<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR254408_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Participatieverordening</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-01-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2012, 1</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Participatieverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=147&amp;g=2020-01-01">artikel 147 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=108&amp;g=2020-01-01">artikel 108 van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8&amp;g=2020-07-01">artikel 8 van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004044&amp;artikel=35&amp;g=2020-07-01">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0004163&amp;artikel=35&amp;g=2020-07-01">artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-01-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB11.0191</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Reïntegratieverordening, vastgesteld door de gemeenteraad op 9 juni 2004.</al><al>Deze regeling bevat de vroegst mogelijke datum van inwerkingtreding.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Participatieverordening</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet
                                    nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                    werk en bijstand, de Wet Participatiebudget en de Algemene wet
                                    bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet(ten) : Wet werk en bijstand (WWB), Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werknemers (IOAW); Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); de Wet
                                            Participatiebudget (Wpb). </al></li><li nr="b."><al>het college: het college van Burgemeester en
                                            Wethouders</al></li><li nr="c."><al>de gemeente: de gemeente Den Helder;</al></li><li nr="d."><al>de doelgroep: de persoon in de leeftijd van 16 en 17
                                            jaar die valt onder de doelgroep van de Wet
                                            Participatiebudget; de personen in de leeftijd van 18
                                            tot 65 jaar aan wie op grond van artikel 7, eerste lid
                                            onder a en lid 7 WWB door de gemeente ondersteuning
                                            dient te worden geboden; personen met een uitkering op
                                            grond van de Algemene nabestaandenwet evenals de niet
                                            uitkeringsgerechtigden jonger dan 65 jaar;</al></li><li nr="e."><al>de belanghebbende: het lid van de doelgroep dat
                                            aanspraak maakt op ondersteuning of aan wie door de
                                            gemeenteondersteuning wordt geboden;</al></li><li nr="f."><al>de werknemer: het lid van de doelgroep dat een
                                            dienstverband heeft met een werkgever die daarvoor
                                            subsidie ontvangt op grond van deze verordening;</al></li><li nr="g."><al>uitkeringsgerechtigde(n): degene(n) die algemene
                                            bijstand ontvangt op grond van de wet.</al><al>Met degene die bijstand ontvangt wordt gelijkgesteld
                                            degene die een uitkering ontvangt op grond van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) of op
                                            grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                            (IOAZ);</al></li><li nr="h."><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle maatschappelijk
                                            aanvaardbare arbeid. De werkzaamheden die niet algemeen
                                            geaccepteerd zijn of ingaan tegen de integriteit van de
                                            persoon zijn uitgesloten; </al></li><li nr="i."><al>participatie-instrumenten: de instrumenten die het
                                            college ter beschikking heeft voor het bieden van
                                            ondersteuning als bedoeld in artikel 7 WWB en artikel 34
                                            IOAW en IOAZ, zoals een leerwerktraject ofeen
                                            gesubsidieerde arbeidsplaats;</al></li><li nr="j."><al>participatievoorzieningen: regelingen c.q. maatregelen
                                            ter ondersteuning van de participatie-instrumenten die
                                            gericht kunnen zijn op bijvoorbeeld maatschappelijke
                                            activering, zorg of arbeidstoeleiding;</al></li><li nr="k."><al>een traject: een aaneenschakeling van
                                            participatie-instrumenten;</al></li><li nr="l."><al>sociale activering: het verrichten van onbeloonde
                                            maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                            arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                            mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                                            participatie. </al></li><li nr="m."><al>participatieplaatsen: onbeloonde additionele
                                            werkzaamheden als bedoeld in artikel 10a WWB, artikel
