf bedrijfsvoering
                    geïnformeerd wordt. In dit artikel kan de raad invulling geven aan zijn eigen
                    informatiebehoefte over de middelen bedrijfsvoering. Men kan hiervoor
                    bijvoorbeeld opnemen:</al><lijst><li nr="a."><al>aantal personeelsleden in dienst onderverdeeld naar leeftijd en
                            beloningsschaal;</al></li><li nr="b."><al>de instroom, uitstroom en het percentage ziekteverzuim van
                            personeel;</al></li><li nr="c."><al>de directe loonkosten;</al></li><li nr="d."><al>de personeelskosten</al></li><li nr="e."><al>de kosten inleenkrachten;</al></li><li nr="f."><al>de kosten van ingehuurde externen;</al></li><li nr="g."><al>de huisvestingskosten;</al></li><li nr="h."><al>de automatiseringskosten;</al></li><li nr="i."><al>vernieuwing, uitbreiding, herstructurering, reorganisatie en inkrimping
                            van de ambtelijke organisatie, de gemeentelijke huisvesting, het
                            gemeentelijk materieel en de gemeentelijke automatiseringssystemen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 21. Verbonden partijen</tussenkop><al>Artikel 21 stelt regels voor de verantwoordingsinformatie over de verbonden
                    partijen. De verantwoordingsinformatie wordt gesplitst. Het eerste lid regelt,
                    dat er een nota verbonden partijen aan de raad wordt aangeboden, waarin op de
                    stand van zaken van de verbonden partijen wordt ingegaan en de raad de kaders
                    voor het toekomstig beleid uiteen kan zetten. Deze nota wordt minimaal eens in
                    de vier jaar dus minimaal één keer per raadsperiode door het college aan de raad
                    aangeboden. De raad kan de nota altijd tussentijds agenderen.</al><al>Gemeenten met niet al te veel verbonden partijen kunnen er voor kiezen in het
                    geheel geen nota over de verbonden partijen aan te bieden. Deze gemeenten kunnen
                    alles in de paragraaf verbonden partijen bij de begroting en de jaarstukken aan
                    de raad te verantwoorden. In dat geval moet men artikel 20, lid 1 laten
                    vervallen.</al><al>Artikel 20, lid 2 regelt over welke feiten aangaande het financieel beheer van
                    verbonden partijen de raad in elk geval in de verplichte paragraaf verbonden
                    partijen bij de begroting en jaarstukken geïnformeerd wil worden. Hier kan de
                    raad invulling geven aan zijn eigen informatiebehoefte over de verbonden
                    partijen. Wel schrijft het Besluit begroting en verantwoording enige feiten
                    verplicht voor die in de paragraaf moeten worden vermeld, namelijk:</al><al>A de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de
                    doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting;</al><al>B de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen.</al><al>Daar de begroting, jaarstukken en nota’s openbare stukken zijn, kan vermelding
                    van bepaalde in de verordening vereiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het voornemen om een financieel
                    belang af te stoten, hetgeen in bepaalde situaties de onderhandelingspositie van
                    de gemeente aantast. Deze gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op
                    in de begroting, jaarstukken en openbare nota’s.</al><al>Ingevolge het Besluit begroting en verantwoording dient een lijst van verbonden
                    partijen te worden bijgehouden.</al><tussenkop>Artikel 22. Grondbeleid</tussenkop><al>Een belangrijke taak van een gemeente is het daadwerkelijk ingrijpen in de
                    ruimtelijke ordening van een gemeente door zelf vastgoedlocaties te (laten)
                    ontwikkelen. De uitgangspunten van het financieel beleid ten aanzien van het
                    grondbeleid horen bij de raad thuis. Artikel 22, eerste lid, regelt, dat het
                    college eenmaal per raadsperiode een nota grondbeleid aan de raad aanbiedt ter
                    behandeling en vaststelling. In deze nota kan de raad de kaders vaststellen voor
                    het toekomstig grondbeleid. De raad kan de nota altijd tussentijds
                    agenderen.</al><al>Het tweede lid van artikel 22 schrijft de feiten voor aangaande het grondbeleid
