<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR253966_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening behandeling bezwaarschriften</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schagen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schagen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officielebekendmakingen.nl3 januari 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening behandeling bezwaarschriften</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-03</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-01-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening behandeling bezwaarschriften </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de
                        burgemeester van de gemeente Schagen, ieder voor zover het zijn bevoegdheid
                        betreft; </al><al>gelezen het voorstel van de Stuurgroep HSZ van; </al><al>gezien de besluiten van de drie afzonderlijke fusiegemeenten, Harenkarspel,
                        Schagen en Zijpe (fusieraad);</al><al>besluiten vast te stellen de volgende verordening: </al><al/><al><vet>Verordening behandeling bezwaarschriften </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>a.Awb: Algemene wet bestuursrecht;</al><al>b: belanghebbende: belanghebbende in de zin van 1:2 van de Awb;</al><al>c: bezwaarschrift: bezwaar in de zin van hoofdstuk 7 van de Awb;</al><al>d: college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                        Schagen;</al><al>e: commissie: adviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Awb;</al><al>f: gemeente: gemeente Schagen</al><al>g: verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen;
                    </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inleidende bepaling commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn
                            ingediend tegen besluiten op grond van: </al><lijst><li nr="a."><al>een wettelijk voorschrift inzake belastingen of de Wet
                                    waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen)</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.
                            </al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst
                                en ontslagen. </al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie maken geen deel uit van of zijn niet
                                werkzaam onder verantwoordelijkheid van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het college benoemt een aantal plaatsvervangende leden.</al></li><li nr="5."><al>De commissie regelt vervanging van de voorzitter</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De secretaris van de commissie wordt door het college aangewezen.
                            </al></li><li nr="2."><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de
                                secretaris aan. </al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Zittingsduur</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de leden van de commissie worden benoemd voor een
                                termijn van vier jaar. Het is mogelijk één keer herbenoemd te
                                worden. </al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                ontslag nemen. Zij doen daarvan schriftelijk mededeling aan het
                                college. </al></li><li nr="3."><al>De aftredende of ontslag nemende voorzitter of leden van de
                                commissie blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                voorzien. </al></li><li nr="4."><al>Gedurende een jaar na inwerkingtreding van deze verordening kan het
                                college vaststellen dat de voorzitter en de leden van de commissie
                                in afwijking van het eerste lid van deze bepaling voor twee jaar
                                worden benoemd. Het is mogelijk de voorzitter en leden één keer te
                                herbenoemen voor een termijn van vier jaar. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Ingediend bezwaarschrift</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                                aangetekend. </al></li><li nr="2."><al>Een afschrift van het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde
                                stukken wordt binnen zeven werkdagen in handen van de secretaris
                                gesteld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Vooronderzoek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                                inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen. </al></li><li nr="2."><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de
                                commissie bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo
                                nodig uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien
                                daaraan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                                vereist. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Hoorzitting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De secretaris van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen.
                            </al></li><li nr="2."><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de Awb.
                            </al></li><li nr="3."><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien
                                van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de belanghebbenden en
                                het verwerend orgaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9. Uitnodiging zitting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De secretaris nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan ten
                                minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit. </al></li><li nr="2."><al>Binnen drie dagen na verzending van de uitnodiging kunnen de
                                belanghebbenden of het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de
                                secretaris verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen. </al></li><li nr="3."><al>De beslissing op het verzoek als bedoeld in het tweede lid wordt
                                uiterlijk één week voor het tijdstip van de zitting aan de
                                belanghebbenden en het verwerend orgaan meegedeeld. </al></li><li nr="4."><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken
                                of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd zijn in het
                                eerste tot en met het derde lid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10. Quorum</label></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het aantal
                        leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn plaatsvervanger,
                        aanwezig is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11. Niet-deelneming aan de behandeling</label></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                        behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in het
                        geding kan zijn. Zij laten zich zo nodig vervangen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Openbaarheid zitting</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De zitting van de commissie is openbaar. </al></li><li nr="2."><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of indien
                                een belanghebbende daartoe een verzoek doet. </al></li><li nr="3."><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting verzetten,
                                vindt de zitting plaats achter gesloten deuren. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. Schriftelijke verslaglegging</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 Awb vermeldt de namen van de
                                aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren
                                plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, maakt
                                het verslag hiervan melding. </al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde stukken, die
                                aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris
                                van de commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14. Nader onderzoek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien na afloop van de zitting, maar voordat het advies wordt