                                            38a IOAW en IOAZ; </al></li><li nr="n."><al>arbeidsovereenkomst: een arbeidsovereenkomst naar
                                            burgerlijk recht. Met een arbeidsovereenkomst wordt
                                            gelijk gesteld een aanstelling op grond van het
                                            ambtenarenrecht;</al></li><li nr="o."><al>minimumloon: het minimumloon per maand, genoemd in
                                            artikel 8, eerste lid van de Wet minimumloon en
                                            minimumvakantiebijslag verminderd met de daarover
                                            verschuldigde loonheffing en werkgeversdeel ;</al></li><li nr="p."><al>premie: een premie als bedoeld in artikel 10a, zesde lid
                                            WWB en artikel 38a IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="q."><al>scholing: scholing of opleiding als bedoeld in artikel
                                            10a, vijfde lid WWB, artikel 38a IOAW en IOAZ en artikel
                                            3 van de Wet Participatiebudget;</al></li><li nr="r."><al>plan van aanpak: een plan van aanpak als bedoeld in
                                            artikel 9a lid 7, artikel 44 lid 4 en artikel 44a WWB;
                                        </al></li><li nr="s."><al>schuldhulpverlening: een door de gemeente aangeboden
                                            pakket van voorzieningen gericht op het opheffen en
                                            voorkomen van problematische schulden;</al></li><li nr="t."><al>kinderopvang: gemeentelijke tegemoetkoming in de kosten
                                            van</al><al>kinderopvang;</al></li><li nr="u."><al>tegenprestatie: de tegenprestatie als bedoeld in artikel
                                            9 lid 1 onder c van de wet.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ondersteunt de belanghebbenden die behoren tot de
                                doelgroep en biedt daarbij, voor zover het college dat noodzakelijk
                                acht, één of meer voorzieningen aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van
                                participatie-instrumenten. Het college houdt daarbij rekening met de
                                aard en omvang van door het college te bepalen doelgroepen en de
                                instrumenten die het meest geschikt zijn voor de leden van die
                                doelgroepen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan
                                participatie-instrumenten prioriteiten stellen in verband met de
                                financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en
                                conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bevordert de beschikbaarheid van voorzieningen voor de
                                opvang van kinderen jonger dan 12 jaar voor leden van de doelgroep,
                                voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject of
                                voor deelname aan participatie-instrument, of voor het bereiken van
                                het doel van een traject of een participatie-instrument.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan één of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen
                                voor de verschillende voorzieningen</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Doel en ondersteuning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Doel</titel></kop><al>Het college streeft actief naar deelname aan het arbeidsproces c.q.
                            maatschappelijk proces en scholingvan de doelgroep. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vorm van ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ondersteuning kan worden geboden door het aanbieden van een traject,
                                waarbij zonodig participatie-instrumenten kunnen worden ingezet, of
                                door het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar
                                andere instanties.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de inzet van participatie-instrumenten wordt gekozen voor dat
                                instrument dat beschikbaar is en dat adequaat en toereikend is voor
                                het doel dat beoogd wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Participatie-instrumenten die gericht zijn op arbeidsinschakeling
                                worden alleen ingezet als zonder die inzet het verkrijgen van
                                algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Geen aanspraak op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                                voorliggende voorziening welke naar het oordeel van het college in
                                voldoende mate bijdraagt aan de participatie van
                                belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindiging en weigering van de ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan een participatievoorziening beëindigen en een
                            aangevraagde Participatievoorziening weigeren</al><al>indien:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 6 van
                                    deze verordening of die als bedoeld in artikel 9 of 17 van de
