<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR251834_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening, houdende regels betreffende de subsidiëring in het kader van Transitie II en Pieken middelen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Groningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-09-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Groningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad, 2013,
                20</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Transitie II en Pieken</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Provinciewet, art. 145</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">provinciale staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-04-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-05-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1, 2, 3, 6, 7, 8, 11, 23, bijlage 1, 3, 4, 5, 6, 7</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Voordracht 2013/15</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Subsidies</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling in het kader van de gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Noord-Nederland.</al><al>De wijziging in artikel 11 werkt terug tot 1 april 2011.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening, houdende regels betreffende de subsidiëring in het kader van Transitie II en Pieken middelen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Provinciale Staten van Groningen:</al><al/><al>BESLUITEN: </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk I Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a. "><al>DB: het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband
                                    Noord-Nederland;</al></li><li nr="b. "><al>SNN: Samenwerkingsverband Noord-Nederland;</al></li><li nr="c. "><al>wet: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="d. "><al>projectperiode: de periode tussen de startdatum en de einddatum
                                    van het project;</al></li><li nr="e. "><al>startdatum: de datum waarop de aanvraag, die voor het nemen van
                                    een besluit voldoende informatie bevat, bij het
                                    Samenwerkingsverband Noord-Nederland binnen is gekomen;</al></li><li nr="f. "><al>algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr.
                                    800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6
                                    augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de
                                    artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke
                                    markt verenigbaar worden verklaard («de algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening») (PbEU L 214);</al></li><li nr="g. "><al>onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze
                                    van financiering, die een economische activiteit uitoefent;</al></li><li nr="h. "><al>penvoerder: de door het samenwerkingsverband aangewezen persoon
                                    of organisatie, die namens en voor de partijen in het
                                    samenwerkingsverband zorgt voor de administratieve relatie met
                                    het SNN;</al></li><li nr="i. "><al>samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend
                                    verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep
                                    verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de
                                    uitvoering van activiteiten;</al></li><li nr="j."><al>groep: een economische eenheid, waarin organisatorisch zijn
                                    verbonden: </al><lijst><li nr="a. "><al>een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke
                                            rechtspersoon, die direct of indirect: </al><lijst><li nr="1. "><al>meer dan de helft van het geplaatste kapitaal
                                                  verschaft aan,</al></li><li nr="2. "><al>volledig aansprakelijk vennoot is van, of</al></li><li nr="3. "><al>overwegende zeggenschap heeft over een of meer
                                                  rechtspersonen of vennootschappen, en</al></li></lijst></li><li nr="b. "><al>laatstbedoelde rechtspersonen of vennootschappen;</al></li></lijst></li><li nr="k. "><al>fundamenteel onderzoek: experimentele of theoretische
                                    activiteiten die voornamelijk worden verricht om nieuwe kennis
                                    te verwerven over de fundamentele aspecten van verschijnselen en
                                    waarneembare feiten, zonder dat hiermee een rechtstreekse
                                    praktische toepassing of gebruik wordt beoogd;</al></li><li nr="l. "><al>industrieel onderzoek: planmatig of kritisch onderzoek dat is
                                    gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het
                                    oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of
                                    diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten
                                    aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de vervaardiging van
                                    onderdelen van complexe systemen, die noodzakelijk is voor
                                    industrieel onderzoek, met name voor algemene validering van
                                    technologieën, met uitzondering van prototypes als bedoeld in
                                    sub m;</al></li><li nr="m. "><al>experimentele ontwikkeling: het verwerven, combineren, vormgeven
                                    en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technische,
                                    zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden voor
                                    plannen, schema's of ontwerpen van nieuwe, gewijzigde of
                                    verbeterde producten, procedés of diensten. Hieronder kan tevens
                                    de conceptuele formulering en het ontwerp van alternatieve
                                    producten, procedés of diensten worden verstaan. Deze
                                    activiteiten kunnen tevens het maken van ontwerpen, tekeningen,
                                    plannen en andere documentatie omvatten, mits zij niet voor
                                    commercieel gebruik zijn bestemd. De ontwikkeling van
                                    commercieel bruikbare prototypes en proefprojecten valt eveneens
                                    onder experimentele ontwikkeling indien het prototype het
                                    commerciële eindproduct is en de productie ervan te duur is om
                                    alleen voor demonstratie- en validatie doeleinden te worden
                                    gebruikt. Bij commercieel gebruik van demonstratie- of
                                    proefprojecten worden eventuele inkomsten die hieruit
                                    voortvloeien, op de in aanmerking komende kosten in mindering
                                    gebracht. De kosten van de experimentele ontwikkeling en het
                                    testen van producten, procedés en diensten komen eveneens in
                                    aanmerking, voor zover deze niet voor industriële toepassing of
                                    commerciële exploitatie kunnen worden gebruikt of geschikt
                                    gemaakt. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan de
                                    routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten,
                                    productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante
                                    activiteiten, zelfs indien deze wijzigingen verbeteringen kunnen
                                    inhouden.</al></li><li nr="n."><al> kennisinstelling: een entiteit, zoals een universiteit of
                                    onderzoeksorganisatie, ongeacht haar rechtsvorm (publiek- of
                                    privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich
                                    in hoofdzaak bezighoudt met het verrichten van fundamenteel
                                    onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling
                                    en het verspreiden van de resultaten daarvan door middel van
                                    onderwijs, publicaties of technologieoverdracht. Alle winst
                                    wordt opnieuw geïnvesteerd in die activiteiten, in de
                                    verspreiding van de resultaten daarvan, of in onderwijs.
                                    Ondernemingen die invloed over een dergelijke entiteit kunnen
                                    uitoefenen door middel van bijvoorbeeld aandeelhouders of leden,
                                    genieten geen preferente toegang tot de onderzoekscapaciteit van
                                    een dergelijke entiteit of tot de resultaten van haar onderzoek.
                                    Mbo- en hbo-instellingen en roc’s vallen ook onder de bedoelde
                                    entiteit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2 Subsidieplafond</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het DB stelt een subsidieplafond vast voor het verstrekken van
                                subsidie op in een bepaalde periode ontvangen aanvragen voor de
                                subsidiabele activiteiten die bijdragen aan de programma- en
                                actielijnen zoals opgenomen in bijlage 1.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het DB verdeelt het in het vorige lid bedoelde bedrag op volgorde
                                van rangschikking van de aanvragen aan de hand van de
                                rankingscriteria van bijlage 3 te beginnen met de aanvraag met de
                                hoogste score.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk II Verstrekken van subsidie</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 3 Subsidiabele activiteiten</titel></kop><al>Subsidie kan worden verstrekt ten behoeve van activiteiten die bijdragen
                            aan de programma- en actielijnen zoals opgenomen in bijlage 1.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Wie komt in aanmerking voor subsidie?</titel></kop><al>Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan rechtspersonen. Geen subsidie
                            wordt verstrekt aan rechtspersonen die louter zijn opgericht ter
                            uitvoering van het project waarvoor subsidie wordt gevraagd.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien aanvragers van subsidie samenwerken in een
                                samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag in via een
                                penvoerder.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Aanvragen moeten uiterlijk binnen een door het DB vast te stellen
                                aanvraagperiode zijn ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een
                                door het DB vastgesteld formulier, waarin tevens is aangegeven welke
                                bescheiden dienen te worden verstrekt bij de aanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6 Afwijzing</titel></kop><al>Er wordt in ieder geval afwijzend beslist op een aanvraag om subsidie
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al> naar verwachting de beoogde effecten van het project niet
                                    zullen terechtkomen in één of meer van de drie noordelijke
                                    provincies;</al></li><li nr="b."><al> uit de rangschikking van de aanvraag aan de hand van de
                                    rankingscriteria van bijlage 3 volgt dat de score van de
                                    aanvraag minder dan 13 punten bedraagt;</al></li><li nr="c."><al> de subsidiabele kosten van het project minder bedragen dan €
                                    75.000,-;</al></li><li nr="d."><al> het subsidiebedrag minder zou gaan bedragen dan €
                                    25.000,-;</al></li><li nr="e."><al> de financiering, naast de gevraagde subsidie, van het project
                                    niet is zekergesteld;</al></li><li nr="f."><al> het startmoment en de realisatiedatum niet eenduidig zijn
                                    gefixeerd;</al></li><li nr="g."><al> aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder
                                    belangrijke vertraging zullen worden uitgevoerd;</al></li><li nr="h."><al> de berekening van de kosten niet doorzichtig en verifieerbaar
                                    is;</al></li><li nr="i."><al> de kosten waarvoor subsidie is aangevraagd niet doelmatig en
                                    rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het desbetreffende
                                    project;</al></li><li nr="j."><al> de aangevraagde vorm van subsidie niet de meest geëigende vorm
                                    is;</al></li><li nr="k."><al> de activiteiten onvoldoende bijdrage aan de doelstellingen van
                                    de subsidie leveren;</al></li><li nr="l."><al> het een subsidieontvanger betreft die een ondernemer is tegen
                                    wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel
                                    1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene
                                    groepsvrijstellingsverordening;</al></li><li nr="m."><al> een aanmerkelijke kans bestaat dat het verlenen van subsidie in
                                    strijd is met de Europese regels;</al></li><li nr="n."><al> de activiteiten behoren tot de reguliere (bedrijfs)activiteiten
                                    en/of verantwoordelijkheden van de aanvrager;</al></li><li nr="o."><al> de aanvraag niet voldoet aan de overige bij of krachtens deze
                                    verordening gestelde regels.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Toetsingscriteria</titel></kop><al>[vervallen]</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 8 Hoogte van de subsidie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De subsidie bedraagt maximaal 30 procent van de subsidiabele kosten,
                                met dien verstande dat van die subsidiabele kosten eerst de aan het
                                project toe te rekenen opbrengsten gedurende de projectperiode
                                worden afgetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het totaal van de subsidie en de betreffende cofinanciering kan niet
                                meer bedragen dan 100% van de subsidiabele kosten van het
                                project.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9 Projectperiode</titel></kop><al>De maximale projectperiode, zoals bedoeld in artikel 1 sub d, bedraagt
                            vier jaren.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10 Subsidiabele kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor subsidie komen de kosten in aanmerking die aantoonbaar en
                                onlosmakelijk verbonden zijn met de uitvoering van de te financieren
                                activiteiten en die redelijk en billijk zijn.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Voor het bepalen van de subsidie worden de kosten in aanmerking
                                genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger
                                die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan
                                brengen of niet gecompenseerd wordt uit het BTW-compensatiefonds als
                                genoemd in artikel 2 van de Wet op het BTW-compensatiefonds</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in
                                aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen
                                ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te
                                brengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11 Niet-subsidiabele kosten</titel></kop><al>In ieder geval geen subsidiabele kosten zijn:</al><lijst><li nr="a."><al> de eventuele restwaarde van specifiek voor de subsidiabele
                                    activiteiten aangeschafte apparatuur;</al></li><li nr="b."><al> kosten verbonden aan de oprichting van een privaatrechtelijk
                                    rechtspersoon;</al></li><li nr="c."><al> kosten die verband houden met de uitgifte van aandelen;</al></li><li nr="d."><al> kosten van verwerving ter zake van concessies en
                                    vergunningen;</al></li><li nr="e."><al> kosten van goodwill die van derden is verkregen;</al></li><li nr="f."><al> kosten voor debetrente, boetes, financiële sancties en
