<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR254851_1</dcterms:identifier><dcterms:title>VERORDENING WET INBURGERING LOPPERSUM 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Loppersum</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Ommelander Courant, 18-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Wet Inburgering Loppersum 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 8, 19, vijfde en zesde lid, 23, derde lid, 24 e, 24 f en 35 van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012 en artikel X van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet inburgering (2012, 430)</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met ingang van 1 januari 2013.</al><al>2. Deze verordening vervangt de verordening Wet inburgering gemeente Loppersum 2010. De inburgeraars die bij ingang van de Wet Inburgering 2013 nog op basis van de oude wet met een traject inburgering of opleiding voor het Staatsexamen bezig zijn kunnen het traject afmaken en afsluiten met een examen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING WET INBURGERING LOPPERSUM 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Loppersum;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 januari 2013
                        inzake de Wet Inburgering;</al><al>gelet op de artikelen 8, 19, vijfde en zesde lid, 23, derde lid, 24 e,
                        24 f en 35 van de Wet inburgering, zoals deze luidde op 31 december 2012
                        en artikel X van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van de Wet
                        inburgering (2012, 430); </al><al>overwegende dat de raad bij verordening regels dient te stellen over de
                        informatieverstrekking door de gemeente aan inburgeringsplichtigen, het
                        aanbieden van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                        inburgeringsplichtigen en de rechten en plichten van de
                        inburgeringsplichtige voor wie een inburgeringsvoorziening of
                        taalkennisvoorziening is vastgesteld, alsmede dat de raad bij
                        verordening het bedrag dient vast te stellen van de bestuurlijke boete
                        die voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd;</al><al>overwegende dat als gevolg van de wijziging van de Wet inburgering de
                        taken van gemeenten op het terrein van inburgering op termijn beëindigd
                        zullen worden; </al><al>overwegende dat gedurende een overgangsperiode gemeenten nog een aantal
                        taken op het terrein van inburgering zullen uitoefenen; </al><al><vet>b</vet><vet>e</vet><vet>s</vet><vet>l</vet><vet>u</vet><vet>i</vet><vet>t</vet><vet>
                        :</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>“</vet><vet>VERORDENING WET INBURGERING
                    </vet><vet>LOPPERSUM</vet><vet>201</vet><vet>3</vet><vet>”</vet><vet>.</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN INFORMATIEVERSTREKKING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Loppersum;</al></li><li nr="b."><al>de wet: de Wet inburgering zoals deze luidde op 31 december
                                        2012;</al></li><li nr="c."><al>de wetswijziging: de wet van 13 september 2012 tot wijziging
                                        van de Wet inburgering en enkele andere wetten in verband
                                        met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de
                                        inburgeringsplichtige (Stb.2012, 430).</al></li><li nr="d."><al>inburgeringsplichtige: persoon, bedoeld in artikel X, 2e t/m
                                        5e lid van de wetswijziging</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De begripsomschrijvingen in de wet, de wetswijziging en de daarop
                                berustende regelingen zijn van toepassing op de begrippen die in
                                deze verordening worden gebruikt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>Het college draagt er zorg voor dat de inburgeringsplichtigen op een
                            doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten
                            en plichten uit hoofde van de wet en over het aanbod van en de toegang
                            tot de voorzieningen. </al><al>Het college maakt bij de informatieverstrekking aan de
                            inburgeringsplichtigen in ieder geval gebruik van de volgende middelen: </al><lijst><li nr="a."><al>telefonische afspraak;</al></li><li nr="b."><al>afspraak op locatie;</al></li><li nr="c."><al>digitale en schriftelijke informatie;</al></li><li nr="d."><al>groepsgewijze voorlichting.</al></li></lijst><al>Het college beoordeelt tenminste eens in de twee jaar de
                            doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de
                            inburgeringsplichtige en rapporteert daarover aan de raad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>DOELGROEPEN EN SAMENSTELLING VAN DE INBURGERINGS-VOORZIENING OF TAALKENNISVOORZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>Het college biedt een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening
                            aan de inburgeringsplichtige, te weten: </al><lijst><li nr="a."><al>de houder van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28
                                    van de Vreemdelingenwet 2000 en</al></li><li nr="b."><al>de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel g van
                                    de wet, die geen oudkomer is als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                    c, van de wet, voor zover deze uiterlijk 31 december 2012
                                    inburgeringsplichtig is geworden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stemt de inburgeringsvoorziening of de
                                taalkennisvoorziening aan de inburgeringsplichtige bedoeld in
                                artikel 3 onder a af op het startniveau en de vaardigheden, de
                                persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de
                                inburgeringsplichtige.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 onder a een
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt aangeboden, draagt
                                het college er zorg voor dat de inburgeringsvoorziening op de
                                voorziening gericht op arbeidsinschakeling wordt afgestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 onder a biedt het
                                college maatschappelijke begeleiding aan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een inburgeringsvoorziening kan een duaal programma omvatten dat
                                bestaat uit een inburgeringstraject en een participatietraject. Het
                                inburgeringstraject leidt op tot het inburgeringsexamen,
                                staatsexamen of een diploma waarmee de inburgeringsplichtige
                                aantoonbaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Het
                                participatietraject voorziet in activiteiten die in samenhang, en
                                ten minste voor een deel gelijktijdig, met het verwerven van
                                mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal en