                                opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                commissieleden dit onderzoek houden. </al></li><li nr="2."><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift
                                aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden toegezonden. </al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de nadere
                                informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek richten
                                tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De voorzitter beslist
                                op dit verzoek. </al></li><li nr="4."><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening die
                                betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15. Raadkamer en advies</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over het
                                door haar uit te brengen advies.</al></li><li nr="2."><al>De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te
                                brengen advies. </al></li><li nr="3."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de
                                voorzitter. </al></li><li nr="4."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt
                                indien die minderheid dat verlangt. </al></li><li nr="5."><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                                beslissing op het bezwaarschrift. </al></li><li nr="6."><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de
                                commissie ondertekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16. Uitbrengen advies en verdaging</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag, bedoeld in
                                artikel 15 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                informatie en nader verslag, binnen drie weken uitgebracht aan het
                                bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen. </al></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                termijn van 12 weken, genoemd in artikel 7:10, eerste lid, van de
                                Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een
                                advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het verwerend
                                orgaan tijdig de beslissing te verdagen. </al></li><li nr="3."><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                belanghebbenden een afschrift. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Jaarverslag</label></kop><al>De commissie brengt jaarlijks vóór 1 juli aan de bestuursorganen van de
                        gemeente verslag uit van haar werkzaamheden in het voorafgaande
                        kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Overgangsrecht</label></kop><al>Bezwaarschriften die zijn ingediend voor het inwerkingtreden van deze
                        verordening, worden overeenkomstig de verordeningen als bedoeld in artikel
                        19, tweede, derde en vierde lid behandeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19. Inwerkingtreding </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die waarop
                                zij is bekendgemaakt.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening inzake de behandeling van bezwaarschriften sociale
                                wetgeving Harenkarspel 1994 wordt ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>De Verordening behandeling bezwaarschriften en klachten Schagen,
                                Zijpe en Anna Paulowna, vastgesteld door de gemeenteraad van Zijpe
                                en in werking getreden op 1-4-2008 wordt ingetrokken.</al></li><li nr="4."><al> De Verordening behandeling bezwaarschriften en klachten Schagen,
                                Zijpe en Anna Paulowna, vastgesteld door de gemeenteraad van Schagen
                                en in werking getreden op 1-4-2008 wordt ingetrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20. Citeertitel </label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening behandeling
                        bezwaarschriften”.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 3 januari 2013, </ondertekening><ondertekening>Namens de gemeenteraad:</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, </ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>Namens het college van burgemeester en wethouders:</ondertekening><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>De secretaris,</ondertekening><ondertekening>en:</ondertekening><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Algemene toelichting</label></kop><al>Deze verordening geeft een uitwerking van de behandeling van bezwaarschriften
                    door een adviescommissie. Om een volledig beeld te krijgen van de procedure die
                    moet worden gevolgd bij de behandeling van een bezwaarschrift is het
                    noodzakelijk om de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te
                    plaatsen. In de artikelsgewijze toelichting bij het model zijn zo veel mogelijk
                    onderdelen uit de Awb opgenomen die van belang zijn in de
                    behandelingsprocedure.</al><al/><al><cursief>Ambtelijke commissie</cursief></al><al>Niet elke gemeente kiest voor behandeling van bezwaarschriften door een externe
                    commissie. Mogelijk is dat voor bepaalde categorieën besluiten gekozen wordt
                    voor een ambtelijke commissie. Zo kan er gekozen worden voor een systeem waarbij
                    de commissie adviseert over de ingewikkeldere bezwaarschriften, terwijl de
                    eenvoudige ambtelijk worden afgehandeld. Een ambtelijke commissie hoeft zich
                    niet te houden aan de vereisten uit artikel 7:13 Awb. Doordat niet bij de
                    bevestiging van ontvangst van een bezwaarschrift verplicht moet worden
                    medegedeeld dat een commissie zal adviseren, maar doordat in de wet is bepaald
                    dat dit zo spoedig mogelijk dient te gebeuren heeft een gemeente de tijd en
                    mogelijkheid om bezwaarschriften te scheiden. De in deze verordening opgenomen
                    bepalingen over het horen, de gang van zaken tijdens de hoorzitting en het
                    adviseren aan het bestuursorgaan kunnen ook voor een ambtelijke commissie
                    gelden. Voor het horen door een ambtelijke commissie gelden de bepalingen uit
                    artikel 7:5 Awb.</al><al/><al><cursief>Bestuursorgaan</cursief></al><al>Sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 19 maart
                    2003, (LJN AF6023) is duidelijk dat de bezwaarschriftencommissie niet alleen een
                    adviescommissie is, maar ook een bestuursorgaan kan zijn. In deze verordening
                    zijn regels opgenomen met betrekking tot de adviestaak van de commissie. De
                    raad, het college en de burgemeester stellen de commissie in en hebben daarmee
                    zeggenschap over de wijze waarop de commissie haar adviestaak uitoefent. Zo
                    kunnen afspraken met de commissie worden gemaakt over de termijnen waarbinnen de
                    bezwaarschriftencommissie advies uitbrengt. In het kader van de Wet dwangsom en
                    beroep is het van belang dat de commissie op tijd adviseert, zodat ook tijdig
                    een beslissing op het bezwaar kan worden genomen.</al><al>De raad, het college en de burgemeester hebben geen zeggenschap over de
                    uitoefening van de bevoegdheden door de commissie als bestuursorgaan.</al><al>Er zijn een aantal mogelijkheden denkbaar waarbij de commissie als
                    bestuursorgaan optreedt. Dit is het geval als er een verzoek op grond van de Wet
                    openbaarheid bestuur (Wob) of Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt
                    ingediend of indien er een klacht wordt ingediend.</al><al>Op grond van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in
                    documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan
                    of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling,
                    dienst of bedrijf.</al><al>De commissie dient te beslissen op Wob-verzoeken om documenten die onder haar
