<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR25634_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Tilburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2007, 07</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Maatschappelijke Ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-03-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-03-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 2.4, 7.3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2007/048</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg (Besluit Wmo Tilburg), waarin nadere regels opgenomen zijn over de uitvoering van deze verordening</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Tilburg;</al><al/><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;</al><al>gelet op artikel 5 van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo)</al><al/><al>Besluit:</al><al/><al>vast te stellen de 'Verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning' gemeente Tilburg ingaande per 1 januari 2007.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning.</al></li><li nr="b."><al>Compensatiebeginsel: de verplichting aan het gemeentebestuur om
                                    personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                    gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige
                                    uitgangspositie te verschaffen ten opzichte van mensen zonder
                                    beperkingen, zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot
                                    maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="c."><al>Beperkingen: moeilijkheden die een persoon heeft met het
                                    uitvoeren van activiteiten.</al></li><li nr="d."><al>Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte
                                    of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale
                                    problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren
                                    van activiteiten op het gebied van het voeren van het
                                    huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden.</al></li><li nr="e."><al>Mantelzorger: een persoon, die mantelzorg verleent als bedoeld
                                    in artikel 1, lid 1, onder b. van de wet.</al></li><li nr="f."><al>Zelfredzaamheid: het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of
                                    financiële vermogen om voorzieningen te treffen die deelname aan
                                    het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken.</al></li><li nr="g."><al>Maatschappelijke participatie: normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten het voeren van een
                                    huishouden, het normale gebruik van de woning; het zich in en om
                                    de woning verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                    aansluiting wordt gevonden bij regionale, bovenregionale en
                                    landelijke vervoersystemen; het ontmoeten van andere mensen en
                                    het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die
                                    manier deel te nemen aan het lokale maatschappelijke leven.</al></li><li nr="h."><al>Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het
                                    college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage,
                                    die bij de verstrekking van een voorziening in natura en een
                                    persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage), of van een
                                    financiële tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet
                                    worden en waarop de regels van het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning van toepassing zijn.</al></li><li nr="i."><al>Voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in
                                    bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt.</al></li><li nr="j."><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager een
                                    of meer aan hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en
                                    waarop de in deze verordening en het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Tilburg te stellen regels van toepassing
                                    zijn.</al></li><li nr="k."><al>Financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="l."><al>Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot
                                    het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon
                                    als de aanvrager behorend. </al></li><li nr="m."><al>Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen
                                    voorziening, voorzover dit deel van de kosten uitgaat boven voor
                                    die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van
                                    een dergelijke voorziening.</al></li><li nr="n."><al>Besparingsbijdrage: Besparingsbijdrage: een door de aanvrager te
                                    betalen bijdrage, gelijk aan het bedrag dat ten gevolge van de
                                    verstrekking van een voorziening door de aanvrager wordt
                                    bespaard omdat deze verstrekte voorziening een algemeen
                                    gebruikelijke voorziening vervangt of kan vervangen.</al></li><li nr="o."><al>Huisgenoot: iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                    gemeenschappelijk een huishouden voert.</al></li><li nr="p."><al>Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een
                                    persoonsgebonden budget is toegekend en die aan het college
                                    verantwoording over de besteding van het persoonsgebonden budget
                                    verschuldigd is.</al></li><li nr="q."><al>Besluit maatschappelijkeondersteuning gemeente</al><al>Tilburg: het door het college op grond van deze verordening
                                    vastgestelde besluit waarin nadere regels opgenomen worden over
                                    de uitvoering van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>indien de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                        Tilburg;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt;</al></li><li nr="d."><al>indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder krachtens deze, dan wel krachtens de aan
                                        deze verordening voorafgaande Verordening voorzieningen
                                        gehandicapten of op grond van de Regeling Geldelijke Steun
                                        Huisvesting Gehandicapten is verstrekt en de normale
                                        afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet is
                                        verstreken, tenzij de eerder vergoede of versterkte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.</nr><titel>Keuzevrijheid.</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming of als persoonsgebonden budget. </al><al>Het college stelt vast in welke situaties de bij wet verplichte keuze
                            tussen een voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet
                            wordt geboden aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Tilburg neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Bij de verstrekking van een voorziening in natura is de verkrijger
                            gehouden de voorwaarden in acht te nemen, die gelden op grond van de
                            bruikleen-overeenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            die is gesloten tussen de leverancier en de aanvrager resp. de gemeente
                            en de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.</nr><titel>Financiële tegemoetkoming.</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Tilburg in de beschikking opgenomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget.</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                    wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstekt ten
                                            aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de
                                            tegenwaarde van de in de betreffende situatie goedkoopst
                                            adequate te verstrekken voorziening in natura, indien
                                            nodig aangevuld met een vergoeding voor
                                            instandhoudingskosten, zoals vastgelegd in het Besluit
                                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                            vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het
                                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                            Tilburg;</al></li><li nr="d."><al>bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget is
                                            de verkrijger gehouden de voorwaarden in acht te nemen,
                                            die gelden op grond van de Overeenkomst persoonsgebonden
                                            budget gemeente Tilburg die is gesloten tussen de
                                            gemeente en de aanvrager.</al></li><li nr="e."><al>een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden
                                            budget kan, zodra deze voorziening niet meer gebruikt
                                            wordt, onder verrekening van eventueel ingebrachte eigen
                                            middelen, door het college worden opgehaald en voor
                                            herverstrekking beschikbaar gesteld.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In een beschikking tot toekenning van een persoonsgebonden
                                    budget worden de omvang en de looptijd ervan vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beschikking wordt een program van eisen verstrekt waarin
                                    aangegeven is aan welke vereisten de met het persoonsgebonden
                                    budget te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></li><li nr="4."><al>Na verzending van de beschikking wordt het persoonsgebonden
                                    budget ter beschikking gesteld door storting op de rekening van
                                    de aanvrager.</al></li><li nr="5."><al>Na aanschaf van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden
                                    budget verstrekt is, dan wel na afloop van de periode waarop het
                                    persoonsgebonden budget van toepassing is, wordt aan het college
                                    door de budgethouder, voor zover van toepassing, verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;</al></li><li nr="b."><al>een betalingsbewijs van de aangeschafte
                                            voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie;</al><al>volgens de voorschriften zoals door het college in het
                                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg
                                            opgenomen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Na ontvangst van de in het vorige lid genoemde bescheiden wordt
                                    door het college beoordeeld of er aanleiding bestaat het
                                    persoonsgebonden budget geheel of ten dele terug te vorderen of
                                    te verrekenen. </al></li><li nr="7."><al>Het college kan in overleg met de accountant van de gemeente de
                                    volledige controle als bedoeld in lid 5 ten aanzien van een of
                                    meer voorzieningen vervangen door een steekproefsgewijze
                                    controle.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel.</titel></kop><al>Bij het verstrekken van individuele voorzieningen op grond van de wet is
                            de aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of wordt de financiële
                            tegemoetkoming afgestemd op het inkomen. Het college legt in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg de omvang van deze eigen
                            inbreng vast.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit hulp bij het huishouden in natura of een
                            persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Het recht op hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g. onderdeel 4,
                            5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1 vermelde voorziening in
                            aanmerking worden gebracht indien </al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek of</al></li><li nr="b."><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al></li></lijst><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                            maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Gebruikelijke zorg.</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon als
                            bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de
                            wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de
                            leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten
                            behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Omvang van de hulp bij het huishouden.</titel></kop><al>De omvang van de voorziening huishoudelijke verzorging wordt uitgedrukt
                            in klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende uren
                            kunnen worden toegekend:</al><al>Klasse 1, 0 tot en met 1,9 uur per week;</al><al>Klasse 2, 2 tot en met 3,9 uur per week;</al><al>Klasse 3, 4 tot en met 6,9 uur per week;</al><al>Klasse 4, 7 tot en met 9,9 uur per week;</al><al>Klasse 5, 10 tot en met 12,9 uur per week;</al><al>Klasse 6, 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget.</titel></kop><al>De bedragen die per klasse in de vorm van een persoonsgebonden budget
                            worden verstrekt, worden jaarlijks door het college vastgesteld en
                            vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Tilburg.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden, te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen.</titel></kop><al>De in artikel 4.1 onder b., c. en d. genoemde voorzieningen kunnen
                            bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet bouwkundige of niet woontechnische
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Het recht op een woonvoorziening (primaat van de
                                verhuizing)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.2 onder a. in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare
                                beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale gebruik van
                                de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.2 onder b. en c. in aanmerking worden gebracht wanneer de in het
                                eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk is of niet de
                                goedkoopst adequate voorziening is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.2, onder d. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van
                                een op basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of
                                gebrek aanwezige gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag tot
                                gevolg waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een
                                situatie waarin deze persoon tot rust kan komen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het primaat van de verhuizing als bedoeld in lid 1 wordt
                                afgezien, indien de noodzakelijke aanpassingskosten beneden een
                                bedrag liggen, dat is opgenomen in het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Tilburg.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een persoon, die in aanmerking komt voor een
                                verhuiskostenvergoeding, maar besluit niet te verhuizen en op eigen
                                kosten zijn woning adequaat aan te passen, kan voor een financiële
                                tegemoetkoming in aanmerking komen, die gelijk is aan het bedrag dat
                                bedoeld wordt in lid 4.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Primaat van de losse woonunit.</titel></kop><al>Indien een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            een aanzienlijke verbouwing van een woning die niet het eigendom is van
                            een verhuurder die bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen van personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken indien daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Uitsluitingen.</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters,
                            AWBZ-instellingen inclusief verzorgingshuizen, tweede woningen,
