<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR254744_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Schagen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schagen</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-31</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schagen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Schager Weekblad 30 januari 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Schagen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Art. 149 Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-31</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-05-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013-08</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Monumenten</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Schagen 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Schagen;</al><al/><al/><al>Gelet op gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38
                        van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al/><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Erfgoedverordening Schagen 2013</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begripsbepalingen</label></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>gemeentelijk monument</onderstreept>: een
                                    overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                    monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein of water dat van algemeen belang is wegens een
                                            daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al><onderstreept>gemeentelijke monumentenlijst</onderstreept>: de
                                    lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze
                                    verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken,
                                    terreinen of wateren als bedoeld in artikel 1 sub a;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>beschermd monument</onderstreept>: beschermd
                                    monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht en/of beschermd monument als
                                    bedoeld in artikel 1 van de Monumentenverordening Noord-Holland
                                    2010;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>Erfgoedcommissie</onderstreept>: de op basis van
                                    artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak
                                    het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over
                                    de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht, de verordening, het monumenten- en
                                    cultuurhistorisch beleid;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>gemeentelijke archeologische
                                        waardenkaart</onderstreept>: topografische kaarten, zijnde
                                    de kaartbijlage bij de gemeentelijke Beleidsnota Cultuurhistorie
                                    of de gemeentelijke Beleidsnota Archeologie, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologisch waardevolle gebieden
                                    zijn aangegeven, onder vermelding van het archeologieregime
                                    en/of archeologiecriterium;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>archeologieregime</onderstreept>: niveau van
                                    bescherming (rijks, provinciaal of gemeentelijk) van een bekend
                                    archeologisch terrein of van een archeologisch waardevol gebied
                                    van de eerste, tweede, derde, vierde of vijfde categorie of van
                                    de Waarde Archeologie 1, 2, 3, 4 of 5, waar in een bepaalde mate
                                    archeologische waarden worden verwacht (archeologisch waardevol
                                    gebied), vastgelegd via het archeologiecriterium;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>archeologisch waardevol gebied</onderstreept>:
                                    gebied, aangegeven op de gemeentelijke archeologische
                                    waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate
                                    archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>archeologiecriterium</onderstreept>: de omvang
                                    (oppervlakte en diepte) van de grondroerende werkzaamheden in de
                                    bodem, zijnde de ondergrens van werkzaamheden waarbij rekening
                                    moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische
                                    waarden;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>bouwhistorisch onderzoek</onderstreept>: onderzoek
                                    dat alle gegevens bestudeert over de bouwgeschiedenis en het
                                    gebruik van een gebouw.</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>programma van eisen</onderstreept>: programma dat
                                    door het college wordt vastgesteld en waarmee kaders worden
                                    gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch
                                    onderzoek;</al></li><li nr="k."><al><onderstreept>plan van aanpak</onderstreept>: plan dat weergeeft
                                    hoe een archeologische uitvoerder de vragen zoals omschreven in
                                    het programma van eisen denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="l."><al><onderstreept>bureauonderzoek</onderstreept>: het verwerven van
                                    informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of
                                    verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied,
                                    omvattende de aard en de omvang, de datering, gaafheid en
                                    conservering en de relatieve kwaliteit daarvan;</al></li><li nr="m."><al><onderstreept>inventariserend veld onderzoek</onderstreept>:
                                    door middel van waarnemingen in het veld verwerven van (extra)
                                    informatie over bekende of verwachte archeologische waarden
                                    binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van
                                    de archeologische verwachting, geformuleerd in het
                                    bureauonderzoek;</al></li><li nr="n."><al><onderstreept>definitief opgravend onderzoek</onderstreept>:
                                    definitieve archeologische ontsluiting van een vindplaats met
                                    als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig
                                    is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen
                                    verwoordde onderzoeksvragen en het behalen van de
                                    onderzoeksdoelstelling;</al></li><li nr="o."><al><onderstreept>bevoegd gezag</onderstreept>: bestuursorgaan als
                                    bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="p."><al><onderstreept>het college</onderstreept>: het college van
                                    burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen;</al></li><li nr="q."><al><onderstreept>vergunning</onderstreept>: een omgevingsvergunning
                                    als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="r."><al><onderstreept>Wabo</onderstreept>: Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 2. Het gebruik van het monument</label></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de Erfgoedcommissie.</al></li><li nr="3."><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming
                                    dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de
                                    uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument
                                    aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.</al></li><li nr="4."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                                    aangewezen op grond van de Monumentenverordening van de