                                kennis van de Nederlandse samenleving worden uitgevoerd. De
                                activiteiten van het participatietraject zijn er op gericht de
                                actieve deelname van de inburgeringsplichtige aan de samenleving te
                                stimuleren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigen bijdrage van € 270, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van
                                de wet wordt in ten hoogste 18 maanden betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt voor de inburgeringsplichtige in de beschikking tot
                                vaststelling van de inburgeringsvoorziening of de
                                taalkennisvoorziening de termijnen en wijze van betaling vast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verrekent de eigen bijdrage met algemene bijstand of
                                houdt de eigen bijdrage in op een uitkering op grond van een van de
                                bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 19, vierde
                                lid, van de wet aan te wijzen socialezekerheidswetten of sociale
                                zekerheidsregelingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Het college kan de inburgeringsplichtige bij beschikking een of meer van
                            de volgende verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="a."><al>het deelnemen aan de (gecombineerde) inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>het deelnemen aan gesprekken met de trajectbegeleider en/of de
                                    klantmanager;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan het inburgeringsexamen of staatsexamen op een
                                    tijdstip dat door het college wordt bepaald;</al></li><li nr="d."><al>het tijdig melden indien door ziekte dan wel door andere
                                    relevante omstandigheden niet aan de verplichtingen in de
                                    beschikking kan worden voldaan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>HET AANBOD VAN EEN INBURGERINGSVOORZIENING OF TAALKENNIS-VOORZIENING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Het college doet het aanbod, bedoeld in artikel 19, eerste of tweede
                            lid, van de wet schriftelijk. Het aanbod wordt gezonden naar het adres
                            waar de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 in de gemeentelijke
                            basisadministratie is ingeschreven. </al><lijst><li nr="1."><al>In het aanbod wordt een omschrijving gegeven van de
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening die wordt
                                    aangeboden en worden de rechten en verplichtingen vermeld die
                                    aan die voorziening worden verbonden.</al></li><li nr="2."><al>De inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 aan wie een aanbod
                                    wordt gedaan, deelt binnen vier weken het college schriftelijk
                                    mee of hij het aanbod al dan niet aanvaardt.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer de inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3 het aanbod
                                    aanvaardt, neemt het college binnen zes weken na ontvangst van
                                    deze mededeling het besluit tot vaststelling van de
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot vaststelling van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>een beschrijving van de inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een opgave van de rechten en verplichtingen van de
                                    inburgeringsplichtige bedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop het inburgeringsexamen of staatsexamen
                                    Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald;</al></li><li nr="d."><al>de termijnen en wijze van betaling.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>DE BESTUURLIJKE BOETE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 130,00 indien de
                                inburgeringsplichtige of de persoon ten aanzien van wie het college
                                op redelijke gronden kan vermoeden dat deze inburgeringsplichtig is
                                geen of onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek, bedoeld
                                in artikel 25, vierde lid, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige geen of onvoldoende medewerking verleent aan
                                de uitvoering van de voor hem vastgestelde voorziening, bedoeld in
                                artikel 23, eerste lid, van de wet of aan de verplichtingen, bedoeld
                                in artikel 6 van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van
                                de wet bedoelde termijn of binnen de door het college op grond van
                                artikel 31, tweede lid, onderdeel a, van de wet verlengde termijn
                                het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 250,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De bestuurlijke boete voor overtredingen, bedoeld in artikel 9,
                                eerste lid, bedraagt ten hoogste € 500,00 indien de
                                inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na de vorige als
                                verwijtbaar aangemerkte overtreding opnieuw schuldig maakt aan
                                dezelfde overtreding. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste € 1.000,00 indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 en 33 van de wet vastgestelde termijn het
                                inburgeringsexamen heeft behaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afstemming van de bestuurlijke boete</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er wordt geen bestuurlijke boete, zoals bedoeld in artikel 9 en 10
                                van deze verordening, opgelegd voor zover de overtreding niet aan de
                                overtreder kan worden verweten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de bestuurlijke boete bedoeld in artikel 9 en 10 van
                                deze verordening wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en
                                de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de afstemming bedoeld in het tweede lid wordt zo nodig rekening
                                gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding heeft
                                plaatsgevonden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Beloning</titel></kop><al>Het college kan besluiten de inburgeringsplichtige die na het volgen van
                            een door het college vastgestelde voorziening het inburgeringsexamen,
                            NT2 Staatsexamen programma I of II dan wel diploma binnen een termijn
                            van drie jaar behaalt, daarvoor te belonen. De beloning is ten hoogste
                            gelijk aan de vastgestelde eigen bijdrage. Uitgangspunt is dat de eigen
                            bijdrage conform de wet wel eerst wordt geïnd. Wanneer de eigen bijdrage