                                    gerechtskosten;</al></li><li nr="g."><al> kosten van aankoop of inbreng van grond.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk III Standaardmethoden van berekenen subsidiabele
                            kosten</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 12 Berekening loonkosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Voor de berekening van de subsidiabele loonkosten kan de aanvrager
                                kiezen uit: </al><lijst><li nr="a. "><al>de loonkosten-plus-overhead-systematiek, opgenomen in lid 2,
                                        of</al></li><li nr="b. "><al>de vaste-uurtarief-systematiek, opgenomen in lid 3.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien de aanvrager kiest voor de
                                loonkosten-plus-overhead-systematiek, worden de subsidiabele kosten
                                berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de
                                betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond
                                van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor
                                sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1.650
                                productieve uren per jaar bij een voltijds dienstverband van 40
                                uren, vermeerderd met een vaste opslag voor indirecte kosten van
                                30%.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien de aanvrager kiest voor de vaste-uurtarief-systematiek,
                                worden de subsidiabele kosten berekend door het aantal uren dat de
                                direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten
                                behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met
                                een vast uurtarief van € 40,--, waarin zowel de directe loonkosten
                                als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13 Berekening overige kosten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor de
                                subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is
                                gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het
                                maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de
                                subsidieontvanger stelselmatig toepast.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en
                                hulpmiddelen voor het project worden berekend op basis van
                                historische aanschafprijzen.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De kosten van aankoop of inbreng van gebouwen en onroerende zaken,
                                met inbegrip van de kosten voor aankoop, belastingen, leges en
                                taxatiekosten, worden gebaseerd op de objectief aangetoonde actuele
                                marktwaarde, blijkend uit bij de aanvraag om subsidievaststelling
                                gevoegde gegevens en bescheiden, als voor het gebouw of onroerende
                                zaken in de afgelopen 10 jaar geen nationale of communautaire steun
                                is verleend</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk IV Beslissing aanvraag</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14 Termijn</titel></kop><al>De termijn voor het nemen van een besluit op een aanvraag is maximaal
                            drie maanden na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen
                            worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 15 Penvoerder</titel></kop><al>Indien de subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een
                            samenwerkingsverband wordt de beschikking aan de penvoerder
                            gezonden.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 16 Mededeling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De aanvrager doet onverwijld mededeling aan het SNN van de indiening
                                bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem van toepassing
                                verklaren tot verlening van surséance van betaling aan hem of tot
                                faillietverklaring van hem.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De subsidieontvanger doet onverwijld mededeling zodra aannemelijk is
                                dat: </al><lijst><li nr="a. "><al>de subsidiabele activiteiten niet, niet tijdig of niet
                                        geheel zullen worden verricht;</al></li><li nr="b. "><al>niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie
                                        verbonden verplichtingen zal worden voldaan;</al></li><li nr="c. "><al>het project ten opzichte van de aanvraag en de
                                        verleningsbeschikking is gewijzigd of de aanvrager
                                        voornemens is het project ten opzichte van de aanvraag en de
                                        verleningsbeschikking te wijzigen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 17 Administratie</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De subsidieontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit te
                                allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden: </al><lijst><li nr="a. "><al>de aard, inhoud en voortgang van de verrichte
                                        werkzaamheden;</al></li><li nr="b. "><al>het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan
                                        activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;</al></li><li nr="c. "><al>het aantal uren dat per persoon is besteed aan activiteiten
                                        die voor subsidie in aanmerking komen;</al></li><li nr="d. "><al>de specifiek ten behoeve van de activiteiten gemaakte en
                                        betaalde kosten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De administratie wordt tot vijf jaar na de datum van de beschikking
                                tot subsidievaststelling bewaard.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De subsidieontvanger stelt de indicatoren, zoals deze in bijlage 7
                                zijn opgenomen, beschikbaar voor de raming vooraf en meting achteraf
                                van de effecten van het project. Er dient vooraf een onderbouwing
                                aangeleverd te worden van de verwachte uitkomsten op deze
                                indicatoren.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De subsidieontvanger dient minimaal één keer per jaar een rapportage
                                in te dienen. Gerapporteerd dient te worden conform het daartoe door
                                het SNN verstrekte format.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband,
                                dienen zij hun rapportages in via een penvoerder.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 18 Voorschotten</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Op aanvraag van de subsidieontvanger kan een eerste voorschot van
                                30% worden verleend, nadat het SNN van de subsidieontvanger het
                                volgende heeft ontvangen: </al><lijst><li nr="a. "><al>een schriftelijke verklaring dat met de uitvoering van het
                                        project is begonnen;</al></li><li nr="b. "><al>een schriftelijke verklaring omtrent de wijze waarop de
                                        financiering is zeker gesteld, vergezeld van kopieën van de
                                        financieringsovereenkomsten;</al></li><li nr="c. "><al>bij aanbestedende diensten en daarmee gelijkgestelde
                                        diensten, een overzicht van de lopende of reeds afgeronde
                                        aanbestedingsprocedures, inclusief de gevolgde
                                        aanbestedingswijze;</al></li><li nr="d. "><al>de wijze waarop in voorkomende gevallen wordt voldaan aan
                                        gestelde aanvullende voorwaarden, zoals deze zijn opgenomen
                                        in de subsidieverleningsbeschikking.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Op aanvraag van de subsidieontvanger kan met behulp van het daartoe
                                ingevulde declaratieformulier het tweede voorschot van 30% verleend
                                worden, indien aangetoond is dat 30% van de totale subsidiabele
                                kosten is gemaakt en betaald en voldaan is aan alle van toepassing
                                zijnde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Op aanvraag van de subsidieontvanger van het project kan een derde
                                voorschot van 20 % verleend worden, indien 60% van de totale
                                subsidiabele kosten is gemaakt en betaald en voldaan is aan alle van
                                toepassing zijnde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Op aanvraag van de subsidieontvanger kan indien de financiële
                                situatie van de projectindiener daartoe noopt in
                                uitzonderingsgevallen, met behulp van het daartoe ingevulde
                                declaratieformulier, een vierde voorschot van 10% verstrekt worden,
                                indien aangetoond is dat 80% van de totale subsidiabele kosten is
                                gemaakt en betaald en voldaan is aan alle van toepassing zijnde
                                voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Indien de aanvraag voor een voorschot meer bedraagt dan € 300.000,--
                                dient de begunstigde een separate accountantsverklaring te
                                overleggen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Elke subsidieontvanger kan door het SNN worden verzocht om bij een
                                voorschotverzoek een separate accountantsverklaring, conform het
                                daartoe vastgestelde model, te overleggen.</al></lid><lid><lidnr>7</lidnr><al>Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband,
                                worden de voorschotten verstrekt via de penvoerder aan de
                                subsidieontvanger. Deze betaling geldt als betaling aan de
                                subsidieontvanger.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk V Intrekking</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 19 Intrekking/wijziging subsidieverlening</titel></kop><al>Onverminderd de artikelen 4:48 en 4:50 van de wet en artikel 14 van de
                            Kaderverordening subsidies Samenwerkingsverband Noord-Nederland 2000 kan
                            een besluit tot subsidieverlening worden ingetrokken of ten nadele van
                            de subsidieontvanger worden gewijzigd, indien:</al><lijst><li nr="a. "><al>het project niet wordt uitgevoerd volgens de voorschriften van
                                    deze verordening;</al></li><li nr="b. "><al>het project niet in overeenstemming is met het doel van deze
                                    verordening;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 20 Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Betaling van een terugvordering geschiedt door bijschrijving op een
                                rekening van de provincie Groningen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het DB heeft de mogelijkheid een geldschuld ten aanzien van een
                                terugvordering te verrekenen met nog te uit te keren subsidie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VI Subsidievaststelling</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 21 Aanvraag vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De subsidieontvanger dient zijn aanvraag om subsidievaststelling in
                                uiterlijk dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten
                                moeten zijn voltooid.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een door het DB
                                vastgesteld formulier. De aanvraag gaat, overeenkomstig in het
                                formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven
                                bescheiden.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 22 Penvoerder</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband,
                                dienen zij hun aanvraag tot subsidievaststelling in via de
                                penvoerder.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband,
                                wordt het subsidiebedrag via de penvoerder aan de subsidieontvanger
                                betaald. Deze betaling geldt als betaling aan de
                                subsidieontvanger.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 23 Vaststelling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Alleen projectkosten die binnen de projectperiode zijn gemaakt en
                                betaald zijn subsidiabel, met uitzondering van kosten ten behoeve
                                van eventuele accountantswerkzaamheden die verricht worden ten
                                behoeve van (het verzoek tot) vaststelling.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het subsidiebedrag zal naar evenredigheid worden verlaagd indien de
                                werkelijke subsidiabele kosten lager worden vastgesteld dan in de
                                subsidieverleningsbeschikking of wanneer de werkelijke inkomsten
                                hoger zijn dan geraamd in de projectbegroting en/of de
                                subsidieverleningsbeschikking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien met een project inkomsten gedurende de projectperiode worden
                                gegenereerd, worden de inkomsten van de subsidiabele kosten
                                afgetrokken</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Indien sprake is van een subsidie in een exploitatietekort geldt het
                                volgende: </al><lijst><li nr="a. "><al>indien de subsidie is verleend op basis van een aandeel in
                                        het exploitatietekort, dan is de verleende subsidie een
                                        aandeelfinanciering ten opzichte van de overige partijen die
                                        het project financieren. De verhouding tussen de financiers
                                        in de subsidieverleningbeschikking zal gehandhaafd worden in
                                        de definitieve vaststelling;</al></li><li nr="b. "><al>ten opzichte van bijdragen of inkomsten van onbekenden,
                                        zoals verwachte inkomsten uit de markt, is de verstrekte
                                        subsidie een restfinanciering en zal ook bij de definitieve
                                        vaststelling op die wijze vastgesteld worden;</al></li><li nr="c. "><al>bij een gemengde financiering met deels bijdragen van
                                        projectparticipanten en deels verwachte inkomsten uit de
                                        markt, wordt het tekort van het project bij de vaststelling
                                        als geheel bepaald en vervolgens naar rato aan de
                                        financieringsparticipanten toegerekend op basis van de in de
                                        subsidieverleningsbeschikking vermelde financiering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>De subsidie kan in elk geval lager worden vastgesteld, indien: </al><lijst><li nr="a. "><al>de verhouding tussen eigen en vreemd vermogen in de
                                        onderneming gezien de rentabiliteit en de aard van de
                                        onderneming niet aanvaardbaar is of indien gerede twijfel
                                        bestaat omtrent het voortbestaan van de onderneming;</al></li><li nr="b. "><al>aan de subsidieontvanger surséance van betaling is verleend
                                        of de subsidieontvanger failliet is verklaard;</al></li><li nr="c. "><al>de activiteiten in strijd met de Europese regelgeving zijn
                                        uitgevoerd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 24 Termijn</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De beschikking tot subsidievaststelling wordt binnen dertien weken
                                na ontvangst van de aanvraag verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Indien een beschikking tot subsidievaststelling niet binnen de in
                                het eerste lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn
