<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR255264_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">Gemeenterubriek Boxmeers Weekblad 12 februari 2013; website gemeente Boxmeer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-intergratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">1. Wet werk en bijstand, art. 7, 8 en 10, tweede lid 2. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers art. 34, 35 en 36 3. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art 34, 35 en 36 4. Algemene wet bestuursrecht 5. Gemeentewet </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-07-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regelgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>I-SZ/2012/721</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>N.v.t.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-13967</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gemeente Boxmeer</vet></al><al><vet>Onderwerp:</vet></al><al>Vaststelling van de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ
                        2012.</al><al><vet>Nummer:</vet></al><al>6h.</al><al>De Raad van de gemeente Boxmeer;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 december
                        2012; </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de gemeentewet en de bepalingen van
                        de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al><al>gelet op de artikelen 7, 8 en 10, tweede lid van de Wet werk en bijstand
                        en de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 34,
                        35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>overwegende dat intrekking van de Wet investeren in jongeren en
                        wijziging van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2012 het
                        noodzakelijk maakt om de verordening die zijn grondslag vindt in
                        laatstgenoemde wet aan te passen; </al><al>overwegende dat met betrekking tot het ondersteunen bij
                        arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op
                        arbeidsinschakeling van belanghebbenden, bedoeld in artikel 7, eerste
                        lid, onderdeel a van de Wet werk en bijstand te regelen; </al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen: </al><al><vet>Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>– Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                            nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB, IOAW, IOAZ en de
                            Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan
                                    onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="c."><al>de IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al></li><li nr="d."><al>ondersteuning: het geheel van activiteiten, al dan niet
                                            onderdeel uitmakend van een re-integratietraject, dat
                                            bijdraagt aan inschakeling in de arbeid;</al></li><li nr="e."><al>duurzame uitstroom: gedurende een dusdanige periode
                                            verzekeringsplichtige reguliere arbeid verrichten
                                            waardoor wordt voldaan aan het gestelde in de artikelen
                                            17, 17a, 17b en 17c van de Werkloosheidswet. Met
                                            reguliere arbeid wordt gelijkgesteld het verrichten van
                                            arbeid als zelfstandige in een rechtmatig gevestigd,
                                            levensvatbaar beroep of bedrijf, mits gedurende een
                                            periode van 3 jaar geen beroep wordt gedaan op een
                                            uitkering voor levensonderhoud ingevolge het
                                            Bijstandsbesluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004.
                                            Niet als duurzame uitstroom wordt beschouwd, het
                                            verrichten van gesubsidieerde arbeid;</al></li><li nr="f."><al>Re-integratietraject: een met belanghebbende
                                            overeengekomen, dan wel door het College aan hem
                                            opgelegd geheel van activiteiten of voorzieningen
                                            gericht op het verkrijgen van betaalde arbeid;</al></li><li nr="g."><al>Plan van aanpak: de ondersteuning en de verplichtingen
                                            die als bijlage bij een besluit tot toekenning van
                                            algemene bijstand voor een jongere zijn opgenomen, zoals
                                            bedoeld in artikel 44, vierde lid van de wet;</al></li><li nr="h."><al>Participatieplaats: tijdelijke, onbeloonde en
                                            additionele werkzaamheden die met behoud van uitkering
                                            kunnen worden verricht door belanghebbenden, zijnde
                                            uitkeringsgerechtigden, die vooralsnog niet bemiddelbaar
                                            zijn op de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="i."><al>college: het College van burgemeester en wethouders;
                                        </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Opdracht aan het College van burgemeester en wethouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt ondersteuning aan belanghebbenden tot 65 jaar, aan
                                Anw-ers, aan niet-uitkeringsgerechtigden, alsmede aan personen als
                                bedoeld in artikel 10, tweede lid WWB, ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling aan en, voor zover het college dat noodzakelijk
                                acht, een voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel
                                40, eerste lid WWB is van overeenkomstige toepassing. In verband met
                                de samenwerking van de 5 gemeenten in het Land van Cuijk kan het
                                college afzien van het begrip eigen inwoners. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden
                                van voorzieningen wordt bij het college een afweging gemaakt,
                                waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet
                                op de mogelijkheden en capaciteiten van belanghebbende, het meest
                                doelmatig is met het oog op inschakeling in het arbeidsproces binnen
                                een redelijke termijn. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                                voorliggende voorziening welke naar mening van het college in