                            nog niet volledig is betaald, wordt de beloning verrekend met de nog
                            verschuldigde eigen bijdrage. De termijn van drie jaar start nadat de
                            voorziening bij beschikking is vastgesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan het bepaalde in deze verordening buiten toepassing
                                laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang
                                van een goede inburgering leidt tot onbillijkheden van overwegende
                                aard.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking met
                                ingang van 1 januari 2013.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening Wet inburgering gemeente Loppersum 2010 wordt met
                                ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening
                                ingetrokken, met dien verstande dat de inburgeraars die bij ingang
                                van de Wet Inburgering 2013 nog op basis van de oude wet met een
                                traject inburgering of opleiding voor het Staatsexamen bezig zijn
                                kunnen het traject afmaken en afsluiten met een examen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: <vet>“</vet><vet>Verordening Wet
                                Inburgering Loppersum
                            </vet><vet>2013</vet><vet>”</vet><vet>.</vet></al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering</ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Loppersum</ondertekening><ondertekening>gehouden op 28 januari 2013, nr. 11.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>A.Rodenboog, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>R.S. Bosma, griffier.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de Wet inburgering gewijzigd.</al><al>In de wet zoals die gold tot 31 december 2012 was aan gemeenten een
                            aantal belangrijke taken toebedeeld. Door de gewijzigde wet vervallen de
                            taken van de gemeenten. Wel blijven de gemeenten op grond van het
                            overgangsrecht met name de eerste jaren na inwerkingtreding van de
                            wetswijziging een aantal taken uitoefenen. Dit betreft met name
                            inburgeraars die al met een traject gestart zijn in staat te stellen dit
                            af te maken. Daarnaast blijven de gemeenten de oude inburgeraars
                            handhaven.</al><al>De voor de gemeenten belangrijkste wijzigingen zijn:</al><lijst><li nr="§"><al>De verantwoordelijkheid voor inburgering wordt bij de
                                    inburgeringsplichtige gelegd. Dit betekent dat het tot de eigen
                                    verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige behoort om te
                                    bepalen hoe hij aan zijn inburgeringsplicht voldoet en dat hij
                                    daarvoor zelf de kosten draagt. Daarmee vervalt de plicht van
                                    gemeenten om voor inburgeringsvoorzieningen en
                                    taalkennisvoorzieningen te zorgen. De taken die de gemeente
                                    heeft ten aanzien van het oproepen van (potentieel)
                                    inburgeringsplichtigen en het doen van een onderzoek (intake)
                                    vervallen daarmee eveneens.</al></li><li nr="§"><al>De doelgroep wordt beperkt tot vreemdelingen die op of na de
                                    inwerkingtreding van dit wetsvoorstel rechtmatig verblijf
                                    verkrijgen voor verblijf in Nederland en (direct of in een later
                                    stadium) een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgen voor
                                    een niet-tijdelijk doel (asiel of gezinsvorming/hereniging) of
                                    als geestelijke bedienaar.</al></li><li nr="§"><al>De mogelijkheid voor gemeenten om vrijwillige inburgeraars
                                    (EU-onderdanen en genaturaliseerde Nederlanders) op grond van de
                                    Wet inburgering een inburgeringsvoorziening aan te bieden
                                    vervalt. Vrijwillige inburgeraars kunnen net als iedere andere
                                    burger via het reguliere onderwijs de noodzakelijke
                                    (taal)vaardigheid en kennis verwerven om volledig deel te kunnen
                                    nemen aan de samenleving.</al></li><li nr="§"><al>Het vervallen van bovengenoemde bevoegdheden van gemeenten en
                                    het verschuiven van de resterende bevoegdheden van gemeenten
                                    naar de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
                                    (BZK).</al></li><li nr="§"><al>Een overgangsregeling, die erin voorziet:</al><lijst><li nr="-"><al>dat gemeenten diegenen die al een aanbod hebben gehad en
                                            zich momenteel voorbereiden op het inburgeringsexamen in
                                            staat stellen dit voort te zetten en het examen af te
                                            leggen;</al></li><li nr="-"><al>dat gemeenten handhaven dat inburgeraars die vóór 1
                                            januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden aan hun
                                            inburgeringsplicht voldoen;</al></li><li nr="-"><al>dat gemeenten een aanbod doen aan asielgerechtigden en
                                            geestelijke bedienaren die voor 1 januari 2013
                                            inburgeringsplichtig zijn geworden maar nog geen aanbod
                                            hebben gehad voor die datum. Daarbij blijft ongewijzigd
                                            dat voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen een
                                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening ook
                                            uit maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid
                                            van de wet) bestaat.</al></li></lijst></li></lijst><al>Met ingang van 1 januari 2013 zullen de gemeenten per nieuwe
                            inburgeringsplichtige asielgerechtigde van de regering een eenmalige
                            bijdrage ontvangen van € 1.000. Dat bedrag is tijdelijk verhoogd naar €
                            2.000 (alleen voor inburgeringsplichtige asielgerechtigden en
                            inburgeringsplichtige nareizende gezinsleden die gedurende 2013 hun
                            verblijfsvergunning krijgen; daarna wordt de bijdrage weer € 1000). </al><al>Deze verordening Wet inburgering is aangepast aan de gewijzigde wet. </al><al>In deze verordening wordt alleen het aanbodstelsel toegepast. De
                            mogelijkheid die artikel 19a van de wet bood om het college de
                            bevoegdheid te geven inburgeringsvoorzieningen en
                            taalkennisvoorzieningen vast te stellen, zonder dat eerst een aanbod aan