                    berusten. Het gaat dan om alle documenten die vanuit de commissie worden
                    verzonden en om alle documenten die aan de commissie zijn gericht.</al><al>Ook is de bezwaarschriftencommissie verantwoordelijk voor de verwerking van
                    persoonsgegevens in de zin van de Wbp. De verwerking van persoonsgegevens in het
                    kader van de behandeling van bezwaarschriften vindt plaats onder
                    verantwoordelijkheid van de commissie. Voor het recht op inzage en het recht op
                    verbetering, aanvulling, verwijdering en afscherming (artikel 35 en 36 Wbp) zal
                    de belanghebbende zich tot de commissie moeten richten.</al><al>Op basis van artikel 9:1 Awb kan een ieder een klacht indienen over de wijze
                    waarop het bestuursorgaan of een onder de verantwoordelijkheid van dat orgaan
                    werkzame persoon zich in een concrete situatie jegens de klager of iemand anders
                    heeft gedragen. Dit betekent dat niet alleen klachten over de commissie als
                    geheel, over een commissielid maar ook klachten over de secretaris moeten worden
                    afgedaan door de commissie zelf.</al><al>Eveneens kan een klacht over de commissie worden ingediend bij de Nationale
                    Ombudsman.</al><al>Het is mogelijk dat de commissie zelf een regeling opstelt voor de werkwijze en
                    besluitvorming in die gevallen dat zij optreedt als bestuursorgaan. Omdat dit
                    relatief weinig voorkomt is het ook mogelijk om tijdens een vergadering van de
                    gehele commissie hierover afspraken te maken.</al><al/><al><cursief>Vierde tranche Awb</cursief></al><al>Op 1 juli 2009 trad de vierde tranche van de Awb in werking. Deze tranche
                    beslaat 3 onderwerpen:</al><lijst><li nr="·"><al>algemene regels voor betaling en inning van schulden
                            (bestuursrechtelijke geldschulden);</al></li><li nr="·"><al>bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete;</al></li><li nr="·"><al>attributie van bevoegdheden aan ambtenaren.</al></li></lijst><al>De vierde tranche heeft verder weinig gevolgen voor de werkzaamheden van de
                    bezwaarschriftencommissie. </al><al/><al><cursief>Wet dwangsom en beroep</cursief><cursief> bij niet tijdig
                        beslissen</cursief></al><al>Op 1 oktober 2009 is de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen,
                    onderdeel van de Awb, in werking getreden. Voor de bezwaarschriftencommissie is
                    deze wet op 2 punten van belang.</al><al>Allereerst is met de inwerkingtreding van deze wet de beslistermijn voor een
                    bezwaarschrift verruimd. De termijn begint nu niet meer te lopen vanaf het
                    moment dat een bezwaar wordt ingediend maar vanaf het moment dat de
                    bezwaartermijn van het besluit is afgelopen. Deze regeling ziet op die gevallen
                    waarbij er meerdere bezwaren tegen 1 besluit worden ingediend, het is nu
                    mogelijk om deze gelijk te behandelen. Voorheen was het mogelijk dat er ruim 5
                    weken zat tussen het eerste ingediende bezwaarschrift en het laatste waardoor
                    het lastig was om tijdig het 1e bezwaarschrift af te handelen.</al><al>Daarnaast is de beslistermijn indien er een commissie is, verlengd van 10 naar
                    12 weken en de mogelijkheid om te verdagen van 4 naar 6 weken.</al><al>Wordt er niet op tijd een besluit genomen door het bestuursorgaan dan is het
                    mogelijk dat de bezwaarde een dwangsom aanvraagt. Dit proces wordt gestart door
                    het sturen van een ingebrekestelling. Dan heeft het bestuursorgaan nog twee
                    weken de tijd om het besluit te nemen. Gebeurt dit niet dan gaat automatisch de
                    dwangsom lopen, per dag, met een maximum van 42 dagen wat staat voor een bedrag
                    van €1260, -. Tegelijk met de ingebrekestelling kan er beroep worden ingesteld
                    bij de rechter. De rechter kan ook een passende dwangsom opleggen.</al><al>De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen zorgt ervoor dat
                    bestuursorganen hun interne processen goed inrichten zodat op tijd besluiten
                    genomen kunnen worden. De bezwaarschriftencommissie maakt onderdeel uit van het
                    proces om tot een beslissing op bezwaar te komen. Het ligt voor de hand dat er
                    afspraken worden gemaakt tussen bestuursorgaan en commissie. Voor de commissie
                    is het belangrijk dat zij zo snel mogelijk de dossiers behorende bij het
                    bezwaarschrift ontvangt van het bestuursorgaan, voor het bestuursorgaan is het
                    van belang dat de commissie rekening houdt met de vergadercyclus van het orgaan
                    en dat adviezen op tijd worden aangeleverd.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening behandeling
                        bezwaarschriften</vet></al><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente: de raad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordenende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot het instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepaling</vet></al><al>In dit artikel zijn de begripsbepalingen opgenomen die in de verordening
                    voorkomen. Het bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen, wordt in
                    de verordening aangeduid als 'verwerend orgaan'. Dit kan de gemeenteraad
                    betreffen, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester of een
                    commissie waaraan via delegatie bepaalde bevoegdheden van de hiervoor genoemde
                    bestuursorganen zijn overgedragen.</al><al/><al><vet>Artikel 2. Inleidende bepaling commissie</vet></al><al>In de algemene toelichting is de keuze ver(ant)woord voor het horen en adviseren
                    door een gemeentelijke commissie. Deze commissie wordt via deze inleidende
                    bepaling als zodanig geïntroduceerd. In artikel 1:5 van de Awb is omschreven wat
                    onder het maken van bezwaar dient te worden verstaan.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal zaken die niet door de bezwaarschriftencommissie
                    worden behandeld. Bezwaarschriften die betrekking hebben op een zo specifieke
                    materie (zoals functiewaarden) of onderwerpen waarover zulke grote aantallen
                    bezwaarschriften te verwachten zijn (zoals WOZ), maken het wenselijk dat een
                    andere methodiek van horen en adviseren wordt gehanteerd. Over belastingzaken en
                    WOZ-zaken dient opgemerkt te worden dat de Algemene wet inzake rijksbelastingen
                    en de WOZ afwijkende of aanvullende bepalingen bevatten over beslistermijnen,
                    het horen en de geheimhouding. In verband hiermee hebben wij ervoor gekozen ze
                    in elk geval uit te zonderen.</al><al/><al><vet>Artikel 3. Samenstelling van de commissie</vet></al><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb.</al><al>De wet stelt als minimale eisen aan de samenstelling van een
                    adviescommissie:</al><lijst><li nr="·"><al>de commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden
                            (artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb); </al></li><li nr="·"><al>de voorzitter maakt geen deel uit en is niet werkzaam onder
                            verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (artikel 7:13, eerste lid,
                            onder b van de Awb). </al></li></lijst><al>In artikel 84, tweede lid van de Gemeentewet is een uitzondering opgenomen voor
                    bezwaar- en klachtcommissies voor wat betreft het uitgangspunt dat leden van de
                    raad geen lid mogen zijn van een door het college of de burgemeester ingestelde
                    commissie.</al><al>Het is dus mogelijk dat een raadslid voorzitter of lid is van een
                    bezwaarschriftencommissie. Wel staat dit ter discussie. In een dualistisch
                    stelsel ligt het niet voor de hand dat een raadslid onderdeel uitmaakt van een
                    adviescommissie welke voornamelijk adviseert over genomen collegebesluiten.