                    waarover de raad in elk geval in de verplichte paragraaf grondbeleid bij de
                    begroting en jaarstukken moet worden geïnformeerd. Hier kan de raad invulling
                    geven aan zijn eigen informatiebehoefte over het grondbeleid. Dit naast de
                    verplichtingen die het Besluit begroting en verantwoording voorschrijft. Het
                    besluit schrijft voor:</al><lijst><li nr="a"><al>een visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de
                            doelstellingen van de programma’s die zijn opgenomen in de
                            begroting;</al></li><li nr="b"><al>een aanduiding van de wijze waarop de gemeente het grondbeleid
                            uitvoert;</al></li><li nr="c"><al>een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale
                            grondexploitatie;</al></li><li nr="d"><al>een onderbouwing van de geraamde winstneming;</al></li><li nr="e"><al>de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie
                            tot de risico’s van de grondzaken.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan men denken aan:</al><lijst><li nr="f"><al>huidige vastgoedpositie</al></li><li nr="g"><al>de aan- en verkoop van vastgoed</al></li><li nr="h"><al>de deelname in PPS-constructies</al></li><li nr="i"><al>de geraamde kosten en opbrengsten per in ontwikkeling genomen
                            project</al></li><li nr="j"><al>in erfpacht uitgegeven gronden</al></li><li nr="k"><al>inkomsten erfpacht en bijstelling erfpachtvergoedingen</al></li></lijst><al>Daar de begroting, jaarstukken en nota’s openbare stukken zijn, kan vermelding
                    van bepaalde in de verordening geëiste informatie de belangen van de gemeente
                    schaden. We kunnen bijvoorbeeld denken aan het opnemen van de financiële
                    onderhandelingsruimte in de begroting voor de aankoop van een stuk grond.
                    Dergelijke informatie tast de onderhandelingspositie van de gemeente aan. Zulke
                    gegevens neemt men vanzelfsprekend niet herkenbaar op in de begroting,
                    jaarstukken en openbare nota’s.</al><tussenkop>Artikel 23. Verstrekking subsidies</tussenkop><al>Een belangrijke uitgaande middelenstroom, die de kaderstellende rol en het
                    budgetrecht van de raad raakt, betreft de verstrekking van gemeentelijke
                    subsidies. Hiervoor is geen paragraaf bij de begroting en de jaarstukken
                    opgenomen. Artikel 4.23 Algemene wet bestuursrecht vereist dat een subsidie
                    slechts door een bestuursorgaan kan worden verstrekt op grond van een wettelijk
                    voorschrift. Het voorschrift moet regelen voor welke activiteiten subsidies
                    kunnen worden verstrekt. Voor incidentele gevallen met een subsidieduur van ten
                    hoogste vier jaar geldt het bovengenoemde vereiste niet. Gemeenteraden hebben in
                    de regel op grond van deze wettelijke bepaling een subsidieverordening
                    vastgesteld.</al><al>Artikel 23 regelt, dat de raad periodiek een nota ontvangt waarin het college
                    het voorgenomen beleid uiteenzet voor de verstrekking van subsidies en een
                    overzicht van de toegekende subsidies. De nota wordt eens per raadsperiode
                    aangeboden. De raad kan de nota altijd tussentijds agenderen.</al><tussenkop>Artikel 24. Administratie</tussenkop><al>In artikel 24 worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties van
                    de gemeente. In hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens moeten worden
                    vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze
                    verordening regelt niet – inherent aan het dualisme – de regels en activiteiten
                    die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het college. Deze
                    zal deze zaken wel in een besluit moeten vastleggen voor de aansturing van de
                    ambtelijke organisatie. Een en ander geldt ook voor artikel 25, 26 en 27.</al><tussenkop>Artikel 25. Financiële administratie</tussenkop><al>Een belangrijk onderdeel van de administratie is de financiële administratie.