                                voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van belanghebbende.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>– De vorm van de ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Ondersteuning en voorzieningen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De ondersteuning is afgestemd op de mogelijkheden van
                                    belanghebbende en kan bestaan uit verschillende vormen die tot
                                    inschakeling in de arbeid leiden indien algemeen geaccepteerde
                                    arbeid niet voorhanden is en sollicitaties tot onvoldoende
                                    resultaat hebben geleid.</al></li><li nr="2."><al>De ondersteuning dient bij te dragen tot een spoedige terugkeer
                                    naar de reguliere arbeidsmarkt en kan onder meer bestaan uit de
                                    volgende activiteiten:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanbieden van scholing welke gericht dient te zijn
                                            op het behalen van een startkwalificatie arbeidsmarkt
                                            en/of gericht dient te zijn op uitstroom naar de
                                            reguliere arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>het aanbieden van de mogelijkheid tot werken met behoud
                                            van uitkering door middel van stageplaatsen of
                                            leerwerkplaatsen voor een periode van maximaal 3
                                            maanden, welke éénmalig met maximaal 3 maanden kan
                                            worden verlengd. Alvorens tot verlenging overgegaan kan
                                            worden dient op basis van een evaluatie de noodzaak
                                            hiervan vastgesteld te zijn; </al></li><li nr="c."><al>het aanbieden van een gesubsidieerde arbeidsplaats,
                                            waarbij de te verstrekken loonkostensubsidie maximaal
                                            voor 6 maanden wordt toegekend; met de mogelijkheid van
                                            een éénmalige verlenging van maximaal 6 maanden. </al></li></lijst><al>Alvorens tot verlenging overgegaan kan worden dient op basis van een
                            evaluatie de noodzaak hiervan vastgesteld te zijn. </al><al>De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 50% van de
                            netto loonkosten. Indien de omstandigheden van de belanghebbende daartoe 
                            aanleiding geven kan de loonkostensubsidie verhoogd worden. De subsidie kan echter nooit meer bedragen dan de van toepassing zijnde
                            uitkeringsnorm als bedoeld in artikel 20 en 21 van de WWB, en artikel 5
                            IOAW/IOAZ.</al><lijst><li nr="d."><al>het aanbieden van sociale activering;</al></li><li nr="e."><al>het aanbieden van overige vergoedingen die kunnen bijdragen aan
                                    de arbeidsinschakeling dan wel aan een terugkeer naar de
                                    reguliere arbeidsmarkt en die niet door de werkgever worden
                                    vergoed (waaronder kinderopvang en reiskosten);</al></li><li nr="f."><al>het bieden van nazorg: activiteiten die er op gericht zijn
                                    uitstroom te continueren ten einde hier een duurzaam karakter
                                    aan te geven;</al></li><li nr="g."><al>het aanbieden van activiteiten in het kader van
                                    schuldhulpverlening indien de schulden een belemmering vormen
                                    voor de arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="h."><al>het aanbieden van een detacheringsbaan gedurende een periode van
                                    maximaal 6 maanden, als onderdeel van een traject gericht op
                                    inschakeling met als doelstelling het opdoen van vaardigheden
                                    die nodig zijn om betaalde arbeid te verrichten. De periode van
                                    6 maanden kan éénmalig met maximaal 6 maanden verlengd worden.
                                    Alvorens tot verlenging overgegaan kan worden dient op basis van
                                    een evaluatie de noodzaak hiervan vastgesteld te zijn; </al></li><li nr="i."><al>het toepassen van de vrijlatingbepaling als bedoeld in artikel
                                    31, tweede lid onder n van de WWB voor zover de aanvaarding van
                                    deeltijdarbeid naar het oordeel van het college bijdraagt aan de
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="j."><al>het toepassen van de vrijlatingbepaling als bedoeld in artikel
                                    31, tweede lid, onder r van de WWB voor zover de aanvaarding van
                                    deeltijdarbeid naar het oordeel van het college bijdraagt aan de
                                    arbeidsinschakeling. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Participatieplaats, Premie, Scholing:</al><lijst><li nr="a."><al>Het college kan, ter uitvoering van artikel 7 eerste lid
                                    onderdeel a van de WWB en artikel 38a IOAW en IOAZ, aan een
                                    belanghebbende, zijnde een uitkeringsgerechtigde, die vooralsnog
                                    niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt een Participatieplaats
                                    aanbieden gedurende maximaal twee jaar. </al></li><li nr="b."><al>Het college verstrekt aan belanghebbende, zijnde
                                    uitkeringsgerechtigde, die onbeloonde additionele werkzaamheden
                                    verricht, conform artikel 10a, zesde lid van de WWB en conform
                                    artikel 38a IOAW en IOAZ een premie van telkens € 300,-- per
                                    half jaar. Deze premie kan gedurende een periode van maximaal 2
                                    jaar verstrekt worden. </al></li><li nr="c."><al>Het recht op deze premie wordt elke 6 maanden beoordeeld.</al></li><li nr="d."><al>De premie wordt geweigerd indien bij de beoordeling blijkt dat
                                    de belanghebbende de aan de onbeloonde additionele werkzaamheden
                                    verbonden verplichtingen in de voorafgaande 6 maanden heeft
                                    geschonden. </al></li><li nr="e."><al>Onverminderd het gestelde in sub b van dit lid komen ook
                                    personen als bedoeld in artikel 7, derde lid van de WWB voor een
                                    premie in aanmerking indien zij aan alle voorwaarden voldoen.