                            vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op
                            gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft
                            voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij
                            nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen
                            kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Hoofdverblijf.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de aanvrager zijn
                                hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de
                                voorziening wordt getroffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in het eerste lid kan een
                                woonvoorziening getroffen worden voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-instelling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanvraag voor het bezoekbaar maken wordt ingediend in de gemeente
                                waar de aan te passen woning staat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het tweede lid bedoelde woonruimte met een door het college in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente vast te leggen
                                maximumbedrag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de aanvrager
                                de woonruimte, de woonkamer en een toilet kan bereiken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten van
                            tijdelijke huisvesting die door de gehandicapte moeten worden gemaakt in
                            verband met het aanpassen van zijn huidige woonruimte of de nog te
                            betrekken woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Kosten van huurderving</titel></kop><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor
                            meer dan een door het college vast te stellen bedrag is aangepast op
                            grond van de Wet voorzieningen gehandicapten of op grond van het Besluit
                            Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten dan wel de Regeling
                            Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten, kan het college een
                            financiële tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in
                            verband met derving van huurinkomsten voor de duur van maximaal 6
                            maanden, waarbij de eerste maand huurderving niet voor een financiële
                            tegemoetkoming in aanmerking komt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Beperkingen.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt afgewezen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                        gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                        belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                        gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond en er
                                        geen andere belangrijke reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar
                                        beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
                                        woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is
                                        verleend door het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten anders dan automatische deuropeners, hellingbanen en
                                        extra trapleuningen, het verbreden van toegangsdeuren,,
                                        drempelhulpen of vlonders, opstelplaats voor een rolstoel
                                        bij de toegangsdeur van het woongebouw, de aanleg van een
                                        traplift, overige voorzieningen die door de gehandicapte
                                        noodzakelijkerwijs gebruikt worden om de normale
                                        woonfuncties uit te oefenen,.</al></li><li nr="d."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd
                                        is vanuit of naar een woonruime die niet geschikt is het
                                        gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een
                                        AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het
                                        verstrekken van zorg, of er in de verlaten woonruimte geen
                                        problemen met het normale gebruik van de woning zijn
                                        ondervonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de ondervonden problemen bij het normale gebruik
                                        van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen; </al></li><li nr="b."><al>voor zover de aangevraagde voorzieningen betrekking hebben
                                        op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop.</titel></kop><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening
                            heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de woning, dient bij
                            verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding
                            van de voorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het
                            college te melden. De meerwaarde van de woning dient volgens de in het
                            Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg opgenomen regel
                            worden terugbetaald<cursief>.</cursief></al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar
                                    vervoer zoals nader geregeld in het Besluit maatschappelijke
                                    ondersteuning gemeente Tilburg;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                    te besteden aan een vervoersvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Het recht op een collectieve vervoersvoorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1 onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare beperkingen op grond
                            van ziekte of gebrek het gebruik van het openbaar vervoer of het
                            bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Het primaat van het collectief vervoer</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1, onder b. en c. vermelde
                            voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1,
                                    onder a, onmogelijk maken dan wel</al></li><li nr="b."><al>een collectief systeem als bedoeld in artikel 5.1, onder a, niet
                                    aanwezig is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>Indien het inkomen van een ongehuwde persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,75 maal in het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning Tilburg voor de diverse categorieën
                            genoemde inkomensgrenzen, wordt het bezit van een personenauto algemeen
                            gebruikelijk geacht, zodat een auto of een met een auto vergelijkbare
                            voorziening en de daarmee samenhangende gebruiks- en onderhoudskosten
                            niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Omvang in gebied</titel></kop><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                            vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                            uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon-
                            en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een
                            uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal
                            contact, dat uitsluitend door de aanvrager zelf bezocht kan worden,
                            terwijl het bezoek voor de aanvrager noodzakelijk is om dreigende
                            vereenzaming te voorkomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Parkeervoorziening</titel></kop><al>Indien de op grond van artikel 5.3 verstrekte voorziening bestaat uit
                            een persoonsgebonden budget om zelf in het vervoer te voorzien, een al
                            dan niet aangepaste bruikleenauto, een persoonsgebonden budget voor
                            aanpassing van een eigen auto, kan in aanvulling daarop een financiële
                            tegemoetkoming worden verstrekt in de kosten van:</al><lijst><li nr="a."><al>aanleg van een invalidenparkeerplaats aan de openbare weg;</al></li><li nr="b."><al>de invalidenparkeerkaart;</al></li><li nr="c."><al>de noodzakelijke medische keuring.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen.</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                    te besteden aan een rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een financiële tegemoetkoming te besteden aan een sportrolstoel.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Het recht op een rolstoel of sportrolstoel.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder a.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht indien
                                aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het zich
                                dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken
                                en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder b. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht indien aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek sportbeoefening zonder
                                sportrolstoel onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners.</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 6.2, lid 2 komt een persoon
                            die verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking indien hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op
                            grond van de AWBZ.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Gebruik aanvraagformulier.</titel></kop><al>Een aanvraag dient te worden ingediend door middel van een door het
                            college ter beschikking gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.</titel></kop><al>De aanvraag dient te worden ingediend bij het Loket Zorg Wonen Welzijn,
                            bij welk loket zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de wet alsook
                            aanvragen zorg inzake de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kunnen
                            worden ingediend <sup/></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip om de aanvraag te
                                        bespreken;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te betalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vraagt aan het Centrum Indicatiestelling Zorg, waaraan
                                door het college het alleenrecht is verleend te adviseren bij
                                aanvragen inzake de wet advies indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het handelt om een aanvraag een persoon betreffend die nog
                                        niet eerder een aanvraag in het kader van deze verordening
                                        heeft ingediend en het een voorziening betreft waarvan de
                                        kosten naar verwachting het bedrag als genoemd in het
                                        Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg te
                                        boven zal gaan;</al></li><li nr="b."><al>de gevraagde voorziening om medische redenen wordt
                                        afgewezen;</al></li><li nr="c."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door het college
                                aangewezen adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen
                                verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze het genomen besluit bijdraagt
                                aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de normale
                                maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                                chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal
                                probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Samenhangende afstemming.</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Tilburg regels vast omtrent de wijze waarop de verkrijging van
                            individuele voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie
                            van de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>Het college kan aan het verstrekken van een voorziening voorwaarden
                            verbinden, die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde
                            voorziening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Wijzigingen in de situatie.</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht aan het college mededeling te doen van feiten en
                            omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van
                            invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Opschorting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de belanghebbende de voor het behoud van een verleende
                                voorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde
                                bewijsstukken niet, niet tijdig of niet volledig heeft verstrekt en
                                hem dit te verwijten valt dan wel indien de belanghebbende
                                anderszins onvoldoende medewerking verleend aan het onderzoek schort
                                het college het recht op de voorziening op vanaf de dag van het
                                verzuim. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college doet mededeling van de opschorting aan de belanghebbende
                                en nodigen hem uit binnen een door hen te stellen termijn het
                                verzuim te herstellen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de belanghebbende het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor
                                de daarvoor gestelde termijn, beëindigt het college na het
                                verstrijken van deze termijn de voorziening met ingang van de eerste
                                dag waarover het recht op de voorziening is opgeschort. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college
                                besluiten geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Intrekking van een voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een beschikking, genomen op grond van deze
                                verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beschikt is en gebleken is dat de
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of
                                een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat
                                de tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling
                                niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al><lijst><li nr="b."><al>In afwijking van het tweede lid onder a kan een besluit tot
                                        verlening van een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en
                                        inrichtingskosten worden ingetrokken, indien blijkt dat de
                                        belanghebbende 2 jaar na de toekenning niet daadwerkelijk is
                                        verhuisd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In de in de leden 1 en 2 onder a bedoelde gevallen dient de
                                verstrekte voorziening te worden gerestitueerd binnen 6 weken nadat
                                de intrekkingsbesluit aan betrokkene is meegedeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.9</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval een voorziening is ingetrokken kan een basis daarvan reeds
                                uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget
                                worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd indien de
                                voorziening is verleend op basis van valselijk verstrekte
                                gegevens.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Hardheidsclausule.</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van
                            de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Vaststellen Besluit</titel></kop><al>Het college is bevoegd het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Tilburg (Besluit Wmo Tilburg) vast te stellen waarin nadere
                            regels opgenomen worden over de uitvoering van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Indexering.</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende Besluit Wet
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg geldende bedragen
                            verhogen of verlagen conform de ontwikkelingen van de prijsindex volgens
                            het Centraal Bureau voor de Statistiek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Evaluatie.</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 4 jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze
                            verordening aangepast. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad een