                            de inburgeringsplichtigen wordt gedaan vervalt per 1 januari 2013. In
                            deze verordening wordt het aanbodstelsel gehandhaafd op basis van het
                            overgangsrecht in de wet. Dit stelsel houdt in dat het college de
                            inburgeringsplichtige een aanbod doet en de voorziening vaststelt
                            overeenkomstig het aanbod als de inburgeringsplichtige het aanbod heeft
                            aanvaard. </al><al>Na 1 januari 2013 kan de gemeente alleen een aanbod doen aan
                            asielgerechtigden en geestelijk bedienaren, die uiterlijk 31 december
                            2012 inburgeringsplichtig zijn geworden en nog geen voorziening hebben
                            aangeboden gekregen. Aan anderen kunnen gemeenten nog wel voorzieningen
                            aanbieden maar niet meer op grond van de Wet inburgering.</al><al>Gemeenten blijven de opdracht houden om de inburgeringsplichtigen in de
                            gemeente die onder het overgangsrecht vallen goed te informeren over de
                            rechten en plichten die voortvloeien uit deze wet. </al><al>Ook moeten gemeenten de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtigen
                            handhaven die onder het overgangsrecht vallen. Dit betreft
                            inburgeringsplichtigen die voor 1 januari 2013 hun inburgeringsplicht
                            opgelegd hebben gekregen en voor die datum een gemeentelijk aanbod
                            hebben gekregen. </al><al>Omdat na 1 januari 2013 zich nog geschillen kunnen voordoen tussen
                            gemeenten en degenen die op grond van de wet zoals die gold tot en met
                            31 december 2012 inburgeringsplichtig zijn werken deze
                            handhavingsbepalingen ook door na 1 januari 2013.</al><al>In verband met deze taken draagt de wetswijziging gemeenten op om bij
                            verordening regels te stellen over de volgende onderwerpen: </al><lijst><li nr="1."><al>Regels over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                                    inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en plichten uit
                                    hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de toegang
                                    tot inburgeringsvoorzieningen (artikel 8 van de wet).</al></li><li nr="2."><al>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                                    inburgeringsvoorzieningen of taalkennisvoorziening en over de
                                    rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld
                                    (artikel 19, vijfde lid, en artikel 23, derde lid, van de
                                    wet).</al></li><li nr="3."><al>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete die
                                    voor de verschillende overtredingen kan worden opgelegd (artikel
                                    35 van de wet).</al></li></lijst><al><vet>Regels over de informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen
                            </vet></al><al>Artikel 8 van de wet bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels
                            vaststelt over de informatieverstrekking door de gemeente aan
                            inburgeringsplichtigen. Het gaat dan om informatie over de rechten en
                            plichten uit hoofde van de WI en informatie over het aanbod van
                            inburgeringsvoorzieningen en de toegang tot die voorzieningen.</al><al><vet>Regels met betrekking tot het aanbieden van
                                inburgeringsvoorzieningen </vet></al><al>Het uitgangspunt van de wet is de eigen verantwoordelijkheid van de
                            inburgeringsplichtige om te bepalen hoe hij zich voorbereidt op het
                            inburgeringsexamen. </al><al>Gemeenten kunnen inburgeringsplichtigen ondersteunen door het aanbieden
                            van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. Onder het
                            overgangsrecht zijn gemeenten verplicht een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening aan te bieden aan alle asielgerechtigde
                            inburgeringsplichtigen en een inburgeringsvoorziening aan geestelijke
                            bedienaren (artikel 19, tweede lid van de wet) die voor 1 januari 2013
                            inburgeringsplichtig zijn geworden en nog geen voorziening hebben
                            aangeboden gekregen. Een inburgeringsvoorziening leidt toe naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                            II en omvat het eenmaal kosteloos afleggen van dat examen. De
                            inburgeringsplichtige is verplicht een eigen bijdrage van € 270 te
                            betalen. Een taalkennisvoorziening is gericht op de verwerving van de
                            kennis van de Nederlands taal die noodzakelijk is voor het kunnen
                            afronden van een mbo-opleiding op niveau 1 of 2 (artikel 19, derde lid,
                            van de wet).</al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen bestaat een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening ook uit
                            maatschappelijke begeleiding (artikel 19, zesde lid van de wet). Met
                            ingang van 1 januari 2013 zullen de gemeenten per inburgeringsplichtige
                            asielgerechtigde van de regering een eenmalige bijdrage ontvangen van €
                            1.000. Dat bedrag is tijdelijk verhoogd naar € 2.000 (alleen voor
                            inburgeringsplichtige asielgerechtigden en inburgeringsplichtige
                            nareizende gezinsleden die gedurende 2013 hun verblijfsvergunning
                            krijgen; daarna wordt de bijdrage weer € 1.000).</al><al>De wet draagt de gemeenteraden op om bij verordening regels te stellen
                            met betrekking tot het aanbieden van een inburgeringsvoorziening of een
                            taalkennisvoorziening. In de wet is ook vastgelegd over welke
                            onderwerpen in ieder geval regels moeten worden gesteld: </al><lijst><li nr="§"><al>De procedure die door het college wordt gevolgd voor het doen
                                    van een aanbod aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde
                                    lid, onderdeel a van de wet). </al></li><li nr="§"><al>De criteria die worden gehanteerd bij het doen van een aanbod
                                    aan inburgeringsplichtigen (artikel 19, vijfde lid, onderdeel a
                                    van de wet). </al></li><li nr="§"><al>De vaststelling door het college van een passende
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening, met inbegrip
                                    van de totstandkoming en de samenstelling van die voorziening
                                    (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b van de wet). </al></li><li nr="§"><al>De rechten en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                                    inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld.
