<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR2532_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-08-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Bergen (NH)</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentekrant, 3 augustus 2011</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Inspraakverordening gemeente Bergen 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 150</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-05-12</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-08-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-06-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 4</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>raad</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Inspraakverordening gemeente Bergen 2002</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Bergen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van Bergen van 6 december 2005;</al><al>gelezen het advies van de commissie Bestuurlijke Zaken d.d. 30 november
                        2005;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 150 van de Gemeentewet en het bepaalde in
                        de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb;</al><al><vet>b e s l u i t:</vet></al><al>vast te stellen de Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en
                        belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden
                            betrokken<vet> (Inspraakverordening gemeente Bergen 2006)</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>inspraak</cursief>: het betrekken van ingezetenen en
                                belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid;</al></li><li nr="b."><al><cursief>inspraakprocedure</cursief>: de wijze waarop de inspraak
                                gestalte wordt gegeven;</al></li><li nr="c."><al><cursief>beleidsvoornemens</cursief>: het voornemen van het
                                bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderwerp van inspraak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of
                            inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk
                            beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen inspraak wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder
                                    vastgesteld beleidsvoornemen.</al></li><li nr="b."><al>indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is
                                    uitgesloten.</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij
                                    het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid
                                    heeft;</al></li><li nr="d."><al>inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke
                                    dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate
                                    spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;</al></li><li nr="f."><al>indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van
                                    de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen
                                    in de samenleving.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Inspraakgerechtigden</titel></kop><al>Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inspraakprocedure</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op inspraak verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid, met
                            uitzondering van ruimtelijke plannen, is de procedure van afdeling 3.4.
                            van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>1a.</lidnr><al>Inspraak op ruimtelijke plannen hoeft niet te worden verleend bij die
                            ruimtelijke plannen welke door de raad zijn aangewezen als categorieen
                            van gevallen waarin geen verklaring van geen bedenkingen op grond van
                            artikel 6.5 Besluit omgevingsrecht is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op inspraak verleend bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen is de
                            procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van
                            toepassing met dien verstande dat in afwijking van het bepaalde in
                            artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de termijn
                            voor het naar voren brengen van zienswijzen vier weken bedraagt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere
                            inspraakprocedure vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eindverslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag
                            op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eindverslag bevat in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;</al></li><li nr="b."><al>een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak
                                    mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;</al></li><li nr="c."><al>een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed
                                    wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van
                                    het beleidsvoornemen wordt overgegaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze
                            openbaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Inspraakverordening gemeente Bergen 2002 van 26 maart 2002 wordt
                        ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die van
                        de bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Inspraakverordening gemeente Bergen
                        2006.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de</ondertekening><ondertekening>raad van de gemeente Bergen op 20 december 2005</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Toelichting</label><titel>Inspraakverordening gemeente Bergen 2006</titel></kop><al/><al>Algemene toelichting</al><al>Sinds 1 januari 1994 is in artikel 150 van de Gemeentewet aan de raad de
                    verplichting opgelegd een Inspraakverordening vast te stellen. In deze
                    verordening worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop inspraak
                    wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. De huidige
                    Inspraakverordening is op 26 maart 2002 vastgesteld. In deze verordening is
                    geregeld dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op
                    de in de verordening bedoelde inspraakprocedure.</al><al/><al>In verband met de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb (Wet uov) op 1 juli 2005 dient de huidige
                    Inspraakverordening herzien te worden. Op grond van deze wet is namelijk de in
                    de Algemene wet bestuursrecht bestaande openbare voorbereidingsprocedure van
                    afdeling 3.4 en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.5
                    vervangen door een nieuwe uniforme voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 nieuw).
                    In de Wet uov is de nieuwe afdeling 3.4 van de Awb mede van toepassing verklaard
                    op de inspraak bij gemeenten. In verband daarmee is artikel 150 van de
                    Gemeentewet gewijzigd. Op grond van het overgangsrecht behorende bij deze wet
                    (Artikel V) treedt deze wijziging van artikel 150 pas in werking op 1 juli 2006.