                            verslag over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening
                            in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Inwerkingtreding.</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.6</nr><titel>Citeertitel.</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg 2007 (Verordening Wmo
                            2007).</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                        ondersteuning</titel></kop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Het op 27 mei 2005 ingediende wetsvoorstel 30131 “Nieuwe regels betreffende
                    maatschappelijke ondersteuning”, de Wet maatschappelijke ondersteuning, is op 14
                    februari 2006 in de Tweede Kamer aangenomen. Aan de bijna unanieme stemming is
                    een behandeling voorafgegaan die het oorspronkelijke wetsvoorstel een ander
                    aanzicht heeft gegeven. De consequenties hiervan zijn niet direct te overzien:
                    ook de Wet maatschappelijke ondersteuning is een wet die verdere invulling
                    behoeft en uiteindelijk door jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. </al><al>Bij de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna genoemd Wmo) is dan bovendien
                    nog sprake van het gegeven dat het kernbegrip van de wet, het zogenaamde
                    compensatiebeginsel, bij amendement aan de wet is toegevoegd. Daardoor ontbreekt
                    een begripsomschrijving van dit cruciale begrip. Het gevolg hiervan is dat de
                    toelichting op het amendement uitgangspunt is voor de vormgeving van dit
                    compensatiebeginsel.</al><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan
                    de in de Wet maatschappelijke ondersteuning gegeven opdracht regels te stellen
                    bij verordening. </al><al>In deze verordening is vorm gegeven aan het compensatiebeginsel zonder de regels
                    van de Wet voorzieningen gehandicapten en de regels rond de functie
                    huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)
                    geheel los te laten. Dit is van belang om niet een vacuüm te laten ontstaan. Het
                    overgangsrecht zoals geregeld in de Wmo biedt immers aan bestaande cliënten
                    maximaal één jaar het behoud van de oude rechten op grond van de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten of de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg).</al><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 5, 6, 15, 19
                    en 26 Wmo.</al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en
                    de Wvg bij elkaar. Voorzieningen uit de Welzijnswet worden als voorliggende
                    voorzieningen aangeboden en worden daarom niet in deze modelverordening
                    opgenomen. Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg. </al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en de Zorg. In hun briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><al>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                    beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                    compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                    beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van
                    de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te
                    bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar
                    mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet
                    het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een inkomenstoets te
                    koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat, is dit te
                    rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld te worden.In
                    het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de voorkeur van de
                    Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de Wmo, zodat de
                    wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de Wmo een
                    Welzijnswet bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                    worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en
                    bedoeld voor iedere ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele
                    beperkingen. Voor deze voorzieningen acht de Raad h et niet gewenst een
                    wettelijke aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking
                    op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de
                    uitvoering. Op het tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak
                    (bijvoorbeeld vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend
                    (bijvoorbeeld openbaar vervoer).Door de aanspraak op ondersteuning niet te
                    verankeren in een verplichting om bepaalde met name te noemen voorzieningen te
                    verstrekken (zorgplicht), maar te omschrijven in termen van het te bereiken
                    resultaat (compensatieplicht), kan onzekerheid ontstaan over wat nu precies als
                    recht geldt. Om die reden is het volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf
                    op te nemen wanneer sprake is van een gelijkwaardige uitgangspositie van
                    burgers. Dat is immers het resultaat waarop de gemeente, ook in rechte, kan
                    worden aangesproken. Dit betekent dat geoperationaliseerd moet worden wat de
                    termen ‘zelfredzaamheid’ en ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke
                    activiteiten moet iemand daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?Door het te
                    bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te nemen is het volgens
                    de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te nemen voor de
                    indicatiestelling.”</al><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in met
                    name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel ertoe
                    de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de
                    zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te
                    verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan
                    het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                    mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in
                    ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik
                    van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig
                    kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale,
                    bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere
                    mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te
                    kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de
                    gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                    Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.De opdracht om compenserende voorzieningen
                    te treffen wordt met dit artikel bij wet gegeven. De normering ervan wordt
                    overeenkomstig de bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald
                    met inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale
                    beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”</al><al/><al>Omdat er geen omschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het amendement
                    is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen, in artikel
                    1.1. aanhef en onder b.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen: </al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren;</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de Wvg;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan. </al><al> Collectieve voorzieningen zijn niet uitgesloten. In de verordening komt de
                    collectieve voorziening alleen voor in het hoofdstuk 5 Het zich lokaal
                    verplaatsen per vervoermiddel. </al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</tussenkop><tussenkop>1.1 Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Ad a. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning;</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><tussenkop>Ad b. Compensatiebeginsel</tussenkop><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65)
                    aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving
                    van dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                    begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                    Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                    verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies
                    van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het
                    compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is
                    gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft
                    de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel
                    “aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel
                    1, lid 1, onder a. van de Wvg.</al><tussenkop>Ad c. Beperkingen</tussenkop><al>De term “beperkingen” is ontleend aan de ICF, de International Classification of
                    Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                    Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de Verenigde
                    Naties). Het onder de toelichting op onderdeel 1.2 van dit artikel genoemde
                    amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><tussenkop>Ad d. Persoon met beperkingen</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de begripsomschrijving van “beperkingen” en van de verschillende terreinen
                    waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen worden verstrekt. Daarnaast is
                    vanuit de Wet voorzieningen gehandicapten het onderdeel “aantoonbare beperkingen
                    ten gevolge van ziekte of gebrek” toegevoegd. Mede in verband met de begrenzing
                    van de doelgroep zal immers een objectief criterium nodig zijn. Hierdoor blijft
                    jurisprudentie op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten ten aanzien van
                    dit onderdeel op dit begrip van toepassing. </al><tussenkop>Ad. e. Mantelzorger</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “ mantelzorger” is ontleend aan de
                    begripsomschrijving van “mantelzorg” in de wet (artikel 1, lid 1 onder b, van de
                    wet. </al><tussenkop>Ad f. Zelfredzaamheid</tussenkop><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><tussenkop>Ad g. Maatschappelijke participatie</tussenkop><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f. genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan
                    de wet heeft toegevoegd.</al><tussenkop>Ad h. Eigen bijdrage of eigen aandeel</tussenkop><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 en artikel 19, lid
                    1 van de wet. Bij Algemene Maatregel van Bestuur, het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning, zijn nadere regels gesteld. In dit Besluit wordt bepaald welke
                    ruimte het gemeentebestuur heeft voor het vaststellen van eigen bijdragen, als
                    ze daartoe willen overgaan.</al><tussenkop>Ad i. Voorziening in natura</tussenkop><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van
                    dienstverlening.</al><tussenkop>Ad j. Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder, door het college
                    bepaalde voorwaarden, mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg.</al><tussenkop>Ad k. Financiële tegemoetkoming</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet persé een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><tussenkop>Ad l. Algemeen gebruikelijk</tussenkop><al>Evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten het geval was, is het ook onder
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke
                    overheid voorzieningen verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele
                    situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                    voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete
                    situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende
                    maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen
                    gebruikelijk” is geconcretiseerd in de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep. Het begrip heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen
                    gebruikelijke voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden
                    aangeschaft, maar vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed
                    worden. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is
                    de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                    gaat daarbij om voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder p. </al><tussenkop>Ad m. Meerkosten</tussenkop><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel 1,
                    lid 1, onder g. achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de aanvrager
                    vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale probleem heeft
                    deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens situatie geen
                    noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de kosten die voor
                    een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is de wet
                    gericht.</al><tussenkop>Ad n. Besparingsbijdrage</tussenkop><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waar een algemeen gebruikelijk deel
                    onderdeel van uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is
                    algemeen gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets
                    meer te kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen
                    algemeen gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien
                    verstrekking binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie
                    van de aanvrager het bedrag dat bespaard wordt, gevraagd worden als
                    besparingsbijdrage. Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat
                    de regels daaromtrent niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Ad o. Huisgenoot</tussenkop><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke
                    zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling
                    Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling
                    voor huishoudelijke zorg. Het is op een enkel punt aangepast om te voorkomen dat
                    problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet overgaan. In
                    plaats van ‘volwassenen’ de term ‘meerderjarigen’ opgenomen. </al><tussenkop>Ad p. Budgethouder</tussenkop><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het begrip
                    “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de beschikking
                    krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook verantwoording af dient
                    te leggen.</al><tussenkop>Ad q. Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg: </tussenkop><al>In de verordening is (evenals in de verordening van de V.N.G.) gekozen voor een
                    systeem, waarbij de raad het vaststellen van het Besluit binnen de grenzen van
                    deze verordening delegeert aan het college. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om
                    snel en flexibel in te spelen op ontwikkelingen (jurisprudentie, prijzen,
                    e.d.).</al><tussenkop>Artikel 1.2 Beperkingen</tussenkop><tussenkop>Ad a. Langdurig noodzakelijk</tussenkop><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de modelverordening Wet
                    voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk
                    is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan
                    om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                    verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking
                    bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde
                    situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap
                    op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen
                    verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. </al><al> In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de
                    betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal
                    kunnen functioneren, dan mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een
                    wisselend beeld, waarbij periodes van verbetering in de toestand periodes van
                    terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De
                    medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet sprake is
                    van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol.
