<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR257203_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2012A Gemeente Lingewaard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">het gemeentenieuws</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2012A Gemeente Lingewaard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-12-04</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>106/2012</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2012A Gemeente Lingewaard</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Besluit raad</al><al>Besluitnummer 106/2012</al><al>Onderwerp Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2012A
                        Gemeente Lingewaard</al><al/><al>De raad van de gemeente Lingewaard;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente
                        Lingewaard d.d. 4 december 2012;</al><al>gehoord de behandeling tijdens de Politieke Avond d.d. 29 november
                        2012;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, Gemeentewet en de artikelen 8, eerste
                        lid, onderdeel c, en 30 van de Wet werk en bijstand;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is om het verstrekken van toeslagen en
                        het verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of
                        ouder, doch jonger dan 65 jaar, en op grond van welke criteria de
                        toeslag wordt verstrekt of de verlaging wordt bepaald, bij verordening
                        te regelen, </al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2012A
                        Gemeente Lingewaard</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Definities</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB),de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a"><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b"><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        Lingewaard;</al></li><li nr="c"><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Lingewaard;</al></li><li nr="d"><al>de gehuwdennorm: norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel c
                                        WWB;</al></li><li nr="e"><al>woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j
                                        Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip
                                        zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB;</al></li><li nr="f"><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="I"><al>Indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                                geldende huurprijs zoals bedoeld in artikel 1
                                                onderdeel d Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="II"><al>Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een
                                                bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve
                                                van de financiering van de woning verschuldigde
                                                hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                                hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en
                                                een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                                onderhoud;</al></li></lijst></li><li nr="g"><al>verzorgingsbehoeftige: de belanghebbende die, indien hij
                                        niet samen met een andere persoon de woning zou bewonen, zou
                                        zijn aangewezen op verzorging in een verzorgingshuis of een
                                        andere inrichting ter verpleging of verzorging.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Reikwijdte doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is van toepassing op belanghebbenden van 21 jaar of
                            ouder maar jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien beide echtgenoten 21 jaar
                            of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De toeslag, genoemd in artikel 25 WWB bedraagt:</al><lijst><li nr="a"><al>20 procent van de gehuwden norm voor een belanghebbende in
                                        wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b"><al>10 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende die
                                        met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                        woning heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 en 22 jaar 10 procent van de gehuwdennorm
                                indien in zijn woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a"><al>verzorgingsbehoevende die door belanghebbende worden
                                        verzorgd;</al></li><li nr="b"><al>verzorgenden die de zorgbehoevende belanghebbende
                                        verzorgen;</al></li><li nr="c"><al>medebewoners die op het adres van belanghebbende zelfstandig
                                        woonruimte huren op basis van een commerciële
                                        huurovereenkomst.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging voor gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging ingevolge artikel 26 WWB bedraagt 10 procent van de
                                gehuwdennorm voor belanghebbenden die met één of meer andere
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het derde de lid van artikel 3 is overeenkomstig van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging in verband met ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27
                            van de wet is gelijk aan de norm huur als bedoeld in artikel 16 van de
                            Wet op de huurtoeslag, indien een woning wordt bewoond waaraan voor de
                            belanghebbende geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden
                            zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging algemene bijstand schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De verlaging ingevolge artikel 28 van de wet bedraagt 20 procent van
                                de gehuwdennorm gedurende zes maanden, gerekend vanaf het tijdstip
                                van de beëindiging van de aanspraak op studiefinanciering of
                                tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 3 lid 2 van toepassing is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Anti cumulatie bepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm tenminste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>80% van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van belanghebbende
                                afwijken van de bepalingen in deze verordening indien toepassing
                                daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Alle bepalingen over het verhogen of verlagen van de norm, als gevolg
                            van medebewoning, zoals die waren opgenomen in de ingetrokken
                            Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand gemeente