                                eenmaal met dertien weken worden verlengd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk VII Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 25 Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Ten behoeve van de uitvoering van deze verordening worden
                                toezichthouders als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet
                                bestuursrecht aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde toezichthouders zijn belast met het
                                toezicht op de naleving van de in of krachtens de Algemene wet
                                bestuursrecht en in of krachtens deze verordening gegeven
                                voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 26 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na plaatsing in het
                            Provinciaal Blad en werkt terug tot 1 april 2011.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 27 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening Transitie II en
                            Pieken</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Groningen, ……….</ondertekening><ondertekening>Provinciale Staten voornoemd,</ondertekening><ondertekening>, voorzitter.</ondertekening><ondertekening>, griffier.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage 1 Programma- en actielijnen Pieken</titel></kop><divisie><kop><titel>MOOP</titel></kop><al>Inhoud: A. Energie B. Water C. Sensortechnologie D. Agribusiness E. Life
                        Science</al></divisie><divisie><kop><titel>A. Energie</titel></kop><al>Onder energie wordt verstaan: handel en distributie van aardgas, CO2 en
                        brandstoffen, productie van fossiele en niet-fossiele energie en de
                        productie van elektriciteit.</al><al>Programmalijn 1. Ontwikkeling aardgashubfunctie Inzet is om de rol van
                        Noord-Nederland als mainport voor aardgas (ook in vloeibare vorm) te
                        versterken door ontwikkeling van de regio tot een internationaal knooppunt
                        voor handel, doorvoer en opslag van aardgas. Actielijn 1 Projecten gericht
                        op kennisontwikkeling ten behoeve van handel, doorvoer en opslag van aardgas
                        in Noord-Nederland.</al><al>Programmalijn 2. Verwerving sleutelpositie duurzame energie Inzet is om
                        Noord-Nederland een zodanige bijdrage te laten leveren aan de nationale
                        productie en het gebruik van duurzame energie, dat de totale Nederlandse
                        productie en het gebruik van duurzame energie binnen vijf jaar vergelijkbaar
                        is met de Europese top van landen die duurzame energie produceren en
                        gebruiken. Actielijn 2a Projecten gericht op de vergroting van het gebruik
                        van duurzame energiebronnen door de industrie in Noord-Nederland, waarvoor
                        collectieve fysieke aanpassing van de infrastructuur nodig is. Actielijn 2b
                        Projecten gericht op experimentele kennisontwikkeling al dan niet in
                        combinatie met industrieel onderzoek in Noord-Nederland voor inzet van
                        biomassa ten behoeve van energieopwekking of biobrandstoffen in
                        Noord-Nederland.</al><al>Programmalijn 3. Uitbouw kennisinfrastructuur Inzet is om de bestaande
                        kennisinfrastructuur in Noord-Nederland uit te bouwen door verbreding van de
                        experimentele ontwikkeling al dan niet in combinatie met industrieel
                        onderzoek naar nieuwe of verbeterde energiebronnen, door versterkt
                        kwantitatief en kwalitatief aanbod van kenniswerkers vanuit MBO, HBO en WO,
                        of door samenwerking van ondernemers of ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties actief op het gebied van energie, met andere sectoren
                        of met ondernemers of onderzoeksorganisaties buiten de grens. Actielijn 3a
                        Projecten gericht op het ontwikkelen van nieuwe technieken voor winning of
                        benutting van bronnen van fossiele of duurzame energie. Actielijn 3b
                        Projecten gericht op het ontwikkelen van gemeenschappelijke plannen en
                        daarop gebaseerde acties van een Noord-Nederlandse ondernemer met ten minste
                        een andere ondernemer of onderzoeksorganisatie of gemeenten, provincies of
                        openbare lichamen actief op het gebied van fossiele of duurzame energie, ten
                        behoeve van innovatieve toepassing en vermarkting van aardgas en andere
                        gassen. Actielijn 3c Projecten gericht op experimentele ontwikkeling al dan
                        niet in combinatie met industrieel onderzoek op het gebied van energie door
                        een of meer Noord-Nederlandse ondernemers of door ten minste een
                        Noord-Nederlandse onderneming en een onderzoeksorganisatie actief op het
                        gebied van energie, in samenwerking met een of meer ondernemers of
                        onderzoeksorganisaties uit een of meer van de Noord-Nederlandse clusters
                        water, sensortechnologie, agribusiness, life sciences of toerisme. Actielijn
                        3d Projecten gericht op het voorbereiden van opleidingen of het bieden van
                        hoogwaardige onderwijsfaciliteiten voor kenniswerkers op het gebied van
                        fossiele of duurzame energie. Actielijn 3e Projecten gericht op samenwerking
                        tussen Noord-Nederlandse ondernemers of ten minste een ondernemer en
                        onderzoeksorganisaties actief op het gebied van energie met een of meer
                        niet-Nederlandse ondernemers of onderzoeksorganisaties, ten behoeve van
                        experimentele ontwikkeling al dan niet in combinatie met industrieel
                        onderzoek op het gebied van fossiele of duurzame energie.</al><al>Programmalijn 4. Versterking regionale clustervorming en profilering Inzet
                        is het realiseren van vernieuwende ketensamenwerking tussen de
                        energiegerelateerde grote bedrijven met vestigingen in Noord-Nederland en
                        bestaande of nieuw te vormen Noord-Nederlandse toeleveranciers, of het
                        versterken van de nationale en internationale profilering van de regio als
                        toplocatie voor productie, handel en opslag van fossiele en duurzame
                        energie. Onder vernieuwende ketensamenwerking wordt hierbij verstaan een
                        zodanige wisselwerking tussen uitbesteders en toeleveranciers, dat de
                        toeleveranciers voortdurend afdoende zijn geïnformeerd over en ingespeeld op
                        de eisen waar de uitbesteders uit hoofde van de ontwikkelingen in de
                        energiesector mee worden geconfronteerd. Actielijn 4a Projecten gericht op
                        vernieuwende ketensamenwerking tussen ondernemers in de energiesector met
                        een vestiging in Noord-Nederland, op het gebied van grootschalige
                        Noord-Nederlandse gas- of elektriciteitsprojecten. Actielijn 4b Projecten
                        gericht op vernieuwende ketensamenwerking tussen ondernemers in de
                        energiesector met een vestiging in Noord-Nederland, op het gebied van
                        (hernieuwde) oliewinning. Actielijn 4c Projecten gericht op vernieuwende
                        ketensamenwerking tussen ondernemers in de energiesector met een vestiging
                        in Noord-Nederland, gericht op het kunnen inzetten van diverse soorten
                        brandstof (˜brandstofdiversificatie). Actielijn 4d Projecten gericht op het
                        versterken van het internationale profiel van Noord-Nederland als toplocatie
                        voor productie, handel en transport voor fossiele en duurzame energie
                        (Energy Valley). Actielijn 4e Projecten gericht op het stimuleren van de
                        vestiging van ondernemers of onderzoeksorganisaties op het gebied van
                        energie in Noord-Nederland.</al></divisie><divisie><kop><titel>B. Water</titel></kop><al>Onder watertechnologie wordt verstaan: alle technologieën en technieken ten
                        behoeve van het bereiden, transporteren, leveren, verzamelen, behandelen en
                        (her)gebruiken van drinkwater, proceswater en afvalwater voor en van
                        burgers, huishoudens, industrie, land- en tuinbouw, recreatie en toerisme,
                        alsmede daaraan gelieerde applicatiekennis en kennis en advies over
                        organisatie, beheer en financiering van watertechnologie.</al><al>Programmalijn 1. Versterking van regionale clustervorming en profilering
                        Inzet is Noord-Nederland zich te laten ontwikkelen tot Europese toplocatie
                        voor kennis en productie van hoogwaardige watertechnologie en daaraan
                        gerelateerde diensten door versterking van de onderlinge samenwerking tussen
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties of vergroting van het aantal
                        ondernemers, onderzoeksorganisaties en opleidingen op het gebied van
                        watertechnologie.</al><al>Actielijn 1a Projecten gericht op het stimuleren van de vestiging in
                        Noord-Nederland van ondernemers, onderzoeksorganisaties of opleidingen op
                        het gebied van watertechnologie, die door hun complementaire kennis of goede
                        reputatie bijdragen aan de positie van Noord-Nederland als Europese
                        toplocatie voor watertechnologie. Actielijn 1b Projecten gericht op de
                        instandhouding, de uitbouw of de aanpassing aan nieuwe onderzoeksvelden en
                        -bevindingen van de analytische laboratoriumfaciliteiten, de kleinschalige
                        onderzoeksvoorzieningen en grootschaliger onderzoeksopstellingen
                        (â€˜applicatiefaciliteitenâ€™) in Noord-Nederland voor ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties op het gebied van watertechnologie. Actielijn 1c
                        Projecten gericht op het faciliteren van de beschikbaarheid van
                        bedrijfsruimten of de toegang tot durfkapitaal voor in Noord-Nederland
                        (door)startende bedrijven die watertechnologische kennis toepassen.
                        Actielijn 1d Projecten gericht op de versterking van het
                        organisatievermogen, de gezamenlijke promotie en de ontwikkeling van
                        gezamenlijke strategische toekomstvisies en daarop gebaseerde acties van
                        Noord-Nederlandse, met watertechnologie verbonden ondernemers,
                        onderzoeksorganisaties of gemeenten, provincies of openbare lichamen.</al><al>Programmalijn 2. Versterking van valorisatie van watertechnologie Inzet is
                        om meer opbrengsten te genereren van bestaande of nieuw te ontwikkelen
                        watertechnologische kennis door intensivering van de experimentele
                        ontwikkeling al dan niet in combinatie met industrieel onderzoek op het
                        gebied van watertechnologie of door profilering van Noord-Nederland als
                        toplocatie voor experimenteel onderzoek al dan niet in combinatie met
                        industrieel onderzoek naar met watertechnologie gerelateerde nieuwe
                        producten en diensten. Actielijn 2a Projecten gericht op onderzoek naar de
                        toepassingsmogelijkheden van watertechnologische kennis via testopstellingen
                        (demosites) in Noord-Nederland. Actielijn 2b Projecten waarbij een
                        onderneming of een bestuursorgaan als eerste afnemer (launching customer)
                        van een product of dienst op het gebied van watertechnologie optreedt, of
                        samenwerkingsprojecten tussen ten minste een Noord-Nederlandse ondernemer
                        met ondernemers of onderzoeksorganisaties gericht op het uitvoeren en
                        demonstreren van praktijkgerichte testen van watertechnologische producten
                        of watertechnologische producten en daaraan verbonden diensten, waarbij de
                        schaal van de test overeen komt met uitvoering in de praktijk
                        (referentieprojecten). Actielijn 2c Projecten die bijdragen aan de
                        profilering van Noord-Nederland als geschikte testomgeving (proeftuin) voor
                        nieuwe productmarktcombinaties van watertechnologie of daaraan gerelateerde
                        diensten. Programmalijn 3. Versterken aanwezigheid kenniswerkers Inzet is om
                        via het opleiden van kenniswerkers op het gebied van watertechnologie en het
                        stimuleren van aantrekkelijke carrièrepaden voor dergelijke kenniswerkers,
                        het aanbod van kenniswerkers in Noord-Nederland te versterken en daarmee bij
                        te dragen aan de positie van de regio als Europees kenniscentrum voor
                        watertechnologie. Actielijn 3a Projecten gericht op het ontwikkelen van
                        traineeships bij ondernemers in het watercluster in Noord-Nederland, waarbij
                        trainees op verschillende plaatsen in het Noord-Nederlandse bedrijfsleven
                        ervaring kunnen opdoen en zich een beeld kunnen vormen van de
                        aantrekkelijkheid van een loopbaan in de watertechnologiesector. Actielijn
                        3b Projecten gericht op het ontwikkelen van nieuwe en doorontwikkelen van
                        reeds bestaande watertechnologie-opleidingen voor MBO, HBO en universiteiten
                        (ir. of MBA) in Noord-Nederland. Actielijn 3c Projecten gericht op het in
                        Noord-Nederland ontwikkelen van bijscholingstrajecten voor personeel uit het
                        bedrijfsleven op het gebied van watertechnologie.</al></divisie><divisie><kop><titel>C. Sensortechnologie</titel></kop><al>Onder sensortechnologie wordt verstaan: technologie die het mogelijk maakt
                        grote hoeveelheden gegevens van fysische, chemische, biologische,
                        meteorologische, medische of ecologische veranderingen in korte tijd uiterst
                        nauwkeurig te monitoren, registeren of verwerken en zonodig automatisch bij
                        te sturen.</al><al>Programmalijn 1. Versterking van regionale clustervorming en profilering
                        Inzet is het versterken van de positie van Noord-Nederland als toplocatie
                        voor onderzoek naar en toepassing van sensortechnologie, door het aantrekken
                        van bestaande of het ondersteunen van nieuwe ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties actief op het gebied van sensortechnologie, of door
                        het versterken van de nationale en internationale bekendheid van het cluster
                        sensortechnologie in Noord-Nederland. Actielijn 1a Projecten die bijdragen
                        aan de oprichting van een internationaal kennisinstituut in Noord-Nederland
                        voor industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling op het gebied van
                        sensortechnologie. Actielijn 1b Projecten gericht op het stimuleren van de
                        vestiging in Noord-Nederland van ondernemers of onderzoeksorganisaties die
                        zich richten op de toepassing van door Noord-Nederlandse
                        onderzoeksorganisaties ontwikkelde kennis op het gebied van
                        sensortechnologie. Actielijn 1c Projecten die erop zijn gericht om het
                        Noord-Nederlandse cluster sensortechnologie meer nationale of internationale
                        bekendheid te geven.</al><al>Programmalijn 2. Versterking van valorisatie van sensortechnologie Inzet is
                        de toepassing en de opbrengsten van kennis op het gebied van
                        sensortechnologie te versterken door versterkte kennisdeling tussen
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties, door toepassing van de technologie op
                        nieuwe markten, door het betrekken van een bredere kring partijen die de
                        techniek in hun producten of diensten kunnen incorporeren, of door het maken
                        van plannen voor commerciële toepassing van de ontwikkelde technologie.
