<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR255258_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">Gemeenterubriek Boxmeers Weekblad 12 februari 2013; website gemeente Boxmeer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">1. Wet werk en bijstand, art. 8, 1c en art. 30 2. Algemene wet bestuursrecht 3. Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>I-SZ/2012/720</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-13965</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De Raad van de gemeente Boxmeer,</vet></al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 december
                        2012; </al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de bepalingen van de Algemene
                        wet bestuursrecht (Awb); </al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c en artikel 30 van de Wet
                        werk en bijstand;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder
                        doch jonger dan 65 jaar bij verordening te regelen;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen: </al><al><vet>Toeslagenverordening</vet><vet>WWB</vet><vet>20</vet><vet>12</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    <onderstreept>Wet</onderstreept><onderstreept>werk</onderstreept><onderstreept>en</onderstreept><onderstreept>bijstand</onderstreept>,
                                de
                                    <onderstreept>Algemene</onderstreept><onderstreept>wet</onderstreept><onderstreept>bestuursrecht</onderstreept>
                                (Awb) en de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a)"><al>de wet: de
                                            <onderstreept>Wet</onderstreept><onderstreept>werk</onderstreept><onderstreept>en</onderstreept><onderstreept>bijstand</onderstreept>;</al></li><li nr="b)"><al>college: College van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="c)"><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in
                                            <onderstreept>artikel</onderstreept><onderstreept>21</onderstreept>
                                        onderdeel c WWB;</al></li><li nr="d)"><al>woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j
                                        Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                                        zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB;</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening zijn uitsluitend van toepassing op
                            belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval
                            van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien
                            beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar zijn. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 20 procent
                                van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25 van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gehuwdennorm voor een belanghebbende die met één of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag wordt eveneens bepaald op 20% van de gehuwdennorm als
                                belanghebbende als inwonende een commerciële prijs is
                                verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van een commerciële prijs als bedoeld in het vorige lid is sprake
                                indien de belanghebbende als inwonende een reële prijs voor
                                woonkosten is verschuldigd, zijnde tenminste een bedrag dat
                                overeenkomt met 15% van de gehuwdennorm. Voor kostgangers worden de
                                woonkosten bepaald door een aftrek op het verschuldigde kostgeld toe
                                te passen ter hoogte van de voedingskosten volgens de normen van het
                                Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft: thuisinwonende kinderen van 18 jaar en ouder
                                die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het
                                normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs,
                                genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging norm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10% van
                                de gehuwdennorm voor een belanghebbende die met één of meer anderen
                                in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het vorige lid blijft achterwege als
                                belanghebbende als inwonende een commerciële prijs is
                                verschuldigd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het vierde en vijfde lid van artikel 3 zijn van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>– Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 en 4 van deze verordening geschiedt
                            zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>voor een alleenstaande: 50 procent van de gehuwdennorm; </al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder: 70 procent van de gehuwdennorm;
                                </al></li><li nr="c."><al>voor een gezin: 80 procent van de gehuwdennorm. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB
                            2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2012, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Tot 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing
                                    (geweest) op personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB.
