<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR25382_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Edam-Volendam</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Edam-Volendam</dcterms:creator><dcterms:modified>1999-12-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Edam-Volendam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">NIVO, 29-12-1999</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Edam-Volendam</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het primair onderwijs</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet op het voortgezet onderwijs</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>1999-12-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>1999-12-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>1999-12-29</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>132-`99</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Edam-Volendam</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Edam-Volendam,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam d.d.
                        30 september 1999, </al><al>besluit vast te stellen de VERORDENING OVERLEG LOKAAL ONDERWIJSBELEID
                        EDAM-VOLENDAM </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><al>a. schoolbestuur: het bevoegd gezag van volgens de Wet op het primair
                            onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of
                            bijzondere scholen voor basisonderwijs, speciale scholen voor
                            basisonderwijs, scholen voor voorbereidend wetenschappelijkonderwijs
                            voor algemeen voortgezetonderwijs voor voorbereidend middelbaar
                            beroepsonderwijs, die gelegen zijn op het grondgebied van de gemeente; </al><al>b. advies: het advies van de Onderwijsraad als bedoeld in de Wet op het
                            primair onderwijs en de Wet op het voortgezetonderwij<vet>s; </vet></al><al>c. burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en
                            wethouders. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Overleg</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Functie overlegorgaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid waarin
                                    burgemeester en wethouders met de vertegenwoordigers van alle
                                    schoolbesturen overleg voeren over de voorbereiding en
                                    uitvoering van het lokaal onderwijsbeleid; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het overlegorgaan komen aan de orde:</al><al>a. de onderwerpen waarop het op overeenstemming gericht overleg
                                    van toepassing is als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs
                                    en de Wet op het voortgezet onderwijs; </al><al>b. overige onderwerpen van overleg aangaande het lokaal
                                    onderwijs beleid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de onderwerpen, als genoemd in het tweede lid onder b, is
                                    artikel 9 niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling overlegorgaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De schoolbesturen zijn in het overlegorgaan vertegenwoordigd
                                    door maximaal twee bestuursleden per schoolbestuur; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Schoolbesturen kunnen zich gezamenlijk laten vertegenwoordigen
                                    in het overlegorgaan. In dat geval bestaat de gezamenlijke
                                    vertegenwoordiging uit maximaal 2 personen; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Schoolbesturen kunnen zich in het overlegorgaan laten bijstaan
                                    door maximaal twee adviseurs; </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Burgemeester en wethouders als bevoegd gezag van het openbaar
                                    primair onderwijs worden vertegenwoordigd door een directeur van
                                    een onder het bevoegd gezag ressorterende basisschool of
                                    speciale school voor basisonderwijs. De portefeuillehouder
                                    onderwijs fungeert als de voorzitter van het overlegorgaan.
                                </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Derden</titel></kop><al> Derden kunnen, indien de voorzitter van het overlegorgaan dit wenst
                                of een meerderheid van de vertegenwoordigers van de schoolbesturen,
                                genoemd in artikel 3, dit wensen, deelnemen aan een overleg. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Voorbereiding overleg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Uitnodiging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens burgemeester en wethouders een voorstel aan de
                                    gemeenteraad doen over een onderwerp, als genoemd in art. 2 lid
                                    2, zenden zij de voorgenomen inhoud van dit voorstel met een
                                    toelichting daarop en de inventarisatie als bedoeld in artikel
                                    7, toe aan alle schoolbesturen; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De toezending geschiedt onder bekendmaking van de plaats, de
                                    datum en het tijdstip waarop het overleg hierover zal aanvangen.
                                    Tussen de datum van de toezending van het voorstel en de datum
                                    van het overleg liggen ten minste twee weken; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De schoolbesturen die niet deelnemen aan het overleg kunnen
                                    voor de datum van dit overleg hun zienswijzen schriftelijk
                                    kenbaar maken aan burgemeester en wethouders. </al><al>Burgemeester en wethouders stellen de deelnemers aan dit overleg
                                    hiervan in kennis. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Secretariaat</titel></kop><al> Burgemeester en wethouders voeren het secretariaat van het
                                overlegorgaan. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Voorbereiding</titel></kop><al> Burgemeester en wethouders kunnen een voorbereidend overleg tussen
                                vertegenwoordigers van de schoolbesturen en burgemeester en
                                wethouders instellen dat voorafgaat aan het overleg in het
                                overlegorgaan. Dit voorbereidend overleg wordt afgerond met een
                                inventarisatie van de onderwerpen waarover al dan niet
                                overeenstemming is bereikt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Agendaoverleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een agendaoverleg instellen.