                                    WWB, artikel 13 of 37 van de IOAW of van de IOAZ niet of in
                                    onvoldoende mate nakomt;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende niet (langer) behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>het college een participatievoorziening aanbiedt die naar haar
                                    oordeel wat arbeidsmarkttoeleiding of participatie
                                    bevorderlijker is dan die welke is toegekend of
                                    aangevraagd;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening niet (langer)
                                    dan wel in onvoldoende mate bijdraagt aan arbeidsinschakeling,
                                    deelname maatschappelijk proces en scholing;</al></li><li nr="e."><al>het door het college ingestelde subsidie- of budgetplafond voor
                                    de betreffende voorziening is bereikt of het maximale aantal
                                    personen dat in aanmerking komt voor de voorziening is
                                    bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><al>Het college kan, voordat besloten wordt tot een traject of tot de inzet
                            van participatie-instrumenten, een onderzoek (laten) doen naar de
                            mogelijkheden van de belanghebbende en naar de geschiktheid voor hem van
                            de participatie-instrumenten of andere vormen van begeleiding. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>Onverminderd de verplichtingen op grond van de WWB, IOAW en IOAZ, gelden
                            voor belanghebbenden de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>de belanghebbende die door het college een
                                    participatie-instrument en/of een hierop afgestemde voorziening
                                    wordt aangeboden waaronder de tegenprestatie, is verplicht
                                    hiervan gebruik te maken;</al></li><li nr="2."><al>de belanghebbende die deelneemt aan een traject is gehouden aan
                                    de verplichtingen die gelden op grond van de wet, de wet Suwi,
                                    deze verordening evenals aan de nader op te leggen
                                    verplichtingen die het college aan het aangeboden traject en/of
                                    voorziening heeft verbonden, waaronder in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>het verstrekken van de inlichtingen aan het college die
                                            nodig zijn voor het bepalen van een geschikt traject,
                                            geschikt participatie-instrument en/of een geschikte
                                            voorziening;</al></li><li nr="b."><al>het verlenen van medewerking aan een onderzoek als
                                            bedoeld in artikel 5 van deze verordening;</al></li><li nr="c."><al>het meewerken aan begeleiding en controle bij
                                            ziekteverzuim;</al></li><li nr="d."><al>het onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van
                                            medische aard;</al></li><li nr="e."><al>het tijdig melden van het door ziekte of andere oorzaak
                                            niet kunnen voldoen aan de verplichtingen van het
                                            ingezette traject;</al></li><li nr="f."><al>het naar vermogen uitvoering geven aan de verschillende
                                            onderdelen van het traject;</al></li><li nr="g."><al>na te laten wat de realisatie van het doel van het
                                            traject of van de participatie-instrumenten
                                            belemmert;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>de belanghebbende jonger dan 27 jaar is gehouden aan de
                                    verplichtingen zoals opgenomen in het plan van aanpak;</al></li><li nr="4."><al>indien de schuldensituatie van belanghebbende naar het oordeel
                                    van het college de arbeidsinschakeling of de ondersteuning
                                    belemmert, wordt belanghebbende verplicht mee te werken aan een
                                    door het college aangeboden
                                    schuldhulpverleningsvoorziening;</al></li><li nr="5."><al>de belanghebbende wordt verplicht passende kinderopvang te
                                    regelen indien dit voor deelname aan een traject of voor de
                                    arbeidsinschakeling noodzakelijk is dat belanghebbende diens
                                    kinderen laat opvangen, dan wel wordt hij verplicht gebruik te
                                    maken van een door het college aangeboden
                                    kinderopvangvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Handhaving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een traject en
                                /of voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid,
                                dan kan het college de uitkering verlagen, conform wat hierover is
                                bepaald in de Afstemmingsverordening WWB 2012 en de
                                Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belanghebbende, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van een traject en/of een voorziening, niet voldoet
