<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR255261_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Maatschappelijke participatie WWB 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">Gemeenterubriek Boxmeers Weekblad 12 februari 2013; website gemeente Boxmeer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Maatschappelijke participatie WWB 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">1. Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1g, art. 8, lid 2 en art. 35, lid 5 2. Algemene wet bestuursrecht 3. Gemeentewet </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-11-12</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regelgeving</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>I-SZ/2012/725</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>N.v.t.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-13966</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Maatschappelijke participatie WWB 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De Raad van de gemeente Boxmeer;</vet></al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 december
                        2012;</al><al>gelet op de artikelen 108 en 147 van de Gemeentewet en de bepalingen van
                        de algemene wet bestuursrecht;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel g; artikel 8, lid 2 en artikel
                        35 lid, 5 van de Wet werk en bijstand;</al><al>overwegende dat het wenselijk is financiële belemmeringen voor deelname
                        aan maatschappelijke activiteiten op het gebied van sportieve,
                        sociaal-culturele en educatieve activiteiten te verminderen of zoveel
                        mogelijk op te heffen, zowel voor volwassenen als voor kinderen die
                        onderwijs of een beroepsopleiding volgen; </al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen:</al><al><vet>Verordening Maatschappelijke participatie WWB 2012</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                        besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en welke
                                        in de categorieaanduiding in artikel 2 nader is
                                        omschreven;</al></li><li nr="c."><al>maatschappelijke participatie: het deelnemen aan
                                        activiteiten van sportieve, sociaal-culturele of educatieve
                                        aard zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening.</al></li><li nr="d."><al>tegemoetkoming: de bijdrage die op grond van artikel 108 en
                                        artikel 149 van de Gemeentewet verstrekt kan worden, bedoeld
                                        in hoofdstuk 2 van deze verordening;</al></li><li nr="e."><al>schoolgaande kinderen: kinderen tot 18 jaar die voortgezet
                                        onderwijs volgen; </al></li><li nr="f."><al>peildatum: de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is
                                        ingediend;</al></li><li nr="g."><al>kalenderjaar: het tijdvak van een jaar lopend van 1 januari
                                        tot 1 januari van het jaar daaropvolgend;</al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Boxmeer;</al></li><li nr="i."><al>de raad: de gemeenteraad van Boxmeer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Rechthebbenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Recht op een tegemoetkoming of categoriale bijzondere bijstand
                                bestaat voor de in Nederland woonachtige Nederlander of een daarmee
                                gelijkgestelde vreemdeling als bedoeld in artikel 11, lid 2 en 3
                                WWB.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Recht op een tegemoetkoming of categoriale bijzondere bijstand
                                bestaat voor een alleenstaande, een alleenstaande ouder met zijn ten
                                laste komende kinderen of gehuwden waarbij het in aanmerking te
                                nemen inkomen op de peildatum niet hoger is dan 110% van de
                                toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Recht op een tegemoetkoming of categoriale bijzondere bijstand
                                bestaat voor een alleenstaande, een alleenstaande ouder met zijn ten
                                laste komende kinderen of gehuwden waarbij het in aanmerking te
                                nemen vermogen op de peildatum lager is dan de toepasselijke
                                vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, lid 2 WWB. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al>Voor belanghebbenden aan wie een tegemoetkoming voor deelname
                            maatschappelijke participatie kan worden verleend geldt een
                            categorieaanduiding. De categorieën worden aangeduid als: </al><lijst><li nr="1."><al>ouders/verzorgers met kinderen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar
                                    kunnen in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor
                                    sociaal-culturele, educatieve en sportieve participatie voor
                                    kinderen;</al></li><li nr="2."><al>ouders/verzorgers met schoolgaande kinderen in de leeftijd tot
                                    18 jaar die een vorm van voortgezet onderwijs volgen kunnen in
                                    aanmerking komen voor vergoeding van de indirecte
                                    schoolkosten;</al></li><li nr="3."><al>personen van 18 jaar en ouder kunnen in aanmerking komen voor een
                            tegemoetkoming voor sociaal-culturele, educatieve en sportieve
                            participatie. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Maatschappelijke participatie</titel></kop><al>Maatschappelijke participatie is het deelnemen aan activiteiten van
                            sportieve, sociaal-culturele of educatieve aard met als doel sociale
                            uitsluiting tegen te gaan. Onder kosten van maatschappelijke
                            participatie worden in ieder geval verstaan de gemaakte of te maken
                            kosten van: </al><lijst><li nr="a."><al>lidmaatschap van verenigingen op het gebied van sport, cultuur
                                    of ontspanning;</al></li><li nr="b."><al>indirecte schoolkosten, niet zijnde de schoolkosten bedoeld in
                                    de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS)