                                    Hierin wordt nagegaan welke onderwerpen op welk tijdstip in het
                                    overlegorgaan aan de orde kunnen komen. Op grond hiervan stellen
                                    burgemeester en wethouders de agenda op; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan het agendaoverleg nemen de portefeuillehouder onderwijs en
                                    maximaal 2 vertegenwoordigers per schoolbestuur deel. </al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Paragraaf 2.3 Uitvoering overleg. </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Advies Onderwijsraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien één of meer schoolbesturen of burgemeester en wethouders een
                                advies wensen over een onderwerp waarop het op overeenstemming
                                gericht overleg van toepassing is, maken ze dit uiterlijk kenbaar in
                                het overleg waarin het onderwerp in finale zin aan de orde is. Dit
                                gebeurt aan de hand van een schriftelijke gemotiveerde omschrijving
                                van het onderwerp waarover het advies wordt verwacht. Hierbij wordt
                                tevens het verband aangegeven tussen het onderwerp en de vrijheid
                                van richting en de vrijheid van inrichting van het onderwijs; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle vertegenwoordigers krijgen in het overleg de gelegenheid hun
                                zienswijzen naar voren te brengen over het verzoek om advies; </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zijn belast met de indiening van een
                                verzoek om advies. Zij doen dit uiterlijk twee weken na afloop van
                                het overleg. Daarbij informeren zij tevens de Onderwijsraad over de
                                in het tweede lid bedoelde zienswijzen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De wettelijke termijn voor het uitbrengen van het advies wordt
                                opgeschort met ingang van de dag waarop de Onderwijsraad
                                burgemeester en wethouders uitnodigt, het verzoek voor het
                                uitbrengen van het advies, aan te vullen met de gegevens die hij
                                nodig heeft voor een goede vervulling van zijn taak, tot de dag
                                waarop het verzoek is aangevuld; </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De gemeenteraad neemt gedurende de termijn voor het uitbrengen van
                                het advies geen besluit over het onderwerp waarover advies is
                                gevraagd; </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zenden zo spoedig mogelijk een afschrift
                                van het uitgebrachte advies toe aan alle schoolbesturen. Indien het
                                geheel of gedeeltelijk opvolgen van het advies zou leiden tot één of
                                meer inhoudelijke bijstellingen van het voorstel over een onderwerp
                                waarover advies is gevraagd, worden de schoolbesturen bij de
                                toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor nader
                                overleg. In alle andere gevallen beoordelen burgemeester en
                                wethouders of nader overleg over het advies wenselijk is. Zij geven
                                dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het overleg, als bedoeld in het vorige lid, vindt binnen twee weken
                                plaats nadat het advies is uitgebracht. Burgemeester en wethouders
                                informeren de gemeenteraad over dit overleg in de vorm van een
                                aanvulling op het verslag als bedoeld in artikel 10. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verslaglegging; informeren
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders maken een verslag van het overleg; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag bevat een overzicht van de besproken onderwerpen,
                                waarbij per onderwerp wordt aangegeven: </al><al>a. of het bepaalde in artikel 2, tweede lid, onder a of b van
                                toepassing is;</al><al>b. of volledige, geen volledige of geen overeenstemming is
                                bereikt;</al><al>c. de in het overleg door de deelnemers naar voren gebrachte
                                zienswijzen en - indien vantoepassing - de zienswijzen als bedoeld
                                in artikel 5, derde lid; </al><al>d.de door de portefeuillehouder onderwijs in het overleg toegezegde
                                wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel. </al><al>Indien artikel 9, eerste lid van toepassing is, wordt hiervan
                                eveneens een weergave opgenomen in het verslag. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het overlegorgaan stelt het verslag vast. In afwijking hiervan
                                kunnen burgemeester enwethouders spoedheidshalve het verslag ter
                                commentaar toezenden aan de schoolbesturen. Binnen 10 dagen na de
                                dag waarop het conceptverslag is toegezonden, maken de
                                schoolbesturen die deel hebben genomen aan het overleg schriftelijk
                                hun opmerkingen over het concept van het verslag kenbaar.
                                Burgemeester en wethouders stellen het verslag vast met inachtneming
                                van de opmerkingen. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders brengen het verslag gelijktijdig met het
                                voorstel over hetonderwerp ter kennis van de gemeenteraad. Voor
                                zover burgemeester en wethouders afwijken van de tijdens het overleg
                                naar voren gebrachte zienswijzen, wordt dit gemeld in het voorstel
                                aan de gemeenteraad. Daarbij geven zij de redenen aan van het niet
                                of niet geheel overnemen van deze zienswijzen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Heropening overleg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>1. Indien uit het oordeel van de betreffende raadscommissie over het
                                voorgenome voorstel aan de gemeenteraad over een onderwerp blijkt
                                dat de meerderheid van de raadscommissie of een deel van de
                                raadscommissie dat volgens burgemeester en wethouders geacht wordt
                                een meerderheid in de raad te vertegenwoordigen, van oordeel is dat
                                het voorstel inhoudelijk bijstelling behoeft, dan kan een heropening
                                van het overleg plaatsvinden. Burgemeester en wethouders beslissen
                                daarover. Zij heropenen het overleg in ieder geval indien de
                                inhoudelijke bijstelling betrekking heeft op een onderwerp als
                                bedoeld in artikel 2 tweede lid, onder a, waarover overeenstemming
                                in het overlegorgaan was bereikt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders het overleg heropenen, dan roepen
                                zij het overlegorgaanzo spoedig mogelijk bijeen, doch uiterlijk vóór
                                het moment waarop de gemeenteraad een definitief besluit neemt over
                                het onderwerp. In dit overleg hebben de vertegenwoordigers de
                                gelegenheid om hun zienswijzen te geven op het oordeel van de
                                raadscommissie. Burgemeester en wethouders informeren de
                                gemeenteraad over het resultaat van dit overleg in de vorm van een
                                aanvulling op het verslag als bedoeld in artikel 10. De gemeenteraad
                                betrekt de in dit aanvullend verslag neergelegde zienswijzen bij
                                zijn definitieve besluitvorming over het onderwerp. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in
                                gevallen waarin de verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslissen
                            burgemeester en wethouders, gehoord de vertegenwoordigers van de
                            schoolbesturen in het overleg. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verordening kan worden aangehaald als: “Verordening overleg
                                lokaal onderwijsbeleid gemeente Edam-Volendam”. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt, onder gelijktijdige intrekking van de
                                Verordening procedure overleg huisvesting Edam-Volendam, in werking
                                met ingang van de dag na de bekendmaking. </al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><titel><onderstreept>TOELICHTING OP DE VERORDENING OVERLEG LOKAAL
                            ONDERWIJSBELEID EDAM-VOLENDAM </onderstreept></titel></kop><al>Algemeen </al><al/><al><vet><onderstreept>1. Goed overleg is belangrijk instrument voor lokaal
                            onderwijsbeleid </onderstreept></vet></al><al/><al>Door de decentralisatie van een aantal rijkstaken op onderwijsgebied naar de
                    gemeenten moeten op lokaal niveau gemeenten en schoolbesturen in toenemende mate
                    met elkaar in overleg treden. Ze zijn de centrale partners in het lokaal
                    onderwijsbeleid. Daarnaast zijn anderen hierbij betrokken, zoals de
                    schoolbegeleidingsdienst, welzijnsinstellingen en de jeugdhulpverlening.