                                aan het gestelde in het 2<sup>e</sup> lid van artikel 6 van deze
                                verordening, kan het college de kosten van het traject en/of
                                voorziening dan wel de verstrekte subsidie geheel of gedeeltelijk
                                terugvorderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een werkgever, een bedrijf of instelling een voorziening
                                heeft ontvangen en niet heeft voldaan aan de door het college
                                opgelegde voorwaarden en verplichtingen, kan het college de
                                verstrekte voorziening van hen terugvorderen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Rechten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij het opstellen van een traject kan de belanghebbende zijn wensen
                                kenbaar maken en wordt er rekening gehouden met de wensen voor zover
                                het de arbeidsmarkttoeleiding of participatie bevordert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan besluiten tot vrijlating van inkomsten uit arbeid
                                tot het wettelijk vastgestelde maximum per maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan ter bevordering van de participatie aan
                                uitkeringsgerechtigden een premie aanbieden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Participatie-instrumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Algemene bepalingen over participatie-instrumenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In beleidsregels wordt vastgelegd welke participatie-instrumenten en
                                voorzieningen het college in elk geval kan aanbieden evenals de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan, ten aanzien van participatie-instrumenten en
                                voorzieningen, nadere regels stellen. Deze beleidsregels kunnen in
                                ieder geval betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een participatie-instrument dan wel
                                        een voorziening wordt aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                        participatie-instrumenten en/of voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                        –vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van, en de besluitvorming over subsidies en
                                        premies;</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>het vragen van een eigen bijdrage;</al></li><li nr="g."><al>overige criteria voor het aanbieden van trajecten,
                                        participatie-instrumenten, voorzieningen en het verstrekken
                                        van subsidies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening, aan een participatie-instrument dan
                                wel voorziening nadere voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden voor belanghebbende als de kans op
                                inschakeling op de arbeidsmarkt gering is en die daardoor vooralsnog
                                niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werkzaamheden betreffen additionele werkzaamheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een voorziening in de vorm van scholing of opleiding die de toegang
                                tot de arbeidsmarkt bevordert behoort tot de mogelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Na gedurende zes maanden wordt bij voldoende medewerking een premie
                                verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan een persoon jonger dan 27 jaar kan op grond van artikel 7 lid 8
                                WWB geen voorziening aangeboden in de vorm van een
                                participatieplaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De loonkostensubsidie heeft als doel de belanghebbende, door middel
                                van een tijdelijke subsidie, op regulier werk te plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit instrument kan ingezet worden wanneer door het college aan de
                                hand van een onderzoek is vastgesteld dat een loonkostensubsidie
                                geïndiceerd is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het instrument wordt niet ingezet als de belanghebbende als
                                gezinslid is aan te merken en het (bruto)inkomen van het gezin hoger
                                is dan 110% van het wettelijke minimumloon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De loonkostensubsidie duurt maximaal één jaar.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Kostenvergoeding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor kosten</titel></kop><al>Het college kan een vergoeding verstrekken aan een lid van de doelgroep
                            voor noodzakelijke kosten die gemaakt zijn in het kader van het traject
                            tot duurzame uitstroom. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Bevoegdheid college.</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                            nadere regels vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Participatieverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na haar bekendmaking treedt de verordening in werking op 1