                            Lingewaard 2010 en de Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren
                            2009 gemeente Lingewaard blijven tot 1 juli 2013 van kracht voor de
                            belanghebbenden die op 31 december 2011 een uitkering ingevolge de Wet
                            werk en bijstand of Wet investering Jongeren ontvingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Intrekking en inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                publicatie en werkt terug tot en met 1 januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Tot uiterlijk 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing
                                op personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB gemeente Lingewaard 2012
                                vastgesteld op 15 december 2011 is tot uiterlijk 1 januari 2013
                                uitsluitend van toepassing op personen als bedoeld in artikel 78w
                                lid 1 WWB. Per 1 januari 2013 wordt de Verordening Toeslagen en
                                Verlagingen WWB gemeente Lingewaard 2012 ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: </al><al>Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB gemeente Lingewaard 2012A.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van 13 december 2012..</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Th.G.L. Greep S.P.M. de Vreeze</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2012A </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) dient de gemeenteraad een verordening
                    vast te stellen met betrekking tot het verhogen en verlagen van de bijstandsnorm
                    als bedoeld in artikel 8 lid 1 onder c juncto artikel 30 WWB, de zogenaamd
                    toeslagen verordening.</al><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 3.2, in de artikelen 20 tot en met
                    24 WWB.</al><al>Daarnaast voorziet paragraaf 3.3 in toeslagen en verlagingen, in de artikelen 25
                    tot en met 29 WWB.</al><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gehuwden. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke bestaanskosten hebben, dan
                    waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van
                    deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende
                    betekenis. De hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven in deze verordening,
                    bedraagt maximaal 20 procent van het netto minimumloon en moet aansluiten bij
                    het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een alleenstaande van 21 of
                    22 jaar kan de toeslag afwijkend worden vastgesteld.</al><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot en met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te verlagen:</al><lijst><li nr="-"><al>het kunnen delen van kosten met een ander door gehuwden</al></li><li nr="-"><al>de woonsituaties</al></li><li nr="-"><al>de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of
                            beroepsopleiding.</al></li></lijst><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde:</al><al> eerst de norm, dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. </al><tussenkop>Individualisering</tussenkop><al>Het is niet noodzakelijke alle mogelijke situatie uitputtend te regelen. In niet
                    geregelde gevallen of uitzonderlijke situaties geldt het
                    individualiseringsbeginsel. Het college kan in die gevallen de bijstand op grond
                    van artikel 18 lid 1 WWB afwijkend hoger of lager vaststellen.</al><tussenkop>Wijziging van de WWB per 1 januari 2012 en intrekking van de Wet
                    investeren in jongeren</tussenkop><al>Met de wijziging van de WWB per 1 januari 2012 is de huishoudinkomenstoets
                    ingevoerd. Dit betekent dat het begrip gehuwden is vervangen in die van gezin.
                    In artikel 4 lid 1c van de wet is een definitie opgenomen. Inwonende
                    meerderjarige eerstegraads bloedverwanten behoren tot het gezin, behoudens de
                    uitzonderingen opgenomen in artikel 4.</al><al>Nieuw wordt de definitie van medebewoner, dit wordt een verzamelbegrip voor alle
                    personen die inwonen en niet tot het gezin behoren en een inkomen hebben boven
                    een bepaalde grens. In het kader van de Toeslagenbeleid worden deze personen
                    geacht mee te betalen aan de woonlasten. Het kan dan onder andere gaan om
                    bloedverwanten in de tweede graad en aanverwanten. </al><al>Een uitzondering op deze definitie is de belanghebbende die op basis van artikel
                    4 vijfde lid WWB is uitgezonderd van het gezinsbegrip. De criteria om als
                    verzorgingsbehoeftige aangemerkt te worden staan in artikel 4 vijfde lid van de
                    wet. In de Toeslagenverordening zoals die luidde per 31 december 2011 was het
                    verzorgingsbehoeftig zijn geen criterium voor de vaststelling van het
                    normbedrag. Voor deze groep belanghebbenden is nu wel een uitzondering gemaakt
                    van het begrip medebewoner. Indien een belanghebbende dus niet tot het gezin
                    wordt gerekend op basis van het verzorgingsbehoeftig zijn, wordt de norm in het
                    kader van het toeslagenbeleid niet lager vastgesteld.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening 2012A </tussenkop><al>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</al><tussenkop>Artikel 1 Begrippen</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel d: gehuwdennorm</tussenkop><al>Voor het begrip “gehuwdennorm” wordt verwezen naar de norm voor gehuwden voor
                    personen van 21 tot 65 jaar als bedoeld in artikel 21 onderdeel c WWB.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel e: woning</tussenkop><al>Het begrip “woning” is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de
                    tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt
                    artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een
                    woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan moet worden. Voorts volgt
                    uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat voor de invulling van het
                    begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in
                    deze verordening bepaald dat onder “woning” wordt verstaan: een woning zoals
                    bedoeld in artikel 1 onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of
                    woonschip zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB.</al><tussenkop>Lid 2 onderdeel f: woonkosten</tussenkop><al>Het begrip `woonkosten` is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 van deze verordening ‘verlaging woonkosten’.</al><al>Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen in de Algemene
                    Bijstandswet onder het ‘Besluit landelijke normering tot 1996’ was opgenomen.