                    Het is juridisch echter geen bezwaar om nu al de Inspraakverordening aan te
                    passen aan de nieuwe regelgeving omdat dit immers volgens de huidige wetgeving
                    al kan. Bovendien is in de huidige Inspraakverordening afdeling 3.4 al van
                    overeenkomstige toepassing verklaard. Door de wijziging van afdeling 3.4 Awb is
                    een wijziging van de Inspraakverordening in ieder geval thans wenselijk. </al><al/><al>Aan inspraak kan op uiteenlopende manieren worden vormgegeven. In deze nieuwe
                    Inspraakverordening die grotendeels is gebaseerd op de Model-Inspraakverordening
                    van de VNG (model van 2003) is een globale raamregeling opgenomen die het
                    mogelijk maakt dat recht wordt gedaan aan de behoefte van insprekers en
                    gemeentebestuur mede in relatie tot aard, schaal en reikwijdte van het
                    beleidsvoornemen waarop inspraak plaatsvindt. Een gedetailleerde en daardoor
                    rigide wijze van regelgeving dient niet de belangen van insprekers. </al><al/><al>In de nieuwe Inspraakverordening is geen regeling meer opgenomen betreffende de
                    mogelijkheid om beklag te doen over de uitvoering van de verordening aangezien
                    de Algemene wet bestuursrecht reeds voorziet in een klachtprocedure (Hoofdstuk
                    9).</al><al/><al>Artikelgewijze toelichting</al><al/><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al>a. Inspraak: Er zijn veel omschrijvingen van het begrip inspraak. Bij de in dit
                    artikel opgenomen formulering is aangesloten bij de tekst van artikel 150 van de
                    Gemeentewet. Inspraak is een onderdeel van de voorbereiding en uitvoering van
                    het gemeentelijk beleid en heeft een tweeledig doel. Enerzijds wordt aan
                    belanghebbenden de mogelijkheid geboden om hun mening over beleidsvoornemens
                    kenbaar te maken. Anderzijds biedt inspraak aan bestuursorganen een belangrijk
                    hulpmiddel in het kader van de voor de beleidsvoorbereiding noodzakelijke
                    belangenafweging. </al><al>b. Inspraakprocedure: De verantwoordelijkheid voor het maken van een regeling
                    over inspraak ligt ingevolge artikel 150 van de Gemeentewet bij de raad. In
                    artikel 4. eerste lid is deze afdeling ook van toepassing verklaard voor de
                    inspraakprocedure met dien verstande dat de termijn voor het naar voren brengen
                    van zienswijzen niet zes weken doch vier weken bedraagt. Artikel 4, tweede lid
                    van de verordening geeft het bestuursorgaan ruimte om een andere procedure te
                    volgen. Het bestuursorgaan is immers verantwoordelijk voor uitvoering, de nadere
                    regeling en organisatie van de inspraak.</al><al>c. Beleidsvoornemen: Het begrip beleidsvoornemen is gedefinieerd als het
                    voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid. Het
                    zal duidelijk zijn dat het hierbij niet gaat om de vaststelling van concrete
                    besluiten of maatregelen, maar om de vorming van het beleid waarop deze kunnen
                    worden gebaseerd.</al><al/><al>Artikel 2 Onderwerp van inspraak</al><al>In het eerste lid is bepaald dat elk bestuursorgaan ten aanzien van eigen
                    bevoegdheden besluit of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van
                    gemeentelijk beleid. Het begrip bestuursorgaan is gedefinieerd in artikel 1:1,
                    eerste lid van de Awb. Het omvat in elk geval de raad, het college en de
                    burgemeester. Elk bestuursorgaan van de gemeente kan zijn eigen
                    beleidsvoornemens aan inspraak onderwerpen. In de MvT (TK 1999-2000, 27 023,
                    nummer 3, blz. 20) is vermeld dat het ter volledige beoordeling van de
                    gemeenteraad blijft ten aanzien van welke beleidsvoornemens inspraak wordt
                    verleend. Omdat het in bepaalde gevallen doelmatiger zal kunnen zijn als
                    inspraak geschiedt door middel van bijvoorbeeld spreekrecht bij raadscommissies,
                    blijft door de formulering van het eerste lid de mogelijkheid bestaan dat voor
                    bepaalde beleidsvoornemens een andere wijze van inspraak wordt geregeld. Het
                    besluit om al dan niet inspraak te verlenen is een besluit in de zin van de Awb.
                    Hiertegen kan dus bezwaar worden gemaakt.</al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat inspraak altijd wordt verleend indien een
                    wettelijk voorschrift daartoe verplicht. In dit artikellid zijn niet de
                    bestaande wettelijke verplichtingen opgesomd. Bij een nieuwe wettelijke
                    verplichting zou de verordening dan steeds moeten worden aangepast hetgeen
                    ongewenst is. Verder wordt een verordening niet overzichtelijk als alle
                    wettelijke verplichtingen tot inspraak daarin zouden worden vermeld.</al><al/><al>In het derde lid is opgenomen wanneer geen inspraak wordt verleend. Het gestelde
                    in dit artikellid onder sub a tot en met d spreekt voor zich. In sub e is de
                    bepaling opgenomen dat geen inspraak wordt verleend indien de uitvoering van een
                    beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht.