                                </al></li><li nr="f."><al>Voor zover de belanghebbende niet beschikt over een
                                    startkwalificatie wordt binnen 6 maanden na aanvang van de onbeloonde additionele
                            werkzaamheden door het college bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen
                            aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. </al><al>Het college betrekt bij deze beoordeling:</al><lijst><li nr="·"><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de belanghebbende de
                                    additionele werkzaamheden uitvoert;</al></li><li nr="·"><al>de scholingswens van de belanghebbende.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="4."><al>Premie duurzame uitstroom: Het college kan aan
                                            belanghebbende die gedurende een periode van 3 jaar
                                            uitkering heeft ontvangen éénmalig een premie
                                            verstrekken indien er sprake is van duurzame uitstroom.
                                            De hoogte van de premie is gelijk aan 50% van het in
                                            artikel 31 lid 2 onder j van de WWB genoemde bedrag en
                                            artikel 8 lid 2 IOAW/IOAZ.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>– Verplichtingen aan het recht op ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belanghebbende doet op verzoek van het college of onverwijld uit
                                eigen beweging, mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan
                                hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op
                                het recht op ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het recht op ondersteuning naar mening van het college
                                bestaat, verbindt het college hier, op belanghebbende nader
                                afgestemde, verplichtingen aan. Deze verplichtingen worden in een
                                beschikking dan wel trajectplan opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college van oordeel is dat een gesubsidieerde
                                arbeidsplaats bijdraagt aan de inschakeling in de arbeid, kan aan de
                                toe te kennen loonkostensubsidie de verplichting verbonden worden
                                dat de werkgever belanghebbende in vaste dienst neemt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>- Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Ten behoeve van belanghebbenden die op de datum van inwerkingtreding van
                            de Wetwerk en bijstand, 1 januari 2004, werkzaam zijn op een
                            gesubsidieerde arbeidsplaatsop grond van de Wet inschakeling
                            werkzoekenden (Wiw) dan wel het Besluit In- enDoorstroombanen
                            (ID-banen), wordt deze gesubsidieerde arbeidsplaats op grond
                            vanvoornoemde regelgeving gecontinueerd en de aan de werkgever verleende
                            subsidiegehandhaafd op het niveau van 2003. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Onvoorziene omstandigheden en harheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Re-integratieverordening
                            WWB, IOAW en IOAZ 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De Verordening Re-integratie WWB, IOAW en IOAZ 2011 (vastgesteld
                                    in de vergadering van 1 maart 2012) en de Verordening
                                    Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren (vastgesteld in de
                                    vergadering van 10 december 2009), vervallen bij
                                    inwerkingtreding van deze verordening. </al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2012. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de Raad van de gemeente Boxmeer</ondertekening><ondertekening>in zijn openbare vergadering van 24 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>A.W.J.M. Cornelissen CMC</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>K.W.T. van Soest</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Boxmeer/i168983.pdf">I-SZ 2012 721 GET Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012.pdf</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de Re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012
                    </titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Met de re-integratieverordening geeft de gemeenteraad inhoudelijk invulling aan
                    het uitgangspunt “werk boven uitkering”. De verordening regelt de aanspraak op
                    het aanbod van voorzieningen dat er op gericht is te komen tot inschakeling in
                    de arbeid. Uiteindelijk doel is duurzame uitstroom naar reguliere arbeid.</al><al>De re-integratieverordening geeft de kaders aan waarbinnen het
                    re-integratiebeleid van de gemeente vorm wordt gegeven. Gekozen is voor een
                    zogenaamde kaderstellende verordening waarbij het re-integratiebeleid bepaald
                    wordt, de aanspraak op de ondersteuning, de inzet van de voorzieningen en de
                    rechten en plichten van belanghebbende. </al><al>Per 1 januari 2012 is de ‘Wet tot wijziging van de Wet werk en bijstand en
                    samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op
                    bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden’ in werking getreden. Gevolg
                    hiervan is o.a. dat de Wet investeren in jongeren is ingetrokken. Personen
                    jonger dan 27 vallen weer onder de WWB, zij het met een apart regime. Daarmee
                    komt de verordening Werkleeraanbod Wet investeren in jongeren (de
                    re-integratieverordening gebaseerd op de WIJ) te vervallen. </al><al>Ingrijpende beleidsmatige wijzigingen zijn voor 2012 niet beoogd.