                                    voor schoolgaande kinderen in de leeftijd tot 18 jaar. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Recht op tegemoetkoming kosten maatschappelijke
                            participatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Uitsluitend een belanghebbende zoals bedoeld in artikel 2 van deze
                            verordening komt in aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van deze
                            verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Uitsluitend kosten voor sociaal-culturele, educatieve respectievelijk
                            sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten in verband met
                            ‘maatschappelijke participatie’ zoals bedoeld in artikel 4 komen in
                            aanmerking voor een tegemoetkoming op grond van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Maximale tegemoetkoming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De hoogte van de tegemoetkoming voor maatschappelijke participatie
                                (sociaal- culturele, educatieve en sportieve activiteiten) bedraagt
                                maximaal per gezinslid per kalenderjaar € 120,00.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de tegemoetkoming voor maatschappelijke participatie
                                (indirecte schoolkosten) bedraagt maximaal per schoolgaand kind
                                jonger dan 18 jaar € 115,00 per kalenderjaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt beleidsregels vast met betrekking tot de
                                uitvoering van deze regeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beleidsregels bevatten in ieder geval een richtsnoer van de te
                                verstrekken kosten in verband met sociaal-culturele, educatieve en
                                sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                            onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke
                            participatie WWB 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van
                            bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2012, behoudens
                            situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                            belanghebbende.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ‘Stimuleringsregeling maatschappelijke activiteiten’ en de
                            ‘Bijdrageregeling schoolkosten voortgezet onderwijs’, vastgesteld in de
                            vergadering van het College van burgemeester en wethouders van 19 juli
                            2005, vervallen bij inwerkingtreding van deze verordening. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de Raad van de gemeente Boxmeer</ondertekening><ondertekening>in zijn openbare vergadering van 24 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>A.W.J.M. Cornelissen CMC</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>K.W.T. van Soest</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Boxmeer/i168982.pdf">I-SZ 2012 725 GET Verordening Maatschappelijke Participatie WWB 2012.pdf</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening Maatschappelijke participatie WWB 2012 </titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting </tussenkop><al>In de motie Blanksma-Spekman c.s.1. vraagt de Tweede Kamer de regering om
                    gemeenten financieel af te rekenen als zij onvoldoende bijdragen aan de
                    doelstelling om het aantal kinderen uit arme gezinnen dat om financiële redenen
                    maatschappelijk niet meedoet, met de helft terug te dringen. Bij de uitvoering
                    van deze motie heeft de regering echter gekozen voor een uitwerking die recht
                    doet aan het uiteindelijke doel van de motie, namelijk het steviger stimuleren
                    van gemeenten om daadwerkelijk werk te maken het aantal kinderen uit arme
                    gezinnen dat maatschappelijk niet meedoet om financiële redenen terug te
                    dringen. Daartoe voorziet het wetsvoorstel tot Samenvoeging Wet werk en bijstand
                    met de Wet investeren in jongeren in een verordeningplicht voor gemeenteraden
                    ten aanzien van artikel 35 lid 5 WWB.</al><al>Maatschappelijke participatie van kinderen is van groot belang met het oog op
                    een zelfredzame toekomst. In dat verband is het gewenst dat
                    inkomensondersteuning ten behoeve van die participatie rechtstreeks aan zoveel
                    mogelijk minderjarige kinderen van de doelgroep ten goede komt.</al><al>Doordat in artikel 8 van de WWB een onderdeel is toegevoegd worden gemeenteraden
                    verplicht regels op te nemen in een verordening over de wijze waarop meegewerkt
                    wordt aan het bevorderen van de maatschappelijke participatie. Daarom heeft de
                    regering er voor gekozen om de gemeenteraden voor te schrijven dat zij gehouden
                    zijn een verordening op te stellen met betrekking tot het verlenen van
                    categoriale bijzondere bijstand voor de kosten in verband met maatschappelijke
                    participatie van ten laste komende kinderen die onderwijs of een
                    beroepsopleiding volgen (conform artikel 35, vijfde lid, van de WWB). De
                    gemeenteraden zijn gehouden om in ieder geval in de verordening invulling te
                    geven aan het begrip maatschappelijke participatie.</al><tussenkop>Betekenis verordeningsplicht en inhoud verordening </tussenkop><al>Strekking van de verordeningsplicht is dat gemeenten werk maken van
                    maatschappelijke participatie van kinderen. Daartoe zijn in de vorige
                    kabinetsperiode extra middelen (zgn. Aboutaleb-middelen) aan het gemeentefonds
                    toegevoegd. Voor gemeenten die al maatregelen hebben genomen om de participatie
                    van kinderen te bevorderen – zoals de gemeente Boxmeer - betekent dit dat zij
                    hun beleid rechtstreeks in de verordening kunnen opnemen en daarmee voldaan
                    hebben aan de verordeningsplicht. </al><al>De verordeningsplicht verandert niets aan de gemeentelijke beleidsvrijheid op
                    dit punt. Dit wetsvoorstel dwingt daarom niet tot het creëren van categoriale
                    bijzondere bijstand voor schoolgaande kinderen. Een doeltreffender vorm van
                    bijstandverlening is volgens het Rijk de individuele bijzondere bijstand,
                    waardoor de bijstandverlening daadwerkelijk gemaakte kosten compenseert.
