<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR255344_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 gemeente Hattem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hattem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Veluws Nieuws, 28-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 gemeente Hattem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel i</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/nr. 4-I</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is ingetrokken m.i.v. 01-01-2015 i.v.m. nieuwe verordening: Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Hattem</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 gemeente Hattem</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>No.: 4-I</al><al><vet>Onderwerp:</vet></al><al>Verordening Verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013</al><al>--------------------------------------------------------------------------------</al><al/><al>De raad van de gemeente Hattem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het College, no. 201209812, d.d. 18 december
                        2012,</al><al/><al>gelet op artikel 8, lid 1, onderdeel i, van de Wet werk en bijstand,</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is de uitoefening van de bevoegdheid tot
                        verrekening als bedoeld in artikel 60b van de Wet werk en bijstand bij
                        verordening te regelen, </al><al/><al>besluit :</al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al><vet>VERORDENING VERREKENING BESTUURLIJKE BOETE BIJ RECIDIVE 2013 GEMEENTE
                            HATTEM</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Definitiebepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt onder een recidiveboete, een bestuurlijke boete
                        verstaan als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wet werk en
                        bijstand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening</titel></kop><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag met de algemene bijstand
                        gedurende de eerste drie maanden na dagtekening van het besluit tot
                        oplegging van een recidiveboete zonder dat het bepaalde in artikel 4:93,
                        vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in acht wordt genomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Belanghebbende kan verzoeken om, in afwijking van het bepaalde in
                                artikel 2, de huur dan wel hypotheekrente na aftrek van huurtoeslag
                                respectievelijk hypotheekrenteaftrek, gedurende de in artikel 2
                                genoemde periode direct vanuit de bijstand te voldoen. Indien dit
                                verzoek wordt toegekend wordt de verrekening daarop aangepast. </al></li><li nr="2."><al>Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval
                                afgewezen indien belanghebbende(n) redelijkerwijs over voldoende
                                gelden kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn
                                levensonderhoud te voorzien dan wel redelijkerwijs deze gelden op
                                korte termijn kan verwerven. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van de
                            Algemene wet bestuursrecht</titel></kop><al>In afwijking van artikel 2 verrekent het college het openstaande boetebedrag
                        met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet
                        bestuursrecht voorzover:</al><lijst><li nr="a."><al>toepassing van artikel 2 en 3 onaanvaardbare consequenties heeft
                                voor de eventuele minderjarige belanghebbende(n); dan wel</al></li><li nr="b."><al>de gezondheidstoestand van (een van de) belanghebbende(n) naar het
                                oordeel van het college ernstig wordt bedreigd doordat mogelijkheden
                                ontbreken om de noodzakelijke medicatie of behandeling te
                                financieren. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt, met terugwerkende kracht, in werking op 1 januari
                        2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening verrekening bestuurlijke
                        boete bij recidive 2013 Hattem”</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Hattem, gehouden op 21 januari 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , voorzitter </ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , griffier </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet> Algemene toelichting Verordening Verrekening bestuurlijke boete bij
                            recidive 2013 gemeente Hattem</vet></al><al/><al>Per 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid
                        SZW-wetgeving in werking. Met de wet krijgt het college de plicht om een
                        boete op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht.
                        De eerdere bevoegdheid om een maatregel in deze situatie op te leggen
                        verdwijnt. De hoogte van de boete is daarbij in beginsel gelijk aan het
                        bedrag dat belanghebbende te veel aan bijstand heeft ontvangen. </al><al/><al>Is sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht
                        (recidive) dan wordt deze boete in beginsel verhoogd tot 150% van het te
                        veel ontvangen bedrag. Naast deze verhoging krijgt het college daarbij ook
                        de bevoegdheid om in de eerste drie maanden na oplegging van de boete de
                        bijstand volledig te verrekenen met de openstaande boetevordering. </al><al/><al>In eerste instantie had de wetgever voorzien in een plicht tot volledige
                        verrekening van de boetevordering. Bij amendement is deze verplichting
                        echter omgezet in een bevoegdheid, zodat de gemeente de mogelijkheid heeft
                        om daar waar volledige verrekening onwenselijke effecten heeft (denk b.v.