                        Actielijn 2a Projecten gericht op het identificeren van markten waarvoor
                        commerciële toepassingen van sensortechnologie kunnen worden ontwikkeld door
                        ten minste een Noord-Nederlandse ondernemer actief op het gebied van
                        sensortechnologie met een andere ondernemer of met een of meer beoogde
                        gebruikers van sensortechnologie of door ten minste een Noord-Nederlandse
                        onderneming en een onderzoeksorganisatie actief op het gebied van
                        sensortechnologie. Actielijn 2b Projecten waarbij een onderneming of een
                        bestuursorgaan als eerste afnemer (launching customer) van een product of
                        dienst op het gebied van sensortechnologie optreedt of projecten gericht op
                        samenwerking tussen een of meer Noord-Nederlandse leveranciers van
                        sensortechnologie en een of meer beoogde gebruikers, ten behoeve van de
                        ontwikkeling van prototypes van producten of diensten op het gebied van
                        sensortechnologie. Actielijn 2c Projecten gericht op het ontwikkelen van
                        plannen en daarop gebaseerde acties voor commerciële toepassing van
                        sensortechnologie door ten minste een Noord-Nederlandse ondernemer actief op
                        het gebied van sensortechnologie met een andere ondernemer of met een of
                        meer beoogde gebruikers van sensortechnologie of door ten minste een
                        Noord-Nederlandse onderneming en een onderzoeksorganisatie actief op het
                        gebied van sensortechnologie. Actielijn 2d Projecten waarbij in
                        sensortechnologie gespecialiseerde ondernemers of onderzoeksorganisaties
                        zich richten op het toepasbaar maken voor en het overdragen van
                        sensortechnologische kennis naar het midden- en kleinbedrijf in
                        Noord-Nederland waardoor participatie van Noord-Nederlandse MKB-ondernemers
                        in toepassingsprojecten van sensortechnologie mogelijk wordt. Programmalijn
                        3. Versterken aanwezigheid kenniswerkers Inzet is om via ontwikkeling van
                        specifieke opleidingen of hoogwaardige onderwijsfaciliteiten voldoende
                        kenniswerkers aan te trekken of te kunnen opleiden om aan de vraag naar
                        gekwalificeerd personeel in de sector sensortechnologie in Noord-Nederland
                        te kunnen voldoen. Actielijn 3a Projecten gericht op het opzetten van
                        opleidingen of het bieden van hoogwaardige onderwijsfaciliteiten in
                        Noord-Nederland voor kenniswerkers op het gebied van sensortechnologie.</al></divisie><divisie><kop><titel>D. Agribusiness</titel></kop><al>Onder agribusiness wordt verstaan: voedingstechnologie, agribusiness
                        (verwerkende industrie inclusief producenten van biomassa ten behoeve van
                        biobrandstoffen of andere nieuwe grondstoffen), biotechnologie en nutrition
                        (novel foods, functional foods, nutriceutals). Activiteiten in de primaire
                        sector zijn in deze definitie uitgesloten.</al><al>Programmalijn 1. Versterking van regionale clustervorming en profilering De
                        inzet is gericht op het versterken van de samenwerking tussen ondernemers,
                        onderzoeksorganisaties of overheden actief op het gebied van agribusiness in
                        Noord-Nederland of de vergroting van de nationale en internationale
                        bekendheid van dit cluster. Actielijn 1a Projecten gericht op versterking
                        van de samenwerking tussen ondernemers en onderzoeksorganisaties of
                        gemeenten, provincies of openbare lichamen, actief op het gebied van
                        agribusiness in Noord-Nederland. Actielijn 1b Projecten gericht op
                        bevordering van samenwerking van een of meer Noord-Nederlandse ondernemers
                        of een of meer ondernemers en onderzoeksorganisaties actief op het gebied
                        van agribusiness met in het buitenland gevestigde ondernemers of
                        onderzoeksorganisaties. Actielijn 1c Projecten gericht op het versterken van
                        de bekendheid van de Noord-Nederlandse agribusiness-sector en de in
                        Noord-Nederland uitgevoerde of lopende onderzoeksprojecten door versterkte
                        communicatie en informatieverstrekking tussen ondernemers of ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties actief in de agribusiness-sector en naar potentiële
                        afnemers van producten of diensten van de Noord-Nederlandse sector.</al><al>Programmalijn 2. Versterking van valorisatie van kennis in de
                        agribusinessketen De inzet is gericht op het versnellen van het proces
                        gericht op commerciële toepassing van kennis uit de agribusiness, of op het
                        ontwikkelen van meer kostenefficiënte methoden om grondstoffen uit de
                        agribusiness in te zetten voor verschillende toepassingen en daarmee bij te
                        dragen aan de opbrengsten van agribusiness voor Noord-Nederland. Actielijn
                        2a Projecten gericht op het versnellen van de commerciële toepassing van
                        kennis in Noord-Nederland op het gebied van agribusiness door samenwerking
                        tussen onderzoeksorganisaties, in agribusiness gespecialiseerde ondernemers
                        en MKB, door het ontwikkelen en testen van praktische toepassingen van in de
                        agribusiness ontwikkelde grondstoffen en daarop gebaseerde producten of door
                        het opzetten van proefopstellingen voor toepassingen van in de agribusiness
                        ontwikkelde kennis. Actielijn 2b Projecten gericht op verbetering van de
                        kostenefficiëntie in de productie van grondstoffen uit de agribusinesssector
                        of voor toepassingen daarvan door ten minste een Noord-Nederlandse
                        ondernemer actief op het gebied van agribusiness met een andere ondernemer
                        of door ten minste een Noord-Nederlandse onderneming en een
                        onderzoeksorganisatie actief op het gebied van agribusiness.</al><al>Programmalijn 3. Ontwikkelen van kansrijke productmarktcombinaties van
                        agribusiness met andere sectoren Inzet is om nieuwe producten en diensten te
                        ontwikkelen voor toepassing van kennis uit de agribusiness-sector in andere
                        sectoren. Actielijn 3a Projecten gericht op het tot stand brengen van
                        gemeenschappelijke plannen en daarop gebaseerde acties tussen ondernemers of
                        onderzoeksorganisaties uit de Noord-Nederlandse agribusiness en ondernemers
                        of onderzoeksorganisaties uit een of meer van de Noord-Nederlandse clusters
                        energie, water, sensortechnologie, agribusiness, of life sciences of
                        toerisme, gericht op het ontwikkelen van nieuwe productmarktcombinaties.
                        Actielijn 3b Projecten gericht op experimentele ontwikkeling al dan niet in
                        combinatie met industrieel onderzoek ten behoeve van nieuwe
                        productmarktcombinaties op basis van biomassa door ten minste een
                        Noord-Nederlandse ondernemer actief op het gebied van agribusiness met een
                        andere ondernemer of door ten minste een Noord-Nederlandse onderneming en
                        een onderzoeksorganisatie actief op het gebied van agribusiness.
                        Programmalijn 4. Versterken aanwezigheid kenniswerkers Inzet is om via
                        ontwikkeling van specifieke opleidingen en hoogwaardige
                        onderwijsfaciliteiten voldoende kenniswerkers aan te trekken en te kunnen
                        opleiden om aan de vraag in de sector agribusiness naar gekwalificeerd
                        personeel te kunnen voldoen. Actielijn 4a Projecten gericht op het
                        voorbereiden van opleidingen of het bieden van hoogwaardige
                        onderwijsfaciliteiten in Noord-Nederland voor kenniswerkers op het gebied
                        van agribusiness.</al></divisie><divisie><kop><titel>E. Life Science</titel></kop><al>Programmalijn 1 Versterking van het regionale clustervorming en profilering
                        De inzet is gericht op het versterken van de samenwerking tussen
                        ondernemers, onderzoeksorganisaties of overheden binnen het cluster life
                        sciences in Noord-Nederland of de vergroting van de nationale en
                        internationale bekendheid van dit cluster. Actielijn 1a Projecten gericht op
                        de versterking van de samenwerking tussen ondernemers,
                        onderzoeksorganisaties en gemeenten, provincies of openbare lichamen, actief
                        op het gebied van life sciences in Noord-Nederland. Actielijn 1b Projecten
                        gericht op het aantrekken van binnenlandse en buitenlandse life sciences
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties naar Noord-Nederland. Actielijn 1c
                        Projecten in aansluiting op het nationale instrumentarium die gericht zijn
                        op ondersteuning van starters en spin-offs uit ondernemingen en
                        onderzoeksorganisaties, die kennis op het gebied van life sciences in
                        Noord-Nederland toepassen. Actielijn 1d Projecten gericht op het versterken
                        van de bekendheid van de Noord-Nederlandse life sciencessector en de in die
                        sector uitgevoerd en lopende onderzoeksprojecten, door versterkte
                        communicatie en informatieverstrekking tussen ondernemers of ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties in de lifesciences-sector en naar potentiële afnemers
                        van producten of diensten van de Noord-Nederlandse sector. Actielijn 1e
                        Projecten gericht op bevordering van samenwerking met tussen in
                        Noord-Nederland gevestigde ondernemers of ondernemers en
                        onderzoeksorganisaties op het gebied van life siences en buiten de grens
                        gevestigde ondernemers of onderzoeksorganisaties.</al><al>Programmalijn 2 Ontwikkelen van nieuwe product-marktcombinaties van life
                        sciences met andere sectoren Inzet is om vanuit de life sciences nieuwe
                        producten en diensten te ontwikkelen voor toepassing in andere sectoren.
                        Actielijn 2a Projecten gericht op het ontwikkelen van een gemeenschappelijke
                        onderzoeks- en ontwikkelingsagenda of structurele samenwerking van
                        ondernemers en onderzoeksorganisaties binnen het Noord-Nederlandse cluster
                        life sciences met ondernemers of onderzoeksorganisaties uit een of meer van
                        de Noord-Nederlandse sectoren energie, water, sensortechnologie,
                        agribusiness of toerisme, waarin de verdere integratie van kennis leidt tot
                        nieuwe product/marktcombinaties. Actielijn 2b Projecten gericht op het
                        ontwikkelen van nieuwe product/marktcombinaties, voortbouwend op de
                        bestaande Noord-Nederlandse kennis rond het thema veroudering.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 2 Situatieschets en knelpuntenanalyse</titel></kop><divisie><kop><titel>MOOP</titel></kop><al>De keuzes in het programma worden gemaakt tegen de achtergrond van een
                        aantal sterkten en zwakten van de noordelijke economie. Het formuleren van
                        deze sterkten en zwakten is behulpzaam om enerzijds de kansen van nationaal
                        belang te kunnen definiëren, en anderzijds om gericht de knelpunten te
                        kunnen oplossen.</al></divisie><divisie><kop><titel>MOOP</titel></kop><al>Sterkten: goed leef en vestigingsklimaat en kansrijke, goed verankerde
                        clusters Noord-Nederland bestaat uit de provincies Fryslân, Groningen en
                        Drenthe. Met ruim 1,7 miljoen inwoners (11% van Nederland) op ruim een kwart
                        van het Nederlandse grondgebied is Noord-Nederland een relatief dunbevolkte
                        regio. Hierdoor kan de regio de ruimtevragende functies zoals werken, wonen,
                        natuur en recreatie goed inpassen. De congestie is beperkt, de kwaliteit van
                        de woon en leefomgeving is hoog en er is voldoende aanbod van bedrijfsruimte
                        tegen concurrerende prijzen. Arbeid is in Noord-Nederland tegen redelijke
                        lonen beschikbaar. Met de Rijksuniversiteit Groningen heeft Noord-Nederland
                        een belangrijk centrum voor kennisontwikkeling, terwijl in de clusters water
                        en sensortechnologie belangrijke sectorspecifieke kenniscentra bestaan in de
                        vorm van de TTI-Wetsus, respectievelijk ASTRON/LOFAR. Deze sectoren hebben
                        goede perspectieven op internationale groeimarkten. De aantrekkelijke
                        omgeving draagt bij aan een sterke regionale positie in het toerisme en de
                        historisch gegroeide sectoren landbouw en energie hebben een goede
                        verankering in de regio. Noord-Nederland kent geen echt dominante sectoren.
                        De kracht moet vooral komen uit de breedte van en de snijvlakken tussen
                        sectoren. De uitgangspositie hiervoor is gunstig; er vinden nu reeds veel
                        ontwikkelingen plaats op het snijvlak tussen disciplines en er is veel
                        potentie voor synergie tussen de clusters. Het midden en kleinbedrijf is
                        sterk vertegen¬woordigd in Noord-Nederland met een werkgelegenheidsaandeel
                        van 75%, en zal een rol moeten spelen bij het valoriseren van kennis. Met
                        650.000 banen heeft Noord-Nederland een aandeel van 9% in de nationale
                        werkgelegenheid. Daarnaast is de arbeidsproductiviteit de afgelopen jaren
                        gegroeid.</al></divisie><divisie><kop><titel>MOOP</titel></kop><al>Zwakten: economische ijlheid, onvoldoende ‘kassa’, onvoldoende innovatief
                        MKB en mismatch op de arbeidsmarkt In de geschetste structuur schuilen
                        echter voor een deel ook de zwakten van Noord-Nederland. De geografische
                        spreiding in het Noorden geeft een historische verklaring voor ijle
                        verbindingen tussen kennisinstellingen en bedrijven onderling. Zo is er in
                        de kansrijke sectoren nog behoefte aan verdere uitbouw van het organiserend
                        vermogen. Ook wordt nog onvoldoende gewerkt aan het identificeren van
                        kansrijke marktvensters, terwijl op de snijvlakken tussen sectoren nog
                        onvoldoende gemeenschappelijke agenda’s en markten zijn gedefinieerd.