                    Begin 2009 heeft de staatssecretaris van het ministerie van Binnenlandse Zaken
                    en Koninkrijksrelaties de 'Staat van de dualisering' aan de Tweede Kamer
                    aangeboden. Daarin wordt een stand van zaken geschetst rond het proces van
                    dualisering in het lokaal bestuur. De staatssecretaris geeft hierin aan dat zij
                    de mogelijkheid dat raadsleden lid kunnen zijn van een adviescommissie
                    bezwaarschriften uit de Gemeentewet wil schrappen. De staatssecretaris vindt dit
                    een onzuiver element in de verhouding tussen raad en college, omdat het geen
                    raadswerk betreft. Raadsleden krijgen op deze manier indirect de kans om op de
                    stoel van het bestuur te gaan zitten, terwijl de politieke verantwoording en
                    controle via de raad hoort te lopen.</al><al>Wanneer is gekozen voor een adviescommissie zijn de twee meest voorkomende
                    vormen een commissie die volledig bestaat uit leden die geen deel uitmaken van
                    en niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan of een
                    gemengde commissie welke deels bestaat uit externen (waaronder de voorzitter) en
                    deels uit internen.</al><al>De gemeente Schagen kiest ervoor om een volledig externe adviescommissie in te
                    stellen. Daarom is in artikel 3, derde lid van de verordening opgenomen dat,
                    naast de voorzitter, ook overige leden geen deel uitmaken van of werkzaam zijn
                    onder verantwoordelijkheid van de gemeente. </al><al>Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college. Het college is hiermee ook het orgaan dat indien
                    nodig het functioneren van de leden van de commissie evalueert. Indien een lid
                    van de commissie niet naar behoren functioneert is het in eerste instantie de
                    commissie die hierop actie zal ondernemen. De voorzitter zal hierbij een rol
                    spelen. Mocht een commissielid niet zelf ontslag nemen dan is het uiteindelijk
                    aan het college om op te treden. Het ligt voor de hand dat voordat een
                    dergelijke stap wordt genomen er diverse gesprekken hebben plaatsgehad en dat er
                    een dossier is gevormd. Bij de bevoegdheid van het college om een lid te
                    schorsen kan gedacht worden aan een situatie waarbij het functioneren van een
                    commissielid wordt onderzocht en deze, hangende het overleg hierover, wordt
                    geschorst.</al><al>Op 22 juli 2009 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het ontslag door
                    het college van leden van een bezwaarschriftencommissie. Aanleiding was een
                    vertrouwensbreuk (gepubliceerd in JB 2009, 216). Met name in de uitspraak van de
                    Rechtbank, minder in die van de Afdeling, wordt ingegaan op de bevoegdheid van
                    het college om leden van de bezwaarschriftencommissie te ontslaan wegens een
                    vertrouwensbreuk. De commissie heeft als adviseur in zekere mate een
                    onafhankelijke rol ten opzichte van het college en daarom dient aan de commissie
                    ruimte te worden gelaten om op verantwoorde wijze invulling aan haar
                    onderzoeksbevoegdheden te geven. Het college mag daarom niet te lichtvaardig met
                    de ontslagbevoegdheid omspringen omdat anders de schijn zou kunnen ontstaan dat
                    een commissie(lid) aan de kant wordt geschoven vanwege een voor het
                    bestuursorgaan onwelgevallig standpunt. Tegelijkertijd is de commissie een
                    adviserend orgaan en ligt de eindverantwoordelijkheid voor de beslissing op het
                    bezwaar bij het bestuursorgaan. In verband hiermee achtte de Rechtbank en ook de
                    Afdeling het ontoelaatbaar dat de commissie het initiatief nam tot een
                    bemiddelingspoging door een derde, terwijl verweerder al had laten blijken niets
                    te voelen voor een dergelijke oplossing. Het feit dat de commissieleden voor een
                    periode van vier jaar worden benoemd doet niet ter zake; indien sprake is van
                    een vertrouwensbreuk is ontslag mogelijk.</al><al/><al><cursief>Instelling kamers</cursief></al><al>Als, bijvoorbeeld gelet op het grote aantal te behandelen geschriften of in
                    verband met een wenselijke splitsing naar onderwerp daaraan behoefte bestaat,
                    kan de commissie worden opgesplitst in kamers.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Secretaris</vet></al><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden. De secretaris kan zowel intern als extern zijn en wordt
                    aangewezen door het college. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Zittingsduur</vet></al><al>Gekozen is om de leden te benoemen voor de duur van 4 jaar, met de mogelijkheid
                    om ze één keer te herbenoemen. </al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan
                    ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van
                    lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><al>Het vierde lid van dit artikel is toegevoegd, om de continuïteit binnen de
                    commissie te kunnen waarborgen. Beoogd is te voorkomen dat de volledige
                    commissie na een termijn van 2 maal 4 jaar ineens opstapt. Bij de herindeling
                    van de gemeenten Harenkarspel, Schagen en Zijpe was het eenmalig nodig om niet
                    alle voorzitters en leden van de commissie ineens voor 4 jaar te benoemen. Na
                    een periode van 4 jaar kunnen ze in dat geval allemaal op hetzelfde moment voor
                    4 jaar worden herbenoemd, en ten slotte treden ze allemaal tegelijkertijd af.