                                    januari 2012, tenzij de Wet “Wijziging van de Wet werk en
                                    bijstand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in
                                    jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt
                                    en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van
                                    uitkeringsgerechtigden” nr. 32 815) op een latere datum in
                                    werking treedt, in welk geval deze verordening in werking treedt
                                    op diezelfde latere datum.</al></li><li nr="2."><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening is
                                    ingetrokken de Reïntegratieverordening, door de raad vastgesteld
                                    in zijn vergadering van 9 juni 2004. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 19 december 2011.</ondertekening><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>Mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><al/><al><vet>Inleiding</vet></al><al>Deze verordening regelt de ondersteuning die de gemeente biedt bij de
                    arbeidsinschakeling of, zolang dat nog niet mogelijk is, gericht op
                    maatschappelijke participatie van degenen die behoren tot de doelgroep. De
                    verantwoording om die ondersteuning te bieden is geregeld in artikel 7 en
                    artikel 10a lid 5 van de WWB en artikel 34 IOAW en IOAZ. Het voorschrift om een
                    verordening vast te stellen waarin deze ondersteuning nader vorm gegeven wordt
                    volgt uit artikel 8 WWB en 35 IOAW en IOAZ.</al><al>Tevens is ondersteuning mogelijk aan leden van de doelgroep in de leeftijd van
                    16 en 17 jaar, zoals opgenomen in de Wet Participatiebudget (Wpb).</al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de omschrijving in de WWB, IOAW en IOAZ, de Wpb en de Awb. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>In dit lid worden omschrijvingen gegeven van begrippen die meer dan eens in
                        de verordening voorkomen en waarvan het van belang is dat er telkens
                        hetzelfde onder wordt verstaan. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><al>De WWB, de IOAW, de IOAZ en de Wpb geven aan het college de
                        verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. Hoewel
                        belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen
                        afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de belanghebbende dat
                        het liefst zou zien. Het is aan het college om te zorgen voor een voldoende
                        aanbod van participatie-instrumenten, maar het college heeft daarbij te
                        maken met beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk
                        is van een veelheid aan sociaaleconomische factoren. </al><al/><al><vet>Lid 5 en lid 6</vet></al><al>Budget- en subsidieplafonds </al><al>De gemeente kan, bij algemene richtlijnen in de vorm van beleidsregels, een
                        verdeling maken van de middelen over de verschillende instrumenten en
                        voorzieningen om de financiële risico’s te beheersen. Het ontbreken van
                        financiële middelen alleen, kan geen reden zijn voor de afwijzing van een
                        verzoek. De gemeente dient dan na te gaan welke andere, (goedkopere)
                        alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen
                        plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per instrument en/of
                        voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat
                        er naar een ander instrument wordt uitgeweken. </al><al>In dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om
                        plafonds in te stellen, op basis van de bedragen die in een beleidsplan of
                        in de begroting voor de verschillende instrumenten en voorzieningen worden
                        gereserveerd. </al><al>Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het
                        kader van trajecten, instrumenten en voorzieningen. Een subsidieplafond
                        geldt voor participatie-instrumenten en voorzieningen die subsidies
                        inhouden. Dit plafond dient echter wel bekend gemaakt te worden vóór de
                        periode waarvoor deze geldt (artikel 4:27 Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Doel en ondersteuning</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Doel</titel></kop><al>Het bevorderen van uitstroom uit de inkomensvoorziening en reductie van de
                        uitkeringsduur wordt onder meer gerealiseerd door een kwalitatief aanbod van
                        participatie-instrumenten. De instrumenten en/of voorzieningen zijn gericht
                        op verbetering van de kans op werk en maatschappelijke participatie in een
                        samenhangende aanpak; het behalen van een startkwalificatie; het wegnemen
                        van eventuele belemmeringen en het bieden van begeleiding, scholing, zorg,