                    Bij algemene maatregel van bestuur stelt het Rijk eisen aan de
                    verantwoordingsinformatie van gemeenten. In het Besluit begroting en
                    verantwoording zijn onder andere waarderingsgrondslagen, balansindeling en
                    verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. Vanuit de financiële
                    administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële
                    verantwoordingsinformatie aan de raad, maar ook aan gedeputeerde staten, in hun
                    rol als toezichthouder, het rijk, de Europese Unie etc.</al><tussenkop>Artikel 26. Financiële organisatie</tussenkop><al>In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de financiële
                    organisatie gegeven, waaraan het college bij het stellen van regels voor de
                    ambtelijke organisatie invulling moet geven. De uitgangspunten vormen kaders
                    voor het college, waaraan hij zich moet houden.</al><al>In de onderdelen a en b worden eisen gesteld aan de toedeling van taken aan
                    organisatieonderdelen van de gemeente en de toewijzing van functies aan
                    functionarissen. In de onderdelen c t/m f worden eisen gesteld aan de
                    budgettoedeling en de verantwoording daarover.</al><tussenkop>Artikel 27. Aanbesteding en inkoop</tussenkop><al>De inkoop van goederen en diensten en de aanbesteding van werken zijn
                    belangrijke en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair effect kunnen
                    hebben. Het hanteren van een protocol is naast de desbetreffende administratieve
                    aspecten tevens te zien als een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid
                    kan worden beperkt en er wordt jegens derden rechtszekerheid gecreëerd. Artikel
                    27 legt aan het college de zorg op om regels op te stellen voor de aanbesteding
                    van werken en inkoop van goederen en diensten. De regelgeving van de Europese
                    Unie dient daarbij nageleefd te worden. Doordat de regels worden vastgelegd kan
                    de accountant bij zijn controle van de jaarstukken nagaan of de interne regels
                    (en de Europese regelgeving) zijn nageleefd, het is een onderdeel van de
                    rechtmatigheidstoets. De accountant beoordeelt hiervoor eveneens het systeem van
                    interne regels.</al><tussenkop>Artikel 28. Subsidieverstrekking en steunverlening </tussenkop><al>Een ander kwetsbare activiteit van gemeenten is de subsidieverlening en
                    steunverlening aan ondernemingen. Ook hiervoor is het hanteren van een protocol
                    te zien als een vorm van risicobeheersing. Daarnaast is op delen van deze
                    activiteit de Europese regelgeving inzake staatssteun van toepassing. </al><tussenkop>Artikel 29. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van het oude artikel
                    212 Gemeentewet opgestelde verordening. De wetgever heeft bepaald, dat de nieuwe
                    verordening artikel 212 Gemeentewet bij alle gemeenten op het begrotingsjaar
                    2004 van toepassing moet zijn. De oude verordening blijft nog van kracht op de
                    begroting en jaarrekening van 2003.</al><tussenkop>Artikel 30.</tussenkop><tussenkop> Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel wordt de naam gegeven, waarmee men in de gemeentelijke stukken
                    naar deze verordening kan verwijzen.</al><tussenkop>Vaststelling</tussenkop><al>De begroting 2004 moet voor 15 november 2003 zijn toegezonden aan gedeputeerde
                    staten (artikel 191 Gemeentewet) en dus moet de begroting voor die datum door de
                    raad zijn vastgesteld. De nieuwe verordening 212 is van toepassing op de
                    begroting 2004. De wetgever heeft dan ook bepaald dat de nieuwe verordening 212
                    voor 15 november 2003 door de raad moet zijn vastgesteld. Daarnaast moet de
                    verordening binnen twee weken na vaststelling door de raad door het college naar
                    gedeputeerde staten worden verzonden (artikel 214 Gemeentewet).</al><al>De ondertekening van uitgaande stukken van de raad door de burgemeester is in
                    het nieuwe duale bestel gehandhaafd (artikel 75, lid 1 Gemeentewet). Door de
                    komst van de griffier zijn de taken van de gemeentesecretaris gewijzigd. De
                    secretaris hoeft niet meer aanwezig te zijn bij de vergaderingen van de raad.