                    Uiteraard dienen daarbij de kaders van de WWB niet te buiten gegaan worden. Dat
                    betekent ondermeer dat als het categoriale regelingen betreft, de
                    inkomensnormering van 110% gerespecteerd wordt en dat geen inkomensondersteuning
                    plaatsvindt aan personen die uitgesloten zijn van het recht op bijstand. Met de
                    verordeningsplicht krijgen colleges de opdracht om gerichte –generieke dan wel
                    individuele- participatiebevorderende maatregelen te treffen voor schoolgaande
                    kinderen. Daarmee wordt de door het Rijk gewenste transparantie en
                    verantwoording van beleid bereikt. </al><al>De gemeente Boxmeer kende al regelingen voor participatie in de vorm van de
                    ‘Stimuleringsregeling maatschappelijke activiteiten’ en de ‘Bijdrageregeling
                    schoolkosten voortgezet onderwijs’. Deze regelingen regelden zowel de
                    tegemoetkomingen voor volwassenen voor sociale en culturele activiteiten als de
                    tegemoetkomingen voor schoolgaande kinderen. Op grond van de wijzigingen in de
                    WWB per 1 januari 2012 dient de gemeente specifiek beleid ten behoeve van de
                    participatie van schoolgaande kinderen in een verordening op te nemen.</al><al>Om deze reden zijn de ‘Stimuleringsregeling maatschappelijke activiteiten’ en de
                    ‘Bijdrageregeling schoolkosten voortgezet onderwijs’ vanuit praktische
                    overwegingen in één verordening ondergebracht. Daarbij moet wel worden bedacht
                    dat de wettelijke grondslagen verschillend zijn. De categorieën 1 en 2 uit
                    artikel 3 ontlenen hun rechtsgrond uit de opdracht vanuit de Wet werk en
                    bijstand. Categorie 3 uit hetzelfde artikel ontleent zijn rechtsgrond aan de
                    Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de Verordening moet worden gewijzigd. </al><al>Het begrip ‘tegemoetkoming’ is in de verordening gebruikt en heeft een ruime
                    betekenis gekregen. In wezen wordt met iedere vorm van financiële ondersteuning
                    of ondersteuning in natura die specifiek bestemd is voor de maatschappelijke
                    participatie van kinderen, door het college uitvoering gegeven aan de wens van
                    de wetgever als verwoord in de Memorie van Toelichting op artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel g, WWB. Een dergelijke voorziening kan bijzondere bijstand zijn, maar
                    ook een tegemoetkoming of kostenvergoeding dan wel een subsidie of verstrekking
                    ‘in natura’, zolang dit maar bijdraagt aan de participatie.</al><al>Ondanks de wens van het Rijk om de categoriale bijzondere bijstand in natura te
                    verstrekken, wordt hier nog niet voor gekozen. Op dit moment is het verstrekken
                    van een financiële vergoeding de meest doeltreffende vorm omdat het
                    uitvoeringstechnisch het beste realiseerbaar is. In de toekomst kan hierin
                    natuurlijk een andere keuze in gemaakt worden. </al><al>‘Schoolgaande kinderen’ is gedefinieerd. Schoolgaande kinderen staan centraal in
                    het beleid m.b.t. maatschappelijk participatie. Dit begrip wordt ook genoemd in
                    artikel 8, eerste lid, onderdeel g, WWB maar niet nader omschreven. Onder
                    schoolgaande kinderen wordt in dit verband verstaan, niet alleen kinderen die
                    feitelijk schoolgaand zijn, maar ook zij die de verplichting hebben omdat ze
                    onder de leerplicht of kwalificatieplicht vallen. </al><tussenkop>Artikel 2. Rechthebbenden</tussenkop><al>In dit artikel is de kring van rechthebbenden beschreven. Voor bepaling van het
                    recht op tegemoetkoming zijn de bepalingen uit de Wet werk en bijstand van
                    overeenkomstige toepassing. De belangrijkste daarvan zijn leefvorm, inkomen,
                    vermogen en rechtmatig verblijf in Nederland. </al><tussenkop>Artikel 3. Categorieën</tussenkop><al>De categorie-indeling is gebaseerd op de doelgroepen die met deze verordening
                    moeten worden bediend. Enerzijds vanuit de opdracht Wet werk en bijstand.