                                    provincie Noord-Holland.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Voorbescherming</label></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                    ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de Erfgoedcommissie, maar in ieder geval binnen 20
                                    weken na de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</label></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijk monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding
                                    en een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Wijzigen van de aanwijzing</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid 2, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                    lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988
                                    of aan artikel 2 van de Monumentenverordening van de provincie
                                    Noord-Holland.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd, onder vermelding van de datum van intrekking van
                                    de aanwijzing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 10. Instandhoudingbepaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in
                                    artikel 1, onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, af te breken, te verstoren, te
                                            verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                            onder a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten
                                            gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                            of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                    lid, gelden niet indien wordt voldaan aan de door het college
                                    gestelde nadere regels met betrekking tot de wijze waarop
                                    werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een monument met
                                    een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het
                                    tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                    voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke
                                    belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het
                                    geding zijn.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan bepalen dat de aanvrager van een vergunning als
                                    bedoeld in het tweede lid nader onderzoek moet verrichten, zoals
                                    een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</label></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in tweevoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk
                                    monument aan de Erfgoedcommissie voor advies.</al></li><li nr="2."><al>Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift
                                    brengt de Erfgoedcommissie schriftelijk advies uit aan het
                                    college.</al></li><li nr="3."><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning kunnen
                                    voorschriften worden verbonden. Deze voorschriften mogen slechts
                                    strekken tot bescherming van het belang of de belangen in
                                    verband waarmee de vergunning is vereist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. Weigeringsgronden</label></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                    artikel 12, lid 3 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument
                                    aan de Erfgoedcommissie.</al></li><li nr="2."><al>De Erfgoedcommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen vier weken na de datum van verzending van het
                                    afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan bepalen dat de aanvrager van een vergunning
                                    nader onderzoek moet verrichten, zoals een bouwhistorisch
                                    onderzoek.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van beschermde terreinen en/of wateren en
                            archeologische monumenten en gebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 16. Instandhoudingbepaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om:</al><lijst><li nr="a."><al>in een beschermd monument, bedoeld in artikel 1, onder
                                            a, sub 2 of in een archeologisch waardevol gebied,
                                            bedoeld in artikel 1, onder g, de bodem te verstoren,
                                            behoudens normale onderhoudswerkzaamheden en
                                            archeologisch onderzoek door een daartoe gekwalificeerde
                                            archeoloog;</al></li><li nr="b."><al>aanwezige (delen van) fundamenten of andere, met de
                                            archeologische structuren verband houdende zaken af te
                                            breken, te verplaatsen of in enig opzicht te
                                            wijzigen;</al></li><li nr="c."><al>zich met een metaaldetector te bevinden op beschermde
                                            monumenten en op de terreinen, die door de gemeenteraad
                                            zijn aangegeven als terreinen met een
                                            metaaldetectorverbod (via de APV):</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Het een verstoring betreft van een archeologisch
                                            monument of een archeologisch waardevol gebied,
                                            aangeduid op:</al></li><li nr="I."><al>de beleidskaart “Archeologiegebieden 2011” van de
                                            voormalige gemeente Zijpe, vastgesteld op 29 mei 2012,
                                            en waarbij die verstoring plaatsvindt:</al><lijst><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  categorie 1B, mits de verstoring een diepte
                                                  betreft van 35 cm of minder, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  tweede categorie, mits het te verstoren gebied 100
                                                  m2 of kleiner is en de verstoring een diepte van
                                                  35 cm of minder betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  derde categorie, waarbij het te verstoren gebied
                                                  500 m2 of kleiner is en de verstoring een diepte
                                                  van 50 cm of minder betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  vierde categorie, waarbij het te verstoren gebied
                                                  2.500 m2 of kleiner is en de verstoring een diepte
                                                  van 50 cm of minder betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  vijfde categorie, waarbij het te verstoren gebied
                                                  10.000 m2 of kleiner is en de verstoring een
                                                  diepte van 50 cm of minder betreft.</al></li></lijst></li><li nr="II."><al>de beleidskaart “Cultuurhistorie Harenkarspel” van de
                                            voormalige gemeente Harenkarspel, vastgesteld op 17 juli
                                            2012, en waarbij die verstoring plaatsvindt:</al><lijst><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied WR A-2,
                                                  mits het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2
                                                  en de verstoring een diepte van 35 cm of minder
                                                  betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied WR A-3,
                                                  mits het te verstoren gebied kleiner is dan 500 m2
                                                  en de verstoring een diepte van 50 cm of minder