                    Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft,
                    bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van
                    voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening in het kader van deze
                    verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een beroep doen op de
                    hulpmiddelendepots van de Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader
                    van de AWBZ. Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel
                    gratis lenen, welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is
                    verschuldigd. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van
                    situatie tot situatie verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><tussenkop>Ad b. Goedkoopst adequaat</tussenkop><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Bij de beoordeling van het
                    adequaat zijn van een voorziening weegt mee of de aanvrager een voorziening
                    adequaat vindt. Maar ook het goedkoop zijn (de kosten) van de voorziening is een
                    criterium dat een rol speelt bij de uiteindelijke beoordeling van het al dan
                    niet adequaat zijn van een voorziening. Het gaat immers om gemeenschapsgeld.
                    Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer
                    adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen.
                    Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het
                    denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer
                    meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau
                    waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een
                    verantwoordniveau dient te worden aangesloten, maar ook niet meer dan dat.</al><al>Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die
                    duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is
                    het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat
                    geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al><tussenkop>Ad c. Op het individu gericht</tussenkop><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                    aanvraag voor een voorziening op grond van de wet. </al><tussenkop>Artikel 1.2 lid 2.</tussenkop><tussenkop>Ad a. Algemeen gebruikelijk</tussenkop><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de
                    aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen
                    beschikken. Deze voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Dit beginsel
                    wordt al tientallen jaren tijd gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid. Die
                    jurisprudentie is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is
                    opgenomen in artikel 1.1, onder n. van deze verordening. Wat in een concreet
                    geval algemeen gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de
                    gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de financiële situatie van de aanvrager
                    een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de
                    aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten die hij vanwege zijn beperking heeft -, onder
                    het in diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><tussenkop>Ad b. Woonachtig in de gemeente</tussenkop><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen
                    gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de
                    compensatieplicht zich beperkt tot personen die in de gemeente woonachtig zijn,
                    hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen. Deze bepaling is in de
                    verordening opgenomen om te voorkomen dat er bij de gemeente aanvragen
                    binnenkomen van personen die niet in de gemeente woonachtig zijn.</al><tussenkop> Ad c. en d. Weigeringsgronden</tussenkop><al>In artikel 1.2 lid 2, onder c. en d. geeft de verordening een tweetal gronden
                    voor weigering aan. Onder c. wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het college een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Met deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het college kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het college een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de aanvrager tot verhuizen overgaan. Met deze voorwaarde wordt
                    tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de aanvrager reeds is verhuisd,
                    met een claim voor een verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde
                    gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de
                    woning anders aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. </al><al> In deze of andere urgente gevallen is het verkrijgen van toestemming van het
                    college ook voldoende. Maar in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan
                    de verhuizing schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het
                    hoeft hier uiteraard niet te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een
                    situatie waarin men bepaalde onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel
                    voorafgaan aan een verhuizing, zoals het sluiten van een koop-, huur- of
                    erfpachtovereenkomst inzake de te betrekken woning. </al><al>Onder d. wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden,
                    als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft
                    plaatsgehad, terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is
                    gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                    indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor
                    het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Vorm van te verstrekken individuele
                    voorzieningen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.1. Keuzevrijheid.</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorzieningen de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget
                    en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren
                    bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget.
                    Het college kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken.</al><tussenkop>Artikel 2.2. Voorziening in natura</tussenkop><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    college en de aanvrager. </al><al>Deze bepaling ziet op de eerste plaats op de situatie waarin het college een
                    derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde
                    eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het college een
                    derde inschakelt voor het verlenen van zorg.</al><al>De bepaling ziet echter ook op de situatie waarin het college eigenaar blijft
                    van de verstrekte naturavoorziening of het college de zorg in natura zelf
                    geregeld heeft. Artikel 10 van de wet stelt weliswaar dat het verlenen vaan
                    maatschappelijke ondersteuning zo veel mogelijk aan derden moet worden
                    overgelaten, maar als dat redelijkerwijs niet mogelijk is kan gekozen worden
                    voor het door de gemeente zelf verlenen van de maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><al>In de beschikking die de aanvrager krijgt, wordt de voorwaarde opgenomen, dat de
                    aanvrager zich moet houden aan de privaatrechtelijke overeenkomst, die voor het
                    middel geldt en die de aanvrager moet ondertekenen. Als de aanvrager zich niet
                    aan de overeenkomst houdt of niet wil tekenen, kan de publiekrechtelijke
                    toekenning worden ingetrokken. </al><tussenkop>Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming.</tussenkop><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed aan
                    een noodzakelijke voorziening en niet aan zaken die los staan van de doelen die
                    met de wet worden beoogd, kunnen bij beschikking voorwaarden worden verbonden
                    aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet. Deze bepaling,
                    die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit hoofdstuk 7 van deze
                    verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al><tussenkop>Artikel 2.4. Persoonsgebonden budget.</tussenkop><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a., van dit
                    artikel genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling
                    in artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een persoonsgebonden budget
                    moet worden geboden. Voor collectief vervoer geldt deze eis niet.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de in de te verstrekken goedkoopst adequate voorziening.
                    Er moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                    worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar
                    referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld om de
                    voorziening in stand te houden. Voor de diverse soorten voorzieningen zal een
                    nadere regeling moeten worden gegeven in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Tilburg, dat door het college moet worden vastgesteld.
                    Lid 1, onder c. bepaalt dat het college de omvang van een persoonsgebonden
                    budget bepaalt. Het zal immers gaan om een veelheid van verschillende
                    persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen. Ter bevordering van
                    de rechtsgelijkheid, zijn daarbij eenduidige richtlijnen noodzakelijk. Invulling
                    van deze richtlijnen vindt plaats in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Tilburg en de beleidsregels. </al><al>Verder is onder d. bepaald dat er, om misverstanden zoveel mogelijk te
                    voorkomen, een overeenkomst wordt getekend omtrent de voorwaarden waaronder het
                    persoonsgebonden budget wordt verstrekt. </al><al>Onder e is bepaald dat indien een persoonsgebonden budget gebruikt is om een
                    voorziening aan te schaffen en deze voorziening niet meer gebruikt wordt, omdat
                    hij niet meer nodig is, omdat het gebruik niet meer mogelijk is of door
                    overlijden van de gebruiker, de voorziening door het college teruggehaald kan
                    worden. De voorziening is immers met gemeenschapsgeld aangeschaft en het kan
                    niet de bedoeling zijn dat de opbrengst van de voorziening ten gunste komt van
                    de gebruiker. Door de voorziening terug te halen is het college in staat tot
                    herverstrekking van deze voorziening, waardoor het gemeenschapsgeld optimaal
                    wordt gebruikt.</al><al>De budgethouder is verplicht meldingen over niet meer gebruiken van
                    voorzieningen aan het college te verstrekken. Deze plicht vloeit voort uit
                    artikel 34 van deze verordening. </al><al>Uiteraard worden extra eigen middelen, door de budgethouder besteed bij de
                    aanschaf van de voorziening, op afschrijvingsbasis, terugbetaald.</al><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>In lid 3 is neergelegd de algemene eis dat er een program van eisen wordt
                    vastgesteld, waarin wordt aangegeven aan welke eisen de met het persoonsgebonden
                    budget te verwerven voorziening moet voldoen. Het program van eisen is dus een
                    belangrijk document; als niet aan het program van eisen wordt voldaan kan dat
                    gevolgen hebben voor de afrekening van het toegekende budget. </al><al>Lid 4 regelt tenslotte de feitelijke betaling van het persoonsgebonden budget.
                    Over de wijze waarop de betaling plaatsvindt kunnen door het college nadere
                    regels worden gesteld. Gedacht kan worden aan betaling in termijnen,
                    bijvoorbeeld bij hulp bij de huishouding of in situaties waarin er twijfels zijn
                    over het budgetbeheer. Zo kunnen financiële risico’s voor de gemeente worden
                    beperkt en worden aanvragers minder snel geconfronteerd met hoge
                    terugvorderingsbedragen.</al><al>Het college is zelf verantwoordelijk voor de rechtmatige en doelmatige besteding
                    van gelden op grond van de wet en heeft ook zelf de bevoegdheid om vast te
                    stellen in hoeverre er wordt gecontroleerd of aanvragers hun persoonsgebonden
                    budget besteden conform de toekenningsvoorwaarden. Het is dus aan de raad en het
                    college om in de verordening en beleidsregels te bepalen hoe die controle
                    plaatsvindt en daarbij de afweging te maken tussen volledige controle en
                    steekproefsgewijze controle.</al><al>In lid 5 is vastgelegd dat in beginsel volledige controle plaatsvindt. Het
                    college kan in overleg met de accountant van de gemeente de volledige controle
                    ten aanzien van een bepaalde verstrekking vervangen door een steekproefsgewijze
                    controle (lid 7). </al><al>Afhankelijk van de vraag waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld en de
                    wijze waarop de noodzakelijke voorziening is verkregen, worden bewijsstukken
                    opgevraagd bij de budgethouder. De onder a. bedoelde factuur is nodig in
                    situaties waarin voorzieningen zijn aangeschaft bij een leverancier,
                    bijvoorbeeld een rolstoel of een scootermobiel. Onder b. is een betalingsbewijs
                    genoemd, dat kan van belang zijn in situaties waarin er geen nota is,
                    bijvoorbeeld bij een tweedehands aankoop bij een particulier of uitbetaling aan
                    een dienstverlener, bijvoorbeeld iemand die hulp bij het huishouden heeft
                    verleend. Onder c. is genoemd een salarisadministratie; die kan noodzakelijk
                    zijn in situaties waarin men iemand in dienst heeft genomen voor het verrichten
                    van hulp bij het huishouden. Mocht uit de controle blijken dat er aanleiding is
                    het toegekende persoonsgebonden budget van de budgethouder terug te vorderen,
                    dan dient de in hoofdstuk 7 genoemde procedure te worden gevolgd. </al><tussenkop>Artikel 2.5 Eigen bijdragen en eigen aandeel. </tussenkop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget een eigen bijdrage te vragen. </al><al>Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële
                    tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie
                    maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel. </al><al>In dit artikel stelt de raad vast van deze mogelijkheid gebruik te maken.