                    Deze bepaling is vergelijkbaar met het bepaalde in artikel 4:11, aanhef en onder
                    a van de Algemene wet bestuursrecht. Hierin is gesteld dat van horen kan worden
                    afgezien indien de vereiste spoed zich daartegen verzet. In de Memorie van
                    Toelichting (MvT) bij dit artikel staat vermeld dat er gevallen voorstelbaar
                    zijn waarin de geboden spoed eraan in de weg staat belanghebbenden vooraf te
                    horen. In deze MvT worden daarbij geen voorbeelden gegeven. In de toelichting
                    behorende bij de Model-Inspraakverordening geeft de VNG ook geen voorbeelden van
                    gevallen waarin hiervan sprake kan zijn. Naar ons oordeel kan als voorbeeld
                    hiervoor onder andere gedacht worden aan de vaststelling van een
                    voorbereidingsbesluit ex artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. In
                    sommige gevallen kan het bijvoorbeeld ter bescherming van landschappelijke en
                    natuurwetenschappelijke waarden in een plangebied noodzakelijk zijn dat een
                    voorbereidingsbesluit met spoed wordt vastgesteld zonder dat vooraf de
                    mogelijkheid van inspraak wordt geboden. Tegen het betreffende
                    voorbereidingsbesluit staan overigens wel bezwaar of beroep open. Het
                    bestuursorgaan (de raad, college of burgemeester) dat de bevoegdheid heeft om
                    ter zake een besluit te nemen zal ook een besluit dienen te nemen of er al dan
                    niet sprake is van een spoedeisend geval.</al><al/><al>In sub f is de bepaling opgenomen dat geen inspraak wordt verleend indien het
                    belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid
                    van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving. In de toelichting
                    behorende bij de Model-Inspraakverordening geeft de VNG geen voorbeelden van
                    gevallen waarin hiervan sprake kan zijn. Ten aanzien van de bedoelde kwetsbare
                    groepen kan onder andere gedacht worden aan minima, gehandicapten, bejaarden en
                    asielzoekers. Op grond van het bepaalde in artikel 3 wordt inspraak verleend aan
                    ingezetenen en belanghebbenden. Dit betekent dat bij het ontbreken van een
                    bepaling genoemd onder sub f bij de vaststelling of wijziging van beleid voor
                    genoemde kwetsbare groepen ook inspraak zou moeten worden verleend aan
                    ingezetenen en belanghebbenden. In diverse bijzondere gemeentelijke regelgeving
                    worden wel de respectievelijke belangengroeperingen, zoals bijvoorbeeld de
                    cliëntenraad en de gehandicaptenraad, betrokken bij de vaststelling van het
                    beleid. Inspraak voor alle inspraakgerechtigden bij dit soort onderwerpen gaat
                    echter veel verder. Het zal uiteindelijk de raad zijn die de afweging maakt of
                    er sprake is van een geval als bedoeld onder sub f.</al><al/><al>Artikel 3 Inspraakgerechtigden</al><al>De omschrijving van inspraakgerechtigden vloeit rechtstreeks voort uit de tekst
                    van artikel 150 van de Gemeentewet. Op grond van het bepaalde in artikel III van
                    de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Staatsblad 2002, 54) is
                    artikel 150 van de Gemeentewet gewijzigd. Dit nieuwe artikel treedt in werking
                    op 1 juli 2006. In dit artikel zijn de woorden “in de gemeente een belang
                    hebbende natuurlijke en rechtspersonen” vervangen door : belanghebbenden. Het
                    begrip “belanghebbende” is in artikel 1:2 Awb gedefinieerd en deze definitie
                    heeft ook gelding voor wetgeving buiten de Awb.</al><al/><al>Artikel 4 Inspraakprocedure</al><al>Met ingang van 1 juli 2005 is de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure
                    in werking getreden. In de artikelen 3:11 tot en met 3:17 Awb is de nieuwe
                    inspraakprocedure te vinden. In het kader van deze inspraakprocedure kunnen
                    belanghebbenden na terinzagelegging en bekendmaking van een beleidsvoornemen
                    gedurende zes weken schriftelijk of mondeling hun zienswijze naar voren brengen. </al><al/><al>Uit de laatste zinsnede van het nieuwe tweede lid van artikel 150 van de
                    Gemeentewet blijkt dat afwijkingen van afdeling 3.4 van de Awb zijn toegestaan.
                    In de Memorie van Toelichting op de Wet uov (Eerste Kamer 2000-2001, 27 023, nr.