                        Alhoewel de primaire landbouw met de daaraan gerelateerde voedings- en
                        genotmiddelenindustrie een sterke massa heeft in Noord-Nederland, drijft
                        deze sector voor een deel op lage kosten en staat hij onder druk van
                        veranderend gemeenschappelijk landbouwbeleid en WTO-afspraken . Ook sectoren
                        als de traditioneel relatief sterk aanwezige metaalsector drijven sterk op
                        lage kosten. Veel van de producten uit deze sectoren zijn aan het eind van
                        hun levenscyclus. Innovatie krijgt vooral gestalte in procesinnovaties en
                        minder in vernieuwende productinnovaties. De publieke sector, die een sterke
                        groei heeft gekend in met name de gezondheids en welzijnszorg en in
                        onderwijs en openbaar bestuur, draagt nauwelijks bij aan de regionale
                        concurrentiekracht. Het toerisme ondervindt concurrentie van goedkoop te
                        bereiken buitenlandse bestemmingen. Er zal dus gefocust moeten worden op
                        innovatieve concepten en innovatieve productmarkt¬combinaties om duurzaam
                        groeiperspectief en comparatief voordeel te behouden. Daarbij ligt een
                        versnelde omschakeling van de klassieke ‘productieregio’ die Noord-Nederland
                        nog steeds in overwegende mate is, naar een meer kennisintensieve,
                        zogenaamde clusterregio het meest voor de hand . In het toerisme en in de
                        landbouw, die verbindingen kan leggen met innovatieve voedsel¬technologie en
                        met energie (biobrandstoffen) is daar ook potentieel voor. In de sectoren
                        water, energie en sensorsysteemtechnologie mag nog verder gewerkt worden aan
                        versterking van het organiserend vermogen en het ontwikkelen van spin offs
                        en gemeenschappelijke agenda’s. In de life sciences, waar Noord-Nederland
                        een sterke kennispositie heeft, moet gewerkt worden aan heldere
                        marktvensters en een duidelijke focus en positionering van de regio. Het
                        doel moet zijn dat de aanwezige kennis ook naar de markt wordt gebracht en
                        wordt omgezet in kassa. Alhoewel het MKB een rol zou moeten spelen bij de
                        vermarkting van kennis, blijven de innovatie en het ondernemerschap die
                        cruciaal zijn voor toepassing en diffusie van kennis, sterk achter (zie
                        box). Mede daardoor blijft ook de export achter: het aandeel van de export
                        in de totale omzet van het bedrijfsleven ligt zo’n 7% lager dan het
                        landelijke cijfer. De sectorstructuur biedt hiervoor onvoldoende verklaring.
                        Tenslotte zijn er onvoldoende werknemers die de nieuwe kennis kunnen
                        toepassen en absorberen. Er is een relatief laag aanbod van hoger opgeleiden
                        – terwijl een beperkte werkgelegenheid in innovatieve beroepen op zijn beurt
                        het gevaar oproept dat hoger opgeleiden wegtrekken – , de onderwijsgraad van
                        jongeren in sommige gedeelten van Noord-Nederland blijft achter en de pool
                        van werklozen is vooral middelbaar geschoold. Het zijn deze meer
                        randvoorwaardelijke knelpunten voor een omslag naar een innovatieve economie
                        en de gesignaleerde Piekenopgaven, die het driesporenbeleid waar dit
                        programma op inzet, rechtvaardigen.</al></divisie><divisie><kop><titel>MOOP</titel></kop><al>Innovatie en kenniseconomie in Noord-Nederland Het gemiddeld
                        opleidingsniveau van de werkzame beroepsbevolking in Noord-Nederland is
                        lager dan in de rest van Nederland. Het aandeel industriële hightech en
                        mediumtech werkgelegenheid in de totale werkgelegenheid in Noord-Nederland
                        is gemiddeld tot laag (platteland) en slechts in een enkele gemeente hoog
                        tot zeer hoog. Het aandeel R&amp;D-werkgelegenheid in de totale
                        werkgelegenheid is in vrijwel heel Noord-Nederland laag tot zeer laag en
                        slechts in een enkele gemeente hoog tot zeer hoog. De innovatieve
                        inspanningen (voor zover traceerbaar via R&amp;D-uitgaven, octrooien) zijn
                        in Noord-Nederland beduidend lager dan het landelijk gemiddelde .</al></divisie><divisie><kop><titel>MOOP</titel></kop><al>Hier wordt verder per piek (Energie, Water, Sensortechnologie, Agribusiness
                        en Life Science) uiteengezet wat het huidige beeld is, wat de ambities zijn
                        en voor welke centrale opgave Noord-Nederland staat.</al></divisie><divisie><kop><titel>A. Energie (‘energiepiek in energievallei’)</titel></kop><al>Beeld</al><al>Voldoende massa… Het overgrote deel van de Nederlandse activiteiten op het
                        gebied van aardgas (winning, transport, behandeling, handel en research) is
                        in Noord-Nederland geconcentreerd. Naast de winning vanuit het
                        Slochterenveld is ook de toekomstige winning van het Waddengas van belang.
                        Met de nabehande¬ling maar ook met het onderhoud van de technische
                        installaties zijn</al><al>veel werkgelegenheid en geld gemoeid. De elektriciteitsproductie, -opslag en
                        -distributie (Eemscentrale, gasopslag Grijpskerk, Langeloo en Zuidwending)
                        en potentiële aardoliewinning achter Emmen winnen aan belang in
                        Noord-Nederland. De bedrijven zijn van behoorlijke omvang en hebben
                        groeipotentie. Dominant is een aantal grote spelers als NAM, Gasunie
                        (transport en infrastructuur), GasTerra (handel in gas), Essent, NUON en
                        Electrabel met breed palet aan toeleveranciers, uitbestedingrelaties en
                        spin-offs. De belangrijke afnemers (bijvoorbeeld energie-intensieve chemie
                        en metaalbedrijven) zijn eveneens in Noord-Nederland gevestigd. Verder zijn
                        er belangrijke relaties met andere sectoren als agri¬business (energie uit
                        biomassa), chemie (gas als grondstof voor procesindustrie) en
                        afvalverwerking (energie uit afval). De aan energie gerelateerde
                        werkgelegenheid in Noord-Nederland omvat zo’n 20.000 banen met daarnaast
                        uitstraling naar de gehele Nederlandse economie (omzet aardgas in 2000 €
                        9,34 miljard met een toegevoegde waarde van ruim € 8 miljard, goed voor 2,1%
                        van BBP). … kunde en kennis In 2003 is Energy Valley gevormd, een publiek
                        privaat samenwerkingsverband van bedrijven, kennisinstellingen en overheden,
                        dat als doel heeft een breed en integraal cluster van activiteiten te
                        ontwikkelen dat bijdraagt aan de economische ontwikkeling van
                        Noord-Nederland. Binnen ex-overheidsbedrijven als NAM en Gasunie is de
                        kennisontwikkeling traditioneel gesloten, maar er wordt volop gewerkt aan
                        meer samenwerking, onder andere met de kennis¬instellingen (RUG, HBO) maar
                        ook met Energy Delta Institute, Energy Delta Research Centre en Cartesius
                        (kenniscentrum duurzame energie). Het aantal kenniswerkers in de sector is
                        hoog. De kenniskolom energie is echter nog niet volledig en ook
                        gemeenschappelijke agenda’s ten aanzien van commerciële ontwikkelingen
                        ontbreken nog.</al><al>… en in potentie nog meer kassa Liberalisering en internationalisering
                        bieden volop kansen voor het noordelijke energiecluster; de massa en
                        aanwezige kennis bieden perspectief om deze kansen ook te benutten. Daarbij
                        is het wel zaak te focussen op die energievelden waarin Noord-Nederland
                        traditioneel sterk is (gas en olie). Op dit punt staan leverings en
                        voorzieningszekerheiddiscussies nu hoog op de agenda. Waar Nederland al
                        sterk staat als het gaat om kennis en kunde van ondergrondse opslag, zijn
                        deze actuele discussies een extra reden om de ondergrondse opslag, een
                        gasrotonde (van en naar Nederland), CO2-opslag en hiervoor benodigde
                        pijpleidingen snel te realiseren. Een gasrotonde wordt in internationaal
                        perspectief gezien als noodzakelijk fundament van Energy Valley. De sterk
                        stijgende olie- en gasprijzen en de daarmee gepaard gaande dreiging voor het
                        bestaan van de (energie-intensieve) industrie in (Noord-)Nederland nopen tot
                        totaal nieuwe energieconcepten. De behoefte aan andere energiedragers en
                        andere productieprocessen die de afhankelijkheid van aardgas(prijzen)
                        verminderen en een vergroening binnen de industrie/chemie tot stand brengen,
                        bieden nieuwe kansen voor de noordelijke economie. Een biobased economy komt
                        hiermee dichterbij en biedt tegelijkertijd nieuwe kansen voor de
                        agribusiness. Gewijzigd beleid (verplichte bijmenging van 5,75%
                        biobrandstoffen in 2010) leidt tot meer vraag naar groen gas, groene
                        brandstoffen en groene stroom, en kan tevens leiden tot nieuwe commerciële
                        kansen en toepassingen. In het verlengde hiervan zijn nieuwe innovaties en
                        technologieën te verwachten die op hun beurt weer leiden tot hoogwaardige
                        arbeid. Deze innovatieve energie¬toepassingen (zoals Blue Energy en een
                        smart power system – micro-wkk –) dragen bij aan een hoogwaardige
                        kennisregio. Het is dan ook van belang verbinding te zoeken met kansrijke
                        ontwikkelingen en uitdagingen binnen de agribusiness (biorefineries,
                        biobrandstoffen), water (innovatieve energieopwekking) en chemie
                        (vergroening). Forse investeringen in een aantal grote projecten in
                        Noord-Nederland bieden het regionale bedrijfsleven nieuwe mogelijkheden. De
                        toeleveranties en uitbestedingen van en aan het regionale bedrijfsleven
                        krijgen hierdoor een nieuwe impuls. Het is nu zaak voor het regionale
                        bedrijfsleven en de NOM de grote uitbesteders te bevragen op hun
                        uitbestedingseisen en daarop innovatief in te spelen.</al><al>Ambitie Met Energy Valley richt Noord-Nederland zich de komende jaren op een
                        onderscheidend en (inter-) nationaal sterk opererend energiecluster. De
                        ambitie is Energy Valley uit te bouwen tot belangrijke energy-mainport op
                        Europees en mondiaal niveau. Op Europees niveau zal Noord-Nederland de
                        nummer één moeten zijn op het gebied van handel, transport en opslag van gas
                        en CO2. Daarnaast wil Noord-Nederland een sleutelpositie innemen op het
                        terrein van duurzame energie. Ook de kennis hierover zal toonaangevend
                        moeten zijn. Het aantal patenten moet toenemen tot minimaal 10% van het
                        nationale aantal energiegerelateerde patenten. Het aantal kenniswerkers zal
                        minimaal 5% zijn gegroeid. Het aantal fte’s en bedrijfsvestigingen in de
                        energiesector zal zijn gegroeid naar minimaal 15% van het landelijke
                        aantal.</al><al>Centrale opgaven De centrale opgaven zijn het vormgeven van de aardgas- en
                        CO2-hubfunctie in Noord-Nederland en het positioneren van het duurzame
                        energiecluster. Daaraan zullen alle partijen (bedrijfsleven, overheden en
                        kennisinstellingen) die in (Noord-)Nederland actief zijn op het gebied van
                        energie, zich dienen te committeren. De komende jaren dient tevens het
                        energiegerelateerde cluster verder te worden uitgebouwd door het
                        organisatorisch vermogen te vergroten, de bedrijvigheid in het MKB te
                        stimuleren, de kennis te vermeerderen, het MKB aan te laten haken
                        (kennisontwikkeling en kennisconversie), de links met andere sectoren te
                        versterken en door vooral het cluster verder te verankeren in de regio
                        ondanks de verdergaande internationalisering, liberalisering en
                        marktwerking.</al></divisie><divisie><kop><titel>B. Water (‘van kennis naar kassa’)</titel></kop><al>Water is door het Innovatieplatform als een van de sleutelgebieden voor
                        stimulering van innovatie bestempeld. Binnen dit sleutelgebied wordt
                        onderscheid gemaakt tussen water¬echnologie (afvalwaterzuivering,
                        voorziening drink en industriewater), het maritiem cluster (offshore,
                        scheepsbouw en baggersector) en deltatechnologie (waterbeheer en waterbouw).