                                </al></li><li nr="3."><al>De Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand
                                    2011, vastgesteld in de vergadering van 1 maart 2012, is tot
                                    uiterlijk 1 januari 2013 uitsluitend van toepassing op personen
                                    als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB. Per 1 januari 2013 vervalt
                                    de Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand
                                    2011. </al></li><li nr="4."><al>Bij inwerkingtreding van deze verordening komt de Verordening
                                    Toeslagen en verlagingen Wet investeren in jongeren, vastgesteld
                                    in de vergadering van 10 december 2009, te vervallen. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de Raad van de gemeente Boxmeer</ondertekening><ondertekening>in zijn openbare vergadering van 24 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>A.W.J.M. Cornelissen CMC</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>K.W.T. van Soest</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Boxmeer/i168981.pdf">I-SZ 2012 720 GET Toeslagenverordening WWB 2012.pdf</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de Toeslagenverordening WWB 2012</titel></kop><tussenkop>Aanleiding </tussenkop><al>Aanleiding voor het vaststellen van een nieuwe verordening is de
                    inwerkingtreding van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets van 12 juli 2012,
                    gepubliceerd in Staatsblad 322 van 17 juli 2012. Deze wet is de uitwerking van
                    de afspraak in het Begrotingsakkoord 2013 dat de huishoudinkomenstoets, die per
                    1 januari 2012 in de WWB was ingevoerd, weer wordt afgeschaft. In de WWB werd
                    toen de toets op het inkomen van de partner vervangen door een toets op
                    gezinsniveau (huishoudinkomen). </al><al>Gelet op het Begrotingsakkoord werken de wijzigingen in de wet als gevolg van de
                    afschaffing van de huishoudinkomenstoets terug tot en met 1 januari 2012. </al><al>Als gevolg hiervan moest de Toeslagenverordening, die voorlag voor
                    besluitvorming voor de raad van juni 2012, weer worden aangepast. De
                    belangrijkste aanpassingen betreffen het wijzigen van “gezin” in “gehuwden” en
                    “gezinsnorm” in “gehuwdennorm”. Daarmee geldt dan feitelijk weer hetzelfde
                    regime als voor de invoering van de huishoudinkomenstoets. </al><al>Bij het wijzigen van de verordening is rekening gehouden met mensen die vielen
                    onder artikel 78w WWB. Tot 1 januari 2013 vielen zij onder het oude regime. In
                    de verordening is daarom een bepaling opgenomen die regelt dat de oude
                    verordening nog tot </al><al>1 januari 2013 van toepassing is gebleven op deze groep. </al><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Hoofdstuk 3 van de WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen en toeslagen en verlagingen.</al><al>De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf 3 in de artikelen 20 tot en met 24
                    WWB. Daarnaast voorziet paragraaf 2 in toeslagen en verlagingen. Dit is geregeld
                    in de
                        <onderstreept>artikelen</onderstreept><onderstreept>25</onderstreept><onderstreept>tot</onderstreept><onderstreept>en</onderstreept><onderstreept>met</onderstreept><onderstreept>29</onderstreept><onderstreept>WWB</onderstreept>.
                    Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm te verhogen met een
                    toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te passen hoeft geen gebruik
                    gemaakt te worden.</al><al>Voor bijstandsgerechtigden ouder dan 21 jaar doch jonger dan 65 jaar bestaan er
                    een drietal basisnormen
                        (<onderstreept>artikel</onderstreept><onderstreept>21</onderstreept><onderstreept>WWB</onderstreept>),
                    te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>Gehuwden 100% van het netto wettelijk minimumloon (= de
                            gehuwdennorm)</al></li><li nr="2."><al>Alleenstaande ouders 70% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="3."><al>Alleenstaanden 50% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande ouder
                    indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet geheel gedeeld
                    kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten wordt aanwezig geacht
                    als naast betreffende belanghebbende nog één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken als huur, gas, water en licht, maar
                    ook krant etc. gedeeld worden. </al><al>De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de uitkering
                    maximaal bedraagt voor:</al><lijst><li nr="·"><al>Alleenstaande ouders 90% van de gehuwdennorm</al></li><li nr="·"><al>Alleenstaanden 70% van de gehuwdennorm</al></li></lijst><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van 20% van
                    de gehuwdennorm, mits dit aansluit bij het niveau van de noodzakelijke
                    bestaanskosten. </al><al>De verlaging is geregeld in artikel 4 van de verordening. De verlaging wordt
                    toegepast in de volgende situatie:</al><al>·Verlaging bij gehuwden in verband met het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met een ander.</al><al>In deze verordening is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden die de WWB
                    biedt om:</al><lijst><li nr="A."><al>De norm lager vast te stellen vanwege het ontbreken van woonkosten
                            oftewel de woonsituatie (artikel 27 WWB).</al></li><li nr="B."><al>De norm lager vast te stellen in geval van recentelijk beëindigen van