                    Afhankelijk van de onderwerpen zullen ook zij bij het lokale overleg betrokken
                    kunnen worden. Overleg is het belangrijkste instrument van het lokaal
                    onderwijsbeleid. Overleg maakt het mogelijk om van de beleidsontwikkeling een
                    interactief proces te maken. Een proces waarin de concrete vraagstukken, die
                    zich in de gemeente voordoen, worden opgepakt. De gezamenlijke analyse en
                    aanpak, dicht bij de onderwijspraktijk, maken maatwerk in de vorm van op de
                    lokale situatie toegesneden oplossingen mogelijk. Uiteraard binnen het kader van
                    de wet- en regelgeving. Daarin zit de meerwaarde van lokaal onderwijsbeleid.
                    Goed en constructief overleg veronderstelt dat de overlegpartners hun uiterste
                    best doen om tot consensus te komen. In de wet- en regelgeving rond het lokaal
                    onderwijsbeleid heeft de wetgever de consensusgedachte tot uiting gebracht door
                    de introductie van de terminologie van “op overeenstemming gericht overIeg".Zo
                    kan een gemeenteraad een vierjaarlijks plan voor de bestrijding van
                    onderwijsachterstanden pas vaststellen nadat daarover met de schoolbesturen op
                    overeenstemming gericht overleg is gevoerd. Het belang, dat de wetgever hecht
                    aan goed en serieus overleg, komt ook tot uiting in de wettelijke verplichting
                    voor gemeenten om voor de diverse terreinen van het lokaal onderwijsbeleid een
                    regeling vast te stellen voor het overleg met de schoolbesturen (zie ook
                    paragraaf 2). In deze regeling dienen met name procedurele en organisatorische
                    aspecten rond de inrichting van het overleg te worden vastgesteld. De
                    voorliggende verordening is gebaseerd op de Verordening procedure overleg
                    huisvesting onderwijs Edam-Volendam (12 september 1996). </al><al/><al><vet><onderstreept>2. Wettelijk kader en reikwijdte verordening
                        </onderstreept></vet></al><al>Evenals bij de decentralisatie van de onderwijshuisvesting het geval was, dienen
                    gemeenten een regeling vast te stellen voor het “op overeenstemming gericht
                    overleg” (oogo) met schoolbesturen over het gemeentelijk
                    onderwijsachterstandenbeleid en de schoolbegeleiding. Deze verplichting geldt
                    ook voor de vaststelling van het plan inzake het onderwijs in allochtone levende
                    talen (Oalt). De wettelijke formule van het op overeenstemming gericht overleg
                    in samenhang met de mogelijkheid om een advies te vragen van de Onderwijsraad is
                    van toepassing op: * wijzigingen van de verordening voor onderwijshuisvesting; *
                    het gemeentelijk plan of besluit ter bestrijding van onderwijsachterstanden; </al><al>* het gemeentelijk besluit om een deel van het budget voor schoolbegeleiding
                    specifiek te bestemmen voor doelstellingen van het lokaal onderwijsbeleid en
                    hiervoor criteria vast te stellen; * het gemeentelijk plan of besluit voor de
                    toekenning van Oalt-middelen. </al><al/><al><vet><onderstreept>3. Eén verordening voor het onderwijsoverleg
                        </onderstreept></vet></al><al>Een gemeente kan ervoor kiezen om per onderdeel van het lokaal onderwijsbeleid
                    een aparte verordening voor het overleg vast te stellen; een overlegverordening
                    voor het onderwijshuisvestingsbeleid, het onderwijsachterstandenbeleid, de
                    schoolbegeleiding etc. Dit is echter omslachtig en miskent het gegeven dat deze
                    zaken onderling grote samenhang vertonen en tezamen het lokaal onderwijsbeleid
                    vormen. Vandaar dat gekozen is voor een procedureverordening voor het overleg
                    dat betrekking heeft op alle facetten van het lokaal onderwijsbeleid. Tevens kan
                    de verordening ook worden toegepast voor die onderwerpen van het lokaal
                    onderwijsbeleid waarop de figuur van het op overeenstemming gericht overleg
                    formeel niet van toepassing is (zie artikel 2, tweede lid, onder b van de
                    verordening). Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de vaststelling van een
                    gemeentelijke regeling over de materiele financiële gelijkstelling of aan de
                    uitvoering van de leerplicht en de bestrijding van voortijdig schoolverlaten.
                    Het bepaalde in de verordening is hierop echter niet ten volle van toepassing.
                    Een aantal bepalingen (zie artikel 9 van de verordening) blijft buiten
                    toepassing. Dithoudt verband met het gegeven dat de adviestaak van de
                    Onderwijsraad en de daarbij behorende processuele bepalingen alleen betrekking
                    hebben op onderwerpen waarop het wettelijk voorgeschreven op overeenstemming
                    gericht overleg van toepassing is.</al><al/><al><vet><onderstreept>4. Vaststelling nieuwe verordening </onderstreept></vet></al><al>De gemeentelijke besluitvorming over de nieuwe taken (met name GOA en OALT) moet
                    uiterlijk per 1 augustus 1998 hebben plaatsgevonden. Voorafgaande aan de
                    besluitvorming over de nieuwe taken (met name het gemeentelijk
                    onderwijsachterstandenbeleid, goa en oalt) moet het voorgeschreven overleg met
                    alle schoolbesturen zijn afgerond. De formele basis voor dit overleg (de
                    overlegverordening) dient dan ook allereerst te worden vastgesteld. De
                    vaststelling kan op twee manieren: * de bestaande Verordening procedure overleg
                    huisvesting onderwijs Edam-Volendam wordt </al><al>gewijzigd en daardoor qua reikwijdte verbreed tot de onderwerpen van het lokaal
                    onderwijsbeleid; * de bestaande Verordening procedure overleg huisvesting
                    onderwijs Edam-Volendam wordt geheel ingetrokken en daarvoor in de plaats wordt
                    de nieuwe Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid Edam-Volendam vastgesteld.