                                    Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de inning van de
                                    eigen bijdrage door het college en de mogelijkheid van betaling
                                    in termijnen (artikel 23, derde lid, van de wet). </al></li></lijst><al><vet>Het vaststellen van het bedrag van de bestuurlijke boete
                            </vet></al><al>Artikel 35 van de wet draagt gemeenten op bij verordening de hoogte van
                            de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de verschillende
                            overtredingen kan worden opgelegd. Artikel 34 van de wet bepaalt het
                            bedrag dat ten hoogste als bestuurlijke boete kan worden opgelegd.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al>NB: In de Wet inburgering worden de begrippen “inburgeringsvoorziening”
                            en “taalkennisvoorziening” gebruikt. In de hieronder staande toelichting
                            worden beide begrippen waar mogelijk afzonderlijk genoemd. In een enkel
                            geval wordt uit overweging van leesbaarheid het woord “voorziening”
                            gehanteerd, waarmee zowel inburgeringsvoorziening als
                            taalkennisvoorziening wordt aangeduid. </al><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Het tweede lid geeft aan dat de omschrijvingen van de begrippen die
                            worden gebruikt in respectievelijk de Wet inburgering, het Besluit
                            inburgering en de Regeling inburgering ook van toepassing zijn op deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De informatieverstrekking aan inburgeringsplichtigen</titel></kop><al>De gemeente heeft als taak de inburgeringsplichtigen in haar gemeente
                            goed te informeren over de rechten en plichten die voortvloeien uit de
                            Wet inburgering. De wet laat gemeenten vrij om zelf te bepalen op welke
                            wijze de informatievoorziening aan de inburgeringsplichtigen wordt
                            georganiseerd. Wel bepaalt artikel 8 van de wet dat de gemeenteraad bij
                            verordening regels vaststelt over de informatieverstrekking door de
                            gemeente aan inburgeringsplichtigen, ter zake van hun rechten en
                            plichten uit hoofde van deze wet, alsmede van het aanbod van en de
                            toegang tot inburgeringsvoorzieningen. </al><al>Dit artikel in de verordening vormt de uitwerking van deze verplichting.
                            Gemeenten kunnen er voor kiezen om in de verordening alleen de kaders
                            vast te stellen voor een adequate informatievoorziening door het college
                            aan de inburgeringsplichtigen. In dat geval kan met opnemen van het
                            eerste en derde lid in de verordening worden volstaan. Er kan ook voor
                            worden gekozen om in de verordening vast te leggen welke middelen het
                            college (in ieder geval) moet aanwenden om de informatievoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen te organiseren. In dat geval moet het tweede lid
                            in de verordening worden opgenomen, waarbij tevens een keuze moet worden
                            gemaakt voor de instrumenten die daarbij worden ingezet.</al><al>Overeenkomstig de rolverdeling tussen raad en college, stelt de raad in
                            dit artikel de kaders vast voor een adequate informatievoorziening aan
                            de inburgeringsplichtigen. Het college is belast met de organisatie van
                            de informatieverstrekking en legt daarover (periodiek) verantwoording af
                            aan de raad. De informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen kan op
                            allerlei manieren worden vormgegeven. Zo kunnen gemeenten een apart
                            informatiepunt inrichten (het inburgeringsloket) al dan niet in
                            combinatie met een digitaal loket. Het is ook mogelijk om de
                            informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen onder te brengen bij
                            een centraal informatiepunt (bijvoorbeeld het zorgloket). Ook kunnen
                            gemeenten bepaalde organisaties (bijvoorbeeld educatie-instellingen,
                            bibliotheken, moskeeën of andere zelforganisaties) een rol geven bij de
                            informatievoorziening aan inburgeringsplichtigen.</al><al>In het tweede lid geeft de raad het college de opdracht om (in ieder
                            geval) een aantal middelen te gebruiken om de informatieverstrekking aan
                            inburgeringsplichtigen vorm te geven. Daarbij kan bijvoorbeeld worden
                            gedacht aan: </al><lijst><li nr="a."><al>het inrichten van een informatiepunt in het gemeentehuis;</al></li><li nr="b."><al>het verstrekken van schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij
                                    aanvragen om uitkeringen;</al></li><li nr="c."><al>het organiseren van voorlichtingsbijeenkomsten;</al></li><li nr="d."><al>het inrichten van een digitaal informatiepunt op de
                                    gemeentelijke website.</al></li></lijst><al>Het derde lid verplicht het college de raad periodiek te rapporteren
                            over de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking
                            aan de inburgeringsplichtigen. Om aan deze verplichting efficiënt te
                            kunnen voldoen, zou een informatieplan kunnen worden opgesteld waarvan
                            de informatieverstrekking onderdeel is. Een dergelijk informatieplan zou
                            vervolgens door de raad getoetst kunnen worden waarbij eventuele
                            verbeteringen kunnen worden opgenomen. Om efficiënt aan de verplichting
                            van het tweede lid te kunnen voldoen, is wellicht ook aansluiting
                            mogelijk bij de uitvoering van de actieve informatieplicht van het
                            college aan de raad op grond van artikel 169, tweede lid, van de
                            Gemeentewet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inburgeringsaanbod</titel></kop><al>Vanaf 1 januari 2013 is het college alleen verplicht een
                            inburgeringsvoorziening of een taalkennisvoorziening aan te bieden aan
                            asielgerechtigden en een inburgeringsvoorziening aan geestelijke
                            bedienaren die voor 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn
                            geworden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening of
                                taalkennisvoorziening</titel></kop><al>In de verordening dienen regels te worden gesteld met betrekking tot de
                            vaststelling door het college van een passende inburgeringsvoorziening
                            of taalkennisvoorziening, met inbegrip van de totstandkoming en
                            samenstelling van die voorziening (artikel 19, vijfde lid, onderdeel b,
                            WI). In dit artikel worden de kaders vastgesteld waarbinnen het college
                            de opdracht heeft voor de asielgerechtigde inburgeringsplichtige, een op
                            de persoon toegesneden inburgeringsvoorziening samen te stellen. </al><al>In het eerste lid wordt aangegeven op welke wijze het college een
                            passende inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening moet
                            vaststellen. Bij het bepalen van de geschiktheid van een voorziening
                            kunnen de volgende factoren een rol spelen: </al><lijst><li nr="§"><al>De kennis van de inburgeringsplichtige van de Nederlandse taal
                                    en de Nederlandse samenleving en zijn of haar leercapaciteit.