                    Dit heeft de gemeenteraad willen voorkomen, door voor de helft van de commissie
                    eenmalig te kiezen voor een afwijkende benoemingstermijn, aan de start van de
                    nieuw te benoemen bezwaarschriftencommissie. Alleen bij de eerste benoeming is
                    deze vorm van benoeming nodig. Daarom is opgenomen dat alleen in het eerste jaar
                    na inwerkingtreding van deze verordening van de bepaling kan worden afgeweken. </al><al>De helft van de voorzitters en leden kan bij de eerste benoeming na
                    inwerkingtreding van deze verordening voor 2 jaar worden benoemd, in plaats van
                    voor 4 jaar. Vervolgens kan een herbenoeming voor 4 jaar plaatsvinden. Deze
                    leden treden af na een maximale termijn van 6 jaar. </al><al>De andere helft van de voorzitters en leden wordt in eerste instantie benoemd
                    voor de duur van 4 jaar, met de mogelijkheid tot herbenoeming van 4 jaar. Deze
                    leden treden in af na een maximale termijn van 8 jaar. Zo treedt iedere twee
                    jaar een gedeelte van de commissie af, terwijl een gedeelte nog twee jaar blijft
                    zitten. De continuïteit is na deze eenmalige, kortere benoeming gewaarborgd in
                    de toekomst.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Ingediend bezwaarschrift</vet></al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="·"><al>vereisten aan het bezwaarschrift (artikel 6:5); </al></li><li nr="·"><al>de indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12): </al><lijst><li nr="o"><al>de indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7); </al></li><li nr="o"><al>de indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                    waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt
                                    (artikel 6:8); </al></li><li nr="o"><al>de ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie
                                    van de verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel
                                    6:9, tweede lid); </al></li><li nr="o"><al>regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                    ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11);</al></li><li nr="o"><al>bezwaar dat gericht is tegen het niet tijdig nemen van een
                                    besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12); </al></li></lijst></li><li nr="·"><al>de procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                            met 6:15): </al><lijst><li nr="o"><al>schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij
                                    het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat
                                    een commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een
                                    later stadium: zie ook de opmerkingen in paragraaf 3 onder
                                    ambtelijke commissie (artikel 6:14);</al></li><li nr="o"><al>doorzendplicht (artikel 6:15). </al></li></lijst></li></lijst><al>Over de ontvangstbevestiging wordt nog opgemerkt dat naast verzending per post
                    ook uitreiking van een ontvangstbewijs in aanmerking komt. Het ontvangstbewijs
                    kan samenvallen met de mededeling aan de indiener dat hij in de gelegenheid
                    wordt gesteld te worden gehoord, mits de mededeling spoedig na de ontvangst van
                    het bezwaarschrift kan worden gedaan.</al><al>Het verdient aanbeveling om bij grensgevallen naast aantekening van de datum van
                    ontvangst op het bezwaarschrift, de envelop waarin het is verzonden te bewaren.
                    Dit is gezien het belang van de datum van de poststempel en ter voorkoming van
                    onnodige geschillen over de ontvankelijkheid (zie artikel 6:9 Awb). Een per fax
                    verzonden bezwaarschrift dient vóór 24.00 uur van de laatste dag van de termijn
                    te zijn ingediend. Op grond van jurisprudentie moet het faxen zijn aangevangen
                    vóór 24.00 uur. Het risico van storingen in zowel de zendende als de ontvangende
                    faxapparatuur is voor de verzender (ABRS 16 mei 2000, AB 00/325). Een
                    bezwaarschrift verzenden per e-mail is ook mogelijk. Wel is het zo dat het
                    bestuursorgaan de elektronische weg expliciet moet openstellen (art.2:15 Awb).