                                                  betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied WR A-4,
                                                  mits het te verstoren gebied kleiner is dan 2.500
                                                  m2 en de verstoring een diepte van 50 cm of minder
                                                  betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied WR A-5,
                                                  mits het te verstoren gebied kleiner is dan 10.000
                                                  m2 en de verstoring een diepte van 50 cm of minder
                                                  betreft.</al></li></lijst></li><li nr="III."><al>de beleidskaart “Archeologische waardenkaart Schagen”
                                            van de voormalige gemeente Schagen, vastgesteld op 15
                                            december 2009, en waarbij die verstoring
                                            plaatsvindt:</al><lijst><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  eerste categorie, mits de verstoring een diepte
                                                  van 35 cm of minder betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  tweede categorie, mits het te verstoren gebied
                                                  50m2 of kleiner is en de verstoring een diepte van
                                                  35 cm of minder betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  derde categorie, mits het te verstoren gebied 500
                                                  m2 of kleiner is en de verstoring een diepte van
                                                  40 cm of minder betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  vierde categorie, mits het te verstoren gebied
                                                  2500m2 of kleiner is en de verstoring een diepte
                                                  van 40 cm of minder betreft, of;</al></li><li nr="·"><al>in een archeologisch waardevol gebied van de
                                                  vijfde categorie, mits het te verstoren gebied
                                                  10.000m2 of kleiner is en de verstoring een diepte
                                                  van 40 cm of minder betreft.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn
                                            opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel
                                            2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene
                                            bepalingen omgevingsrecht en in de vergunning
                                            voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische
                                            monumentenzorg.</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                            uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
                                            verstoring van een archeologisch monument of van een
                                            archeologisch waardevol gebied, als aangegeven op de
                                            gemeentelijke archeologische waardenkaart;</al></li><li nr="e."><al>een bureauonderzoek en aanvullend een archeologisch
                                            onderzoeksrapport is overgelegd, waarin de
                                            archeologische waarde van het terrein en/of de wateren
                                            in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt
                                            dat:</al><lijst><li nr="·"><al>in het geheel geen archeologische waarden
                                                  aanwezig zijn;</al></li><li nr="·"><al>de aanwezige archeologische waarden door de
                                                  verstoring niet onevenredig worden geschaad,
                                                  of:</al></li><li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                  voldoende mate kan worden gewaarborgd.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Opgravingen en begeleiding</label></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Schagen onderzoek
                                    wordt uitgevoerd, waaronder inventariserend veld onderzoek en/of
                                    definitief opgravend onderzoek, in het kader van het doen van
                                    opgravingen in de zin van artikel 1 sub h van de Monumentenwet
                                    1988, dient, onverminderd de bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen, als
                                            bedoeld in artikel 1, onder i van deze verordening,
                                            waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het
                                            onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaand aan het onderzoek, een plan
                                            van aanpak als bedoeld in artikel 1, onder j van deze
                                            verordening ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te
                                            overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                    betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                    plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van
                                    het college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak voldoet aan het
                                    programma van eisen en eventuele nader gestelde regels, vraagt
                                    het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in
                                    de Wet op de Archeologische Monumentenzorg.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Procedure</label></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 19. Tegemoetkoming in schade</label></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20. Strafbepaling</label></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16, met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder
                            e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21. Toezichthouders</label></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college dan wel de
                            burgemeester aan te wijzen personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 22. Intrekken oude regeling</label></kop><al>De Erfgoedverordening Harenkarspel 2010, de Erfgoedverordening gemeente
                            Schagen 2010 en de Erfgoedverordening gemeente Zijpe 2010 worden
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 22 ingetrokken verordeningen
                                aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht
                                aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening, worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 22 ingetrokken verordeningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24. Inwerkingtreding</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking na de dag van bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25. Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening Gemeente
                            Schagen 2013”.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Schagen, 3 januari 2013,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raad </ondertekening><ondertekening/><ondertekening>, voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> , griffier.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting bij de Erfgoedverordening Schagen 2013, gebaseerd op de toelichting bij de model Erfgoedverordening 2010 van de VNG</label></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                        uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving
                        van een monument in de Monumentenwet 1988. De cultuurhistorische waarde is
                        volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende
                        waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens
                        in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.