                    Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Abw dat
                    het begrip woonkosten ten tijde van de Abw ‘nog steeds’ moet worden uitgelegd
                    conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit
                    landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze rechtspraak onder de WWB
                    ook nog van betekenis is.</al><al>De bij ‘het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten’ kan
                    worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende zaak
                    belasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten en
                    de erfpachtcanon.</al><tussenkop>Artikel 2 Reikwijdte doelgroep</tussenkop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor
                    gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbende 18 tot 21
                    jaar.</al><al>De jongerennormen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld omdat de ouders nog
                    onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen totdat deze de leeftijd van 21 jaar
                    hebben bereikt. De ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht
                    door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In
                    dergelijke gevallen zou als het ware `dubbel gekort` worden als ook nog
                    krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien
                    zou de toepassing van de categoriale verlagingen op de belanghebbenden van 18,
                    19 of 20 jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld
                    maken.</al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager vast te
                    stellen.</al><al>Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</al><tussenkop>Artikel 3 Toeslag alleenstaande (ouder) </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende
                    hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm
                    voorziet als gevolg van het niet geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze
                    kosten met een ander. </al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 b WWB verplicht te bepalen dat
                    de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                    (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                    gronden) Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze
                    verordening.</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen sprake
                    is van gehuwden of van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden uitgegaan
                    dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats.
                    Gekozen is voor 10 procent van de gehuwdennorm (zie artikel 3 lid 1 onderdeel b
                    van deze verordening).</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. Dat is geregeld in
                    artikel 3 lid 2 en 3 van deze verordening. Gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon zou een maximale toeslag een drempel opwerpen om werk te aanvaarden. </al><al>De bedoeling is juist de inschakeling op de arbeidsmarkt te stimuleren.</al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>In het tweede lid is geregeld dat zowel zorgbehoevende (sub a) als verzorgers
                    (sub b) niet worden meegeteld als personen waarmee kosten gedeeld kunnen worden.
                    Uitgangspunt is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                    verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. </al><al>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of de toeslag</al><tussenkop>Artikel 4 Verlagen gezin</tussenkop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college voor een gezin de norm verlagen
                    indien belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                    hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                    kunnen delen van deze kosten met een ander, tenzij die ander een niet ten laste
                    komend kind is met een inkomen gelijk aan of lager dan de norm levensonderhoud
                    als bedoeld in artikel 3.18 WSF 2000. </al><al>Dit kan zijn een inwonend meerderjarig kind wat niet tot het gezin wordt
                    gerekend. Ook kunnen andere inwonende familieleden, niet zijnde eerstegraads
                    bloedverwanten, of aanverwanten medebewoner zijn. Uitgezonderd zijn de eerste
                    graad bloedverwanten, die op grond van een verzorgingsbehoeftigheid als bedoeld
                    in artikel 4 lid 5 van de wet, niet tot het gezin worden gerekend.</al><al>Het zou een kwestie van rechtsongelijkheid zijn als de toeslag van een
                    alleenstaande (ouder), die ook met een volledige toeslag een lagere uitkering
                    heeft dan de gehuwden, wel mag worden verlaagd wegens het kunnen delen van
                    kosten en de uitkering van gehuwden niet, </al><tussenkop>Artikel 5 Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken
                    woonkosten</tussenkop><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) of gehuwden, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager
                    vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                    het bestaan heeft dan waarin de norm of toeslag voorziet als gevolg van zijn
                    woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.</al><tussenkop>Geen woonkosten</tussenkop><al>In de verordening wordt het begrip “woonkosten” gehanteerd; bedoeld wordt de
                    kosten van huur of hypotheekrente, zakelijke lasten en een naar omstandigheden
                    vast te stellen bedrag voor onderhoud. Daarmee wordt duidelijk dat het hebben
                    van kosten voor water, gas, licht en dergelijke voor belanghebbende niet
                    afdoende is om een verlaging krachtens dit artikel te voorkomen.</al><al>Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep heeft
                    gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de zin van artikel 35 lid
                    1 Abw (Zie CRvB 06-11-2011, nrs 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr
                    00/4951 NABW)</al><al>In veel gemeenten bedraagt de verlaging 20% bij het ontbreken van woonkosten.
                    Wij vinden het redelijker een verlaging ter hoogte van de ondergrens van huur..