                    Dit geeft de gemeente ook de mogelijkheid om een apart e-mail adres in te
                    richten voor de ontvangst van bezwaarschriften. Indien een bezwaarde per e-mail
                    een bezwaarschrift heeft ingediend terwijl het bestuursorgaan deze mogelijkheid
                    niet heeft toegestaan, dan dient het bestuursorgaan de verzender op de hoogte te
                    brengen dat deze manier niet mogelijk is en de verzender te verzoeken het
                    bezwaarschrift alsnog op de voorgeschreven wijze te versturen. Een per e-mail
                    ingediend bezwaarschrift kan niet automatisch niet-ontvankelijk worden
                    verklaard.</al><al>Het aantekenen van de datum van ontvangst wordt in artikel 6:15 Awb
                    uitdrukkelijk voorgeschreven indien het bezwaarschrift wordt ingediend bij een
                    onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter. Dit heeft
                    betekenis voor de vraag of het geschrift tijdig bij de bevoegde instantie is
                    ingediend. Ingevolge het derde lid van artikel 6:15 Awb dient namelijk de
                    bevoegde instantie het doorgezonden geschrift als tijdig ingediend te beschouwen
                    indien de indiening bij de onbevoegde instantie tijdig is geschied, tenzij
                    belanghebbende kennelijk misbruik heeft gemaakt van zijn procesrecht (derde lid,
                    zoals gewijzigd bij de Eerste evaluatiewet Awb, in werking getreden op 1 april
                    2002). Hiervan is bijvoorbeeld sprake als belanghebbende bij herhaling willens
                    en wetens een bezwaarschrift bij het verkeerde bestuursorgaan indient. Wanneer
                    het derde lid geen toepassing vindt, is de ontvangst bij het bevoegd orgaan
                    beslissend. Er zal dan meestal sprake zijn van verwijtbaar handelen van de
                    indiener die daarvoor zelf het risico loopt. In beginsel moet doorzending binnen
                    twee weken plaatsvinden. Gebeurt dit niet, dan komt dit niet voor risico van
                    belanghebbende.</al><al>Met dit artikel wordt de daadwerkelijke behandeling van een ingediend
                    bezwaarschrift door de commissie gestart. In verband met de voor de afhandeling
                    geldende termijn verdient het aanbeveling aan het in lid 2 gestelde (binnen
                    zeven werkdagen) ook daadwerkelijk te voldoen. </al><al>De in artikel 7:13, tweede lid, bepaalde melding dat een commissie over het
                    bezwaar zal adviseren, is van belang omdat hierdoor de beslistermijn van zes
                    weken wordt verlengd tot twaalf weken met een verdagingsmogelijkheid van zes
                    weken (artikel 7:10). Wellicht ten overvloede wordt hier opgemerkt dat het
                    aanbeveling verdient indieners al in een zo vroeg mogelijk stadium op de hoogte
                    te brengen van de te volgen procedure.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Vooronderzoek</vet></al><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift voldoende voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de bezwaarde in contact te treden
                    om nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten met zich meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten met zich meebrengen. Deze kosten komen ten
                    laste van de gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien
                    in de normale kosten van een commissie. Dat ligt anders als het om bijzondere
                    kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat het college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in onderhavige bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een
                    machtiging vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college
                    door zo'n toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke
                    positie daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Hoorzitting</vet></al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="·"><al>a. het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is; </al></li><li nr="·"><al>b. het bezwaar kennelijk ongegrond is; </al></li><li nr="·"><al>c. de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van
                            het recht te worden gehoord, of </al></li><li nr="·"><al>d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
                        </al></li></lijst><al>Ad d.</al><al>Het ligt voor de hand dat indien het verwerend orgaan aan het bezwaar van
                    appellant volledig tegemoet denkt te kunnen komen, het daarover met de
                    voorzitter van de commissie contact opneemt. In dit verband wordt ook gewezen op
                    artikel 6:18 en 6:19 Awb. In artikel 6:18 gaat het over het tijdens het
                    aanhangig zijn van bezwaar intrekken of wijzigen van het bestreden besluit. In
                    artikel 6:19 wordt bepaald dat indien een bestuursorgaan zo'n intrekkings- of
                    wijzigingsbesluit heeft genomen, het bezwaar geacht wordt mede gericht te zijn
                    tegen het nieuwe besluit tenzij dat besluit geheel tegemoetkomt aan het
                    bezwaar.</al><al>De bevoegdheid om van het horen af te zien wordt door de verordening toegekend
                    aan de voorzitter van de commissie. Deze beslissing is dus niet aan het
                    bestuursorgaan dat het bezwaarschrift heeft ontvangen. Dat zou overigens ook
                    niet mogelijk zijn, gelet op artikel 7:13, vierde lid, waarin onder andere is
                    bepaald dat de commissie, voorzover bij wettelijk voorschrift niet anders is
                    bepaald, beslist over de toepassing van artikel 7:3.</al><al>Het bepaalde in het derde lid spreekt voor zich. Daarnaast zal in het
                    uiteindelijk uit te brengen advies hier nogmaals op teruggekomen moeten worden.
                    Dat is noodzakelijk omdat ingevolge artikel 7:12 Awb bij de beslissing op een
                    bezwaarschrift, indien van het horen is afgezien, aangegeven moet worden op
                    welke grond dat is geschied.</al><al/><al><vet>Artikel 9. Uitnodiging zitting</vet></al><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><al>Het verdient aanbeveling een termijn vast te stellen die ligt tussen de
                    oproeping en de zitting zelf. In het algemeen moet gedacht worden aan een
                    zodanige termijn dat de bezwaarde en de overige belanghebbenden voldoende
                    gelegenheid krijgen om zich behoorlijk op de zitting voor te bereiden.
                    Bezwaarden kunnen geattendeerd worden op de mogelijkheid om hun verweer op
                    schrift te stellen dat bij het verslag wordt gevoegd.</al><al>Gekozen is voor een termijn van twee weken, mede in verband met de termijn van
                    12 weken waarbinnen, behoudens verdaging, op het bezwaar moet zijn beslist (zie
                    artikel 7:10 Awb) en het bepaalde in artikel 7:4 Awb (zie hierna).</al><al>Voorts is een regeling opgenomen over het desgevraagd wijzigen van het tijdstip
                    van de zitting. Uitstel hoeft overigens niet altijd te worden verleend.
                    Betrokkene dient wel tijdig uitsluitsel over zijn verzoek om uitstel te krijgen.
