<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR255257_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Langdurigheidstoeslag 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Boxmeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">Gemeenterubriek Boxmeers Weekblad 12 februari 2013; website gemeente Boxmeer</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Langdurigheidstoeslag 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.boxmeer.nl">1. Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1d, art. 8, lid 2b en art. 36 2. Algemene wet bestuursrecht 3. Gemeentewet </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-12</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-04-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>I-SZ/2012/724</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>N.v.t.</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-13964</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Langdurigheidstoeslag 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De Raad van de gemeente Boxmeer;</vet></al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 4 december
                        2012; </al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en de bepalingen van de Algemene
                        wet bestuursrecht; gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d, artikel
                        8 tweede lid, onderdeel b en artikel 36 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van een toeslag aan
                        personen van 21 jaar tot 65 jaar bij verordening te regelen;</al><al>B E S L U I T :</al><al>vast te stellen: </al><al><vet>Vero</vet><vet>r</vet><vet>dening
                    </vet><vet>L</vet><vet>angdurigheidstoeslag 2012</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>- Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>college: College van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="c."><al>peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht op de
                                        langdurigheidstoeslag ontstaat;</al></li><li nr="d."><al>referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand aan
                                        de peildatum; </al></li><li nr="e."><al>inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet.
                                        In afwijking hiervan wordt een bijstandsuitkering voor de
                                        beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag gezien
                                        als inkomen; </al></li><li nr="f."><al>belanghebbende: de persoon die bijstand heeft aangevraagd
                                        dan wel ontvangt of heeft ontvangen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college van
                            burgemeester en wethouders. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- Recht op langdurigheidstoeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig, laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverlet het bepaalde in artikel 36 van de wet, komt in aanmerking
                                voor de langdurigheidstoeslag de belanghebbende die gedurende de
                                referteperiode aangewezen is geweest op een inkomen dat niet hoger
                                is dan 100% van de voor hem geldende bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Niet voor de langdurigheidstoeslag komt in aanmerking de
                                belanghebbende die gedurende de referteperiode een bijdrage heeft
                                ontvangen op grond van de Wet tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en
                                Schoolkosten (WTOS), dan wel de Wet Studiefinanciering (WSF2000).
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte van de langdurigheidstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De langdurigheidstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a)"><al>€ 516,00 voor gehuwden; </al></li><li nr="b)"><al>€ 463,00 voor een alleenstaande ouder; </al></li><li nr="c)"><al>€ 361,00 voor een alleenstaande.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op
                                langdurigheidstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13 lid 1 van
                                de wet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een
                                langdurigheidstoeslag naar de hoogte die voor hem/haar als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari
                                aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele
                                verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van dat jaar en de
                                gehuwdennorm van het daar aan voorafgaande jaar. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening kan aangehaald worden als: Verordening
                            Langdurigheidstoeslag 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2012, behoudens
                                    situaties waarbij sprake is van negatieve gevolgen voor de
                                    belanghebbende.</al></li><li nr="2."><al>Tot 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing
                                    (geweest) op personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB.