                        aan hogere maatschappelijke kosten vanwege uithuisplaatsing) de verrekening
                        aan te passen, dan wel bij de verrekening de beslagvrije voet volledig te
                        respecteren. De Wet werk en bijstand verplicht de gemeenteraad in dit kader
                        bij verordening nadere regels te stellen met betrekking tot het gebruik van
                        deze bevoegdheid. </al><al/><al>Er is voor gekozen om een separate verordening op te stellen die voldoet aan
                        deze opdracht tot regelgeving. Hiervoor spreekt dat een en ander niet
                        volledig past binnen de Maatregelenverordening (ex. artikel 8, eerste lid,
                        onder b, Wet werk en bijstand). Het verduidelijkt wellicht te weinig dat het
                        hier niet gaat om het opleggen van een maatregel, maar om het verrekenen van
                        een boetevordering.</al><al/><al>Bovenstaande overwegingen laten onverlet dat naast deze verordening wel
                        aanpassingen zullen moeten worden aangebracht in respectievelijk de
                        Maatregelverordening Wet Werk en Bijstand en de Maatregelverordening IOAW en
                        IOAZ.</al><al/><al>Opgemerkt zij nog dat de verordening enkel de verrekening regelt van
                        bijstandsafhankelijken die te maken krijgen met een door het college zelf
                        opgelegde recidiveboete. Is de recidiveboete opgelegd op het moment dat
                        belanghebbende elders bijstand ontvangt, dan kan het boete opleggende
                        college het bijstandsverstrekkende college verzoeken om conform de regels
                        van het boete opleggende college tot verrekening over te gaan. Mocht
                        belanghebbende tussentijds het bijstandsverstrekkende college verzoeken de
                        beslagvrije voet alsnog te respecteren, dan is dit college bij de
                        verrekening daaraan gehouden. </al><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Definitiebepaling</vet></al><al>Behoeft geen nadere toelichting</al><al/><al><vet>Artikel 2 De uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening</vet></al><al>Artikel 4:93, vierde lid, van Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat
                        verrekening niet mogelijk is voor zover beslag op de vordering nietig zou
                        zijn. Concreet houdt dit in dat bij verrekening in beginsel rekening moet
                        worden gehouden met de beslagvrije voet zoals deze zijn regeling vindt in
                        artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering. Zoals reeds aangegeven geeft de Wet werk en bijstand het
                        college de bevoegdheid om deze bepaling in de eerste drie maanden na
                        oplegging van de boete buiten toepassing te laten. Het college mag dus de
                        openstaande boetevordering (zowel de recidiveboete als een wellicht nog
                        openstaand bedrag in verband met de eerdere boete) in deze eerste drie
                        maanden volledig met een eventueel bijstandsrecht verrekenen. </al><al/><al>In eerste instantie was deze verrekening – gelijk nog steeds in de IOAW en
                        IOAZ – als een verplichting opgenomen in de wet. De Kamer achtte echter -
                        juist bij bijstandsverlening – het risico reëel dat zich situaties zouden
                        kunnen voordoen waarbij de uiteindelijke totale maatschappelijke kosten
                        beduidend hoger lagen dan het met deze invorderingsmethodiek bereikte
                        resultaat. Reden voor de Kamer om de gemeente in dit kader meer
                        handelingsvrijheid te geven, om juist in deze individuele situaties af te
                        kunnen wijken van het principe. Vandaar dat bij de verrekening met de
                        bijstand niet gesproken wordt over een plicht, maar over een bij verordening
                        nader in te kaderen bevoegdheid.</al><al/><al>In deze voorbeeld verordening is er voor gekozen om in lijn met deze
                        bedoeling uit te gaan van het principe van volledige verrekening, om
                        vervolgens in artikel 3 en 4 de mogelijkheden te benoemen om van dit
                        principe af te wijken. </al><al/><al>Benadrukt wordt dat de wet gemeenten de vrijheid geeft anders met de
                        bevoegdheid om te gaan. Zo kan de Gemeenteraad er ook voor kiezen om
                        standaard in de eerste drie maanden niet de volledige bijstand te
                        verrekenen, maar een bepaald percentage daarvan of zelfs om enkel te
                        verrekenen met inachtname van de beslagvrije voet. Gedacht zou kunnen worden
                        aan een bepaling in de volgende trend:</al><al/><al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag gedurende de eerste drie
                        maanden na het moment van dagtekening van het besluit tot oplegging van een
                        recidiveboete door inhouding van een bedrag ter hoogte van … % van de
                        gehuwdennorm als bedoeld in artikel 21, onder c, van de Wet werk en