                    Bovendien wordt bepaald dat de wijze waarop dit wordt uitgevoerd door het
                    college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg wordt
                    vastgelegd. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Hulp bij het huishouden.</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1 Vormen van hulp bij het huishouden. </tussenkop><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen aan
                    te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht. </al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een eigen begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan worden verstrekt in natura en als persoonsgebonden
                    budget.</al><tussenkop>Artikel 3.2 Het recht op hulp bij het huishouden.</tussenkop><al>In artikel 3.2, wordt geregeld onder welke basisvoorwaarden men gebruik kan
                    maken van hulp bij het huishouden. In aanmerking komen in eerste instantie
                    personen met een aantoonbare beperking ten gevolge van ziekte of gebrek. Verder
                    komen in aanmerking mantelzorgers in het kader van de zogenaamde respijtzorg.
                    Het is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het huishouden van de
                    mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het huishouden van degene die
                    de mantelzorg ontvangt is wel degelijk mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 3.3 Gebruikelijke zorg.</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al onder de
                    AWBZ-indicatiestelling in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de
                    vorige eeuw. Voorzover de ondervonden problemen door middel van dergelijke
                    gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het
                    huishouden. In de door het college vast te stellen beleidsregels wordt bepaald
                    hoe er rekening wordt gehouden met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van
                    een aanspraak op een voorziening voor hulp bij het huishouden.</al><tussenkop>Artikel 3.4 Omvang van de hulp bij het huishouden.</tussenkop><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en
                    een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men
                    bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in
                    klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins stijgen of dalen
                    binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw
                    geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een administratief
                    voordeel, voor aanvragers ook. Materieel kan het voor aanvragers binnen de
                    speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of positief uitpakken,
                    afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren zorg. Als die zorgbehoefte,
                    uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte bevindt, is men voordelig uit;
                    is de behoefte aan uren gelegen vlak onder het plafond van de klasse, dan is het
                    nadelig. Zolang de objectief vastgestelde behoefte echter binnen de bandbreedte
                    blijft, is er sprake van een toereikende voorziening. Voorzover hulp bij de
                    huishouding nodig is die klasse 6 overstijgt is het mogelijk additionele uren
                    aan deze hoogste klasse toe te voegen. In het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Tilburg wordt door het college jaarlijks het daarbij
                    passende uurbedrag vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 3.5. Omvang van het persoonsgebonden budget.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op artikel 3.4. Jaarlijkse
                    vastlegging houdt verband met prijsindexering, zoals genoemd in hoofdstuk 8 van
                    de verordening.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1 Woonvoorzieningen.</tussenkop><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>Ad a. een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in
                    de vorm van financiële tegemoetkoming verstrekt, bijvoorbeeld de losse tillift,
                    een douchestoel, een traplift;</al><al>Ad b. het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld voor een woningaanpassing in het
                    geval de aanvrager zelf eigenaar is van de woning;</al><al>Ad c. de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die niet zelf huren en
                    soms ook rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming wordt genoemd in
                    artikel 7 lid 2 van de wet.</al><al>Ook andere woonvoorzieningen kunnen in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                    worden verleend, bijv de financiële tegemoetkoming voor verhuis- en
                    inrichtingskosten wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming verstrekt.
                    Het gaat om een tegemoetkoming in de kosten. De gemeente wil niet alle kosten
                    van verhuizen en inrichten vergoeden. Daarom is ook niet gekozen voor een Pgb.
                    Dan zou immers artikel 6, lid 1,onder b van toepassing zijn (de tegenwaarde van
                    voorziening in natura). </al><tussenkop>Artikel 4.2 Soorten woonvoorzieningen.</tussenkop><tussenkop>Ad a.:</tussenkop><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde. Het college maakt de afweging tussen
                    verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een woningaanpassing.
                    Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding is, volgens de Wvg
                    jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen bedoeld voor situaties
                    waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk verband staan met
                    bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten woning zelf.
                    Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens, overlast et cetera
                    zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo
                    goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de
                    gemeente.</al><tussenkop>Ad b en c.: </tussenkop><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. </al><al>Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw- of
                    woontechnische aard zal in de praktijk met name een persoonsgebonden budget voor
                    woningsanering i.v.m. CARA verstaan worden. Ook kan onder deze categorie worden
                    begrepen hulpmiddelen voor baden, wassen en douchenwelke niet
                    nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele patiëntenliften. Deze
                    laatste twee categorieën roerende woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van
                    een voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur,
                    zodat hergebruik mogelijk is. </al><al>Ook trapliften worden in natura (bruikleen) verstrekt,</al><tussenkop>Ad d.:</tussenkop><al>Omdat met de Wmo niet wordt beoogd om het inhoudelijke beleidsterrein ten
                    opzichte van de vervallen Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden, noch om
                    dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening opgenomen. Een
                    uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen artikel 1, lid 1,
                    onder e. van de Wet voorzieningen gehandicapten kan worden gedefinieerd als een
                    verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm
                    van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan
                    afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke voorziening derhalve, die
                    alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke
                    beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige
                    en prikkelarme ruimte.</al><tussenkop>Artikel 4.3 Het recht op een woonvoorziening (primaat van de
                    verhuizing)</tussenkop><al>Al onder de Wet voorzieningen gehandicapten gold de regel dat bij een aanvraag
                    voor een woningaanpassing eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning
                    een oplossing kon bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In
                    feite gaat het om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor
                    de goedkoopst adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het
                    primaat van de verhuizing is onder de Wet voorzieningen gehandicapten in de
                    jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele duidelijke voorwaarden zijn
                    gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële gevolgen van de verhuizing
                    voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële grenzen vallen, een eis die
                    ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet duidelijk zijn dat de oplossing
                    in de vorm van een verhuizing kan worden gerealiseerd binnen een uit het advies
                    blijkende medisch verantwoorde termijn. Dat houdt dus in dat het college zicht
                    moet hebben op de woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de
                    mogelijkheden om binnen die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen
                    naar een geschikte aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse
                    andere relevante aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke
                    beleidsregels, kunnen, afhankelijk van de situatie, een rol spelen bij de
                    afweging omtrent het toepassen van het primaat van de verhuizing in een concreet
                    geval. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Van het primaat van verhuizen wordt afgezien als de kosten van de noodzakelijke
                    aanpassingen de door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                    gemeente Tilburg vastgestelde primaatgrens niet overschrijden. In dat geval
                    wordt woningaanpassing beschouwd als de goedkoopst adequate voorziening.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>Het kan voorkomen dat het college heeft besloten dat verhuizen de goedkoopst
                    adequate voorziening is, maar dat de klant liever in zijn woning wil blijven
                    wonen. In dat geval kan de gehandicapte verzoeken om in aanmerking te komen voor
                    een financiële tegemoetkoming ter hoogte van de grens van het verhuisprimaat.