                                </al></li><li nr="3."><al>De Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Boxmeer 2009,
                                    vastgesteld in de vergadering van 1 maart 2012, is tot 1 januari
                                    2013 uitsluitend van toepassing (geweest) op personen als
                                    bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB. Per 1 januari 2013 vervalt de
                                    Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Boxmeer 2009. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de Raad van de gemeente Boxmeer</ondertekening><ondertekening>in zijn openbare vergadering van 24 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>A.W.J.M. Cornelissen CMC</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>K.W.T. van Soest</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Boxmeer/i168980.pdf">I-SZ 2012 724 GET Verordening Langdurigheidstoeslag 2012.pdf</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting bij de Verordening Langdurigheidstoeslag 2012</titel></kop><tussenkop>Algemene toelichting</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimum inkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. </al><al>Om die reden is bij de invoering van de WWB in 2004 de langdurigheidstoeslag in
                    het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag
                    gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een
                    bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. De langdurigheidstoeslag
                    is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende
                    maatregel voor bepaalde belanghebbenden die langdurig een laag inkomen hebben en
                    daarbij geen vooruitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36 lid 1 WWB). </al><al>De gemeenteraad moet bij verordening regels vaststellen over het verlenen van
                    een langdurigheidstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 WWB. Deze regels moeten in
                    ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                    begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Daarbij geldt dat in ieder geval geen
                    sprake is van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 110% van de
                    toepasselijke bijstandsnorm. De gemeenteraad dient in de verordening eveneens de
                    hoogte van de langdurigheidstoeslag te bepalen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsomschrijving </tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de Verordening moet worden gewijzigd. </al><tussenkop>Lid 2 onderdeel c: peildatum </tussenkop><al>De peildatum is de datum waarop in enig jaar het recht op de
                    langdurigheidstoeslag ontstaat. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om de datum
                    waarop is aangevraagd. Het betreft de datum waarop een belanghebbende langdurig
                    een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen (zoals bedoeld in
                    artikel 34 WWB) en geen uitzicht op inkomensverbetering. </al><tussenkop>Artikel 3. Langdurig laag inkomen </tussenkop><al>Bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, moet de gemeenteraad
                    vastleggen wat onder langdurig wordt verstaan en wat onder laag wordt verstaan. </al><tussenkop>Langdurig </tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaande aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. Uit het feit dat de
                    minimumleeftijd voor het recht op langdurigheidstoeslag is verlaagd van 23 naar
                    21 jaar kan echter worden afgeleid dat onder langdurig tenminste 3 jaar moet
                    worden begrepen. Een belanghebbende is immers in beginsel vanaf 18 jaar een
                    zelfstandig rechtssubject. De gemeenteraad sluit aan bij de periode van 3 jaar.
                    De referteperiode bedraagt een periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                    peildatum. </al><tussenkop>Laag inkomen </tussenkop><al>Met betrekking tot de invulling van het begrip “laag inkomen” is de gemeenteraad
                    gebonden aan een wettelijk grens. Die bedraagt 110 procent van de toepasselijke
                    bijstandsnorm (artikel 36 lid 6 WWB). Bij een inkomen hoger dan deze 110
                    procent, is geen sprake meer van een “laag” inkomen. Er is niet voor gekozen om
                    het recht op langdurigheidstoeslag ook toe kennen bij een inkomen boven
                    bijstandsniveau. Dit betekent dat het in aanmerking te nemen inkomen gedurende
                    de referteperiode niet hoger mag zijn dan 100 procent van de toepasselijke
                    bijstandsnorm. </al><al>Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat niet
                    hoger is dan 100% van de bijstandsnorm. Marginale overschrijdingen van deze
                    100%-grens dienen genegeerd te worden (zie CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB
                    e.a.). Er is bewust niet voor gekozen om het recht op langdurigheidstoeslag ook
                    toe te kennen bij een inkomen boven bijstandsniveau. </al><al>Van de bevoegdheid om de inkomensgrens op 110% te stellen wordt om een tweetal
                    redenen geen gebruik gemaakt. Ten eerste omdat dit ongewenste
                    armoedeval-effecten in zich heeft. Weliswaar doen de armoedeval-effecten zich
                    ook voor bij de grens van 100% van de bijstandsnorm, maar belanghebbenden die
                    uitstromen zullen doorgaans een dermate hoger inkomen ontvangen, dat het verlies
                    van de langdurigheidstoeslag feitelijk minder wordt gevoeld. Bij een hogere
                    inkomensgrens bestaat er een risico dat belanghebbenden als het ware blijven
                    steken bij een inkomen tot bijvoorbeeld 120% van de bijstandsnorm. </al><al>Ten tweede omdat het in aanmerking laten komen van belanghebbenden met een
                    inkomen van bijvoorbeeld 110% van de bijstand niet valt te rijmen met de
                    wettelijke uitsluiting van belanghebbenden van 65 jaar of ouder. Zij zijn immers
                    uitgesloten van het recht op langdurigheidstoeslag, omdat hun inkomen al
                    voldoende hoger zou zijn dan de bijstandsnorm voor belanghebbenden tot 65 jaar.