                        Dit is een zo ruime omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken
                        en gebieden met een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim te
                        worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische
                        waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan het bijvoorbeeld ook
                        gaan om parken, tuinen en een perceel met een of meer bomen. Het is niet
                        vereist dat op het terrein ook een gebouwd monument voorkomt om over een
                        gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers een veel
                        ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                        monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                        monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze
                        ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                        onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de bescherming
                        vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal eenvoudig kunnen
                        worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee
                        buiten de werking van de verordening worden gebracht. Zaken die naar hun
                        aard roerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status
                        krijgen, op basis van de redengevende omschrijving. Met het voorgaande in
                        het achterhoofd is het echter aan gemeenten zelf om met de verordening ook
                        roerende monumenten aan te wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat
                        gemeenten door middel van aanvullende regelgeving voorkomen dat
                        cultuurhistorische voorwerpen, die als gemeentelijk monument zijn
                        aangewezen, buiten de gemeentegrenzen verdwijnen. Controle en handhaving van
                        deze regelgeving zijn echter nauwelijks mogelijk.</al><al/><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                        aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft
                        geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling.
                        Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing tot
                        gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker om de
                        aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de
                        toelichting op artikel 3, lid 1, en artikel 7<cursief>.</cursief></al><al/><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is aangesloten bij
                        de begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst weer naar de
                        Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd monument als een
                        onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge de Monumentenwet
                        1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening voor rijksmonumenten
                        zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing. <onderstreept>Onder
                            ‘beschermd monument’ is ook inbegrepen het provinciaal monument. In de
                            model erfgoedverordening van de VNG is het provinciaal monument
                            abusievelijk niet opgenomen, de reden hiervoor is dat alleen de
                            provincies Drenthe en Noord-Holland provinciale monumenten hebben
                            aangewezen</onderstreept>.</al><al/><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan
                        elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                        commissies instellen. De Erfgoedcommissie is een commissie die adviseert aan
                        het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat
                        een Erfgoedcommissie advies moet uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit
                        vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In artikel 15 van deze wet is
                        bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie
                        moet regelen die adviseert aan het bevoegd gezag over aanvragen om een
                        omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
                        lid, onder f van de Wabo. De wetgever geeft hier dus aan dat het college in
                        dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een
                        commissie. Het instellen van de Erfgoedcommissie door het college moet door
                        middel van een apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het
                        instellen van een (Erfgoed) commissie door het college. De taken van de
                        Erfgoedcommissie strekken zich uit over de Erfgoedverordening de
                        Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de Erfgoedcommissie in deze
                        begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de Wabo te
                        adviseren aan het bevoegd gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in
                        artikel 15 van de Monumentenwet 1988. </al><al/><al><cursief>Sub e</cursief></al><al>De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing bieden in
                        het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat
                        geval kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen,
                        indien blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek
                        mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al/><al><cursief>Sub n</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                        burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in
                        hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven, zodat
                        deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere toelichting
                        behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. <onderstreept>Dit begrip was al bij
                            de vorige gedereguleerde verordening geschrapt</onderstreept>:</al><al>·het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer
                        deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat het
                        college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een bouwhistorisch
                        onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot monument kan de
                        eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een dergelijk onderzoek te
                        verrichten, voornamelijk vanwege de kosten. Daarnaast is dwang ook niet
                        mogelijk wegens het ontbreken van de mogelijkheid om binnen te kunnen treden
                        puur in het geval dat een dergelijk onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen
                        is dat wel mogelijk, maar bij woningen is binnentreden gebonden aan het
                        Huisvrederecht. De strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het niet
                        mogelijk dat voor slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot
                        monument wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt
                        binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving van de verordening.