                    Het college gaat alleen tot verstrekking van de financiële tegemoetkoming over,
                    als de gehandicapte alle noodzakelijke aanpassingen, zoals die zijn opgenomen in
                    of voortvloeien uit het programma van eisen heeft aangebracht. </al><tussenkop>Artikel 4.4 Primaat van de losse woonunit.</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten konden gemeenten woningaanpassingen
                    duurder dan € 20.420,- onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie
                    van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de
                    gemeenten komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw
                    kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                    investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat
                    niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                    situaties waarin de mogelijkheid van het plaatsen van een losse woonunit
                    bestaat, wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang gegeven middels deze
                        bepaling<cursief>. </cursief></al><tussenkop>Artikel 4.5 Uitsluitingen.</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Een uitzondering zijn aanpassingen aan woonschepen en
                    binnenschepen; deze komen weinig voor en worden apart geregeld in de
                    gemeentelijk beleidsregels. </al><al>Verder worden geen woonvoorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van
                    woongebouwen voor ouderen of gehandicapten, of voorzieningen die in dergelijke
                    gebouwen, ook in de wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder
                    noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Het moet dan wel gaan om
                    gebouwen die gerealiseerd zijn vanaf 1998. . Vanaf die tijd is de gedachte van
                    het zogenaamd aanpasbaar bouwen, evenals het seniorenlabel en soortgelijke
                    labels gemeengoed geworden. Bouwen dat rekening houdt met de kenmerken van
                    ouderen en gehandicapten, mag zeker in specifiek voor deze doelgroepen bestemde
                    gebouwen, als normaal worden beschouwd. </al><tussenkop>Artikel 4.6 Hoofdverblijf.</tussenkop><al>In tegenstelling tot de Wet voorzieningen gehandicapten wordt in de wet niet
                    expliciet vermeld dat de gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de
                    inwoners van de gemeente. Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing
                    in die richting door vermelding van “ingezetenen”, mede gezien het feit dat er
                    met de wet geen inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wet voorzieningen
                    gehandicapten is beoogd. </al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of zal hebben' op te nemen
                    voor situaties waarin de aanvrager naar een andere gemeente wil verhuizen en in
                    die gemeente een woning wil laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk
                    wordt betrokken, zie ook artikel 4.9, onder b.</al><tussenkop>Lid 2, 3, 4 en 5:</tussenkop><al> Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren AWBZ-bewoners uitgesloten van
                    het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd
                    door gemeenten gemaakt voor het zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte
                    voor bezoek aan ouders of andere familieleden. Deze uitzondering is nu ook weer
                    in de verordening opgenomen. Verdere verplichtingen dan hier genoemd in de
                    verordening heeft de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar maken” wordt in de
                    verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte zelf
                    en enkele essentiële ruimten daarin, en wordt bovendien in financiële zin
                    gemaximeerd. </al><tussenkop>Artikel 4.7 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</tussenkop><al>Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de
                    gehandicapte ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten
                    worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke
                    huisvesting worden overgegaan.</al><tussenkop>Artikel 4.8 Kosten van huurderving</tussenkop><al>Door de eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming in de gederfde
                    huurinkomsten te verlenen, kan bevorderd worden dat de aangepaste woonruimte
                    beschikbaar blijft voor gehandicapten. De duur van de tegemoetkoming is maximaal
                    zes maanden.</al><al>Omdat in het algemeen in de exploitatie van woningen rekening wordt gehouden met
                    een bepaald percentage huurderving wegens leegstand, is het te verantwoorden dat
                    de verhuurder ook hier het normale risico van leegstand loopt. De eerste maand
                    dat de woning leeg staat mag dit als normaal beschouwd worden. Voor de volgende
                    zes maanden is het daarentegen niet onredelijk dat de gemeente enigszins
                    tegemoet komt in de extra risico's die een verhuurder loopt als gevolg van het
                    feit dat er sprake van een aangepaste woning. </al><tussenkop>Artikel 4.9 Beperkingen.</tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet er een duidelijke
                    samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking die men
                    heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                    factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel
                    4.9.</al><tussenkop>Artikel 4.9, lid 1</tussenkop><tussenkop>Ad a.</tussenkop><al>Onder a. wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de
                    ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties
                    waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden, maar gewoon omdat men daar
                    zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”.
                    Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of
                    het aanvaarden van werk elders.</al><tussenkop>Ad. b.</tussenkop><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 2.7, lid 1,
                    waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de betreffende
                    woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”. </al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en
                    zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed
                    moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan
                    kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn
                    situatie meest geschikte woning.</al><tussenkop>Ad c.</tussenkop><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in hoofdzaak zijn
                    gericht op het individu, worden in beginsel geen voorzieningen in
                    gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen verstrekt. Evenals onder de Wet
                    voorzieningen gehandicapten gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in de
                    verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De opsomming is
                    limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er in
                    de verordening is genoemd.</al><tussenkop>Ad d.</tussenkop><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig participeren,. Zij hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                    ook al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten
                    woning geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is
                    de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is
                    men verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                    onder de Wet voorzieningen gehandicapten geen aanspraak op woonvoorzieningen,
                    hetgeen al meermaals door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.</al><tussenkop>Artikel 4.9, lid 2</tussenkop><tussenkop>Ad a.</tussenkop><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Verordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten 2004, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen
                    voor problemen zorgen. </al><al>Vocht en tocht komen in vrijwel iedere woning voor. Het wegnemen hiervan valt
                    niet onder de zorgplicht, zoals genoemd in de wet Het opheffen van allergene
                    factoren of van andere problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de in of
                    aan de woonruimte gebruikte materialen, valt niet onder de werking van de
                    verordening. Evenmin vallen onder de werking van deze verordening de gevolgen
                    van onvoldoende onderhoud.</al><al>Dit houdt niet in dat belemmeringen die voortvloeien uit bijvoorbeeld CARA niet
                    op grond van deze wet weggenomen kunnen worden. Deze woonvoorzieningen vallen
                    onder artikel 4.2 sub c.</al><tussenkop>Ad b.</tussenkop><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet onder dit niveau. Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld
                    vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld, kan het college hierop een
                    uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete
                    situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp bij het huishouden speelt deze
                    bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd
                    vanwege het feit dat men in een veel grotere of meer luxe woning woont, geeft
                    deze bepaling een duidelijke grens aan.</al><tussenkop>Artikel 4.10 Terugbetaling bij verkoop.</tussenkop><al>De Verordening Wet voorzieningen gehandicapten bevatte een zogenaamde
                    anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze verordening terug en heeft
                    als doel de eigenaar (een deel) van de waardestijging te laten terugbetalen, die
                    het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond van de wet. De
                    datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum reeds vaststaat wat
                    de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van de aanpassing
                    is. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in een concrete
                    situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, aangezien er een afweging
                    dient plaats te vinden tussen de kosten van het effectueren van deze bepaling
                    (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten baten.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1 Vormen van te verstrekken voorzieningen.</tussenkop><tussenkop>Ad a.:</tussenkop><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet voorzieningen
                    gehandicapten heeft ontwikkeld. </al><tussenkop>Ad b.:</tussenkop><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wet voorzieningen gehandicapten. In het
                    verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een
                    bepaald soort voorziening in aanmerking komt. </al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten is
                    het persoonsgebonden budget. De vaststelling van de hoogte van het
                    persoonsgebonden budget door het college wordt in het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Tilburg uitgewerkt.</al><tussenkop>Ad c: </tussenkop><al>Voorzieningen kunnen ook worden verstrekt in de vorm van een financiële
                    tegemoetkoming.</al><tussenkop>Artikel 5.2 Het recht op een collectieve vervoersvoorziening.</tussenkop><al>Door deze formulering is bepaald dat louter de aantoonbare beperkingen van de
                    persoon in relatie tot de beperkingen van de bestaande vervoerssystemen bepalend
                    zijn voor de vraag of, en zo ja in hoeverre de aanvrager in aanmerking komt voor
                    een voorziening ter zake. </al><al>Algemeen criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een vervoermiddel is
                    het ten gevolge van een beperking niet kunnen gebruiken van het openbaar
                    vervoer. Die regel stamt uit de aan de Wet voorzieningen gehandicapten
                    voorafgaande AAW, en wordt in de praktijk beoordeeld door te kijken naar de
                    loopafstand van een aanvrager (de bekende 800-metergrens).</al><al>Doordat bijvoorbeeld de streekbus, voor iemand met een functionele beperking
                    niet toegankelijk is, heeft men recht op een vervoersvoorziening. Psychische
                    problemen (men durft niet in een drukke bus, men is bang voor de trein) zijn
                    daardoor in principe geen indicatie voor een vervoersvoorziening. Hier moet een
                    adequate voorziening getroffen worden. Deze kan wellicht beter gevonden worden
                    buiten de wet, door middel van een therapie waardoor de blokkade opgeheven kan </al><al> worden. Is in zo'n situatie de problematiek op te lossen, dan was de
                    problematiek tijdelijk en viel deze derhalve terecht niet onder de wet, bij
                    gebrek aan een langdurige noodzaak. Anders wordt het als blijkt dat het probleem
                    niet therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak
                    aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.</al><tussenkop>Artikel 5.3 Het primaat van het collectieve vervoer.</tussenkop><al>Artikel 5.3 geeft het primaat van het collectief vervoer aan boven de
                    individuele verstrekkingen zoals genoemd onder b. en c. van artikel 5.1. Men kan
                    voor individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al><al>a indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                    collectieve vervoersvoorziening of; </al><al>b indien er geen collectief vervoer aanwezig is.</al><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft
                    niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep onder de Wet voorzieningen gehandicapten van bijzonder belang bij mensen
                    die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een beperkte loopafstand van