                    Immers belanghebbende met een inkomen op bijstandsniveau hoeft nooit meer huur
                    te betalen dan dit bedrag.</al><al>Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie en het ontbreken van
                    woonkosten kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>bij het niet aanhouden van een woning ( in dat geval is artikel 5 lid 1
                            onderdeel b van deze verordening van toepassing);</al></li><li nr="·"><al>bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                            bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al></li><li nr="·"><al>indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten
                            betaalt van de woning.</al></li></lijst><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgeno(o)te, de woonlasten van de door
                    belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het aldus
                    verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of toeslag te
                    verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK 2002-2003, 28 870, nr 3 p.
                    54-55).</al><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch in
                    het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de situatie
                    waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalde, de bijstand in
                    voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB.</al><tussenkop>Artikel 6 Verlagen algemene bijstand schoolverlaters</tussenkop><al>Op grond van artikel 28 WWB stelt het college voor een belanghebbende die recent
                    de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding heeft
                    beëindigd, de norm of toeslag gedurende zes maanden na het tijdstip van die
                    beëindiging lager vast. Het moet dan wel gaan om onderwijs of een
                    beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering op grond van
                    de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage
                    en de schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                    onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al><al>In artikel 6 lid 1 van deze verordening is bepaald dat de verlaging voor
                    schoolverlaters 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt gedurende zes maanden,
                    gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op de
                    studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten.
                    Deze verlaging kan echter niet worden toegepast ten aanzien van een
                    belanghebbende op wie artikel 3 lid 2 van deze verordening van toepassing is.
                    Dit volgt uit artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB waarin is bepaald dat jegens een
                    belanghebbende niet tegelijkertijd een schoolverlatersverlaging en een verlaging
                    voor een alleenstaand van 21 of 22 jaar mag worden toegepast.</al><al>Bij toepassing van de verlaging voor schoolverlaters is het volgende van belang.
                    Om de verlaging te kunnen toepassen moet voldaan zijn aan de voorwaarde dat voor
                    het onderwijs of beroepsopleiding recht bestond op studiefinanciering op grond
                    van de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF 2000) of op een tegemoetkoming in
                    de studiekosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming
                    onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS).</al><al>Van belang is dat de belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op
                    studiefinanciering en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in theorie
                    recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit
                    de toelichting op artikel 28 WWB. Daarnaast is van belang dat de belanghebbende
                    zijn recht op studiefinanciering ontleent aan de WSF 2000 of de WTOS. Een
                    extraneus valt niet onder de WSF 2000. Daarvoor is inschrijving als student
                    vereist. Een voormalig extraneus is dus geen schoolverlater in de zin van
                    artikel 28 WWB.</al><tussenkop>Gelijktijdig korting ontbreken woonkosten en schoolverlaters en korting
                    21 en 22 jarigen</tussenkop><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden
                    toegepast, wordt voldaan door de formulering van artikel 6 lid 2.</al><tussenkop>Artikel 7 Anti-cumulatie bepaling</tussenkop><al>De verlagingen in de Toeslagen verordening zien op verschillende omstandigheden
                    en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt. Zonder een
                    anti-cumulatie bepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het college de
                    bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag moet
                    vaststellen, dat feitelijk geen sprake meer is van een toereikende uitkering.
                    Het college zou de bijstand vervolgens op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten
                    vaststellen.</al><al>Er is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag
                    vast te leggen waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele
                    toeslag en verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij samenloop
                    ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde
                    percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te gaan,
                    gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.</al><tussenkop>Artikel 8 Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 9 Overgangsrecht</tussenkop><al>Voor een beperkte groep bijstandsgerechtigden blijft de oude
                    Toeslagenverordening nog van kracht tot uiterlijk 1 januari 2013. Het gaat
                    hierbij om mensen voor wie toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een
                    hogere uitkering leidt .</al><al>Op grond van artikel 78w WWB blijven de oude gezinsbegrippen nog op hen van
                    toepassing tot uiterlijk 1 januari 2013. Dit is terug te vinden in Staatsblad
                    2012 322 /Wet van 12 juli 2012 tot wijziging van de Wet werk en bijstand in
                    verband met de herziening van de definities van gezin en middelen (Wet
                    afschaffing huishoudinkomenstoets).</al><al>Voor de groep bijstandsgerechtigden die op grond van medebewoning een andere
                    toeslag ontvangen geldt een overgangsregeling tot 1 juli 2013.</al><tussenkop>Artikel 10 Inwerkingtreding en inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening vervangt de `Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente
                    Lingewaard 2012 en treedt in werking met ingang van de dag na publicatie.</al><tussenkop>Artikel 11 Citeerartikel</tussenkop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als de </al><al>Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB gemeente Lingewaard 2012A.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>