                    In de voorliggende verordening is uitgegaan van de laatste benadering omdat de
                    bestaande verordening voor het overleg inzake de onderwijshuisvesting wordt
                    verbreed naar andere onderdelen van het lokaal onderwijsbeleid en daardoor op
                    een groot aantal plaatsen is gewijzigd (inclusief de toevoeging van enkele
                    nieuwe artikelen). </al><al/><al><vet><onderstreept>5. Delegatie gemeenteraad aan burgemeester en wethouders
                        </onderstreept></vet></al><al>De verordening heeft als uitgangspunt dat burgemeester en wethouders alle
                    uitvoerende aspecten van het overleg over het lokaal onderwijsbeleid voor hun
                    rekening nemen. Zo voeren zij het overleg met de schoolbesturen van alle scholen
                    in de gemeente, voeren het secretariaat en zijn belast met de indiening van het
                    verzoek om advies van de Onderwijsraad. Tevens is er in deze verordening voor
                    gekozen de wettelijke bevoegdheid van de gemeenteraad om uit eigen beweging een
                    advies te vragen van de Onderwijsraad te delegeren aan burgemeester en
                    wethouders. Dit advies wordt immers volgens de wet tijdens het op
                    overeenstemming gericht overleg gevraagd. Burgemeester en wethouders voeren dit
                    overleg. Met deze vormen van delegatie wordt een betere aansluiting bereikt op
                    de gangbare gemeentelijke bestuurspraktijk. Hiermee wordt ook bereikt dat de in
                    de wettelijke bepalingen over het overleg gekozen term “gemeentebestuur” een
                    eenduidige invulling krijgt. </al><al/><al><vet><onderstreept>6. Geen nadere regeling voor stemverhoudingen
                        </onderstreept></vet></al><al>In de verordening is ervan afgezien om een regeling te treffen voor het stemmen
                    in het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid. Het gaat immers om een op
                    overeenstemming gericht overleg over (voorgenomen.) gemeentelijke
                    besluitvorming. Partijen moeten zich tot het uiterste inspannen om tot
                    overeenstemming te komen. Er vindt echter geen (finale) besluitvorming plaats in
                    het overlegorgaan. De competentie voor de finale besluitvorming heeft de
                    wetgever gelegd bij de gemeenteraad, indachtig het principe van territoriale
                    decentralisatie. Indien in het bestuurlijk onderwijsoverleg volledige
                    overeenstemming wordt bereikt, zal de gemeenteraad alleen goed gemotiveerd van
                    dit standpunt kunnen afwijken. Dit volgens de procedure die in artikel 11 van de
                    verordening opgenomen is. Is er geen of geen volledige overeenstemming in het
                    overlegorgaan over een onderwerp, dan wordt in de verslaglegging van het overleg
                    aangegeven hoe de meningsvorming in het overleg is verlopen en welke
                    schoolbesturen bezwaren hebben aangetekend dan wel een afwijkende zienswijze
                    huldigen. Naast de inhoudelijke argumentatie van deze bezwaren is het daarbij
                    ook relevant voor de gemeenteraad om te beschikken over informatie aangaande het
                    draagvlak binnen het onderwijs voor dergelijke bezwaren. Dit kan worden
                    geïllustreerd aan de hand van het aantal scholen/leerlingen dat wordt
                    gerepresenteerd door de vertegenwoordigers die een afwijkend standpunt innemen.
                    Deze beide aspecten - de kracht van de argumenten en het draagvlak dat daarvoor
                    bestaat binnen het onderwijsveld - zal de raad in onderlinge samenhang dienen te
                    betrekken bij zijn uiteindelijke besluitvorming over een van de onderwerpen in
                    het kader van het lokaal onderwijsbeleid. </al><al/><al><vet><onderstreept>7. Relatie tot mogelijke gemeentelijke Algemene
                            Inspraakverordening </onderstreept></vet></al><al>De voorliggende verordening is geen inspraakverordening. Allereerst gaat de in
                    de wet opgenomen formulering van “op overeenstemming gericht overleg" verder dan
                    hetgeen in de regel onder inspraak wordt verstaan. Bovendien is de kring van
                    belanghebbenden in het kader van een Algemene Inspraakverordening aanmerkelijk
                    groter dan de partners waarmee wordt overlegd over het lokaal onderwijsbeleid.
                    De inspraak en dus het overleg, zou moeten worden uitgebreid tot alle
                    belanghebbenden bij de onderwijshuisvesting. Behalve aan schoolbesturen moet dan
                    met name gedacht worden aan de dagelijkse gebruikers van schoolgebouwen, het
                    onderwijspersoneel en de leerlingen.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijs toelichting </vet></al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 1 Begripsbepalingen </onderstreept></vet></al><al>De schoolbesturen die worden uitgenodigd voor het bestuurlijk overleg, zijn de
                    bevoegde gezagsorganen van alle scholen die zijn gesitueerd op het grondgebied
                    van de gemeente en vallen onder de reikwijdte van een onderwerp van lokaal
                    onderwijsbeleid waarop het overleg van toepassing is. Zo is bijvoorbeeld de
                    bepaling over de vaststelling van het onderwijsachterstandenplan van toepassing
                    op een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging van een school
                    (zie artikel 166, vijfde lid, wPO). De verordening gaat uit van de territoriale
                    werking van de regelgeving, dat wil zeggen dat alle rijksbekostigde scholen en
                    nevenvestigingen die gelegen zijn op het grondgebied van de gemeente onder de
                    werking van de verordening vallen. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2 Functie overlegorgaan </onderstreept></vet></al><al>In het overlegorgaan lokaal onderwijsbeleid wordt tussen de gemeente en alle
                    schoolbesturen overleg gevoerd over de verschillende facetten van het lokaal
                    onderwijsbeleid. Met de instelling van het overlegorgaan wordt beoogd het
                    wettelijk voorgeschreven overleg te institutionaliseren. Dit is belangrijk
                    gezien het feit dat dit overleg qua intensiteit en reikwijdte toeneemt door de
                    decentralisatie van bepaalde onderwijsstaken naar de gemeente. Er is voor
                    gekozen om de verordening overleg over lokaal onderwijsbeleid niet alleen te
                    richten op de onderwerpen waarvoor wettelijk het op overeenstemming gericht
                    overleg is voorgeschreven, maar te kiezen voor een brede opzet. Gezien de