                    maximaal circa1000 meter). Alleen collectief vervoer is voor deze categorie
                    mensen geen adequate voorziening.</al><tussenkop>Artikel 5.4 Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen.</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten is in de rechtspraak van de Centrale
                    Raad van Beroep bepaald dat het stellen van een inkomensgrens voor een
                    forfaitaire financiële tegemoetkoming in vervoerskosten bij een inkomen van 1,5
                    x de bijstandsnorm niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een
                    dergelijk inkomen wordt geacht de kosten van het lokaal vervoer of bezit en
                    gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een duidelijke relatie met het
                    begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de kosten van vervoer in relatie
                    tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. </al><al>De gemeente hanteert een inkomensgrens van 1,75 maal de voor de aanvrager
                    geldende bijstandsnorm. </al><tussenkop>Artikel 5.5 Parkeervoorziening</tussenkop><al>Er wordt alleen een tegemoetkoming gegeven als er ook een van de volgende
                    voorzieningen is verstrekt: een persoonsgebonden budget om zelf in het vervoer
                    te kunnen voorzien, een al dan niet aangepaste bruikleenauto, een
                    autoaanpassing.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6 Rolstoelen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6.1 Diverse typen rolstoelvoorzieningen.</tussenkop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten waren rolstoelen in de wet zelf als
                    aparte categorie voorzieningen opgenomen. In de Wmo is dat niet het geval, maar
                    aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de
                    voorafgaande Wet voorzieningen gehandicapten te verbreden of te versmallen,
                    wordt de rolstoel gehandhaafd als de enige voorziening waarmee beperkingen bij
                    het verplaatsen in en rond de woning in het kader van de wet gecompenseerd
                    kunnen worden. Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt
                    hier onder het begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen te worden de rolstoel
                    zoals iedereen die kent. Deze rolstoel kan zowel handbewogen als elektrisch
                    aangedreven zijn. Een (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel
                    beschouwd en wordt niet op grond van de wet verstrekt. </al><al>De trippelstoel valt onder de door de Regeling Zorgverzekering te verstrekken
                    voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden gebruikt als een
                    verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel van de rolstoel is
                    het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op grond van andere
                    regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken, rollators, wandelstokken
                    en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van onderhoud en reparatie
                    van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al><al>De rolstoel die noodzakelijk is voor dagelijks zittend verplaatsen in en om de
                    woning kan de rolstoel verstrekt worden als voorziening in natura of als
                    persoonsgebonden budget. </al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen, omdat ze nodig zijn in verband met
                    therapeutische doeleinden, worden niet op grond van de wet verstrekt. Hierbij
                    valt te denken aan aanpassingen voor het gebruik van zuurstofapparatuur en
                    andere aanpassingen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om medisch
                    noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wet voorzieningen gehandicapten was de sportrolstoel, meestal
                    verstrekt in de vorm van een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een
                    bovenwettelijke voorziening die alleen op basis van de verordening werd
                    verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 6.2 Het recht op een rolstoel of sportrolstoel.</tussenkop><al>Geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als krukken, een rollator, of
                    andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden voor het
                    verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een rolstoel verstrekt
                    worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits het gebruik dagelijks
                    noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria worden vastgelegd in de
                    beleidsregels.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een forfaitaire
                    financiële </al><al>tegemoetkoming, wordt verstrekt als zonder de sportrolstoel sportbeoefening in
                    verenigingsverband niet mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip
                    sportrolstoel uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere
                    sportvoorzieningen worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een
                    sportrolstoel zoals een handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor
                    het lokaal verplaatsen nodig is.</al><tussenkop>Artikel 6.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                    AWBZ-bewoners.</tussenkop><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Onduidelijkheid kan
                    ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor de AWBZ-functie
                    “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie “behandeling” als
                    het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende instelling. Het
                    “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende situatie, waarin
                    in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden “genoten”, maar de
                    instelling zelf geen erkenning heeft voor beide AWBZ-functies, maar alleen voor
                    de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen recht op een AWBZ-rolstoel
                    bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide functies op die
                    verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende AWBZ-instelling worden
                    verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen, waarbij de ene
                    instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere instelling. </al><al>H<vet>oofdstuk 7</vet><vet> Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren
                        van besluiten</vet></al><tussenkop>Artikel 7.1 Gebruik aanvraagformulier.</tussenkop><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. In dit artikel is bepaald dat de aanvraag plaats dient te vinden op
                    een daartoe beschikbaar gesteld aanvraagformulier. De aanvraag in het kader van
                    de wet die niet op het beschikbaar gestelde aanvraagformulier is ingediend, kan
                    echter niet zonder meer buiten behandeling worden gelaten. De Algemene wet
                    bestuursrecht bepaalt immers dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de
                    aanvrager en een aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, dient te
                    bevatten en verder ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een
                    ondertekend formulier, dat overigens niet is ingevuld, geaccepteerd dient te
                    worden als de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Het ligt voor
                    de hand in een dergelijke situatie te verzoeken om aanvulling van de
                    gegevens.</al><tussenkop>Artikel 7.2 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten.</tussenkop><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder a.
                    ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang van
                    toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot zorgvoorzieningen
                    krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied van wonen is
                    geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte. Wetsbepaling en
                    toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de wetsbepaling
                    “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ) worden genoemd,
                    terwijl in de toelichting op het amendement waarop de wetsbepaling is gebaseerd
                    onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ
                    en toegang tot voorzieningen op het gebied van het wonen. Verder wordt er, zoals
                    hierboven al geciteerd, in de toelichting geen onderscheid meer gemaakt tussen
                    raad en college, slechts “de gemeente” wordt genoemd. Praktisch gezien is de
                    concrete uitvoering van activiteiten in het zorgloket en de werking ervan een
                    typische uitvoeringsactiviteit, dus naar zijn aard vallen onder de
                    verantwoordelijkheid van het college. De door de raad vast te stellen
                    verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een loket, waarbij de
                    nadere uitwerking daarvan via het college geregeld moet worden. </al><tussenkop>Artikel 7.3 Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking.</tussenkop><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college
                    bevoegd is de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen en te ondervragen
                    op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken
                    en/of ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met
                    de beperking dat dit in het belang moet zijn van de aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene
                    wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt:
                    een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het
                    adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam
                    onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan. </al><al>Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet onontbeerlijk zijn. De
                    gemeente dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet
                    advies uit te brengen. </al><al>In deze formulering is het alleenrecht te adviseren toegekend aan het Centrum
                    Indicatiestelling Zorg. Dit heeft de volgende achtergrond.</al><al>Al jaren heerst de mening dat de uitvoering van de Wvg niet los gezien kan
                    worden van de uitvoering van de AWBZ. Dat heeft tot gevolg gehad dat in de Wvg
                    een bepaling is opgenomen die tendeert naar het benoemen van het
                    indicatie-orgaan ex artikel 9a AWBZ als adviseur ook voor de Wvg.</al><al>Het indicatieorgaan ex artikel 9a is sinds 1 januari 2005 het landelijk werkende
                    Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ), thans nog een Stichting, maar vanaf 1
                    januari 2007 een Zelfstandig Bestuurs Orgaan (ZBO).</al><al>Artikel 8 Wvg bepaalt dat bij woningaanpassingen duurder dan € 20.420,-
                    verplicht advies aan het CIZ gevraagd moet worden omtrent de noodzaak van deze
                    voorziening. Dit om bij de afweging een dure aanpassing plaats te doen vinden
                    AWBZ-aspecten mee te kunnen laten wegen.</al><al>Lid 2 van artikel 8 Wvg bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur die
                    verplichte advisering ook op andere verstrekkingenterreinen van toepassing zou
                    kunnen worden verklaard. De intentie achter dit artikel is om desnoods gemeenten
                    te verplichten de Wvg-adviezen te betrekken van het CIZ.</al><al>De samenhang tussen Wmo en AWBZ is niet kleiner dan die tussen Wvg en AWBZ.
                    Integendeel, in de Wmo is die samenhang met even zo veel woorden vastgelegd, met
                    name door opname van artikel 5, lid 2 aanhef en onder a Wmo: </al><lijst><li nr="“2."><al>De verordening, bedoeld in het eerste lid, bevat ten minste de
                            bepaling:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de toegang tot het aanvragen van individuele
                                    voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van
                                    wonen en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere
                                    Ziektekosten is geregeld;”</al></li></lijst></li></lijst><al>Een voor de hand liggende mogelijkheid om deze afstemming en samenhang zichtbaar
                    te maken is door het CIZ als adviseur aan te stellen. Bij de advisering Wmo kan
                    het CIZ dan integraal te werk gaan en tevens rekening houden met de
                    mogelijkheden van de AWBZ.</al><al>De keus van het CIZ als adviseur is daarom een door de wet ingegeven keus.</al><al>De gemeente heeft die keus gemaakt en heeft het CIZ aangesteld om terzake van de
                    Wmo te adviseren. Hiertoe heeft geen aanbesteding plaatsgevonden, omdat het CIZ
                    een aparte positie inneemt: geen andere adviseur heeft de AWBZ-taak indicaties
                    te stellen voor de 6 AWBZ-functies. Aanbesteding was dan ook zinloos. Daartoe is
                    wel openbaar gemaakt dat het college voornemens was het CIZ het alleenrecht tot
                    advisering te verlenen. Dit heeft plaatsgevonden op 25 september 2006 op het
                    gemeentelijk internet (<onderstreept>www.tilburg.nl</onderstreept>). </al><al>Advies wordt in ieder geval gevraagd wanneer het een eerste aanvraag door de
                    betrokkene betreft. Dit bijvoorbeeld om te kunnen beoordelen of het wellicht om
                    een progressief ziektebeeld gaat, waarbij vooruitlopend op dit proces reeds
                    eerder ingrijpender maatregelen getroffen dienen te worden dan op het moment van
                    de aanvraag nodig lijkt. Doorslaggevend is echter dat vanaf het begin duidelijk
                    geobjectiveerd wordt wat er medisch gezien speelt bij de betrokken aanvrager.