                    177b, blz. 3) staat vermeld dat in de gemeentelijke inspraakverordeningen kan
                    worden afgeweken van afdeling 3.4 Awb. In het nieuwe artikel 150 van de
                    Gemeentewet is bepaald dat de in de Inspraakverordening bedoelde inspraak wordt
                    verleend door toepassing van afdeling 3.4 Awb, voorzover in de verordening niet
                    anders is bepaald.</al><al/><al>In het kader van de vaststelling of wijziging van gemeentelijke ruimtelijke
                    plannen achten wij een termijn van zes weken te lang. Voor gemeentelijke
                    ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, is in de Wet op de Ruimtelijke
                    Ordening namelijk geregeld dat er na de inspraakprocedure nog een procedure van
                    afdeling 3.4 Awb (nieuw) gevolgd moet worden. Voor het verlenen van inspraak bij
                    deze beleidsvoornemens is een termijn van vier weken, zoals thans gebruikelijk,
                    daarom meer dan redelijk. Indien hiervoor niet gekozen wordt, zal een
                    inspraakprocedure in het kader van een voorontwerp-bestemmingsplan en een
                    ontwerp-bestemmingsplan tezamen niet tien weken doch twaalf weken bedragen.Voor
                    de overige beleidsvoornemens die veelal niet worden gevolgd door een andere
                    wettelijke inspraakprocedure achten wij een termijn van zes weken van de nieuwe
                    afdeling 3.4 Awb niet ongewenst. In verband daarmee is in het eerste lid bepaald
                    dat op inspraak verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid, met
                    uitzondering van ruimtelijke plannen, de procedure van afdeling 3.4. van de Awb
                    van toepassing is. In het tweede lid is de bepaling opgenomen dat op inspraak
                    verleend bij gemeentelijk ruimtelijk beleid de procedure van afdeling 3.4 Awb
                    van toepassing is met dien verstande dat in afwijking van het bepaalde in
                    artikel 3:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de termijn voor het
                    naar voren brengen van zienswijzen vier weken bedraagt. </al><al/><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan kan kiezen voor een andere
                    procedure indien dat voor één of meer beleidsvoornemens wenselijk wordt
                    geacht.</al><al/><al>Artikel 5 Eindverslag</al><al>In dit geval is niet gekozen voor een verwijzing naar afdeling 3.4 Awb. In
                    artikel 3:17 Awb wordt namelijk slechts bepaald dat een verslag wordt gemaakt
                    van hetgeen tijdens de inspraakprocedure mondeling naar voren is gebracht.</al><al/><al>Onder het in het tweede lid, onderdeel a, genoemde verslag van de gevolgde
                    inspraakprocedure wordt verstaan: Hoe is de procedure feitelijk verlopen? Is
                    afdeling 3.4 Awb onverkort toegepast? Wanneer is het beleidsvoornemen ter inzage
                    gelegd enz.?</al><al/><al>Onderdeel b betekent dat de eindrapportage een volledig overzicht dient te
                    bevatten van zowel de mondelinge als de schriftelijke inspraakreacties. De
                    schriftelijke inspraakreacties kunnen aan het verslag worden gehecht. In de MvT
                    bij de Awb wordt opgemerkt dat in het verslag kan worden volstaan met een korte
                    zakelijke weergave van de voren gebrachte opvattingen en vermelding van de
                    personen die hun opvatting naar voren hebben gebracht.</al><al/><al>Onder c wordt als het sluitstuk van inspraak voorgeschreven dat het
                    bestuursorgaan aangeeft wat met de zienswijzen wordt gedaan.</al><al/><al>In het derde lid is bepaald dat het bestuursorgaan het eindverslag op de
                    gebruikelijke wijze openbaar maakt. Degenen die hebben ingesproken krijgen een
                    exemplaar van het eindverslag toegezonden tenzij het aantal insprekers
                    omvangrijk is. In dat geval wordt volstaan met een algemene bekendmaking.
                    Tijdens de inspraakavond moet duidelijkheid worden gegeven over de wijze waarop
                    het eindverslag zal worden bekendgemaakt.</al><al/><al>In het vierde lid wordt de burgemeester verplicht om het eindverslag te
                    vermelden in zijn burgerjaarverslag overeenkomstig artikel 170, tweede lid,
                    aanhef en onder b, van de Gemeentewet.</al><al/><al>Artikel 6 Intrekking oude verordening</al><al>Met deze bepaling wordt de bestaande Inspraakverordening ingetrokken. De datum
                    waarop de oude verordening vervalt, is de datum waarop deze verordening in
                    werking treedt (zie artikel 7).</al><al/><al>Artikel 7 Inwerkingtreding</al><al>Overeenkomstig het bepaalde in artikel 142 van de Gemeentewet treedt deze
                    verordening in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking. </al><al/><al>Artikel 8 Citeertitel</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></bijlage></regeling></body></cvdr>