                    Verantwoordelijk hiervoor was de op handen zijnde implementatie Wet Werken naar
                    Vermogen per </al><al>1 januari 2013. Door de val van het kabinet Rutte is de Wet Werken naar Vermogen
                    controversieel verklaard. Welke consequenties dit heeft voor de re-integratie op
                    de korte termijn is onduidelijk. Aangenomen mag worden dat hierover in 2013
                    (voorbereiding op de Participatiewet) meer duidelijkheid komt met een gewijzigde
                    Re-integratieverordening tot gevolg. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving</tussenkop><al>In deze verordening is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de gebruikte
                    begrippen in de WWB, de IOAW, de IOAZ, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
                    werk en inkomen (Suwi) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al><tussenkop>Artikel 2. Opdracht aan het college </tussenkop><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vorm gegeven analoog aan
                    artikel 7 van de WWB. Hiervoor is gekozen uit oogpunt van kenbaarheid en
                    consistentie. In de WWB is in artikel 10, derde lid WWB aangegeven dat de
                    aanspraak op voorzieningen alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk
                    inwoners van de gemeente zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40,
                    eerste lid van de wet. Door deze verwijzing ook aan de opdracht aan het college
                    te koppelen, wordt aangegeven voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te
                    willen zetten. In verband met de samenwerking van de 5 gemeenten in het Land van
                    Cuijk kan het college gebruik maken van de mogelijkheid af te zien van het
                    begrip eigen inwoners. </al><al>Het college wenst, gelet op de ontwikkelingen van het participatiebudget,
                    uitdrukkelijk geen activiteiten/trajecten te financieren voor personen die een
                    voldoende uitgangspositie op de arbeidsmarkt hebben en/of personen die leven in
                    een gezinssituatie waar een inkomen aanwezig is hoger dan de voor belanghebbende
                    geldende bijstandsnorm. </al><al>Het tweede lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet
                    houden met de combinatie arbeid en zorg. Met name in de uitvoering, komt
                    vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt wordt. </al><tussenkop>Artikel 3. Budget- en subsidieplafonds</tussenkop><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Zie ook artikel 3 van deze
                    verordening. Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan echter nooit een reden
                    zijn om aanvragen voor voorzieningen te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken
                    kan de gemeente bij verordening subsidie- en budgetplafonds instellen. </al><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond ingebouwd wordt; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken. Het college zal hier terughoudend mee zijn, omdat
                    het perspectief van de belanghebbende voorop moet staan. </al><al>Een budgetplafond geldt voor de uitgaven die het college doet in het kader van
                    voorzieningen. Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies
                    inhouden. Een subsidieplafond dient wel bekendgemaakt te worden vóór de periode
                    waarvoor deze geldt ( art. 4:27 lid 1 Awb). </al><tussenkop>Artikel 4. Ondersteuning en voorzieningen</tussenkop><al>Dit artikel geeft het kader aan waarlangs de arbeidsinschakeling vorm kan worden
                    gegeven. Uitgangspunt hierbij is dat belanghebbende, waarvan de aanspraak op een
                    voorziening geëffectueerd wordt, allereerst gedurende een bepaalde periode op
                    eigen kracht probeert terug te keren naar de reguliere arbeidsmarkt. </al><al>Het aanbieden van gesubsidieerde arbeid kan zowel in de profit als
                    non-profitsector aan de orde zijn. Belanghebbende komt in dienst van het bedrijf
                    of de instelling waar de gesubsidieerde arbeidsplaats wordt gerealiseerd.</al><al>Een gesubsidieerde arbeidsplaats dient een vooropgezet tijdelijk karakter te
                    hebben. Doelstelling is om de belanghebbende gedurende een beperkte periode