                    Met de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
                    is het verstandig om indien een bezwaarde verzoekt om uitstel en hiermee
                    ingestemd wordt, af te spreken dat daarmee de beslistermijn met eenzelfde
                    periode wordt opgeschort, en dit op schrift te bevestigen. </al><al>Van de artikelen 7:4 en 7:8 Awb wordt bij de uitnodiging van de hoorzitting
                    mededeling gedaan.</al><al/><al><vet>Artikel 7:4</vet></al><lijst><li nr="·"><al>1. Tot 10 dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken
                            indienen. </al></li><li nr="·"><al>2. Het bestuursorgaan/beroepsorgaan legt het
                            bezwaarschrift/beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking
                            hebbende stukken, voorafgaand aan het horen, gedurende ten minste één
                            week voor belanghebbenden ter inzage. </al></li><li nr="·"><al>3. Bij de oproeping voor het horen worden belanghebbenden gewezen op het
                            eerste lid en wordt vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen
                            liggen. </al></li><li nr="·"><al>4. Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten
                            hoogste de kosten afschriften verkrijgen. </al></li><li nr="·"><al>5. Voorzover de belanghebbenden daarmee instemmen, kan toepassing van
                            het tweede lid achterwege worden gelaten. </al></li><li nr="·"><al>6. Het bestuursorgaan/beroepsorgaan kan, al dan niet op verzoek van een
                            belanghebbende, toepassing van het tweede lid voorts achterwege laten,
                            voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden. Van de
                            toepassing van deze bepaling wordt mededeling gedaan. </al></li><li nr="·"><al>7. Gewichtige redenen zijn in elk geval niet aanwezig, voorzover
                            ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting bestaat een
                            verzoek om informatie, vervat in deze stukken, in te willigen. </al></li><li nr="·"><al>8. Indien een gewichtige reden is gelegen in de vrees voor schade aan de
                            lichamelijke of geestelijke gezondheid van een belanghebbende, kan
                            inzage van de desbetreffende stukken worden voorbehouden aan een
                            gemachtigde die hetzij advocaat, hetzij arts is. </al></li></lijst><al>Volgens de parlementaire geschiedenis zal voor het aannemen van
                    geheimhoudingsredenen een sterkere grond aanwezig moeten zijn dan de in de WOB
                    opgenomen weigeringsgronden (zie ook: Rb. Den Haag, 19 februari 1996, Awb katern
                    1996, 43).</al><al>In de bezwaarschriftprocedure is aangaande inzage in en geheimhouding van
                    stukken niet de WOB, maar artikel 7:4 Awb van toepassing (Rb. Alkmaar, 20
                    oktober 1997, Belastingblad 1998, 7).</al><al/><al><vet>Artikel 7:8</vet></al><lijst><li nr="·"><al>1. Op verzoek van de belanghebbende kunnen door hem meegebrachte
                            getuigen en deskundigen worden gehoord. </al></li><li nr="·"><al>2. De kosten van getuigen en deskundigen zijn voor rekening van de
                            belanghebbende die hen heeft meegebracht. </al></li></lijst><al>Het aanwezig zijn van partijen bij het horen van getuigen in de
                    bezwaarschriftprocedure is een beginsel van goede procesorde (JG 2000/122).</al><al/><al><vet>Artikel 10. Quorum</vet></al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl
                    advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden (ABRS 2 maart 2000,
                    GS 2000/ 7119, 5). In de Gemeentestem 2008, nr. 101 is een artikel verschenen
                    van mr. H. Piefers : “Horen en adviseren door een onvolledige
                    bezwaarschriftencommissie”.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Niet-deelneming aan de behandeling</vet></al><al>Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is
                    (Rb. Leeuwarden 8 februari 1996, JB, 3 (1996), 100).</al><al/><al><vet>Artikel 12. Openbaarheid zitting</vet></al><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet
                    bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige bepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in principe in het
                    openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft mogelijk, bijvoorbeeld
                    indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële aard
                    of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Schriftelijke verslaglegging</vet></al><al>Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt
                    gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden
                    niet door de Awb geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de
                    verordening een vaste procedure wordt opgenomen.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarschriftfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb)
                    dat het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbenden wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding zal dit vaak de voorkeur genieten
                    (ABRS 12 juni 1997, JB 1997/188).</al><al>Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid
                    afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie, dan
                    hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te
                    worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23).</al><al/><al><vet>Artikel 14. Nader onderzoek</vet></al><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. Na de hoorzitting gehouden
                    telefoongesprekken kunnen gezien worden als nader onderzoek (Nationale ombudsman
                    9 juli 2001, AB 2001/263). Een zorgvuldige procedure houdt ook in dat het
                    bestuursorgaan zich niet rechtstreeks tot de adviescommissie kan wenden zonder
                    dat de andere belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om hun standpunt
                    dienaangaande kenbaar te maken (Rb. Rotterdam, 10 november 1999, JB,
                    1999/311).</al><al/><al><vet>Artikel 15. Raadkamer en advies</vet></al><al>Zie ook de toelichting bij artikel 12. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid is opgenomen voor die gevallen waarin het vergaderquorum wel
                    aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of meer leden dan wel
                    hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van artikel 11) tijdens de
                    besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 10); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a van de Awb. Hoe het advies tot stand komt,
                    is niet voorgeschreven. Schriftelijke consultatie is mogelijk (CRvB 21 oktober
                    1999, AB 2000/42 en Rb. Haarlem 5 januari 2001, ongepubliceerd, zaaknummer Awb
                    00/8620 en 00/8621).</al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de commissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><al>Een adviescommissie mag alleen adviseren: ze kan geen (gedelegeerde)
                    beslisbevoegdheid krijgen, (Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak
                    06-01-1997).</al><al>In 2002 is de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures in werking getreden. Deze
                    wet bevat een regeling voor de vergoeding van de kosten die een belanghebbende
                    maakt bij de behandeling van een door hem ingediend bezwaar- of administratief
                    beroepschrift. De bepalingen zijn opgenomen in art. 7:15, 7:28 en 8:75 Awb. Een
                    verzoek om vergoeding van de kosten moet worden gedaan voordat het
                    bestuursorgaan op het bezwaar of administratief beroep heeft beslist. Doorgaans
                    zal een dergelijk verzoek in het bezwaarschrift of mondeling tijdens de
                    hoorzitting worden gedaan. De bezwaarschriftencommissie adviseert in dat geval
                    ook over dit verzoek en zal aangeven of er recht is op een vergoeding en zo ja
                    over de hoogte van het vergoedingsbedrag. Dit laatste kan worden ontleend aan
                    het Besluit proceskosten bestuursrecht.</al><al/><al><vet>Artikel 16. Uitbrengen advies en verdaging</vet></al><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht. Verslag en advies worden uiterlijk binnen drie weken
                    aan het bestuursorgaan verzonden. </al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 12 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie
                    dat indien hij voorziet dat die termijn niet wordt gehaald, hij tijdig het
                    bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><al/><al><cursief>Afronding van de procedure</cursief></al><al>De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt
                    er in feite mee - zie artikel 16 - dat door de commissie schriftelijk advies
                    wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                    beslissen.</al><al>In de artikelen 7:11 (bezwaarschrift) Awb is geregeld wat er daarna dient te
                    gebeuren. Indien het bezwaar ontvankelijk is, dient op grondslag daarvan een
                    heroverweging van het bestreden besluit plaats te vinden. Is een bezwaarschrift
                    niet ontvankelijk, dan wordt aan heroverweging niet toegekomen. Voor zover de
                    heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het
                    bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw
                    besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke
                    (bestreden) besluit.</al><al>In het eerste lid van art 7:11 Awb is vastgelegd dat het om een heroverweging
                    gaat. Dat betekent dat de toetsing niet beperkt moet blijven tot vragen van
                    rechtmatigheid, maar binnen de grenzen van de wet zich ook dient uit te strekken
                    tot beleidsmatige en bestuurlijke aspecten.</al><al>De heroverweging dient ex nunc plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening
                    moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De
                    feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen
                    zijn van belang.</al><al>Daarnaast dient de heroverweging op grondslag van het bezwaar te geschieden.
                    Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de
                    aangevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het
                    bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar
                    hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt
                    dat deze, ondanks een beperkte omschrijving in het bezwaarschrift, ruimer
                    bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.</al><al>Verder is het de bedoeling van deze bepaling dat er geen verslechtering van de
                    positie van degene die het bezwaarschrift indient tijdens de
                    bezwaarschriftenprocedure mag optreden (verbod van reformatio in peius).
                    Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een derde bezwaar maakt tegen
                    bijvoorbeeld een afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden.
                    Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en niet in strijd met genoemd
                    beginsel.</al><al>In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het bezwaarschrift
                    dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking van de
                    beslissing wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien van het advies
                    van de commissie wordt afgeweken in de beslissing de reden van die afwijking
                    wordt vermeld en het advies met de beslissing wordt meegezonden.</al><al>Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat
                    indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan
                    bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden
                    aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden
                    ingesteld.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Jaarverslag</vet></al><al>Deze bepaling is opgenomen bij de laatste wijziging van de verordening in 2010.
                    De invulling van een jaarverslag wordt aan de commissie gelaten. Voor de hand
                    ligt dat wordt aangegeven welke aantallen bezwaren zijn ingediend, wat de
                    werkvoorraad was bij aanvang van het kalenderjaar, hoeveel adviezen zijn
                    uitgebracht en wat de adviezen inhielden (niet-ontvankelijk, (deels) gegrond
                    etc.).</al><al>In geval er een klacht is ingediend tegen de bezwaarschriftencommissie wordt dit
                    in het jaarverslag vermeld.</al><al>Het jaarverslag is ook een instrument voor de commissie om aan de
                    bestuursorganen adviezen te geven over de verbeterpunten op het gebied van
                    juridische kwaliteit.</al><al/><al><vet>Artikel 18. Overgangsrecht</vet></al><al>Bezwaarschriften die zijn ingediend voordat de verordening is vastgesteld,
                    worden behandeld onder het oude recht. </al><al/><al><vet>Artikel 19. Inwerkingtreding </vet></al><al>In artikel 139 tot en met 144 Gemeentewet zijn de bekendmaking en
                    inwerkingtreding van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden
                    geregeld. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals
                    opgenomen in afdeling 3.6 Awb zijn niet van toepassing op algemeen verbindende
                    voorschriften (zie artikel 3:1 Awb dat aangeeft dat op besluiten, die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, van dat hoofdstuk slechts afdeling 2 tot en
                    met 4A van toepassing zijn en wel voorzover de aard van de besluiten zich
                    daartegen niet verzet). Besluiten van het gemeentebestuur die algemeen
                    verbindende voorschriften inhouden, verbinden niet dan wanneer ze bekendgemaakt
                    zijn. De bekendmaking geschiedt door plaatsing in het Gemeenteblad of in een
                    andere door de gemeente algemeen verkrijgbaar gestelde uitgave
                    (huis-aan-huisblad of plaatselijk dagblad).</al><al/><al><vet>Artikel 20. Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening behandeling
                    bezwaarschriften”.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>