                    Deze taak wordt overgenomen door de griffier (artikel 107b Gemeentewet). Door
                    deze wijziging is het niet meer de secretaris, die de uitgaande stukken van de
                    raad meeondertekent. De griffier moet de uitgaande stukken van de
                    raadsvergaderingen meeondertekenen (artikel 107c Gemeentewet).</al><al>Gemeenteraad</al><al>De raad van de gemeente Sint-Michielsgestel besluit,</al><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet,</al><al>vast te stellen:</al><al>Verordening op de uitgangspunten voor het financieel beleid, alsmede voor het
                    financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de
                    gemeente Sint-Michielsgestel.</al><tussenkop>Nadere toelichting op de verordening op de uitgangspunten voor het
                    financieel beleid, alsmede het financieel beheer en voor de inrichting van de
                    financiële organisatie van de gemeente Sint-Michielsgestel.</tussenkop><tussenkop>Inleiding.</tussenkop><al>Tijdens de behandeling van dit concept-raadsvoorstel in de commissie Algemeen
                    Bestuurlijke Zaken van 14 oktober j.l. is opgemerkt dat het wellicht zinvol zou
                    zijn om de behandeling van de voorjaarsnota en de jaarrekening in één
                    vergadering te combineren. Een dergelijke suggestie is ook gedaan met betrekking
                    tot de begroting en de tussenrapportage.</al><tussenkop>Inhoudelijke afweging. </tussenkop><al>De inhoud en zeker ook het karakter van de genoemde stukken zijn geheel
                    verschillend. Is het met name bij de voorjaarsnota van belang de kaders te
                    bieden voor het maken van de begroting (met daarbij de meerjarenbegroting), bij
                    de jaarrekening ligt het accent veel meer op het afleggen van verantwoording.
                    Ook de behandeling van de begroting, waarbij is aangegeven dat de discussie op
                    hoofdlijnen zal plaatsvinden, is totaal anders dan de bespreking van een
                    tussenrapportage.</al><al>Naast de inhoudelijke argumenten speelt ook de vraag in hoeverre het technische
                    mogelijk is de jaarrekening inclusief accountantscontrole in april in de raad te
                    krijgen. Dit betekent dat de rekening eind februari geheel gereed moet zijn. Wij
                    streven ernaar om de jaarrekening zo snel mogelijk na afloop van het jaar te
                    behandelen. Al jaren zijn we er in geslaagd om dit in de maand juni te
                    realiseren. Voor de jaarrekening 2003 hebben we voor de eerste maal te maken met
                    de gewijzigde opzet. Voor 2002 werd nog uitgegaan van een centrale benadering
                    terwijl voor de jaarrekening 2003 we te maken hebben met de gedecentraliseerde
                    aanpak. Deze overgang behoeft niet noodzakelijk voor vertraging te zorgen maar
                    een versnelling is niet te verwachten. Echter behandeling in de maand april zal
                    ook in de toekomst een utopie blijven. </al><al>Ook hebben we nog stilgestaan bij de vraag in hoeverre het zinvol is om de
                    procedure te verschuiven naar mei. Ten aanzien van het vraagstuk omtrent het
                    karakter van de stukken blijft dit argument gehandhaafd. Wat de tijd betreft zou
                    het wellicht vanaf de jaarrekening 2004 mogelijk zijn de jaarrekening in mei te
                    behandelen. Als de meerderheid van de raad van mening is dat ook de
                    voorjaarsnota in deze maand aan de orde moet komen is dat mogelijk.</al><al>Na de behandeling van de begroting willen we komen tot een integrale aanpak van
                    de begroting 2005. Tijdens deze gesprekken willen we eveneens nog stilstaan bij
                    de momenten waarop zaken aan de orde moeten komen. </al><tussenkop>Voorstel.</tussenkop><al>Gelet op de uitdrukkelijk wens van de commissie stellen we u voor de behandeling
                    van de voorjaarsnota te verschuiven naar de maand mei. </al><al>burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel,</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>