                            studie (artikel 28 WWB).</al></li><li nr="C."><al>De toeslag lager vast te stellen voor een alleenstaande van 21 of 22
                            jaar (artikel 29 WWB).</al></li></lijst><al>Ad A.</al><al>Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de
                    bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld in
                    het geval van krakers. Hiervan is echter ook sprake ingeval een derde,
                    bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonkosten betaalt van de woning. Er
                    wordt dan een woning bewoond waaraan voor de bijstandsgerechtigde geen
                    woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd
                    zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand. </al><al>In Boxmeer wordt een verlaging op grond van dit artikel niet toegepast omdat
                    dergelijke situaties in de praktijk bijna niet voorkomen. </al><al>Ad B.</al><al>Door aanscherping van de eisen voor jongeren in de WWB zal de instroom beperkt
                    zijn. Indien in voorkomende gevallen toch een beroep op de bijstand moet worden
                    gedaan dan valt niet in te zien dat de (alleenstaande) schoolverlater gedurende
                    de eerste 6 maanden van de uitkeringsduur lagere kosten heeft dan een andere
                    uitkeringsgerechtigde.</al><al>Ad C.</al><al>De wet biedt de mogelijkheid de toeslag van 21- en 22-jarige alleenstaanden te
                    verlagen indien de hoogte van de toeslag een belemmering vormt voor de
                    aanvaarding van arbeid. De verordening geldt niet voor de bij hun ouders
                    inwonende kinderen van 21 en 22 jaar, omdat die immers tot het gezin behoren.
                    Voor de alleenstaande jongere van 21 en 22 jaar ligt het nettominimumloon boven
                    de bijstandsnorm met maximale toeslag. Een financiële prikkel om te gaan werken
                    blijft dus aanwezig en geeft derhalve geen aanleiding een verlaging op de
                    toeslag toe te passen. </al><al>Het is niet nodig om in de Toeslagenverordening alle mogelijke situaties
                    uitputtend te regelen. In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het
                    college immers de bevoegdheid c.q. de plicht om de bijstand op grond van
                        <onderstreept>artikel</onderstreept><onderstreept>18</onderstreept><onderstreept>lid</onderstreept><onderstreept>1</onderstreept><onderstreept>WWB</onderstreept>
                    bij wijze van individualisering afwijkend vast te stellen. </al><al>Eenvoudigheidshalve is ook de werking van de verordening beperkt tot
                    belanghebbenden van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, hoewel de WWB de
                    mogelijkheid biedt om de verlagingen ook toe te passen op belanghebbenden van
                    18, 19 of 20 jaar. In een uitzonderlijke situatie waarin een belanghebbende van
                    21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar slechter af zou zijn dan een
                    belanghebbende van 18, 19 of 20 jaar in overigens vergelijkbare omstandigheden,
                    ligt het voor de hand dat het college eveneens op grond van
                        <onderstreept>artikel</onderstreept><onderstreept>18</onderstreept><onderstreept>lid</onderstreept><onderstreept>1</onderstreept><onderstreept>WWB</onderstreept>
                    de bijstand aanpast. </al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Lid 2 onderdeel c: gehuwdennorm</al><al>Voor het begrip ‘gehuwdennorm’ wordt verwezen naar de norm voor gehuwden waarvan
                    alle meerderjarige gezinsleden jonger dan 65 jaar zijn, zoals bedoeld in artikel
                    21 onderdeel c WWB. </al><al>Lid 2 onderdeel d: woning </al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat de
                    tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt
                    artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende bepalingen onder een
                    woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan moet worden. Voorts volgt
                    uit de totstandkomingsgeschiedenis van de WWB dat voor de invulling van het
                    begrip woning kan worden aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is
                    bepaald dat onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1
                    onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals
                    bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB.</al><tussenkop>Artikel 2. Doelgroep</tussenkop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor
                    gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21
                    jaar.</al><tussenkop>Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder) </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een
                            alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag
                            indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of
                            gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van
                            deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze
                            verordening. De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB
                            verplicht te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm
                            bedraagt voor de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning
                            geen ander zijn hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot
                            verlaging van de norm of toeslag op andere gronden). </al></li><li nr="2."><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                            dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Gekozen