                                </al></li><li nr="§"><al>De maatschappelijke rol die de inburgeringsplichtige vervult of
                                    gaat vervullen in de Nederlandse samenleving. Daarbij kan worden
                                    gedacht aan het verrichten van betaalde arbeid en/of het
                                    opvoeden van kinderen. </al></li><li nr="§"><al>De persoonlijke situatie van de inburgeringsplichtige. Daarbij
                                    kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eventuele zorgtaken die de
                                    inburgeringsplichtige moet vervullen. </al></li></lijst><al>De samenstelling van de inburgeringsvoorziening voor geestelijke
                            bedienaren wordt geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten hebben
                            dus niet de mogelijkheid om de inburgeringsvoorziening die zij aan
                            geestelijke bedienaren aanbieden naar eigen inzicht vorm te geven. </al><al>In geval van uitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen die een
                            voorziening gericht op arbeidsinschakeling ontvangen, kan het voordelen
                            opleveren de inburgeringsvoorziening daarmee te combineren. Uitgangspunt
                            is wel, zo blijkt uit artikel 19, vierde lid, van de wet, dat een aanbod
                            voor een inburgeringsvoorziening aan een uitkeringsgerechtigde
                            inburgeringsplichtige niet wordt gedaan, indien dat diens
                            arbeidsinschakeling belemmert. </al><al>De Wet inburgering bepaalt dat de inburgeringsvoorziening gecombineerd
                            moet worden met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                            (reïntegratievoorziening) als een inburgeringsvoorziening wordt
                            aangeboden aan een inburgeringsplichtige die bijstandsgerechtigd is of
                            een uitkering ontvangt op grond van een andere socialezekerheidswet of
                            socialezekerheidsregeling én die verplicht is om arbeid te verkrijgen of
                            te aanvaarden (artikel 20, eerste lid van de wet). Het college is
                            verantwoordelijk voor het aanbieden van de gecombineerde
                            inburgeringsvoorziening (artikel 20, tweede lid van de wet). Het tweede
                            lid van artikel 4 van de verordening draagt het college op om er voor te
                            zorgen dat de inburgeringsvoorziening wordt afgestemd op de
                            reïntegratievoorziening. Aangezien deze voorzieningen in het kader van
                            de uitkeringsverstrekking op grond van socialezekerheidswetten of
                            –regelingen ook door andere partijen dan het college (kunnen) worden
                            verstrekt, zal het college afspraken moeten maken met de
                            verantwoordelijke uitvoerders van de socialezekerheidswet of –regeling:
                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),
                            eigenrisicodragers of overheidswerkgevers (artikel 21 van de wet).</al><al>Het derde lid regelt de bijkomende faciliteiten die het college als
                            onderdeel van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening kan
                            opnemen. In de wet is geregeld waaruit een inburgeringsvoorziening in
                            ieder geval moet bestaan: een cursus die toeleidt naar het
                            inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of
                            II en het eenmaal kosteloos afleggen van het desbetreffende examen
                            (artikel 19, derde lid van de wet). </al><al>Voor asielgerechtigde inburgeringsplichtigen maakt ook maatschappelijke
                            begeleiding een verplicht onderdeel uit van de inburgeringsvoorziening
                            of de taalkennisvoorziening (artikel 19, zesde lid van de wet). Wat
                            betreft de bijkomende faciliteiten die het college als onderdeel van de
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan
                            inburgeringsplichtigen kan opnemen, kan worden gedacht aan
                            trajectbegeleiding of het (periodiek) houden van voortgangsgesprekken
                            met de inburgeringsplichtigen. Ook kan worden gedacht aan een
                            uitbreiding van de opleiding, bijvoorbeeld in de vorm van een
                            maatschappelijke stage of een aparte module die gericht is op het
                            verwerven van kennis van de Nederlandse samenleving.</al><al>Trajectbegeleiding en het houden van voortgangsgesprekken zullen vooral
                            van belang zijn bij inburgeringsplichtigen die geen
                            inburgeringsvoorziening in combinatie met een voorziening gericht op
                            arbeidsinschakeling krijgen. Bij voorzieningen gericht op
                            arbeidsinschakeling vormen dergelijke faciliteiten reeds een vast
                            onderdeel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De inning van de eigen bijdrage</titel></kop><al>In de verordening moeten regels worden gesteld die betrekking hebben op
                            de inning van de eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige door het
                            college en de mogelijkheid van betaling in termijnen (artikel 23, derde
                            lid van de wet). De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in de wet
                            en bedraagt € 270. Dit bedrag kan bij algemene maatregel van bestuur
                            worden gewijzigd (artikel 23, tweede lid van de wet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Opleggen van verplichtingen</titel></kop><al>Dit artikel vormt de uitwerking van artikel 23, derde lid van de wet dat
                            bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de rechten
                            en plichten van de inburgeringsplichtige voor wie een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening is vastgesteld. Dit
                            artikel delegeert de bevoegdheid aan het college om de verplichtingen
                            die in het artikel worden genoemd aan inburgeringsplichtigen in het
                            kader van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening op te
                            leggen. Het college legt in de beschikking tot de vaststelling van de
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening deze verplichtingen
                            vast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De procedure van het doen van een aanbod</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele procedurele bepalingen die er voor moeten
                            zorgen dat het doen van een aanbod op zorgvuldige wijze gebeurt. Dit is
                            van belang omdat zo’n aanbod de start is van een procedure die – als het
                            goed is – leidt tot een besluit tot het toekennen van een
                            inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening. </al><al>In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college het
                            aanbod van een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan de
                            inburgeringsplichtige op schriftelijke wijze doet en dat het aanbod
                            wordt toegestuurd naar het adres waar de inburgeringsplichtige staat
                            ingeschreven in de GBA. Op deze wijze kan er geen onduidelijk ontstaan
                            over het feit dat het college de inburgeringsplichtige een aanbod heeft
                            gedaan.</al><al>Het aanbod zal inhoudelijk dezelfde strekking moeten hebben als de
                            uiteindelijke beschikking (het tweede lid). Hierdoor kan de instemming
                            met het aanbod tevens worden opgevat als instemming met de beschikking
                            tot het vaststellen van de inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening (die eenzijdig door de gemeente wordt opgelegd).