                    samenhang tussen de verschillende wetten en tevens uit oogpunt van harmonisatie
                    en effectiviteit heeft een brede overlegprocedure de voorkeur. Daarnaast is
                    ervoor gekozen om het overleg niet op te splitsen naar onderwerp of schoolsoort,
                    zodat de integraliteit van het beleid het best gewaarborgd blijft. Het karakter
                    van het finale brede overleg is te allen tijde bestuurlijk. Dit is ter
                    onderscheiding van het technisch getinte voorbereidend overleg (artikel 7) en
                    het agendaoverleg (artikel 8) . Het betreft immers een overleg tussen het
                    gemeentebestuur en de schoolbesturen. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 3 Samenstelling overlegorgaan
                    </onderstreept></vet></al><al>Een schoolbestuur is uiteraard vrij om al of niet deel te nemen in het
                    overlegorgaan. Indien een bestuur daarin plaatsneemt, wijst het hiervoor
                    maximaal 2 bestuursleden aan. De mogelijkheid wordt geboden dat deze
                    bestuurders, net zo goed als dat het geval zal zijn bij vertegenwoordigers van
                    het gemeentebestuur, zich laten bijstaan door maximaal 2 adviseurs. Het
                    schoolbestuur bepaalt door wie het zich laat vertegenwoordigen. De
                    vertegenwoordiging hoeft overigens niet persoonsgebonden te zijn. Per onderwerp,
                    bijvoorbeeld gelet op de portefeuilleverdeling of de affiniteit met het
                    desbetreffende onderwerp, kan iemand anders worden afgevaardigd. Positionering
                    openbaar onderwijs. Met het oog op de integrale bestuursvorm van het openbaar
                    onderwijs hecht het gemeentebestuur aan een duidelijke scheiding in de
                    vertegenwoordiging van het lokaal onderwijs en het openbaar onderwijs. Om die
                    reden wordt de gemeente als lokale overheid vertegenwoordigd door de
                    portefeuillehouder onderwijs en wordt het openbaar primair onderwijs
                    vertegenwoordigd door een directeur van een onder het bevoegd gezag
                    ressorterende basisschool of speciale school voor basisonderwijs. Deze wijze van
                    vertegenwoordiging laat onverlet dat de uiteindelijke schoolbestuurlijke
                    verantwoordelijkheid ligt bij het college van burgemeester en wethouders en de
                    gemeenteraad. Aangezien de in artikel 2 lid 2 genoemde onderwerpen van het
                    overleg uiteindelijk betrekking hebben op onder verantwoordelijkheid van de
                    lokale overheid vast te stellen regelgeving, ligt het voor de hand om de
                    vertegenwoordiger van de lokale overheid de voorzittershamer te laten hanteren. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 4 Derden </onderstreept></vet></al><al>Afhankelijk van het onderwerp van het overleg kunnen derden, niet te verwarren
                    met de adviseurs van de gemeente of de schoolbesturen (zie de toelichting bij
                    artikel 3), als deelnemer worden toegelaten tot het overleg. Denk bijvoorbeeld
                    aan de schoolbegeleidingsdienst of welzijnsinstellingen. Kenmerkend verschil
                    tussen de positie van de schoolbesturen en deze derden is dat voor de laatste de
                    formule van het op overeenstemming gericht overleg in relatie tot het advies van
                    de Onderwijsraad niet opgaat. Wel dienen de zienswijzen van de derden tot uiting
                    te komen in het verslag van het overleg. Hierdoor kan de gemeenteraad ook deze
                    zienswijzen betrekken bij zijn definitieve besluitvorming over het betrokken
                    onderwerp.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 5 Uitnodiging </onderstreept></vet></al><al>De strekking van dit artikel is dat in procedurele zin wordt gewaarborgd dat de
                    schoolbesturen tijdig worden ingeschakeld in het traject dat moet leiden tot een
                    besluit over een onderwerp waarop het overleg van toepassing is. Gekozen is voor
                    een termijn van minimaal twee weken om ook de schoolbesturen voldoende tijd te
                    geven voor de voorbereiding van het overleg. De gemeente is gehouden om een
                    “aangekleed’ voorstel toe te zenden. In de vorm van een toelichting wordt de
                    overlegpartners inzicht gegeven in de achtergronden van het voorstel. Tevens
                    dient te worden aangegeven of het overleg over het voorstel moet worden
                    aangemerkt als een op overeenstemming gericht overleg. De vertegenwoordigers van
                    de schoolbesturen hebben uiteraard de mogelijkheid om ook zelf stukken in te
                    brengen voor het overleg. Indien het overleg wordt voorbereid (zie artikel 7),
                    dan dient het voorstel ook vergezeld te gaan van de uitkomst van dit vooroverleg
                    (bijvoorbeeld in de vorm van een inventarisatie van onderwerpen waarover wel of
                    niet overeenstemming bestaat.De formulering dat het overleg op een bepaald
                    tijdstip zal “aanvangen”, impliceert dat het overleg niet in én ronde behoeft te
                    worden afgerond. Vaak zal het zo zijn dat voor het overleg meer dan én
                    bijeenkomst nodig is. Er is in het model voor gekozen om deze optie van
                    vervolgoverleg niet te binden aan nadere formele vereisten (behoudens de
                    beschreven omstandigheden in artikel 9, zesde lid, en artikel 11 van het model)
                    over de uitnodiging en toezending van stukken. De deelnemers kunnen hierover in
                    het eerste overleg concrete afspraken maken die inspelen op de feitelijke
                    situatie die zich op dat moment voordoet. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 6 Secretariaat </onderstreept></vet></al><al>In formele zin zijn burgemeester en wethouders belast met het, voeren van het
                    secretariaat van het overlegorgaan. De praktijk is dat het secretariaat - onder
                    verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders - wordt verzorgd door een of
                    meer gemeenteambtenaren. Het zal daarbij in de regel om ambtenaren gaan van de
                    afdeling of dienst onderwijs, belast met aangelegenheden inzake het lokaal
                    onderwijsbeleid. Het verdient aanbeveling om aan de vertegenwoordigers in het
                    overleg duidelijk aan te geven wie feitelijk met het voeren van het (uitvoerend)
                    secretariaat is belast. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 7 Voorbereidend overleg </onderstreept></vet></al><al>Een overleg kan worden voorafgegaan door het nodige (technische) vooroverleg.