                            is voor 10 procent van de gehuwdennorm. Het gezamenlijk bewonen van een
                            woning levert schaalvoordelen op. Deze schaalvoordelen treden op omdat
                            de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, heffingen,
                            belastingen, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn
                            voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per woning
                            slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden
                            berekend op 10%. Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen
                            delen van kosten, wordt de toeslag als gevolg van de optredende
                            schaalvoordelen vastgesteld op 10% van de gehuwdennorm. Het aantal
                            personen die kosten kunnen delen is niet van invloed op de hoogte van de
                            toeslag.</al></li><li nr="3."><al>Een toeslag van 20% is eveneens mogelijk voor onderhuurders,
                            kamerbewoners en kostgangers indien een commerciële prijs is
                            verschuldigd. Boven een bepaalde grens aan woonkosten wordt
                            verondersteld dat men niet of nauwelijks kosten kan delen. Als men al
                            kosten kan delen dan wordt er van uitgegaan dat die dermate laag zijn
                            dat een toeslag van 20% gerechtvaardigd is. Kostgangers betalen zowel
                            voor kost als inwoning. Veelal is er sprake van een all-in prijs. Om een
                            zuiver beeld te verkrijgen van de woonkosten wordt een correctie
                            toegepast. Die bestaat uit een aftrek op het verschuldigde kostgeld ter
                            hoogte van de voedingskosten volgens de normen van het Nationaal
                            Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud). Voor woonkosten hanteert het
                            Nibud eveneens normenbedragen. Die komen op maandbasis overeen met 15%
                            van de gehuwdennorm. Om die reden wordt bij de bepaling van de
                            commerciële prijs daarbij aangesloten. </al></li><li nr="4."><al>Zie 3.</al></li><li nr="5."><al>Voor de toepassing van dit artikel worden niet alle personen aangemerkt
                            als <cursief>een</cursief><cursief>ander</cursief> die in
                            dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. In het kader van deze
                            verordening gaat het daarbij om inwonende kinderen met een inkomen boven
                            een bepaalde grens: </al></li></lijst><al>In uitzonderingssituaties kan echter een inwonend kind toch niet tot het gezin
                    behoren. In deze kan sprake zijn van het kunnen delen van kosten. Als
                    inkomensgrens wordt daarbij genomen het normbedrag voor levensonderhoud voor
                    hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.
                    Komt het inkomen daarboven dan wordt het kind geacht kosten te kunnen delen. Het
                    gestelde in artikel 3 lid 2 van deze verordening is dan van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 4. Verlaging norm gehuwden</tussenkop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen indien
                    belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                    waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander.</al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                    verordening. Ingeval in de woning van gehuwden een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld
                    kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm
                    (zie artikel 4 lid 1 van deze verordening).</al><tussenkop>Artikel 5. Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende omstandigheden
                    en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt. </al><al>Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het
                    college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag
                    moet vaststellen, dat er feitelijk geen sprake meer is van een toereikende
                    uitkering. In voorkomende gevallen zou het college de bijstand op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18, lid 1 WWB hoger moeten vaststellen.
                    Er is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag
                    vast te leggen waarop het college de bijstandsnorm (inclusief eventuele toeslag
                    en verlagingen) tenminste moet vaststellen. </al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij samenloop
                    ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde
                    percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te gaan,
                    gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende. </al><tussenkop>Artikel 6. Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij is aansluiting
                    gezocht bij het wetsvoorstel “Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband
                    met de herziening van de definities van gezin en middelen” (Wet afschaffing
                    huishoudinkomenstoets). </al><al>Voor een beperkte groep bijstandsgerechtigden bleef de oude Toeslagenverordening
                    nog van kracht tot 1 januari 2013. Dat is geregeld in lid 2 en 3 van dit
                    artikel. Het ging hierbij om mensen voor wie toepassing van de
                    huishoudinkomenstoets tot een hogere uitkering leidde. Op grond van artikel 78w
                    WWB bleven de oude gezinsbegrippen nog op hen van toepassing tot 1 januari 2013.
                </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>