                        bemiddeling en nazorg. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vorm van ondersteuning</titel></kop><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                        diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                        participatie-instrumenten. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of
                        doorverwijzing naar andere instanties. </al><al>Participatie-instrumenten en eventueel daarop gebaseerde voorzieningen
                        worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen
                        geaccepteerde arbeid niet mogelijk is, dan wel dat zonder die inzet
                        maatschappelijke participatie niet mogelijk is. </al><al>Bij de inzet van participatie-instrumenten wordt prioriteit gegeven aan de
                        inzet van voorzieningen die naar het oordeel van het college het meest
                        efficiënt zijn en aan die doelgroepen waarbij de inzet van voorzieningen
                        naar het oordeel van het college het meest effectief is. </al><al>Voorzieningen in het kader van de ondersteuning kunnen aangeboden worden aan
                        de belanghebbende behorend tot de doelgroep, een werkgever evenals aan een
                        bedrijf of instelling die een bijdrage levert aan de ontwikkeling van een
                        belanghebbende.</al><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt
                        bij het college, dat immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en
                        doelgerichte inzet van schaarse middelen. Binnen de grenzen van die
                        verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de
                        belanghebbende, diens persoonlijke omstandigheden en motivatie. Maatwerk
                        draagt immers in belangrijke mate bij aan duurzame uitstroom. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Onderzoek</titel></kop><al>In de meeste gevallen zal, voordat tot de inzet van
                        participatie-instrumenten wordt besloten, een advies worden gevraagd van een
                        bedrijf dat gespecialiseerd is in diagnoses. Niet uitgesloten is dat het
                        onderzoek zelf wordt verricht. Eventueel kan na een zelf verricht onderzoek
                        besloten worden alsnog advies van derden in te winnen. </al><al>Ook is denkbaar dat uit het eigen onderzoek al blijkt dat een diagnose door
                        derden en/of de inzet van participatie-instrumenten niet nodig is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Verplichtingen</titel></kop><al>In de WWB, de IOAW en de IOAZ, zijn de verplichtingen die gelden bij het
                        recht op een uitkering uitgebreid opgenomen. Voor alle duidelijkheid zijn in
                        het eerste en tweede lid de verplichtingen in het kader van de participatie
                        nogmaals opgenomen. </al><al>Deelname aan participatie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn
                        al door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen
                        gehouden. Voor degenen zonder uitkering moeten voorwaarden aan het
                        participatietraject worden gekoppeld, welke uiteraard ook voor
                        bijstandsgerechtigden gelden. </al><al>Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject
                        af te breken of de gevraagde ondersteuning te weigeren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Handhaving</titel></kop><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Dit lid is de verbinding met de afstemmingsverordeningen. De
                            afstemmingsverordening<vet>en</vet> regelen de toepassing van een
                        verlaging indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen
                        voldoet. Deze afstemming bestaat uit het verlagen van de uitkering met een
                        bepaald percentage. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Wanneer belanghebbenden (zonder uitkering, Anw-ers en/of werkzaam in
                        gesubsidieerde arbeid) zich niet houden aan de verplichtingen kan de
                        gemeente niet de uitkering verlagen met een maatregel. Daarom is in dit lid
                        de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen dat er sprake is van
                        verwijtbaar handelen waardoor een traject en/of geboden voorzieningen niet
                        tot het gewenste resultaat leidt dan wel ten onrechte is verstrekt, de
                        gemeente (een deel van) de kosten die gemaakt zijn kan terugvorderen. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Voorzieningen aan een belanghebbende (als omschreven in lid 2), werkgever,
                        bedrijf of instelling worden teruggevorderd als:</al><lijst><li nr="·"><al>De activiteiten waarvoor de voorziening is aangeboden niet of niet
                                geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden;</al></li><li nr="·"><al>Niet is voldaan aan de aan de voorziening verbonden voorwaarden of
                                verplichtingen;</al></li><li nr="·"><al>De voorziening is aangeboden op basis van onjuiste of onvolledige
                                gegevens en het verstrekken van juiste of volledige gegevens tot een
                                andere beschikking zouden hebben geleid;</al></li><li nr="·"><al>De voorziening op andere gronden ten onrechte is aangeboden en