                    Anderzijds wordt de rechtsgrond ontleent aan de Gemeentewet. </al><tussenkop>Artikel 4. Maatschappelijke participatie</tussenkop><al>Maatschappelijke participatie betekent mee (kunnen) doen in de maatschappij.
                    Voorkomen moet worden dat burgers door financiële beperkingen in een sociaal
                    isolement geraken. In dit artikel staan de kosten die in aanmerking komen voor
                    een bijdrage. </al><tussenkop>Artikel 5. Voorwaarden</tussenkop><al>In dit artikel zijn de algemene voorwaarden opgenomen om in aanmerking te komen
                    voor categoriale bijzondere bijstand in het kader van deze verordening. </al><al>In artikel 5 lid 1 van deze verordening wordt voor de duidelijkheid verwezen
                    naar de voorwaarden die volgen uit de wet. </al><al>In lid 2 van dit artikel is voorts bepaald dat uitsluitend kosten voor
                    sociaal-culturele, educatieve respectievelijk sportieve activiteiten en
                    indirecte schoolkosten in verband met ‘maatschappelijke participatie’ zoals
                    bedoeld in artikel 4 in aanmerking komen voor categoriale bijzondere bijstand op
                    grond van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 6. Maximale tegemoetkoming </tussenkop><al>In artikel 5 van deze verordening is bepaald dat voor categoriale bijzondere
                    bijstand op grond van deze verordening kosten voor sociaal culturele, educatieve
                    respectievelijk sportieve activiteiten en indirecte schoolkosten in verband met
                    ‘maatschappelijke participatie’ zoals bedoeld in artikel 4 in aanmerking komen.
                    Om de kosten enigszins te kunnen beheersen is in artikel 6 van deze verordening
                    de maximale vergoeding per gezinslid per kalenderjaar vastgelegd. </al><tussenkop>Artikel 7. Uitvoering</tussenkop><al>Omdat de uitvoering van het verstrekken van categoriale bijzondere bijstand is
                    opgedragen aan het college worden ten behoeve van de uitvoering nadere
                    beleidsregels gesteld. Deze beleidsregels dienen als handvat voor de
                    uitvoering.</al><al>In artikel 7 lid 2 van deze verordening is bepaald dat de beleidsregels in ieder
                    geval een richtsnoer van de te verstrekken kosten bevatten.</al><al>Hierbij kan gedacht worden aan: </al><tussenkop>- Sociaal culturele, educatieve respectievelijk sportieve
                    activiteiten</tussenkop><al>Deze activiteiten kunnen in georganiseerd verband plaatsvinden dan wel op
                    individuele basis. Gedacht kan worden aan deelname aan sociale activiteiten
                    (bezoek aan bioscoop, schouwburg), educatieve activiteiten (cursusgeld voor
                    instellingen voor hobby, educatie of onderwijs), culturele activiteiten (bijv.
                    kosten voor musea, bibliotheek) en/of sportieve activiteiten (o.a.
                    sportvereniging, jeugdvereniging). </al><tussenkop>- Indirecte schoolkosten</tussenkop><al>Kinderen die voortgezet onderwijs volgen kosten de ouders veel geld. Het college
                    kan een bijdrage voor een tegemoetkoming in de studiekosten verstrekken. Het
                    gaat om kinderen in de leeftijd tot 18 jaar die voortgezet onderwijs volgen. Wat
                    de indirecte studiekosten betreft moet gedacht worden aan: ouderbijdrage; kosten
                    schoolreisje, schoolkamp, excursies; kosten schooltas, schrijfmiddelen; fiets;
                    leermiddelen. </al><al>Geen tegemoetkoming wordt verstrekt als op een andere wijze in de kosten kan
                    worden voorzien (voorliggende voorziening).</al><tussenkop>Artikel 8. Hardheidsclausule </tussenkop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid in alle niet-voorziene situaties
                    te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze beslissingen onderworpen zijn
                    aan de voorgeschreven bezwaar- en beroepsprocedures, dient ook in deze gevallen
                    de beslissing gemotiveerd genomen te worden. </al><tussenkop>Artikel 9. Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 10. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij is aansluiting
                    gezocht bij het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband
                    met de herziening van de definities van gezin en middelen (Wet afschaffing
                    huishoudinkomenstoets)’. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>