                        Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch onderzoek bij de
                        aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat een woning is
                        aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente betreffende de
                        afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de
                        monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden
                        voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de cultuurhistorische
                        waarde van een gebouw bij de beoordeling van de aanvraag tot wijziging van
                        een monument van belang is. De gemeente bepaalt dan dat (de uitkomst van)
                        een bouwhistorisch onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot
                        een beoordeling van de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van
                        evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het monument in
                        relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze
                        bepaling uit de Awb maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten
                        verrichten van een bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen
                        hoeft te worden.</al><al>Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit het
                        dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels, maakt
                        het gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar instrument.
                        Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 10 vragen om een
                        vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een monument (het draait
                        hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing heeft op reguliere
                        onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel noch evenredig zijn om
                        bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een bouwhistorisch onderzoek
                        verplicht te stellen. Het niet langer verplicht stellen doet echter niets af
                        aan het intrinsieke belang van bouwhistorisch onderzoek.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                        toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het
                        college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de
                        aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van een monument</titel></kop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                        zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de
                        constructie en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik
                        van het object zelf. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                        monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing
                        heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke
                        monumentenlijst is slechts een administratieve handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                        college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                        besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van
                        de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het
                        besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op
                        schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan
                        het bestaande gebruik van het monument.</al><al>Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft
                        het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal
                        aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 10, tweede
                        lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 10, derde lid)
                        worden gewijzigd. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te
                        perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig
                        bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal
                        beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een
                        vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om
                        alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot
                        monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de
                        achterkant en het interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor
                        monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor
                        het bouwen.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de Erfgoedcommissie als bedoeld
                        onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                        voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en werkwijze van
                        de Erfgoedcommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over
                        een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden
                        worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van)
                        de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al/><al><cursief> Lid 3</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat belanghebbenden
                        zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers meer dan het naar
                        voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><al/><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op
                        een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als
                        gemeentelijk monument in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                        monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de
                        periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument
                        op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                        aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en
                        met 14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere
                        dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument
                        niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                        omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere regels
                        opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden
                        aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker
                        financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de
                        voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                        beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub
                        1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                        beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van
                        deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor
                        geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren
                        voor het inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij
                        artikel 6 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Erfgoedcommissie
                        moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2).
                        Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden
                        waar ze aan toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve
                        lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke invulling met
                        betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter
                        de termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve lasten voor de
                        burger.</al><al>Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de Erfgoedcommissie niet
                        tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een
                        beslissing nemen, of besluiten om een (te laat uitgebracht advies als
                        bedoeld in het eerste lid) toch in hun overwegingen te betrekken. Als het
                        college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve
                        weigering. Ingevolge artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid
                        van bezwaar of beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                        staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat
                        de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift
                        van de inschrijving) van het college is voor alle tot het monumentale object
                        gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot
                        monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto
                        artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                        beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook
                        van toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                        verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                        bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                        (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                        en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde
                        in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen
                        besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder
                        snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn
                        aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij
                        tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                        (aanwijzing).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                        voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                        wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                        aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                        4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                        monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het
                        advies van de Erfgoedcommissie nodig. Monumenten op de gemeentelijke
                        monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt
                        of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college van de
                        monumentenlijst gehaald. </al><al>Het kan zinvol zijn om voor een monument, waarvoor een aanvraag tot
                        intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen.
