<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR251277_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 gemeente Beuningen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beuningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronsich gemeenteblad, via website Beuningen, 1 februari 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Wet werk en bijstand, artikel 8</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=60">Wet werk en bijstand , artikel 60</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BW12.01192</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 gemeente Beuningen
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>De</vet>
            <vet> raad van de gemeente Beuningen,</vet>
          </al>
          <al/>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van d.d. 27 november
                        2012,</al>
          <al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel i, van de Wet werk en bijstand; </al>
          <al>overwegende dat het noodzakelijk is de uitoefening van de bevoegdheid tot
                        verrekening als bedoeld in artikel 60b van de Wet werk en bijstand bij
                        verordening te regelen, </al>
          <al/>
          <al>BESLUIT: </al>
          <al>vast te stellen de hierna volgende </al>
          <al>
            <vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</vet>
            <vet> 2013
                            gemeente Beuningen</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Definitiebepaling</titel>
          </kop>
          <al>In deze Verordening wordt onder een recidiveboete, een bestuurlijke boete
                        verstaan als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wet werk en
                        bijstand. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>De uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening</titel>
          </kop>
          <al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag met de algemene bijstand
                        gedurende de eerste drie maanden na dagtekening van het besluit tot
                        oplegging van een recidiveboete zonder dat het bepaalde in artikel 4:93,
                        vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in acht wordt genomen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Verzoek tot doorbetaling huur/hypotheekrente</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2 kan/kunnen belanghebbende(n)
                            verzoeken om de huur dan wel hypotheekrente na aftrek van huurtoeslag
                            respectievelijk hypotheekrenteaftrek, gedurende de in artikel 2 genoemde
                            periode direct vanuit de bijstand te voldoen. Indien dit verzoek wordt
                            toegekend wordt de verrekening daarop aangepast. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval afgewezen
                            indien belanghebbende(n) redelijkerwijs over voldoende gelden kan/kunnen
                            beschikken om de genoemde drie maanden in het levensonderhoud te
                            voorzien dan wel redelijkerwijs deze gelden op korte termijn kan/kunnen
                            verwerven. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid van de
                            Algemene wet bestuursrecht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr/>
            <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2 verrekent het college het
                            openstaande boetebedrag met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid,
                            van de Algemene wet bestuursrecht voor zover:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>toepassing van artikel 2 en 3 onaanvaardbare consequenties heeft
                                    voor de belanghebbende(n); dan wel</al></li>
              <li nr="b."><al>de gezondheidstoestand van (een van de) belanghebbende(n) naar
                                    het oordeel van het college ernstig wordt bedreigd doordat
                                    mogelijkheden ontbreken om de noodzakelijke medicatie of
                                    behandeling te financieren. </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij toepassing van het in lid 1 gestelde, bedraagt de
                                    beslagvrije voet:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de eerste maand 0 % van de toepasselijke bijstandsnorm;</al></li>
              <li nr="b."><al>de tweede maand 90% van de toepasselijke bijstandsnorm;</al></li>
              <li nr="c."><al>de derde maand 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Beleid</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Burgemeester en wethouders bepalen in die situaties waarin deze
                            Verordening niet voorziet.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de uitvoering van deze
                            Verordening beleidsregels vaststellen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <al>Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen ten gunste van de
                        cliënt/uitkeringsgerechtigde afwijken van de bepalingen in deze Verordening,
                        indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard
                        leidt.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7.</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Deze Verordening treedt in werking op 1 januari 2013.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze Verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening bestuurlijke
                        boete bij recidive 2013.</al>
          <al/>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering</ondertekening>
        <ondertekening>Van 22 januari 2013</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label>Algemene Toelichting</label>
        </kop>
        <al>Per 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid
                        SZW-wetgeving in werking. Met de Wet krijgt het college de plicht om een
                        boete op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht.