                    Dit overleg heeft tot doel om onderwerpen in inhoudelijke en technische zin voor
                    te bereiden voor de bespreking in het overlegorgaan. Er zijn meerdere
                    tijdstippen mogelijk om het voorbereidend overleg te laten plaatsvinden. Het kan
                    voorafgaan aan het agendaoverleg als bedoeld in artikel 8. Indien een onderwerp
                    is voorbereid, kan het op de agenda geplaatst worden. Men kan er ook voor kiezen
                    om het voorbereidend overleg na het agendaoverleg te houden. Indien een
                    onderwerp op de agenda is geplaatst, kan het worden voorbereid voor het overleg
                    in het overlegorgaan. Daarnaast kan ervoor gekozen worden om het voorbereidend
                    overleg en het agendaoverleg samen te voegen. De bereikte overeenstemming en
                    overgebleven verschillen van inzicht in het vooroverleg vormen de basis van het
                    overleg in het overlegorgaan. De inventarisatie van de onderwerpen waarover al
                    dan niet overeenstemming is bereikt, vormt een hulpmiddel voor een efficiënt
                    overleg. In het kader van het op overeenstemming gericht overleg richt de
                    aandacht zich meestal op de nog resterende geschilpunten, waarbij in het kader
                    van het op overeenstemming gerichte karakter van het overleg gestreefd moet
                    worden naar een oplossing. Dit neemt niet weg dat in het overleg tevens een
                    inhoudelijke discussie kan plaatsvinden over de onderwerpen waarover, blijkens
                    de inventarisatie, wel overeenstemming bestond in het voorbereidend overleg. Er
                    is van afgezien om het voeren van het voorbereidend overleg te binden aan
                    procedurele voorschriften. Afhankelijk van de omvang van de problematiek dient
                    dit overleg met een grote mate van flexibiliteit te kunnen worden ingericht en
                    gevoerd. Het voorbereidend overleg kan bijvoorbeeld per onderwerp of schoolsoort
                    plaatsvinden. Deze flexibiliteit geldt ook voor de wijze van vertegenwoordiging
                    (ambtelijk dan wel op bestuurlijk niveau). Burgemeester en wethouders kunnen dit
                    voorbereidend overleg instellen. Zij doen dit uiteraard in nauw overleg met de
                    vertegenwoordigers van de schoolbesturen. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 8 Agendaoverleg </onderstreept></vet></al><al>In het agendaoverleg kan onderzocht worden welke onderwerpen op welk tijdstip in
                    het op overeenstemming gericht overleg aan de orde kunnen komen en welke
                    onderwerpen op welk tijdstip in andere vormen van overleg. De ratio is om te
                    komen tot een vroegtijdige afstemming op bestuurlijk niveau van welke zaken er
                    in de tijd bezien aan de orde zullen komen. Alle partners kunnen dan in de
                    planning van hun werkzaamheden hiermee rekening houden. Het bovenstaande gebeurt
                    uit een oogpunt van planmatig werken. Dit laat onverlet dat tijdens het overleg
                    in het overlegorgaan de agenda opverzoek van een of meer vertegenwoordigers kan
                    worden aangepast. Burgemeester en wethouders stellen dit overleg in. Zij doen
                    dit, evenals bij het voorbereidend overleg, in samenspraak met de
                    vertegenwoordigers van de schoolbesturen. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 9 Advies Onderwijsraad </onderstreept></vet></al><al>Dit artikel betreft de rol van de Onderwijsraad. Daar waar het lokaal
                    onderwijsbeleid inzake huisvesting, schoolbegeleiding, achterstandenbeleid en
                    Oalt de grondwettelijke vrijheid van richting en vrijheid van inrichting van het
                    onderwijs raakt, kan de Onderwijsraad in beeld komen. Niet als
                    geschillenbeslechter, maar als adviseur van de lokale overheid. Maar wel,
                    wanneer een schoolbestuur zich beroept op strijdigheid met deze grondwettelijke
                    aspecten van onderwijsvrijheid, in de vorm van een verplichting voor de gemeente
                    om advies te vragen. De wetgever beperkt de formulering doelbewust tot de
                    vrijheid van richting en inrichting. Het aspect van de bekostiging van het
                    openbaar en bijzonder onderwijs naar dezelfde maatstaf (gelijke behandeling) is
                    daarbij niet genoemd. Mocht een gemeente echter een ongerechtvaardigd
                    onderscheid aanbrengen tussen bijzonder en openbaar onderwijs en daardoor
                    scholen voor bijzonder onderwijs vanwege hun bijzonder zijn achterstellen bij
                    openbaar onderwijs, dan handelt deze gemeente in strijd met de vrijheid van
                    richting en inrichting. Er wordt immers een inbreuk gemaakt op de wezenlijke
                    aard van de bijzondere school. </al><al>Een schoolbestuur kan via deze invalshoek de gemeente verzoeken om advies te
                    vragen van de Onderwijsraad. </al><al>Artikel 9 geeft in procedurele zin aan op welke wijze een of meer
                    overlegpartners, schoolbesturen en gemeentebestuur, kenbaar moeten maken dat ze
                    de Onderwijsraad willen inschakelen voor een advies over aspecten aangaande een
                    onderwerp waarop het <onderstreept>op overeenstemming gericht overleg
                    </onderstreept>van toepassing is. Uitgangspunt daarbij is dat de partij die om
                    advies verzoekt, inhoudelijk en gemotiveerd aangeeft wat de relatie is tussen
                    deze aspecten en de vrijheid van richting of vrijheid van inrichting. Dit
                    gebeurt uiterlijk in het overleg dat is bestempeld als het laatste, afrondende
                    overleg over het desbetreffende onderwerp. Het is aan te bevelen om het finale