                        Op scheepsbouwgebied heeft Noord-Nederland een relatief sterke positie met
                        een fors aandeel in de totale werkgelegenheid in de sector en een
                        internationaal sterke positie in vooral het zogenaamde short sea segment. Er
                        is een compleet cluster van bedrijven, reders, toeleveranciers en
                        dienstverleners. De marktperspectieven van de sector liggen vooral in
                        vervangingsvraag en te verwachten extra vraag door economische groei. Verder
                        heeft de sector, via een gedeeld netwerk van toeleveranciers en
                        dienstverleners, een sterke synergie met de jachtbouw. Om deze
                        marktperspectieven optimaal te kunnen benutten, zijn blijvende product en
                        procesinnovaties nodig. Eventuele ondersteuning hiervoor lijkt afgedekt te
                        kunnen worden via de borgstellingregeling en de innovatieregeling
                        scheepsbouw, het programma Maritiem (dat vooral aansluit bij
                        kennis¬ontwikkeling en een focus heeft op onder meer jachtbouw) en via het
                        generiek instrumentarium. Dit is de reden dat er vooralsnog hier geen
                        expliciete programmalijnen voor de sector worden opgenomen. Indien tijdens
                        de regelmatige evaluaties en bijstellingen van het ’Koers Noord‘-programma
                        mocht blijken dat de specifieke innovatiebehoeften van de noordelijke
                        scheepsbouw¬sector hiermee toch niet afdoende kunnen worden gedekt, dan zal
                        worden bezien of eventueel een additionele faciliteit voor de scheepsbouw
                        moet worden geboden.</al><al>Beeld Vooral sterk op gebied watertechnologie De positie van Noord-Nederland
                        binnen het sleutelgebied is vooral sterk op het vlak van water¬technologie
                        (drink en industriewatervoorziening en afvalwaterbehandeling). Verder
                        bestaat potentie voor het benutten van de kennis van sensortechnologie voor
                        waterkwaliteitsbeheer en bestaat kennis op het snijvlak van water en
                        energie.</al><al>Marktaantrekkelijkheid watertechnologie goed De internationale watermarkt
                        wordt geschat op 425 miljard. Prognoses laten zien dat de markt het komende
                        decennium nog jaarlijks groeit met 11%. Het aantal concurrenten is
                        beperkt.</al><al>Voldoende massa… Alhoewel de noordelijke bedrijven en leveranciers van
                        watertechnologie op wereldschaal relatief kleine spelers zijn, behoren ze in
                        sommige nichemarkten tot de wereldtop. Nationaal gezien speelt
                        Noord-Nederland op het gebied van water(zuiverings)technologie en
                        watermanagement een belang¬rijke rol. In de drie noordelijke provincies zijn
                        ruim 5500 mensen werkzaam in de watersector, 145 bedrijven behalen circa € 1
                        miljard aan omzet. Alleen al binnen Friesland zijn 80 bedrijven actief op
                        het gebied van waterzuiveringstechnologie. De 80 bedrijven dragen met hun
                        omzet voor 4,4% bij aan het BRP van de provincie. Het waterbedrijf Groningen
                        is de op één na grootste leverancier van industriewater in Nederland en de
                        watermaatschappij Drenthe is één van de voortrekkers op het gebied van
                        kennisoverdracht en ondernemen naar en in ontwikkelingslanden.</al><al>…en kennis De bedrijven zijn relatief R&amp;D-intensief. In een rapport van
                        het EIM (2005) wordt het cluster voor de toekomst als kansrijk ingeschat.
                        Hierin speelt de kennispositie een belangrijke rol. In Noord-Nederland zijn
                        grote innovatieve bedrijven gevestigd als Pacques, Spaans Babcock,
                        Landustrie en Hubert. Hét kennisinstituut op het gebied van waterzuivering,
                        Wetsus, is gevestigd in Leeuwarden. Rond dit instituut is onlangs het
                        TTI-watertechnologie gevormd, met een FES-toekenning van € 35 miljoen. Met
                        de vorming van dit instituut rond Wetsus, zal het aantal watertechnologische
                        thema’s waaraan in het Noorden wordt gewerkt de komende jaren nog worden
                        uitgebreid. Verder staat in Leeuwarden het grootste en meest geavanceerde
                        drinkwaterlaboratorium van Europa. Samen met de RUG en Van Hall
                        (biotechnologie) en NHL (fysisch/chemische technologie) en hun spin-off
                        bedrijven is daarmee een groot kennispotentieel aanwezig. Via initiatieven
                        als iWater (voortgekomen uit sensortechnologie) wordt in Noord-Nederland ook
                        een kennispositie op het gebied van waterkwaliteitsmeting en op afstand
                        bedienbare waterregel en waterzuiveringinfrastructuur uitgebouwd. De sector
                        beschikt daarmee over kennis op belangrijke snijvlakken tussen de pieken in
                        Noord-Nederland.</al><al>…maar nog onvoldoende kassa Door concurrentieoverwegingen en traditioneel
                        afgebakende rollen van ingenieurs, adviesbureaus aannemers en
                        zuiveringsbedrijven (veelal publiek), is de sector echter nog te veel
                        versnipperd. Hierdoor worden nog onvoldoende totaaloplossingen aangeboden.
                        Buitenlandse concurrenten doen dit beter. Ook de (gemeenschappelijke)
                        internationale profilering is zwak. Hierdoor worden de exportmogelijkheden
                        nog onvoldoende benut. Ondanks de internationale oriëntatie en de goede
                        internationale reputatie die (Noord )op het gebied heeft, scoort de export
                        relatief laag. Verder wordt de keten van kennis, kunde en kassa nog
                        onvoldoende benut: de spin-offs van de kennis blijven achter. Wel is met de
                        Friese Wateralliantie samenwerking in gang gezet tussen bedrijfsleven,
                        kennisinstel¬lingen en overheid. Deze alliantie mikt op het genereren en
                        demonstreren van integrale oplossingen waarbij Nederlandse watertechnologie,
                        in samenhang met watermanagement en capaciteitsontwik¬keling (bij overheden
                        en studenten), wordt aangeboden.</al><al>En op langere termijn blijvend kennisbundeling en vraaggerichte R&amp;D
                        nodig Voor de langere termijn is verdere uitbouw van kennis en het
                        ontwikkelen van producten waar vraag naar is, cruciaal. Voor de Nederlandse
                        watersector wordt op dit vlak een tekort aan (gemeenschappe¬lijke) R&amp;D
                        gesignaleerd: de R&amp;D in de sector ligt lager dan het landelijk
                        gemiddelde en de benutting van internationale R&amp;D-subsidies is gering.
                        Hier speelt ondermeer het belangrijke aandeel van publieke waterbedrijven
                        een rol. Tevens kan de gemiddeld lage opleidingsgraad in Noord-Nederland een
                        belemmering vormen voor blijvende innovatie.</al><al>Tenslotte is aandacht nodig voor het opzetten van pilotprojecten om de brug
                        te slaan tussen R&amp;D en toepassing en daaraan gekoppelde
                        opbrengsten.</al><al>Relatie met het Innovatieprogramma water De sterkten en zwakten van de
                        noordelijke watersector zijn sterk vergelijkbaar met die van de Nederlandse
                        watersector als geheel. Vandaar dat het Innovatieprogramma Water, dat in
                        2006 van start is gegaan, inzet op het vergroten van de export en, voor de
                        langere termijn, het ontwikkelen van toepassingen waar marktvraag naar
                        bestaat. Hiervoor is vanuit EZ € 45 miljoen gereserveerd voor de komende
                        vijf jaar. Het geld wordt ondermeer ingezet voor in samenwerking verricht
                        industrieel en preconcurrentieel onderzoek (InnoWator; € 5 miljoen per
                        jaar); voor internationaal onderzoek (€ 2 miljoen per jaar), en voor het
                        makelen en schakelen tussen watergerelateerde partijen. Verder wordt vanuit
                        de bestaande instrumenten ingezet op versterking van de internationale
                        profilering. De ambitie van het Innovatieprogramma Water is om een
                        excellente watersector te creëren die in samenhang opereert en waarbinnen de
                        kansrijke clusters drink- en energiewatervoorziening, afvalwatertechnologie,
                        sensortechnologie en interactie met natuurlijke systemen (waterverdeling en
                        -kwaliteit; ondergrondse water/energieopslag) tot de wereldtop behoren. Dit
                        Koers Noord-programma focust meer specifiek op versterking van het
                        noordelijke cluster en het verder uitbouwen van de stap naar de markt door
                        experimenteel onderzoek en referentieprojecten en de unieke mogelijkheid van
                        Noord-Nederland als proeftuin voor toepassing van watertechnologie en de
                        ontwikkeling van integrale vraaggerichte concepten voor buitenlandse
                        afnemers en bedrijven met specifieke behoeften. Hiervoor vormt de kennis op
                        belendende gebieden (ontwikkeling van kennis en organiserend vermogen bij
                        afnemers van watertechnologie, koppeling van waterkwaliteits¬management en
                        -beheer aan toerisme, landbouw, visserij en wonen) een sterke basis.</al><al>Ambitie Het is de ambitie van Noord-Nederland uit te groeien tot een
                        internationale topregio voor kennis en toepassingen op het gebied van
                        watertechnologie. Het aandeel van de watersector in het BBP van
                        Noord-Nederland stijgt van circa 2% (2002) naar 4% in 2020, vooral door een
                        sterke stijging van de export. Wetsus groeit hierbij uit tot een Europees
                        topinstituut rond welk een sterk cluster van watertechnologiebedrijven en
                        -instellingen ontstaat, dat in Noord-Nederland ontwikkelde technologie,
                        producten en diensten met name in het buitenland afzet.</al><al>Centrale opgaven Om deze ambitie te realiseren, is de centrale opgave voor
                        Noord-Nederland om te komen tot versterking van de factor kassa (spin-offs,
                        gezamenlijke profilering) en het wegnemen van specifieke belemmeringen voor
                        een blijvend sterke positie (kennisbundeling en onderwijs). Noord-Nederland
                        kan daarbij gebruik maken van zijn unieke positie op het snijvlak van
                        clusters om nieuwe product¬marktcombinaties te ontwikkelen. Hierbij worden
                        watertechnologie en schoon water benut voor de ontwikkeling van nieuwe
                        economische activiteiten (bijvoorbeeld op het gebied van duurzame energie en
                        toerisme). Tevens kan Noord-Nederland profiteren van de gelijktijdige
                        beschikbaarheid van goede natuurlijke condities (voldoende ruimte, zoet en
                        zout water en eilanden als natuurlijk begrensde proefgebieden) en goede
                        condities voor de ontwikkeling van een sterk cluster (de aanwezigheid van
                        Wetsus, van bedrijven en kennisinstellingen op het gebied van
                        watertechnologie en het draagvlak bij de overheden (tevens launching
                        customers)). Dit maakt Noord-Nederland zeer geschikt als proeftuin voor
                        ontwikkeling en demonstratie van innovatieve totaalconcepten en
                        referentieprojecten.</al></divisie><divisie><kop><titel>C. Sensortechnologie: intelligente toepassingen in complexe
                            systemen</titel></kop><al>Beeld Van kennis … De kennisbasis voor sensortechnologie in Noord-Nederland
                        wordt gevormd door LOFAR. LOFAR is een project dat internationaal gezien een
                        voorname en unieke positie heeft en op zich onder¬scheidend is. LOFAR is een
                        radiotelescoop die volgens een geheel nieuw principe werkt.</al><al>Duizenden kleine sensoren zijn via een hoogwaardig glasvezelnetwerk
                        verbonden met de aanwezigheid van Europa’s meest krachtige supercomputer
                        STELLA, die de informatie vertaalt in beelden en interessante
                        aggregatiegegevens. De toepassingen van deze sensornetwerken zijn gebaseerd
                        op wetenschappelijk onderzoek en leiden naar verwachting tot nieuwe
                        wetenschappelijke doorbraken. ASTRON in Dwingeloo is de trekker van het
                        LOFAR-project.</al><al>… en kunde LOFAR biedt kansen voor de ontwikkeling van een kenniscluster van
                        intelligente sensor¬netwerken en heeft de potentie om nieuwe bedrijvigheid
                        tot stand te brengen met een wereldwijde markt. Daarbij wordt gedacht aan
                        vele toepassingsgebieden, zoals beheersing van watersystemen, beheer van
                        energienetwerken, monitoring van milieu¬afspraken, onderzoek van de
                        ruimte/ruimtevaart, dijkbewaking, logistieke systemen, meteorologische
                        toepassingen en precisielandbouw. Juist op de raakvlakken met andere pieken
                        kunnen zich interessante innovatieve ontwikkelingen voordoen die de positie
                        van Noord-Nederland als kennisregio verder kunnen versterken. Daardoor
                        kunnen zich ook nieuwe commerciële mogelijkheden aandienen.</al><al>… naar meer kassa en massa. Sensor Universe is gericht op het positioneren
                        van Nederland als een internationaal innovatie en bedrijvigheidcluster
                        rondom de ontwikkeling van zgn. Multifunctional Wide Area Sensornetwerk
                        (multisensing) technologie. Met het LOFAR-project en de super¬computer in
                        Groningen heeft Noord-Nederland een voorsprong genomen in de ontginning van
                        deze complexe sensorsystemen. Het is nu zaak deze piek snel verder
                        commercieel uit te bouwen. Er is al veel (basis)kennis, echter er zijn nog
                        weinig concrete toepassingen. Daarnaast ontbreken nog de massa en het
                        benodigde start en durfkapitaal.</al><al>Ambitie Het beleid is gericht op het ontwikkelen van Noord-Nederland tot
                        toonaangevende kennisregio in de wereld op het gebied van intelligente