                        De eerdere bevoegdheid om een maatregel in deze situatie op te leggen
                        verdwijnt. De hoogte van de boete is daarbij in beginsel gelijk aan het
                        bedrag dat belanghebbende te veel aan bijstand heeft ontvangen. </al>
        <al>Is sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht
                        (recidive) dan wordt deze boete in beginsel verhoogd tot 150% van het te
                        veel ontvangen bedrag. Naast deze verhoging krijgt het college daarbij ook
                        de bevoegdheid om in de eerste drie maanden na oplegging van de boete de
                        bijstand volledig te verrekenen met de openstaande boetevordering. </al>
        <al/>
        <al>In eerste instantie had de wetgever voorzien in een
                            <cursief>plicht</cursief> tot volledige verrekening van de
                        boetevordering. Bij amendement is deze verplichting echter omgezet in een
                        bevoegdheid, zodat de gemeente de mogelijkheid heeft om daar waar volledige
                        verrekening onwenselijke effecten heeft (denk b.v. aan hogere
                        maatschappelijke kosten vanwege huisuitzetting) de verrekening aan te
                        passen, dan wel bij de verrekening de beslagvrije voet volledig te
                        respecteren. De Wet werk en bijstand verplicht de gemeenteraad in dit kader
                        bij verordening nadere regels te stellen met betrekking tot het gebruik van
                        deze bevoegdheid. </al>
        <al/>
        <al>Opgemerkt zij nog dat de Verordening enkel de verrekening regelt van
                        bijstandsafhankelijken die te maken krijgen met een door het college
                            <cursief>zelf</cursief> opgelegde recidiveboete. Is de recidiveboete
                        opgelegd op het moment dat belanghebbende elders bijstand ontvangt, dan kan
                        het boete opleggende college het bijstandsverstrekkende college verzoeken om
                        conform de regels van het boete opleggende college tot verrekening over te
                        gaan. Mocht belanghebbende tussentijds het bijstandsverstrekkende college
                        verzoeken de beslagvrije voet alsnog te respecteren, dan is dit college bij
                        de verrekening daaraan gehouden. </al>
        <al/>
        <al>
          <vet>Artikelgewijze toelichting V</vet>
          <vet>erordening</vet>
        </al>
        <al/>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
          </kop>
          <al>Behoeft geen nadere toelichting</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
          </kop>
          <al>Artikel 4:93, vierde lid, van Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat
                        verrekening niet mogelijk is voor zover beslag op de vordering nietig zou
                        zijn. Concreet houdt dit in dat bij verrekening in beginsel rekening moet
                        worden gehouden met de beslagvrije voet zoals deze zijn regeling vindt in
                        artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                        Rechtsvordering. Zoals reeds aangegeven geeft de Wet werk en bijstand het
                        college de bevoegdheid om deze bepaling in de eerste drie maanden na
                        oplegging van de boete buiten toepassing te laten. Het college mag dus de
                        openstaande boetevordering (zowel de recidiveboete als een wellicht nog
                        openstaand bedrag in verband met de eerdere boete) in deze eerste drie
                        maanden volledig met een eventueel bijstandsrecht verrekenen. </al>
          <al/>
          <al>In eerste instantie was deze verrekening – gelijk nog steeds in de IOAW en
                        IOAZ – als een verplichting opgenomen in de Wet. De Kamer achtte echter -
                        juist bij bijstandsverlening – het risico reëel dat zich situaties zouden
                        kunnen voordoen waarbij de uiteindelijke totale maatschappelijke kosten
                        beduidend hoger lagen dan het met deze invorderingsmethodiek bereikte
                        resultaat. Reden voor de Kamer om de gemeente in dit kader meer
                        handelingsvrijheid te geven, om juist in deze individuele situaties af te
                        kunnen wijken van het principe. Vandaar dat bij de verrekening met de
                        bijstand niet gesproken wordt over een plicht, maar over een bij verordening
                        nader in te kaderen bevoegdheid.</al>
          <al/>
          <al>In deze Verordening is er voor gekozen om in lijn met deze bedoeling uit te
                        gaan van het principe van volledige verrekening, om vervolgens in artikel 3
                        en 4 de mogelijkheden te benoemen om van dit principe af te wijken. Dat deze
                        uitzonderingsmogelijkheden in artikel 3 en 4 genoemd zijn, vloeit voort uit
                        het feit dat te verwachten valt dat een groep mensen als gevolg van de
                        recidiveboete in grote maatschappelijke problemen komt, bijvoorbeeld door
                        het niet kunnen doen van boodschappen of het niet kunnen betalen van de
                        zorgpremie. Gezien de verwachting dat dit geen incidenteel geval is, is
                        ervoor gekozen in de Verordening aan te geven welk beleid in dergelijke
                        gevallen gevoerd wordt.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
          </kop>
          <al>Zoals in de toelichting op artikel 2 aangegeven zijn in artikel 3 en 4 de
                        mogelijkheden om van het in artikel 2 benoemde principe af te wijken nader
                        uitgewerkt. Artikel 3 voorziet daarbij in de mogelijkheid voor
                        belanghebbende om het college te verzoeken om in ieder geval de huur (en bij
                        een eigendomswoning de hypotheekrente onder aftrek van de in dit kader
                        ontvangen belastingteruggave en eventueel ontvangen bijzondere bijstand) via
                        de bijstand te laten doorbetalen. Gedachte hierachter is dat met name moet