                    Het verschil is echter maar ongeveer 5 tot 9 % (precieze percentage is
                    afhankelijk van de vraag of iemand een alleenstaande, alleenstaande ouder of
                    gehuwde is). </al><al>Het hanteren van een grens van 110% zou daarom maken dat de uitsluiting van
                    65-plussers in dat geval strijdig is met het verbod op leeftijdsdiscriminatie
                    zoals dat is vastgelegd in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
                    Burgerrechten en Politieke Rechten. De feitelijke ruimte is dus beperkt tot een
                    grens van maximaal ongeveer 105 % van de bijstandsnorm.</al><al>In lid 2 worden personen die gedurende de referteperiode een bijdrage op grond
                    van de WTOS of WSF 2000 ontvingen uitgesloten van de langdurigheidstoeslag. In
                    de toelichting in de nota van wijziging staat dat in het nieuwe artikel 36 WWB
                    wordt gewaarborgd dat bepaalde groepen met goed arbeidsmarktperspectief, zoals
                    studenten, niet in aanmerking komen voor langdurigheidstoeslag. Er is echter
                    geen formele uitsluitingsgrond in de wettekst opgenomen. Om te voorkomen dat
                    elke aanvraag individueel hierop getoetst moet worden is er voor gekozen deze
                    voorwaarde expliciet in de verordening op te nemen. De groep is overigens
                    beperkt tot hen die een dagstudie volgen en beneden een bepaalde leeftijd</al><al>zijn, door op te nemen dat studiefinanciering moet zijn ontvangen.</al><tussenkop>Artikel 4. Hoogte langdurigheidstoeslag </tussenkop><al>In artikel 4 is de hoogte van de langdurigheidstoeslag geregeld. Daarbij wordt
                    onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en
                    gehuwden (lid 1). </al><al>In lid 2 is bepaald dat voor de toepassing van de hoogte van de
                    langdurigheidstoeslag moet worden uitgegaan van de situatie op de peildatum. </al><al>Bij gehuwden moet in het oog gehouden worden dat het recht op
                    langdurigheidstoeslag gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden belanghebbenden op de
                    peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de
                    voorwaarden van artikel 36 lid 1 WWB. Voldoet één van hen niet aan deze
                    voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op langdurigheidstoeslag
                    (vergelijk bijvoorbeeld CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB, LJN BN2529). </al><al>Is één van de echtgenoten echter uitgesloten van het recht op
                    langdurigheidstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36 lid 1 WWB, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking
                    voor een langdurigheidstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de
                    in artikel 11 of 13 lid 1 WWB genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. </al><al>Als slechts één partner recht heeft op langdurigheidstoeslag, komt deze
                    rechthebbende partner in aanmerking voor een langdurigheidstoeslag naar de
                    hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is
                    geregeld in artikel 4 lid 2 van deze verordening. </al><al>Om niet jaarlijks de verordening aan te hoeven passen is gekozen om de hoogte
                    jaarlijks automatisch mee te laten bewegen met de bijstandsnormen. Omdat de
                    bijstandsnormen in beginsel 2 maal per jaar worden geïndexeerd en de
                    langdurigheidstoeslag maar eenmaal, wordt steeds vergelijking gemaakt met de
                    bijstandsnormen van per 1 januari van het voorafgaande jaar. De indexering is
                    geregeld in het vierde lid. </al><tussenkop>Artikel 5. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat in bijzondere gevallen het college ten gunste van de
                    belanghebbende kan afwijken van de bepalingen in deze verordening. Afwijken van
                    de wet is niet mogelijk. </al><al>Afwijken kan alleen maar ten gunste, nooit ten nadele. Met nadruk is vermeld: in
                    bijzondere gevallen. Afwijken is eerder uitzondering dan regel. In verband met
                    precedentwerking dient door het college duidelijk aangegeven te worden waarom in
                    een bepaalde situatie wordt afgeweken. Het van toepassing zijn van de
                    hardheidsclausule dient voldoende kenbaar te zijn, dat wil zeggen in zowel de
                    rapportage als de beschikking. </al><tussenkop>Artikel 6. Citeertitel </tussenkop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij is aansluiting
                    gezocht bij het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband
                    met de herziening van de definities van gezin en middelen’ (Wet afschaffing
                    huishoudinkomenstoets). </al><al>Voor een beperkte groep bijstandsgerechtigden is de oude Verordening
                    Langdurigheidstoeslag gemeente Boxmeer 2009 nog van kracht gebleven tot </al><al>1 januari 2013. Dat is geregeld in lid 2 en 3 van dit artikel. Het gaat hierbij
                    om mensen voor wie toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een hogere
                    uitkering leidde. Op grond van artikel 78w WWB bleven de oude gezinsbegrippen
                    nog op hen van toepassing tot 1 januari 2013. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>