                    werkervaring op te laten doen waarna doorstroom naar de reguliere arbeidsmarkt
                    dient plaats te vinden. </al><al>Het aanbieden van een gesubsidieerde arbeidsplaats, geschiedt in eerste
                    instantie voor een periode van maximaal 6 maanden. </al><al>Indien uit een evaluatie blijkt dat verlenging noodzakelijk is, kan deze termijn
                    éénmalig met een periode van 6 maanden worden verlengd. Voor de verlenging is de
                    evaluatie dus een noodzakelijke voorwaarde. </al><al>De gesubsidieerde arbeidsplaats, kan gerealiseerd worden door middel van een
                    aanstelling dan wel het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
                    bij een reguliere werkgever, bij een re-integratiebedrijf dan wel bij de
                    gemeente. Indien de aanstelling dan wel de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd
                    vervalt de loonkostensubsidie met ingang van de datum van beëindiging van de
                    aanstelling onderscheidenlijk de arbeidsovereenkomst. Indien de aanstelling of
                    arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden dan wel via een juridische
                    procedure wordt ontbonden, kan de loonkostensubsidie geheel of gedeeltelijk
                    worden teruggevorderd. </al><al>De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 50% van de netto
                    loonkosten. </al><al>In bijzondere gevallen kan dit verhoogd worden. Dit dient wel vanwege
                    omstandigheden van de belanghebbende het geval te zijn. Alleen een verzoek van
                    een werkgever is hiervoor niet voldoende. </al><al>De WWB biedt de mogelijkheid om aan personen een dienstverband aan te bieden
                    teneinde op detacheringsbasis werkervaring op te doen. Het dienstverband (voor
                    bepaalde tijd) is gericht op de bevordering van de arbeidsinschakeling van
                    uitkeringsgerechtigden waarbij het werkgeverschap is opgedragen aan een private
                    rechtspersoon die de uitkeringsgerechtigde in dienst neemt en vervolgens
                    detacheert bij een inlener. Door de detachering mogen geen bestaande reguliere
                    arbeidsplaatsen worden verdrongen. </al><al>In de WWB is een nieuwe voorziening geschapen voor alleenstaande ouders, te
                    weten de verlengde vrijlating. Tegenover afschaffing van de vrijlating van de
                    (aan de zorg gerelateerde) inkomensafhankelijke combinatiekorting staat een
                    nieuwe vrijlating van 12,5% van de arbeidsinkomsten (tot maximaal € 120,33 per
                    maand; bedrag per 1 juli 2012) per maand voor een maximale periode van 30
                    maanden. Een en ander onder voorwaarde dat de zesmaandenperiode van de
                    ‘reguliere’ inkomensvrijlating is verstreken, dat de ouder de volledige zorg
                    heeft van een ten laste komend kind tot 12 jaar en dat de arbeid bijdraagt aan
                    de arbeidsinschakeling.</al><tussenkop>Artikel 4, lid 3 Participatieplaats, Premie en Scholing </tussenkop><al>Tengevolge van de invoering van de Wet stimulering arbeidsparticipatie (STAP)
                    per 1 januari 2009 isaan het bestaande re-integratie-instrumentarium de
                    zogeheten Participatieplaats toegevoegd. Participatieplaatsen zijn tijdelijke,
                    onbeloonde en additionele werkzaamheden die met behoud van uitkering kunnen
                    worden verricht door uitkeringsgerechtigden die vooralsnog niet bemiddelbaar
                    zijn op de arbeidsmarkt. </al><al>Hierbij moet sprake zijn van re-integratie. De toenadering tot de arbeidsmarkt
                    staat voorop; de uitkeringsgerechtigde moet baat hebben bij het opdoen van
                    werkervaring of tijd nodig hebben om te wennen aan werkgerelateerde aspecten,
                    zoals regelmaat. </al><al>Voorts moet het gaan om een additionele functie. Dat wil zeggen een speciaal
                    gecreëerde functie of een al bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde
                    alleen met speciale begeleiding kan verrichten. </al><al>Een participatieplaats kan maximaal 2 jaar worden aangeboden. Omdat het niet de
                    bedoeling is dat uitkeringsgerechtigden onnodig lang op een dergelijke plaats
                    zitten, en zo snel als mogelijk op een ander traject of regulier werk ingezet