                            Deze beschikking moet dan wel dezelfde inhoud hebben als het aanbod (het
                            vierde lid). </al><al>De zorgvuldigheid van de procedure gebiedt dat als de
                            inburgeringsplichtige het aanbod aanvaardt of weigert, hij of zij dit
                            schriftelijk aan de gemeente meedeelt (het derde lid). Het meest
                            praktisch is dat deze schriftelijke mededeling geschiedt in de vorm van
                            het laten ondertekenen door de inburgeringsplichtige van een verklaring
                            die door de gemeente is opgesteld.</al><al>Het kan natuurlijk voorkomen dat een inburgeringsplichtige aan de
                            gemeente meldt dat hij wel een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening wil, maar dat hij gelet op zijn situatie bepaalde
                            wijzigingen aangebracht zou willen zien in het aanbod van de gemeente.
                            Als de gemeente hierop positief reageert, zal ze het gedane aanbod
                            moeten aanpassen. </al><al>Een inburgeringsplichtige hoeft een aanbod niet te accepteren. Weigert
                            de inburgeringsplichtige het aanbod, dan zal hij zich zelfstandig moeten
                            voorbereiden op het inburgeringsexamen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>De inhoud van de beschikking</titel></kop><al>Het besluit tot het vaststellen van een inburgeringsvoorziening of
                            taalkennisvoorziening is een beschikking. Dit betekent dat de
                            inburgeringsplichtige de mogelijkheid heeft tegen dit besluit in bezwaar
                            en beroep te gaan. In dit artikel wordt geregeld welke onderwerpen in
                            ieder geval in de beschikking moeten worden neergelegd. </al><al>In de beschikking zullen de toegekende voorziening en de daaraan
                            verbonden rechten en plichten van de inburgeringsplichtige nauwkeurig
                            moeten worden vermeld (onderdelen a en b). De inburgeringsplichtige is
                            verplicht zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de
                            inburgeringsvoorziening (artikel 23, eerste lid, van de wet). Handhaving
                            hiervan is alleen mogelijk als de verplichtingen van de
                            inburgeringsplichtige duidelijk zijn omschreven en aan de betrokkene
                            (onder andere door middel van de beschikking) bekend zijn gemaakt.</al><al>De termijn waarbinnen een inburgeringsplichtige het inburgeringsexamen
                            moet hebben behaald, ligt vast in de wet (artikel 7, eerste lid, van de
                            wet). In de beschikking hoeft (en kan) van deze termijn alleen melding
                            worden gemaakt (onderdeel c). </al><al>Onderdeel d bepaalt dat in beschikking moet worden vastgelegd in hoeveel
                            termijnen de eigen bijdrage kan worden betaald en op welke wijze de
                            betaling plaatsvindt (al dan niet op basis van verrekening met de
                            bijstandsuitkering). Dit is geregeld in artikel 5 van de
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte van de bestuurlijke boetes voor de verschillende
                                overtredingen</titel></kop><al>Artikel 35 van de wet draagt de gemeenteraad op bij verordening de
                            hoogte van de bestuurlijke boete vast te stellen die voor de
                            verschillende overtredingen kan worden opgelegd. In artikel 34 WI zijn
                            voor de verschillende overtredingen de maximumbedragen van de
                            bestuurlijke boete vastgelegd. De gemeente kan deze boetebedragen in
                            haar verordening overnemen, maar ze kan ook lagere bedragen vaststellen. </al><al>De boetebedragen die in de verordening worden opgenomen zijn
                            maximumbedragen en géén gefixeerde bedragen. Het college zal bij elke
                            overtreding de bestuurlijke boete moeten afstemmen op de ernst van de
                            overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden
                            verweten. Bovendien moet het college daarbij ook zonodig rekening houden
                            met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 38,
                            tweede lid van de wet). Deze bepaling brengt met zich mee dat het
                            college bij elke op te leggen bestuurlijke boete zal moeten nagaan welke
                            boete passend is, gelet op de individuele omstandigheden van de
                            betrokken inburgeringsplichtige.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de
                                overtreding</titel></kop><al>Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om bij herhaling van de
                            overtreding een hogere boete op te leggen dan op grond van artikel 9
                            mogelijk is. </al><al>Het eerste en tweede lid kunnen alleen in de verordening worden
                            opgenomen als in artikel 9, eerste en tweede lid, lagere
                            maximumboetebedragen zijn opgenomen dan de maximumbedragen in de wet. De
                            13 verhoogde boetebedragen ingeval van herhaling van de overtreding
                            mogen uiteraard niet hoger zijn dan de maximumbedragen die in artikel 34
                            van de wet worden genoemd. </al><al>Om te kunnen spreken van een herhaling van een overtreding, moeten de
                            overtredingen zich wel binnen een bepaalde tijdspanne voordoen,