                        Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen,
                        anderzijds wordt het monument voorafgaand aan de sloop voor de lokale
                        geschiedenis gedocumenteerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                        artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                        beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                        alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                        omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat
                        het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb
                        (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de
                        gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een
                        schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een door de Minister
                        van VROM vastgesteld formulier. </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten
                        voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor
                        zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met
                        betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de
                        werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag
                        heeft niet de mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het
                        kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                        bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt
                        mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden
                        beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                        nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het
                        verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo
                        ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen
                        van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor
                        het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen
                        aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                        Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                        opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                        (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                        materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze
                        nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de
                        burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat
                        het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een
                        monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen,
                        zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                        geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen
                        de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                        monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                        kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren
                        van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden
                        geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de
                        gemeente, op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken
                        welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat
                        de monumentale waarde van het object niet of zo min mogelijk wordt
                        aangetast.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst.
                        Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming
                        tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en
                        overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                        godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor
                        bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet
                        geldt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                        digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen
                        het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                        ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                        keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg
                        indienen. aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over
                        de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen
                        is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na
                        verloop van twee jaren in werking te laten treden. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                        lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                        aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                        bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid
                        van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van
                        twee of meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                        voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                        opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                        voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                        Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende
                        de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                        project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                        uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg
                        moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar
                        één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure
                        geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen
                        om deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van
                        de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                        titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                        ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag
                        zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin
                        het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen,
                        de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere
                        procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing
                        van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
                        Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de
                        gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen.
                        Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                        kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                        geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen
                        8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                        bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om
                        zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                        Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld
                        advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de
                        (gemeentelijke) Erfgoedcommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat
                        de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen.
                        Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                        gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een
                        besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn
                        gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag
                        dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken
                        kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient
                        hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de
                        aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur
                        meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                        stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                        voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de
                        adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de
                        beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de Erfgoedcommissie
                        parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde
                        gezag. Dit parallel lopen van het advies en de beoordeling gebeurt ook al in
                        het kader van de verlening van de evenementenvergunning waarbij een advies
                        van de brandweer is vereist.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                        waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit
                        treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt
                        opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is
                        verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                        opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de
                        overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van
                        rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men
                        spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit
                        paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering
                        van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende
                        vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en
                        wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
                        is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één van de
                        toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De afzonderlijke
                        toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader
                        van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre het belang van monumenten
                        in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven worden dat het belang van de
                        monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen (bijvoorbeeld het
                        economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat het
                        belang van de monumentenzorg zich niet tegen de vergunningverlening mag
                        verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg centraal gesteld. De vergunning
                        moet op grond van dit artikel worden verleend in de gevallen dat het niet
                        strijdig is met het belang van de monumentenzorg. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te trekken.
                        De bepaling onder c heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij
                        de vergunninghouder ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo
                        kunnen zijn dat als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden,
                        de belangen van het monument behoren voor te gaan. In dat geval moet het
                        bevoegd gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                        beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van
                        de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing.