                    karakter van het overleg te vermelden in de uitnodiging. Zowel de schoolbesturen
                    als burgemeester en wethouders zijn gebonden aan dit uiterste moment (zie
                    artikel 9, eerste lid). Burgemeester en wethouders dienen het verzoek om advies
                    in bij de Onderwijsraad. Zij doen dit uiterlijk twee weken na afloop van het
                    overleg. Deze termijn is opgenomen vanwege het feit dat de wet met het oog op
                    een goede procesgang voorschrijft dat in de gemeentelijke verordening wordt
                    opgenomen vanaf wanneer en tot welk moment het gemeentebestuur de Onderwijsraad
                    kan verzoeken een advies uit te brengen. </al><al/><al>Tevens is erin voorzien dat in het overleg van gedachten kan worden gewisseld
                    over de inhoud van het verzoek aan de Onderwijsraad. Dit is tegen de achtergrond
                    dat iedereen erbij gebaat is dat er minimaal duidelijkheid bestaat over de
                    beweegredenen van een, meer of alle partijen om zich tot de Onderwijsraad te
                    wenden. Deze gedachtewisseling laat uiteraard het recht van een individueel
                    schoolbestuur of de gemeente onverlet om de 0nderwijsraad in te schakelen, ook
                    wanneer de andere overlegpartners daaraan geen behoefte hebben. Daarnaast zal
                    ook de Onderwijsraad in het kader van zijn advisering geïnformeerd willen worden
                    over de (mogelijk afwijkende) zienswijzen van alle partners uit het overleg. </al><al/><al>De adviestermijn bedraagt vier weken. De wettelijke bepalingen geven aan dat de
                    termijn van vier weken wordt opgeschort indien de Onderwijsraad op redelijke
                    gronden aanvullende gegevens nodig heeft voor een goede vervulling van zijn taak
                    (zie het vierde lid). Bij de formulering van de opschorting van de termijn is
                    aangesloten bij artikel 4;15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat
                    artikel bevat een regeling voor opschorting van de termijn bij de aanvraag van
                    een beschikking. De woorden “nodig voor een goede vervulling van diens taak”
                    maken duidelijk dat de Onderwijsraad gemotiveerd zal moeten aangeven welke
                    gegevens hij nodig heeft. De Onderwijsraad zal alleen aanvullende gegevens
                    kunnen opvragen voor zover die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor het
                    uitbrengen van het advies. </al><al/><al>Verder bepaalt de wet dat de gemeenteraad geen besluit neemt over een onderwerp
                    waarop het overleg van toepassing is alvorens de termijn is verstreken
                    waarbinnen de Onderwijsraad advies moet uitbrengen. </al><al/><al>In het zesde lid wordt bepaald in welke situatie er in ieder geval nader overleg
                    plaatsvindt over het advies van de Onderwijsraad. Dit is aan de orde wanneer de
                    Onderwijsraad adviseert om inhoudelijke wijzigingen aan te brengen in het
                    voorstel over het desbetreffende onderwerp. In alle andere gevallen maken
                    burgemeester en wethouders de afweging of nader overleg noodzakelijk is. In de
                    verordening is voor deze formule gekozen in plaats van de benadering om ongeacht
                    de strekking en inhoud van het advies standaard te bepalen dat nader overleg
                    plaatsvindt over het uitgebrachte advies. Vertragingen in het
                    besluitvormingsproces dienen zo veel mogelijk voorkomen te worden. De wettelijke
                    bepalingen over de advisering van de Onderwijsraad schrijven overigens niets
                    voor over een overlegmogelijkheid zoals hiervoor is beschreven. </al><al/><al>Op de advisering door de Onderwijsraad is hetgeen in algemene zin over
                    advisering is geregeld in de Awb van toepassing. In dit verband is met name het
                    bepaalde in artikel 3:6, tweede lid, artikel 3:7 en artikel 4:20 van belang. zo
                    kan op grond van artikel 3:6 de gemeenteraad een besluit nemen over een
                    onderwerp waarop het overleg van toepassing is indien de Onderwijsraad het
                    advies niet binnen vier weken uitbrengt. Op grond van artikel 3:7 is de
                    gemeenteraad gehouden om, al dan niet op verzoek, de gegevens beschikbaar te
                    stellen die de Onderwijsraad nodig heeft voor het uitbrengen van het advies.
                    Wanneer de gemeenteraad afwijkt van het advies van de Onderwijsraad, worden
                    ingevolge artikel 4:20 de redenen daarvan vermeld in de motivering. (In de derde
                    tranche van de Awb worden de bepalingen aangaande motivering verplaatst naar
                    afdeling 3.7.) </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 10 Verslaglegging; informeren gemeenteraad
                        </onderstreept></vet></al><al>De gemeenteraad zal bij zijn besluitvorming over het onderwerp waarop het
                    overleg van toepassing is de argumenten en zienswijzen moeten wegen die in het
                    overleg naar voren zijn gebracht. Hiertoe is het van belang dat de gemeenteraad
                    zich een duidelijk beeld kan vormen van de inhoud en strekking van hetgeen
                    tijdens en voor het overleg is aangevoerd. De gemeenteraad wordt hierover op de
                    hoogte gebracht via toezending van het verslag van het overleg. In het verslag
                    wordt per onderwerp aangegeven of het op overeenstemming gericht overleg van
                    toepassing is. Daarnaast wordt per onderwerp aangegeven in hoeverre er in het
                    overlegorgaan overeenstemming over het onderwerp is bereikt. Het verslag bevat
                    uiteraard de zienswijzen die door de verschillende deelnemers
                    (vertegenwoordigers van schoolbesturen, derden en de gemeente) zijn ingebracht.