                        sensornetwerken in een periode van 10 jaar. De uitdaging is om op basis van
                        deze positie een innovatie en bedrijvigheidcluster rondom Multifunctional
                        Wide Area Sensornetworktechnology (multisensing) te ontwikkelen. Het is
                        noodzakelijk samen met nationale en internationale netwerkpartijen te komen
                        tot een publiek-private uitvoering van een gecoördineerd programma (Sensor
                        Universe) en internationaal aansluiting te zoeken bij grote maatschappelijke
                        thema’s.</al><al>Centrale opgaven Om Noord-Nederland tot een internationaal toonaangevend
                        economisch cluster op het gebied van sensorsystemen en sensornetwerken te
                        maken, ligt een aantal opgaven voor. Er moet tot een kritische massa gekomen
                        worden om een economische toppositie te bereiken met een duurzaam
                        concurrentievoordeel ten opzichte van andere regio’s. Om de opgaven te
                        realiseren moet de kennis verder uitgebouwd worden en is Sensor Universe in
                        het leven geroepen. Wezenlijk is het opsporen en invullen van hiaten op het
                        gebied van intelligente en innovatieve sensorsystemen. Ook uitbouw van de
                        pool van talent op het gebied van sensorsystemen is nodig. Deze is nog niet
                        goed ontwikkeld. De huidige pool bestaat uit het personeel bij ASTRON, een
                        beperkt aantal medewerkers bij andere kennisinstellingen en een tiental
                        MKB-bedrijven. Er zijn nog geen gespecialiseerde opleidingen aan de
                        Rijksuniversiteit Groningen en aan de Hogescholen. Naast ASTRON zijn er nog
                        maar weinig instellingen bezig met onderzoek op het gebied van
                        sensor¬systemen en -netwerken. Er dient samengewerkt te worden tussen
                        overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven om de nog prille technologie
                        en markt van sensorsystemen en sensornetwerken tot ontwikkeling te
                        brengen.</al></divisie><divisie><kop><titel>D. Agribusiness: kennis vergroten en brug slaan naar groene life
                            sciences</titel></kop><al>Beeld Voldoende massa… Noord-Nederland kent een aantal dominante
                        agroclusters, vooral gebaseerd op de verwerking van melk, aardappels en
                        suikerbieten. Er is een nauwe binding tussen primaire productie en
                        verwerking, vooral bij de aardappels, suikerbieten en melk. De Nederlandse
                        landbouw staat momenteel onder druk vanwege voornamelijk de hervorming van
                        het Gemeenschappelijk Europees Landbouwbeleid. De agrosector in
                        Noord-Nederland heeft een toegevoegde waarde van € 5,7 miljard en biedt
                        circa 80.000 arbeidsplaatsen (getallen LEI 2003, inclusief verwerking
                        buitenlandse grondstoffen). Dit betreft 14% van zowel de totale toegevoegde
                        waarde als van de totale werkgelegenheid in Noord-Nederland. Dit is hoger
                        dan de landelijk gemiddelde cijfers, respectievelijk circa 10% en 11%. De
                        Noord-Nederlandse voedings- en genotmiddelenindustrie is goed voor ongeveer
                        22.000 arbeids¬plaatsen. Hiertoe behoren ongeveer 600 bedrijven waaronder
                        een aantal grote, zoals de aardappel en zuivelverwerking, de suikerindustrie
                        en slachterijen. Bekende namen zijn Royal Friesland Foods, Avebe en
                        Cosun.</al><al>… maar aandacht nodig voor kennis De kennis op agribusinessgebied zit
                        voornamelijk bij de (grotere) bedrijven. De belangrijkste kennisinstellingen
                        zitten echter buiten Noord-Nederland. De benodigde kennis zal dus voor een
                        deel ook buiten Noord-Nederland gehaald moeten worden. Voor de agri¬business
                        is vooral het contact met de Universiteit Wageningen een heel belangrijk
                        facet. Verder is voor de agribusiness de kennisontwikkeling in de life
                        sciences sector van groot belang. De kennisbasis voor life sciences is in
                        Noord Nederland geconcentreerd bij de RUG/UMCG en een aantal hogescholen
                        inclusief gelieerde instituten. Binnen de brede context van de life sciences
                        is voor de agribusiness vooral de groene tak relevant. Hiervoor is behalve
                        RUG/TNO het Van Hall-instituut als onderdeel van de WUR een belangrijk
                        noordelijk kenniscentrum. Van groot belang is verknoping en afstemming van
                        de kennisbases van Wageningen en het Van Hall-instituut. De opleiding voor
                        de uitvoerende niveaus in de agribusiness is via mbo-opleidingen voldoende
                        aanwezig.</al><al>... en voor kassa Hoewel de kassa nog behoorlijk rinkelt, rinkelt er in de
                        agribusiness ook al enige tijd een alarmbel. De bedreigingen voor de sector
                        zijn evident. De Pieken van de agribusiness naar markten en producten met
                        hogere toegevoegde waarde is voor de sector van levensbelang. De noordelijke
                        bedrijven hebben dit begrepen. Er zijn verspreid over Noord-Nederland meer
                        dan 50 bedrijven actief met bioprocessing gericht op voedsel en veevoer. In
                        deze, veelal grotere, bedrijven staat de toepassing van die kennis voorop,
                        met name van kennis gericht op het verhogen van de kwaliteit en gezondheid
                        van voedingsmiddelen. De marktkant op het snijvlak van traditionele
                        agribusiness en groene life sciences is echter nog onderontwikkeld. Er zijn
                        bijvoorbeeld nog geen duidelijke marktvensters binnen het cluster gekozen.
                        Wel is te zien dat ook de grote agri-foodbedrijven steeds meer opschuiven
                        richting life sciences. Delen van de ‘groene’ life sciences (met name op het
                        snijvlak agribusiness en food) vormen een interessant cluster met
                        groeiperspectief.</al><al>Ambitie Doelstelling van het beleid is de nummer 1 regio te zijn op het
                        terrein van de groene life sciences, het snijvlak tussen life sciences en de
                        agribusiness. Daarnaast moeten de agri¬foodbedrijven inzetten op de biobased
                        economy. Door nieuwe toepassingen van grondstoffen aan de
                        (energie-intensieve) chemische en procesindustrie dragen de
                        agri-foodbedrijven bij aan de vergroening van de industrie en de ontplooiing
                        en verbreding van de biobased economy. Om basis te blijven behouden voor de
                        economisch belangrijke agrisector is het tenslotte van belang om binnen de
                        hele agriketen te werken aan innovatieve productiemethoden, nieuwe producten
                        en nieuwe merken. Kennis moet snel gevaloriseerd worden. Voor de Pieken van
                        de agrifoodbedrijven wordt ingezet op verbetering van de kostenefficiëntie
                        om een positie op bestaande markten te behouden, en vergroting van
                        innovatiemogelijkheden door een betere benutting en nieuwe marktgerichte
                        toepassingen van de huidige grondstoffen.</al><al>Centrale opgaven Ten aanzien van agribusiness ligt de eerste centrale opgave
                        in het identificeren en definiëren van kansrijke marktvensters op het
                        snijvlak met life sciences, maar ook met energie en chemie. Een aardappel
                        wordt dan niet meer gezien als aardappel, maar als biomassa. Daarbij gaat
                        het zowel om de ‘hoofdgrondstof’ als om het rest en afvalgedeelte van de
                        plant. Door sterkere en nieuwe verbindingen te leggen tussen de
                        agribusiness-sectoren, kennis¬instellingen en de ontwikkeling van
                        technologie (kennisplatform biomassa) kunnen grote innovatieve stappen
                        worden gemaakt bij de scheiding en toepassing van biomassa. Het vergt de
                        ontwikkeling en opschaling van veel nieuwe processen en technieken. Dit
                        biedt in principe ook weer kansen voor tal van spin-off-bedrijven die zich
                        toe kunnen leggen op de toelevering van technieken en materialen ten behoeve
                        van deze processen. Afstemming van de noordelijke ambities op het terrein
                        van de agribusiness/groene life sciences met de landelijke en regionale
                        roadmaps is hierbij essentieel. Ten tweede moet worden gewerkt aan een
                        groter organiserend vermogen om betere kennisuitwisseling mogelijk te maken
                        tussen bedrijven onderling en met kennisinstellingen. Een derde opgave ligt
                        in het versnellen van de vermarkting en het op orde brengen van de
                        randvoorwaarden (scholing) ten behoeve van de bredere Pieken. Deze Pieken
                        krijgt verder, zoals aangegeven, vorm door in de sector breed in te zetten
                        op procesinnovaties gericht op verbeterde kostenefficiëntie.</al></divisie><divisie><kop><titel>E. Life sciences: naar een stevige focus en positionering</titel></kop><al>Beeld Een sector met potentie Life sciences is een dynamisch wetenschaps en
                        technologiegebied dat vormen van biologisch leven analyseert en gebruikt
                        voor de ontwikkeling van betere producten en productieprocessen in veel
                        toepassingsgebieden. De toepassings¬mogelijkheden worden globaal
                        onderscheiden in landbouw en verwerking van agrarische producten (groene
                        life sciences, zie agribusiness), industriële toepas¬singen (witte life
                        sciences) en gezondheid (rode life sciences). Groningen bekleedt samen met
                        Amsterdam de tweede positie (na Leiden) in de life sciences sector voor wat
                        betreft aantal bedrijven, kenniswerkers en omzet van zogenaamde dedicated
                        life sciences (dit zijn kennisintensieve, gespecialiseerde bedrijven die
                        actief zijn in R&amp;D en die zowel aanwenden voor eigen gebruik als kennis
                        verkopen ten behoeve van processen, producten en/of diensten aan externe
                        opdrachtgevers). In totaal waren er eind 2004 ongeveer 30 van zulke
                        dedicated life sciences bedrijven. Ze bieden hoogwaardige werkgelegenheid
                        aan 500 mensen. Het gaat om 15-20% van de totale werkgelegenheid in de
                        dedicated life sciencesbedrijven in Nederland. De grotere dedicated life
                        sciences bedrijven in en rond Groningen hebben een sterke internationale
                        oriëntatie. De kleinere bedrijven hebben ook een internationale oriëntatie,
                        maar zijn daarnaast op overig Nederland en de eigen regio gericht. De
                        dedicated life sciences bedrijven zijn veelal spin-offs van de
                        kennisinstellingen in Noord-Nederland en onderhouden daar in bijna alle
                        gevallen nauwe relaties mee. Naast de dedicated life sciences¬bedrijven,
                        zijn er meer dan 50 diver¬sified (bedrijven met deels eigen R&amp;D die
                        kennis in bestaande producten en processen zijn gaan integreren) en volgende
                        bedrijven (geen eigen R&amp;D) actief met life sciences. In de diversified
                        en volgende bedrijven, die veelal veel groter zijn dan de dedicated
                        bedrijven, staat de toepassing van die kennis voorop. Ze zijn gericht op het
                        verhogen van de kwaliteit en gezondheid van voedings¬middelen en
                        geneesmiddelen, het verbeteren van de milieukwaliteit, en in zijn
                        algemeenheid de verbetering van de procesgang in de bedrijven met behulp van
                        life sciences kennis. Gezamenlijk hebben de dedicated bedrijven en de
                        diversified bedrijven een massa van rond de 12.000 werkzame personen.</al><al>Kennisbasis sterk, maar focus nodig… De life sciences sector (dedicated life
                        sciences bedrijven en kennisinstellingen) is sterk technologisch gericht en
                        maakt in hoge mate gebruik van de ontwikkelingen die plaats¬vinden in de
                        kennisgebieden biotechnologie, farmacie, medische wetenschappen, chemie,
                        levensmiddelentechnologie, materiaal¬kunde, informatica, nanotechnologie,
                        scheidings¬technologie en milieukunde. Noord-Nederland heeft een
                        aanzienlijke kennisbasis op het life sciencesterrein. De grote noordelijke
                        kennisinstellingen zoals de Rijksuniversiteit Groningen (RUG), Universitair
                        Medisch Centrum Groningen (UMCG), de Hanzehogeschool met het Instituut voor
                        Life Sciences en de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden hebben life sciences
                        als speerpunt. Er zijn opleidingen voor biologisch-medisch
                        laboratorium¬onderzoek binnen de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden en de
                        Hogeschool Drenthe in Emmen. Het Leeuwarder Van Hall Instituut besteedt veel
                        aandacht aan voedingsmiddelen en biotechnologie. Alle noordelijke provincies
                        bieden MBO-opleidingen aan op terreinen als laboratorium-, voedingsmiddelen
                        en procestechnologie, waardoor ook op de uitvoerende niveaus een ruim
                        arbeidsaanbod bestaat. In Noord-Nederland en speciaal bij het UMCG/de
                        Rijksuniversiteit Groningen (RUG), zijn alle relevante technologiegebieden
                        binnen de life sciences te vinden. Met deze diversiteit onderscheidt
                        Noord-Nederland zich van de andere life sciences clusters in Nederland. Om
                        deze diversiteit te kunnen benutten, massa te kunnen verwerven en een
                        duidelijke positionering van Noord-Nederland te bereiken, is echter wel
                        focus nodig. Nu is binnen Noord-Nederland het grootste deel van de dedicated
                        life sciences bedrijven en de kennis¬instellingen (met name het UMCG) actief
                        op het gebied van rode life sciences. De Randstad (met Leiden en Amsterdam)
                        heeft echter een sterkere kennisbasis, terwijl ook Maastricht in opkomst is.