                        worden gevreesd dat belanghebbende wanneer hij drie maanden van bijstand
                        verstoken blijft het risico loopt dat hij vanwege de ontstane achterstand in
                        de woonlasten uit huis wordt geplaatst met allerlei eventuele extra kosten
                        voor de maatschappij. Om dit te voorkomen voorziet deze bepaling in de
                        mogelijkheid dat het college het te verrekenen bedrag kan aanpassen, zodat
                        alsnog vanuit de bijstand de woonlasten kunnen worden doorbetaald. Wel is
                        gekozen voor een directe doorbetaling aan de verhuurder/hypotheekverstrekker
                        om te voorkomen dat de bijstand voor andere zaken wordt ingezet, waardoor
                        alsnog het risico van huisuitzetting reëel blijft. </al>
          <al/>
          <al>In het tweede lid van artikel 3 is daarnaast bepaald dat een verzoek tot
                        doorbetaling zonder meer wordt geweigerd indien belanghebbende in
                        redelijkheid over voldoende gelden kan beschikken om de genoemde drie
                        maanden in zijn levensonderhoud te voorzien dan wel in redelijkheid deze
                        gelden op korte termijn kan verwerven. </al>
          <al/>
          <al>Gesproken wordt over gelden, niet over middelen. Van het in de Wet werk en
                        bijstand gedefinieerde middelen begrip zijn immers een aantal posten
                        uitgesloten. Denk dan bijvoorbeeld aan bedragen die belanghebbende heeft
                        ontvangen in het kader van een immateriële schadevergoeding of bedragen
                        waarover belanghebbende wel beschikt, maar die bij saldering met de
                        openstaande schulden geen aan te spreken vermogen opleveren. Dit zijn echter
                        wel gelden die belanghebbende in deze situatie kan aanspreken voor zijn
                        levensonderhoud, voor zover hij er in ieder geval in redelijkheid over kan
                        (gaan) beschikken. </al>
          <al/>
          <al>Iemand kan onder andere redelijkerwijs over gelden gaan beschikken, indien
                        het redelijk is dat hij ofwel binnen afzienbare tijd vermogensbestanddelen
                        te gelde weet te maken ofwel op korte termijn werk weet te aanvaarden. </al>
          <al/>
          <al>Belanghebbende kan natuurlijk altijd al zijn bezittingen verkopen en op die
                        wijze over gelden gaan beschikken, maar het is niet redelijk dat het college
                        in deze van belanghebbende verlangt dat hij bezittingen verkoopt die naar
                        hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn (denk aan z’n meubels of bed).
                        En natuurlijk kunnen inkomsten worden verworven door werk te aanvaarden,
                        maar indien de afstand van belanghebbende tot de arbeidsmarkt heel groot is,
                        is het niet reëel om te verwachten dat hem dit op zeer korte termijn zal
                        lukken. In dit soort situaties kan dus niet met een beroep op het tweede lid
                        een verzoek tot doorbetaling zonder meer worden afgewezen. </al>
          <al/>
          <al>Dat gesproken wordt over een verzoek houdt in dat belanghebbende zelf in
                        actie moet komen zo hij de verrekening wil laten aanpassen. Dat houdt tevens
                        in dat zo’n verzoek ook lopende de drie maanden van verrekening kan worden
                        gedaan, mocht bijvoorbeeld plots blijken dat huisuitzetting dreigt of dat
                        verwachte inkomsten uitblijven. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
          </kop>
          <al>In artikel 4 zijn twee redenen of situaties benoemd waarin het college
                        ondanks de in de Wet opgenomen bevoegdheid toch de beslagvrije voet bij
                        verrekening in acht neemt. Tijdens de parlementaire behandeling zijn
                        expliciet de onaanvaardbare consequenties voor eventuele minderjarige
                        kinderen en de gezondheidssituatie van (een van de) belanghebbende(n)
                        genoemd. Dit artikel geeft vervolgens ook aan tot welke percentages het
                        college de beslagvrije voet in acht neemt, indien de toepassing van het in
                        artikel 2 gestelde tot maatschappelijk onaanvaardbare situaties leidt. Een
                        beslagvrije voet van 0% betekent dat iemand deze maand niet over een
                        uitkering kan beschikken. Als de beslagvrije voet tot 90% in acht wordt
                        genomen, betekent dit dat iemand 90% van de normale uitkering krijgt. Als
                        iemand normaal € 1000,-- per maand aan uitkering ontvangt, houdt diegene,
                        bij toepassing van de beslagvrije voet tot 90% € 900,-- per maand aan
                        uitkering over. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
          </kop>
          <al>De beslissingen in het eerste lid zijn onderworpen aan de voorgeschreven
                        bezwaar- en beroepsprocedures, zodat ook in deze gevallen de beslissing
                        gemotiveerd genomen moet worden.</al>
          <al>In de beleidsregels uitvoering sociale zaken (kortweg de Busz) bedoeld in
                        het tweede lid, kan het college nadere beleidsregels vaststellen ten behoeve
                        van de uitvoering van deze Verordening.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
          </kop>
          <al>De hardheidsclausule geldt in “bijzondere gevallen”. Het gebruik maken van
                        de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als
                        een regel. Het college moeten in verband met precedentwerking duidelijk
                        aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken.
                        Het afwijken kan alleen maar ten gunste van de cliënt/uitkeringsgerechtigde
                        en nooit ten nadele.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>en 8</titel>
          </kop>
          <al>Behoeven geen nadere bespreking.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>