                        Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                        omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                        bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te
                        worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                        voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde
                        monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn
                        voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                        adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst
                        van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                        termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                        konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                        Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                        verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                        binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                        definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                        ingesteld.</al><al><cursief>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op
                            verschillende wijzen invulling te geven. De voorgenomen beperking
                            adviesplicht van de rijksdienst vanaf 2009 zal op bovenstaande van
                            invloed zijn. Daarom wordt de verplichte advisering in het wetsvoorstel
                            ‘Wijziging van de Monumentenwet </cursief><cursief>1988
                            in</cursief><cursief> verband met onder meer beperking van de
                            ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                            monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie,
                            sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de adviesplicht
                            van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het advies
                            van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een Erfgoedcommissie
                            moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en deskundig is. Het
                            overgangsartikel </cursief><cursief>64 in</cursief><cursief> de
                            Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een
                            Erfgoedcommissie in diens advisering trad, is ingetrokkenheeft. Het is
                            gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke gevallen zij niet
                            adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden
                            gehaald.</cursief></al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de Erfgoedcommissie bij de aanvragen
                        om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                        ingeschakeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van beschermde terreinen en/of wateren en
                            archeologische monumenten en gebieden</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de
                        raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel
                        3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond
                        aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet
                        (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze
                        verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan, door middel van
                        een gemeentelijke archeologische waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich
                        archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in
                        de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan
                        ´Malta-proof´ is.</al><al/><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld,
                        biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige bescherming aan
                        archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van artikel 16 biedt
                        bescherming door het opgenomen verbod om de bodem te verstoren.</al><al/><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 16 worden een vijftal
                        uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date is
                        als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt
                        het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende arc heologische
                        waardenkaart, voldoende bescherming aan de in de bodem aanwezige of te
                        verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de
                        Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het
                        gaat hier om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de
                        oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de
                        artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet
                        Wabo komen te vervallen. </al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat
                        bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot
                        archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de
                        aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt
                        overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in
                        voldoende mate is vastgesteld. </al><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel c.
                        Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten
                        behoeve van het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om
                        deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18
                        zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard
                        op de beoordeling van het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt
                        overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988
                        in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van dit
                        artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de
                        uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch
                        monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’
                        bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de
                        situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is
                        opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van
                        een aanlegvergunning, waarin vereisten betreffende de bescherming van
                        archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de handreiking
                        van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed
                        functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische
                        onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar
                        verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide regiefunctie bij
                        archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                        programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het
                        ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a).
                        Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak
                        weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het
                        programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is
                        sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van
                        een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het tweede lid van artikel
                        16 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten
                        vallen. Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden
                        gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop)
                        en de beoordeling van het plan van aanpak.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid, onder e
                        en artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel
                        en de uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van
                        toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11, 12, 13 en 14, welke
                        zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                        monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
                        Voor de toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij
                        deze artikelen. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                        Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                        86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op
                        grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                        schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                        rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                        toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                        toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord,
                        staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt
                        voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval
                        moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In de verordening
                        is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen
                        zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een
                        schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige
                        model-erfgoedverordening geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor
                        het bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1
                        Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te
                        besluiten is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte
                        van de kosten en omvang van deze procedure. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op
                        de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10,
                        derde lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                        strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten
                        is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder
                        vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt
                        aangemerkt als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1,
                        van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding
                        van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan
                        hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                        al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23
                        van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. Het
                        is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in
                        genoemde categorieën. </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens om
                        enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                        tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van
                        de nadere regels voor de hand liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                        modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het
                        is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van de
                        ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het aanwijzen
                        van toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het college
                        geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening
                        en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo. </al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van
                        de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                        handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                        voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als
                        zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met
                        het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                        enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van toezichthouders derhalve
                        in de Erfgoedverordening kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt
                        dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover
                        dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is. Een
                        toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle
                        bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend.
                        Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van
                        zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van
                        het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                        betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner.
                        'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere
                        terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Nadrukkelijk zij hier vermeld
                        dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren
                        aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het
                        college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van
                        Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook
                        opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben
                        in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare
                        feiten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordeningen, zodat
                        niet meerdere verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen.
                        Het uitdrukkelijk intrekken van de oude regelingen mag niet achterwege
                        worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter
                        zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                        bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk
                        welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                        beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                        rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                        bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel
                        3) en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                        gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                        aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het
                        tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                        gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van
                        deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor
                        een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien
                        de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel
                        in werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de
                        kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de
                        verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor
                        een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                        verordeningen is gekoppeld aan de datum van publicatie. Bekendmaking van
                        deze verordening moet op grond van artikel 142 van de Gemeentewet
                        plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>