                                belanghebbende, werkgever, instelling of bedrijf dit wist of
                                behoorde te weten.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Participatie-instrumenten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Algemene bepalingen over re-integratie-instrumenten</titel></kop><al>Dit artikel regelt enkele zaken die te maken hebben met alle
                        participatie-instrumenten en participatievoorzieningen, ook die niet met
                        name in de verordening zijn opgenomen. Het eerste lid geeft daarom aan dat
                        de verordening geen uitputtende opsomming van voorzieningen bevat. </al><al>De participatievoorzieningen die het college kan aanbieden zijn gericht
                        op:</al><al/><al>1.Zorg</al><al>De belanghebbende is niet in staat tot deelname aan het arbeidsproces door
                        ernstige beperkingen, waarbij er een zorgvraag is. De zorgvraag is dusdanig
                        dat een behandeling ervan noodzakelijk is alvorens werk kan worden
                        geaccepteerd. Het gaat hier om een zorgvraag die niet door de afdeling
                        Publiekszaken zelf kan worden ingevuld, maar waarbij externe, professionele
                        partijen moeten worden ingeschakeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om zware
                        verslaving of ernstige psychische problemen.</al><al/><al>2.Maatschappelijke activering</al><al>De belanghebbende is niet in staat regulier werk te verrichten door ernstige
                        beperkingen of ontbreken van basale arbeidsvaardigheden. Belanghebbende
                        dient eerst sociale vaardigheden voldoende te hebben ontwikkeld, voordat er
                        sprake kan zijn van arbeidstoeleiding. Het gaat dan bijvoorbeeld om het
                        accepteren van gezag, op tijd opstaan of er verzorgd uitzien.</al><al/><al>3.Arbeidsactivering</al><al>De belanghebbende heeft nog vaardigheden nodig voor het verrichten van
                        regulier werk. Door scholing of ervaring (bijvoorbeeld stage) dienen
                        competenties verbeterd of ontwikkeld te worden. Het kan bijvoorbeeld ook
                        gaan om het opdoen van arbeidsritme.</al><al/><al>4.Arbeidstoeleiding</al><al>De belanghebbende heeft ondersteuning nodig bij het vinden van werk. Er zijn
                        – in tegenstelling tot arbeidsactivering – geen in de persoon gelegen
                        belemmeringen voor werkaanvaarding.</al><al/><al>5.Regulier werk met ondersteuning</al><al>De belanghebbende verricht regulier werk met ondersteuning.
                        Loonkostensubsidie is een vorm van ondersteuning van regulier werk. Een vorm
                        van nazorg of een traject voor schuldhulpverlening zijn andere voorbeelden
                        van ondersteuning van regulier werk.</al><al/><al>6.Activiteiten gericht op jongeren van 16 en 17 jaar voor wie de leerplicht
                        of kwalificatieplicht nog niet is geëindigd en de jongeren van 18 tot 27
                        jaar. Deze activiteiten zijn hoofdzakelijk gericht op het behalen van een
                        startkwalificatie dan wel hen terug te leiden naar school.</al><al>Bij de vorm van ondersteuning die aan belanghebbenden wordt gegeven kunnen
                        verschillende instrumenten ingezet worden, zoals:</al><lijst><li nr="·"><al>Scholing of training</al></li><li nr="·"><al>Stage</al></li><li nr="·"><al>Participatieplaats</al></li><li nr="·"><al>Gesubsidieerde arbeidsplaats</al></li><li nr="·"><al>Sociale activering</al></li><li nr="·"><al>Arbeidsbemiddeling</al></li><li nr="·"><al>Proefplaatsing</al></li><li nr="·"><al>Loonkostensubsidie</al></li><li nr="·"><al>Leerwerktraject</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit lid geeft het college de bevoegdheid om voor participatie-instrumenten
                        en voorzieningen nadere regels te stellen. </al><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Hierin is de bevoegdheid geregeld dat het college aan een instrument dan wel
                        een voorziening nadere verplichtingen kan verbinden. Dit kunnen
                        verplichtingen van diverse aard zijn (maatwerk) afhankelijk van de situatie
                        en de persoon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Participatieplaatsen</titel></kop><al>Participatieplaatsen zijn bedoeld voor mensen die een bijstandsuitkering
                        ontvangen van de gemeente en die moeilijk aan het werk komen. De uit te
                        voeren werkzaamheden betreffen additionele werkzaamheden gedurende maximaal
                        twee jaar. Het zijn werkzaamheden met behoud van uitkering. Bij voldoende
                        inspanningen door belanghebbende om de kansen op de arbeidsmarkt te
                        vergroten verstrekt de gemeente na een periode van 6 maanden een
                        premie.</al><al>In de WWB zelf wordt uitgebreid ingegaan op de participatieplaatsen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><al><vet>Lid 4</vet></al><al>De loonkostensubsidie wordt in principe voor de duur van maximaal een jaar
                        verstrekt, omdat deze bedoeld is voor leden van de doelgroep die kunnen
                        uitstromen naar regulier werk.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>