                    Voor zover deze zienswijzen niet of niet geheel zijn overgenomen in het voorstel
                    dat aan de gemeenteraad is voorgelegd, wordt hiervan in het betrokken
                    raadsvoorstel melding gemaakt door burgemeester en wethouders. Daarbij wordt ook
                    aangegeven op welke gronden burgemeester en wethouders tot het desbetreffende
                    oordeel zijn gekomen. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 11 Heropening overleg </onderstreept></vet></al><al>De uitkomst van het overleg vormt een belangrijk gegeven in de verdere
                    besluitvormingsprocedure (raadscommissie en gemeenteraad) over een onderwerp
                    waarop het overleg van toepassing is. In het voorstel van burgemeester en
                    wethouders is aangegeven op welke wijze is omgegaan met de ingebrachte
                    zienswijzen. Indien er in het verdere besluitvormingsproces signalen komen dat
                    vermoedelijk wordt afgeweken van het voorstel van burgemeester en wethouders en
                    dat daarmee de uitkomst van het overleg in een ander licht komt te staan, komt
                    de vraag aan de orde of de mogelijkheid moet worden geboden om over de
                    gewijzigde situatie het overleg te heropenen. Een eventueel hernieuwd overleg is
                    in dit artikel gekoppeld aan het resultaat van de bespreking van het voorstel
                    van burgemeester en wethouders in de raadscommissie waarin
                    onderwijsaangelegenheden aan de orde komen. Indien de raadscommissie of een deel
                    daarvan dat een meerderheid vertegenwoordigt in de gemeenteraad aanleiding ziet
                    voor een standpunt om te komen tot <onderstreept>inhoudelijke
                    </onderstreept>bijstellingen in het voorstel van burgemeester en wethouders, dan
                    kan dit aanleiding zijn om het overleg bijeen te roepen. In één geval moeten
                    burgemeester en wethouders het overleg heropenen, namelijk indien dit oordeel
                    betrekking heeft op inhoudelijke onderdelen van het voorstel waarover in het
                        <onderstreept>op overeenstemming gericht overleg
                    </onderstreept>overeenstemming was bereikt. Hiermee wordt tot uitdrukking
                    gebracht dat deze consensus een zwaarder gewicht kan hebben dan een bereikte
                    overeenstemming over een onderwerp waarover de wetgever geen op overeenstemming
                    gericht overleg heeft voorgeschreven. </al><al/><al>Er kunnen zich in dit laatste geval naar aanleiding van de behandeling in de
                    raadscommissie verschillende situaties voordoen: </al><al>1. over (onderdelen van) het voorstel dat burgemeester en wethouders hebben
                    ingebracht bestond in het overleg volledige overeenstemming. Het afwijkende
                    meerderheidsstandpunt van de raadscommissie daarover betekent dus ook een
                    afwijking van de bereikte consensus in het overleg. In een dergelijk geval
                    heropenen burgemeester en wethouders het overleg. Het spreekt voor zich dat het
                    daarbij dient te gaan om aspecten met een zekere importantie. Vandaar dat
                    gekozen is voor de formulering dat het moet gaan om een “inhoudelijke”
                    bijstelling. Het zou bijvoorbeeld overdreven zijn om voor kleine technische
                    bijstellingen een </al><al>bestuurlijk overleg bijeen te roepen. </al><al>2. de afwijkende visie van de raadscommissie strookt met de afwijkende
                    zienswijzen zoals die gezamenlijk door de vertegenwoordigers van de
                    schoolbesturen zijn ingebracht in het overleg. In een dergelijke situatie lijkt
                    het opnieuw bijeenroepen van het overleg niet noodzakelijk, </al><al>Tenzij burgemeester en wethouders dit dienstig vinden voor hun standpuntbepaling
                    over het meerderheidsstandpunt van de raadscommissie. 3. de afwijkende visie van
                    de raadscommissie strookt met de zienswijze zoals die door een deel van de
                    schoolbesturen in het overleg naar voren is gebracht. In deze situatie kan het
                    bijeenroepen van het overleg gewenst zijn in verband met de positie van de
                    schoolbesturen die hun zienswijze niet gehonoreerd zien. Burgemeester en
                    wethouders bezien de noodzaak </al><al>daartoe. </al><al/><al>Het voordeel van de in artikel 11 neergelegde procedure is dat het gemeentelijk
                    besluitvormingsproces voortgang kan vinden zonder het gewicht van het overleg
                    geweld aan te doen. Het voorstel van burgemeester en wethouders, al dan niet
                    bijgesteld naar aanleiding van de behandeling in de raadscommissie, kan namelijk
                    doorgaan naar de gemeenteraad. Het resultaat van het heropende overleg kan
                    vervolgens ter kennis worden gebracht van de gemeenteraad. Dit resultaat wordt
                    door de gemeenteraad betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming. Dit
                    positioneert de gemeenteraad ook als hoogste bestuursorgaan in de gemeente, die
                    alles afwegend een finale beslissing neemt. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 12 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen
                            waarin de verordening niet voorziet </onderstreept></vet></al><al>Wanneer de verordening voor het overleg in bepaalde zaken niet voorziet, dan
                    nemen burgemeester en wethouders een beslissing. Aangezien dergelijke
                    beslissingen (de inrichting van) het overleg raken, is erin voorzien dat
                    burgemeester en wethouders hierover de andere partijen uit het overleg horen.
                    Daaruit zou bijvoorbeeld kunnen blijken dat het wenselijk wordt geacht om: *
                    bepaalde zaken nader te regelen (reglement van orde, huishoudelijk reglement of
                    iets dergelijks); * bepaalde zaken via een aan de gemeenteraad voor te leggen
                    wijziging vast te leggen in de verordening op het overleg. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 13 Citeertitel; inwerkingtreding
                        </onderstreept></vet></al><al>Bij de inwerkingtreding van de Verordening overleg lokaal onderwijsbeleid
                    Edam-Volendam wordt de Verordening procedure overleg huisvesting onderwijs
                    Edam-Volendam ingetrokken. Zoals bij artikel 2 al is vermeld, is gekozen voor
                    een brede overlegverordening waaronder ook het overleg over de inhoud van de
                    verordening voor de onderwijshuisvesting is begrepen. </al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>