                            bijvoorbeeld 12 maanden. Gemeenten kunnen een kortere of langere termijn
                            vaststellen. </al><al>Artikel 34, onderdeel d van de wet biedt de mogelijkheid voor gemeenten
                            om de bestuurlijke boete te verhogen van maximaal € 500 naar maximaal €
                            1000 in het geval dat de inburgeringsplichtige bij herhaling niet
                            voldoet aan de verplichting binnen de gestelde termijn het
                            inburgeringsexamen te behalen. Dit is geregeld in het derde en vierde
                            lid van artikel 10.</al><al>Als de inburgeringsplichtige niet binnen de voor hem geldende termijn
                            het inburgeringsexamen heeft behaald, dan legt het college hem een
                            bestuurlijke boete op. De maximumboete die kan worden opgelegd, is
                            neergelegd in artikel 9, derde lid, van de verordening. Op grond van
                            artikel 32 van de wet moet het college in de boetebeschikking een nieuwe
                            termijn vaststellen waarbinnen de inburgeringsplichtige alsnog het
                            inburgeringsexamen moet behalen dan wel op een andere wijze aan zijn
                            inburgeringsplicht heeft voldaan. Als de inburgeringsplichtige ook
                            binnen deze nieuwe termijn het inburgeringsexamen niet heeft behaald,
                            maakt het derde lid het mogelijk dat het college een hogere boete
                            vaststelt. Het wettelijk maximum bedraagt € 1000 (artikel 34, onderdeel
                            d van de wet I). Ook in dat geval zal in de boetebeschikking een nieuwe
                            termijn moeten worden opgenomen waarbinnen de inburgeringsplichtige het
                            inburgeringsexamen moet behalen. </al><al>Als de inburgeringsplichtige ook binnen deze (derde) termijn niet aan de
                            inburgeringsplicht heeft voldaan, regelt het vierde lid dat het college
                            wederom een hogere bestuurlijke boete kan opleggen. De maximumboete in
                            het vierde lid geldt ook voor alle hierop volgende overschrijdingen van
                            termijnen door de inburgeringsplichtige.</al><al>Het vierde lid kan alleen in de verordening worden opgenomen als in het
                            derde lid niet het wettelijk maximum van € 1.000 is vastgesteld. Alleen
                            in dat geval is er ruimte voor het verhogen van het maximumbedrag van de
                            bestuurlijke boete (tot maximaal € 1.000). </al><al>Als in het derde lid het wettelijk maximum van € 1.000 is opgenomen of
                            als de gemeente er geen behoefte aan heeft om een hogere
                            maximumboetebedrag vast te stellen wanneer termijnen bij herhaling
                            worden overschreden, kan het vierde lid worden geschrapt en dient het
                            derde lid als volgt te luiden: </al><al><cursief>De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste &lt;BEDRAG VAN
                                MAXIMAAL € 1</cursief><cursief>.</cursief><cursief>000&gt; indien de
                                inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van
                                artikel 32 of 33 van de wet vastgestelde termijn het
                                inburgeringsexamen heeft behaald.</cursief></al><al>De artikelen 9 en 10 bieden in de vorm van het vaststellen van
                            maximumbedragen het kader voor het college bij het vaststellen van de
                            hoogte van de bestuurlijke boetes in individuele gevallen. Het college
                            zal binnen deze kaders zelf een beleid moeten ontwikkelen. Het is aan te
                            bevelen dat het college in beleidsregels vastlegt hoe dat beleid er uit
                            ziet: welke boete wordt in beginsel opgelegd bij welke overtreding en
                            met welk bedrag wordt de boete in beginsel verhoogd als de betrokken
                            inburgeringsplichtige dezelfde overtreding nogmaals pleegt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afstemming van de bestuurlijke boete</titel></kop><al>Dit artikel regelt dat het college de bestuurlijke boete kan aanpassen
                            aan de omstandigheden van de (verschillende) overtredingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Beloning</titel></kop><al>Het college kan besluiten de inburgeringsplichtige die na het volgen van
                            een door het college vastgestelde voorziening het inburgeringsexamen,
                            NT2 Staatsexamen programma I of II dan wel diploma binnen een termijn
                            van drie jaar behaalt, daarvoor te belonen. De beloning is ten hoogste
                            gelijk aan de vastgestelde eigen bijdrage. Uitgangspunt is dat de eigen
                            bijdrage conform de wet wel eerst wordt geïnd. Wanneer de eigen bijdrage
                            nog niet volledig is betaald, wordt de beloning verrekend met de nog
                            verschuldigde eigen bijdrage. De termijn van drie jaar start nadat de
                            voorziening bij beschikking is vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan het bepaalde in deze verordening buiten toepassing laten
                            of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van een
                            goede inburgering leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. In de
                            gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>