                    Het spreekt voor zich dat bij overgang van AWBZ en Wvg naar deze wet voor
                    diegenen die al een voorziening hadden niet gesproken wordt van eerste aanvraag.
                    Van eerste aanvraag wordt gesproken als een aanvrager in zijn geheel niet bekend
                    is bij deze wet. </al><al>Een afwijzing om medische redenen, zoals bedoeld onder c., kan uiteraard alleen
                    maar op basis van een medisch advies. Een oordeel over medische problematiek die
                    de aanvrager naar voren brengt, is een taak van een arts. De gemeente kan geen
                    zorgvuldig besluit nemen zonder in zo’n geval advies in te winnen van een
                    medicus. </al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen (m)moa’s.</al><al>Tot slot vraagt het college advies, indien dit overigens gewenst wordt geacht.
                    Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt. Door
                    deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen spelen. </al><tussenkop>Lid 3:</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen beoordelen. Er is een
                    duidelijke praktische samenhang met artikel 7.3 lid 1 van deze verordening,
                    inzake het gebruik van een door het college te verstrekken formulier. Door
                    middel van gebruik van een formulier kunnen de procedures inzake de
                    gegevensverstrekking worden gestroomlijnd.</al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de
                    aanvraag volgens de procedure van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht buiten
                    behandeling te laten. </al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze bepaling
                    is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement
                    65, waarin staat “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de
                    International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF
                    classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de
                    behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie gebruik wordt gemaakt
                    kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al>Lid 5 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de verordening
                    en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze het genomen
                    besluit bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en de
                    normale maatschappelijke participatie van mensen met een beperking of een
                    chronisch psychisch probleem en van mensen met een psychosociaal probleem.</al><tussenkop>Artikel 7.4 Samenhangende afstemming. </tussenkop><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit cliëntperspectief, in
                    samenhang te bezien. Evenals het genoemde in de toelichting op artikel 7.2 van
                    deze verordening, gaat het hier naar zijn aard om uitvoeringsbeleid, vandaar de
                    delegatiebepaling </al><tussenkop>Artikel 7.6 Wijzigingen in de situatie.</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld dienen te worden in
                    al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 7.7 Opschorting</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om druk uit te kunnen oefenen op een klant om
                    informatie te verstrekken die van belang is voor de voortzetting van de
                    voorziening, en om bij niet medewerking de voorziening te kunnen beëindigen
                    wegens gebrek aan medewerking.</al><tussenkop>Artikel 7.8 Intrekking van een voorziening</tussenkop><al>Duidelijk is, dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                    Het is in verband met het kenbaarheidsvereiste, verwoord in de passage “waarvan
                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed zijn op het recht op een
                    voorziening”, van groot belang om de beschikkingsvoorwaarden duidelijk te
                    vermelden in een beschikking. Het is daarom raadzaam om een belanghebbende te
                    wijzen op de voorwaarden die het recht op de voorziening met zich meebrengen.
                    Daarnaast is het belangrijk in de beschikking ook expliciet te wijzen op de
                    verplichting om wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Mocht
                    er sprake zijn van een, om wat voor reden dan ook, ten onrechte toegekende
                    voorziening, dan vergemakkelijkt een duidelijke formulering in de beschikking
                    een eventuele beëindiging of terugvordering van (het recht op) een voorziening,
                    omdat de betrokkene zich dan niet kan beroepen op onbekendheid met de feiten. </al><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget
                    niet binnen zes maanden na de uitbetaling is aangewend voor de bekostiging van
                    de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling worden
                    teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van de
                    tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening voorafgaat.
                    Bij woningaanpassingen zal dit in de regel niet voorkomen omdat de uitbetaling
                    pas dan plaatsvindt nadat de woningaanpassing is uitgevoerd. Artikel 7.9 is dus
                    niet van toepassing op woningaanpassingen.</al><al>In afwijking van lid 2a kan op grond van lid 2b een besluit om een financiële
                    tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en inrichting te verstrekken worden
                    ingetrokken als de verhuizing niet binnen een termijn van 2 jaar na toekenning
                    heeft plaatsgevonden. Het betreft hier een principebesluit, de feitelijke
                    uitbetaling vindt pas plaats na de verhuizing.</al><al>De in lid 2 opgenomen termijnen moeten voldoende geacht worden om de toekenning
                    te realiseren. Wanneer dit niet het geval is, rijst de vraag of de voorziening
                    wel noodzakelijk was. Door deze bepaling op te nemen wordt voorkomen, dat na
                    lange tijd nog steeds geen duidelijkheid bestaat en dat de administratieve
                    afdoening wordt vertraagd.</al><al>Lid 3 bepaalt dat in alle gevallen bedoeld in de leden 1, 2 waarin feitelijk een
                    voorziening is verstrekt, de verstrekte voorziening binnen 6 weken nadat de
                    intrekkingsbesluit is meegedeeld moet worden gerestitueerd. Deze termijn is
                    gelijk aan de termijn waarbinnen een bezwaarschrift kan worden ingediend.</al><tussenkop>Artikel 7.9 Terugvordering</tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen, wat reden
                    is om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er anders geen
                    juridische basis is om voorzieningen terug te vorderen. Indien er, naar later
                    blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd (voorziening in natura) is, kan
                    het college de voorziening geheel of gedeeltelijk terugvorderen. </al><al> Het besluit tot herziening van het recht op de voorziening en de daaraan
                    gekoppelde terugvordering biedt echter geen executoriale titel, zoals
                    bijvoorbeeld in de Wet werk en bijstand het geval is bij terugvordering. Er is
                    wel sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde
                    betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de wettelijke
                    basis biedt. Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in
                    gevallen waarin de vordering hoger is dan € 5.000,- en dus een procedure met
                    procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een
                    eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder
                    verplichte procureurstelling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingsmogelijkheid in ieder geval
                    gebruik wordt gemaakt indien er aan de zijde van de aanvrager sprake is van
                    verwijtbaarheid. Wanneer deze dus bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt,
                    bijvoorbeeld over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in
                    natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen
                    bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Het is raadzaam
                    vooraf een inschatting te maken van de kosten en te verwachten baten, gezien de
                    mogelijke kosten van een civielrechtelijke procedure. Daarbij moet niet alleen
                    gekeken worden naar de kosten van inschakeling van een procureur, maar ook naar
                    mogelijke invorderingskosten, zoals de kosten van inschakeling van een
                    deurwaarder.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8 Slotbepalingen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 8.1 Hardheidsclausule.</tussenkop><al>Artikel 9.1 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. </al><al>De hardheidsclausule dient slechts te worden toegepast indien bijzondere
                    omstandigheden van het concrete geval daartoe aanleiding geven. Dit betekent dat
                    deze bepaling nadrukkelijk restrictief moet worden toegepast.</al><al>De hardheidsclausule is derhalve niet bedoeld voor een meer categoriale
                    toepassing, omdat dat er toe zou leiden dat de verordening voor een bepaalde
                    doelgroep anders wordt toegepast dan in de verordening is voorzien. Zo is de
                    hardheidsclausule, gelet op de doelstelling van de verordening (het bieden van
                    voorzieningen aan gehandicapten), niet bedoeld om tegemoet te komen aan
                    ongemakken voor huisgenoten of begeleiders van gehandicapten, voor zover daar in
                    de verordening of het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg
                    niet nadrukkelijk is voorzien.</al><al>Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven
                    waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 8.2 Vaststellen Besluit</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning gemeente Tilburg (Besluit Wmo Tilburg) vast te stellen. In dit
                    besluit worden nadere regels opgenomen over de uitvoering van deze
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 8.3 Indexering.</tussenkop><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                    verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Tilburg
                    te indexeren. Indexering voor de meeste van de op deze verordening gebaseerde
                    normbedragen vindt plaats volgens het CBS-prijsindexcijfer voor de
                    gezinsconsumptie. De Algemene Maatregel van Bestuur bepaalt in artikel 4.4, lid
                    1 dat ook de bedragen van de eigen bijdragen jaarlijks aan de hand van de
                    prijsindex voor de gezinsconsumptie worden gewijzigd bij ministeriële regeling.
                    Het ligt voor de hand wijzigingen in bedragen in deze verordening tegelijkertijd
                    hiermee door te voeren.</al><al>In afwijking van het voorgaande volgt de stripprijs van het collectief
                    aanvullend vervoer niet het CBS-prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie, maar
                    de stripprijs van de goedkoopste “blauwe” Nationale Strippenkaart.</al><tussenkop>Artikel 8.4 Evaluatie.</tussenkop><al>De evaluatie vindt in beginsel één maal per vier jaren plaats. Zoveel mogelijk
                    wordt aangesloten bij het in artikel 3 van de wet genoemde plan.</al><al>De evaluatie omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad
                    neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de
                    bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, leidt de evaluatie leiden tot aanpassing van de
                    verordening of van de beleidsregels.</al><tussenkop>Artikelen 8.5 en 8.6 Inwerkingtreding en citeertitel.</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al><al/><al/><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18-09-2006 </al><al/><al>de griffier, </al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>