                        Wel ontstaat binnen de rode life sciences in Noord-Nederland een duidelijke
                        kennispositie op het terrein van veroudering. Witte life sciences
                        (biochemie, instrumenten en uitrusting, technologie algemeen) zijn relatief
                        sterk vertegenwoordigd in Noord-Nederland, maar ook hier is focus nodig om
                        hieraan een kansrijke uitbouw te geven. Het is dus zaak vanuit de
                        onderscheidende, brede, kennisbasis te komen tot een duidelijke
                        positionering. Die positionering kan worden gevonden door vanuit de
                        combinatie van de verschillende kennis¬gebieden op zoek te gaan naar nieuwe
                        productmarktcombinaties op de snijvlak¬gebieden tussen de regionaal sterke
                        clusters en op het gebied van veroudering. Dit biedt de potentie om vanuit
                        de brede kennisbasis vraaggestuurd te werken en de stap naar de markt te
                        maken. De vraag van veeleisende, want zelf ook sterk in ontwikkeling zijnde
                        kansrijke clusters, dwingt op zijn beurt het wetenschaps¬gebied tot
                        blijvende proces en product¬innovaties. Een dergelijke insteek biedt daarom
                        enerzijds steun aan de bredere Piekenopgave (via het combineren van de
                        kennisbases en de versterking van snijvlakken tussen clusters) en geeft
                        anderzijds voldoende richting om gedurende de Piekenperiode aan een
                        onderscheidende positie te werken.</al><al>…en aandacht voor kunde en kassa De gewenste integratie van kennisgebieden
                        komt zowel binnen de kennisinstellingen als binnen en tussen de dedicated
                        life sciences bedrijven wel voor, maar tot nu toe in onvoldoende mate. De
                        cluster¬structuur van de life sciences is nog dun. Het organiserend vermogen
                        beperkt zich op dit moment tot Biomedcity (een overlegstructuur tussen
                        bedrijven en kennisinstellingen) en bijeen¬komsten die voortkomen uit het
                        project voor netwerkvorming en kennisoverdracht ‘Katalysatorplus’. De
                        bestaande organisaties missen nog slagkracht als clusterorganisatie en moet
                        verder versterkt worden zodat een hechte clusterorganisatie van overheden,
                        opleidingsinstituten, onderzoeksinstituten en vooral bedrijven ontstaat. Het
                        voortouw ligt daarbij bij de bedrijven. Ook de marktkant is nog relatief
                        onderontwikkeld. De omzet van witte, groene en rode life sciences mag
                        relatief groot zijn – zo’n 23% van het Nederlands totaal –, toch is
                        Noord-Nederland mondiaal een zeer kleine speler. Er zijn nog geen duidelijke
                        marktvensters gekozen. Alhoewel het imago van Groningen sterk is – vooral
                        ten aanzien van biotechnologie – en Groningen meeloopt in de subtop op het
                        gebied van rode en witte life sciences, is het aantal spin-offs de laatste
                        jaren afgenomen. Dit aantal is gaan achterlopen bij Wageningen, Utrecht en
                        Rotterdam.</al><al>Ambitie De ambitie van het cluster van Noord-Nederland is een gemiddelde
                        groei van 10% per te realiseren bij alle spelers in het cluster. Een groei
                        van gemiddeld 10% per jaar resulteert in 2010 in een cluster van rond de 50
                        dedicated life sciences bedrijven, zorgend voor zo’n 850 hoogwaardige
                        arbeids¬plaatsen bij dedicated life sciences bedrijven en 2.200
                        kenniswerkers in diverse instituten die bezig zijn met vele nieuwe
                        producten. Het cluster kan binnen 5 jaar een zodanige dichtheid verkrijgen
                        dat gesproken kan worden van een piek van nationaal belang.</al><al>Centrale opgaven Voorwaarde voor succesvolle uitbouw en Pieken van de life
                        sciences sector is allereerst het versterken van het organiserend vermogen
                        en het vandaar uit combineren van de verschillende kennisgebieden bínnen de
                        life sciences (dedicated bedrijven en instellingen). Dit biedt kansen om
                        nieuwe product/marktcombinaties te ontwikkelen. Ten tweede dient vanuit deze
                        combinatie op zijn beurt gefocust te worden op kansrijke markt¬vensters.
                        Deze liggen enerzijds in het vraaggestuurd ontwikkelen van producten voor en
                        op de snijvlakken tussen de clusters die in Noord-Nederland kansrijk zijn.
                        Het gaat dan om de verbinding met het agro-industriële complex (groene life
                        sciences, zie ook onder agribusiness), het energie¬cluster (biomassa),
                        watertechnologie (via microbiologie), sensor¬technologie (via medische
                        technologie) en chemie- en procesindustrie (via witte life sciences).
                        Anderzijds dient met de combinatie ingezet te worden op het ontwikkelen van
                        innovatieve producten die aansluiten bij de kennisbasis op het gebied van
                        vergrijzing. Een aantal initiatieven op dit terrein is inmiddels in gang
                        gezet: Life-lines en Eriba (in opzet) bij de kennisinstituten, terwijl ook
                        de dedicated bedrijven – vooral rood en groen – zoals Syncom, IQ-corporation
                        en DSM Biologics, producten ontwikkelen die inspelen op het thema
                        veroudering. De markten bevinden zich ondermeer in de farmaceutische
                        industrie, de voedingsmiddelenindustrie (supplementen) en de zorgsector.
                        Tenslotte dient te worden ingezet op regionale verankering en vermarkting
                        via het genereren van spin-offs en uitbouw van het cluster.</al></divisie></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 3 Rankingscriteria</titel></kop><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1"/><colspec colname="col2"/><colspec colname="col3"/><colspec colname="col4"/><thead><row><entry><al/></entry><entry><al>Score voor ranking projecten Tender Pieken 2011</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry><entry><al>Naam project:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Naam penvoerder:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Dossiernummer:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Maximale</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Programmalijn waarop het project betrekking heeft:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>Score</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1 Financieel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1a</al></entry><entry><al>Percentage gevraagde bijdrage ten opzichte van de totale
                                        subsidiabele kosten</al></entry><entry><al>score 1a</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>30% of meer: 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>30 tot 25%: 1 punt</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al> 25% of minder: 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>1b</al></entry><entry><al>Percentage totale bijdrage van projectpartners, niet zijnde
                                        gemeente, provincie, Rijk en/of EU, ten opzichte van de
                                        totale subsidiabele kosten</al></entry><entry><al>score 1b</al></entry><entry><al>4</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>… 0 tot 30%: 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…30 tot 40%: 1 punt</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…40 tot 50%: 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…50 tot 60%: 3 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…60% of meer: 4 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Totaal Financieel</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><vet> 6</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2 Innovatie</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2a</al></entry><entry><al>Mate waarin er sprake is van proces/product vernieuwing met
                                        toegevoegde waarde voor de Noord-Nederlandse economie</al></entry><entry><al>score 2a</al></entry><entry><al>5</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Hierbij wordt gekeken naar de kwaliteit van de onderbouwing
                                        in de aanvraag</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…0 = zeer matig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…1 = matig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…2 = redelijk</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…3 = behoorlijk</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…4 = goed</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…5 = zeer goed</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2b</al></entry><entry><al>In hoeverre is er sprake van valorisatie?</al></entry><entry><al>score 2b</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Valorisatie: het tot maatschappelijke waarde brengen van
                                        wetenschappelijke en technologische kennis uit het publieke
                                        domein.</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…0 = niet</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…1 = matig</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…2 = redelijk</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>…3 = goed</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>2c</al></entry><entry><al>Is het project nieuw voor Noord-Nederland?</al></entry><entry><al>score 2c</al></entry><entry><al>2</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>ja = 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>nee = 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Totaal Innovatie</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><vet> 10</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3 Samenwerking en clustering</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3a</al></entry><entry><al>Mate van samenwerking (aantal deelnemers)</al></entry><entry><al>score 3a</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>1 deelnemer: 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>2 deelnemers: 1 punt</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>3 deelnemers: 2 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>4 of meer deelnemers: 3 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3b</al></entry><entry><al>Kwalitatieve bijdrage</al></entry><entry><al>score 3b</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Speelt een kennisinstelling een wezenlijke rol bij dit
                                        project? Dit komt o.a. tot uiting in de mate waarin wordt
                                        deelgenomen in de projectactiviteiten. De bijdrage van de
                                        kennisinstelling moet een additionele bijdrage betreffen.
                                        Alleen een bestaand en volledig onderzoek inbrengen telt
                                        niet als bijdrage van een kennisinstelling. De bijdrage van
                                        de kennisinstelling wordt gerelateerd aan de totale
                                        subsidiabele kosten van het project (bijdrage
                                        kennisinstelling/TSK).</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>0 tot 4% = 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>4 tot 8% = 1 punt</al><al>8 tot 12% = 2 punten</al><al>12% of meer = 3 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>3c</al></entry><entry><al>Heeft het project inhoudelijke raakvlakken met andere
                                        nationale topsectoren of regionale speerpunten uit Koers
                                        Noord en levert het daarmee een bijdrage aan de versterking
                                        hiervan?</al></entry><entry><al>score 3c</al></entry><entry><al>3</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>ja = 3 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>nee = 0 punten</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Toelichting:</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al>Totaal Samenwerking en clustering</al></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al><vet>9</vet></al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al>Totaal</al></entry><entry><al/></entry><entry><al>25</al></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row><row><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 4 Programma- en actielijnen Toerisme</titel></kop><al>[Vervallen]</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 5 situatieschets en knelpuntanalyse Noord-Nederland en de
                        uitwerking daarvan in ten aanzien van transitie in regionale speerpuntsector
                        Toerisme</titel></kop><al>[Vervallen]</al></bijlage><bijlage><kop><titel>Bijlage 6 Rankingscriteria</titel></kop><al>[Vervallen]</al></bijlage><bijlage><kop><titel> Bijlage 7 Indicatoren</titel></kop><al>Van de volgende indicatoren vindt per project monitoring plaats, conform de
                    volgende indicatoren:</al><table><tgroup cols="1"><colspec colname="col1"/><thead><row><entry><al><vet>Indicator </vet></al></entry></row></thead><tbody><row><entry><al/></entry></row><row><entry><al>R&amp;D projecten (0 of 1)</al></entry></row><row><entry><al>Uitgelokte private vervolginvesteringen (in euro's conform
                                        EIM rekentool)</al></entry></row><row><entry><al>R&amp;D investeringen (in euro's)</al></entry></row><row><entry><al>Aantal ondersteunde startende bedrijven en kleine bedrijven
                                        (</al></entry></row><row><entry><al>Aantal ondersteunde MKB-bedrijven</al></entry></row><row><entry><al>Aantal samenwerkingsverbanden tussen bedrijven en
                                        kennis-/researchinstellingen</al></entry></row><row><entry><al>Aantal bruto gecreëerde arbeidsplaatsen (in FTE conform EIM
                                        rekentool)</al></entry></row><row><entry><al>Aantal projecten gericht op verbetering van natuur,
                                        landschap of cultureel erfgoed</al></entry></row><row><entry><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>