                        bijstand.</al><al/><al>Het spreekt voor zich dat het hier gaat om een maximum bedrag. Mocht
                        belanghebbende’s recht op bijstand beperkter zijn dan bedraagt de inhouding
                        natuurlijk dit beperktere recht. Een bepaling zoals hier opgenomen in
                        artikel 3 is in dit geval waarschijnlijk niet nodig. </al><al/><al><vet>Artikel 3 Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente</vet></al><al>Zoals in de toelichting op artikel 2 aangegeven zijn in artikel 3 en 4 de
                        mogelijkheden om van het in artikel 2 benoemde principe af te wijken nader
                        uitgewerkt. Artikel 3 voorziet daarbij in de mogelijkheid voor
                        belanghebbende om het college te verzoeken om in ieder geval de huur (en bij
                        een eigendomswoning de hypotheekrente onder aftrek van de in dit kader
                        ontvangen belastingteruggave en eventueel ontvangen bijzondere bijstand) via
                        de bijstand te laten doorbetalen. Gedachte hierachter is dat met name moet
                        worden gevreesd dat belanghebbende wanneer hij drie maanden van bijstand
                        verstoken blijft het risico loopt dat hij vanwege de ontstane achterstand in
                        de woonlasten uit huis wordt geplaatst met allerlei eventuele extra kosten
                        voor de maatschappij. Om dit te voorkomen voorziet deze bepaling in de
                        mogelijkheid dat het college het te verrekenen bedrag kan aanpassen, zodat
                        alsnog vanuit de bijstand de woonlasten kunnen worden doorbetaald. Wel is
                        gekozen voor een directe doorbetaling aan de verhuurder/hypotheekverstrekker
                        om te voorkomen dat de bijstand voor andere zaken wordt ingezet, waardoor
                        alsnog het risico van uithuisplaatsing reëel blijft. </al><al/><al>In het tweede lid van artikel 3 is daarnaast bepaald dat een verzoek tot
                        doorbetaling zonder meer wordt geweigerd indien belanghebbende in
                        redelijkheid over voldoende gelden kan beschikken om de genoemde drie
                        maanden in zijn levensonderhoud te voorzien dan wel in redelijkheid deze
                        gelden op korte termijn kan verwerven. </al><al/><al>Gesproken wordt over gelden, niet over middelen. Van het in de Wet werk en
                        bijstand gedefinieerde middelen begrip zijn immers een aantal posten
                        uitgesloten. Denk dan bijvoorbeeld aan bedragen die belanghebbende heeft
                        ontvangen in het kader van een immateriële schadevergoeding of bedragen
                        waarover belanghebbende wel beschikt, maar die bij saldering met de
                        openstaande schulden geen aan te spreken vermogen opleveren. Dit zijn echter
                        wel gelden die belanghebbende in deze situatie kan aanspreken voor zijn
                        levensonderhoud, voor zover hij er in ieder geval in redelijkheid over kan
                        (gaan) beschikken. </al><al/><al>Iemand kan onder andere redelijkerwijs over gelden gaan beschikken, indien
                        het redelijk is dat hij ofwel binnen afzienbare tijd vermogensbestanddelen
                        te gelde weet te maken ofwel op korte termijn werk weet te aanvaarden. </al><al/><al>Belanghebbende kan natuurlijk altijd al zijn bezittingen verkopen en op die
                        wijze over gelden gaan beschikken, maar het is niet redelijk dat het college
                        in deze van belanghebbende verlangt dat hij bezittingen verkoopt die naar
                        hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn (denk aan z’n meubels of bed).
                        En natuurlijk kunnen inkomsten worden verworven door werk te aanvaarden,
                        maar indien belanghebbende’s afstand tot de arbeidsmarkt heel groot is, is
                        het niet reëel om te verwachten dat hem dit op zeer korte termijn zal
                        lukken. In dit soort situaties kan dus niet met een beroep op het tweede lid
                        een verzoek tot doorbetaling zonder meer worden afgewezen. </al><al/><al>Dat gesproken wordt over een verzoek houdt in dat belanghebbende zelf in
                        actie moet komen zo hij de verrekening wil laten aanpassen. Dat houdt tevens
                        in dat zo’n verzoek ook lopende de drie maanden van verrekening kan worden
                        gedaan, mocht bijvoorbeeld plots blijken dat uithuiszetting dreigt of dat
                        verwachte inkomsten uitblijven. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van
                            de Algemene wet bestuursrecht</vet></al><al>In artikel 4 zijn een tweetal situaties benoemd waarin het college ondanks
                        de in de wet opgenomen bevoegdheid toch de beslagvrije voet bij verrekening
                        in acht neemt. De genoemde omstandigheden betreffen situaties die ook
                        tijdens de parlementaire behandeling expliciet zijn benoemd. </al><al/><al><vet>Artikel 5 Inwerkingtreding</vet></al><al>Behoeft geen nadere bespreking.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening. </al></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>