                    moeten kunnen worden, wordt in deze verordening geen gebruik gemaakt van de
                    mogelijkheid voor een verdere verlenging dan de vermelde twee jaar.</al><al>Omdat het belangrijk is dat de uitkeringsgerechtigde er financieel op vooruit
                    gaat als een langer durende inspanning wordt gevraagd is, in artikel 10a van de
                    WWB en artikel 38a IOAW en IOAZ, geregeld dat men na 6 maanden op een
                    participatieplaats en vervolgens iedere 6 maanden recht heeft op een
                    premie.</al><al>Artikel 8 van de WWB en artikel 35 IOAW/IOAZ verlangt van de Raad dat zij regels
                    stelt met betrekking tot de hoogte van deze premie, alsmede de eventuele inzet
                    van scholing of opleiding, indien er sprake is van een persoon die algemene
                    bijstand ontvangt en die in het kader van een door het college aangeboden
                    voorziening onbeloonde arbeid verricht. </al><al>Gekozen is voor een premie van € 300,-- per half jaar. Omdat de wetgever heeft
                    gesteld dat het bedrag van de premie in relatie tot de armoedeval bezien moet
                    worden, is duidelijk dat de premie niet te hoog mag worden. Voorts moet bedacht
                    worden dat de premie eens per half jaar verstrekt moet worden. Door een bedrag
                    van € 300,-- per half jaar aan te houden, loopt het totaal bedrag (uitgaande van
                    maximaal 2 jaar is dit € 1.200,--) niet teveel uit de pas met het bedrag van de
                    uitstroompremie.</al><tussenkop>Artikel 4, lid 4 Premie duurzame uitstroom</tussenkop><al>Deze bepaling heeft betrekking op de mogelijkheid om bij duurzame uitstroom een
                    premie te verstrekken aan belanghebbenden. Er is voor gekozen om een eventuele
                    premie te koppelen aan de uitkeringsduur. Ditom te voorkomen
                    datbelanghebbenden die slechts een beperkte periode een bijstandsuitkering
                    hebben genoten ook hiervoor in aanmerking komen. Niet valt in te zien dat een
                    belanghebbende die na een paar maanden uitkering een (nieuwe) baan vindt,
                    hiervoor extra “beloond” zou moeten worden. </al><al>De premie is bedoeld om diegenen te stimuleren die reeds langere tijd op een
                    uitkering zijn aangewezen en waarbij dus sprake is van een grote tot zeer grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt. Zij zullen over het algemeen een grotere inspanning
                    moeten leveren om weer op de arbeidsmarkt terug te keren.</al><al>Ook voor de categorie alleenstaande ouders met kinderen onder de 12 jaar geldt
                    dat zij extra inspanningen moeten leveren om reguliere arbeid te verkrijgen.
                    Vandaar dat ook deze groep in aanmerking kan komen voor de uitstroompremie. </al><al>De hoogte van de premie is bepaald op 50% van het in artikel 31, lid 2, sub j
                    van de WWB en artikel 8, lid 2 IOAW/IOAZ vermelde bedrag (per 1 juli 2012 geldt
                    een bedrag van € 2.292,00 per kalenderjaar). </al><tussenkop>Artikel 5. Verplichtingen</tussenkop><al>Alle rechten en plichten welke aan een re-integratietraject zijn verbonden
                    worden in een beschikking dan wel een trajectplan opgenomen. Op deze wijze is
                    voor alle partijen duidelijk welke afspraken zijn gemaakt en welke inspanningen
                    (zowel door de gemeente als door belanghebbende) worden verricht. </al><tussenkop>Artikel 6. Overgangsbepalingen</tussenkop><al>Dit artikel voorziet in een overgangsregeling voor personen die nog een
                    (gesubsidieerde) arbeidsplaats hebben op grond van de Wet Inschakeling
                    Werkzoekenden (WIW) dan wel de In- en Doorstroombanen (ID-banen). </al><tussenkop>Artikel 7. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel behelst een hardheidsclausule en maakt het mogelijk om, indien de
                    toepassing van de verordening tot onbillijkheden leidt, af te wijken van hetgeen
                    in de verordening is vastgelegd. Voorts mandateert dit artikel de bevoegdheid
                    aan het college om een besluit te nemen in gevallen waarin deze verordening niet
                    voorziet. </al><tussenkop>Artikelen 8 en 9</tussenkop><al>Deze artikelen spreken voor zich. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>